Wijzigingsgeschiedenis
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen van 14 april 2022 tot de afhandeling van schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg (Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022)
19 versions
· 2026-03-16
2026-03-16
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2025-12-06
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2025-09-08
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2024-10-01
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2024-07-01
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2024-04-23
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2024-02-23
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2024-02-09
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2024-01-01
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-12-14
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
Wijzigingen op 2023-12-14
@@ -50,7 +50,7 @@
##### Artikel 1.3. Aanvulling van de aanvraag
1. Het Instituut verzoekt de aanvrager om aanvulling van gegevens en stukken indien niet is voldaan aan het bepaalde in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2023-10-28&g=2023-11-01), indien dit nodig is voor de beslissing op de aanvraag en de aanvrager over de gegevens en stukken redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
1. Het Instituut verzoekt de aanvrager om aanvulling van gegevens en stukken indien niet is voldaan aan het bepaalde in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2023-10-28&g=2023-12-14), indien dit nodig is voor de beslissing op de aanvraag en de aanvrager over de gegevens en stukken redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
2. Het Instituut stelt de aanvrager in de gelegenheid om de ontbrekende gegevens en stukken aan te leveren binnen een termijn van twee weken na verzending van de brief, waarin hem is verzocht de ontbrekende gegevens en stukken aan te leveren.
@@ -78,7 +78,7 @@
##### Artikel 1.6. Besluit zonder onderzoek door deskundige
Het Instituut beslist op de aanvraag, zonder dat onderzoek is verricht door een deskundige als bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2023-10-28&g=2023-11-01) indien:
Het Instituut beslist op de aanvraag, zonder dat onderzoek is verricht door een deskundige als bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2023-10-28&g=2023-12-14) indien:
- a. naar zijn oordeel zodanig onderzoek niet nodig is om op de aanvraag te beslissen; of
@@ -102,7 +102,7 @@
1. Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot schadevergoeding in verband met fysieke schade aan een gebouw of werk, en de materiële schade die een gevolg van de fysieke schade is.
2. Een verzoek tot schadevergoeding in verband met fysieke schade wordt behandeld met toepassing van de individuele maatwerkbeoordeling zoals beschreven in [hoofdstuk 2A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&z=2023-10-28&g=2023-11-01), tenzij de aanvrager verzoekt om toepassing van een forfaitaire beoordeling als bedoeld in [hoofdstuk 2B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&z=2023-10-28&g=2023-11-01) en de aanvraag voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2. Een verzoek tot schadevergoeding in verband met fysieke schade wordt behandeld met toepassing van de individuele maatwerkbeoordeling zoals beschreven in [hoofdstuk 2A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&z=2023-10-28&g=2023-12-14), tenzij de aanvrager verzoekt om toepassing van een forfaitaire beoordeling als bedoeld in [hoofdstuk 2B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&z=2023-10-28&g=2023-12-14) en de aanvraag voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
### Hoofdstuk 2a. Individuele maatwerkbeoordeling
@@ -126,7 +126,7 @@
4. De deskundige brengt zijn advies uit aan het Instituut binnen een door het Instituut gestelde termijn. Indien de deskundige binnen de gestelde termijn geen advies kan uitbrengen, deelt de deskundige dit, onder opgaaf van redenen, aan het Instituut mee voor het einde van de termijn en kan het Instituut de termijn met ten hoogste zes maanden verlengen. Het Instituut stelt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis.
5. Indien het voor het uitbrengen van een advies noodzakelijk is dat meerdere deskundigen worden benoemd, kan de deskundige of kunnen de deskundigen het Instituut daarom verzoeken. [Artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2023-10-28&g=2023-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
5. Indien het voor het uitbrengen van een advies noodzakelijk is dat meerdere deskundigen worden benoemd, kan de deskundige of kunnen de deskundigen het Instituut daarom verzoeken. [Artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2023-10-28&g=2023-12-14) is van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de aanvraag zich naar het oordeel van het Instituut daarvoor leent, kan het Instituut ervoor kiezen om de schade ten behoeve van de advisering door de deskundige op te laten nemen door een opnemer.
@@ -134,11 +134,11 @@
1. Het Instituut kan, indien de aanvraag zich daarvoor leent, een aanvrager aanbieden om zijn aanvraag te behandelen door middel van de aannemersvariant.
2. Als de aanvrager ervoor kiest om gebruik te maken van de aannemersvariant, dan neemt in afwijking van het bepaalde in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.2&z=2023-10-28&g=2023-11-01), een door het Instituut aangewezen aannemer de schade op en maakt de aannemer een beoordeling van de kosten van herstel van de schade. Voor het overige is het bepaalde in artikel 2.2 onverkort van toepassing.
2. Als de aanvrager ervoor kiest om gebruik te maken van de aannemersvariant, dan neemt in afwijking van het bepaalde in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.2&z=2023-10-28&g=2023-12-14), een door het Instituut aangewezen aannemer de schade op en maakt de aannemer een beoordeling van de kosten van herstel van de schade. Voor het overige is het bepaalde in artikel 2.2 onverkort van toepassing.
##### Artikel 2.4. Zienswijze
1. Na ontvangst van het advies, bedoeld in [artikel 2.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.2&z=2023-10-28&g=2023-11-01), stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken, mondeling of schriftelijk, een zienswijze te geven op het advies van de deskundige.
1. Na ontvangst van het advies, bedoeld in [artikel 2.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.2&z=2023-10-28&g=2023-12-14), stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken, mondeling of schriftelijk, een zienswijze te geven op het advies van de deskundige.
2. Het Instituut kan de termijn op verzoek van de aanvrager of ambtshalve verlengen.
@@ -154,7 +154,7 @@
2. Van het verzoek om een nader advies of een tweede advies wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
3. [Artikel 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.4&z=2023-10-28&g=2023-11-01) is van overeenkomstige toepassing op het nadere advies, bedoeld in het eerste lid, onder a, indien daartoe naar het oordeel van het Instituut uit oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding bestaat. Artikel 2.4 is in elk geval van toepassing op een tweede advies als bedoeld in het eerste lid, onder b.
3. [Artikel 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.4&z=2023-10-28&g=2023-12-14) is van overeenkomstige toepassing op het nadere advies, bedoeld in het eerste lid, onder a, indien daartoe naar het oordeel van het Instituut uit oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding bestaat. Artikel 2.4 is in elk geval van toepassing op een tweede advies als bedoeld in het eerste lid, onder b.
##### Artikel 2.6. Bijkomende kosten
@@ -228,9 +228,9 @@
- f. de aanvrager nog geen drie keer van de vaste vergoeding gebruik heeft gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers drie keer van de vaste vergoeding gebruik heeft gemaakt.
3. Als de aanvrager een vaste vergoeding aanvraagt, verzoekt het Instituut de aanvrager om alle schade aan het object op te nemen of te laten opnemen op de wijze zoals beschreven in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2023-10-28&g=2023-11-01).
4. Als de aanvrager alle schade aan het object heeft opgenomen of heeft laten opnemen op de wijze zoals beschreven in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2023-10-28&g=2023-11-01), en nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden uit het tweede lid, doet het Instituut de aanvrager een definitief aanbod om de schade door middel van een vaste vergoeding af te handelen. Onderdeel van het aanbod is het bepaalde met betrekking tot de finaliteit in [artikel 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.10&z=2023-10-28&g=2023-11-01). Als de aanvrager het aanbod accepteert, komt een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in [artikel 7:900 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=900) tot stand.
3. Als de aanvrager een vaste vergoeding aanvraagt, verzoekt het Instituut de aanvrager om alle schade aan het object op te nemen of te laten opnemen op de wijze zoals beschreven in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2023-10-28&g=2023-12-14).
