Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 oktober 2021, nr. WJZ/20222966, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021)
- c. de producten waarop de toestemming betrekking heeft uitsluitend via die andere producentenorganisatie worden afgezet.
§ 4.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.2.23
Een erkenning als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 wordt verleend indien de aanvrager kan aantonen dat hij voldoet aan de op grond van de artikelen 152, 153, 154, 155 en 160 van verordening 1308/2013 en paragraaf 1 van deze afdeling gestelde eisen.
Artikel 5.2.24
Een verzoek om erkenning omvat ter uitvoering van artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 de volgende stukken:
- a. de oprichtingsakte en statuten;
- b. het huishoudelijk reglement;
- c. notulen van de oprichtingsvergadering;
- d. het meerjarenplan met daarin in ieder geval een algemene beschrijving van de missie, visie en doelen van de productenorganisatie;
- e. de bestuursnotitie omtrent de afzet en aanbodbundeling;
- f. de bestuursnotitie omtrent de uitbesteding van activiteiten;
- g. de ledenlijst;
- h. indien aanwezig de jaarrekeningen van de producentenorganisatie over het laatste boekjaar;
- i. de beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing, bedoeld in artikel 5.2.14;
- j. de beschrijving van de samenstelling van het bestuur;
- k. de procuratieregeling;
- l. het autorisatieschema;
- m. een organogram;
- n. de bevoegdhedenmatrix en parafenlijst;
- o. een beschrijving van de ondernemingsstructuur en ondernemingen waarin één of meer producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties aandelen of maatschappelijk kapitaal bezitten en die bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van die organisaties of unies;
- p. een beschrijving van de goederenlogistiek; en
- q. een opgave van de waarde van de afzetbare productie, met inachtneming van de artikelen 5.2.34 tot en met 5.2.38.
De referentieperiode voor het bepalen van de waarde van de afzetbare productie is het kalenderjaar twee jaar vóór het jaar van de erkenningsaanvraag.
Indien dit nodig is voor de beoordeling van het verzoek om erkenning, bedoeld in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 kan de minister de producentenorganisatie verzoeken om aanvullende schriftelijke bewijsstukken.
Artikel 5.2.25
Indien de minister op grond van artikel 5.2.24 derde lid, aanvullende bewijsstukken opvraagt wordt de in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 bedoelde termijn opgeschort tot de verzochte aanvullende bewijsstukken door de producentenorganisatie aan de minister zijn overgelegd.
Artikel 5.2.26
Een erkenning kan op verzoek van de producentenorganisatie worden gewijzigd of beëindigd met ingang van 1 januari.
De producentenorganisatie dient een verzoek tot wijziging van de erkenning in uiterlijk op 1 september voorafgaand aan het jaar met ingang waarvan wijziging van de erkenning wordt gevraagd.
De producentenorganisatie dient een verzoek tot beëindiging van de erkenning in uiterlijk op 1 december voorafgaand aan het jaar met ingang waarvan beëindiging van de erkenning wordt gevraagd.
Een lijst met de namen en contactgegevens van alle in Nederland erkende producentenorganisaties wordt gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Deze lijst wordt jaarlijks geactualiseerd.
In afwijking van het eerste lid en het derde kan een erkenning op verzoek van de producentenorganisatie die geen operationeel programma uitvoert, op ieder moment worden beëindigd. Het verzoek tot beëindiging van de erkenning kan op ieder moment worden ingediend.
§ 4.4. Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van Rijkscofinanciering in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg)
Artikel 5.2.27
De producentenorganisatie informeert de minister onverwijld over:
- a. wijzigingen in de statuten en het huishoudelijk reglement;
- b. wijzigingen in de organisatiestructuur; en
- c. voornemens tot fusie of samenwerking.
Bij de melding van de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, overlegt de producentenorganisatie in ieder geval de gewijzigde statuten of het gewijzigde huishoudelijk reglement.
Artikel 5.2.28
De producentenorganisatie overlegt jaarlijks voor 1 maart aan de Minister:
- a. de verslagen van de in het afgelopen boekjaar gehouden algemene vergaderingen;
- b. een ledenlijst per 1 januari van het lopende jaar, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel inclusief vermelding van de niet-producerende leden, nieuwe leden en leden die gedurende het vorige jaar zijn uitgetreden, onder vermelding van de datum van uittreding, alsook van de leden waarop artikel 5.2.4, vijfde lid, van toepassing is; en
- c. een parafenlijst van tekenbevoegde personen binnen de producentenorganisatie.
De producentenorganisatie overlegt jaarlijks uiterlijk op 1 juni, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de minister een samenvattend overzicht van:
- a. de door de leden op grond van artikel 5.2.11, derde lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, aan de producentenorganisatie verstrekte informatie;
- b. het areaal van de leden van de producentenorganisatie;
- c. de door de leden van de producentenorganisatie geteelde gewassen;
- d. de hoeveelheden en waarden van een product waarvoor aan de leden een toestemming op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 is verleend; en
- e. de omzet van de producentenorganisatie.
De producentenorganisatie overlegt jaarlijks uiterlijk op 1 oktober de jaarrekening over het laatste uitvoeringsjaar, voorzien van een controleverklaring van een extern accountant.
De verplichting om een controleverklaring van een extern accountant te overleggen als bedoeld in het derde lid is niet van toepassing op een producentenorganisatie die een rechtspersoon is als bedoeld in artikel 396, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 4. Erkenning van unies van producentenorganisaties
Artikel 5.2.29
Alleen een erkende producentenorganisatie kan lid zijn van een unie van producentenorganisaties.
De minister kan op een gemotiveerd verzoek besluiten om een unie van producentenorganisaties een erkenning te verlenen op een lager niveau dan de GN-code.
Artikel 5.2.30
De artikelen5.2.1, 5.2.3, vierde lid, 5.2.6, 5.2.7, 5.2.14, 5.2.15, 5.2.18, 5.2.19, 5.2.20, 5.2.21, vijfde lid, 5.2.23, 5.2.24, eerste en derde lid, 5.2.25, 5.2.26, 5.2.27, 5.2.28, eerste, derde en vierde lid, en 5.2.32 zijn van overeenkomstige toepassing op unies van producentenorganisaties, tenzij de aangesloten producentenorganisaties zelf invulling aan de betreffende artikelen hebben gegeven.
Alle artikelen uit titel 5.1 en afdeling 5.2.2 tot en met afdeling 5.3.5 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij voor de unie van producentenorganisaties een afwijkende regeling is opgenomen.
