Besluit van 14 oktober 2021, houdende nadere regels over de inrichting, examinering en bekostiging van en deelname aan het voortgezet onderwijs (Uitvoeringsbesluit WVO 2020)
- 1°. scores heeft op de criteria, bedoeld in artikel 2.46, in het grensvlak van het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs;
- 2°. naar het oordeel van het bevoegd gezag een toegenomen problematiek heeft nadat de beslissing is genomen dat de leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen; of
- 3°. naar het oordeel van het bevoegd gezag een stapeling van andersoortige problematiek heeft dan wordt beoordeeld in het onderzoek of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs; of
- b. beschikt over een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs van een samenwerkingsverband of een ontwikkelingsperspectief, en:
- 1°. voldoet aan het intelligentiequotiëntcriterium of leerachterstandscriterium voor toelating tot het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 2.46, vierde lid, zoals blijkt uit gegevens die gebaseerd zijn op screenings- of testinstrumenten als bedoeld in artikel 2.46, tweede lid; of
- 2°. naar het oordeel van het bevoegd gezag, ongeacht de intelligentiequotiënt of de leerachterstand, een zodanige problematiek heeft dat toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs geboden is.
Het samenwerkingsverband baseert de beslissing over de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs uitsluitend op de volgende, bij de aanvraag gevoegde, gegevens:
- a. een kopie van de beslissing dat de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, een kopie van de toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een kopie van het ontwikkelingsperspectief;
- b. de schriftelijke zienswijze en instemming van de ouders;
- c. een motivering van het bevoegd gezag waaruit blijkt dat de leerling voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid; en
- d. een leerling-dossier dat in elk geval omvat:
- 1°. het ontwikkelingsperspectief of het onderwijskundig rapport over de leerling, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO en artikel 43 WEC;
- 2°. een beschrijving van de activiteiten van het verwijzende bevoegd gezag in het kader van de begeleiding van de leerling, en van de resultaten van die activiteiten;
- 3°. een document waaruit blijkt welke externe deskundigen voor advies of hulp zijn ingeschakeld bij de begeleiding van de leerling;
- 4°. een beschrijving van de risico’s die zich naar verwachting zullen voordoen indien de leerling vbo, mavo, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs blijft volgen; en
- 5°. mogelijk relevante test- en toetsgegevens.
Artikel 2.48. Mogelijkheid afwijken van landelijke criteria, procedure en duur beoordeling en bekostiging (leerwegondersteunend onderwijs)
Indien een samenwerkingsverband regels stelt als bedoeld in artikel 2.48, eerste lid, onderdeel b, van de wet, over de duur van de beoordeling voor het aangewezen zijn op leerwegondersteunend onderwijs, heeft de beslissing van het samenwerkingsverband over het aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs betrekking op een periode van een of meer schooljaren. Indien de beslissing wordt genomen in de loop van een schooljaar, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende schooljaar toegevoegd aan deze periode.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de uitoefening van de in artikel 2.48, eerste en tweede lid, van de wet bedoelde bevoegdheden van een samenwerkingsverband.
Artikel 2.49. Inhoud ontwikkelingsperspectief praktijkonderwijs of extra ondersteuning
Het ontwikkelingsperspectief, bedoeld in artikel 2.44 van de wet, van een leerling die praktijkonderwijs volgt of extra ondersteuning nodig heeft, bevat ten minste informatie over het vervolgonderwijs dat wordt verwacht en de onderbouwing daarvan. Voor een leerling die praktijkonderwijs volgt heeft de informatie ook betrekking op de soort arbeid waarvan uitstroom van de leerling wordt verwacht, en de onderbouwing daarvan.
De onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.
Artikel 2.50. Orthopedagogisch-didactische centra
Een leerling die is of wordt ingeschreven bij een school, kan gedurende ten hoogste twee jaar het onderwijsprogramma of een gedeelte daarvan volgen bij een orthopedagogisch-didactisch centrum als bedoeld in artikel 2.47, twaalfde lid van de wet.
Het onderwijs van leerlingen die langer dan drie maanden een programma volgen bij het orthopedagogisch-didactisch centrum, wordt gegeven door leraren die daartoe bevoegd zijn.
Indien een samenwerkingsverband een orthopedagogisch-didactisch centrum heeft ingericht, wordt dat vermeld in het ondersteuningsplan, bedoeld in artikel 2.47, negende lid, van de wet.
Artikel 2.51. Deskundigen samenwerkingsverband
De deskundigen, bedoeld in artikel 2.47, veertiende lid, van de wet zijn een orthopedagoog of een psycholoog en, afhankelijk van de leerling over wiens toelaatbaarheid wordt geadviseerd, ten minste een tweede deskundige, te weten een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker of een arts.
Indien het samenwerkingsverband beslist dat een leerling aangewezen is op het leerwegondersteunend onderwijs of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs, kan de tweede deskundige ook een deskundige op het terrein van vbo, mavo, vmbo en praktijkonderwijs zijn.
Paragraaf 10. Indicatoren beoordeling leerresultaten voortgezet onderwijs
Artikel 2.52. Wijze van beoordeling leerresultaten voortgezet onderwijs
De inspectie hanteert de volgende indicatoren voor de beoordeling van de leerresultaten van het voortgezet onderwijs:
- a. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de eerste twee leerjaar;
- b. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de overige leerjaren;
- c. het niveau dat de leerling in het derde leerjaar daadwerkelijk heeft bereikt ten opzichte van het niveau dat de leerling gelet op het schooladvies, bedoeld in artikel 45d, eerste lid, WPO, naar verwachting in het derde leerjaar zou bereiken; en
- d. het gemiddelde cijfer van het centraal examen.
