Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 oktober 2021, nr. WJZ/20222966, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-07-14
State In force
Source BWB
artikelen 1277
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Titel 5.6. Samenwerken aan innovatie door operationele groepen in het kader van EIP

Hoofdstuk 6. Overige bepalingen en slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021

1. Typen documenten

De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:

2. Procedure voor het gebruik van de documenten, bedoeld onder 1, onderdelen a, b en c

De in 1, onderdelen a, b en c, bedoelde bewijsstukken zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:

Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.

Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

3. Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in een elektronische versie bestaan, bedoeld onder 1, onderdeel d

Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen.

Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Titel 5.7. Stimuleren van kennisoverdracht via de Subsidiemodule Agrarische Bedrijfsadvisering en Educatie (SABE)

§ 5.7.1. Begripsbepalingen

Artikel 5.7.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • –. bedrijfsadviseur: een adviseur die landbouwers adviseert;
  • –. demonstratiebedrijf: het agrarisch bedrijf van een landbouwer dat een demonstratieproject verzorgt;
  • –. demonstratieproject: een project dat wordt verzorgd door een demonstratiebedrijf en is bedoeld om landbouwers te inspireren en te laten zien hoe bestaande en bewezen omschakelmaatregelen gericht op verduurzaming van de landbouw in de praktijk kunnen worden toegepast in de eigen landbouwpraktijk;
  • –. diervoeders: diervoeders als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG 2002, L 31);
  • –. dierwaardige veehouderij: veehouderij die voldoet aan de zes leidende principes bedoeld in het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden van 18 november 2021, te weten: 1) erkenning intrinsieke waarde van het dier, 2) goede voeding, 3) goede omgeving, 4) goede gezondheid, 5) natuurlijk gedrag en 6) positieve emotionele toestand van het dier;
  • –. erkende bedrijfsadviseur: bedrijfsadviseur die:
  • 2°. niet werkzaam is bij een onderneming die landbouwproducten, gewasbeschermingsmiddelen, diervoeders, landbouwmechanisatieproducten of meststoffen verkoopt of een onderneming die in een groep verbonden is aan een onderneming die deze producten verkoopt;
  • 3°. in staat is landbouwers op strategisch en tactisch niveau te adviseren;
  • –. gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309);
  • –. De openbare universiteit te Wageningen;
  • –. Aeres Hogeschool, uitgaande van de Stichting Aeres Groep;
  • –. HAS Green Academy, uitgaande van de Stichting HAS Opleidingen te ’s-Hertogenbosch;
  • –. Van Hall Larenstein, uitgaande van de Stichting Van Hall Larenstein;
  • –. Hogeschool INHOLLAND, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Nederland;
  • –. Opleiding bedrijfscoach Natuurinclusief ondernemen in de landbouw: de Opleiding bedrijfscoach Natuurinclusief ondernemen in de landbouw, ontwikkeld in 2022 door de openbare universiteit te Wageningen, HAS Green Academy, Aeres Hogeschool, Van Hall Larenstein en Hogeschool INHOLLAND;
  • –. Opleiding bedrijfscoach precisielandbouw: de Opleiding bedrijfscoach precisielandbouw, ontwikkeld in 2022 door de openbare universiteit te Wageningen, HAS Green Academy, Aeres Hogeschool, Van Hall Larenstein en Hogeschool INHOLLAND;
  • –. Opleiding bedrijfscoach stikstof in de landbouw: de Opleiding bedrijfscoach stikstof in de landbouw, ontwikkeld in 2020 door de openbare universiteit te Wageningen, HAS Green Academy, Aeres Hogeschool, Van Hall Larenstein en Hogeschool INHOLLAND;
  • –. Verdiepingscursus Natuurinclusief ondernemen in de landbouw: de Verdiepingscursus Natuurinclusief ondernemen in de landbouw, ontwikkeld in 2022 door de openbare universiteit te Wageningen, HAS Green Academy, Aeres Hogeschool, Van Hall Larenstein en Hogeschool INHOLLAND;
  • –. Verdiepingscursus precisielandbouw: de Verdiepingscursus precisielandbouw, ontwikkeld in 2022 door de openbare universiteit te Wageningen, HAS Green Academy, Aeres Hogeschool, Van Hall Larenstein en Hogeschool INHOLLAND;
  • –. Verdiepingscursus stikstof in de landbouw: de Verdiepingscursus stikstof in de landbouw, ontwikkeld in 2020 door de openbare universiteit te Wageningen, HAS Green Academy, Aeres Hogeschool, Van Hall Larenstein en Hogeschool INHOLLAND.

§ 5.7.2. Projectsubsidies

Artikel 5.7.2. Subsidieaanvraag
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming, niet zijnde een landbouwer, voor uitwisseling van kennis en verspreiding van informatie bij projecten waarbij de focus ligt bij de bescherming van natuur, milieu en klimaat, teneinde bij te dragen aan een van of meer van de doelstellingen, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van verordening 2021/2115; de uitwisseling van kennis en verspreiding van informatie kan onder meer gebeuren in de vorm van de uitvoering van trainingen, workshops, coaching, voorlichtingsactiviteiten en demonstratieactiviteiten en komt ten goede aan een groep van samenwerkende landbouwers.

2.

De projecten ondersteunen acties die bijdragen aan de interventietypes, bedoeld in artikel 78, van verordening 2021/2115, en aan de specifieke doelstellingen, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid van verordening 2021/2115, relevante acties ter bevordering van innovatie, scholing en advisering, en andere vormen van uitwisseling van kennis en verspreiding van informatie, en hebben een of meer van de volgende onderwerpen:

  • a. kringlooplandbouw:
  • 1°. (stikstof)emissie en hergebruik nutriënten;
  • 2°. gezonde bodem, water en teeltsystemen;
  • 3°. weerbare teeltsystemen en geïntegreerde gewasbescherming;
  • 4°. circulair gebruik van gewassen, grondstoffen en nieuwe plantaardige eiwitbronnen;
  • 5°. natuurinclusieve landbouw;
  • 6°. precisielandbouw;
  • b. duurzaam ondernemerschap:
  • 1°. persoonlijke ontwikkeling van ondernemers en hun bedrijf;
  • 2°. horizontale samenwerking;
  • 3°. bedrijfsopvolging;
  • 4°. duurzaam verdienvermogen.
Artikel 5.7.3. Subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie komen in aanmerking kosten van de organisatie en uitvoering van trainingen, workshops, coaching, voorlichtingsacties en demonstratieactiviteiten ter bevordering van innovatie, scholing, advisering en andere vormen van uitwisseling van kennis en verspreiding van informatie als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van verordening 2021/2115.