Artikel 5.2.31
Een erkenning als bedoeld in artikel 156 van verordening 1308/2013 wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan artikel 156, eerste lid, van verordening 1308/2013 en titel II, hoofdstuk I, afdeling 3, van verordening 2017/891 alsmede aan artikel 5.2.29 en de in artikel 5.2.30 genoemde artikelen.
§ 5. Niet naleving van de erkenningscriteria
Artikel 5.2.32
De erkenning van een producentenorganisatie wordt met ingang van het tijdstip van verstrijken van de termijn zoals vastgelegd in het aanmaningsbesluit, bedoeld in artikel 59, eerste lid, van verordening 2017/891, van rechtswege opgeschort, tenzij de minister voor het verstrijken van deze termijn schriftelijk aan de producentenorganisatie heeft medegedeeld dat de niet-naleving van de erkenningscriteria tijdig is gecorrigeerd.
Afdeling 5.2.1. Erkenningen
§ 1. Erkenningsvereisten
Artikel 5.2.33
Voor iedere producentenorganisatie is de referentieperiode voor het bepalen van de waarde van de afgezette productie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van verordening 2022/126, het kalenderjaar twee jaar voorafgaande aan het uitvoeringsjaar van het operationeel programma.
Artikel 5.2.34
Producten zijn geproduceerd door de producentenorganisatie, wanneer de productie voor eigen rekening en risico van de producentenorganisatie of de daarbij aangesloten producenten op het grondgebied van de Europese Unie heeft plaatsgevonden
Verkoop van nog niet geoogste producten valt onder productie van leden van de producentenorganisatie en wordt in de waarde van de afgezette productie opgenomen, mits de verkoop via de producentenorganisatie is gelopen en het de eerste verkoop betreft waarbij het product van eigenaar verandert.
Verkoop van door aangesloten producenten of door de producentenorganisatie aangekochte producten valt niet onder de waarde van de afgezette productie van de leden van de producentenorganisatie, ook niet als deze producten als halfgewas zijn aangekocht. In uitzonderlijke gevallen kan de minister besluiten om de aangekochte producten onder de productie van de leden van de producentenorganisatie te laten vallen indien deze productie voor eigen rekening en risico van het betreffende lid heeft plaatsgevonden.
De producentenorganisatie controleert de naleving van het eerste onderscheidenlijk tweede lid.
Ter uitvoering van artikel 31, zesde lid, van verordening 2022/126 omvat de waarde van de afgezette productie in het stadium ‘af producentenorganisatie’ de aan de afnemer gefactureerde kosten van verpakkingsmateriaal, eenmalig fust, huur van meermalig fust en de verpakking waarin of pallet waarop het product ter verkoop wordt aangeboden.
In de waarde van de afgezette productie worden niet opgenomen:
- a). externe transportkosten, ongeacht of deze op de verkoopfactuur zijn vermeld;
- b). interne transportkosten bij de producentenorganisatie wanneer de afstand tussen de verzamel- of verpakkingscentra van de producentenorganisatie en het distributiecentrum van de producentenorganisatie meer dan 300 km bedraagt.
Ter uitvoering van artikel 31, negende lid, van verordening 2022/126 mogen vergoedingen worden meegeteld die in de referentieperiode, bedoeld in artikel 5.2.33, in het kader van oogstverzekeringsacties of door de producentenorganisatie beheerde acties, bedoeld in artikel 5.3.172, zijn uitgekeerd aan de producentenorganisatie of haar leden.
In de waarde van de afgezette productie worden geen debiteuren opgenomen die op het tijdstip van definitieve opgave van de waarde van de afgezette productie, bedoeld in artikel 5.2.38, tweede lid, nog openstaan.
Terugbetalingen aan afnemers worden uit de waarde van de afgezette productie gehaald op het moment dat creditering in de boekhouding van de producentenorganisatie gebruikelijk is.
In de waarde van de afgezette productie wordt niet de waarde opgenomen van verkopen die hebben plaatsgevonden aan een lid of aan het lid verbonden partijen, indien het betreffende lid deze producten zelf heeft geproduceerd.
Artikel 5.2.35
De waarde van de afgezette productie van aangesloten producenten die zijn toegetreden tot de producentenorganisatie gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 5.2.33, kan in aanmerking worden genomen door bij de bepaling van de waarde van de afgezette productie uit te gaan van:
- a. de vanaf de datum van toetreding bij de producentenorganisatie gerealiseerde waarde van de afgezette productie; en
- b. de waarde die is gerealiseerd voorafgaand aan de toetreding tot de producentenorganisatie, bedoeld in artikel 5.2.36.
Indien voor een aangesloten producent of producentenorganisatie de onderdelen a en b uit het eerste lid in combinatie worden toegepast, wordt dubbeltelling uitgesloten.
Artikel 5.2.36
Voor het bepalen van de waarde van de afgezette productie die is gerealiseerd voorafgaand aan de toetreding tot de producentenorganisatie kan de producentenorganisatie gebruik maken van:
- a. de opgave van een andere producentenorganisatie, indien de nieuw toegetreden aangesloten producent voorafgaand aan zijn lidmaatschap bij de nieuwe producentenorganisatie in de gehele referentieperiode, bedoeld in artikel 5.2.33, of gedeeltelijk gedurende die periode was aangesloten en daarop reeds een controle door een extern accountant heeft plaats gevonden;
- b. een opgave van de aangesloten producent van de waarden van de afgezette productie van de producten waarvoor de producent bij de producentenorganisatie is aangesloten.
Bij de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt eveneens opgave gedaan van eerdere lidmaatschappen, met ingang van de referentieperiode, bedoeld in artikel 5.2.33, bij de producentenorganisatie.
Bij de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt een controleverklaring of rapportage naar aanleiding van een COS 4400 onderzoek van een extern accountant overgelegd waarin wordt bevestigd dat de waarden die zijn opgegeven:
- a. juist zijn;
- b. gerealiseerd zijn door de verkoop van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend;
- c. producten betreffen die voor eigen rekening en risico door de betreffende producent binnen het grondgebied van de Europese Unie zijn geproduceerd; en
- d. geen BTW en transportkosten bevatten.
In de controleverklaring of rapportage wordt tevens bevestigd dat de opgave, bedoeld in het tweede lid, juist is.
Indien de opgave van de afgezette productie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, afkomstig is van een producentenorganisatie die gevestigd is in een andere lidstaat omvat die opgave tevens een schriftelijke verklaring dat de waarde niet eerder aan een subsidieaanvraag ten grondslag heeft gelegen.
