Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 oktober 2021, nr. WJZ/20222966, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021)
Kosten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onderdeel e, kunnen niet worden vergoed indien het factuurbedrag lager is dan € 250, exclusief BTW.
De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onderdeel e, waarvoor een factuur wordt ingediend met een factuurbedrag van € 250 of meer, exclusief BTW, wordt verhoogd met een opslag van 1 procent ter dekking van de kosten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4.2.6. Subsidievaststelling projecten minder dan € 200.000
Indien subsidie wordt aangevraagd voor projecten waarvan de totale kostprijs niet meer dan € 200.000 bedraagt, wordt de subsidie verleend met gebruikmaking van eenheidskosten of vaste bedragen als bedoeld in artikel 53, tweede lid, van verordening 2021/1060 en kan de subsidie worden vastgesteld op basis van een ontwerpbegroting als bedoeld in artikel 53, derde lid, aanhef en onderdeel b, van verordening 2021/1060.
De artikelen 1.3a, 1.3b, 1.3c en 1.3d zijn niet van toepassing, indien de subsidie wordt verleend met gebruikmaking van het eerste lid.
Artikel 4.2.7. Afwijzingsgronden
De beheerautoriteit beslist afwijzend op een aanvraag indien:
- a. het project niet voldoet aan deze regeling, verordening 2021/1060 of verordening 2021/1058, of gelet op de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 4.2.2, eerste lid, of de criteria en procedures, bedoeld in artikel 4.2.2, derde lid, niet voor subsidie in aanmerking komt;
- b. het project niet voldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen binnen het programma of het gedeelte van het programma waarvoor het subsidieplafond of het deelplafond beschikbaar is gesteld;
- c. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag op de uiterste datum van indiening in het geval van verdeling op basis van rangschikking als bedoeld in artikel 4.2.8, onderdeel b;
- d. de subsidie bestemd is voor:
- 1°. een onderneming tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of
- 2°. een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, tenzij steun gerechtvaardigd wordt door verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun of door regels voor tijdelijke staatssteun die zijn vastgesteld om in te spelen op uitzonderlijke omstandigheden.
De beheerautoriteit kan geheel of gedeeltelijk afwijzend beslissen op een aanvraag indien blijkt dat de beoogde financiering door de overige financiers geheel of gedeeltelijk niet zal worden verleend.
Artikel 4.2.8. Verdeling subsidiebedrag
Behoudens de bijdrage aan een financieringsinstrument als bedoeld in artikel 4.2.2, tweede lid, verdeelt de beheerautoriteit een beschikbaar subsidiebedrag:
- a. op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 4.2.9; of
- b. op basis van rangschikking van de aanvragen, overeenkomstig artikel 4.2.10.
Artikel 4.2.9. Volgorde van ontvangst
Indien wordt gekozen voor verdeling op volgorde van ontvangst als bedoeld in artikel 4.2.8, onderdeel a, komt de eerst ontvangen aanvraag het eerst voor subsidie in aanmerking.
Indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt met betrekking tot de verdeling de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften als datum van ontvangst.
Indien de beheerautoriteit op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan een aanvraag ontvangt, stelt zij de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.
Artikel 4.2.10. Rangschikking
Indien wordt gekozen voor verdeling op volgorde van rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 4.2.8, onderdeel b, komt de aanvraag die naar het oordeel van de beheerautoriteit in de hoogste mate aan de rangschikkingscriteria voldoet het eerst voor subsidie in aanmerking.
Voor zover het subsidieplafond dreigt te worden overschreden, stelt de beheerautoriteit de onderlinge rangschikking van die aanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt vast door middel van loting.
Artikel 4.2.11. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het uiterlijk op het bij de verlening bepaalde tijdstip.
Artikel 4.2.12. Wijziging project
Een wijziging van een project waarvoor subsidie wordt verstrekt, betreffende
- a. de subsidieontvanger;
- b. de uit te voeren activiteiten of de te realiseren doelstellingen;
- c. de financiering van het project; of
- d. de planning of looptijd,
behoeft de goedkeuring van de beheerautoriteit.
Artikel 4.2.13. Meldingsplicht subsidieontvanger
De subsidieontvanger doet onverwijld schriftelijk melding aan de beheerautoriteit zodra aannemelijk is dat:
- a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht; of
- b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
Artikel 4.2.14. Administratie
De subsidieontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle door hem gemaakte en betaalde kosten kunnen worden afgelezen en gespecificeerd, met dien verstande dat ter zake van de kosten, bedoeld in de artikelen 1.3a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 1.3c, eerste lid, onderdeel a, en 1.3e, een door middel van een inzichtelijke tijdschrijving controleerbare urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.
Artikel 4.2.15. Verplichtingen
De beheerautoriteit verbindt verplichtingen aan de subsidie.
De beheerautoriteit verbindt zodanig verplichtingen aan de subsidie dat de subsidieontvanger aan de auditautoriteit de medewerking verleent die zij voor haar taakvervulling nodig heeft.
Artikel 4.2.16. Aanvraag tot subsidievaststelling
Een aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de beheerautoriteit beschikbaar wordt gesteld.
Artikel 4.2.17. Beslissing op de aanvraag tot subsidievaststelling
De beheerautoriteit geeft binnen 26 weken een beschikking op een aanvraag tot subsidievaststelling.
§ 4.3. Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van de Rijkscofinanciering in het kader van de landsdelige EFRO-programma’s
Artikel 4.3.1. Subsidieaanvraag
De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan degene die een project tot stand brengt dat past in een programma en dat bijdraagt aan de realisatie van nationale beleidsdoelen op het gebied van innovatie of de transitie naar een koolstofarme of circulaire economie.
Artikel 4.3.2. Subsidieplafond
Het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.3.1 is voor de gehele programmaperiode:
- a. voor programma EFRO 2021-2027 Noord-Nederland: € 19.475.579;
- b. voor programma EFRO 2021-2027 Oost-Nederland: € 22.946.144;
- c. voor programma EFRO 2021-2027 Zuid-Nederland: € 19.640.087;
- d. voor programma EFRO 2021-2027 West-Nederland: € 37.352.960.
