Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 november 2021, 2021-0000084573, tot vaststelling van een nieuwe Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-05-15
State In force
Source BWB
artikelen 53
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De specialiteiten kok, souschef dan wel chef-kok moet traditionele gerechten uit een van de genoemde keukens kunnen bereiden op basis van originele recepten. Voor het aantonen van de kwalificaties gelden deze regeling, de RuWav 2022 en paragraaf 6.1. van deze bijlage I onverkort met dien verstande dat ook een certificaat kan worden overgelegd waarmee de kwalificaties worden aangetoond. Uit dat certificaat moet blijken dat de kok de taken zoals beschreven binnen de functie beheerst. Indien er wordt getwijfeld aan de juistheid van het diploma of certificaat kan het UWV verzoeken te laten verifiëren wat de waarde is van het document en dat het gaat om een gekwalificeerde kok.

8.3.b.17. Langdurig ingezetene, voormalig houder van een Europese blauwe kaart

Paragraaf 8.3.b.16 van bijlage I van de RuWav 2022 zoals die luidt op de dag voor de vervaldatum, blijft van toepassing blijft op:

Voor docenten in het internationaal primair en voortgezet onderwijs, waaronder zgn. zaterdagscholen, kan een tewerkstellingsvergunning worden verleend zonder toets aan artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b, en c, van de Wav met een maximale duur van drie jaar. Bij een verblijf van langer dan drie maanden geldt hetzelfde voor het advies over het verlenen of verlengen van de gecombineerde vergunning.

8.3.c.2. Stagiairs HBO en universitair

Bij buitenlandse scholen gaat het om docenten die benodigd zijn om specifiek volgens het schoolsysteem van een buitenlands onderwijssysteem onderwijs te geven en in het buitenlandse onderwijssysteem zijn opgeleid. Bij afdelingen voor internationaal georiënteerd onderwijs, Europese scholen en niet-bekostigde internationale scholen gaat het om docenten die ervaring hebben met het doceren van het door de desbetreffende school aangeboden internationale of Europese curriculum. Deze docenten moeten over de vereiste kwalificaties beschikken om onderwijs aan de desbetreffende school te mogen geven. Daarnaast moeten deze docenten de competenties hebben om onderwijs te geven in het Engels of een andere voor de desbetreffende school relevante vreemde taal.

Op grond van artikel 8, derde lid, onderdeel c, van de Wav kan worden afgeweken van het eerste lid, onderdeel a, b, c, d en f. Het gaat daarbij om afwijking in het kader van scholing, opleiding, vrijwilligerswerk, internationale uitwisseling en andere internationale culturele contacten alsmede ten behoeve van vreemdelingen die beschikken over een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfsvergunning. De paragrafen 8.3.c.1 tot en met 8.3.c.11. vermelden de groepen waarom het gaat bij deze afwijkingsgrond.

Bij buitenlandse scholen gaat het om docenten die benodigd zijn om specifiek volgens het schoolsysteem van een buitenlands onderwijssysteem onderwijs te geven en in het buitenlandse onderwijssysteem zijn opgeleid. Bij afdelingen voor internationaal georiënteerd onderwijs, Europese scholen en niet-bekostigde internationale scholen gaat het om docenten die ervaring hebben met het doceren van het door de desbetreffende school aangeboden internationale of Europese curriculum. Deze docenten moeten over de vereiste kwalificaties beschikken om onderwijs aan de desbetreffende school te mogen geven. Daarnaast moeten deze docenten de competenties hebben om onderwijs te geven in het Engels of een andere voor de desbetreffende school relevante vreemde taal.

Voor docenten in het internationaal primair en voortgezet onderwijs, waaronder zgn. zaterdagscholen, kan een tewerkstellingsvergunning worden verleend zonder toets aan artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b, en c, van de Wav met een maximale duur van drie jaar. Bij een verblijf van langer dan drie maanden geldt hetzelfde voor het advies over het verlenen of verlengen van de gecombineerde vergunning.

8.3.c.3. Stagiairs MBO

Voorwaarde voor toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid is dat de stagiair een opleiding volgt aan een instelling voor hoger onderwijs in het buitenland of op het moment van aanvraag ten hoogste twee jaar beschikt over een diploma, afgegeven door een instelling voor hoger onderwijs. Bij de aanvraag wordt een diploma of bewijs van inschrijving bijgevoegd.

Voor vreemdelingen die korter dan drie maanden arbeid verrichten als stagiair kan een tewerkstellingsvergunning worden verleend zonder toepassing van artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en f, van de Wav. Hetzelfde geldt voor vreemdelingen bij een verblijf van langer dan drie maanden, maar korter dan één jaar, voor het advies over het verlenen of verlengen van een gecombineerde vergunning. Deze toets is eveneens van toepassing op een aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning voor gemeenschapsonderdanen op wie het vrij verkeer tijdelijk niet van toepassing is.

Voorwaarde voor toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid is dat de stagiair een opleiding volgt aan een instelling voor hoger onderwijs in het buitenland of op het moment van aanvraag ten hoogste twee jaar beschikt over een diploma, afgegeven door een instelling voor hoger onderwijs. Bij de aanvraag wordt een diploma of bewijs van inschrijving bijgevoegd.

De stage mag niet in de plaats komen van een reguliere baan. In verband met dit vereiste dient in de stageovereenkomst een beschrijving van het stageprogramma te worden opgenomen, waarin de educatieve doelstellingen en leercomponenten van de stage zijn opgenomen.

8.3.c.4. Stagiairs in het kader van het Young Workers Exchange Program

Voorwaarde voor toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid is dat de stagiair reeds een voldoende vakgerichte basisopleiding heeft gevolgd in het land waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Voor deze stages blijkt uit een door de desbetreffende onderwijsinstelling afgegeven verklaring dat de stage een noodzakelijk onderdeel uitmaakt van het onderwijsprogramma.

Het gaat hier om mensen die in buitenland studeren/hebben gestudeerd en in Nederland stage lopen. Voor vreemdelingen die voor korter dan drie maanden arbeid verrichten die noodzakelijk is ter voltooiing van hun opleiding op MBO-niveau in het buitenland (in de regel in het laatste jaar van hun studie) kan een tewerkstellingsvergunning worden verleend zonder toepassing van artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en f, van de Wav. Hetzelfde geldt voor vreemdelingen bij een verblijf van langer dan drie maanden, maar korter dan één jaar, voor het advies over het verlenen of verlengen van een gecombineerde vergunning. Deze toets is eveneens van toepassing op een aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning voor gemeenschapsonderdanen op wie het vrij verkeer tijdelijk niet van toepassing is.

Voorwaarde voor toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid is dat de stagiair reeds een voldoende vakgerichte basisopleiding heeft gevolgd in het land waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Voor deze stages blijkt uit een door de desbetreffende onderwijsinstelling afgegeven verklaring dat de stage een noodzakelijk onderdeel uitmaakt van het onderwijsprogramma.

8.3.c.4. Stagiairs in het kader van het Young Workers Exchange Program

De stagiair beschikt, met inbegrip van de stagevergoeding, over een inkomen dat niet lager mag zijn dan 50% van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WML. Hierbij wordt rekening gehouden met eigen middelen, zoals beurzen. In verband met een toets op de stagevergoeding dient door de werkgever een afschrift van de stageovereenkomst te worden overlegd, met daarin opgenomen de te verstrekken stagevergoeding aan de stagiair.