De indicatoren worden onderscheiden naar de schoolsoorten en leerwegen, genoemd in artikel 2.94, eerste lid, van de wet.
Bij de bepaling van de leerresultaten, bedoeld in het eerste lid, kan rekening worden gehouden met groepskenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, met dien verstande dat in elk geval rekening wordt gehouden met de sociaaleconomische situatie van de leerlingen.
De scores waarop het oordeel over de indicatoren wordt gebaseerd, kunnen wegens bijzondere omstandigheden worden gecorrigeerd.
Artikel 2.53. Ministeriële regeling berekening indicatoren, benodigde gegevens en oordeel over leerresultaten onderwijs
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de berekening van de indicatoren voor de beoordeling van de leerresultaten, waaronder begrepen de toe te passen correcties, bedoeld in artikel 2.52, derde en vierde lid.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
- a. de aard en de aantallen gegevens over de leerresultaten die ten minste nodig zijn voor de toepassing van de indicatoren;
- b. de normering waarop de inspectie het oordeel voldoende of onvoldoende onderwijsresultaat baseert, na toepassing van de indicatoren;
- c. de wijze waarop per schoolsoort of leerweg de beoordelingen, gebaseerd op de afzonderlijke indicatoren, leiden tot een oordeel over de leerresultaten van die schoolsoort respectievelijk leerweg.
Artikel 2.54. Procedure vaststelling en wijziging indicatoren
Indien recente ontwikkelingen, een eigen analyse of signalen uit het veld daartoe aanleiding geven, kan de inspecteur-generaal van het onderwijs Onze Minister een voorstel doen voor het vaststellen van een nieuwe indicator voor de beoordeling van de leerresultaten of het aanpassen van een indicator.
Over een voornemen tot een voorstel als bedoeld in het eerste lid overlegt de inspecteur-generaal met de daarvoor in aanmerking komende organisaties uit het onderwijsveld.
De inspecteur-generaal legt het voorstel voor aan Onze Minister met vermelding van de wijze waarop het voorstel rekening houdt met de reacties van de geraadpleegde organisaties uit het onderwijsveld.
Onze Minister beslist op basis van het voorstel of een voorstel van wet of ontwerp algemene maatregel van bestuur wordt voorbereid.
De wijze van meting en de aanpassing van de wijze van meting in het kader van toepassing van de indicatoren, alsmede de normering en de aanpassing van de normering, stelt Onze Minister vast op voorstel van de inspecteur-generaal van het onderwijs.
Paragraaf 10. Indicatoren beoordeling leerresultaten voortgezet onderwijs
Artikel 2.55. Monitor veiligheid op school
Het instrument ter monitoring van de veiligheid van leerlingen, bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, onderdeel b, van de wet:
- a. geeft inzicht in de ervaren en feitelijke veiligheid en het welbevinden van de leerlingen, voor zover dat verband houdt met de veiligheid, op school;
- b. wordt ten minste eens per schooljaar afgenomen onder een representatief deel van de leerlingen; en
- c. is gestandaardiseerd, valide en betrouwbaar.
Paragraaf 12. Onderwijskundige verbanden en samenwerking
Paragraaf 12.1. Samenwerking tussen scholen onderling en met instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor doelmatig en doeltreffend onderwijs
Artikel 2.56. Inhoud samenwerkingsovereenkomst voor doelmatig en doeltreffend onderwijs
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.100 van de wet omvat in elk geval:
- a. het doel van de samenwerking;
- b. de doelgroep;
- c. de wijze waarop wordt nagegaan of het doel wordt bereikt;
- d. het onderwijsprogramma dat volgens de samenwerking wordt vormgegeven;
- e. bij overdracht van een deel van de bekostiging met toepassing van artikel 5.39, zevende lid, van de wet, de omvang en de bestemming van de over te dragen middelen;
- f. de wijze waarop de school geregeld contact onderhoudt met de leerlingen die aan die school zijn ingeschreven; en
- g. een regeling voor de beslechting van geschillen tussen partijen over de uitvoering van de overeenkomst.
Artikel 2.57. Voorwaarden om onderwijs te ontvangen op een andere school of aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs
De volgende leerlingen kunnen op grond van artikel 2.99, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet in de gelegenheid worden gesteld in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, ook onderwijs te ontvangen aan een school van een ander bevoegd gezag of aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs:
- a. voor het doel, bedoeld in artikel 2.99, tweede lid, onderdeel a, van de wet: leerlingen in het derde of het vierde leerjaar vbo of mavo die naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder gerichte ondersteuning een vergrote kans lopen om het onderwijs te verlaten zonder ten minste een diploma van een basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES;
- b. voor het doel, bedoeld in artikel 2.99, tweede lid, onderdeel b, van de wet: leerlingen die naar het oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben om vervolgonderwijs met goed gevolg te volgen door extra verrijking, verdieping en oriëntatie naast hun reguliere opleiding, of door onderdelen van beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2 WEB of artikel 7.2.2 WEB BES of opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1 WEB of artikel 7.3.1 WEB BES te volgen, naast hun reguliere opleiding in het voortgezet onderwijs; en
- c. voor het doel, bedoeld in artikel 2.99, tweede lid, onderdeel c, van de wet: iedere leerling.