4. Als de aanvrager alle schade aan het object heeft opgenomen of heeft laten opnemen op de wijze zoals beschreven in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2023-10-28&g=2023-12-14), en nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden uit het tweede lid, doet het Instituut de aanvrager een definitief aanbod om de schade door middel van een vaste vergoeding af te handelen. Onderdeel van het aanbod is het bepaalde met betrekking tot de finaliteit in [artikel 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.10&z=2023-10-28&g=2023-12-14). Als de aanvrager het aanbod accepteert, komt een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in [artikel 7:900 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=900) tot stand.
5. Nadat de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het vierde lid tot stand is gekomen, neemt het Instituut een besluit op de aanvraag en keert het de vaste vergoeding uit.
@@ -240,13 +240,13 @@
- b. de aanvrager of één van de gezamenlijke aanvragers inmiddels reeds drie keer van de vaste vergoeding gebruik heeft gemaakt;
- c. in het kader van de aanvraag is gekozen voor een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in [hoofdstuk 2A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&z=2023-10-28&g=2023-11-01);
- c. in het kader van de aanvraag is gekozen voor een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in [hoofdstuk 2A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&z=2023-10-28&g=2023-12-14);
- d. voor de behandeling van de aanvraag, of een andere aanvraag voor hetzelfde object, op of ná 7 juni 2021 een afspraak is gepland voor een opname van de schade;
- e. de aanvrager niet alle schade aan het object heeft opgenomen of heeft laten opnemen op de wijze zoals beschreven in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2023-10-28&g=2023-11-01);
- f. uit de opname als bedoeld in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2023-10-28&g=2023-11-01) niet blijkt van schade;
- e. de aanvrager niet alle schade aan het object heeft opgenomen of heeft laten opnemen op de wijze zoals beschreven in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2023-10-28&g=2023-12-14);
- f. uit de opname als bedoeld in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2023-10-28&g=2023-12-14) niet blijkt van schade;
- g. de aanvrager het definitieve aanbod als bedoeld in het vierde lid, niet heeft aanvaard; of
@@ -260,11 +260,11 @@
##### Artikel 2.10. Finaal karakter van de vaste vergoeding
1. Met het toekennen van een vaste vergoeding op grond van [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8&z=2023-10-28&g=2023-11-01) is alle schade aan het object vergoed en afgehandeld; ongeacht de inhoud van de schademelding, de beschrijving van de schade als bedoeld in [artikel 1.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.3&z=2023-10-28&g=2023-11-01), of de opname als bedoeld in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2023-10-28&g=2023-11-01).
2. Met de vaste vergoeding is ook voorzien in een eenmalige en finale vergoeding voor alle bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast. Alleen waardedaling als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&z=2023-10-28&g=2023-11-01) en immateriële schade als bedoeld in [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&z=2023-10-28&g=2023-11-01) valt hier niet onder.
3. Het Instituut zal een nieuwe aanvraag tot schadevergoeding met betrekking tot een object waar een vaste vergoeding voor is toegekend afwijzen, indien tussen het moment van totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in [artikel 2.8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8&z=2023-10-28&g=2023-11-01), en het moment van het indienen van de aanvraag:
1. Met het toekennen van een vaste vergoeding op grond van [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8&z=2023-10-28&g=2023-12-14) is alle schade aan het object vergoed en afgehandeld; ongeacht de inhoud van de schademelding, de beschrijving van de schade als bedoeld in [artikel 1.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.3&z=2023-10-28&g=2023-12-14), of de opname als bedoeld in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2023-10-28&g=2023-12-14).
2. Met de vaste vergoeding is ook voorzien in een eenmalige en finale vergoeding voor alle bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast. Alleen waardedaling als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&z=2023-10-28&g=2023-12-14) en immateriële schade als bedoeld in [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&z=2023-10-28&g=2023-12-14) valt hier niet onder.
3. Het Instituut zal een nieuwe aanvraag tot schadevergoeding met betrekking tot een object waar een vaste vergoeding voor is toegekend afwijzen, indien tussen het moment van totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in [artikel 2.8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8&z=2023-10-28&g=2023-12-14), en het moment van het indienen van de aanvraag:
- •. zich geen aardbeving heeft voorgedaan in het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk die op het adres van het object heeft geleid tot een trillingssnelheid van 5 mm/s, te berekenen met de methode van Bommer met 1% overschrijdingskans; en
@@ -274,7 +274,7 @@
##### Artikel 3.1. Waardedaling van woningen
1. Het bepaalde in de [artikelen 3.1 tot en met 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2023-10-28&g=2023-11-01) is uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit de waardedaling van een woning, welke waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de woning, bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2023-10-28&g=2023-11-01).
1. Het bepaalde in de [artikelen 3.1 tot en met 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2023-10-28&g=2023-12-14) is uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit de waardedaling van een woning, welke waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de woning, bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2023-10-28&g=2023-12-14).
2. Onder een woning wordt verstaan een onroerende zaak, met daarop een pand, die volgens de Landelijke Voorziening Basisregistraties Adressen en Gebouwen een woonfunctie heeft.
@@ -290,7 +290,7 @@
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, hanteert het Instituut voor het bepalen van de omvang van de waardedaling de datum van notariële levering van de eigendom van een woning indien die levering heeft plaatsgevonden na 16 augustus 2012 maar voor de peildatum.
3. Het Instituut kan beslissen om een actuelere peildatum vast te stellen dan de datum die is genoemd in het eerste lid, mits voor die peildatum ook een geactualiseerde versie van de methode, bedoeld in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.2&z=2023-10-28&g=2023-11-01), beschikbaar is gesteld aan het Instituut.
3. Het Instituut kan beslissen om een actuelere peildatum vast te stellen dan de datum die is genoemd in het eerste lid, mits voor die peildatum ook een geactualiseerde versie van de methode, bedoeld in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.2&z=2023-10-28&g=2023-12-14), beschikbaar is gesteld aan het Instituut.
4. Indien het Instituut beslist tot vaststelling van een nieuwe peildatum, dan publiceert hij die beslissing op zijn website.
@@ -322,7 +322,7 @@
##### Artikel 3.6. Waardedaling van een ‘niet-woning’
1. Het bepaalde in de [artikelen 3.6 tot en met 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2023-10-28&g=2023-11-01) is uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit waardedaling van een ‘niet-woning’, welke waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de niet-woning, bedoeld in hoofdstuk 2.
1. Het bepaalde in de [artikelen 3.6 tot en met 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2023-10-28&g=2023-12-14) is uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit waardedaling van een ‘niet-woning’, welke waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de niet-woning, bedoeld in hoofdstuk 2.
2. Onder ‘waardedaling’ wordt verstaan een verminderde opbrengst bij verkoop van een ‘niet- woning’ door de beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
@@ -338,11 +338,11 @@
##### Artikel 3.7. Advisering deskundigen
1. Ingevolge [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2023-10-28&g=2023-11-01) van deze Werkwijze kan het Instituut een of meer deskundigen benoemen ter advisering over een aanvraag tot vergoeding van waardedaling van een niet-woning. Bij de advisering nemen de deskundigen de regels van het civielrechtelijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht in acht. In afwijking van artikel 1.5, derde lid van deze Werkwijze stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om binnen een termijn van vier weken, mondeling of schriftelijk, een zienswijze te geven op de voorgenomen benoeming van de deskundige(n).
1. Ingevolge [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2023-10-28&g=2023-12-14) van deze Werkwijze kan het Instituut een of meer deskundigen benoemen ter advisering over een aanvraag tot vergoeding van waardedaling van een niet-woning. Bij de advisering nemen de deskundigen de regels van het civielrechtelijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht in acht. In afwijking van artikel 1.5, derde lid van deze Werkwijze stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om binnen een termijn van vier weken, mondeling of schriftelijk, een zienswijze te geven op de voorgenomen benoeming van de deskundige(n).