Voor deze stages geldt dat uit de verklaring van de beoogd werkgever blijkt dat de stagiair werk zal gaan verrichten dat gerelateerd is aan de studie. Tevens wordt een gefaseerd stageprogramma overgelegd waaruit blijkt wat de inhoud van de stage is.

Voor vreemdelingen die voor korter dan drie maanden arbeid verrichten in het kader van het Young Workers Exchange Program kan een tewerkstellingsvergunning worden verleend zonder toepassing van artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en f van de Wav. Bij een verblijf van langer dan drie maanden, maar korter dan één jaar, geldt hetzelfde voor het advies over het verlenen van de gecombineerde vergunning. De voorwaarden voor deze uitzonderingsmogelijkheid zijn:

Voor deze stages geldt dat uit de verklaring van de beoogd werkgever blijkt dat de stagiair werk zal gaan verrichten dat gerelateerd is aan de studie. Tevens wordt een gefaseerd stageprogramma overgelegd waaruit blijkt wat de inhoud van de stage is.

8.3.c.6. Praktikanten

Voorwaarde voor toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid is dat deze stagiairs een opleiding volgen aan een MBO-instelling in hun herkomstland en in het kader van een MBO-uitwisselings/-mobiliteitsproject stages lopen bij bedrijven in Nederland. Voor deze stages blijkt uit een door de onderwijsinstelling in het land van herkomst afgegeven verklaring dat de stage een onderdeel uitmaakt van de studie. Tevens wordt een uitgewerkt stageprogramma overgelegd, goedgekeurd door de onderwijsinstelling in het land van herkomst, waaruit blijkt wat de inhoud van de stage is en bij welke bedrijven stage wordt gelopen. Bij de stage(s) staat het werkend leren voorop en niet het verrichten van productieve arbeid.

Voor vreemdelingen die arbeid verrichten in het kader van internationale uitwisselingsprogramma’s tussen MBO-instellingen en hiervoor kortdurende stages volgen bij werkgevers in Nederland, kan voor maximaal drie maanden een tewerkstellingsvergunning worden verleend zonder toepassing van artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en f van de Wav.

8.3.c.7. Arbeid van bijkomende aard door studenten

De ontvangende MBO-instelling is verantwoordelijk voor de huisvesting, de begeleiding tijdens de stage en het verblijf van de deelnemers aan het uitwisselingsprogramma. Ook is de ontvangende MBO-instelling ervoor verantwoordelijk dat de vreemdeling een inkomen zal ontvangen dat niet lager mag zijn dan 50% van het voor hem geldende wettelijk minimumjeugdloon, bedoeld in artikel 8, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

De tewerkstellingsvergunning zal worden verleend aan de Nederlandse MBO-instelling. De MBO-instelling draagt er zorg voor dat een kopie van de tewerkstellingsvergunning wordt verstrekt aan de werkgever(s) waar de stage wordt gelopen.

8.3.c.6. Praktikanten

Voor vreemdelingen die voor een verblijf korter dan drie maanden naar Nederland komen om werkervaring op te doen, die zij vervolgens direct in de praktijk gaan brengen bij hun werkgever in hun herkomstland en deze ervaring van belang is voor de ontwikkeling van de bedrijfsvoering van die werkgever, kan een tewerkstellingsvergunning worden verleend zonder toepassing van artikel 8, eerste lid, onderdelen a en b, en c, van de Wav. Bij een verblijf van drie maanden of meer geldt hetzelfde voor het advies over het verlenen en verlengen van de gecombineerde vergunning voor in de regel maximaal 24 weken.

Voorwaarde voor toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid is dat deze praktikanten reeds een voldoende vakgerichte basisopleiding hebben gevolgd en op basis van een samenwerkingsovereenkomst tussen de in het buitenland gevestigde onderneming en de in Nederland gevestigde onderneming in de laatstgenoemde bij wijze van onderricht bedrijfservaring kunnen opdoen. Bij de aanvraag wordt een gefaseerd leerplan bijgevoegd, alsmede een verklaring van de Nederlandse werkgever inhoudende dat de praktikant geen reguliere arbeidsplaats inneemt. Het leerplan bestaat uit een omschrijving van de werkzaamheden, van de leerdoelen en van de toegevoegde waarde van de werkervaring van de praktikant voor de onderneming in het herkomstland. De praktikant wordt tijdelijk uitgezonden naar de in Nederland gevestigde onderneming. De buitenlandse werkgever verklaart dat hij de praktikant na ommekomst van de praktijkperiode weer direct te werk zal stellen. Het aantal praktikanten staat in een redelijke verhouding tot het aantal werknemers dat bij een werkgever werkzaam is.

De duur van deze tewerkstellingsvergunning is maximaal een jaar. Voor alle andere arbeid wordt de tewerkstelling getoetst aan de voorwaarden van de Wav en gelden deze uitzonderingen niet.

Toetsing aan de voorwaarden vervat in artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b, c en f, van de Wav behoeft niet plaats te vinden voor buitenlandse studenten in het bezit van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die is verleend onder de beperking verband houdende met het volgen van studie. Hetzelfde geldt voor buitenlandse studenten die op grond van artikel 3.3, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 rechtmatig in Nederland verblijven en beschikken over een verblijfssticker in hun paspoort waaruit dat blijkt, of, in het geval van een gemeenschapsonderdaan op wie het vrij verkeer van werknemers tijdelijk nog niet van toepassing is, wanneer bij de aanvraag wordt aangetoond dat de desbetreffende persoon als student bij de desbetreffende onderwijsinstelling staat ingeschreven. De vergunning zal worden verleend als uit de aanvraag is gebleken dat de arbeid onder marktconforme voorwaarden plaatsvindt, en de arbeid:

De duur van deze tewerkstellingsvergunning is maximaal een jaar. Voor alle andere arbeid wordt de tewerkstelling getoetst aan de voorwaarden van de Wav en gelden deze uitzonderingen niet.

Vacaturevervulling door het prioriteitgenietend aanbod uit Nederland en bij de EER-landen of Zwitserland is alleen in uitzonderlijke gevallen niet mogelijk. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich normaliter uitsluitend voor in de hoogste competitieafdeling van de betreffende tak van sport en gelet hierop wordt in deze gevallen een uitzondering gemaakt op de verplichting uit artikel 8, eerste lid onderdelen a, b en c, van de Wav.

Ook ten aanzien van werknemers in de sportsector geldt een restrictief toelatingsbeleid. Alleen voor het incidenteel in Nederland deelnemen aan een wedstrijd door personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben, is in artikel 4.3., eerste lid, onderdeel c, van het BuWav 2022 een uitzondering gemaakt, evenals voor het incidenteel onbeloond deelnemen aan proeftrainingen voetbal in het kader van een sollicitatieprocedure.

8.3.c.9. Beroepsvoetballers

In lagere klassen zal vergunningverlening aan spelers van buiten Nederland en buiten de EER-landen of Zwitserland aangesloten landen slechts bij hoge uitzondering mogelijk zijn, omdat in de regel vervulling binnen het prioriteitgenietend aanbod mogelijk is, hetzij via doorstroming uit de amateursport en jeugdopleidingen, hetzij door aanwerving van spelers uit de hoogste competitieklasse in Nederland of uit andere landen binnen de EER en Zwitserland.