Een leerling als bedoeld in het eerste lid volgt voor ten hoogste de helft van het aantal klokuren van het onderwijsprogramma lessen of stages aan de andere school of aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 2.58. Voorwaarden voor scholen voor samenwerking voor doelmatig en doeltreffend onderwijs
Bij een samenwerking op grond van artikel 2.99, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet met een andere school wordt ten minste een deel van het onderwijs in de bovenbouw op de eigen school gegeven, met dien verstande dat:
- a. als het gaat om een school voor vwo of een school voor havo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen, bedoeld in artikel 2.20, derde lid, van de wet;
- b. als het gaat om een school voor mavo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, van de wet;
- c. als het gaat om een school voor vbo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, van de wet;
- d. als het gaat om onderwijs in de gemengde leerweg aan een school voor mavo of aan een school voor vbo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen, bedoeld in artikel 2.27, tweede lid van de wet.
Artikel 2.59. Voorwaarden om als VO-ingeschrevene deel te kunnen nemen aan een opleiding vavo
Leerlingen van zestien en zeventien jaar die naar het oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben een diploma of volgend diploma als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, van de wet te behalen indien zij vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, kunnen op grond artikel 2.99, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet deelnemen aan een opleiding vavo en die opleiding met een examen afsluiten.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen van achttien jaar of ouder die ononderbroken in het voortgezet onderwijs of daarmee op grond van de LPW of de LPW BES gelijkgesteld onderwijs ingeschreven zijn geweest, voor ten hoogste de periode van de resterende cursusduur van de opleiding waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, vermeerderd met een jaar.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen van zestien en zeventien jaar, die naar het oordeel van het bevoegd gezag grotere kans krijgen om vervolgonderwijs met gunstig resultaat te volgen door, aansluitend op hun met goed gevolg afgelegd eindexamen vwo, havo of vmbo in de theoretische of gemengde leerweg, aan het vavo onderwijs te volgen en examen te doen in een of meerdere vakken op het niveau van de schoolsoort of leerweg waarin zij reeds met goed gevolg eindexamen hebben afgelegd, voor ten hoogste de duur van een schooljaar.
Artikel 2.60. Leerling geldt voor toepassing medezeggenschap ook als WEB-student
Leerlingen als bedoeld in de artikelen 2.56 en 2.58 gelden voor de toepassing van hoofdstuk 8a WEB voor het onderwijs dat zij volgen aan een instelling ook als student als bedoeld in de WEB.
Artikel 2.61. Onderwijs door docenten instelling
In afwijking van artikel 7.9, eerste lid, van de wet kan in geval van samenwerking het onderwijs bij een instelling voor educatie en beroepsonderwijs ook worden gegeven door docenten van de instelling voor educatie en beroepsonderwijs waarmee het bevoegd gezag van de school een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 2.100 van de wet.
Paragraaf 12.2. Entreeopleiding in plaats van basisberoepsgerichte leerweg vmbo
Artikel 2.62. Voorwaarden entreeopleiding aan leerlingen jonger dan zestien jaar
Het bevoegd gezag van een school voor vbo kan leerlingen jonger dan zestien jaar op grond van artikel 2.102, eerste lid, van de wet de gelegenheid geven om een entreeopleiding te volgen, indien:
- a. de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB of de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB BES, alleen het verrichten van lichte arbeid van geschikte aard omvat;
- b. in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg geheel of gedeeltelijk zowel binnenschools als buitenschools onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep wordt verzorgd;
- c. een gekwalificeerde mentor of docentbegeleider de voortgang van het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van het beroep bewaakt; en
- d. het binnenschools en buitenschools onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep geïntegreerd worden verzorgd.
Artikel 2.63. Inhoud samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het vmbo
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.102, vijfde lid, van de wet voor het verzorgen van een entreeopleiding omvat in elk geval afspraken over:
- a. de entreeopleiding die geheel of gedeeltelijk in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg zal worden verzorgd;
- b. de inschrijving van leerlingen als extraneus bij de instelling voor educatie en beroepsonderwijs;
- c. de examinering en diplomering door de instelling voor educatie en beroepsonderwijs;
- d. de invulling van de betrokkenheid van het bevoegd gezag bij de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB of de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB BES, met dien verstande dat het bevoegd gezag de overeenkomst, bedoeld in artikel 7.2.9 WEB of artikel 7.2.9 WEB BES, ook ondertekent;
- e. de toepassing van artikel 2.102, tweede lid, van de wet;
- f. de rechtsbescherming van de leerling; en
- g. de doorstroom van de leerlingen na het met goed gevolg afsluiten van de entreeopleiding.
Indien het bevoegd gezag ook het bevoegd gezag is van een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, genoemd in het eerste lid.
Paragraaf 12.3. Leer-werktrajecten als anders ingerichte basisberoepsgerichte leerweg
Artikel 2.64. Kwaliteitseisen leerbedrijven leer-werktraject vmbo
Tot het verzorgen van het buitenschoolse praktijkgedeelte van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet zijn bevoegd bedrijven en organisaties die voldoen aan de volgende voorschriften:
- a. op de leer-werkplek of combinatie van leerwerkplekken kunnen de door het bevoegd gezag vastgestelde praktijkopdrachten daadwerkelijk worden uitgevoerd;
- b. elke praktijkopdracht kan in een bedrijf of organisatie worden uitgevoerd;
- c. in het bedrijf of de organisatie is een gekwalificeerde praktijkbegeleider of leermeester aanwezig, die in staat is om kennis, inzicht en vaardigheden van de leerling en de vorderingen daarin te beoordelen, en de leerling zowel werkinhoudelijk als pedagogisch-didactisch te begeleiden;
- d. het bedrijf of de organisatie is bereid met de mentor of docentbegeleider, bedoeld in het tweede lid, contact te onderhouden;
- e. de leerling kan zonder grote overgangsdrempels binnen hetzelfde bedrijf of dezelfde organisatie, dezelfde moederorganisatie of dezelfde branche, de leerdoelen van het vmbo en de eindtermen van de entreeopleiding of basisberoepsopleiding, bedoeld in de WEB behalen;
- f. het bedrijf of de organisatie waarborgt dat een gekwalificeerde praktijkbegeleider of leermeester is gekoppeld aan een leerling, en dat deze leermeester er zorg voor draagt dat de leerling voldoende hulp en tijd krijgt om de praktijkopdrachten uit te voeren;
- g. het productie- of dienstverleningsproces is technisch en organisatorisch voldoende gevarieerd en kan leerlingen goed praktijkmateriaal bieden en hen gedegen opleiden;
- h. de leer-werkplek past binnen de dagelijkse bedrijfsvoering;
- i. het bedrijf of de organisatie is bereid de leerling de vereiste praktijkopdrachten uit te laten voeren en het werk en het stageverslag te bespreken en te beoordelen;
- j. het bedrijf of de organisatie is geschikt voor de betrokken leeftijdsgroep waar het gaat om onder meer ruimte om te leren of fouten te maken, erkenning van jong zijn;
- k. het bedrijf of de organisatie respecteert, voor zover van toepassing, het multiculturele karakter van de leerlingenpopulatie.