2. Tenzij het Instituut de deskundige(n) een bijzondere adviesopdracht geeft, stellen de deskundigen in dit kader in ieder geval een onderzoek in naar:
- a. de vraag of de schade, bedoeld in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2023-10-28&g=2023-11-01), kan worden beschouwd als een gevolg van de beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
- a. de vraag of de schade, bedoeld in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2023-10-28&g=2023-12-14), kan worden beschouwd als een gevolg van de beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
- b. het bedrag waarmee de schade, die als een gevolg van de oorzaak, bedoeld onder a, kan worden beschouwd, moet worden vergoed.
@@ -350,11 +350,11 @@
3. De deskundigen brengen het advies uit aan het Instituut binnen een door het Instituut gestelde termijn. Indien de deskundigen binnen de gestelde termijn geen advies kunnen uitbrengen, deelt de deskundige dit, onder opgaaf van redenen, aan het Instituut mee voor het einde van de termijn en kan het Instituut de termijn met tenminste zes maanden verlengen. Het Instituut stelt de aanvrager daarvan in kennis.
4. Indien voor het uitbrengen van een advies noodzakelijk is dat meerdere deskundigen worden benoemd, kan de deskundige of kunnen de deskundigen het Instituut daarom verzoeken. [Artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2023-10-28&g=2023-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien voor het uitbrengen van een advies noodzakelijk is dat meerdere deskundigen worden benoemd, kan de deskundige of kunnen de deskundigen het Instituut daarom verzoeken. [Artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2023-10-28&g=2023-12-14) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.8. Zienswijze
1. Na ontvangst van het advies, bedoeld in [artikel 3.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.7&z=2023-10-28&g=2023-11-01), stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om binnen een termijn van vier weken, mondeling of schriftelijk, een zienswijze te geven op het advies van de deskundigen.
1. Na ontvangst van het advies, bedoeld in [artikel 3.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.7&z=2023-10-28&g=2023-12-14), stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om binnen een termijn van vier weken, mondeling of schriftelijk, een zienswijze te geven op het advies van de deskundigen.
2. Het Instituut kan de termijn op verzoek van de aanvrager of ambtshalve verlengen.
@@ -370,23 +370,23 @@
2. Van het verzoek om een nader advies of een tweede advies wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
3. [Artikel 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.8&z=2023-10-28&g=2023-11-01) is van overeenkomstige toepassing op het nadere advies, bedoeld in het eerste lid, onder a, indien daartoe naar het oordeel van het Instituut uit oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding bestaat. Artikel 3.8 is in elk geval van toepassing op het tweede advies, bedoeld in het eerste lid, onder b.
3. [Artikel 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.8&z=2023-10-28&g=2023-12-14) is van overeenkomstige toepassing op het nadere advies, bedoeld in het eerste lid, onder a, indien daartoe naar het oordeel van het Instituut uit oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding bestaat. Artikel 3.8 is in elk geval van toepassing op het tweede advies, bedoeld in het eerste lid, onder b.
##### Artikel 3.10. Dubbelfuncties
1. Indien een pand naast een woonfunctie als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2023-10-28&g=2023-11-01) ook een andere functie heeft, dan zal het Instituut het pand in zijn geheel als een woning beschouwen indien het pand zijn waarde in overwegende mate ontleent aan zijn woonfunctie. In dat geval wordt de waardedaling van het pand finaal vastgesteld aan de hand van de woonfunctie en bestaat voor het overige geen aanspraak op een vergoeding voor waardedaling.
2. Indien het pand niet in overwegende mate, maar slechts mede zijn waarde ontleent aan zijn woonfunctie, dan zal het Instituut voor de waarde van de woning uitgaan van de waarde die in het taxatieverslag bij de beschikking tot vaststelling van de WOZ-waarde is toegekend aan de onderdelen van de onroerende zaak die de woonfunctie mogelijk maken. Voor deze onderdelen kan de aanvrager de ontstane waardedaling vergoed krijgen op grond van de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2023-10-28&g=2023-11-01) en volgende.
3. Indien het pand zijn waarde niet mede ontleent aan zijn woonfunctie, dan kan de waardedaling van het pand niet worden begroot met de methode voor woningen. Een aanvraag op grond van de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2023-10-28&g=2023-11-01) en volgende zal dan worden afgewezen. In dat geval kan de aanvrager een verzoek doen tot vergoeding van waardedaling met inachtneming van het bepaalde in de [artikelen 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2023-10-28&g=2023-11-01) en volgende met betrekking tot de waardedaling van niet-woningen.
4. Indien het Instituut op grond van het tweede lid een vergoeding heeft toegekend, dan kan de aanvrager daarnaast met inachtneming van het bepaalde in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2023-10-28&g=2023-11-01) en volgende een verzoek doen tot vergoeding van de waardedaling van de niet-woning. Als een vergoeding wordt toegekend voor de waardedaling van de niet-woning kan daarop de reeds toegekende vergoeding voor de woonfunctie daarop in mindering worden gebracht, mits bij de begroting van de waardedaling van de niet-woning de woonfunctie in aanmerking is genomen.
1. Indien een pand naast een woonfunctie als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2023-10-28&g=2023-12-14) ook een andere functie heeft, dan zal het Instituut het pand in zijn geheel als een woning beschouwen indien het pand zijn waarde in overwegende mate ontleent aan zijn woonfunctie. In dat geval wordt de waardedaling van het pand finaal vastgesteld aan de hand van de woonfunctie en bestaat voor het overige geen aanspraak op een vergoeding voor waardedaling.
2. Indien het pand niet in overwegende mate, maar slechts mede zijn waarde ontleent aan zijn woonfunctie, dan zal het Instituut voor de waarde van de woning uitgaan van de waarde die in het taxatieverslag bij de beschikking tot vaststelling van de WOZ-waarde is toegekend aan de onderdelen van de onroerende zaak die de woonfunctie mogelijk maken. Voor deze onderdelen kan de aanvrager de ontstane waardedaling vergoed krijgen op grond van de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2023-10-28&g=2023-12-14) en volgende.
3. Indien het pand zijn waarde niet mede ontleent aan zijn woonfunctie, dan kan de waardedaling van het pand niet worden begroot met de methode voor woningen. Een aanvraag op grond van de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2023-10-28&g=2023-12-14) en volgende zal dan worden afgewezen. In dat geval kan de aanvrager een verzoek doen tot vergoeding van waardedaling met inachtneming van het bepaalde in de [artikelen 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2023-10-28&g=2023-12-14) en volgende met betrekking tot de waardedaling van niet-woningen.
4. Indien het Instituut op grond van het tweede lid een vergoeding heeft toegekend, dan kan de aanvrager daarnaast met inachtneming van het bepaalde in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2023-10-28&g=2023-12-14) en volgende een verzoek doen tot vergoeding van de waardedaling van de niet-woning. Als een vergoeding wordt toegekend voor de waardedaling van de niet-woning kan daarop de reeds toegekende vergoeding voor de woonfunctie daarop in mindering worden gebracht, mits bij de begroting van de waardedaling van de niet-woning de woonfunctie in aanmerking is genomen.
### Hoofdstuk 4. Immateriële schade
##### Artikel 4.1. Immateriële schade
1. Het bepaalde in de [artikelen 4.1 tot en met 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.1&z=2023-10-28&g=2023-11-01) is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot vergoeding van immateriële schade als bedoeld in [artikel 6:106 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=106).
1. Het bepaalde in de [artikelen 4.1 tot en met 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.1&z=2023-10-28&g=2023-12-14) is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot vergoeding van immateriële schade als bedoeld in [artikel 6:106 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=106).