2.

Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor de ontwikkeling van lesmateriaal ten behoeve van de kennisoverdracht.

3.

De subsidieontvanger berekent de subsidiabele kosten overeenkomstig artikel 5.1.3, eerste lid, onderdeel a en tweede lid en derde lid, overeenkomstig artikel 5.1.3a of overeenkomstig artikel 5.1.3b, tweede en vierde lid.

4.

In afwijking van het derde lid kunnen kennisinstellingen de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 1.3b, hanteren.

Artikel 5.7.4. Hoogte subsidie en verdeling subsidieplafond
1.

De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten.

2.

De subsidie bedraagt ten minste € 50.000,– en ten hoogste € 200.000,– per project.

3.

De minister verdeelt per openstelling het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 5.7.5. Deelbetaling
1.

De minister verleent ten hoogste tweemaal per jaar een deelbetaling.

2.

De aanvraag tot deelbetaling bedraagt ten minste 25% of € 12.500 van de verleende subsidie.

Artikel 5.7.6. Start- en realisatietermijn
1.

Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onderdeel b, bedraagt drie jaar na de subsidieverlening.

Artikel 5.7.7. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 2.11, beslist de minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien:

  • a. een aanvraag minder dan 3 punten behaalt op één van de afzonderlijke rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 5.7.8;
  • b. de aanvrager een producentengroepering of -organisatie is die een landbouwer verplicht lid te zijn van de groepering of organisatie om deel te kunnen nemen aan het project; of
Artikel 5.7.8. Rangschikkingscriteria
1.

De minister kent aan een aanvraag, op basis van het bijhorende projectplan, een hoger aantal punten toe naarmate naar verwachting:

  • a. de impact van het project groter is;
  • b. de kwaliteit van de combinatie van de groep van samenwerkende landbouwers en de aanvrager hoger is;
  • c. de kwaliteit van het projectplan hoger is; en
  • d. de kosteneffectiviteit van het project hoger is.
2.

Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten hoogste vijf punten.

3.

Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met twee.

4.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Artikel 5.7.9. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

Onverminderd artikel 2.9, bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 ten minste:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. het projectplan, bedoeld in het tweede lid; en
  • d. een verklaring van de groep samenwerkende landbouwers waarin wordt aangegeven wat de behoefte aan kennisoverdracht is.
2.

De subsidieontvanger stelt een projectplan op waarin in ieder geval worden opgenomen de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de doelstellingen van het project, de start- en einddatum, de samenstelling van de groep van samenwerkende landbouwers, de totale kosten, de omvang van de gevraagde subsidie en een samenvatting van het project.

3.

Het projectplan wordt opgesteld overeenkomstig een door de minister ter beschikking gesteld model.

4.

De aanvrager werkt eraan mee dat informatie over de projecten, waaraan subsidie wordt verstrekt, wordt gedeeld op Groen Kennisnet.

§ 3. Slotbepalingen

Artikel 5.7.10. Aanvraag, verstrekking en besteding adviesvoucher
1.

Een adviesvoucher wordt door de minister op aanvraag verstrekt aan een landbouwer voor het verkrijgen van een bedrijfsspecifiek bedrijfsadvies over één van de volgende aandachtsgebieden:

  • a. kringlooplandbouw:
  • 1°. (stikstof)emissie en hergebruik nutriënten;
  • 2°. gezonde bodem, water en teeltsystemen;
  • 3°. weerbare teeltsystemen en geïntegreerde gewasbescherming;
  • 4°. circulair gebruik van gewassen, grondstoffen en nieuwe plantaardige eiwitbronnen;
  • 5°. natuurinclusieve landbouw;
  • 6°. precisielandbouw;
  • b. duurzaam ondernemerschap:
  • 1°. persoonlijke ontwikkeling van ondernemers en hun bedrijf;
  • 2°. horizontale samenwerking;
  • 3°. bedrijfsopvolging;
  • 4°. duurzaam verdienvermogen.
2.

De landbouwer vermeldt bij de aanvraag:

  • a. de bedrijfsspecifieke adviesvraag die hij in het kader van het bedrijfsadvies wil stellen;
  • b. op welk aandachtsgebied, genoemd in het eerste lid, het bedrijfsadvies gericht zal zijn;
  • c. een erkende bedrijfsadviseur, die in het bedrijfsadviseringssysteem is geregistreerd, naar keuze, voor dat specifieke aandachtsgebied.
3.

Aan de in het tweede lid, onderdeel c, genoemde erkende bedrijfsadviseur wordt de verstrekte voucher overgedragen.

Artikel 5.7.11. Aanvraag, verstrekking en besteding cursusvoucher
1.

Een cursusvoucher wordt door de minister op aanvraag verstrekt aan een landbouwer voor het volgen van de Verdiepingscursus ‘stikstof in de landbouw’, de Verdiepingscursus Natuurinclusief ondernemen in de landbouw of de Verdiepingscursus precisielandbouw.

2.

De landbouwer vermeldt bij de aanvraag een aangewezen kennisinstelling naar keuze die deze erkende cursus geeft.

3.

Aan de in het tweede lid genoemde kennisinstelling wordt de verstrekte voucher overgedragen.

Artikel 5.7.12. Verdeling subsidieplafonds

De minister bepaalt op volgorde van binnenkomst aan welke landbouwers, binnen het subsidieplafond voor adviesvouchers of binnen het subsidieplafond voor cursusvouchers, vouchers worden verstrekt, uitgaande van de (maximum)waarde per voucher.

Artikel 5.7.13. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • b. ten behoeve van een agrarische onderneming al eerder in het hetzelfde kalenderjaar van een adviesvoucher gebruik is gemaakt;
  • c. aan de aanvrager van een cursusvoucher al eerder een cursusvoucher is toegekend in hetzelfde kalenderjaar.

§ 5.7.4. Verstrekking subsidie aan een kennisinstelling of erkende bedrijfsadviseur

Artikel 5.7.14. Verzilvering advies- en cursusvouchers

Subsidie wordt verstrekt aan een erkende bedrijfsadviseur die een advies heeft verstrekt of een aangewezen kennisinstelling die een cursus heeft uitgevoerd ten behoeve van een landbouwer en in verband daarmee een geldige voucher overlegt.