De geboden beloning zal steeds in overeenstemming zijn met wat (top)sporters in de desbetreffende sport verdienen.

Een tewerkstellingsvergunning voor beroepssporters zal daarom in de regel worden geweigerd:

Als het een verblijf van langer dan drie maanden betreft gelden deze voorwaarden ook voor het advies over het verlenen of verlengen van de gecombineerde vergunning.

8.3.c.10. Musici en artiesten

Bij een verblijf van korter dan drie maanden wordt een tewerkstellingsvergunning verleend zonder arbeidsmarkttoets als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Hetgeen in de vorige paragraaf 8.3.c.8. is opgenomen geldt eveneens voor beroepsvoetballers. Daarnaast wordt bij het betaalde voetbal ook de eerste divisie gerekend tot de hoogste competitieafdeling.

Bij een verblijf van korter dan drie maanden wordt een tewerkstellingsvergunning verleend zonder arbeidsmarkttoets als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Wanneer het een verblijf van langer dan drie maanden betreft gelden deze voorwaarden ook voor het advies over het verlenen of verlengen van de gecombineerde vergunning.

8.3.c.11. Conservatoren en restauratoren in dienst van werkgevers, lid van de Museumvereniging

Bij verblijf voor langer dan drie maanden moeten musici en artiesten in het bezit zijn van een gecombineerde vergunning. Het UWV toetst bij het opstellen van het advies bij musici en artiesten uit de functiegroepen in genoemde branches niet aan artikel 8, eerste lid, onderdeel a (aanwezigheid prioriteitgenietend aanbod), onderdeel b (verplichte vacaturemelding bij het UWV) en onderdeel c (eigen wervingsinspanningen van de werkgever) van de Wav. Voor musici en artiesten met een verblijf korter dan drie maanden geldt een tewerkstellingsvergunningplicht. Hierbij wordt op gelijke wijze getoetst als in het kader van de advisering over de gecombineerde vergunning. De vrijstelling op grond van artikel 8, derde lid onderdeel c, van de Wav, betreft uitsluitend arbeidsplaatsen boven de zogenoemde ‘zaaglijn’ die het geheel aan arbeidsplaatsen in de cultuursector in twee segmenten verdeelt. Boven de ‘zaaglijn’ bevindt zich het topsegment gedefinieerd met het van het bruto jaarinkomen afgeleide maandinkomen.

8.3.c.11. Conservatoren en restauratoren in dienst van werkgevers, lid van de Museumvereniging

Bij verblijf voor langer dan drie maanden moeten musici en artiesten in het bezit zijn van een gecombineerde vergunning. Het UWV toetst bij het opstellen van het advies bij musici en artiesten uit de functiegroepen in genoemde branches niet aan artikel 8, eerste lid, onderdeel a (aanwezigheid prioriteitgenietend aanbod), onderdeel b (verplichte vacaturemelding bij het UWV) en onderdeel c (eigen wervingsinspanningen van de werkgever) van de Wav. Voor musici en artiesten met een verblijf korter dan drie maanden geldt een tewerkstellingsvergunningplicht. Hierbij wordt op gelijke wijze getoetst als in het kader van de advisering over de gecombineerde vergunning. De vrijstelling op grond van artikel 8, derde lid onderdeel c, van de Wav, betreft uitsluitend arbeidsplaatsen boven de zogenoemde ‘zaaglijn’ die het geheel aan arbeidsplaatsen in de cultuursector in twee segmenten verdeelt. Boven de ‘zaaglijn’ bevindt zich het topsegment gedefinieerd met het van het bruto jaarinkomen afgeleide maandinkomen.

8.3.c.11. Conservatoren en restauratoren in dienst van werkgevers, lid van de Museumvereniging

1 Bruto maandsalaris wordt van het jaarinkomen herleid. De meest recente CAO is het uitgangspunt.

8.3.c.11. Conservatoren en restauratoren in dienst van werkgevers, lid van de Museumvereniging

Bij verblijf voor langer dan drie maanden moeten conservatoren en restauratoren in het bezit zijn van een gecombineerde vergunning. De leden van de Museumvereniging hebben met regelmaat internationale expertise op het terrein van conservatoren en restauratoren nodig. Bij het vaststellen van zijn advies aan de IND met betrekking tot aanvragen voor een gecombineerde vergunning voor conservatoren en restauratoren van werkgevers die lid zijn van de Museumvereniging, toetst UWV, in afwijking van artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b, en c, van de Wav, niet op de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod en de verplichte vacaturemelding bij UWV. Conservatoren en restauratoren die werkzaamheden komen verrichten bij musea die aangesloten zijn bij de Museumvereniging voor korter dan zes aaneengesloten weken in een periode van 13 weken, kunnen ook gebruik maken van de vrijstelling zoals beschreven in artikel 4.3., eerste lid, onderdeel b, van het BuWav 2022, omdat dan ook sprake is van incidentele arbeid.

Artikel 9. Wav: facultatieve weigeringsgronden

Aan de uitvoering van de Wav ligt het beginsel ten grondslag dat alle toepasselijke weigeringsgronden waarin de Wav voorziet, zullen worden tegengeworpen. Aan de hand van die toetsing kan een vergunning worden geweigerd, of kan, op basis van een belangenafweging, worden besloten om niet tot weigering over de gaan.

9.1.a. Binnen redelijke termijn prioriteitgenietend aanbod aanwezig

Wanneer voorzienbaar is dat voor een aangevraagde tewerkstellingsvergunning binnen redelijke termijn prioriteitgenietend aanbod beschikbaar is, kan een vergunning worden geweigerd. Het staat dan namelijk te bezien in hoeverre de Nederlandse arbeidsmarkt er mee gediend is dat vreemdelingen worden toegelaten, terwijl binnen afzienbare tijd binnenlands aanbod of arbeidsaanbod uit de EER beschikbaar zal zijn. Wordt een vergunning afgegeven terwijl kort daarna wel dergelijk prioriteitgenietend aanbod beschikbaar komt, dan is de desbetreffende arbeidsplaats dus reeds opgevuld en kunnen prioriteit-genietende personen niet terecht. Centraal in de beoordeling zal hierbij staan wat moet worden begrepen onder een redelijke termijn. Hierover is in zijn algemeenheid geen eenduidige uitspraak te doen. Wat in het kader van een bepaalde categorie werkzaamheden als een onredelijk lange periode zal gelden, kan bij een andere categorie als kort worden ervaren. Dit zal derhalve per geval worden bekeken.

9.1.b. Leeftijdsgrens

Artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Wav biedt de mogelijkheid leeftijdsgrenzen te stellen. Op grond daarvan is in artikel 9 van de RuWav bepaald dat een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning kan worden geweigerd ten aanzien van een vreemdeling die jonger is dan 18 jaar. Een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning zal niet worden geweigerd voor de vreemdeling die minimaal 16 jaar is en voor wie een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning kan worden verleend op grond van paragraaf 8.3.c.5. voor het volgen van een stage van maximaal drie maanden in het kader van internationale uitwisselingsprogramma’s tussen MBO-instellingen.

Het UWV kan een tewerkstellingsvergunning weigeren of adviseren een gecombineerde vergunning niet te verlenen als niet is voldaan aan bepalingen die zijn opgenomen in een sectoraal convenant als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wav.