2. Het Instituut behandelt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade in beginsel aan de hand van de gestandaardiseerde methode die is beschreven in de volgende artikelen van dit hoofdstuk.
@@ -432,7 +432,7 @@
| Gebied | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
| --- | --- | --- |
| Het effectgebied als bedoeld in [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2023-10-28&g=2023-11-01), niet zijnde een van de hierna bedoelde gebieden. | 0 | Geen aanwijzing |
| Het effectgebied als bedoeld in [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2023-10-28&g=2023-12-14), niet zijnde een van de hierna bedoelde gebieden. | 0 | Geen aanwijzing |
| Het gebied waarbinnen op grond van de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot 1 januari 2019 op enig moment tot 10% waardedaling is opgetreden. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Het gebied waar ingevolge de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot 1 januari 2019 op enig moment minimaal 10% waardedaling is opgetreden. | 2 | Aanwijzing |
@@ -490,7 +490,7 @@
##### Artikel 4.7. Weging en vaste bedragen
1. Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een persoonsaantasting zoals bedoeld in de [artikelen 4.3 tot en met 4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2023-10-28&g=2023-11-01), af te leiden uit het getal dat de intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk:
1. Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een persoonsaantasting zoals bedoeld in de [artikelen 4.3 tot en met 4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2023-10-28&g=2023-12-14), af te leiden uit het getal dat de intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk:
| Cumulatieve gewicht aanwijzingen | Persoonsaantasting | Persoonsaantasting | Vergoeding |
| --- | --- | --- | --- |
@@ -499,7 +499,7 @@
| 7 t/m 9 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 10 t/m 14 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
2. Behoudens het bepaalde in [artikel 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.8&z=2023-10-28&g=2023-11-01), kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.
2. Behoudens het bepaalde in [artikel 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.8&z=2023-10-28&g=2023-12-14), kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.
##### Artikel 4.8. Persoonlijke impact analyse
@@ -550,13 +550,13 @@
##### Artikel 5.2. Inspectie en beoordeling
1. Het Instituut pleegt zo spoedig mogelijk nadat hem uit een melding als bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.1&z=2023-10-28&g=2023-11-01), of anderszins is gebleken van de mogelijkheid van een acuut onveilige situatie, vooroverleg met de rechthebbende op het gebouw of werk en waar zinvol met de melder, indien hij niet de rechthebbende is.
1. Het Instituut pleegt zo spoedig mogelijk nadat hem uit een melding als bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.1&z=2023-10-28&g=2023-12-14), of anderszins is gebleken van de mogelijkheid van een acuut onveilige situatie, vooroverleg met de rechthebbende op het gebouw of werk en waar zinvol met de melder, indien hij niet de rechthebbende is.
2. Tenzij uit het vooroverleg blijkt dat geen sprake is van een acuut onveilige situatie, zal het Instituut de situatie onmiddellijk, maar in elk geval binnen 48 uur na indiening van de melding, inspecteren.
3. Het Instituut laat zich bij de beoordeling of sprake is van een acuut onveilige situatie adviseren door een onafhankelijke deskundige. De deskundige legt zijn bevindingen achteraf vast in een verslag dat door het Instituut aan de rechthebbende op het gebouw of werk ter beschikking zal worden gesteld. De deskundige zendt zijn verslag uiterlijk binnen 3 dagen na de inspectie aan het Instituut.
4. Het Instituut kan de onafhankelijk deskundige, bedoeld in het derde lid, of een andere deskundige, ook vragen om te adviseren over de vraag of de gevaar opleverende schade in causaal verband staat met bodembeweging door mijnbouwactiviteiten uit het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk, met het oog op een voortvarende afhandeling van een aanvraag als bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2023-10-28&g=2023-11-01) of met het oog op toepassing van [artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.3&z=2023-10-28&g=2023-11-01).
4. Het Instituut kan de onafhankelijk deskundige, bedoeld in het derde lid, of een andere deskundige, ook vragen om te adviseren over de vraag of de gevaar opleverende schade in causaal verband staat met bodembeweging door mijnbouwactiviteiten uit het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk, met het oog op een voortvarende afhandeling van een aanvraag als bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2023-10-28&g=2023-12-14) of met het oog op toepassing van [artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.3&z=2023-10-28&g=2023-12-14).
##### Artikel 5.3. Veiligheidsmaatregelen
@@ -570,13 +570,13 @@
3. Het Instituut geeft alleen toepassing aan het tweede lid, indien de rechthebbende hiermee schriftelijk heeft ingestemd.
4. Indien de rechthebbende niet instemt met het uitvoeren van de door het Instituut voorgestane maatregelen als bedoeld in [artikel 5.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.3&z=2023-10-28&g=2023-11-01), zal het Instituut hem in elk geval schriftelijk informeren over de daarmee gemoeide risico’s.
4. Indien de rechthebbende niet instemt met het uitvoeren van de door het Instituut voorgestane maatregelen als bedoeld in [artikel 5.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.3&z=2023-10-28&g=2023-12-14), zal het Instituut hem in elk geval schriftelijk informeren over de daarmee gemoeide risico’s.
##### Artikel 5.4. Afhandeling melding
1. Indien er geen sprake is van een acuut onveilige situatie, deelt het Instituut dit de melder gemotiveerd mede.
2. Het Instituut informeert de rechthebbende op het gebouw of werk waaraan een acuut onveilige situatie is ontstaan daarnaast schriftelijk over de mogelijkheid om een verzoek tot schadevergoeding te doen als bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2023-10-28&g=2023-11-01). Indien de melding terecht is, zal dit verzoek met prioriteit worden behandeld.
2. Het Instituut informeert de rechthebbende op het gebouw of werk waaraan een acuut onveilige situatie is ontstaan daarnaast schriftelijk over de mogelijkheid om een verzoek tot schadevergoeding te doen als bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2023-10-28&g=2023-12-14). Indien de melding terecht is, zal dit verzoek met prioriteit worden behandeld.
3. De betrokkenheid van het Instituut bij de acuut onveilige situatie eindigt vijftien maanden nadat de melding is gedaan dan wel, indien dit eerder is, drie maanden nadat beslist is op de aanvraag tot schadevergoeding.
@@ -586,7 +586,7 @@
##### Artikel 5.5. Informatie-uitwisseling
1. Het Instituut informeert de burgemeester van de betrokken gemeente uiterlijk binnen 48 uur nadat is vastgesteld dat sprake is van een acuut onveilige situatie. Het Instituut zendt daarnaast ook een verslag van de onafhankelijke deskundige als bedoeld in [artikel 5.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.2&z=2023-10-28&g=2023-11-01), aan de burgemeester nadat dit is opgeleverd.
1. Het Instituut informeert de burgemeester van de betrokken gemeente uiterlijk binnen 48 uur nadat is vastgesteld dat sprake is van een acuut onveilige situatie. Het Instituut zendt daarnaast ook een verslag van de onafhankelijke deskundige als bedoeld in [artikel 5.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.2&z=2023-10-28&g=2023-12-14), aan de burgemeester nadat dit is opgeleverd.
2. Het Instituut zal de burgemeester zo spoedig mogelijk informeren over de getroffen veiligheidsmaatregelen of over het feit dat de rechthebbende niet instemt met het uitvoeren van de door het Instituut voorgestane veiligheidsmaatregelen.
@@ -624,7 +624,7 @@
##### Artikel 6.4. Inschakeling deskundige in bezwaar
1. Het Instituut en de bezwaaradviescommissie kunnen in het kader van de behandeling van het bezwaar één of meerdere deskundigen inschakelen, onverminderd [artikel 2.5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.5a&z=2023-10-28&g=2023-11-01). [Artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2023-10-28&g=2023-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
1. Het Instituut en de bezwaaradviescommissie kunnen in het kader van de behandeling van het bezwaar één of meerdere deskundigen inschakelen, onverminderd [artikel 2.5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.5a&z=2023-10-28&g=2023-12-14). [Artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2023-10-28&g=2023-12-14) is van overeenkomstige toepassing.