Artikel 5.7.15. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten en niet meer dan € 1.500,– per adviesvoucher.

2.

De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten en niet meer dan € 800,– per cursusvoucher.

Artikel 5.7.16. Subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie voor het geven van advies komen in aanmerking kosten van advies als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van verordening 2021/2115.

2.

Voor subsidie voor het geven van advies komen niet in aanmerking kosten die de erkende bedrijfsadviseur maakt voor de inhuur van personen die organisatorisch of financieel niet onafhankelijk zijn van de landbouwer waaraan het advies is verstrekt.

3.

Voor subsidie voor de uitvoering van de cursus komen in aanmerking kosten van de beroepsopleiding, waaronder cursussen ten behoeve van scholing als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van verordening 2021/2115.

Artikel 5.7.17. Aanvraag verzilvering advies- en cursusvouchers
1.

Een aanvraag voor subsidie wordt na afloop van de uitvoering van het advies of de cursus door de kennisinstelling of de erkende bedrijfsadviseur ingediend.

2.

De aanvraag moet binnen een jaar zijn ontvangen na de dagtekening van een aan de landbouwer verstrekte voucher.

3.

Op een voor het einde van de termijn, bedoeld in het tweede lid, daartoe ingediend verzoek kan de minister besluiten deze termijn eenmalig te verlengen met ten hoogste zes maanden.

4.

Indien de aanvraag niet door de minister is ontvangen binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, vervalt de voucher van rechtswege.

5.

Onverminderd artikel 2.9 bevat de aanvraag een kopie of afschrift van het door de bedrijfsadviseur aan de landbouwer verstrekte advies en een verklaring, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, van de landbouwer over de door de bedrijfsadviseur geleverde prestatie. Bij het ontbreken van een verklaring van de landbouwer toont de bedrijfsadviseur naar genoegen van de minister aan dat het verstrekte advies heeft voorzien in de behoefte van de landbouwer.

Artikel 5.7.18. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 2.11 beslist de minister afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor het geven van advies indien:

  • b. advisering in een groepsverband heeft plaatsgevonden;
  • c. de advisering niet hoofdzakelijk was gericht op het in de aanvraag vermelde onderwerp;
  • d. de erkende bedrijfsadviseur financieel niet onafhankelijk is van de aanvrager waardoor het te verstrekken advies niet onpartijdig is in de zin van artikel 15, derde lid, van verordening 2021/2115;
  • e. de erkende bedrijfsadviseur niet toereikend gekwalificeerd of voldoende opgeleid is of sprake is van belangenconflicten als bedoeld in artikel 15, derde lid, van verordening 2021/2115;
  • f. de erkende bedrijfsadviseur niet deskundig is op het onderwerp, bedoeld in artikel 5.7.10, eerste lid, waarop de advisering is gericht; of
  • g. het advies niet in gaat op tenminste de volgende elementen:
  • 1°. de adviesbehoefte van de landbouwer met betrekking tot het gekozen aandachtsgebied;
  • 2°. de specifieke bedrijfssituatie van de landbouwer;
  • 3°. de probleemanalyse;
  • 4°. de beoogde impact van het advies.

§ 3. Slotbepalingen

Artikel 5.7.19. Aanvraag en verstrekking opleidingsvoucher
1.

Een opleidingsvoucher wordt door de minister aan een bedrijfsadviseur op aanvraag verstrekt voor het volgen van de Opleiding bedrijfscoach stikstof in de landbouw, de Opleiding bedrijfscoach Natuurinclusief ondernemen in de landbouw of de Opleiding bedrijfscoach precisielandbouw bij een kennisinstelling.

2.

De bedrijfsadviseur vermeldt bij de aanvraag een aangewezen kennisinstelling naar keuze die deze erkende opleiding geeft.

3.

De opleidingsvoucher wordt overgedragen aan de kennisinstelling, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 5.7.20. Verdeling subsidieplafond

De minister bepaalt op volgorde van binnenkomst aan welke bedrijfsadviseurs binnen het subsidieplafond opleidingsvouchers worden verstrekt, uitgaande van de maximumwaarde per voucher.

Artikel 5.7.21. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien aan de aanvrager al eerder een voucher als bedoeld in artikel 5.7.19 of titel 2.4 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies is toegekend in hetzelfde kalenderjaar.

Artikel 5.7.22. Besteding opleidingsvoucher

De bedrijfsadviseur draagt de voucher over aan de in de aanvraag opgenomen kennisinstelling.

§ 5.7.2. Projectsubsidies

Artikel 5.7.23. Verzilvering opleidingsvoucher

Subsidie wordt verstrekt aan een kennisinstelling die een opleiding heeft verstrekt aan een bedrijfsadviseur en in verband daarmee een geldige voucher overlegt.

Artikel 5.7.24. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten en niet meer dan € 1.250,– per voucher.

Artikel 5.7.25. Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking:

  • a. personeelskosten van de opleiders;
  • b. rechtstreeks met het opleidingsproject verband houdende operationele kosten, met uitzondering van kosten voor de ontwikkeling van lesmateriaal ten behoeve van de kennisoverdracht.
Artikel 5.7.26. Aanvraag verzilvering opleidingsvoucher
1.

Een aanvraag voor subsidie wordt na afloop van de opleiding door de kennisinstelling ingediend.

2.

De aanvraag moet binnen een jaar na de dagtekening van de aan de bedrijfsadviseur verstrekte voucher zijn ontvangen.

3.

Op een voor het einde van de termijn, bedoeld in het tweede lid, daartoe ingediend verzoek kan de minister besluiten deze termijn eenmalig te verlengen met ten hoogste zes maanden.

4.

Indien de aanvraag niet binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, door de minister is ontvangen, vervalt de voucher van rechtswege.