9.1.f. Belemmeringen voor vacaturevervulling

Als sectoraal convenant in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wav wordt slechts in aanmerking genomen een convenant dat voldoet aan de volgende vereisten:

9.1.f. Belemmeringen voor vacaturevervulling

Als sectoraal convenant in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wav wordt slechts in aanmerking genomen een convenant dat voldoet aan de volgende vereisten:

9.1.f. Belemmeringen voor vacaturevervulling

Als sectoraal convenant in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wav wordt slechts in aanmerking genomen een convenant dat voldoet aan de volgende vereisten:

Op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de Wav kan een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning worden geweigerd wanneer er bij de werkgever geen sprake is van economische activiteiten. Hiermee kan worden voorkomen dat een werkgever een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning krijgt terwijl onvoldoende vaststaat dat de vreemdeling daadwerkelijk zal worden tewerkgesteld of dat de werkgever in staat is het loon te betalen vanwege het ontbreken van economische activiteiten. Voorkomen dient te worden dat door middel van het verkrijgen van een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning binnenkomst van de vreemdeling tot Nederland wordt verkregen als de arbeid niet zal kunnen worden verricht. Bij de aanvraag kan de werkgever gevraagd worden te bevestigen dat hij in staat is om het overeengekomen loon van de desbetreffende vreemdeling te kunnen betalen. Als er desondanks sprake is van signalen dat er geen economische activiteiten zijn geeft UWV de werkgever de gelegenheid om zijn verklaring te onderbouwen.

Op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van de Wav kan een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning worden geweigerd als de werkgever belemmeringen opwerpt waardoor de arbeidsplaats niet met prioriteitgenietend aanbod kan worden vervuld. Gedacht kan worden aan irreële functie- of taaleisen. Het beheersen van een andere taal dan het Nederlands als voorwaarde voor vacaturevervulling kan beschouwd worden als een beletsel in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van de Wav.

9.1.g. Weigering van een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning vanwege het niet over een periode van ten hoogste een maand betalen van de vreemdeling

Een aanvraag tot het verlenen van een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning kan op grond van artikel 9, eerste lid onderdeel g, van de Wav worden geweigerd indien is gebleken dat de werkgever eerder het loon zoals aangegeven in artikel 7 van de Wav, niet over een periode van ten hoogste een maand heeft betaald aan de vreemdeling. Immers, het is van belang dat de vreemdeling kan rekenen op consistente uitbetaling van het overeengekomen loon. UWV zal derhalve in de regel de aanvraag weigeren als bij een verlenging in de controle in de systemen blijkt dat er geen sprake is geweest van consistente uitbetaling van het loon tenzij, gelet op de individuele omstandigheden van het geval, de tegenwerping hiervan onevenredig zou zijn.

9.1.h. Weigering van een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning vanwege het ontbreken van economische activiteiten

Op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de Wav kan een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning worden geweigerd wanneer er bij de werkgever geen sprake is van economische activiteiten. Hiermee kan worden voorkomen dat een werkgever een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning krijgt terwijl onvoldoende vaststaat dat de vreemdeling daadwerkelijk zal worden tewerkgesteld of dat de werkgever in staat is het loon te betalen vanwege het ontbreken van economische activiteiten. Voorkomen dient te worden dat door middel van het verkrijgen van een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning binnenkomst van de vreemdeling tot Nederland wordt verkregen als de arbeid niet zal kunnen worden verricht. Bij de aanvraag kan de werkgever gevraagd worden te bevestigen dat hij in staat is om het overeengekomen loon van de desbetreffende vreemdeling te kunnen betalen. Als er desondanks sprake is van signalen dat er geen economische activiteiten zijn geeft UWV de werkgever de gelegenheid om zijn verklaring te onderbouwen.

Wanneer het gaat om werkzaamheden of een werkgever die vanwege de aard van de werkzaamheden (bijvoorbeeld onbezoldigd) of de aard van de werkgever (bijvoorbeeld non profit) niet gericht zijn op economische activiteiten zal deze weigeringsgrond niet worden toegepast.

Daarnaast kan bij een startende onderneming waarbij aannemelijk wordt gemaakt dat in de toekomst economische activiteiten zullen plaatsvinden door UWV een voorschrift worden opgenomen. Zie hiervoor paragraaf 10.

Op grond van artikel 2e Vw 2000 kan een aanvraag tot erkenning als referent worden afgewezen indien:

(Wordt nader ingevuld)

Op grond van artikel 2e Vw 2000 kan een aanvraag tot erkenning als referent worden afgewezen indien:

9.1.k. Weigering van de tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning vanwege oplegging van een bestuurlijke boete aan de werkgever met erkenning als referent

Op grond van artikel 2e Vw 2000 kan een aanvraag tot erkenning als referent worden afgewezen indien:

De erkenning als referent kan op grond van artikel 2f Vw 2000 worden geschorst op grond van ernstige vermoedens dat er grond bestaat om de erkenning als referent in te trekken op grond van artikel 2g Vw 2000.

Artikel 2g Vw 2000 bepaalt dat de erkenning als referent kan worden ingetrokken, indien:

Referenten worden na inwilliging van hun aanvraag om erkenning als referent opgenomen in het openbare register van de IND. Bij schorsing of intrekking van de erkenning worden zij uit het openbare register verwijderd. Indien de IND op basis van artikel 2e, onderdeel c, van de Vw 2000 de erkenning als referent afwijst, zal het UWV in de regel de aangevraagde tewerkstellingsvergunning weigeren dan wel bij een gecombineerde vergunning adviseren deze te weigeren. Het gaat er hier namelijk om dat de IND in dat geval heeft geoordeeld dat de betrouwbaarheid van de aanvrager onvoldoende vaststaat. Bij die beoordeling kunnen strafrechtelijke antecedenten een rol spelen, die relevant worden geacht in het kader van de erkenning. Ook zal het UWV de vergunning in de regel weigeren als de IND op basis van artikel 2g van de Vw 2000, onderdelen a, b en c, de erkenning van de referent heeft ingetrokken.

Het UWV zal de tewerkstellingsvergunning in ieder geval nog niet kunnen weigeren, noch negatief adviseren bij een gecombineerde vergunning op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel j, van de Wav zolang de beslissing tot afwijzing, schorsing of intrekking van de erkenning als referent niet onherroepelijk is.

Artikel 55a van de Vw 2000, eerste lid, bepaalt dat bij een overtreding van de verplichtingen bij of krachtens artikel 2a, tweede lid, onderdeel b (de zorgplicht jegens de vreemdeling), 2t, tweede en derde lid (eigen verklaringen worden volledig en naar waarheid opgesteld en alle relevante gegevens en bescheiden worden verstrekt), 24a, tweede en derde lid (eigen verklaringen worden volledig en naar waarheid opgesteld en alle relevante gegevens en bescheiden worden verstrekt), 54, eerste lid, onderdelen a tot en met e en g, en tweede lid (verschillende toezichtmaatregelen) een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Deze boete is maximaal € 3.000 voor ondernemingen, rechtspersonen en andere organisaties en € 1.500 voor natuurlijke personen.