Het bevoegd gezag draagt zorg voor beschikbaarheid van een gekwalificeerde mentor of docentbegeleider die de voortgang op de leer-werkplek en ook de integratie tussen het binnenschools en buitenschools programma bewaakt.
Artikel 2.65. Leer-werkovereenkomst vmbo
Een leer-werkovereenkomst als bedoeld in artikel 2.103, zesde lid, van de wet regelt de rechten en plichten van partijen en omvat ten minste afspraken over:
- a. inhoud, leerdoelen, duur, periode van en beoordelingsmaatstaven voor het buitenschoolse praktijkgedeelte;
- b. de begeleiding van de leerling; en
- c. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden beëindigd.
Paragraaf 12.4. Samenwerking voor examenbevoegdheid aangewezen onbekostigde scholen en onbekostigd vavo
Artikel 2.66. Voorwaarden deelname leerling aangewezen onbekostigde school aan een onbekostigde vavo-instelling
Leerlingen van zestien en zeventien jaar die naar het oordeel van het bevoegd gezag van een aangewezen school als bedoeld in de artikel 2.66 van de wet een grotere kans hebben een diploma of volgend diploma als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, van de wet te behalen indien zij vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, kunnen op grond artikel 2.109, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet deelnemen aan een opleiding vavo bij een instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.109, eerste lid, van de wet en die opleiding met een examen afsluiten.
Artikel 2.67. Samenwerkingsovereenkomst aangewezen onbekostigde school met onbekostigde vavo-instelling
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.109 van de wet omvat in elk geval:
- a. het doel van de samenwerking;
- b. de doelgroep;
- c. de wijze waarop wordt nagegaan of het doel wordt bereikt;
- d. het onderwijsprogramma dat volgens de samenwerking wordt vormgegeven; en
- e. een regeling voor de beslechting van geschillen tussen partijen over de uitvoering van de overeenkomst.
Paragraaf 13. Beleidsinhoudelijke informatie
Artikel 2.68. Beschrijving van gegevens voor het beleid van Onze Minister
De gegevens, bedoeld in artikel 2.111 van de wet, waarover een bevoegd gezag of een samenwerkingsverband beschikt voor het beleid van Onze Minister, worden gedefinieerd en geordend volgens de regels vermeld in bijlage 2.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze waarop de gegevens beschikbaar worden gesteld.
Artikel 2.69. Verzoek om beschikbaarstelling gegevens
Onze Minister kan bij een verzoek om beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in artikel 2.111 van de wet, bij hem bekende gegevens opnemen.
Artikel 2.70. Gebruik burgerservicenummer door bevoegd gezag
Bij de gegevensverstrekking op grond van artikel 2.111 van de wet maakt het bevoegd gezag gebruik van het burgerservicenummer van een lid van het personeel of gewezen personeel van de school.
Hoofdstuk 3. Eindexamen
Paragraaf 1. Inhoud van het eindexamen
Artikel 3.1. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vwo (atheneum)
Het eindexamen vwo (atheneum) omvat in elk geval:
- a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van een profiel, genoemd in artikel 2.5, eerste lid;
- b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.6; en
- c. ten minste een vak met een normatieve studielast van ten minste 440 uren van het vrije deel van een profiel, genoemd in artikel 2.7, met dien verstande dat een door het bevoegd gezag vast te stellen vak alleen onderdeel is van het eindexamen voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.
Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vwo (atheneum) ter keuze van de examenkandidaat extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.
Het profielwerkstuk van het eindexamen vwo (atheneum) heeft betrekking op een of meer vakken van het eindexamen. Ten minste een van deze aan het profielwerkstuk gekoppelde vakken heeft een omvang van 400 uur of meer.
Artikel 3.2. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vwo (gymnasium)
Het eindexamen vwo (gymnasium) omvat in elk geval:
- a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van een profiel, genoemd in artikel 2.5, tweede lid;
- b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.6; en
- c. ten minste een vak met een normatieve studielast van ten minste 440 uur van het vrije deel van een profiel, genoemd in artikel 2.7, met dien verstande dat een door het bevoegd gezag vast te stellen vak alleen onderdeel is van het eindexamen voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.
Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vwo (gymnasium) ter keuze van de examenkandidaat extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.
Het profielwerkstuk van het eindexamen vwo (gymnasium) heeft betrekking op een of meer vakken van het eindexamen. Ten minste een van deze aan het profielwerkstuk gekoppelde vakken heeft een omvang van 400 uur of meer.