Artikel 5.7.27. Staatssteun

De subsidies, bedoeld in de artikelen 5.7.19 en 5.7.23, bevatten staatssteun en worden gerechtvaardigd door artikel 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

§ 2. Voorschriften inzake de verzekeraar

Artikel 5.7.28. Subsidieverstrekking kennisoverdracht door demonstratiebedrijven duurzame landbouw
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor kennisoverdracht over de omschakeling naar duurzame landbouw in de vorm van demonstratieprojecten aan:

  • a. een individuele landbouwer die een aanvraag indient voor een demonstratieproject om zelf demonstratiebedrijf en daarmee aanbieder van kennisoverdracht en voorlichting te willen zijn;
  • b. een landbouwer die een aanvraag indient voor zichzelf en maximaal twee andere landbouwers die allen demonstratiebedrijf willen zijn;
  • c. een onderneming niet zijnde een landbouwer die als penvoerder een aanvraag indient voor een demonstratieproject voor minimaal twee en maximaal drie landbouwers die allen demonstratiebedrijf willen zijn.
2.

De omschakeling naar duurzame landbouw, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op minimaal vijf van de volgende onderwerpen, waarvan emissiereductie stikstof één van de vijf onderwerpen moet zijn:

  • a. emissiereductie stikstof;
  • b. emissiereductie gewasbeschermingsmiddelen en toepassing van geïntegreerde gewasbescherming;
  • c. emissiereductie broeikasgassen;
  • d. emissiereductie nitraat en andere meststoffen;
  • e. vergroten biodiversiteit;
  • f. versterken duurzaam bodembeheer;
  • g. verhogen aandeel circulair veevoergebruik;
  • h. verbeteren dierenwelzijn en diergezondheid.
3.

De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstrekt aan:

  • a. een onderneming die gewasbeschermingsmiddelen, diervoeders, landbouwmechanisatieproducten of meststoffen verkoopt;
  • b. een onderneming die in een groep verbonden is aan een onderneming die producten als bedoeld in onderdeel a verkoopt.
Artikel 5.7.29. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

2.

De subsidie bedraagt ten minste € 75.000,– en ten hoogste € 360.000,– per demonstratieproject.

3.

De subsidie bedraagt ten minste € 75.000,– en ten hoogste € 120.000 per demonstratiebedrijf in drie jaar.

Artikel 5.7.30. Deelbetaling
1.

De minister verleent ten hoogste tweemaal per jaar een deelbetaling.

2.

De aanvraag tot deelbetaling bedraagt ten minste 25% of € 25.000 van de verleende subsidie.

Artikel 5.7.31. Subsidiabele kosten
1.

In afwijking van artikel 1.4, onderdeel d, komen voor subsidie in aanmerking kosten van de uitvoering van voorlichtings- en demonstratieactiviteiten, met inbegrip van kosten voor het verzamelen en analyseren van data noodzakelijk voor de demonstratie over het effect van duurzame maatregelen en toepassingen, kosten voor de inrichting van ontvangstruimte en materiaalkosten ten behoeve van deze activiteiten door de aanvragers.

2.

Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor de ontwikkeling, aanschaf of aanleg van middelen ten behoeve van demonstratieprojecten in verband met investeringen ten behoeve van de omschakelmaatregelen.

3.

De subsidieontvanger berekent de subsidiabele kosten overeenkomstig artikel 5.1.3, eerste lid, onderdeel a en tweede lid en derde lid, overeenkomstig artikel 5.1.3a of overeenkomstig artikel 5.1.3b, tweede en vierde lid.

Artikel 5.7.32. Verdeling van het subsidieplafond
1.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

2.

Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 5.7.28, eerste lid, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag gereserveerd voor een volgende openstelling.

Artikel 5.7.33. Start- en realisatietermijn
1.

Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onderdeel b, bedraagt drie jaar na de subsidieverlening.

Artikel 5.7.34. Afwijzingsgronden
1.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. de aanvrager niet beschikt over voor het demonstratieproject gekwalificeerde en geregeld opgeleide personen;
  • b. na toepassing van artikel 5.7.35 op één van de onderdelen a tot en met e van het eerste lid van dat artikel minder dan drie punten zijn toegekend;
  • c. de aanvrager een producentengroepering of -organisatie is die een landbouwer verplicht lid te zijn van de groepering of organisatie om deel te kunnen nemen aan het project;
2.

De aanvrager, bedoeld in artikel 5.7.28, eerste lid, onderdeel a of b, kan voor maximaal een aanvraag subsidie toegewezen krijgen en de aanvrager, bedoeld in artikel 5.7.28, eerste lid, onderdeel c, kan voor maximaal twee aanvragen subsidie toegewezen krijgen.

Artikel 5.7.35. Rangschikkingscriteria
1.

De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

  • a. de uitgangssituatie van de landbouwer(s) bij indiening bijdraagt aan minimaal vijf van de onderwerpen in artikel 5.7.28, tweede lid;
  • b. de impact van het demonstratieproject groter is voor de doelgroep;
  • c. de motivatie en combinatie van de aanvrager en eventueel andere betrokkenen bij het demonstratieproject beter is;
  • d. de kwaliteit van het projectplan hoger is;
  • e. de kosteneffectiviteit van het demonstratieproject hoger is.
2.

Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten hoogste vijf punten.

3.

Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a en b, vermenigvuldigd met twee.

4.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Artikel 5.7.36. Informatieverplichtingen
1.

Onverminderd artikel 2.9, bevat een aanvraag voor subsidie, als bedoeld in artikel 5.7.28, ten minste:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens, het BTW nummer en het KvK nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. gegevens van de landbouwers die geen aanvrager zijn en deelnemen in de groep van samenwerkende landbouwers;
  • d. het projectplan, waarin onder meer zijn opgenomen de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de doelstellingen van het project, beoogde doelgroep, de start- en einddatum, uitgangssituatie van het bedrijf op de vijf of meer onderwerpen van duurzame landbouw, waaronder stikstof, de groepssamenstelling de totale kosten, de omvang van de gevraagde subsidie en een samenvatting van het project.
2.

De aanvrager werkt eraan mee dat informatie over de demonstratieprojecten, waaraan subsidie wordt verstrekt, wordt gedeeld op Groen Kennisnet.

3.

Op verzoek van de minister werkt de aanvrager mee aan centrale projectcommunicatie.

§ 5.7.1. Begripsbepalingen

Artikel 5.7.37. Aanvraag, verstrekking en besteding bedrijfsplanvoucher
1.

Een bedrijfsplanvoucher wordt door de minister op aanvraag verstrekt aan een landbouwer voor het verkrijgen van een bedrijfsplan.

2.