Op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel k, van de Wav kan een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning worden geweigerd indien een werkgever binnen een periode van vijf jaar voor de dag dat de tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning wordt aangevraagd een bestuurlijke boete opgelegd heeft gekregen op grond van artikel 55a van de Vw2000 of is gestraft op grond van artikel 108 Vw 2000.

Artikel 55a van de Vw 2000, eerste lid, bepaalt dat bij een overtreding van de verplichtingen bij of krachtens artikel 2a, tweede lid, onderdeel b (de zorgplicht jegens de vreemdeling), 2t, tweede en derde lid (eigen verklaringen worden volledig en naar waarheid opgesteld en alle relevante gegevens en bescheiden worden verstrekt), 24a, tweede en derde lid (eigen verklaringen worden volledig en naar waarheid opgesteld en alle relevante gegevens en bescheiden worden verstrekt), 54, eerste lid, onderdelen a tot en met e en g, en tweede lid (verschillende toezichtmaatregelen) een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Deze boete is maximaal € 3.000 voor ondernemingen, rechtspersonen en andere organisaties en € 1.500 voor natuurlijke personen.

9.1.l. Weigering tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning na opleggen bestuurlijke boete

De overtredingen die genoemd zijn in artikel 55a van de Vw2000 zijn over het algemeen door de IND eenvoudig vast te stellen en hebben een geringe normatieve lading.

Bij een volgende overtreding, binnen 24 maanden, van de verplichtingen genoemd in artikel 55a van de Vw 2000, is er sprake van recidive en kan de IND een verhoogde boete opleggen. Dat geldt overigens alleen als er sprake is van herhaalde overtreding van dezelfde verplichting. Geconstateerde overtredingen kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften door de desbetreffende referent.

Het UWV zal de tewerkstellingsvergunning dan ook in de regel weigeren, dan wel bij een gecombineerde vergunning adviseren deze vergunning niet te verlenen als er sprake is van een herhaalde overtreding van de verplichtingen genoemd in artikel 55a van de van de Vw 2000.

9.1.l. Weigering tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning na opleggen bestuurlijke boete

Het UWV zal een tewerkstellingsvergunning ieder geval nog niet kunnen weigeren, dan wel bij een gecombineerde vergunning niet adviseren deze vergunning niet te verlenen op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel k, van de Wav indien de beslissing tot oplegging van de bestuurlijke boete of oplegging van een straf op grond van artikel 108 van de Vw 2000 niet onherroepelijk is.

Bij de beoordeling of een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning wordt geweigerd, zal meewegen of sprake is van recidive of ernstige overtredingen, als bedoeld in artikel 10.1, derde lid van het BuWav 2022. Van recidive is sprake als binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag meer dan een keer een bestuurlijke boete is opgelegd op grond van een van bovengenoemde artikelen en deze boetes onherroepelijk zijn geworden.

Op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel l, van de Wav, kan de tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning worden geweigerd als de werkgever binnen een periode van vijf jaar direct voorafgaand aan de aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning een bestuurlijke boete is opgelegd wegens de overtreding van artikelen die in een van de volgende artikelen zijn genoemd:

9.1.m. Weigering tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning na strafrechtelijke veroordeling naar aanleiding van overtreding arbeidswetten

Voor ernstige overtredingen wordt verwezen naar wat daarover in de desbetreffende besluiten staat:

Als een werkgever is veroordeeld op grond van een van deze artikelen, kan zijn aanvraag om een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning worden afgewezen. Daarbij wordt meegewogen of sprake is van recidive. Deze weigeringsgronden kunnen ook toegepast worden als de aanvraag om een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning wordt ingediend door een bedrijf waarvan (een van) de bestuurder(s) eerder een bestuurlijke boete in het kader van deze wetten is opgelegd of hiervoor strafrechtelijk is veroordeeld.

Artikel 10. Wav: Voorschriften

9.2. Convenant

Een aanvraag om een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning kan niet worden afgewezen als de beslissing tot oplegging van de bestuurlijke boete of de strafrechtelijke veroordeling nog niet onherroepelijk is.

Als sectoraal convenant in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wav wordt slechts in aanmerking genomen een convenant dat voldoet aan de volgende vereisten:

Het UWV kan een tewerkstellingsvergunning weigeren of adviseren een gecombineerde vergunning niet te verlenen als niet is voldaan aan bepalingen die zijn opgenomen in een sectoraal convenant als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wav.

10. Voorschriften aan tewerkstellingsvergunning en gecombineerde vergunning

Artikel 10. Wav: Voorschriften

De mogelijkheid om op grond van artikel 10, aanhef en onderdelen a, b, d en e, van de Wav, voorschriften aan de tewerkstellingsvergunning te verbinden wordt uitsluitend toegepast, als de werkgever desgevraagd bereid is gevraagde inspanningen te verrichten en als de werkgever reeds enige inspanningen heeft verricht om prioriteitgenietend aanbod te mobiliseren of de gesignaleerde beletselen te verhelpen. In het kader van de gecombineerde vergunning zal het UWV aan de werkgever vragen of hij bereid is de gevraagde inspanningen te verrichten en als de werkgever reeds enige inspanningen heeft verricht om prioriteitgenietend aanbod te mobiliseren of de gesignaleerde beletselen te verhelpen. In alle andere gevallen wordt de tewerkstellingsvergunning geweigerd op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, c of d, van de Wav en wordt bij de gecombineerde vergunning op dezelfde gronden geadviseerd deze niet in te willigen.

Op grond van artikel 10 van de Wav kunnen aan de tewerkstellingsvergunning en de gecombineerde vergunning voorschriften worden verbonden, die de werkgever verplichten inspanningen te verrichten gericht op het vervullen van de arbeidsplaatsen met prioriteitgenietend aanbod of het wegnemen van gebreken.

Artikel 11. Wav: Duur van de tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning

Daarnaast kan op grond van artikel 10, aanhef en onderdeel e van de Wav aan een tewerkstellingsvergunning en een gecombineerde vergunning een voorschrift worden verbonden, dat de werkgever verplicht om aan te tonen dat de werkgever economische activiteiten gaat verrichten in de toekomst, zoals het overleggen van een huurcontract voor een bedrijfsruimte, een afschrift van een horeca- of exploitatievergunning van de gemeente en/of informatie dat de opening/start van de onderneming daadwerkelijk heeft plaatsgevonden zodat de vreemdeling de arbeid kan verrichten waarvoor de vergunning is verleend. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd voor (startende) ondernemingen dat, ondanks het voldoende kunnen aantonen van economische activiteiten op een moment na de startfase, de tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning wordt verleend onder voorschrift. Van deze mogelijkheid wordt alleen gebruik gemaakt als aannemelijk is gemaakt dat de werkgever in de toekomst economische activiteiten zal gaan verrichten en de werkgever heeft verklaard bereid te zijn de benodigde inspanningen te verrichten. De werkgever is dan gehouden om binnen, een in het individuele geval vast te stellen, redelijke termijn stukken te overleggen die de start van de economische activiteiten onderbouwen.