Artikel 5.2.37
De waarde van de afgezette productie die is gerealiseerd door verkoop van producten van aangesloten producenten die op 1 januari van het uitvoeringsjaar waarvoor de waarde van de afgezette productie wordt berekend niet meer bij de producentenorganisatie zijn aangesloten, wordt aantoonbaar uit de waarde van de afgezette productie verwijderd.
Artikel 5.2.38
Producentenorganisaties overleggen jaarlijks, gelijktijdig met de aanvraag tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 5.2.48, aan de minister de voorlopige opgave van de waarde van de afgezette productie, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
Producentenorganisaties overleggen jaarlijks uiterlijk op 1 oktober gedurende het uitvoeringsjaar aan de minister de definitieve opgave van de afgezette productie met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
Producentenorganisaties met een operationeel programma laten een extern accountant een controle uitvoeren en een controleverklaring over de juistheid van de in het tweede lid bedoelde opgave van de waarde van de afgezette productie opstellen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model. Deze verklaring wordt bij de in het tweede lid genoemde opgave gevoegd.
§ 4.3. Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van de Rijkscofinanciering in het kader van de landsdelige EFRO-programma’s
Artikel 5.2.39
De systematiek van berekening van de financiële bijdragen aan het actiefonds, bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2021/2115, wordt door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties vastgelegd in haar statuten.
Het besluit van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties tot vaststelling van de financiële bijdragen aan het actiefonds, bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2021/2115, wordt voorafgaand aan het uitvoeringsjaar goedgekeurd door de algemene vergadering van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.
Indien in een jaar sprake is van een tekort van het actiefonds, kunnen tot en met het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling financiële bijdragen als bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2021/2115, in het actiefonds worden gestort.
Artikel 5.2.40
Door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties wordt voor het actiefonds:
- a. een aparte bankrekening geopend;
- b. een aparte grootboekrekening gereserveerd; of
- c. een aparte kostenplaats aangemaakt.
De afsluiting van het rapportagejaar in de administratie van de kostenplaats, grootboekrekening of bankrekening van het actiefonds van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties sluit direct aan op de jaarrapportage.
Het saldo van de eigen bijdragen van leden aan het actiefonds van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties is op het moment van indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling groter dan of gelijk aan nul.
De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties laat een extern accountant een controle uitvoeren en, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, een controleverklaring en een verslag van verrichte werkzaamheden afleggen over:
- a. de juistheid van de in het tweede lid bedoelde afsluiting; en
- b. de naleving van de voorschriften inzake het beheer van het actiefonds bedoeld in deze paragraaf.
Producentenorganisaties overleggen jaarlijks bij de aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 5.3.193, aan de minister het actiefondsoverzicht met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
Artikel 5.2.41
De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties informeert jaarlijks na afloop van het uitvoeringsjaar haar leden in een algemene vergadering over de realisatie van het operationeel programma gedurende het voorgaande uitvoeringsjaar, in het bijzonder voor wat betreft:
- a. de bedragen die per project over het uitvoeringsjaar zijn gerealiseerd;
- b. welke investeringen van € 150.000 en hoger gedurende het uitvoeringsjaar op locatie van de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming zijn gerealiseerd; en
- c. welke investeringen van € 100.000 en hoger gedurende het uitvoeringsjaar op andere locaties zijn gerealiseerd, onder vermelding van het adres van de locaties.
Afdeling 5.2.1. Erkenningen
§ 4.4. Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van Rijkscofinanciering in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg)
Artikel 5.2.42
Producentenorganisaties streven met hun operationeel programma overeenkomstig artikel 50, derde lid, van verordening 2021/2115 minimaal de sectorale doelstellingen, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdelen b, e en f, van verordening 2021/2115, na.
Producentenorganisaties kunnen met hun operationeel programma tevens de sectorale doelstellingen, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdelen a, c, d, en g tot en met k, van verordening 2021/2115, nastreven.
Een operationeel programma van een unie van producentenorganisaties voldoet overeenkomstig artikel 50, zesde lid, aanhef en onderdeel b, van verordening 2021/2115 aan de volgende voorwaarden:
- a. een operationeel programma van een unie van producentenorganisaties mag niet dezelfde interventies bevatten als een operationeel programma van de aangesloten organisaties; en
- b. interventies en overeenkomstige financiële bijdragen worden vermeld in het operationeel programma van elke aangesloten organisatie.
Een operationeel programma voldoet overeenkomstig artikel 50, zevende lid, van verordening 2021/2115 aan de volgende voorwaarden:
- a. ten minste 15% van de uitgaven heeft betrekking op interventies in verband met de sectorale doelstellingen, bedoeld in artikel 46, onderdelen e en f, van verordening 2021/2115;
- b. ten minste drie acties houden verband met de sectorale doelstellingen, bedoeld in artikel 46, onderdelen e en f, van verordening 2021/2115;
- c. ten minste 2% van de uitgaven heeft betrekking op interventies in verband met de sectorale doelstelling, bedoeld in artikel 46, onderdeel d, van verordening 2021/2115; en
- d. de uitgaven voor interventies in het kader van sectorale interventietypes als bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdelen f, g en h, van verordening 2021/2115 bedragen niet meer dan één derde van de totale uitgaven.
Operationele programma’s worden uitgevoerd in jaarperioden die lopen van 1 januari tot en met 31 december.
Artikel 5.2.43
Onverminderd artikel 2.9 bevat een operationeel programma:
- a. de visie van de producentenorganisatie voor de toekomst van de producentenorganisatie; en
- b. een verklaring dat zij geen risico van dubbele financiering uit fondsen van de Unie meebrengen.
In de visie van de producentenorganisatie is ten minste een beschrijving opgenomen van het toekomstbeeld dat de producentenorganisatie nastreeft en aan het einde van de looptijd van het operationeel programma wil hebben gerealiseerd.
Artikel 5.2.44
Onverminderd artikel 2.9 bevat een operationeel programma een actuele SWOT analyse waarin tenminste:
- a. een beschrijving en een verifieerbare onderbouwing is opgenomen van de sterke en zwakke punten van de producentenorganisatie; en
- b. een beschrijving en een verifieerbare onderbouwing is opgenomen van de kansen en bedreigingen voor de producentenorganisatie bij het realiseren van de sectorale doelstellingen en de visie, bedoeld in artikel 5.2.43, van de producentenorganisatie.
Uit de SWOT analyse volgen de sectorale doelstellingen die de producentenorganisatie met haar operationeel programma wil nastreven.