De landbouwer vermeldt bij de aanvraag een erkende bedrijfsadviseur uit het bedrijfsadviseringssysteem, naar keuze, geregistreerd in tenminste een van de volgende aandachtsgebieden in het Bedrijfsadviseringssysteem: E3 bedrijfsopvolging, (bedrijfsovername & bedrijfsplannen) of E4 verdienvermogen.

Artikel 5.7.38. Verdeling subsidieplafond

De minister bepaalt op volgorde van binnenkomst aan welke landbouwers, binnen het subsidieplafond voor bedrijfsplanvouchers, vouchers worden verstrekt, uitgaande van de waarde per voucher.

Artikel 5.7.39. Besteding bedrijfsplanvoucher

De landbouwer draagt de door de minister verstrekte voucher over aan de in de aanvraag opgenomen erkende bedrijfsadviseur.

§ 5.7.5. Verstrekking van opleidingsvoucher aan een bedrijfsadviseur

Artikel 5.7.40. Verzilvering bedrijfsplanvoucher

Subsidie wordt verstrekt aan een erkende bedrijfsadviseur die ten behoeve van een landbouwer een bedrijfsplan heeft opgesteld met daarin minimaal vijf onderwerpen, bedoeld in 5.7.44, onderdeel b, waarop het bedrijfsplan gericht zal zijn en in verband daarmee een geldige voucher overlegt.

Artikel 5.7.41. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten en niet meer dan € 6.000,– per voucher.

Artikel 5.7.42. Subsidiabele kosten

Voor subsidie voor het opstellen van een bedrijfsplan komen niet in aanmerking kosten die de erkende bedrijfsadviseur maakt voor de inhuur van personen die organisatorisch of financieel niet onafhankelijk zijn van de landbouwer waaraan het advies is verstrekt.

Artikel 5.7.43. Aanvraag verzilvering bedrijfsplanvoucher
1.

Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend na afloop van het opstellen van een bedrijfsplan door een erkende bedrijfsadviseur.

2.

De aanvraag moet binnen een jaar zijn ontvangen na de dagtekening van een aan de landbouwer verstrekte voucher, op een voor het einde van de termijn daartoe ingediend verzoek kan de minister besluiten deze termijn eenmalig te verlengen met ten hoogste zes maanden.

3.

Indien de aanvraag niet door de minister is ontvangen binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, vervalt de voucher van rechtswege.

4.

Onverminderd artikel 2.9 bevat de aanvraag een kopie of afschrift van het door de bedrijfsadviseur aan de landbouwer verstrekte bedrijfsplan en een verklaring, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, van de landbouwer over de door de bedrijfsadviseur geleverde prestatie. Bij het ontbreken van een verklaring van de landbouwer toont de bedrijfsadviseur naar genoegen van de minister aan dat het verstrekte bedrijfsplan heeft voorzien in de behoefte van de landbouwer.

Artikel 5.7.44. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor het opstellen van een bedrijfsplan indien:

  • a. het opstellen van een bedrijfsplan in groepsverband heeft plaatsgevonden aan meer dan één landbouwer;
  • b. het niet ingaat op minimaal vijf van de volgende onderwerpen, waarvan emissiereductie stikstof één van de onderwerpen moet zijn:
  • 1°. emissiereductie stikstof;
  • 2°. emissiereductie gebruik gewasbeschermingsmiddelen en toepassing geïntegreerde gewasbescherming;
  • 3°. emissiereductie broeikasgassen;
  • 4°. emissiereductie nitraat en andere meststoffen;
  • 5°. vergroten biodiversiteit;
  • 6°. versterken duurzaam bodembeheer;
  • 7°. verhogen aandeel circulair veevoergebruik;
  • 8°. verbeteren dierenwelzijn, diergezondheid;
  • c. het bedrijfsplan geen uitgewerkte beschrijving van de onderdelen 1 tot en met 5 bevat met betrekking tot:
  • 1°. de aard en omvang van het huidige bedrijf inclusief SWOT-analyse;
  • 2°. de beoogde en onderbouwde vermarkting van de meerwaarde van de omschakeling (producten / diensten, markten, doelgroepen, promotie, ketenpartners, verdienmodel);
  • 3°. welke maatregelen of investeringen er door het bedrijf per onderwerp worden voorgesteld;
  • 4°. de maatregelen en investeringen, en de uitwerking daarvan, in een reële en zo mogelijk sluitende begroting voor de exploitatie, investeringen, financiering en liquiditeit;
  • 5°. de (juridische) haalbaarheid van het initiatief en indien er belemmeringen zijn om het plan te realiseren, hoe hiervoor ondersteuning of oplossingsrichtingen kunnen worden geboden;
  • e. de erkende bedrijfsadviseur financieel niet onafhankelijk is van de aanvrager;
  • f. de erkende bedrijfsadviseur niet deskundig of onvoldoende betrouwbaar is;

§ 5.7.3. Verstrekking van advies- en cursusvoucher aan een landbouwer

Artikel 5.7.45. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 31 december 2027 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Hoofdstuk 6. Overige bepalingen en slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021

Procedure als bedoeld in artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021

Kopieën of volledig digitale documenten kunnen worden geaccepteerd als bewijsstuk. In deze bijlage worden de procedures vastgesteld voor documenten die in het kader van de uitvoering van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 en verantwoording op grond van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en op grond van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247) kunnen worden gebruikt.

1. Typen documenten

De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:

2. Procedure voor het gebruik van de documenten, bedoeld onder 1, onderdelen a, b en c

De in 1, onderdelen a, b en c, bedoelde bewijsstukken zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:

Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.

Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

3. Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in een elektronische versie bestaan, bedoeld onder 1, onderdeel d

Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen.

Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Titel 5.6. Samenwerken aan innovatie door operationele groepen in het kader van EIP

§ 5.7.2. Projectsubsidies

Artikel 5.8.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • akkerbouwbedrijf: agrarisch bedrijf met landbouwareaal dat voor niet meer dan 20% bestaat uit blijvend grasland of blijvende teelt, tenzij sprake is van een voedselbos, en waarbij de gemiddelde dierexcretie van het bedrijf niet meer dan 50 kilogram stikstof per hectare bedraagt;
  • blijvende teelt: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;
  • bouwland: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;
  • CO2-rekenmodel: een door de Minister ter beschikking gestelde applicatie voor de berekening van de CO2-emissie door veenweide;
  • grasland op landbouwareaal: blijvend grasland, tijdelijk grasland of natuurlijk grasland met landbouwactiviteiten;
  • grondeigenaar: natuurlijk persoon of rechtspersoon die grond in eigendom heeft;
  • landbouwareaal: grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of blijvende teelt en die ter beschikking staat van een deelnemer van het samenwerkingsverband op grond van eigendom, pacht of onderpacht dan wel in gebruik is met toestemming van de eigenaar of van de pachter die het perceel landbouwgrond met toestemming van de eigenaar heeft onderverpacht;
  • melk- en kalfkoeien: koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die worden gehouden voor de productie van melk voor menselijke consumptie of verwerking of voor de fokkerij van runderen voor de melkveehouderij, ook als ze drooggezet zijn om een kalf te krijgen, of worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;
  • melkveehouderijbedrijf: agrarisch bedrijf met minimaal 80% aan grasland op landbouwareaal voor de melkveehouderij waarbij minimaal 70% van de dierexcretie van melk- en kalfkoeien afkomstig is en waarbij de gemiddelde dierexcretie van het bedrijf minimaal 50 kilogram stikstof per hectare bedraagt;
  • Minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
  • niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van een bedrijf;
  • overgangsgebieden N2000: landbouwareaal in stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden als vermeld in bijlage 2 en in een zone van maximaal 2.500 m rond een stikstofgevoelig Natura 2000 gebied;
  • rustgewasplus: een gewas genoemd in de lijst in bijlage 4;
  • samenwerkingsverband: samenwerkingsverband dat bestaat uit ten minste twee actoren waarvan minimaal een landbouwer samen met ten minste een andere landbouwer, grondeigenaar, landbouworganisatie, collectief, natuur- en landschapsorganisatie of een andere natuurlijk- of rechtspersoon met uitzondering van overheden;
  • samenwerkingsverband-watersysteem: samenwerkingsverband dat bestaat uit ten minste twee actoren waarvan minimaal een waterschap samen met ten minste een landbouwer, grondeigenaar, landbouworganisatie, collectief, natuur- en landschapsorganisatie, overheidsorgaan of een andere natuurlijk persoon of rechtspersoon;
  • Skal inputlijst: een door Skal Biocontrole opgestelde publieke lijst van gewasbeschermingsmiddelen die niet-biologisch zijn, maar wel gebruikt mogen worden in de biologische productie;
  • stikstofbemesting: het totaal aan stikstof uit meststoffen dat op het landbouwareaal van het bedrijf is aangewend;
  • stikstofhoudende kunstmest: anorganische meststoffen waarbij de droge stof meer dan 0,5% aan stikstof bevat;
  • veenweidegebied: veengrond als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Meststoffenwet in de provincies Fryslân, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en in de provincie Groningen in de gemeenten Groningen, Midden-Groningen en Westerkwartier en in de provincie Overijssel in de gemeenten Kampen, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle;
  • voedselbos: een landbouwmethode met minimaal 3 verticale vegetatielagen, waarbij de gewassen eetbare producten opleveren.

§ 5.7.1. Begripsbepalingen

Artikel 5.8.2.1. Subsidieaanvraag
1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het oprichten van een nieuw samenwerkingsverband en het opstellen van een nieuw gebiedsplan in veenweidegebieden of in overgangsgebieden N2000 ten minste gericht op reductie van CO2-emissie in veenweidegebieden of reductie van ammoniakemissie in overgangsgebieden N2000 of veenweidegebieden. De subsidie wordt verstrekt aan de penvoerder van het samenwerkingsverband in oprichting.

2.

Voor zover aan het samenwerkingsverband anderen dan landbouwers deelnemen en de subsidie niet hoofdzakelijk ten goede komt aan de landbouwsector bevat de subsidie, bedoeld in het eerste lid, staatssteun en wordt zij gerechtvaardigd door artikel 59 van de landbouwvrijstellingsverordening.

Artikel 5.8.2.2. Hoogte subsidie
1.

De hoogte van de subsidie bedraagt ten minste € 25.000 en ten hoogste € 40.000.

2.

De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 5.8.2.3. Subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie komen in aanmerking:

  • a). kosten van studies van het betrokken gebied en kosten van haalbaarheidsstudies;
  • b). kosten voor het werven van deelnemers;
  • c). kosten voor het netwerken om het gebiedsplan goed te definiëren;
  • d). kosten voor het opstellen van een gebiedsplan of een samenwerkingsovereenkomst;
  • e). kosten voor projectmanagement of projectadministratie.
2.

Voor subsidie komen niet in aanmerking:

  • a. kosten voor vrijwilligers;
  • b. bijdragen in natura.
Artikel 5.8.2.4. Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 5.8.2.5. Start- en realisatietermijn
1.

Met de uitvoering van het project wordt uiterlijk binnen twee maanden na de subsidieverlening gestart.

2.

Het project is uiterlijk twee jaar na de subsidieverlening afgerond.

Artikel 5.8.2.6. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 2.11 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien:

  • a. er geen sprake is van een nieuwe samenwerkingsvorm of het verrichten van nieuwe activiteiten door een bestaande samenwerkingsvorm;
  • b. de ligging van het gebied waarop het beoogde samenwerkingsverband of gebiedsplan zich richt voor meer dan 50% is gelegen buiten een veenweidegebied of overgangsgebied N2000;
  • c. het beoogde gebied waar het plan betrekking op heeft een oppervlakte betreft van minder dan 200 hectare;
  • d. aan een aanvraag minder dan 21 punten zijn toegekend;
  • e. een deelnemer aan het samenwerkingsverband, niet zijnde een landbouwer, een onderneming is die geen kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de landbouwvrijstellingsverordening.
Artikel 5.8.2.7. Rangschikkingscriteria
1.

De Minister kent aan een aanvraag gericht op het voorbereiden van een plan en het vormen van een samenwerkingsverband een hoger aantal punten toe naarmate:

  • a. de mate van effectiviteit hoger is;
  • b. de haalbaarheid hoger is;
  • c. de mate van efficiëntie hoger is; en
  • d. de mate van urgentie hoger is.
2.

Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid, ten hoogste 5 en ten minste 1.

3.

De wegingsfactoren voor het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, bedragen respectievelijk 4, 1, 1 en 1.

4.