Het voor de cofinanciering beschikbare bedrag wordt in jaarlijkse tranches beschikbaar gesteld.
Artikel 4.3.3. Afwijzingsgronden
De Minister beslist afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening indien het project onvoldoende bijdraagt aan de realisatie van het in artikel 4.3.1 bedoelde Rijksbeleid of de subsidieaanvrager niet in aanmerking komt voor subsidie op grond van paragraaf 4.2.
Artikel 4.3.4. Schakelbepaling
De artikelen 4.2.3 tot en met 4.2.17 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 4.4. Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van Rijkscofinanciering in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg)
Artikel 4.4.1. Subsidieaanvraag
De Minister verstrekt op aanvraag een programmasubsidie voor de programma’s, bedoeld in artikel 4.4.2, eerste lid.
Artikel 4.4.2. Subsidieplafond
Het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.4.1 is voor de gehele programmaperiode:
- a. voor het programma Interreg Duitsland – Nederland € 25.706.117;
- b. voor het programma Interreg Maas-Rijn € 4.336.389;
- c. voor het programma Interreg Vlaanderen-Nederland € 18.957.494.
De Minister maakt de in het eerste lid bedoelde subsidieplafonds op verzoek van de beheerautoriteiten in voorschotten over naar de beheerautoriteiten.
Rentebaten over een voorschot worden op dezelfde wijze besteed als de programmasubsidie.
Artikel 4.4.3. Instemming Minister en afwijzingsgronden
De ontvanger van een programmasubsidie als bedoeld in artikel 4.4.1 financiert geen projecten ten laste van de programmasubsidie, bedoeld in artikel 4.4.1 zonder voorafgaande schriftelijke instemming van de Minister.
De Minister onthoudt de instemming of wijst een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4.1 af, indien het project niet in voldoende mate bijdraagt aan tenminste een van de volgende aspecten:
- a. de realisatie van nationale beleidsdoelen op het gebied van innovatie en de transities naar een koolstofarme, circulaire, economie;
- b. verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt of arbeidsmobiliteit;
- c. economische structuurversterking binnen economische sectoren of in het programmagebied.
Het tweede lid is niet van toepassing op Rijkscofinanciering voor technische bijstand.
Hoofdstuk 5. Overige bepalingen en slotbepalingen
Artikel 5.1a. Overgangsrecht
Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van deze regeling, op subsidies die voor dat tijdstip zijn verleend en op subsidies die voor dat tijdstip zijn vastgesteld, blijft deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip tenzij de wijziging met terugwerkende kracht in werking treedt.
Bijlage. behorende bij artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021
Procedure als bedoeld in artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021
Kopieën of volledig digitale documenten kunnen worden geaccepteerd als bewijsstuk. In deze bijlage worden de procedures vastgesteld voor documenten die in het kader van de uitvoering van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 en verantwoording op grond van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en op grond van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247) kunnen worden gebruikt.
1. Typen documenten
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
2. Procedure voor het gebruik van de documenten, bedoeld onder 1, onderdelen a, b en c
De in 1, onderdelen a, b en c, bedoelde bewijsstukken zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:
Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.
Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.
3. Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in een elektronische versie bestaan, bedoeld onder 1, onderdeel d
Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen.
Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 2.1a. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 4 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);
- visserijvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327).
Hoofdstuk 3. Europees fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur
§ 3.1. Algemene bepalingen
§ 3.2. Investeringen in mosselzaadinvanginstallaties
Hoofdstuk 4. Europees fonds voor regionale ontwikkeling
§ 4.1. Algemene bepalingen
§ 3.3. Investeringen in SCR-katalysatoren
§ 4.3. Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van de Rijkscofinanciering in het kader van de landsdelige EFRO-programma’s
§ 3.5. Innovatieve projecten in de visserij
Hoofdstuk 5. Europees Landbouwgarantiefonds en Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling
Titel 5.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.1.1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- arbeidskosten: de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onderdelen a en b;
- ELGF: Europees Landbouwgarantiefonds, bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van verordening (EU) 2021/2116;
- hernieuwbare grondstoffen: bijna onuitputtelijke grondstoffen, waarvan de voorraad in een periode tot 50 jaar kan worden hersteld;
- interventie: interventie als bedoeld in artikel 3, derde lid, van verordening 2021/2115;
- interventietype: interventietype als bedoeld in artikel 47 van verordening 2021/2115;
- investering: investering in vaste of immateriële activa die worden aangewend voor de productie van goederen en diensten en die leidt tot een stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming;
- jonge landbouwer: landbouwer die jonger is dan 40 jaar op 31 december van het jaar waarin de steun wordt aangevraagd, die bedrijfshoofd is en beschikt over de vereiste passende opleiding of vaardigheden;
- kostenbegroting: actuele offerte voor de concreet geplande aanschaf of dienst, dan wel een taxatierapport op basis van de marktwaarde, dan wel een officiële actuele prijslijst van leveranciers, dan wel een factuur uit een voorgaande periode voor eenzelfde soort geplande uitgavenpost, dan wel een vergelijkbaar document;
- landbouwer: een natuurlijke of rechtspersoon die een landbouwactiviteit verricht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van verordening 2021/2115;
- landbouwproducten: voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij alsmede de producten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden, zoals vermeld in artikel 38 en bijlage II van het Verdrag van de werking van de Europese Unie (VWEU);
- nieuwe landbouwer: landbouwer, niet zijnde een jonge landbouwer, die voor het eerst bedrijfshoofd is en beschikt over de vereiste passende opleiding of vaardigheden;
- overige kosten: de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onderdelen c, d en e;
- plattelandsinterventies: interventies als bedoeld in artikel 69 van verordening 2021/2115;
- sectorale interventies: interventies als bedoeld in artikel 42 van verordening 2021/2115;
- specifieke kosten: kosten als bedoeld in bijlage III, onder punt 1, van verordening 2022/126;
- verordening 2022/126: Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/126 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) (PbEU 2022, L 20);
- voorschot: een voorschot als bedoeld in artikel 44 van verordening 2021/2116, inhoudende een betaling aan de subsidieontvanger, vooruitlopend op het verrichten van een activiteit en uiterlijk totdat een deelbetaling wordt uitbetaald;
- werkgeverslasten: loonkosten die voor rekening van de werkgever komen, waaronder vakantie-uitkeringen, pensioen- en sociale verzekeringspremies.