2. Het Instituut stelt deskundigen ter beschikking aan de bezwaaradviescommissie.
@@ -648,13 +648,13 @@
##### Artikel 2.7a
1. De bedragen, bedoeld in [artikel 2.6, tweede lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.6&z=2023-10-28&g=2023-11-01), kunnen jaarlijks geïndexeerd worden aan de hand van de stijging van het minimumloon voor werknemers van 21 jaar en ouder, uitgaande van een werkweek van 36 uur, waarbij de hoogte wordt vastgesteld aan de hand van tweemaal het wettelijk bruto minimumloon.
2. Het bedrag, bedoeld in [artikel 2.6, derde lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.6&z=2023-10-28&g=2023-11-01), kan jaarlijks worden geïndexeerd overeenkomstig de wijze waarop de vergoeding, bedoeld in [artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=6) wordt geïndexeerd.
1. De bedragen, bedoeld in [artikel 2.6, tweede lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.6&z=2023-10-28&g=2023-12-14), kunnen jaarlijks geïndexeerd worden aan de hand van de stijging van het minimumloon voor werknemers van 21 jaar en ouder, uitgaande van een werkweek van 36 uur, waarbij de hoogte wordt vastgesteld aan de hand van tweemaal het wettelijk bruto minimumloon.
2. Het bedrag, bedoeld in [artikel 2.6, derde lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.6&z=2023-10-28&g=2023-12-14), kan jaarlijks worden geïndexeerd overeenkomstig de wijze waarop de vergoeding, bedoeld in [artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=6) wordt geïndexeerd.
3. De indexatie vindt plaats op 1 januari van het betreffende kalenderjaar. Het Instituut publiceert de geïndexeerde vergoedingen op zijn website en kan daarbij de bedragen naar boven afronden.
4. Indien gedurende het kalenderjaar de vergoeding, bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=6), of [artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=11) wordt gewijzigd, gaat die wijziging voor de toepassing van [artikel 2.6, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.6&z=2023-10-28&g=2023-11-01), in op 1 januari van het komende kalenderjaar.
4. Indien gedurende het kalenderjaar de vergoeding, bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=6), of [artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=11) wordt gewijzigd, gaat die wijziging voor de toepassing van [artikel 2.6, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.6&z=2023-10-28&g=2023-12-14), in op 1 januari van het komende kalenderjaar.
### Hoofdstuk 2b. Vaste vergoeding
@@ -682,13 +682,13 @@
### Hoofdstuk 5. Acuut onveilige situatie
### Hoofdstuk 6. Bezwaar
### Hoofdstuk 4. Immateriële schade
### Hoofdstuk 7. Slot
Deze werkwijze wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.
#### Paragraaf 4.1. Algemene bepalingen
#### Paragraaf 3.2. Waardedaling niet-woningen
##### Artikel 4.1. Immateriële schade
@@ -864,11 +864,11 @@
##### Artikel 4.10. Methode tot begroting immateriële schade
1. Het Instituut behandelt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade aan de hand van de gestandaardiseerde methode, zoals beschreven in [artikel 4.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=4.11&z=2024-04-23&g=2023-11-01).
1. Het Instituut behandelt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade aan de hand van de gestandaardiseerde methode, zoals beschreven in [artikel 4.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=4.11&z=2024-04-23&g=2023-12-14).
2. In afwijking van het eerste lid, beoordeelt het Instituut een aanvraag aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval, indien de aanvrager in de aanvraag of anderszins voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag stelt dat een correcte toepassing van de gestandaardiseerde methode naar zijn oordeel tot onvoldoende schadevergoeding zou leiden.
3. [Artikel 4.1a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.1a&z=2024-04-23&g=2023-11-01), is van overeenkomstige toepassing op aanvragen tot vergoeding van immateriële schade voor minderjarigen.
3. [Artikel 4.1a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.1a&z=2024-04-23&g=2023-12-14), is van overeenkomstige toepassing op aanvragen tot vergoeding van immateriële schade voor minderjarigen.
##### Artikel 4.11. Gestandaardiseerde methode en vaste bedragen
@@ -876,7 +876,7 @@
2. Bij de gestandaardiseerde methode kent het Instituut aan de minderjarige de schadevergoeding toe die aan diens wettelijke vertegenwoordiger is toegekend.
3. In afwijking van het tweede lid, wordt de aan de minderjarige toe te kennen vergoeding niet gelijk gesteld aan de in het tweede lid genoemde vergoeding, indien aan de wettelijk vertegenwoordiger op grond van [artikel 4.1a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.1a&z=2024-04-23&g=2023-11-01), een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk is de vergoeding gelijk te trekken.
3. In afwijking van het tweede lid, wordt de aan de minderjarige toe te kennen vergoeding niet gelijk gesteld aan de in het tweede lid genoemde vergoeding, indien aan de wettelijk vertegenwoordiger op grond van [artikel 4.1a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.1a&z=2024-04-23&g=2023-12-14), een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk is de vergoeding gelijk te trekken.
4. Indien het Instituut ten aanzien van de wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige niet hetzelfde bedrag heeft toegekend, is de hoogst toegekende vergoeding voor immateriële schade bepalend.
@@ -942,7 +942,7 @@
1. Voor een besluit tot de vergoeding van waardedaling van een woning, genomen tussen 6 april 2022 en 1 januari 2023, geldt dat indien de begroting van waardedaling zoals in dit hoofdstuk is bepaald tot een hogere vergoeding zou hebben geleid dan reeds is toegekend bij het genomen besluit, het Instituut ambtshalve het verschil tussen de toegekende en nieuw berekende vergoeding vergoedt.
2. Op aanvragen ingediend voor 1 januari 2023, maar waarop wordt besloten vanaf 1 januari 2023, wordt de methode als genoemd in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.2&z=2024-04-23&g=2023-11-01 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.2&z=2024-04-23&g=2023-11-01) van de werkwijze toegepast. Zou toepassing van de methode ’’J. Poort e.a., ‘Zeven bewogen jaren’, (Atlas voor gemeenten, oktober 2019)’’, met peildatum 1 januari 2019 en de daarover uitgebrachte adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen en hetgeen overigens in dit hoofdstuk is bepaald (hierna: Methodiek 2019), in een geval als bedoeld in dit lid leiden tot een hogere waardedalingsvergoeding, wordt in plaats daarvan de Methodiek 2019 toegepast.
2. Op aanvragen ingediend voor 1 januari 2023, maar waarop wordt besloten vanaf 1 januari 2023, wordt de methode als genoemd in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.2&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.2&z=2024-04-23&g=2023-12-14) van de werkwijze toegepast. Zou toepassing van de methode ’’J. Poort e.a., ‘Zeven bewogen jaren’, (Atlas voor gemeenten, oktober 2019)’’, met peildatum 1 januari 2019 en de daarover uitgebrachte adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen en hetgeen overigens in dit hoofdstuk is bepaald (hierna: Methodiek 2019), in een geval als bedoeld in dit lid leiden tot een hogere waardedalingsvergoeding, wordt in plaats daarvan de Methodiek 2019 toegepast.
##### Artikel 3.5b. Overgangsbepaling tegemoetkoming waardedaling
@@ -1177,3 +1177,305 @@
### Hoofdstuk 7. Slot
Deze werkwijze wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.
##### Artikel 2.8a. Vaste vergoeding voor kleine objecten of objecten met een WOZ-waarde van minder dan € 50.000
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
- –. **cultuurcode:** cultuuraanduiding, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006596&artikel=14);
- –. **oppervlakte:** oppervlakte zoals opgenomen in de Basisadministratie Adressen en Gebouwen;
- –. **WOZ-waarde:** waarde, bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=18).