Anders dan op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wav, dat aangeeft dat een tewerkstellingsvergunning voor ten hoogste drie jaar wordt verleend, geldt op grond van het tweede lid dat tewerkstellingsvergunningen en gecombineerde vergunningen voor tijdelijk werk worden verleend voor ten hoogste 24 weken. Zo worden op grond van artikel 11, tweede lid, tewerkstellingsvergunningen verleend ten behoeve van werkzaamheden die binnen een periode van 24 weken worden afgerond. Ook seizoenswerk valt onder deze paragraaf. Seizoenswerkers zijn werknemers die arbeid verrichten die naar zijn aard tijdelijke werkzaamheden omvat, vanwege het seizoensgebonden karakter, maar naar zijn aard niet valt onder het begrip incidentele arbeid als bedoeld in artikelen 4.1. tot en met 4.3. van het BuWav 2022. In de vreemdelingenregelgeving (artikel 3.58, eerste lid, onderdeel f, van het Vreemdelingenbesluit 2000) is in verband hiermee bepaald dat de verblijfsvergunning ten hoogste 24 weken duurt.

Ten aanzien van personen voor wie een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning wordt aangevraagd, wordt steeds nagegaan of zij in een periode van 14 weken voorafgaand aan de vergunningverlening niet over een voor het verrichten van arbeid geldige vergunning tot verblijf hebben beschikt, dan wel ten behoeve van hen een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning van kracht is geweest, onder gebruikmaking van de uitzonderingsmogelijkheden als hiervoor onder paragraaf 8.1.e beschreven ten aanzien van artikel 8, eerste lid, onderdeel e, onder 1°, van de Wav. Ook in die gevallen zal een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning worden geweigerd.

Anders dan op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wav, dat aangeeft dat een tewerkstellingsvergunning voor ten hoogste drie jaar wordt verleend, geldt op grond van het tweede lid dat tewerkstellingsvergunningen en gecombineerde vergunningen voor tijdelijk werk worden verleend voor ten hoogste 24 weken. Zo worden op grond van artikel 11, tweede lid, tewerkstellingsvergunningen verleend ten behoeve van werkzaamheden die binnen een periode van 24 weken worden afgerond. Ook seizoenswerk valt onder deze paragraaf. Seizoenswerkers zijn werknemers die arbeid verrichten die naar zijn aard tijdelijke werkzaamheden omvat, vanwege het seizoensgebonden karakter, maar naar zijn aard niet valt onder het begrip incidentele arbeid als bedoeld in artikelen 4.1. tot en met 4.3. van het BuWav 2022. In de vreemdelingenregelgeving (artikel 3.58, eerste lid, onderdeel f, van het Vreemdelingenbesluit 2000) is in verband hiermee bepaald dat de verblijfsvergunning ten hoogste 24 weken duurt.

Artikel 11a. Wav: Periodieke girale betaling

11.2. Seizoensarbeid

Voor vreemdelingen die als seizoensarbeider in de zin van artikel 3, onderdeel b, Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoensarbeid een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning onder de beperking ‘seizoensarbeid’ aanvragen, gelden, naast de weigeringsgronden uit artikel 8 van de Wav, op grond van deze richtlijn een aantal afwijkende toelatingsvoorwaarden en weigeringsgronden.

11.a. Periodieke, girale betaling

Artikel 11a. Wav: Periodieke girale betaling

Bij de aanvraag toont de werkgever ook aan dat er passende huisvesting als bedoeld in paragraaf 9.1.d. voor de vreemdeling beschikbaar is. Wanneer er geen passende huisvesting beschikbaar is voor de vreemdeling, kan de tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel d, van de Wav worden geweigerd.

Bij een verlenging van een gecombineerde vergunning of een hernieuwde aanvraag tewerkstellingsvergunning zal UWV beoordelen of de werkgever het juiste loon tijdig en op de juiste wijze heeft uitbetaald.

11.a. Periodieke, girale betaling

Bij een verlenging van een gecombineerde vergunning of een hernieuwde aanvraag tewerkstellingsvergunning zal UWV beoordelen of de werkgever het juiste loon tijdig en op de juiste wijze heeft uitbetaald.

In artikel 12, eerste lid, onderdeel a, van de Wav is bepaald dat de tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning kan worden ingetrokken indien de voor verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn geweest, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.

UWV zal in de regel de tewerkstellingsvergunning intrekken indien uit eigen onderzoek van de bij UWV beschikbare gegevens dan wel uit bevindingen van ketenpartners zoals de Nederlandse arbeidsinspectie, de IND of de Belastingdienst informatie wordt verkregen waaruit blijkt dat de vergunning kan worden ingetrokken op grond van dit wetsartikel. De vergunning zal met terugwerkende kracht worden ingetrokken vanaf de datum waarop niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden. Indien het UWV beschikt over de informatie zoals eerder in deze alinea vermeld en de vreemdeling heeft een gecombineerde vergunning zal het UWV de IND adviseren om de gecombineerde vergunning in te trekken.

12.2. Intrekking tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning omdat er geen gebruik van wordt gemaakt

Artikel 12a. Wav: Facultatieve intrekkingsgronden: bij ontbreken erkende referentstatus

Van de werkgever wordt verwacht dat hij de vreemdeling en, indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2, tweede lid van de Wav, ook de andere werkgever informeert over zijn besluit niet langer van de tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning gebruik te maken.

In artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van de Wav is bepaald dat de tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning kan worden ingetrokken als er geen gebruik van wordt gemaakt. Teneinde dit te kunnen effectueren zal bij de vergunningverlening de werkgever die de tewerkstellingsvergunning heeft aangevraagd of de houder van de gecombineerde vergunning er steeds op worden gewezen dat hij op grond van artikel 4 van deze regeling verplicht is onverwijld ervan mededeling te doen als van de tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning langer dan 4 weken geen gebruik wordt gemaakt. Op grond van artikel 4 van deze regeling is de houder van de tewerkstellingsvergunning verplicht onverwijld schriftelijk mededeling te doen als van de tewerkstellingsvergunning langer dan 4 weken geen gebruik wordt gemaakt. Deze verplichting is opgenomen om te zorgen dat tijdig wordt gemeld als er geen gebruik meer wordt gemaakt van de tewerkstellingsvergunning omdat het dienstverband is geëindigd of het werk is beëindigd. Gelet hierop is de werkgever gehouden om, voor zover hij daarvan kennis heeft of kan hebben, te melden als de vreemdeling niet meer bij de werkgever werkzaam is. Zie ook paragraaf 1.3.

Van de werkgever wordt verwacht dat hij de vreemdeling en, indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2, tweede lid van de Wav, ook de andere werkgever informeert over zijn besluit niet langer van de tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning gebruik te maken.

De tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning wordt vervolgens ingetrokken, tenzij de vreemdeling een aaneengesloten verlofperiode van niet langer dan drie maanden geniet, dan wel ziekteverlof, zwangerschapsverlof, bevallingsverlof of ouderschapsverlof heeft en de arbeidsrelatie blijft voortbestaan.

Op grond van artikel 12a, onderdeel a, van de Wav kan een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning worden ingetrokken indien de erkenning als referent van een werkgever is afgewezen, ingetrokken of geschorst.

12a.1. Intrekking tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning indien erkenning als referent is afgewezen, geschorst of ingetrokken

Op grond van artikel 12a, onderdeel a, van de Wav kan een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning worden ingetrokken indien de erkenning als referent van een werkgever is afgewezen, ingetrokken of geschorst.