- aanvoerprognose: opgave door een lid van een producentenorganisatie van de hoeveelheid en aard van de producten die het lid in een door de producentenorganisatie te bepalen tijdvak bij de producentenorganisatie verwacht aan te voeren;
- accountant: een Registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep, die is ingeschreven in het accountantsregister, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep;
- actiefonds: actiefonds als bedoeld in artikel 51 van verordening 2021/2115;
- activiteit: een actie of een door een producentenorganisatie in haar operationeel programma opgenomen interventie;
- areaalenquête: inventarisatie van een door een lid van de producentenorganisatie beteeld areaal en de door dit lid geteelde producten;
- bedrijf: alle voor landbouwactiviteiten gebruikte en door een landbouwer beheerde registergoederen in juridisch eigendom of onder het recht van reguliere pacht of erfpacht;
- bijproduct: een product, als bedoeld in artikel 31, derde lid, van verordening 2022/126, dat resulteert uit de bereiding van een groente- of fruitproduct en dat een positieve economische waarde heeft, doch niet het belangrijkste beoogde product is;
- biologische productie: biologische productie als bedoeld in verordening 2018/848;
- denatureren: ongeschikt maken voor menselijke consumptie;
- dochteronderneming: dochteronderneming als bedoeld in artikel 31, zevende lid, van verordening 2022/126 en een entiteit binnen een keten van dochterondernemingen als bedoeld in punt 5 van bijlage III van verordening 2022/126;
- erkenningsaanvraag: een verzoek om erkenning als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013;
- erkenningsbesluit: besluit van de minister inzake de erkenning van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013;
- forfaitair standaardtarief: vast of maximaal bedrag per eenheid, al dan niet uitgedrukt als percentage, dat wordt gebruikt om de te declareren bedragen vast te stellen en vooraf is vastgesteld op grond van artikel 44, tweede lid, van verordening 2021/2115;
- gedeeltelijke betaling: betaling op aanvraag van het gedeelte van de subsidie dat overeenkomt met de reeds in het kader van het operationele programma bestede bedragen dat niet meer dan 80% van het deel van de steun dat overeenkomt met de bedragen die in het kader van het operationeel programma reeds zijn besteed voor de betrokken periode bedraagt;
- goederenlogistiek: het verzamelen, ophalen, sorteren, opslaan, verpakken, transporteren en distribueren van het product;
- investering in een duurzaam productiemiddel: investering in materiële of immateriële activa, als bedoeld in artikel 11 van verordening 2022/126, voor productiemiddelen die niet gedurende één productieproces volledig worden verbruikt;
- lid: aangesloten producent als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van verordening 2017/891;
- niet-producerend lid: lid van de producentenorganisatie dat meer dan één teeltseizoen geen producten teelt waarvoor de producentenorganisatie is erkend;
- operationeel programma: operationeel programma als bedoeld in artikel 50 van verordening 2021/2115;
- producentenorganisatie: door de minister erkende producentenorganisatie als bedoeld in artikel 152 van verordening 1308/2013;
- producten die vallen onder de sector groenten en fruit: producten die vallen onder de sector groenten en fruit als bedoeld in bijlage I, deel IX, van verordening 1308/2013 waarvoor de producentenorganisatie is erkend en die binnen de Unie door leden zijn geproduceerd;
- productie voor eigen rekening en risico: degene voor wiens rekening en risico wordt geteeld draagt de risico’s die samenhangen met de teelt en de opbrengst en is daarmee de eigenaar van het product ongeacht of hier een verkooptransactie aan vooraf is gegaan. In beginsel is dit de producent voor wiens rekening tevens de winsten en eventuele verliezen komen;
- project: samenhangend geheel van activiteiten die subsidiabel zijn gesteld in deze regeling ter realisatie van één of meer sectorale doelstellingen die door een producentenorganisatie worden nagestreefd met haar operationeel programma;
- reguliere pacht: een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 7:317 tot en met 7:326 van het Burgerlijk Wetboek;
- restproduct: een product dat niet aan de in artikel 76 van verordening 2013/1308 bedoelde handelsnormen voldoet dan wel een bijproduct dat resulteert uit de voorbereidingen en wordt gebruikt als input voor verwerking;
- sectorale doelstelling: sectorale doelstelling als bedoeld in artikel 46 van verordening 2021/2115;
- SWOT analyse: bedrijfskundig model dat intern de sterktes en zwaktes en in de omgeving de kansen en bedreigingen analyseert;
- tranches: bedragen als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van verordening 2022/126;
- tussentijdse wijziging: een wijziging van het operationeel programma in de loop van het jaar;
- uitgavenpost: samenstel van uitgaven die gezamenlijk aan dezelfde criteria voldoen om binnen een activiteit bij te dragen aan de concrete sectorale doelstelling van een project;
- uitvoeringsjaar: jaar van uitvoering van een operationeel programma;
- unie van producentenorganisaties: unie van erkende producentenorganisaties als bedoeld in artikel 156 van verordening 1308/2013;
- verbonden partijen: marktpartijen die economisch, organisatorisch, financieel of juridisch verbonden zijn en waarbij sprake kan zijn van beïnvloeding van de ene partij door de andere partij;
- verkoper: natuurlijke of rechtspersoon die door een producentenorganisatie is belast met de verkoop van producten van de leden van de producentenorganisatie of van de producentenorganisatie zelf waarvoor de producentenorganisatie is erkend;
- verordening 2017/891: gedelegeerde verordening (EU) nr. 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (PbEU 2017, L 138);
- verordening 1308/2013: Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001en (EG) nr. 1234/2007van de Raad (PbEU 2013, L 347);
- verordening 1144/2014: Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad (PbEU 2014, L 317/56);
- verordening 2018/848: Verordening (EU) nr. 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 15);
- verordening 2019/2009: Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003 (PbEU 2019, L 170);
- voorbereiding: voorbereidende activiteiten zoals schoonmaken, snijden, schillen, bijsnijden en drogen van groenten en fruit, zonder dat ze in verwerkte groenten en fruit worden omgezet;
- waarde afgezette productie: waarde van de afgezette productie van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 31 van verordening 2022/126.