2. De vaste eenmalige vergoeding van € 5.000, bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8&z=2024-04-23&g=2023-12-14), geldt voor de volgende objecten:
- a. bebouwd, cultuurcode 18: berging – stalling (garage-schuur), waarbij:
- (i). de oppervlakte kleiner is dan 30 m2, of
- (ii). de oppervlakte gelijk is aan of groter is dan 30 m2 en de WOZ-waarde lager is dan € 50.000.
- b. bebouwd, cultuurcode 100: perceel bebouwd – gebruik onbekend, waarbij:
- (i). de oppervlakte kleiner is dan 30 m2, of
- (ii). de oppervlakte gelijk is aan of groter is dan 30 m2 en de WOZ-waarde lager is dan € 50.000.
- c. bebouwd, geen cultuurcode is vermeld in het Kadaster, waarbij:
- (i). de oppervlakte kleiner dan 30 m2, of
- (ii). de oppervlakte gelijk is aan of groter is dan 30 m2 en de WOZ-waarde lager is dan € 50.000.
3. Het Instituut hanteert als waardepeildatum voor de WOZ-waarde het derde kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de aanvraag voor een vaste vergoeding gedaan is.
### Hoofdstuk 3. Schade bestaande uit waardedaling
#### Paragraaf 3.1. Waardedaling van woningen
##### Artikel 3.1. Waardedaling van woningen
1. Het bepaalde in de [artikelen 3.1 tot en met 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2024-04-23&g=2023-12-14) is uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit de waardedaling van een woning, welke waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de woning, bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2024-04-23&g=2023-12-14).
2. Onder een woning wordt verstaan een onroerende zaak, met daarop een pand, die volgens de Landelijke Voorziening Basisregistraties Adressen en Gebouwen een woonfunctie heeft.
##### Artikel 3.2. Methode tot begroting waardedaling
1. Het Instituut begroot de omvang van de waardedaling van een woning met toepassing van de methode die is beschreven in het onderzoek van Atlas voor gemeenten (J. Poort e.a., ‘Herstel, maar nog niet hersteld’, Atlas Research, april 2022).
2. Bij de toepassing van de methode uit het eerste lid, volgt het Instituut de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen, met inachtneming van hetgeen overigens in dit hoofdstuk is bepaald.
##### Artikel 3.3. Peildatum
1. Het Instituut hanteert voor het bepalen van de omvang van de waardedaling 1 januari 2021 als peildatum.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, hanteert het Instituut voor het bepalen van de omvang van de waardedaling de datum van notariële levering van de eigendom van een woning indien die levering heeft plaatsgevonden na 16 augustus 2012 maar voor de peildatum.
3. Het Instituut kan beslissen om een actuelere peildatum vast te stellen dan de datum die is genoemd in het eerste lid, mits voor die peildatum ook een geactualiseerde versie van de methode, bedoeld in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.2&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.2&z=2024-04-23&g=2023-12-14), beschikbaar is gesteld aan het Instituut.
4. Indien het Instituut beslist tot vaststelling van een nieuwe peildatum, dan publiceert hij die beslissing op zijn website.
5. De nieuwe peildatum is van toepassing op alle aanvragen tot vergoeding van waardedaling waarvoor de aanvraag is ingediend op of na de dag waarop het Instituut de beslissing tot vaststelling van een actuelere peildatum heeft gepubliceerd op zijn website. Daarnaast is de nieuwe peildatum van toepassing op aanvragen die waren ingediend vóór die dag, maar waarop nog geen beslissing is genomen, mits de nieuwe peildatum tot een hoger bedrag aan waardedaling leidt. Indien een nieuwe peildatum is vastgesteld kan geen aanvraag meer worden ingediend voor de waardedaling die is ontstaan op de peildatum als genoemd in het eerste lid.
##### Artikel 3.4. Omvang van de waardedaling
1. De waardedaling wordt bepaald aan de hand van een vergelijking van de waarde van de woning op de peildatum met de waarde die de woning zou hebben gehad zonder het effect van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de peildatum.
2. Het Instituut gaat voor de waarde van de woning met het effect van bodembeweging uit van de WOZ-waarde zoals die is vastgesteld voor de peildatum.
3. Voor de waarde van de woning, waarbij het effect van bodembeweging is weggedacht, wordt uitgegaan van de WOZ-waarde als bedoeld in het tweede lid, maar vermeerderd met het percentage waardedaling volgens de formule, waarbij x geldt als het percentage waardedaling.
4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt afgeweken van de WOZ-waarde indien de aanvrager de betreffende woning voorafgaand aan de aanvraag heeft verkocht en overgedragen. In dat laatste geval wordt voor de waarde van de woning uitgegaan van de verkoopprijs van de woning. Indien de verkoopprijs niet kan worden vastgesteld aan de hand van de notariële akte, zal het Instituut (alsnog) uitgaan van de laatste WOZ-waarde voorafgaand aan de verkoop.
5. Het Instituut hanteert voor het bepalen van het percentage van de waardedaling van een woning het percentage dat volgt uit de methode van Atlas Research (voorheen: Atlas voor gemeenten), waarbij wordt uitgegaan van het model met bevingen van 2,9 mm/s of meer, te vermeerderen met eenmaal de standaardfout in verband met eventuele individuele verschillen of onzekerheden.
6. Het Instituut houdt bij het bepalen van de waardedaling van de woning die toekomt aan de aanvrager, rekening met de zakenrechtelijke positie van de aanvrager ten opzichte van de woning, waaronder de periode waarin de eigenaar die woning in eigendom had en de waardedaling die gedurende deze periode is opgetreden, het gedeelte van de eigendom dat aan de aanvrager toebehoort en of de aanvrager de eigendom van de woning heeft.
##### Artikel 3.5. Finaal karakter vergoeding
1. In de door het Instituut toegekende vergoeding voor de waardedaling van een woning zijn de goede en kwade kansen op toekomstige aardbevingen verdisconteerd. De vergoeding betreft daarom een volledige en eenmalige vergoeding voor de waardedaling van de woning en heeft een finaal karakter.
2. Het Instituut zal de toegekende vergoeding niet herzien, indien later blijkt dat de waardedaling anders zou moeten worden begroot of indien blijkt dat de waardedaling is toe- of afgenomen.
3. Het Instituut zal zijn besluit tot toekenning van een vergoeding voor waardedaling uitsluitend, desgevraagd en in weerwil van dit finale karakter, kunnen heroverwegen indien na inwerkingtreding van deze werkwijze bevingen optreden die van dien aard zijn dat die op 1 januari 2021 onvoorzienbaar geacht moesten worden én daaruit onvoorzienbare en substantiële prijseffecten voortvloeien.
4. Het Instituut is van oordeel dat bevingen en de daaruit voortvloeiende prijseffecten als voorzienbaar moeten worden beschouwd, en dus geen aanleiding vormen om de toegekende vergoeding voor waardedaling te heroverwegen, indien deze bevingen een magnitude hebben van minder dan 4, tenzij binnen een periode van 365 aaneengesloten kalenderdagen ten minste twee bevingen optreden met een magnitude van 3,6 op de schaal van Richter of meer.
##### Artikel 3.6. Waardedaling van een ‘niet-woning’
1. De [artikelen 3.6 tot en met 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.6&z=2024-04-23&g=2023-12-14) zijn uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit waardedaling van een ‘niet-woning’, als die waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de niet-woning, bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2024-04-23&g=2023-12-14).
2. Onder een ‘niet-woning’ wordt verstaan een onroerende zaak, met daarop een pand, dat geen of slechts voor een deel een woonfunctie heeft volgens de Landelijke Voorziening Basisregistraties Adressen en Gebouwen, op een adres staat ingeschreven, waarvoor een actieve markt bestaat.