Artikel 5.2.45
In afwijking van artikel 2.9, vijfde lid, wordt per project de volgende informatie verstrekt;
- a. een omschrijving van welke sectorale doelstellingen worden nagestreefd;
- b. een omschrijving van het project;
- c. een omschrijving en onderbouwing van de meetbare uitgangssituatie van dit project ten aanzien van de sectorale doelstellingen;
- d. een omschrijving en onderbouwing van het verwachte meetbare resultaat van dit project ten aanzien van de sectorale doelstellingen;
- e. de subsidiabele activiteiten die in het kader van het project worden ingezet om de resultaten van de producentenorganisatie te realiseren;
- f. de looptijd; en
- g. een beschrijving van het tijdpad en mijlpalen.
De informatie over de voorgestelde activiteiten waarmee de realisatie van de sectorale doelstelling wordt nagestreefd bevat per subsidiabele activiteit de volgende onderdelen:
- a. een omschrijving van de activiteit; en
- b. een onderbouwing van de subsidiabiliteit van de activiteit en de bijbehorende uitgavenposten;
Per uitvoeringsjaar van het operationeel programma wordt, indien de minister daarom verzoekt, een begroting voor de activiteit aan de minister verstrekt en onderbouwd aan de hand van:
- a. minimaal drie onderling vergelijkbare kostenbegrotingen per uitgavenpost voor uitgavenposten die betrekking hebben op het eerste jaar van het operationeel programma; en
- b. minimaal één kostenbegroting per uitgavenpost voor uitgavenposten die betrekking hebben op de volgende jaren van het operationeel programma.
De looptijd van een project, bedoeld in het eerste lid, is ten hoogste zeven jaar. Indien de looptijd van het project aan het einde van het operationeel programma nog niet is afgelopen kan het project in een volgend operationeel programma worden opgenomen.
Artikel 5.2.46
De uitgavenposten, bedoeld in artikel 5.2.45, derde lid, die in het operationeel programma zijn opgenomen voor de jaren na het eerste jaar van het operationeel programma worden voor de desbetreffende jaren jaarlijks, bij de aanvraag tot subsidieverlening voor het volgende jaar, onderbouwd door middel van minimaal drie onderling vergelijkbare kostenbegrotingen per uitgavenpost.
In afwijking van artikel 5.2.45, derde lid, en het eerste lid, kan een begroting voor een uitgavenpost voor een activiteit waarvan de uitgaven in een uitvoeringsjaar worden geraamd op minder dan € 25.000 worden onderbouwd aan de hand van een enkele kostenbegroting.
Indien een uitgavenpost voor een activiteit aantoonbaar door slechts een enkele of ten hoogste twee partijen kan worden uitgevoerd of begroot, wordt een begroting, in afwijking van het eerste lid en artikel 5.2.45, tweede en derde lid, onderbouwd met de beschikbare kostenbegroting(en).
Indien een begroting voor een uitgavenpost wordt onderbouwd aan de hand van meerdere kostenbegrotingen wordt de economisch meest voordelige kostenbegroting gekozen. De keuze voor de in de begroting opgenomen kostenbegroting wordt voldoende gemotiveerd.
De verplichting tot het overleggen van kostenbegrotingen en de daaruit voortvloeiende eis om de keuze voor een bepaalde kostenbegroting te motiveren is niet van toepassing op:
- a. personeelskosten, bedoeld in paragraaf 3.2 van deze afdeling; en
- b. de uitgaven, bedoeld in de artikelen 5.3.179 tot en met 5.3.186.
De minister kan besluiten dat de verplichting tot het overleggen van kostenbegrotingen en de daaruit voortvloeiende eis om de keuze voor een bepaalde kostenbegroting te motiveren, wordt verlegd naar een entiteit die op grond van een uitbestedingsovereenkomst namens een of meer producentenorganisaties zelfstandig een activiteit of uitgavenpost onder hun beheer uitvoert of laat uitvoeren.
Artikel 5.2.47
Het operationeel programma, de aanvraag tot subsidieverlening voor het volgende uitvoeringsjaar of wijzigingen voor de volgende jaren worden door de algemene vergadering van de producentenorganisatie goedgekeurd.
Het operationeel programma, de aanvraag tot subsidieverlening voor het volgende uitvoeringsjaar of een wijziging voor de volgende jaren dat aan de algemene ledenvergadering ter goedkeuring is voorgelegd bevatten informatie over:
- a. de inhoud van de projecten door middel van een samenvatting;
- b. de bedragen per project;
- c. welke investeringen van € 150.000 en hoger op locatie van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming zijn voorgenomen;
- d. welke investeringen van € 100.000 en hoger op andere locaties zijn voorgenomen, onder vermelding van bij welk lid van de producentenorganisatie de investering is gedaan.
§ 2. Indienen en wijzigen operationeel programma
Artikel 5.2.48
De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties dient het operationele programma in met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties dient het meerjarige operationeel programma in tussen 15 augustus en 1 oktober om 12:00 uur van het jaar dat voorafgaat aan het eerste uitvoeringsjaar van het operationeel programma.
Een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties dient een aanvraag tot subsidieverlening jaarlijks in tussen 15 augustus en 1 oktober om 12:00 uur.
Artikel 5.2.49
Een wijziging van een operationeel programma voor de volgende jaren kan betrekking hebben op:
- a. een wijziging in de meerjarenbegroting voor de volgende uitvoeringsjaren van het operationeel programma;
- b. het toevoegen of laten vervallen van uitgavenposten voor activiteiten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma;
- c. het toevoegen van sectorale doelstellingen, projecten of activiteiten aan het operationele programma voor de volgende jaren;
- d. het laten vervallen van projecten of activiteiten in het operationele programma voor de volgende jaren;
- e. het jaarbedrag van het actiefonds;
- f. de looptijd van het operationele programma;
- g. het wijzigen van het verwachte meetbare resultaat van een project ten aanzien van de sectorale doelstellingen, bedoeld in artikel 5.2.45, eerste lid, onderdeel d, indien sprake is van een verbetering van het meetbare resultaat;
- h. het eenmalig wijzigen van het declareren van een duurzaam productiemiddel dat in tranches is opgenomen naar in één keer declareren.
Een verzoek tot wijziging als bedoeld in het eerste lid wordt tussen 15 augustus en 1 oktober om 12:00 uur ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
Op een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, zijn de artikelen 5.2.45 en 5.2.46van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.2.50
Een producentenorganisatie meldt onverwijld iedere wijziging van een operationeel programma.