Indien aan twee of meer aanvragen een gelijk totaal aantal punten is toegekend, rangschikt de Minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor een rangschikkingscriterium met een hogere wegingsfactor.

5.

De score voor de mate van urgentie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt per stikstofgevoelig Natura 2000 gebied bepaald overeenkomstig bijlage 2.

Artikel 5.8.2.8. Informatieverplichtingen
1.

Onverminderd artikel 2.9 bevat de aanvraag tot subsidieverlening de volgende gegevens:

  • a. een intekening door de aanvrager op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart met daarin aangegeven de ligging van het gebied waarbinnen het samenwerkingsverband beoogd is of de ligging van het gebied waarop het beoogde gebiedsplan zich richt;
  • b. een beschrijving van de organisatiestructuur van het beoogde samenwerkingsverband waaronder de rollen en verantwoordelijkheden van de deelnemers;
  • c. een beschrijving van de opgaven waaraan gewerkt gaat worden door het beoogde samenwerkingsverband of in het beoogde gebiedsplan;
  • d. offertes horend bij de in artikel 5.8.2.3 bedoelde subsidiabele kosten.
2.

Onverminderd artikel 2.18 dient de subsidieontvanger uiterlijk een jaar na de beschikking tot subsidieverlening een tussenrapportage in bij de Minister.

3.

Onverminderd artikel 2.19, vierde en vijfde lid, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van:

  • a. een factuur en een betaalbewijs van alle kosten, genoemd in artikel 5.8.2.3;
  • b. documenten met daarin het resultaat van het project, zoals het uiteindelijke samenwerkingsverband en het uiteindelijke gebiedsplan, gericht op de opgave in het gebied met beschrijving van de partijen, of een rapportage van het proces.
Artikel 5.8.2.9. Voorschot subsidie

Er wordt ambtshalve een voorschot verstrekt.

§ 5.7.3. Verstrekking van advies- en cursusvoucher aan een landbouwer

Artikel 5.8.3.1. Subsidieaanvraag
1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van projecten gericht op het in veenweidegebieden reduceren van CO2-emissie uit percelen door het verhogen van de grondwaterstand in percelen grasland op landbouwareaal en op niet-landbouwareaal, bij voorkeur zoveel mogelijk in één of meerdere peilvakken, al dan niet in combinatie met extensiveringsmaatregelen van melkveehouderijbedrijven.

2.

Een project ondersteunt actie die bijdraagt aan de interventietypes, bedoeld in artikel 77 van verordening 2021/2115, en aan de specifieke doelstellingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen d, e en f, en tweede lid, van verordening 2021/2115.

3.

Voor zover aan het samenwerkingsverband anderen dan landbouwers deelnemen en de subsidie niet hoofdzakelijk ten goede komt aan de landbouwsector bevat de subsidie, bedoeld in het eerste lid, staatssteun en wordt zij gerechtvaardigd door artikel 59 van de landbouwvrijstellingsverordening.

Artikel 5.8.3.2. Hoogte subsidie
1.

De hoogte van de subsidie bedraagt ten minste € 125.000.

2.

De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 5.8.3.3, eerste lid, onderdelen a tot en met e, niet meer dan 25% van de totale subsidiabele kosten bedragen.

Artikel 5.8.3.3. Subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie komen in aanmerking kosten die verband houden met alle aspecten van de samenwerking ten behoeve van de uitvoering van het project, overeenkomstig de tabel van bijlage 3 en voor zover deze zien op:

  • a. kosten voor de uitwerking van het plan;
  • b. kosten voor bedrijfsplannen;
  • c. kosten voor het begeleiden en uitvoeren van bedrijfsplannen en van de uitwerking;
  • d. kosten voor communicatie;
  • e. kosten voor rapportage;
  • f. kosten voor de aanschaf, het plaatsen en onderhoud van waterinfiltratiesystemen;
  • g. kosten voor de aanschaf, het plaatsen en onderhoud van digitale grondwaterpeilbuizen;
  • h. kosten voor beheermaatregelen.
2.

De aanvrager berekent de subsidiabele kosten overeenkomstig artikel 5.1.3a.

3.

In afwijking van het vorige lid en artikel 5.1.2 worden de kosten voor de beheermaatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, bepaald op basis van de vaste vergoedingen opgenomen in bijlage 3, onderdeel 6.

4.

Kosten van extensiveringsmaatregelen van melkveehouderijbedrijven, genoemd in bijlage 3, onderdeel 6b, komen niet in aanmerking voor subsidie als:

  • a. de dierexcretie van het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar voor minder dan 70% afkomstig is van melk- en kalfkoeien of het landbouwareaal van het melkveehouderijbedrijf voor minder dan 80% bestaat uit grasland;
  • b. het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar ook deelneemt aan een samenwerkingsverband dat op grond van paragraaf 5.8.4 subsidie ontvangt;
  • c. meer dan 50% van het landbouwareaal van het melkveehouderijbedrijf buiten veenweidegebied of overgangsgebieden N2000 ligt in het betreffende kalenderjaar;
  • d. het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar niet met al het landbouwareaal meedoet aan het samenwerkingsverband bij het uitvoeren van de extensiveringsmaatregelen;
  • e. de gemiddelde dierexcretie van het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar minder dan 50 kilogram stikstof per hectare bedraagt;
  • f. de reductie op het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar ten opzichte van het referentiejaar, bedoeld in het vijfde lid, minder bedraagt dan:
  • i. 5% van de gemiddelde dierexcretie per hectare per jaar; of
  • ii. 10% van de gemiddelde stikstofbemesting per hectare per jaar.
5.

Het referentiejaar, genoemd in het vierde lid, onderdeel f, is 2025 of, voor het geval in het jaar 2025 sprake is geweest van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, 2024.

6.

Voor zover de bepaling van de subsidiabele kosten voor de beheermaatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, betrekking heeft op landbouwareaal, wordt uitgegaan van de feitelijke situatie op het bedrijf.

7.

Bij het bepalen van de feitelijke situatie, genoemd in het zesde lid, wordt uitgegaan van de situatie op 15 mei van het betreffende kalenderjaar.

8.

Voor subsidie komen niet in aanmerking:

  • a. kosten voor vrijwilligers;
  • b. bijdragen in natura.
Artikel 5.8.3.4. Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 5.8.3.5. Start- en realisatietermijn
1.

Met de uitvoering van het project wordt uiterlijk binnen twee maanden na de subsidieverlening gestart.