Artikel 5.1.2. Berekening subsidiabele kosten
In afwijking van de artikelen 1.3a en 1.3c, kiest de aanvrager voor de berekening van de subsidiabele kosten uit één van de volgende drie berekeningswijzen:
- a. berekening subsidiabele kosten zonder forfait, opgenomen in artikel 5.1.3;
- b. berekening subsidiabele kosten met forfait voor arbeidskosten, opgenomen in artikel 5.1.3a; dan wel
- c. berekening subsidiabele kosten met forfait voor overige kosten, opgenomen in artikel 5.1.3b.
Het aantal uren gebruikt in de berekening, bedoeld in artikel 5.1.3, eerste en tweede lid en artikel 5.1.3b, tweede en derde lid, wordt aan de hand van schriftelijke bewijsstukken verantwoord.
Indien een uurtarief wordt gehanteerd, als bedoeld in artikel 5.1.3, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° en onderdeel b en artikel 5.1.3b, derde lid, kan het totale aantal voor een bepaald jaar te subsidiëren uren in het geval van arbeidskosten per werknemer niet meer bedragen dan 1.372 uren bij een voltijd dienstverband of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband en in het geval van eigen arbeid per werknemer niet meer bedragen dan 1.720 uren.
De artikelen 5.1.3 tot en met 5.1.3b zijn niet van toepassing op paragraaf 3 van titel 5.2, de titels 5.3 en 5.5, de paragrafen 5.7.3 tot en met 5.7.6, 5.7.8 en 5.7.9 van titel 5.7, paragraaf 5.8.2 van titel 5.8 en titel 5.9.
Artikel 5.1.3. Berekening subsidiabele kosten zonder forfait
Voor de berekening van de arbeidskosten kiest de aanvrager uit één van de volgende berekeningswijzen:
- a. de arbeidskosten kunnen worden berekend door:
- 1°. in het geval van eigen arbeid, het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met een uurtarief van € 50,–;
- 2°. in het geval van loonkosten, een per medewerker bepaald individueel uurtarief, berekend overeenkomstig het tweede lid, te vermenigvuldigen met het aantal door de medewerker aan het project bestede uren, waarna dat bedrag met 15% wordt vermeerderd voor overhead;
- b. de arbeidskosten kunnen worden berekend door het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met de volgende uurtarieven:
- 1°. € 44,– voor de arbeidskosten van een projectmedewerker;
- 2°. € 50,– voor de arbeidskosten van een landbouwer;
- 3°. € 78,– voor de arbeidskosten van een adviseur;
- 4°. € 88,– voor de arbeidskosten van een projectleider.
Het uurtarief, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, wordt berekend door het bruto jaarloon, vermeerderd met 44,2% voor werkgeverslasten, te delen door 1.720 uur op basis van een 40-urige werkweek, of in geval van een niet volledig gewerkt jaar of medewerkers die werkzaam zijn in deeltijd een naar rato toegepast aantal uren.
Voor de berekening van overige kosten, wordt een factuur of een document met gelijkwaardige bewijskracht overlegd.
Artikel 5.1.4. Informatieverplichtingen
In aanvulling op artikel 2.9, derde lid, bevat de aanvraag om subsidie het BTW-nummer van de subsidieontvanger en, indien van toepassing, de naam van de moedermaatschappij of iedere dochteronderneming met het daarbij behorende BTW-nummer.
In aanvulling op artikel 2.9, vijfde lid, onderdeel a, subonderdeel 5°, moet een aanvraag om subsidie bij een samenwerkingsverband ook vergezeld gaan van een bewijsstuk waaruit blijkt dat de penvoerder bevoegd is de betaling te ontvangen.
Artikel 5.1.5. Terugvordering samenwerkingsverband
Onverminderd artikel 7, vierde lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies worden ingeval een subsidie wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband, onverschuldigde betaalde subsidiebedragen overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht teruggevorderd bij iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband voor wat betreft het door de deelnemer ontvangen deel van de onverschuldigd betaalde subsidiebedragen.
Artikel 5.1.6. Communicatieactiviteiten
Subsidieontvangers zijn verplicht het logo van de Europese Unie te gebruiken overeenkomstig bijlage II van verordening 2022/129.
De verplichtingen ten aanzien van communicatieactiviteiten in de artikelen 2.9, vijfde lid, onderdeel a, subonderdeel 6°, 2.17, eerste lid, onderdeel b, en 2.19, vierde lid, onderdeel c, zijn niet van toepassing op sectorale interventies en areaal- en diergebonden plattelandsinterventies.
Artikel 5.1.7. Bevoorschotting
Indien in dit hoofdstuk is bepaald dat er een voorschot wordt verstrekt voordat een project wordt uitgevoerd, kan de minister ambtshalve een voorschot als bedoeld in artikel 44 van verordening 2021/2116 verstrekken.
Het voorschot bedraagt ten hoogste:
- a. 50% van de verleende subsidie voor plattelandsinterventies als bedoeld in de artikelen 73 en 77 van verordening 2021/2115;
- b. 75% van de verleende subsidie voor plattelandsinterventies als bedoeld in artikel 65, tweede lid, van verordening 2021/2116.
Het voorschot wordt ambtshalve verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
Artikel 5.1.8. Deelbetaling
In afwijking van artikel 2.14, eerste lid, bedraagt een deelbetaling ten hoogste 90% van de verleende subsidie minus eventueel verstrekte voorschotten.
Artikel 5.1.9. Verplichtingen en subsidievaststelling subsidie minder dan € 25.000
Indien een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt:
- a. direct een beschikking tot subsidievaststelling gegeven, of
- b. de subsidie ambtshalve vastgesteld.
In aanvulling op artikel 2.12 vermeldt de beschikking tot subsidieverlening de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en de datum waarop de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld.
Indien de subsidie minder bedraagt dan € 25.000 zijn de artikelen 2.18 en 2.19 niet van toepassing.
Op een subsidie bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is artikel 2.15, eerste en tweede lid, niet van toepassing.