Een wijziging van een operationeel programma gedurende het jaar betreft de toekomst en kan betrekking hebben op:
- a. het toevoegen van nieuwe uitgavenposten aan bestaande activiteiten of van nieuwe activiteiten aan bestaande projecten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma, indien deze noodzakelijk is om de resultaten van het project te behalen;
- b. het verhogen van het jaarbedrag van het actiefonds;
- c. het niet of niet geheel uitvoeren van een project, activiteit of uitgavenpost;
- d. het eenmalig wijzigen van het declareren van een duurzaam productiemiddel dat in tranches is opgenomen naar in één keer declareren. Deze wijziging kan ingediend worden tussen 16 oktober en 31 januari om 12:00 uur.
De producentenorganisatie geeft ten aanzien van de melding van wijzigingen als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, gemotiveerd aan:
- a. hoe het begrote bedrag tot stand gekomen is;
- b. waarom deze wijziging noodzakelijk is; en
- c. wat de gevolgen van deze wijziging zijn voor de uitvoering en de begroting van het operationeel programma.
In aanvulling op het tweede lid geeft de producentenorganisatie ten aanzien van wijzigingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, gemotiveerd aan indien het een nieuwe activiteit of uitgavenpost betreft, hoe deze bijdraagt aan het project.
Op een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is artikel 5.2.45, derde lid, alsmede artikel 5.2.46, tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
Een producentenorganisatie kan onmiddellijk na het indienen van een verzoek tot wijziging, onder de voorwaarde dat dit voor eigen rekening en risico gebeurt, aanvangen met het doorvoeren van de wijziging.
De producentenorganisatie geeft ten aanzien van de melding van wijzigingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, gemotiveerd aan wat de gevolgen van deze wijziging zijn voor de uitvoering en de begroting van het operationeel programma en de meetbare resultaten en mijlpalen, bedoeld in artikel 5.2.45, eerste lid, onderdelen d en g.
De producentenorganisatie geeft ten aanzien van de melding van wijzigingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, gemotiveerd aan wat de gevolgen van deze wijziging zijn voor de uitvoering en de begroting van het operationeel programma.
§ 3. Algemene voorschriften voor subsidiabele uitgaven
§ 1.3. Verplichtingen voor producentenorganisaties
Artikel 5.2.51
De uitgaven, bedoeld in deze paragraaf, zijn subsidiabel indien zij op grond van afdeling 5.3.2 subsidiabel worden gesteld.
§ 3.2. Personeelskosten
Artikel 5.2.52
Onder personeelskosten als bedoeld in artikel 23, eerste lid, en punt 5 van bijlage III van verordening 2022/126 worden verstaan:
- a. de loonkosten voor personeel in dienst van:
- 1°. de producentenorganisatie; of
- 2°. een dochteronderneming;
- b. de kosten voor het inhuren van gedetacheerd personeel en uitzendkrachten ingehuurd door de in onderdeel a genoemde ondernemingen; en
- c. de arbeidskosten van:
- 1°. een lid, indien het lid een natuurlijk persoon is; of
- 2°. de eigenaar of directeur van een lid, indien het lid een rechtspersoon is.
Artikel 5.2.53
Voor de kosten, bedoeld in artikel 5.2.52, onderdeel c, geldt een forfaitair uurtarief van € 40.
Wanneer een lid van een producentenorganisatie meerdere eigenaren of directeuren heeft, geeft de producentenorganisatie bij de indiening van het operationeel programma aan welke eigenaar of directeur de activiteiten zal uitvoeren en welke personeelskosten daarvoor worden opgevoerd.
Artikel 5.2.54
De producentenorganisatie houdt ter onderbouwing van de personeelskosten, bedoeld in artikel 23, eerste lid, derde alinea, van verordening 2022/126, een volledige urenadministratie bij.
Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie de urenregistratie en de urenadministratie, bedoeld in het eerste lid.
De urenadministratie, bedoeld in het eerste lid:
- a. wordt bijgehouden gedurende het hele uitvoeringsjaar of voor de duur van de arbeidsovereenkomst van de medewerker wiens inzet wordt toegerekend aan een project;
- b. omvat alle uren waarvoor de betreffende medewerker een arbeidscontract heeft, waaronder de uren die niet worden toegerekend aan projecten;
- c. bevat een korte en duidelijke omschrijving van ter uitvoering van de projecten verrichte werkzaamheden; en
- d. wordt uitgesplitst naar:
- 1°. het aantal uren besteed per afzonderlijke subsidiabel project;
- 2°. het totale aantal uren besteed aan niet subsidiabele projecten; en
- 3°. afwezigheidsuren zoals ziekte en verlof.
Het aantal uren dat in de aanvraag voor een gedeeltelijke betaling of in de aanvraag tot subsidievaststelling per activiteit worden aangevraagd overschrijdt niet het aantal uren verleend in de beschikking tot subsidieverlening of een goedkeuring naar aanleiding van een onverwijlde melding van een wijziging van een operationeel programma, als bedoeld in artikel 5.2.50, eerste lid.
Artikel 5.2.55
De producentenorganisatie berekent en onderbouwt de loonkosten, bedoeld in artikel 5.2.52, onderdeel a, van de subsidiabele activiteiten aan de hand van uurtarieven op basis van het jaarsalaris van de desbetreffende medewerkers.
In het uurtarief, bedoeld in het eerste lid, kan worden opgenomen:
- a. het contractueel of bij CAO overeengekomen brutoloon;
- b. een bij contract of CAO overeengekomen niet winstafhankelijke dertiende maand;
- c. een onregelmatigheidstoeslag;
- d. een ploegentoeslag;
- e. het werkgeversdeel sociale verzekeringswetten;
- f. de voor rekening van de werkgever komende kosten voor de ziektekostenverzekering;
- g. het werkgeversdeel pensioen en vervroegde uittreding; of
- h. dotaties aan pensioenvoorzieningen voor zover onderbouwd kan worden dat hier rechtens afdwingbare verplichtingen tegenover staan.
Ten behoeve van de berekening van het uurtarief wordt:
- a. overeenkomstig artikel 23, eerste lid, vierde alinea, van verordening 2022/126 het jaarsalaris gedeeld door 1.720 uren; of
- b. in geval van een niet volledig gewerkt jaar of medewerkers die werkzaam zijn in deeltijd het in onderdeel a genoemde aantal van 1.720 uren naar rato toegepast.
Overwerktoeslagen worden niet het in het uurtarief opgenomen.
§ 3.3. Duurzame productiemiddelen
Artikel 5.2.56
De producentenorganisatie toont de investering in een duurzaam productiemiddel aan de hand van facturen of afleverbonnen aan en verstrekt deze onverwijld aan de Minister, indien de minister daar om verzoekt.