3. Het Instituut zal verzoeken tot vergoeding van de waardedaling van verkochte en niet- verkochte niet-woningen behandelen vanaf een door het Instituut nader te bepalen datum in 2024 die bekend wordt gemaakt op de website van het Instituut. Aanvragen die zijn ingediend vóór 30 november 2023 worden behandeld vooruitlopend op die nader te bepalen datum.
##### Artikel 3.7. Peildatum
1. Het Instituut hanteert voor het bepalen van de omvang van de waardedaling van een niet- woning 1 januari 2021 als peildatum.
2. In afwijking van het eerste lid, hanteert het Instituut voor het bepalen van de omvang van de waardedaling van een niet-woning de datum van notariële levering van de eigendom van een niet-woning, indien die levering heeft plaatsgevonden na 16 augustus 2012 maar voor de peildatum.
3. [Artikel 3.3, derde tot en met het vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.3&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3&z=2024-04-23&g=2023-12-14), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.8. Omvang van de waardedaling
1. De waardedaling van een niet-woning wordt bepaald aan de hand van een vergelijking van de waarde van de niet-woning op de peildatum met de waarde die de niet-woning zou hebben gehad zonder het effect van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de peildatum, zoals uitgewerkt in de volgende leden.
2. Het Instituut hanteert voor het bepalen van de hoogte van de waardedaling van een niet- woning met een WOZ-waarde tussen € 50.000 en € 200.000 de formule die volgt uit de **Notitie inzake beantwoording vragen IMG** van de Adviescommissie Waardedaling niet- woningen aardbevingsgebied Groningen en die luidt als volgt: ((% waardedaling behorend bij € 200.000 per categorie x € 200.000) / 150.000) x (WOZ-waarde minus de ondergrens van € 50.000). Hierbij geldt dat de ligging in het waardedalingsgebied de zwaartecategorie bepaalt waarin het object valt en het waardedalingspercentage wordt berekend aan de hand van de zwaartecategorie en de WOZ-waarde.
3. Het Instituut hanteert voor het bepalen van de hoogte van de waardedaling van een niet-woning met een WOZ-waarde vanaf € 200.000 tot € 3.000.000 de in de matrix uit bijlage 3 bij het advies **Waardedaling niet-woningen in het aardbevingsgebied Groningen**genoemde bedragen, die zijn vastgesteld aan de hand van de zwaartecategorie waarin het object zich bevindt en de waarde van het object. Voor de waarde van het object, waarbij het effect van bodembeweging is weggedacht, wordt uitgegaan van de WOZ-waarde, bedoeld in het tweede lid, vermeerderd met het percentage waardedaling dat in de tabel van de notitie is vastgesteld aan de hand van de zwaartecategorie en de WOZ-waarde. Bij het vaststellen van de waardedaling wordt gebruikgemaakt van een glijdende schaal voor waardes van niet-woningen die zich bevinden tussen de in de matrix genoemde bedragen.
4. Het Instituut wijst een aanvraag tot vergoeding van waardedaling af indien:
- a. die betrekking heeft op een object met een WOZ-waarde van minder dan € 50.000 of vanaf € 3.000.000, of
- b. de aanvrager het object voor 16 augustus 2012 heeft verkocht, of na die datum heeft gekocht.
5. Het Instituut hanteert de volgende waardepeildatum, bedoeld in [artikel 18 van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=18):
- a. het kalenderjaar 2022, indien [artikel 3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.7&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2024-04-23&g=2023-12-14), van toepassing is, dan wel
- b. het kalenderjaar waarin de verkoop plaatsvond, indien [artikel 3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.7&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2024-04-23&g=2023-12-14), van toepassing is.
6. Het Instituut houdt bij het bepalen van de waardedaling van de niet-woning die toekomt aan de aanvrager rekening met de zakenrechtelijke positie van de aanvrager ten opzichte van de niet-woning, waaronder het gedeelte van de eigendom dat aan de aanvrager toebehoort en de periode waarin de aanvrager die niet-woning in eigendom had.
##### Artikel 3.9. Dubbelfuncties
1. Indien een pand naast een woonfunctie als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2024-04-23&g=2023-12-14) ook een andere functie heeft, zal het Instituut het pand in zijn geheel als een woning beschouwen indien het pand zijn waarde in overwegende mate ontleent aan zijn woonfunctie. In dat geval wordt de waardedaling van het pand vastgesteld aan de hand van de woonfunctie en bestaat voor het overige geen aanspraak op een vergoeding voor waardedaling.
2. Indien het pand niet in overwegende mate, maar slechts mede zijn waarde ontleent aan zijn woonfunctie, dan zal het Instituut voor de waarde van de woning uitgaan van de waarde die in het taxatieverslag bij de beschikking tot vaststelling van de WOZ-waarde is toegekend aan de onderdelen van de onroerende zaak die de woonfunctie omvatten. Voor deze onderdelen kan de aanvrager de ontstane waardedaling vergoed krijgen op de voet van de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2024-04-23&g=2023-12-14) en volgende.
3. Indien het pand zijn waarde niet mede ontleent aan zijn woonfunctie, dan kan de waardedaling van het pand niet worden begroot met de methode voor woningen. Een aanvraag op grond van de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2024-04-23&g=2023-12-14) en volgende zal dan worden afgewezen. In dat geval kan de aanvrager een verzoek doen tot vergoeding van waardedaling met inachtneming van het bepaalde in de [artikelen 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.6&z=2024-04-23&g=2023-12-14) en volgende met betrekking tot de waardedaling van niet-woningen.
4. Indien het Instituut op grond van het tweede lid een vergoeding heeft toegekend, dan kan de aanvrager daarnaast met inachtneming van het bepaalde in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.6&z=2024-04-23&g=2023-12-14) en volgende een verzoek doen tot vergoeding van de waardedaling van de niet-woning. Daarbij wordt het gedeelte van de WOZ-waarde dat hoort bij de niet-woning betrokken in de aanvraag.
##### Artikel 3.10. Finale kwijting
1. In de door het Instituut toegekende vergoeding voor de waardedaling van een niet-woning zijn de goede en kwade kansen op toekomstige aardbevingen verdisconteerd. De vergoeding voor de waardedaling van een niet-woning betreft een volledige en eenmalige vergoeding voor de waardedaling van de niet-woning en heeft een finaal karakter.
2. [Artikel 3.5, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2024-04-23&g=2023-12-14), is van overeenkomstige toepassing op een besluit op een verzoek tot vergoeding van schade die bestaat uit waardedaling van een ‘niet-woning'.
#### Paragraaf 4.1. Algemene bepalingen
##### Artikel 4.1. Immateriële schade
1. Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot vergoeding van immateriële schade als bedoeld in [artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=106).
2. Een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade ten behoeve van een natuurlijk persoon die op de dag van ontvangst van de aanvraag meerderjarig is, wordt behandeld met toepassing van het bepaalde in de [artikelen 4.1a tot en met 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.2&z=2024-04-23&g=2023-12-14).
3. Een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade ten behoeve van een natuurlijk persoon die op de dag van ontvangst van de aanvraag minderjarig is, als bedoeld in [artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233), wordt behandeld met toepassing van het bepaalde in de [artikelen 4.9 tot en met 4.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=4.9&z=2024-04-23&g=2023-12-14).