Indien de subsidie minder bedraagt dan € 25.000 is de subsidieontvanger verplicht om desgevraagd, op door de minister van tevoren in de beschikking of in dit hoofdstuk aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Artikel 5.1.10. Subsidievaststelling € 125.000 of meer
In aanvulling op artikel 2.19, vierde lid, kan in dit hoofdstuk worden bepaald dat ingeval het verleende subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt bij een aanvraag tot subsidievaststelling een subsidieontvanger wordt verplicht tot het aanleveren van een:
- a. een controleverklaring van een accountant of accountant-administratieconsulent als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat met de aanvraag wordt voldaan aan de voorschriften bedoeld in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht; of
- b. een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant of accountant-administratieconsulent over de in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde voorschriften.
Indien een controleverklaring of een rapport van feitelijke bevindingen wordt vereist kan de minister nadere regels stellen ten aanzien van de gewenste reikwijdte, het object en de diepgang van de controle.
Artikel 5.1.11. Afwijken RUS regime
In dit hoofdstuk kan worden bepaald dat de regels inzake een subsidie lager dan € 25.000 van toepassing zijn op een subsidie van € 25.000 of meer of dat de regels inzake een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 van toepassing zijn op subsidies van € 125.000 of meer.
In dit hoofdstuk kan worden bepaald dat de regels inzake een subsidie van € 25.000 of meer van toepassing zijn op een subsidie lager dan € 25.000 of dat de regels inzake een subsidie van € 125.000 of meer van toepassing zijn op subsidies van € 25.000 tot € 125.000.
Artikel 5.1.12. Informatieverplichting openbaarmaking subsidiegegevens
Over de periode van 16 oktober (jaar t-1) tot en met 15 oktober (jaar t) worden de gegevens openbaar gemaakt over de subsidies en andere steunbedragen van het ELGF met betrekking tot sectorale interventies en het Elfpo voor toepassing van artikel 98, tweede tot en met vierde lid, van verordening 2021/2116.
De in het eerste lid bedoelde gegevens worden ontleend aan de financiële administratie van RVO ten behoeve van het ELGF met betrekking tot sectorale interventies en het Elfpo.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden uiterlijk 31 mei (jaar t+1) openbaar gemaakt.
Artikel 5.1.13. Bevoegdheden minister sectorale interventie groenten en fruit
De minister is bevoegd de besluiten te nemen en de handelingen te verrichten waartoe verordening 1308/2013, verordening 2017/891, verordening 2021/2115 en verordening 2022/126 de lidstaat de opdracht geven of de keuze laten of als ontvanger van informatie aanwijzen.
In afwijking van de artikelen 5.2.28, 5.2.48, tweede en derde lid, 5.2.49, tweede lid en 5.3.196, eerste lid, kan de minister latere indieningsdata vaststellen dan de in die artikelen bedoelde data.
Titel 5.2. Operationele programma’s
Afdeling 5.2.1. Erkenningen
§ 1. Erkenningsvereisten
§ 1.1. Rechtspersoonlijkheid
Artikel 5.2.1
De rechtspersoonlijkheid van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 blijkt uit:
- a. een in het handelsregister neergelegd authentiek afschrift van de oprichtingsakte van de producentenorganisatie; of
- b. een in het handelsregister van de Kamer van Koophandel neergelegd authentiek afschrift van de statuten van de producentenorganisatie; en
- c. een inschrijving bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
§ 1.2. Lidmaatschap
Artikel 5.2.2
Van een producentenorganisatie kunnen lid zijn:
- a. een natuurlijk persoon;
- b. een rechtspersoon als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een rechtspersoon naar buitenlands recht; of
- c. een in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap.
Artikel 5.2.3
Het minimumaantal leden en de minimale waarde van de afzetbare productie, bedoeld in artikel 154, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013, bedraagt ongeacht of de producentenorganisatie een operationeel programma heeft:
- a. voor producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008 tenminste vijf leden, met een gezamenlijke waarde van de afzetbare productie van ten minste € 100.000;
- b. voor producentenorganisaties die zijn erkend na 1 januari 2008 tenminste tien leden, met een gezamenlijke waarde van de afzetbare productie van ten minste € 25.000.000.
Rechtspersonen die eigendom zijn van één natuurlijke persoon of rechtspersoon worden bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag door de minister gezamenlijk aangemerkt als één lid. Indien de minister in redelijkheid vermoedt dat een oneigenlijk aantal entiteiten als bedoeld in artikel 5.2.2 wordt gecreëerd met het oog op het eerste lid of artikel 5.2.21, kan de minister deze entiteiten gezamenlijk aanmerken als één lid.
Indien een lid van een producentenorganisatie een rechtspersoon is waarbij meerdere producenten zijn aangesloten, kan de minister besluiten deze producenten bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag mee te tellen bij de bepaling van het aantal leden, bedoeld in het eerste lid.
Producentenorganisaties houden een ledenlijst bij met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model.
Artikel 5.2.4
Het lidmaatschap van een producentenorganisatie duurt minimaal één jaar en treedt in werking op een door het bestuur van de producentenorganisatie te bepalen tijdstip.
Aspirantleden verzoeken de producentenorganisatie schriftelijk om lidmaatschap en verklaren in dit verzoek:
- a. de statuten van de producentenorganisatie na te leven;
- b. niet bij een andere erkende producentenorganisatie lid te zijn voor de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend; en
- c. geen product waarvoor de producentenorganisatie is erkend buiten de producentenorganisatie om te zullen afzetten, behoudens met toestemming van de producentenorganisatie, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891.
Een producentenorganisatie bepaalt in haar statuten dat het lidmaatschap kan worden opgezegd met ingang van 1 januari. De door de producentenorganisatie vast te stellen uiterste opzegdatum ligt tussen 30 juni en 1 oktober van het voorafgaande jaar.
De bevestiging van lidmaatschap en opzegging van lidmaatschap, alsmede de datum waarop het lidmaatschap en de opzegging in werking treedt, wordt door de producentenorganisatie schriftelijk aan het lid meegedeeld.