Uit de facturen of afleverbonnen blijkt de datum van verwerving van het activum of de datum waarop het activum ter beschikking van de begunstigde wordt gesteld, bedoeld in artikel 11, eerste lid aanhef en onderdeel b, van verordening 2022/126.
Artikel 5.2.57
Ter uitvoering van artikel 24 van verordening 2022/126 toont de producentenorganisatie het gebruik van een duurzaam productiemiddel aan met behulp van een gebruiksadministratie per productiemiddel, tenzij de producentenorganisatie het gebruik van het productiemiddel op andere wijze aantoont ten genoegen van de Minister.
De producentenorganisatie geeft bij de indiening van het operationeel programma aan op welke wijze de gebruiksadministratie gevoerd gaat worden.
Uit de gebruiksadministratie blijkt dat het gebruik ten behoeve van producten die vallen onder de sector groenten en fruit meer bedraagt dan 50% van het totale gebruik.
Indien een lid aan de hand van zijn administratie kan aantonen dat er in zijn bedrijf geen producten van derden worden verhandeld, dan kan worden volstaan met een schriftelijke verklaring van het lid.
Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie de gebruiksadministratie, of de in het vierde lid bedoelde administratie of verklaring.
De minister kan de gebruiksadministratie, of de in het vierde lid bedoelde administratie of verklaring, opvragen gedurende de instandhoudingstermijn bedoeld in artikel 5.2.63.
Artikel 5.2.58
Advieskosten en kosten voor onderzoek zijn subsidiabel indien ze zijn opgenomen in de totaalfactuur van de investering en het bedrijfseconomisch gebruikelijk is om deze te activeren.
De in het eerste lid bedoelde kosten zijn niet subsidiabel als investering in een duurzaam productiemiddel indien er een aparte factuur is.
Artikel 5.2.59
In het geval van nieuwbouw of verbouw zijn investeringen in elementaire voorzieningen als afwateringssystemen, riolering, aansluiting op waterleiding en aansluiting op systemen voor datacommunicatie, die worden gezien als onmisbare elementen op het bedrijf van een lid, producentenorganisatie of een dochteronderneming subsidiabel.
Uitgaven voor de ingebruikname van een duurzaam productiemiddel en de bijkomende kosten van installatie en montage, waarvan het fiscaal en bedrijfseconomisch gebruikelijk is dat deze worden geactiveerd, zijn als onderdeel van het duurzaam productiemiddel subsidiabel.
Artikel 5.2.60
Uitgaven voor nieuwbouw en verbouw zijn subsidiabel indien het gaat om:
- a. nieuwbouw of verbouw van gebouwen die eigendom zijn van de producentenorganisatie of dochteronderneming; en
- b. nieuwbouw of verbouw die bijdraagt aan de sectorale doelstellingen zoals opgenomen in het project.
De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van het operationeel programma en de aanvraag tot subsidievaststelling over het voorafgaande jaar, bedoeld in artikel 5.3.193, de subsidiabele uitgaven, bedoeld in het eerste lid, aan de hand van:
- a. bouwtekeningen, die aangeven welk deel van de uitgaven subsidiabele ruimten en subsidiabele elementen betreft; en
- b. een uitsplitsing, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, van subsidiabele en niet subsidiabele ruimten en elementen en bijbehorende uitgaven.
Artikel 5.2.61
De aankoop van onbebouwde grond, bedoeld in punt 6 van bijlage III van verordening 2022/126, is subsidiabel indien deze grond daadwerkelijk wordt aangewend voor de realisatie van in het operationeel programma opgenomen investeringen.
De aankoop van grond die wordt gebruikt voor onderdelen van investeringen is subsidiabel indien deze wordt aangewend voor nieuwbouw of verbouw, als bedoeld in artikel 5.2.60.
De producentenorganisatie toont aan de hand van bouwtekeningen of plattegronden aan welke delen van de grond worden aangewend voor in het operationeel programma opgenomen subsidiabele investeringen.
De producentenorganisatie gebruikt de grond binnen de looptijd van het project voor realisatie van de investering waarvoor de grond is aangekocht.
Artikel 5.2.62
Een duurzaam productiemiddel, met uitzondering van bomen en meerjarige planten, is eigendom van de producentenorganisatie, unie van productenorganisaties of een dochteronderneming.
Een duurzaam productiemiddel die worden gefinancierd door meerdere erkende producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties is subsidiabel naar rato van het aandeel in de financiering van elk van die producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties.
Artikel 5.2.63
Ter uitvoering van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2022/126 behoudt de eigenaar het eigendom en bezit van een duurzaam productiemiddel tot ten minste vijf jaar vanaf het moment waarop het duurzaam productiemiddel ter beschikking is gesteld.
Indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aantoont dat de gebruikelijke fiscale afschrijvingsperiode van een investering in een duurzaam productiemiddel korter is dan de periode, bedoeld in het eerste lid, blijft een duurzaam productiemiddel tot het einde van de fiscale afschrijvingsperiode in eigendom en bezit van de eigenaar.
In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de opbrengst van bomen en meerjarige planten, geleverd aan de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of dochteronderneming:
- a. tot ten minste vijf jaar vanaf het moment waarop het duurzaam productiemiddel ter beschikking is gesteld; of
- b. indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aantoont dat de fiscale afschrijvingsperiode van de boom of meerjarige plant korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a, tot ten minste het einde van de fiscale afschrijvingsperiode.
Indien een producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming daarvan de eigenaar is van een duurzaam productiemiddel en een lid van de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties de houder is van dat duurzaam productiemiddel, geldt de termijn, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, slechts voor het eigendom van het duurzaam productiemiddel.
De producentenorganisatie informeert de minister onverwijld over vervreemding van een duurzaam productiemiddel binnen de in het eerste lid genoemde termijn en de reden hiervan.
Artikel 5.2.64
Indien, binnen de termijn bedoeld in artikel 5.2.63, een lid de producentenorganisatie verlaat of een producentenorganisatie de unie van producentenorganisaties verlaat, wordt een duurzaam productiemiddel dat op het terrein van het lid of van de producentenorganisaties of een dochteronderneming daarvan is geplaatst, herplaatst of vordert de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties binnen twee maanden na datum van uittreding de restwaarde van het duurzaam productiemiddel terug en stort deze in het actiefonds.
In geval van herplaatsing van een duurzaam productiemiddel dat is gefinancierd met behulp van het actiefonds van een producentenorganisatie wordt het op het terrein van het uittredende lid geplaatste duurzaam productiemiddel herplaatst op een locatie van de producentenorganisatie, een dochteronderneming, of een lid.