Artikel 3.3. Vakken en profielwerkstuk eindexamen havo
Het eindexamen havo omvat in elk geval:
- a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.10;
- b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.11; en
- c. ten minste een vak met een normatieve studielast van ten minste 320 uur van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.12, met dien verstande dat een door het bevoegd gezag vast te stellen vak alleen onderdeel is van het eindexamen voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.
In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen havo ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.13 op het niveau van vwo omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.
Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen havo ter keuze van de examenkandidaat extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.
Het profielwerkstuk van het eindexamen havo heeft betrekking op een of meer vakken van het eindexamen. Ten minste een van deze aan het profielwerkstuk gekoppelde vakken heeft een omvang van 320 uur of meer.
Artikel 3.4. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vmbo theoretische leerweg
Het eindexamen vmbo theoretische leerweg omvat in elk geval:
- a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.15;
- b. de twee vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.16; en
- c. in het vrije deel twee nog niet in het profieldeel gekozen vakken, genoemd in artikel 2.17, eerste lid, onderdelen a en b, met dien verstande dat het profieldeel en het vrije deel samen ten minste twee vakken omvatten die geen moderne vreemde taal zijn en dat het vrije deel ten hoogste één praktijkgericht vak, genoemd in artikel 2.17a, omvat.
Indien de examenkandidaat in het vrije deel twee kunstvakken kiest, wordt een kunstvak gekozen uit de vakken behorende tot de beeldende vorming en een kunstvak uit de vakken muziek, dans en drama.
In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het eindexamen vmbo theoretische leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.18 op het niveau van vwo of havo omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het vierde lid gekozen wordt.
Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo theoretische leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:
- a. een vak als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onderdelen a en b, dat behoort tot het vrije deel van de theoretische leerweg, met dien verstande dat het extra vak geen praktijkgericht vak, genoemd inartikel 2.17a, kan betreffen, indien de examenkandidaat in het vrije deel reeds een praktijkgericht vak heeft gevolgd;
- b. een vak dat behoort tot het eindexamen vmbo gemengde leerweg, met dien verstande dat het extra vak geen praktijkgericht vak, genoemd in artikel 2.17a en artikel 2.25a, kan betreffen, indien de examenkandidaat in het vrije deel reeds een praktijkgericht vak heeft gevolgd; of
- c. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.
Het profielwerkstuk van het eindexamen vmbo theoretische leerweg heeft betrekking op een thema uit een profiel waarin de leerling onderwijs volgt.
Artikel 3.5. Vakken eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg
Het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg omvat in elk geval:
- a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.20,
- b. de twee algemene vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.21, tweede lid; en
- c. een beroepsgericht programma, bestaande uit:
- 1°. het profielvak, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid; en
- 2°. in het vrije deel van het profiel vier beroepsgerichte keuzevakken.
In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, omvatten op het niveau van vwo, havo, vmbo theoretische leerweg of vmbo kaderberoepsgerichte leerweg, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.
Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat, het vak nog geen onderdeel van dat eindexamen is en niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:
- a. een algemeen vak van het profieldeel, bedoeld in artikel 2.21, tweede lid, of een beroepsgericht keuzevak;
- b. het vak Friese taal en cultuur;
- c. een vak als bedoeld in artikel 2.4, vierde lid, dat op grond van dat artikel onderdeel kan zijn van de basisberoepsgerichte leerweg;
- d. een algemeen vak dat behoort tot het eindexamen vmbo theoretische leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg of gemengde leerweg; of
- e. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.
Bij een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet, omvat het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg in elk geval:
- a. het vak Nederlandse taal;
- b. het beroepsgerichte programma, bedoeld in artikel 2.103, vierde lid, van de wet, dat onderdeel is van het leer-werktraject.
Bij een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet kan het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat ook omvatten een of meer andere vakken van de basisberoepsgerichte leerweg waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 2.103, vierde lid, van de wet heeft beslist dat zij behoren tot het leer-werktraject van die leerling.
Artikel 3.6. Vakken eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg
Het eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg omvat in elk geval:
- a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.20;
- b. de twee algemene vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.21, tweede lid; en
- c. een beroepsgericht programma, bestaande uit:
- 1°. het profielvak, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van het profieldeel; en
- 2°. in het vrije deel van het profiel vier beroepsgerichte keuzevakken.
In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.23 op het niveau van vwo, havo of vmbo theoretische leerweg omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.
Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat, het vak nog geen onderdeel van dat eindexamen is en niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:
- a. een algemeen vak van het profieldeel, genoemd in artikel 2.21, tweede lid, of een beroepsgericht keuzevak;
- b. het vak Friese taal en cultuur;
- c. een vak als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, dat op grond van dat artikel onderdeel kan zijn van de kaderberoepsgerichte leerweg,
- d. een algemeen vak dat behoort tot het eindexamen vmbo theoretische leerweg of vmbo gemengde leerweg; of
- e. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.
Artikel 3.7. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vmbo gemengde leerweg
Het eindexamen vmbo gemengde leerweg omvat in elk geval:
- a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elke profiel, genoemd in artikel 2.24;
- b. de twee algemene vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.25, tweede lid;
- c. in het vrije deel van het profiel een nog niet in het profieldeel gekozen algemeen vak, genoemd in artikel 2.25, tweede lid, of artikel 2.26, onderdeel c;
- d. een beroepsgericht programma, bestaande uit:
- 1°. het profielvak van het profieldeel, bedoeld in artikel 2.25, eerste lid; en
- 2°. in het vrije deel twee beroepsgerichte keuzevakken.