Bepalingen omtrent de minimumduur, opzeggingsdata en inwerkingtreding van opzegging van het lidmaatschap zijn niet van toepassing in geval van:
- a. overlijden van het lid;
- b. faillissement van het lid;
- c. toepassing van het sanctiereglement van de producentenorganisatie inzake royement; of
- d. indien dit redelijkerwijs niet van het lid of de producentenorganisatie gevergd kan worden.
Artikel 5.2.5
Een producentenorganisatie kan niet-producerende leden hebben, indien in de statuten van de producentenorganisatie wordt bepaald dat deze leden:
- a. reeds aangesloten waren bij de producentenorganisatie vóór zij gedurende meer dan één productieseizoen geen producten meer teelden waarvoor de producentenorganisatie is erkend; en
- b. niet mogen deelnemen aan de stemming van de algemene vergadering over besluiten inzake het actiefonds of het operationeel programma van de producentenorganisatie.
§ 1.3. Verplichtingen voor producentenorganisaties
Artikel 5.2.6
Producentenorganisaties tonen aan dat zij voldoen aan artikel 152, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 aan de hand van:
- a. de oprichtingsakte van de producentenorganisatie; en
- b. de notulen van de eerste vergadering of oprichtingsvergadering van de producentenorganisatie.
Op producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008 is het eerste lid niet van toepassing. Deze producentenorganisaties worden geacht te voldoen aan het vereiste van artikel 152, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013.
Artikel 5.2.7
Een lid van het bestuur of de Raad van Commissarissen van een producentenorganisatie of een functionaris van een producentenorganisatie die betrokken is bij het verkoopbeleid, is geen afnemer of functionaris van een afnemer van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend ingevolge artikel 152, eerste lid, van verordening 1308/2013.
Artikel 5.2.8
Producentenorganisaties verbieden hun leden in hun statuten op grond van artikel 160 van verordening 1308/2013 om activiteiten te ontplooien die het vermoeden doen ontstaan dat de verkoop van het product waarvoor zij bij de producentenorganisatie zijn aangesloten niet uitsluitend via de producentenorganisatie verloopt.
Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten met betrekking tot de verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891.
Artikel 5.2.9
Producentenorganisaties bepalen op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 op welk moment leden hun product aan de producentenorganisatie ter verkoop aanbieden.
Artikel 5.2.10
Producentenorganisaties verplichten in hun statuten hun leden op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 om aan de producentenorganisatie:
- a. melding te doen van eigendomsbelangen in ondernemingen die van de producentenorganisatie door het lid geproduceerde producten kopen, indien de producentenorganisatie voor deze producten is erkend; en
- b. aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan te tonen dat binnen de in onderdeel a bedoelde ondernemingen is verzekerd dat het lid:
- 1°. geen invloed kan uitoefenen op het vaststellen van de verkoopvoorwaarden door de ondernemingen van de producten waarvoor het lid bij de producentenorganisatie is aangesloten; en
- 2°. geen invloed kan uitoefenen op besluiten aangaande commerciële relaties en het prijsbeleid van de ondernemingen.
Artikel 5.2.11
Producentenorganisaties stellen in hun statuten voorschriften vast voor de controle op de naleving van hun statuten door hun leden.
De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten ten aanzien van de controle op de naleving door hun leden van artikel 160 van verordening 1308/2013 voor de door de producentenorganisatie gedurende het jaar uit te voeren controles tenminste:
- a. een systematische vergelijking per lid van areaalenquêtes en aanvoerprognoses met de daadwerkelijk aan de producentenorganisatie geleverde hoeveelheden gedurende het kalenderjaar;
- b. een verificatie van de door de leden verstrekte areaalenquêtes en aanvoerprognoses door middel van bezoek door de producentenorganisatie aan een derde van het ledenbestand gedurende het jaar waarbij ieder lid ten minste elke drie jaar wordt bezocht;
- c. een periodieke vergelijking van de aanvoerprognoses en de daadwerkelijke aanvoer met een door de producentenorganisatie, op basis van statistische normen of ervaringscijfers, vast te stellen normstelling per areaal;
- d. een registratie van de op basis van de onderdelen a tot en met c aangetroffen verschillen en de daarvoor door het lid gegeven verklaring; en
- e. een registratie van de door de producentenorganisatie getroffen acties naar aanleiding van op grond van onderdeel d onverklaarde verschillen.
De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten voor de door de producentenorganisatie na afloop van het kalenderjaar uit te voeren controles minimaal:
- a. een verplichting voor ieder lid om uiterlijk op 1 mei na afloop van het kalenderjaar schriftelijk aan de producentenorganisatie te verklaren:
- 1°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar geproduceerd heeft;
- 2°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar bij derden heeft ingekocht;
- 3°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar via de producentenorganisatie afgezet heeft;
- 4°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 buiten de producentenorganisatie om verkocht heeft, uitgesplitst per categorie zoals genoemd in artikel 12 van verordening 2017/891;
- 5°. dat hij, uitgezonderd de verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891, geen door hem geteelde producten waarvoor hij bij de producentenorganisatie is aangesloten buiten de producentenorganisatie verkocht heeft; en
- 6°. dat hij bij verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 de daaraan door de producentenorganisatie gestelde voorwaarden heeft nageleefd;
- b. een vergelijking van informatie uit de in onderdeel a bedoelde verklaringen met de hoeveelheden en de omzetgegevens van het lid met de vastlegging van de door de producentenorganisatie aangetroffen verschillen met hun eigen administratie met de daarbij behorende verklaringen van aangetroffen verschillen;
- c. een onderzoek door de producentenorganisatie naar de, op basis van de op grond van onderdeel b uitvoerde vergelijking, geconstateerde verschillen tussen de eigen verklaringen met de hoeveelheden en de omzetgegevens van het lid;
- d. een verplichting tot het instellen van een accountantsonderzoek naar op grond van onderdeel c onvoldoende verklaarde verschillen;
- e. een registratie van de uitkomsten van het in onderdeel d bedoelde accountantsonderzoek; en
- f. een registratie van de opvolging van de uitkomsten van het in onderdeel e bedoelde accountantsonderzoek door de producentenorganisatie, waaronder sanctionering van de betreffende leden.