In geval van herplaatsing van een duurzaam productiemiddel dat is gefinancierd met behulp van het actiefonds van een unie van producentenorganisaties wordt het duurzaam productiemiddel herplaatst op een locatie van de unie van producentenorganisaties, een aangesloten producentenorganisatie, een dochteronderneming of een lid van een aangesloten producentenorganisatie.
De restwaarde wordt bepaald naar evenredigheid van het aantal volledige maanden dat resteert tot het einde van de periode, bedoeld in artikel 5.2.63.
Indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties in het jaar waarin de restwaarde in het actiefonds wordt gestort en in de twee daaropvolgende jaren geen operationeel programma heeft, wordt het gedeelte van de restwaarde waarvoor Uniesteun is betaald door de minister gerecupereerd.
Indien de producentenorganisatie het duurzaam productiemiddel niet herplaatst of terugvordert als bedoeld in het eerste lid, wordt de restwaarde bij de producentenorganisatie teruggevorderd.
Artikel 5.2.65
In aanvulling op artikel 11, negende lid, van verordening 2022/126 worden, indien het eigendom van een investering teniet gaat als gevolg van een oorzaak waarvoor de producentenorganisatie een uitkering van een verzekeraar ontvangt en deze uitkering niet wordt aangewend voor de vervanging van de betreffende investering, de verzekeringspenningen teruggestort in het Europees Landbouwgarantiefonds.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het op grond van artikel 11, negende lid, van verordening 2022/126 berekende bedrag van terugvordering lager is dan het in het eerste lid bedoelde bedrag. In dat geval wordt het berekende bedrag teruggestort in het Europees Landbouwgarantiefonds.
Artikel 5.2.66
Een investering in een duurzaam productiemiddel kan eenmalig of in tranches worden opgenomen in de aanvraag voor een gedeeltelijke betaling of in de aanvraag tot subsidievaststelling.
De tranches betreffen identieke bedragen die één keer ten aanzien van een uitvoeringsjaar worden opgenomen in de aanvraag voor een gedeeltelijke betaling of in de aanvraag tot subsidievaststelling.
Indien een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties uitgaven voor een investering in een duurzaam productiemiddel in identieke tranches in de aanvraag voor een gedeeltelijke betaling of in de aanvraag tot subsidievaststelling opneemt, is op het moment van de aanvraag voor een gedeeltelijke betaling of de aanvraag tot subsidievaststelling de laatste factuur ontvangen en betaald.
De datum waarop het duurzaam productiemiddel ter beschikking is gesteld aan de producentenorganisatie valt in het uitvoeringsjaar waarop de gedeeltelijke betaling, of de aanvraag tot subsidievaststelling, betrekking heeft.
In afwijking van het tweede lid kan bij de aanvraag tot subsidievaststelling eenmalig een restantbedrag gedeclareerd worden indien een wijziging is ingediend zoals bedoeld in artikel 5.2.49, eerste lid, onderdeel h, of artikel 5.2.50, tweede lid, onderdeel d.
Artikel 5.2.67
Een duurzaam productiemiddel kan ten laste van het actiefonds worden gebracht gedurende maximaal 5 jaar. Deze periode start vanaf het moment waarop het duurzaam productiemiddel ter beschikking van de begunstigde is gesteld als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2022/126.
Een investering in een duurzaam productiemiddel kan ook voor het volgende operationele programma in aanmerking worden genomen, indien de periode, bedoeld in artikel 5.2.63, langer is dan de looptijd van het operationele programma.
Artikel 5.2.68
Een tweedehands duurzaam productiemiddel, als bedoeld in punt 7 van bijlage III van verordening 2022/126, is subsidiabel indien het aanschafbedrag hoger is dan € 10.000.
Een tweedehands duurzaam productiemiddel dat bij een aangesloten producent, een daaraan verbonden partij of een rechtspersoon, als bedoeld in artikel 5.2.3, tweede lid, is aangeschaft is niet subsidiabel indien dit duurzaam productiemiddel vervolgens bij deze of een andere aangesloten producent of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5.2.3, tweede lid, wordt geplaatst.
Dit artikel, uitgezonderd het eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op investeringen die worden gehuurd of geleased.
Artikel 5.2.69
Een investering in een duurzaam productiemiddel op het terrein van ICT is subsidiabel indien het gaat om:
- a. hardware die:
- 1°. een integraal onderdeel uitmaakt van subsidiabele installaties; of
- 2°. ondersteunend is voor subsidiabele activiteiten en op grond van offertes kan worden toegerekend aan deze activiteiten; of
- b. software applicaties die ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten en op grond van offertes kan worden toegerekend aan deze activiteiten.
Bij de indiening van het operationeel programma wordt een onderbouwd plan overlegd met daarin:
- a. een gedetailleerde beschrijving van het project;
- b. een begroting van de investeringskosten;
- c. een definiëring van de onderdelen van de investeringskosten;
- d. een verdeling van de subsidiabele en niet-subsidiabele kosten met bijbehorende begrote bedragen; en
- e. een gedetailleerde beschrijving van de functionaliteit van de verschillende onderdelen door de leverancier.
Artikel 5.2.70
Uitgaven voor investeringen in uitgangsmateriaal van rassen van meerjarige gewassen en licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen van meerjarige gewassen die zijn opgenomen in het operationeel programma van een producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien de bedoelde rassen:
- a. toegelaten zijn door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor de Tuinbouw;
- b. ingeschreven staan in het Nederlandse rassenregister van de Raad voor de plantenrassen; of
- c. ingeschreven staan bij een keuringsinstantie van een andere lidstaat.
Artikel 5.2.71
Producentenorganisaties houden voor alle investeringen in duurzame productiemiddelen die zijn opgenomen in een lopend operationeel programma, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, een actueel register bij.
Artikel 5.2.72
Uitgaven voor huur en lease als economisch verantwoord alternatief voor de koop van een investering in een duurzaam productiemiddel zijn gedurende de termijn, bedoeld in artikel 5.2.63, subsidiabel overeenkomstig punt 8 van bijlage III van verordening 2022/126, voor zover koop van het duurzaam productiemiddel subsidiabel zou zijn.
De artikelen 5.2.57 en 5.2.62, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op uitgaven als bedoeld in het eerste lid.
De producentenorganisatie overlegt onverwijld, indien de minister daarom verzoekt, voor uitgaven, bedoeld in het eerste lid, een schriftelijke overeenkomst.
Uit de overeenkomst blijkt in ieder geval de datum van verwerving van het activum of vanaf de datum waarop het activum ter beschikking van de begunstigde wordt gesteld, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2022/126.