2.

Het project is uiterlijk op 31 december 2028 afgerond.

Artikel 5.8.3.6. Afwijzingsgronden veenweiden
1.

Onverminderd artikel 2.11 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien:

  • a. de beoogde percelen voor meer dan 50% van het areaal buiten een veenweidegebied liggen;
  • b. de gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar op de percelen veengrond na uitvoeren van het project, bedoeld in artikel 5.8.3.9, eerste lid, onderdeel d, is berekend op meer dan gemiddeld 10,0 ton CO2 emissie per hectare per jaar;
    1. minder dan 10% bedraagt in overige gevallen;
  • d. de gezamenlijke percelen van het samenwerkingsverband een kleinere oppervlakte betreffen dan 200 hectare;
  • e. een deelnemer aan het samenwerkingsverband, niet zijnde een landbouwer, een onderneming is die geen kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de landbouwvrijstellingsverordening;
  • f. er geen sprake is van een nieuwe samenwerkingsvorm of het verrichten van nieuwe activiteiten door een bestaande samenwerkingsvorm;
  • g. aan een aanvraag minder dan 21 punten zijn behaald.
2.

Voor zover de in dit artikel genoemde afwijzingsgronden betrekking hebben op landbouwareaal, wordt uitgegaan van de feitelijke situatie bij de deelnemer aan het samenwerkingsverband.

3.

Bij het bepalen van de feitelijke situatie, genoemd in het tweede lid, wordt uitgegaan van de situatie op 15 mei 2026.

Artikel 5.8.3.7. Rangschikkingscriteria
1.

De Minister kent aan het uitvoeren van een project gericht op de reductie van CO2-emissie uit percelen in veenweidegebieden een hoger aantal punten toe naarmate:

  • a. de mate van effectiviteit hoger is;
  • b. de haalbaarheid hoger is;
  • c. de mate van efficiëntie hoger is;
  • d. de mate van urgentie hoger is.
2.

Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 5 en minimaal 1.

3.

De wegingsfactoren voor het eerste lid, onderdelen a, b, c en d bedragen respectievelijk 4, 1, 1 en 1.

4.

Indien aan twee of meer aanvragen een gelijk totaal aantal punten is toegekend, rangschikt de Minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor een rangschikkingscriterium met een hogere wegingsfactor.

Artikel 5.8.3.8. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

De subsidieontvanger maakt de resultaten van het project openbaar via het EIP-netwerk, bedoeld in artikel 154 van verordening 2021/2115, en andere geëigende netwerken.

2.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de uitvoering van de maatregelen plaatsvindt op landbouwareaal of op grasland in een veenweidegebied.

3.

De subsidieontvanger verleent medewerking aan monitoring en evaluatie van de effecten van de uitgevoerde activiteiten voor zover deze medewerking redelijkerwijs van de subsidieontvanger verlangd kan worden.

4.

Vanaf twee maanden na aanleg van de grondwaterpeilbuizen meet de subsidieontvanger dagelijks digitaal de hoogte van de grondwaterstand in de grondwaterpeilbuizen.

5.

De subsidieontvanger verstrekt met ingang van twee maanden na de aanleg van de grondwaterpeilbuizen digitaal de digitale data die verkregen zijn uit deze metingen met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld middel.

6.

De verplichtingen, bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid, gelden gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 5.8.3.9. Informatieverplichtingen
1.

Onverminderd artikel 2.9 bevat de aanvraag voor subsidieverlening ten minste de volgende gegevens:

  • a. een intekening door de aanvrager op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart met daarin aangegeven de percelen waar het samenwerkingsverband de activiteiten wil uitvoeren;
  • b. een beschrijving van de beoogde activiteiten die door het samenwerkingsverband uitgevoerd worden en een begroting van de kosten van die activiteiten volgens de omschrijving in bijlage 3;
  • c. een berekening van de huidige gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar (referentie) op de percelen veengrond, waarmee wordt deelgenomen aan het samenwerkingsverband, en met gebruikmaking van de digitale kaart, bedoeld in onderdeel a;
  • d. een berekening van de gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar na uitvoering van het project op de percelen veengrond, waarmee wordt deelgenomen aan het samenwerkingsverband, met gebruikmaking van de digitale kaart, bedoeld in onderdeel a;
  • e. een toelichting op de haalbaarheid van het project met daarin verwerkt de uitkomsten van de afstemming ter zake met het desbetreffende waterschap;
  • f. een beschrijving van de mogelijke omgevingseffecten;
  • g. een verduidelijking van de keuze van het samenwerkingsverband welke percelen van welke bedrijven of welke gehele melkveehouderijbedrijven meedoen;
  • h. in geval van een projectplan van een samenwerkingsverband waaraan een melkveehouderijbedrijf deelneemt met extensiveringsmaatregelen genoemd in bijlage 3, onderdeel 6b, een berekening van de gemiddelde dierexcretie per hectare in het jaar 2025 en, in het geval 2025 niet het referentiejaar is, zoals bedoeld in artikel 5.8.3.3., vijfde lid, het jaar 2024 van elk van de deelnemende melkveehouderijbedrijven, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare per bedrijf per jaar;
  • i. in geval van een projectplan van een samenwerkingsverband waaraan een melkveehouderijbedrijf deelneemt met extensiveringsmaatregelen genoemd in bijlage 3, onderdeel 6b, een berekening van de gemiddelde dierexcretie per hectare per jaar en de gemiddelde stikstofbemesting per hectare per jaar van elk van de melkveehouderijbedrijven na uitvoering van het project.
2.

De berekening, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, wordt opgesteld conform een door de Minister beschikbaar gesteld CO2-rekenmodel.

3.

Onverminderd artikel 2.9, vijfde lid, bevat het projectplan tevens een inhoudelijke beschrijving van de uit te voeren activiteiten in het samenwerkingsverband en op het niveau van een deelnemend bedrijf of een grondeigenaar, overeenkomstig de omschrijving opgenomen in punt 1 van bijlage 3.

4.

Onverminderd artikel 2.18 dient de subsidieontvanger uiterlijk 1 april 2028 een tussenrapportage in bij de Minister. Deze tussenrapportage bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten en de behaalde deelresultaten na het eerste beheerjaar in 2027.

5.

Onverminderd artikel 2.19, vierde en vijfde lid, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)