De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten een verplichting voor de producentenorganisatie om de juistheid van in het derde lid, onderdeel a, bedoelde verklaring te laten onderzoeken door een accountant door middel van een COS 4400 onderzoek.
Het in het vierde lid bedoelde onderzoek betreft:
- a. de leden die verzuimd hebben voor 1 mei na afloop van het kalenderjaar de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde eigen verklaring te verstrekken;
- b. de leden waarbij door de producentenorganisatie of door controle-instanties in het jaar voorafgaand aan het controlejaar is vastgesteld dat zij artikel 160 van verordening 1308/2013 niet hebben nageleefd;
- c. de leden waarbij door de producentenorganisatie in het voorafgaande kalenderjaar is vastgesteld dat verschillen tussen areaalgegevens en omzetgegevens onvoldoende konden worden verklaard; en
- d. minimaal 2% van de leden van de producentenorganisatie, met een minimum van één lid, die niet reeds op grond van onderdelen a tot en met c deel uit maken van het onderzoek.
Indien de accountant bij één of meer leden in deze deelwaarneming afwijkende bevindingen constateert treft de producentenorganisatie afhankelijk van de aard van de afwijkingen passende maatregelen.
De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten een verplichting voor het bestuur van de producentenorganisatie om jaarlijks voor 1 juni de betrouwbaarheid van het geheel aan maatregelen dat de producentenorganisatie neemt voor controle op de naleving door hun leden te evalueren. Een verslag van de evaluatie wordt door de algemene vergadering besproken en geaccordeerd. De onderliggende stukken worden door de producentenorganisatie gearchiveerd.
Artikel 5.2.12
Producentenorganisaties stellen in hun statuten voorschriften vast voor sanctionering van niet naleving van hun statuten door hun leden die, behoudens gevallen van overmacht, tenminste bepalen dat:
- a. bij een eerste overtreding van de statutaire verplichtingen ter uitvoering van artikel 160 van verordening 1308/2013, artikel 12 van verordening 2017/891 en de artikelen 5.2.8 tot en met 5.2.11 het lid minimaal een schriftelijke waarschuwing krijgt;
- b. bij een tweede soortgelijke overtreding begaan binnen vijf jaar na het begaan van de eerste overtreding, bedoeld in onderdeel a, minimaal een boete aan het lid wordt opgelegd en deze boete daadwerkelijk wordt geïncasseerd; en
- c. leden bij alle soortgelijke vervolgovertredingen begaan binnen vijf jaar na het begaan van de eerste overtreding bedoeld in onderdeel a, worden geroyeerd.
Producentenorganisaties administreren alle geconstateerde overtredingen van hun statutaire verplichtingen en aan hun leden opgelegde sancties en bewaren deze administratie ten minste zeven jaar.
Artikel 5.2.13
Producentenorganisaties beschikken op grond van artikel 7, onderdeel a, van verordening 2017/891 tenminste over een deugdelijk en accuraat systeem van areaalenquêtes en aanvoerprognoses.
Artikel 5.2.14
Producentenorganisaties beschikken op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 tenminste over een volledige beschrijving van de interne organisatie en van de administratieve en interne beheersing van:
- a. de verkoop en prijsbepaling;
- b. de goederenlogistiek;
- c. de financiële administratie;
- d. de beoordeling van investeringen en uitgaven waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
- e. het aannemen van nieuwe leden en het beëindigen van het lidmaatschap;
- f. het vergaren van informatie van de leden en de verwerking van mutaties daarin, waaronder de controle op de juistheid van de ledenlijst;
- g. de beoordeling van areaalenquêtes en aanvoerprognoses, waaronder de vergelijking met realisaties;
- h. de controle op naleving van artikel 160 van verordening 1308/2013 door de leden waaronder het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891;
- i. het opleggen van sancties; en
- j. het uitbesteden van activiteiten als bedoeld in artikel 155 van verordening 1308/2013.
Artikel 5.2.15
De producentenorganisatie beschikt op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 over een redelijk niveau van vermogen en liquiditeit.
Artikel 5.2.16
De producentenorganisatie beschikt ten behoeve van het commercieel en budgettair beheer van haar activiteiten, bedoeld in artikel 153, tweede lid, onderdeel f, van verordening 1308/2013, op grond van artikel 7 van verordening 2017/891 over een eigen, als zodanig herkenbare, kantoorruimte die beschikt over een eigen opgang, welke niet door ruimtes van een afnemer of een lid van de producentenorganisatie leidt.
De kantoorruimte is eigendom van of wordt gehuurd door de producentenorganisatie of een dochteronderneming.
Artikel 5.2.17
Producentenorganisaties en hun dochterondernemingen maken voor hun financieel administratieve werkzaamheden, waaronder het factureren naar afnemers en leden en het opstellen van budgetten, gebruik van eigen personeel.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor het opstellen van jaarrekeningen en fiscale zaken.
Artikel 5.2.18
Producentenorganisaties, dan wel dochterondernemingen indien de afzet door hen wordt verricht, tonen op grond van artikel 11 van verordening 2017/891 aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan dat zij de verkoopvoorwaarden, en meer in het bijzonder de verkoopprijzen, voor de producten van de leden van de producentenorganisatie waarvoor de producentenorganisatie is erkend daadwerkelijk bepalen.
De in het eerste lid bedoelde schriftelijke bewijsstukken tonen aan:
- a. welke verkoper er binnen de producentenorganisatie of dochteronderneming belast is met de verkoop van de producten van de leden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;
- b. wat de taak of opdracht van de verkoper is;
- c. op welke wijze de verkoper door de producentenorganisatie of dochteronderneming wordt aangestuurd;
- d. welke aanwijzingen de verkoper van de producentenorganisatie of dochteronderneming gekregen heeft voor het voeren van onderhandelingen over de verkoopvoorwaarden;
- e. op welke wijze de verkoper achteraf verantwoording aflegt aan de producentenorganisatie of dochteronderneming over de gerealiseerde verkoopvoorwaarden; en
- f. dat de in onderdeel e bedoelde verantwoording daadwerkelijk wordt afgelegd.