§ 3.4. Overige kosten
Artikel 5.2.73
Uitgaven voor de inhuur van externen zijn subsidiabel, indien de voor uitvoering van een activiteit benodigde kennis of capaciteit bij een producentenorganisatie niet voldoende aanwezig is.
Producentenorganisaties geven in het operationeel programma aan welke specifieke taken aan externe diensten worden uitbesteed.
De minister kan een producentenorganisatie, ten behoeve van de beoordeling van de subsidiabiliteit van uitgaven voor de inhuur van externen, verzoeken om aanvullende informatie en bewijsstukken te overleggen.
Artikel 5.2.74
Uitgaven voor kilometers gereden met de eigen auto door leden en medewerkers van de producentenorganisatie zijn subsidiabel indien:
- a. deze leden en medewerkers in het operationeel programma zijn opgenomen;
- b. de kilometers zijn gemaakt in het kader van een in het operationeel programma opgenomen activiteit;
- c. de vergoedingen daadwerkelijk aan de medewerker of het lid zijn uitbetaald;
- d. de vergoeding bedraagt per kilometer maximaal de overeenkomstig hoofdstuk 10 van de CAO-Rijk vastgestelde hoge reiskostenvergoeding; en
- e. er een deugdelijke kilometeradministratie is bijgehouden.
Uitgaven voor vliegtickets voor buitenlandse dienstreizen, plaatsbewijzen voor het openbaar vervoer en tickets voor veerboten zijn subsidiabel op basis van de economy class prijzen van deze tickets of plaatsbewijzen.
Producentenorganisaties kunnen voor uitgaven voor verblijfkosten voor dienstreizen en excursies in binnenland en EU-lidstaten door medewerkers en aangesloten leden vergoedingen verstrekken voor de daadwerkelijk gemaakte kosten binnen de maxima van hoofdstuk 10 van de CAO-Rijk.
Kosten voor auto’s in eigendom van of geleased dan wel gehuurd door de producentenorganisatie zijn niet subsidiabel.
Artikel 5.2.75
Uitgaven voor overige kosten op het gebied van ICT zijn subsidiabel voor zover deze ICT voorzieningen ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten en op grond van offertes kunnen worden toegerekend aan deze activiteiten.
Uitgaven voor licenties en voor abonnementen voor software applicaties zijn subsidiabel indien het uitgaven voor subsidiabele applicaties en modules betreft.
Artikel 5.2.76
Uitgaven voor licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen die zijn opgenomen in het operationeel programma van een producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien de bedoelde rassen:
- a. toegelaten zijn door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor de Tuinbouw;
- b. ingeschreven staan in het Nederlandse rassenregister van de Raad voor de plantenrassen; of
- c. ingeschreven staan bij een keuringsinstantie van een andere lidstaat.
Artikel 5.2.77
Uitgaven in het kader van educatie bijeenkomsten zijn subsidiabel.
Niet subsidiabel zijn uitgaven voor zaalhuur.
Bij de indiening van het operationeel programma verstrekt de producentenorganisatie in geval van educatieve bijeenkomsten aan de minister een beschrijving van:
- a. onderwerp(en) en leerdoel(en) van de bijeenkomst;
- b. het programma met een specificatie van de onderdelen en gehanteerde werkvormen;
- c. aantal bijeenkomsten met vermelding van de data en de duur per bijeenkomst; en
- d. de kosten van de bijeenkomst.
Bij de aanvraag tot subsidievaststelling verstrekt de producentenorganisatie in geval van educatieve bijeenkomsten aan de Minister:
- a. een deelnemerslijst; en
- b. een aanwezigheidsregistratie per bijeenkomst per deelnemer voorzien van een handtekening van de deelnemer.
Titel 5.3. Interventietypes in de sector groenten en fruit
Afdeling 5.2.2. Actiefonds en waarde afgezette productie
Artikel 5.3.1. Subsidieverstrekking
Titel 5.1 tot en met titel 5.3 zijn van toepassing op de producten van de sector groenten en fruit, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel i, van verordening 1308/2013 en op dergelijke producten die uitsluitend zijn bestemd om te worden verwerkt.
Titel 5.1 tot en met titel 5.3 zijn van toepassing op:
- a. operationele programma’s die op of na 1 januari 2023 starten;
- b. operationele programma’s als bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdelen a en b, van verordening 2021/2117.
De minister verstrekt per uitvoeringsjaar op aanvraag subsidie aan een erkende producentenorganisatie van de sector groenten en fruit voor het uitvoeren van een door de minister goedgekeurd operationeel programma. Deze subsidie betreft de financiële steun, bedoeld in artikel 52 van verordening 2021/2115.
Artikel 5.3.2. Hoogte subsidie
De hoogte van de subsidie wordt per producentenorganisatie bepaald overeenkomstig artikel 52 van verordening 2021/2115.
Artikel 5.3.3. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking kosten die op grond van afdeling 5.3.2 subsidiabel worden gesteld.
Artikel 5.3.4. Verdeling subsidieplafond
In afwijking van artikel 2.4 verdeelt de Minister het subsidieplafond overeenkomstig de voorschriften in artikel 52 van verordening 2021/2115.
Op aanvraag van een producentenorganisatie wordt het vastgestelde maximum percentage aan financiële EU-steun verhoogd voor een operationeel programma of een gedeelte daarvan, indien wordt voldaan aan artikel 52, vierde, vijfde of zesde lid van verordening 2021/2115.
Artikel 5.3.5. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onderdeel b, is overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van verordening 2021/2115 ten minste drie en ten hoogste zeven jaar.
Artikel 5.3.6. Beslissing op de aanvraag
In afwijking van artikel 2.12, geeft de minister een beschikking op een aanvraag tot subsidieverlening binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in de artikelen 5.2.48, tweede en derde lid, en 5.2.49, tweede lid.
In afwijking van artikel 2.21, eerste lid, geeft de Minister de beschikking tot subsidievaststelling binnen 22 weken na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 5.3.193.
In afwijking van artikel 2.14, derde lid, geeft de minister de beschikking op een aanvraag tot verlening van een deelbetaling, bedoeld in artikel 5.3.196, eerste lid, binnen tachtig dagen na sluiting van de aanvraagperiode.
Afdeling 5.3.2. Subsidiabele activiteiten en sectorale doelstellingen
§ 2. Beheer van het actiefonds
Artikel 5.3.7
De activiteiten die zijn opgenomen in paragraaf 2 tot en met paragraaf 12 van afdeling 5.3.2 kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstellingen.
Artikel 5.3.8
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)