1a. In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, kan het eindexamen vmbo gemengde leerweg een praktijkgericht programma omvatten, in plaats van het beroepsgerichte programma, bestaande uit:
- 1°. een praktijkgericht vak, genoemd in artikel 2.25a; en
- 2°. in het vrije deel twee beroepsgerichte keuzevakken.
In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo gemengde leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.27 op het niveau van vwo of havo omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.
Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo gemengde leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:
- a. een vak als bedoeld in artikel 2.26, onderdelen a, b of c;
- b. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo;
- c. een praktijkgericht vak als bedoeld in artikel 2.25a.
Het profielwerkstuk van het eindexamen vmbo gemengde leerweg heeft betrekking op een thema uit een profiel waarin de leerling onderwijs volgt.
Artikel 3.8. Vrijstellingen vakken eindexamen vwo, havo en vmbo
De examenkandidaat is bij het eindexamen vrijgesteld van het vak waarvoor:
- a. een vrijstelling geldt van het volgen van onderwijs op grond van de artikelen 2.8, 2.14 of 2.32; of
- b. een ontheffing is verleend voor het volgen van onderwijs op grond van artikel 2.33, vierde lid, van de wet of de artikelen 2.9 of 2.33.
In geval van een ontheffing in vwo (atheneum) voor het volgen van onderwijs in een tweede moderne vreemde taal op grond van artikel 2.9, eerste lid, wordt het eindexamen in de taal vervangen door het eindexamen in het vak, bedoeld in het tweede lid van dat artikel.
In geval van een ontheffing in vmbo op grond van artikel 2.33, eerste lid, voor het volgen van onderwijs in Franse of Duitse taal, wordt het eindexamen in de taal vervangen door het eindexamen in het vak, bedoeld in het tweede lid van dat artikel.
Artikel 3.9. Minimumeis overeenstemming eindexamenvakken met schoolsoort of leerweg van inschrijving
Indien het eindexamen een of meer vakken omvat van een andere schoolsoort of leerweg dan die waarvoor de examenkandidaat als leerling is ingeschreven, behoort ten minste een vak van de schoolsoort of leerweg van inschrijving tot de voorgeschreven eindexamenvakken.
Artikel 3.10. Maatschappelijke stage vwo, havo en vmbo
Het eindexamen vwo, havo en vmbo kan ook een maatschappelijke stage als bedoeld in artikel 2.32 van de wet omvatten.
De maatschappelijke stage als onderdeel van het eindexamen duurt ten minste 30 uur.
Paragraaf 2. Het schoolexamen
Artikel 3.11. Examendossier
Het schoolexamen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het schoolexamen zoals gedocumenteerd in een door het bevoegd gezag gekozen vorm.
Het examendossier voor het vmbo theoretische leerweg en gemengde leerweg omvat ook de resultaten die de leerling heeft behaald voor de vakken, bedoeld in artikel 2.19 onderscheidenlijk artikel 2.28, als in die vakken geen eindexamen is afgelegd.
Artikel 3.12. Tijdstip afsluiting schoolexamen in bijzondere gevallen
In de gevallen, bedoeld in artikel 3.17, wordt het schoolexamen in het vak waarop dit schoolexamen betrekking heeft, afgesloten tien werkdagen voor de afname van het centraal examen in dat vak.
Indien het centraal examen overeenkomstig artikel 2.56, vierde lid, van de wet wordt afgesloten in het voorlaatste leerjaar of het daaraan voorafgaande leerjaar, wordt het schoolexamen in dat vak of die vakken afgesloten voordat in dat leerjaar het centraal examen in dat vak of die vakken aanvangt.
Artikel 3.13. Beoordeling schoolexamen
Het cijfer van het schoolexamen wordt uitgedrukt in een cijfer uit een schaal van cijfers lopende van 1 tot en met 10 met de daartussen liggende cijfers met 1 decimaal.
Indien in een vak geen centraal examen wordt afgelegd, wordt het cijfer van het schoolexamen uitgedrukt in een cijfer van 1 tot en met 10, zonder decimaal.
In afwijking van het eerste lid wordt in alle schoolsoorten het vak lichamelijke opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van elk profiel en in het vmbo de kunstvakken beoordeeld met «goed», «voldoende» of «onvoldoende».
De beoordeling van het vak lichamelijke opvoeding en de kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming gaat uit van de prestaties van de leerling binnen zijn mogelijkheden, zoals blijkend uit het examendossier.
Artikel 3.14. Beoordeling profielwerkstuk in het vmbo
In afwijking van artikel 3.13, eerste lid, wordt het profielwerkstuk in het vmbo beoordeeld met «goed», «voldoende» of «onvoldoende».
De beoordeling van het profielwerkstuk in het vmbo vindt plaats op de grondslag van het voldoende voltooien van het profielwerkstuk, zoals blijkend uit het examendossier.
Het profielwerkstuk in het vmbo wordt beoordeeld door ten minste twee examinatoren.
Artikel 3.15. Verstrekking beoordeling schoolexamen
Voor de aanvang van het centraal examen verstrekt de rector of directeur aan de examenkandidaat:
- a. het cijfer of de cijfers voor het schoolexamen;
- b. de beoordeling van de vakken waarvoor geen cijfer wordt vastgesteld;
- c. de beoordeling van het profielwerkstuk in het vmbo; en
- d. een overzicht van de behaalde resultaten van alle onderdelen in het examendossier, bedoeld in artikel 3.11.
De rector of directeur en de examensecretaris tekenen voor de verstrekking van de in het eerste lid genoemde cijfers, beoordelingen en overzicht.
De examenkandidaat tekent voor ontvangst van de in het eerste lid genoemde cijfers, beoordelingen en overzicht.