Op grond van artikel 2e van de Vw 2000 kan een aanvraag tot erkenning als referent worden afgewezen indien:

De erkenning als referent kan op grond van artikel 2f van de Vw 2000 worden geschorst op grond van ernstige vermoedens dat er grond bestaat om de erkenning als referent in te trekken op grond van artikel 2g van de Vw 2000.

Artikel 2g van de Vw 2000 bepaalt dat de erkenning als referent kan worden ingetrokken, indien:

Artikel 12b. Wav: Facultatieve intrekkingsgronden bij overtreding arbeidswetten

12a.2. Intrekking tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning indien aan (erkende) referent een bestuurlijke boete is opgelegd

Op grond van artikel 12a, onderdeel b, van de Wav kan een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning worden ingetrokken indien een werkgever die (erkende) referent is binnen een periode van vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag van een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning een bestuurlijke boete opgelegd heeft gekregen op grond van artikel 55a van de Vw 2000 of is gestraft op grond van artikel 108 van de Vw 2000.

Artikel 55a van de Vw 2000, eerste lid, bepaalt dat bij een overtreding van de verplichtingen bij of krachtens artikel 2a, tweede lid, onderdeel b (de zorgplicht jegens de vreemdeling), 2t, tweede en derde lid (eigen verklaringen worden volledig en naar waarheid opgesteld en alle relevante gegevens en bescheiden worden verstrekt), 24a, tweede en derde lid (eigen verklaringen worden volledig en naar waarheid opgesteld en alle relevante gegevens en bescheiden worden verstrekt), 54, eerste lid, onderdelen a tot en met e en g, en tweede lid (verschillende toezichtmaatregelen) een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Deze boete is maximaal € 3.000 voor ondernemingen, rechtspersonen en andere organisaties en € 1.500 voor natuurlijke personen.

In artikel 108 van de Vw 2000 worden verschillende strafbepalingen genoemd. De opgelegde straf kan een geldboete zijn of een periode van hechtenis.

Het UWV zal de tewerkstellingsvergunning in ieder geval niet intrekken, dan wel bij een gecombineerde vergunning niet negatief adviseren, op grond van artikel 12a, onderdeel b, Wav indien de beslissing tot oplegging van de bestuurlijke boete of oplegging van een straf op grond van artikel 108 van de Vw 2000 niet onherroepelijk is.

Op grond van artikel 12b van de Wav kan de tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning worden ingetrokken als de werkgever binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de intrekking voor een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning een bestuurlijke boete is opgelegd wegens de overtreding van artikelen die in een van de volgende artikelen zijn genoemd:

Deze gronden zijn gelijk aan de gronden waarop een vergunning kan worden geweigerd (zie daarvoor paragraaf 9.1.l.). Bij de beoordeling of een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning ingetrokken wordt, zal meewegen of sprake is van recidive of ernstige overtredingen. Van recidive is sprake als binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaande aan de intrekking meer dan een keer een bestuurlijke boete is opgelegd op grond van een van bovengenoemde artikelen en deze boetes onherroepelijk zijn geworden.

Artikel 13. Wav: Overige intrekkingsgronden

Artikel 13. Wav: Overige intrekkingsgronden

Voor ernstige overtredingen wordt verwezen naar wat daarover in de betreffende besluiten staat:

Indien de bevoegde instantie heeft geconstateerd dat zich een ernstige overtreding heeft voorgedaan zoals bedoeld in een van deze wetten en de beslissing daarover onherroepelijk is geworden, kan de tewerkstellingsvergunning worden ingetrokken, dan wel wordt geadviseerd de gecombineerde vergunning in te trekken.

Artikel 13. Wav: Overige intrekkingsgronden

Als een werkgever is veroordeeld op grond van een van deze artikelen, kan zijn aanvraag om een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning worden afgewezen. Daarbij wordt afgewogen of sprake is van recidive. Deze intrekkingsgronden kunnen ook toegepast worden als de tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning is verleend aan een bedrijf waarvan (een van) de bestuurder(s) eerder een bestuurlijke boete in het kader van deze wetten is opgelegd of hiervoor strafrechtelijk is veroordeeld. Een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning kan niet worden ingetrokken als de beslissing tot oplegging van de bestuurlijke boete of de strafrechtelijke veroordeling nog niet onherroepelijk is.

Bijlage II. Overzicht van overeenkomsten met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluiten van een volkenrechtelijke organisatie waarin is vastgelegd dat er geen tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning van een vreemdeling mag worden verlangd