De producentenorganisatie legt haar afzetbeleid vast in een besluit van het bestuur dat door de algemene vergadering wordt goedgekeurd.
De producentenorganisatie of dochteronderneming bepaalt op welke locatie of welke locaties het aanbod van de producten van haar leden fysiek geconcentreerd wordt.
Het afzetbeleid van de producentenorganisatie wordt jaarlijks voor 1 juni door haar bestuur geëvalueerd en een verslag van deze evaluatie wordt jaarlijks voor 1 juni door de algemene vergadering van de producentenorganisatie besproken en geaccordeerd. De onderliggende stukken worden door de producentenorganisatie gearchiveerd.
Artikel 5.2.19
Artikel 155 van verordening 1308/2013 is van toepassing op de activiteiten van de producentenorganisatie die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de producentenorganisatie, bedoeld in de artikelen 152 en 154 van verordening 1308/2013.
Wanneer een producentenorganisatie de in het eerste lid bedoelde activiteiten heeft uitbesteed toont de producentenorganisatie op grond van artikel 155 van verordening 1308/2013 door middel van door het bestuur en de algemene vergadering geaccordeerde schriftelijke bewijsstukken aan:
- a. welke activiteiten worden uitbesteed;
- b. waarom deze activiteiten niet door de producentenorganisatie zelf worden uitgevoerd;
- c. aan wie deze activiteiten worden uitbesteed;
- d. waarom tot de keuze voor uitbesteding aan de in onderdeel c bedoelde entiteit is gekomen; en
- e. welke afspraken er met de in onderdeel c bedoelde entiteit zijn gemaakt.
De producentenorganisatie toont op grond van artikel 13, tweede lid, van verordening 2017/891 aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan op welke wijze de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde entiteit:
- a. door de producentenorganisatie wordt aangestuurd bij de uitvoering van de aan haar uitbestede activiteiten; en
- b. verantwoording aflegt aan de producentenorganisatie over de uitvoering van de aan haar uitbestede activiteiten.
Wanneer een producentenorganisatie verkoopactiviteiten uitbesteedt, toont zij aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan dat zij gedurende de verkoopperiode minimaal één maal per week met de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde entiteit overlegt over de te hanteren verkoopvoorwaarden, waaronder de verkoopprijs.
De keuze voor uitbesteding wordt jaarlijks voor 1 juni per geval door het bestuur van de producentenorganisatie geëvalueerd en een verslag van deze evaluatie wordt jaarlijks voor 1 juni door de algemene vergadering besproken en geaccordeerd. De onderliggende stukken worden door de producentenorganisatie gearchiveerd.
Activiteiten van de producentenorganisatie die niet worden uitbesteed aan haar leden zijn:
- a. verkoop van de producten van haar leden waarvoor de producentenorganisatie is erkend; en
- b. commercieel en budgettair beheer.
Activiteiten van de producentenorganisatie die niet worden uitbesteed zijn:
- a. controle op de naleving van de leveringsplicht, met uitzondering van accountantsonderzoek;
- b. boekhouding, facturering en uitbetaling aan de leden; en
- c. kennis van productie van de leden.
§ 1.4. Eisen aan de statuten van producentenorganisaties
Artikel 5.2.20
Producentenorganisaties nemen in hun statuten op dat zij alle in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder i, ii en iii, van verordening 1308/2013 genoemde doelstellingen nastreven en tonen aan dat zij uitvoering geven aan deze doelstellingen.
Artikel 5.2.21
Ongeacht de rechtsvorm van een producentenorganisatie bepalen de statuten van een producentenorganisatie op grond van artikel 153, tweede lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 dat een lid maximaal 20% van de stemmen van een voltallige algemene vergadering van de producentenorganisatie heeft.
De percentages omvatten tevens volmachten.
Indien een natuurlijk persoon, afgezien van volmachten, bevoegd is om te stemmen voor meerdere leden, geldt het maximum percentage van de stemmen voor deze rechtspersonen gezamenlijk.
In het geval van een rechtsvorm met aandeelhouders of in het geval leden aanspraak kunnen maken op delen van het kapitaal, bepalen de statuten van een producentenorganisatie dat een natuurlijk persoon of rechtspersoon maximaal 20% van de aandelen van de producentenorganisatie heeft of dat deze gerechtigd is tot maximaal 20% van het kapitaal.
De statuten van een unie van producentenorganisaties bepalen:
- a. ongeacht de rechtsvorm van de unie van de producentenorganisatie, dat een lid maximaal 50% van de stemmen van een voltallige algemene vergadering van de unie van producentenorganisaties heeft;
- b. in geval van een rechtsvorm met aandeelhouders, dat een producentenorganisatie maximaal 50% van de aandelen van de unie van producentenorganisaties heeft.
Artikel 5.2.22
Een producentenorganisatie kan haar leden slechts toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891 verlenen indien deze mogelijkheid in haar statuten is opgenomen.
Indien een producentenorganisatie haar leden toestaat gebruik te maken van de uitzondering, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891, stelt de producentenorganisatie voorschriften vast inzake:
- a. de procedure voor verlening van de toestemming;
- b. de algemene voorwaarden voor verlening van de toestemming; en
- c. de rapportageverplichtingen bij het gebruik van de toestemming.
Een producentenorganisatie verleent de toestemming jaarlijks schriftelijk, per individueel lid en op verzoek van het lid voordat gebruik wordt gemaakt van de uitzondering, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891.
Bij de verlening van toestemming maakt een producentenorganisatie een keuze om deze toestemming in volume of waarde te verlenen. Deze keuze verplicht het lid om zijn verkopen in dezelfde eenheid te administreren en te rapporteren.
Indien een producentenorganisatie aan de toestemming specifieke voorwaarden verbindt, worden deze voorwaarden in de toestemming vermeld.
Een producentenorganisatie kan in een situatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van verordening 2017/891, een lid toestaan om maximaal 40%, qua volume of qua waarde, van de productie buiten de producentenorganisatie om af te zetten, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van verordening 2017/891, indien:
- a. dat lid producten teelt onder licentie van een andere producentenorganisatie;
- b. de verkooprechten met betrekking tot die producten exclusief bij die andere producentenorganisatie liggen; en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)