Artikel 3.16. Herexamen schoolexamen vmbo zonder centraal examen
De examenkandidaat die eindexamen vmbo aflegt kan het schoolexamen maatschappijleer behorend tot het gemeenschappelijk deel van de leerwegen opnieuw afleggen, indien hij voor dat vak een eindcijfer heeft behaald lager dan 6.
Het bevoegd gezag van een school voor mavo of vbo kan bepalen dat een examenkandidaat voor een of meer andere vakken dan maatschappijleer het schoolexamen waarin geen centraal examen wordt afgenomen, opnieuw kan afleggen.
Het herexamen omvat door het bevoegd gezag aangegeven onderdelen van het examenprogramma.
Het bevoegd gezag stelt vast hoe het cijfer van het herexamen wordt bepaald.
Het hoogste cijfer voor een vak, behaald bij het schoolexamen of het herexamen, is het definitieve cijfer van het schoolexamen in dat vak.
Paragraaf 3. Het centraal examen
Artikel 3.17. Afwijkend tijdstip centraal examen
Het college kan bepalen dat een centraal examen in een vak wordt afgenomen op een tijdstip dat is gelegen voor de aanvang van het eerste tijdvak.
Het college kan voor een centraal examen in een vak een afnameperiode instellen waarbinnen het bevoegd gezag zelf de afnametijdstippen bepaalt. Deze afnameperiode vangt niet eerder aan dan op 1 april van dat examenjaar en omvat het eerste en tweede tijdvak van dat examenjaar.
Artikel 3.18. Opgave aantal examenkandidaten centraal examen
De rector of directeur deelt jaarlijks voor 1 november aan Onze Minister mee hoeveel examenkandidaten per vak aan het centraal examen in het eerste tijdvak zullen deelnemen.
Artikel 3.19. De opgaven voor het centraal examen
Onze Minister draagt er zorg voor dat de opgaven, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Wet College voor toetsen en examens, tijdig beschikbaar worden gesteld aan de rector of directeur van de school.
De rector of directeur draagt er zorg voor, dat de opgaven voor het centraal examen geheim blijven tot de aanvang van de toets waarvoor deze opgaven dienen.
Het college kan opgaven aanwijzen waarop het tweede lid niet van toepassing is.
Artikel 3.20. Afname centraal examen
De rector of directeur draagt zorg voor het nodige toezicht bij het centraal examen.
Tijdens het centraal examen worden aan de examenkandidaten geen mededelingen van welke aard ook over de opgaven gedaan, uitgezonderd mededelingen van het college.
Zij die toezicht hebben gehouden, maken een proces-verbaal op. Zij leveren dit in bij de rector of directeur samen met het gemaakte examenwerk.
Een examenkandidaat wordt tot uiterlijk een half uur na de aanvang tot een toets toegelaten.
De aan de examenkandidaten voorgelegde opgaven blijven in het examenlokaal tot het einde van die toets.
Het college kan regels stellen voor de uitvoering van een toets van het centraal examen.
Artikel 3.21. Beoordeling centraal examen door examinator
De rector of directeur doet aan de examinator in een vak toekomen:
- a. het gemaakte werk van het centraal examen;
- b. een exemplaar van de opgaven;
- c. de beoordelingsnormen; en
- d. het proces-verbaal van het examen.
De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens toe.
De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.
De examinator zendt de score en het beoordeelde werk aan de rector of directeur.
Bij digitale examinering met gebruikmaking van de daartoe door het college beschikbaar gestelde programmatuur worden de handelingen, bedoeld in dit artikel, digitaal verricht, uitgezonderd de handelingen die betrekking hebben op het proces-verbaal.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de beoordeling van het centraal examen door de examinator.
Artikel 3.22. Koppeling door Minister van scholen voor tweede correctie
Onze Minister maakt een koppeling van scholen en instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor de uitvoering van de tweede correctie door gecommitteerden als bedoeld in artikel 2.56, zesde lid, van de wet.
Onze Minister maakt de koppeling bekend aan het bevoegd gezag van elke school of elke instelling voor educatie en beroepsonderwijs en kan, zo nodig, zelf een gecommitteerde aanwijzen voor een school of instelling.
Artikel 3.23. Aanwijzing gecommitteerden door bevoegd gezag
Het bevoegd gezag wijst op grond van de koppeling, bedoeld in artikel 3.22, een of meer gecommitteerden aan.
Het bevoegd gezag maakt de gecommitteerden, bedoeld in het eerste lid, bekend aan de scholen waarvoor zij de tweede correctie verrichten. Zij blijven als gecommitteerde aangewezen tot na de afloop van de herkansing.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de aangewezen gecommitteerde zijn verplichtingen nakomt.
Voor het cspe van het centraal examen vmbo wordt geen gecommitteerde aangewezen.
Artikel 3.24. Beoordeling centraal examen door gecommitteerde
De rector of directeur, bedoeld in artikel 3.21, doet onverwijld na de beoordeling door de examinator aan de rector of directeur van de gecommitteerde toekomen:
- a. het door de examinator beoordeelde werk van het centraal examen;
- b. een exemplaar van de opgaven;
- c. de beoordelingsnormen;
- d. het proces-verbaal van het examen; en
- e. de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in artikel 3.21, derde lid.
De rector of directeur van de gecommitteerde doet de documenten, bedoeld in het eerste lid, toekomen aan de gecommitteerde.
Artikel 3.21, tweede, derde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling door de gecommitteerde.
De gecommitteerde voegt bij het gecorrigeerde werk een verklaring over de verrichte correctie. Deze verklaring is medeondertekend door het bevoegd gezag van de school waar de gecommitteerde werkzaam is.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel.