    1. Onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap dan wel gezinsleden van dergelijke onderdanen waarop artikel 23 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148 EEG, 75/34 EEG, 75/35 EEG, 90/364 EEG, 90/365/EEG en 93/96 EEG (PB 2004 L158) van toepassing is;
    1. Onderdanen van een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132 en Trb. 1993, 69 en 156) waarop artikel 7 dan wel gezinsleden van dergelijke onderdanen waarop artikel 23 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148 EEG, 75/34 EEG, 75/35 EEG, 90/364 EEG, 90/365/EEG en 93/96 EEG (PB 2004 L158) van toepassing is;
    1. Burgers van het Verenigd Koninkrijk en hun familieleden op wie deel twee van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2019/C 66 I/01) van toepassing is;
    1. Personeelsleden van het Europees Ruimte-Agentschap voor de werkzaamheden in dienst van ESTEC; artikel XV, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap (Trb. 1975, 123);
    1. Personeelsleden van het Europees Octrooibureau; artikel 7 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooi-organisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in ’s-Gravenhage (Trb. 1978,16);
    1. Stafleden van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling CTA; artikel 13 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (Trb. 1984, 99);
    1. Personeelsleden van het UNU Maastricht Economic and Social Research Institute on Innovation and Technology (UNU-MERIT); artikel XV van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Universiteit van de Verenigde Naties inzake het Instituut voor nieuwe technologieën van de Universiteit van de Verenigde Naties (Trb. 1989, 74); alsmede de gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden van functionarissen van het Instituut; artikel X.1 van de Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Universiteit van de Verenigde Naties inzake de toevoeging van een artikel aan de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Universiteit van de Verenigde Naties inzake het Instituut voor nieuwe technologieën van de Universiteit van de Verenigde Naties, met betrekking tot de mogelijkheid voor gezinsleden van functionarissen van het Instituut voor nieuwe technologieën van de Universiteit van de Verenigde Naties om in Nederland betaald werk te verrichten (Trb. 2002, 46);
    1. Een vreemdeling, zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Richtlijn (EG) 2003/109(PB L 16 van 23.1.2004), betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, die gedurende ten minste één jaar legaal in Nederland verblijf heeft gehad;
    1. Stafleden van de African Management Services Company (AMSCO); artikel 11 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Financieringsmaatschappij (IFC) inzake het ‘African Training and Management Services (ATMS) Project’ van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (Trb. 1989, 61), alsmede de gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden (Trb. 2007, 214);
    1. Personeelsleden van de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) (BOIE) alsmede de inwonende gezinsleden; artikel 8 en artikel 9 van de Zetelovereenkomst voor de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) (Trb. 2007, 202);
    1. Stafleden van het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen; artikel 17 van de Zetelovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen (Trb. 1992, 8) (CFC), alsmede de inwonende gezinsleden; artikel 19A van de Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen inzake de invoeging van artikel 19 A in de Zetelovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen, met betrekking tot de mogelijkheid voor gezinsleden van functionarissen van het Fonds om in Nederland betaald werk te verrichten (Trb. 2002, 35);
    1. Stafleden van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (CTA); artikel 13 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (Trb. 1984, 99), alsmede de inwonende gezinsleden; Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Technisch Centrum voor Landbouwsamenwerking en Plattelandsontwikkeling inzake de tewerkstelling van gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden van de functionarissen van het Technisch Centrum voor Landbouwsamenwerking en Plattelandsontwikkeling (Trb. 2007, 132);
    1. Personeelsleden van het Europees Octrooi Bureau (EOB) alsmede de inwonende gezinsleden; artikel 7 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in ’s-Gravenhage (Trb. 2006, 155);
    1. Gezinsleden van stafleden van Europees Ruimte Agentschap (ESA-ESTEC), bepaald in artikel 18 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Europees Ruimte Agentschap inzake het Europees Centrum voor onderzoek en technologie-ontwikkeling op ruimtevaartgebied (Trb. 1999, 41);
    1. Gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden van de functionarissen van EUROCONTROL; Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart inzake de toevoeging van een artikel aan de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart ‘EUROCONTROL’ inzake de vestiging van ‘EUROCONTROL’ te Beek (Limburg) van 10/31 oktober 1975, met betrekking tot de mogelijkheid van gezinsleden van functionarissen van de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart om in Nederland betaald werk te verrichten (Trb. 2002, 144);
    1. Gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden van bepaalde functionarissen van EUROJUST; artikel 17 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Eurojust (Trb. 2006, 68);
    1. Gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden van de EuropOL-functionarissen genoemd in artikel XVII van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Politiedienst (Europol) betreffende de zetel van Europol (Trb. 1998, 241) art. XII, alsmede gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden van EuropOL-verbindingsofficieren die niet de nationaliteit van een EU-zendstaat hebben. Het betreft de gezinsleden van de officieren uit de volgende landen: België (Trb. 1999,49); Bulgarije (Trb. 2004, 199); Cyprus (Trb. 2004, 136); Denemarken (Trb. 1999, 25); Duitsland (Trb. 1999, 57); Estland (Trb. 2002, 212); (Trb. 1999, 26); Frankrijk (Trb. 1999, 63); Griekenland (Trb. 1999, 64); Hongarije (Trb. 2002, 77); Ierland (Trb. 1999, 42); Italië (Trb. 1999, 67); Letland (Trb. 2004, 301); Litouwen (Trb. 2004, 165); Luxemburg (Trb. 1999, 82); Malta (Trb. 2004, 312); Noorwegen (Trb. 2002, 40); Oekraïne (Trb. 2021, 121), Oostenrijk (Trb. 1999, 73); Polen (Trb. 2004, 311); Portugal (Trb. 1999, 96); Roemenië (Trb. 2006, 63); Slovenië (Trb. 2004, 53); Spanje (Trb. 1999, 32); Tsjechië (Trb. 2004, 45); Verenigd Koninkrijk (Trb. 1999, 65); Zweden (Trb. 1999, 40) en Zwitserland (Trb. 2006, 115);
    1. Gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden van functionarissen van de Hoge Commissaris inzake Nationale Minderheden (HCNM); artikel 13 van het Besluit van 18 november 2002, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet HCNM (Stb 2002, 581);
    1. Gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden van functionarissen van het Internationaal Joegoslavië Tribunaal (ICTY); Notawisseling tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en het Internationaal Joegoslavië Tribunaal (ICTY) houdende een verdrag inzake de toevoeging van artikel XV bis aan het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de zetel van het ICTY, met betrekking tot de mogelijkheid voor gezinsleden van functionarissen van het Tribunaal om in Nederland betaald werk te verrichten; ’s-Gravenhage, 20 juli 2001 (Trb. 2001, 148);
    1. Gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden van functionarissen van het Internationale Gerechtshof (IGH); Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Internationale Gerechtshof inzake de aanvulling van de notawisseling nopens de voorrechten en immuniteiten van het Internationale Gerechtshof, met betrekking tot de mogelijkheid voor gezinsleden van functionarissen van het Internationale Gerechtshof om in Nederland betaald werk te verrichten (Trb. 2002, 51);
    1. Gezinsleden van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM); artikel 14 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Organisatie voor Migratie betreffende de juridische status, de voorrechten en immuniteiten van de Organisatie in Nederland (Trb. 2012, 73);
    1. Gezinsleden van functionarissen van het Iran-United States Claim Tribunal; Briefwisseling tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de President van het ‘Iran-United States Claims Tribunal’ inzake het toekennen van voorrechten en immuniteiten aan het Tribunaal (Trb. 2004, 158);
    1. Burgerpersoneel van het Regionale Hoofdkwartier Allied Forces North (JFC HQ) zoals bedoeld in artikel 3 van het Protocol bij het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag – nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord – Atlantisch Verdrag (Trb. 1953, 111); artikel 9 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Algemeen Hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa inzake de bijzondere voorwaarden die toepasselijk zijn op de vestiging en het functioneren van internationale militaire hoofdkwartieren binnen het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden (Trb. 1969, 165);
    1. Gezinsleden van personeelsleden van de NATO Consultation, Command and Control Agency (NC3A); artikel 9 van de Briefwisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie betreffende de voorrechten en immuniteiten van de NATO Communications & Information Agency (NCIA) (Trb. 2004, 5);
    1. Gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden van functionarissen van het NATO Airborne Early Warning and Control Programme Management Agency (NAPMA); artikel 1 van de Briefwisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Noord Atlantische Verdragsorganisatie inzake de mogelijkheid voor gezinsleden van functionarissen van het NATO Airborne Early Warning and Control Programme Management Agency (NAPMA) om in Nederland betaald werk te verrichten (Trb. 2007, 124);
    1. Echtgenoten en ten laste komende leden van de huishoudens van functionarissen van de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens (OVCW); artikel 23 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens (OVCW) (Trb. 1997, 114);
    1. Gezinsleden van functionarissen van het Permanente Hof van Arbitrage (PHA) opgenoemd in artikel 13 van het Verdrag inzake de zetel van het Permanente Hof van Arbitrage (Trb. 1999, 68);
    1. Gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden van functionarissen van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur; artikel 11 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur inzake de zetel van het UNESCO-IHE instituut voor wateropleiding (Trb. 2003, 49);
    1. Afhankelijke gezinsleden van diplomaten, consulaire ambtenaren en van het administratieve, technische en dienstverlenende personeel dat werkzaam is bij diplomatieke, consulaire en permanente vertegenwoordigingen van de volgende staten:
  • –. Argentinië (Trb. 1996, 250)
  • –. Australië (Trb. 1997, 309)
  • –. Brazilië (Trb. 1996, 236
  • –. Canada (Trb. 1991, 86)
  • –. Chili (Trb. 1995, 297)
  • –. El Salvador (Trb. 2016, 157)
  • –. Hongarije (Trb. 1995, 131)
  • –. Kroatië (Trb. 2005, 246)
  • –. Peru (Trb. 2005, 283)
  • –. Tsjechië (Trb. 1996, 232)
  • –. Venezuela (Trb. 1995, 95)
  • –. Verenigde Staten (Trb. 1986, 145, gewijzigd Trb. 2013, 116)
  • –. Vietnam (Trb. 2019, 119)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)