Artikel 3.25. Vaststelling score en cijfer centraal examen
De examinator en de gecommitteerde stellen in onderling overleg de score voor het centraal examen vast.
Indien de examinator en de gecommitteerde niet tot overeenstemming over de score komen, wordt het geschil voorgelegd aan het bevoegd gezag van de gecommitteerde. Het bevoegd gezag van de gecommitteerde kan hierover in overleg treden met het bevoegd gezag van de examinator.
Indien het geschil niet kan worden beslecht, wordt hiervan melding gemaakt aan de inspectie. De inspectie kan een onafhankelijke corrector aanwijzen. De beoordeling van deze corrector komt in de plaats van de eerdere beoordelingen.
De rector of directeur stelt het cijfer voor het centraal examen in een vak vast op grond van de score, bedoeld in het eerste lid, of de beoordeling, bedoeld in het derde lid, en met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens.
Artikel 3.26. Beoordeling centraal examen cspe vmbo door examinator
De rector of directeur draagt er zorg voor dat bij het maken van het cspe van een eindexamen vmbo een examinator in het vak of programma aanwezig is.
De examinator beoordeelt de prestaties van de examenkandidaat tijdens het maken van de opgaven en legt zijn bevindingen van de verrichtingen van de examenkandidaat schriftelijk vast, volgens daartoe door het college gegeven richtlijnen.
De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij toe de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.
De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.
De examinator doet de score en voor zover mogelijk het beoordeelde werk toekomen aan de rector of directeur.
Artikel 3.27. Beoordeling centraal examen cspe vmbo door tweede examinator
Voor het cspe van het eindexamen vmbo vindt de beoordeling ook plaats door een tweede examinator als bedoeld in artikel 3.26, tweede lid. De tweede examinator kan een deskundige als bedoeld in artikel 2.51, vierde lid, van de wet of een examinator van de school zijn.
De tweede examinator beoordeelt het resultaat van de opgaven en de verrichtingen van de examenkandidaat zoals blijkend uit de schriftelijke vastlegging, bedoeld in artikel 3.26, tweede lid.
De rector of directeur overhandigt aan de tweede examinator:
- a. een exemplaar van de opgaven;
- b. de beoordelingsnormen;
- c. het proces-verbaal; en
- d. de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.21, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.28. Afname centraal examen in tweede tijdvak door college wegens gering aantal examenkandidaten
Het college kan vakken aanwijzen waarin wegens het zeer geringe aantal examenkandidaten, het centraal examen in het tweede tijdvak door dit college wordt afgenomen.
Artikel 3.29. Centraal examen bij verhindering in eerste of tweede tijdvak
Indien een examenkandidaat om een geldige reden, ter beoordeling van de rector of directeur, is verhinderd bij het centraal examen van een of meer vakken in het eerste tijdvak aanwezig te zijn, krijgt in het tweede tijdvak de gelegenheid het centraal examen alsnog te voltooien. De examenkandidaat maakt in dat geval maximaal twee toetsen per dag.
Indien een examenkandidaat ook in het tweede tijdvak om een geldige reden, ter beoordeling van de rector of directeur, verhinderd is, of als hij het centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak ten overstaan van het college zijn eindexamen te voltooien.
Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 3.17, tweede lid, zelf de afnametijdstippen van een centraal examen bepaalt, kan de rector of directeur een examenkandidaat de gelegenheid geven om binnen de afnameperiode die het college daarvoor heeft ingesteld, alsnog het centraal examen te voltooien, waarvoor hij eerder was verhinderd.
Artikel 3.30. Procedure afnemen centraal examen door college in tweede en derde tijdvak
Indien een examenkandidaat gebruik wil maken van de gelegenheid, bedoeld in artikel 3.29, tweede lid, meldt hij dit zo spoedig mogelijk aan de rector of directeur.
De rector of directeur deelt voorafgaande aan het tweede of het derde tijdvak aan het college mee welke examenkandidaten het centraal examen in deze tijdvakken ten overstaan van het college zullen afleggen en in welke vakken.
Indien voor een examenkandidaat toepassing is gegeven aan de artikelen 3.54 of 3.55, deelt de rector of directeur dit mee aan het college, onder vermelding van de toepassing.
De examenkandidaat levert de opgaven, de door hem gemaakte aantekeningen en andere door hem gemaakte stukken in bij een van degenen die toezicht houden. Het college bepaalt in welke gevallen wordt afgeweken van de eerste volzin en in welke gevallen en op welk tijdstip de opgaven, de aantekeningen en de andere stukken, bedoeld in die volzin, aan de examenkandidaat worden teruggegeven.
Het college deelt het door de examenkandidaat behaalde cijfer voor het centraal examen aan de rector of directeur mee.
Indien sprake is van een centraal eindexamen met geheime opgaven, kan de examenkandidaat over zijn werk gedurende een periode van zes maanden na de mededeling, bedoeld in het vijfde lid, inlichtingen inwinnen bij het college.
Artikel 3.31. Bewaren werk centraal examen
Het bevoegd gezag bewaart het gemaakte werk van het centraal examen van de examenkandidaat gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag, ter inzage voor belanghebbenden.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een volledig stel van de bij de centrale examens gebruikte opgaven gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag bewaard blijft in het archief van de school.
Paragraaf 4. De uitslag van het eindexamen en herkansing centraal examen
Artikel 3.32. Eindcijfer vakken eindexamen
Het eindcijfer voor vakken van het eindexamen wordt uitgedrukt in een geheel cijfer uit de reeks 1 tot en met 10.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)