#### Paragraaf 4.2. Immateriële schade van meerderjarige natuurlijke personen
##### Artikel 4.2. Gestandaardiseerde methode
1. Voor de gestandaardiseerde methode komen natuurlijke personen in aanmerking die op de dag van ontvangst van de aanvraag meerderjarig zijn en die in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de dag van ontvangst van de aanvraag op enig moment woonachtig zijn geweest in het effectgebied waar het bewijsvermoeden van toepassing is (geweest), of ten aanzien van wier woning(en) gelegen binnen dat effectgebied ten tijde van de bewoning een vergoeding is toegekend vanwege fysieke schade die het gevolg is van bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
2. Het Instituut beziet de volgende feiten en omstandigheden met betrekking tot de adressen waarop de aanvrager blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) woonachtig is geweest in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag, om de nadelige gevolgen van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de aanvrager in te schatten:
- a. de locatie van de woning(en) van de aanvrager;
- b. de veiligheidssituatie ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager;
- c. de omvang van de fysieke schade aan woning(en) van de aanvrager, tot uitdrukking komend in de hoogte van de daarvoor toegekende schadevergoeding;
- d. de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de aanvraag tot vergoeding van de fysieke schade aan de woning(en) van de aanvrager.
3. De feiten en omstandigheden genoemd in het tweede lid kunnen een aanwijzing vormen voor het bestaan van een persoonsaantasting. Aan de hand van de combinatie en het gewicht van deze aanwijzingen bepaalt het Instituut of het een persoonsaantasting aannemelijk acht en, zo ja, welke mate van persoonsaantasting aannemelijk is en welke schadevergoeding daarvoor moet worden toegekend.
##### Artikel 4.3. De locatie van de woning(en)
1. Voor wat betreft de locatie van de woning(en) van de aanvrager maakt het Instituut onderscheid tussen de volgende situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Gebied | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
| --- | --- | --- |
| Het effectgebied als bedoeld in [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.2&z=2024-04-23&g=2023-12-14), niet zijnde een van de hierna bedoelde gebieden. | 0 | Geen aanwijzing |
| Het gebied waarbinnen op grond van de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de in [artikel 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.3&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3&z=2024-04-23&g=2023-12-14) bedoelde peildatum op enig moment tot 10% waardedaling is opgetreden. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Het gebied waar ingevolge de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de in [artikel 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&artikel=3.3&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3&z=2024-04-23&g=2023-12-14) bedoelde peildatum op enig moment minimaal 10% waardedaling is opgetreden. | 2 | Aanwijzing |
2. Indien de aanvrager in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag op verschillende adressen woonachtig is geweest, is de locatie die de sterkste aanwijzing voor een persoonsaantasting vormt bepalend.
##### Artikel 4.4. De veiligheidssituatie van de woning(en)
1. Voor wat betreft de veiligheidssituatie van de woning(en) van de aanvrager onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Situatie | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
| --- | --- | --- |
| Geen sprake van een objectieve indicator voor onveiligheid in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 0 | Geen aanwijzing |
| De woning(en) van de aanvrager maakt naar weten van de aanvrager onderdeel uit of heeft onderdeel uitgemaakt van de versterkingsoperatie van de Nationaal Coördinator Groningen in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 2 | Aanwijzing |
| Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een acuut onveilige situatie door mijnbouwschade vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 3 | Sterke aanwijzing |
| De woning(en) van de aanvrager konden naar het oordeel van het bevoegd gezag tijdelijk niet meer bewoond worden of zijn door het bevoegd gezag onbewoonbaar verklaard in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was, als gevolg van een door het bevoegd gezag vastgestelde acuut onveilige situatie door mijnbouwschade dan wel als gevolg van de noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen. | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
2. Indien de aanvrager in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag op verschillende adressen woonachtig is geweest, is de omstandigheid die de sterkste aanwijzing voor een persoonsaantasting vormt bepalend.
##### Artikel 4.5. De omvang van de fysieke schade aan de woning(en)
1. Voor wat betreft de omvang van de fysieke schade aan de woning(en) betrekt het Instituut de som van alle uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade op de adressen waarop de aanvrager op enig moment gedurende de procedure tot afhandeling van die fysieke schade woonachtig was. Daarbij onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Som vergoedingen fysieke schade | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
| --- | --- | --- |
| **€ 0 tot € 1.000** | 0 | Geen aanwijzing |
| **€ 1.000 tot € 10.001** | 1 | Lichte aanwijzing |
| **€ 10.001 tot € 25.000** | 2 | Aanwijzing |
| **€ 25.000 tot € 45.000** | 3 | Sterke aanwijzing |
| **€ 45.000 of meer** | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
2. Indien de aanvrager geen eigenaar was van de woning op het adres waarop de procedure tot afhandeling van fysieke schade als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft, wordt de vergoeding voor fysieke schade voor 50% betrokken in de som van uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt met de eigenaar als bedoeld in het tweede lid gelijkgesteld de duurzaam samenlevende partner van de eigenaar.
##### Artikel 4.6. De duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade aan de woning(en)
1. Voor wat betreft de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade betrekt het Instituut de som van de afhandelingsduur van alle procedures tot afhandeling van fysieke schade aan de woning(en) op de adressen waarop de aanvrager op het moment van die afhandeling woonachtig was en ten aanzien waarvan de aanvrager eigenaar was. Daarbij onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Som afhandelingsduur | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
| --- | --- | --- |
| 0 tot 2 jaar | 0 | Geen aanwijzing |
| 2 tot 4 jaar | 1 | Lichte aanwijzing |
| 4 tot 6 jaar | 2 | Aanwijzing |
| 6 tot 8 jaar | 3 | Sterke aanwijzing |
| 8 jaar of meer | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
2. Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de NAM of het CVW, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de schademelding en de uitbetaling van de schadevergoeding.
3. Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de TCMG of het IMG, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de datum van de aanvraag tot schadevergoeding en de datum waarop het besluit op de aanvraag is genomen. In geval van bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures die gegrond zijn bevonden, worden de termijnen waarbinnen de afhandeling heeft plaatsgevonden bij elkaar opgeteld om de totale afhandelingsduur van de schademelding te bepalen.
4. Bij het bepalen van de som van de afhandelingsduur als bedoeld in het eerste lid, kan het Instituut rekening houden met de termijn waarbinnen de afhandeling van de procedure(s) op verzoek van de aanvrager is opgeschort of anderszins te wijten is aan omstandigheden die redelijkerwijs voor rekening van de aanvrager dienen te worden gelaten.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt met de eigenaar als bedoeld in het eerste lid gelijkgesteld de duurzaam samenlevende partner van de eigenaar.
##### Artikel 4.7. Weging en vaste bedragen
1. Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een persoonsaantasting zoals bedoeld in de [artikelen 4.3 tot en met 4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.3&z=2024-04-23&g=2023-12-14), af te leiden uit het getal dat de intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk:
| Cumulatieve gewicht aanwijzingen | Persoonsaantasting | Persoonsaantasting | Vergoeding |
| --- | --- | --- | --- |
| 0 t/m 3 | A | Geen persoonsaantasting | - |
| 4 t/m 6 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 7 t/m 9 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 10 t/m 14 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
2. Behoudens het bepaalde in [artikel 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.8&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.8&z=2024-04-23&g=2023-12-14), kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.
3. Het Instituut kent, in afwijking van het tweede lid, aan de aanvrager een vergoeding van € 5.000 toe, indien het Instituut een aanwijzing (2) of een zeer sterke aanwijzing (4), als bedoeld in [artikel 4.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.4&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.4&z=2024-04-23&g=2023-12-14), heeft aangenomen.
4. Indien op grond van [artikel 4.1a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.1a&z=2024-04-23&g=2023-12-14), of het tweede of derde lid van dit artikel of [artikel 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.8&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.8&z=2024-04-23&g=2023-12-14), aan een lid van het huishouden van de aanvrager een hogere vergoeding voor immateriële schade is toegekend dan waarvoor de aanvrager in aanmerking komt of zou komen op grond van artikel 4.1a, tweede lid, het tweede of derde lid van dit artikel, of artikel 4.8, wordt aan die aanvrager krachtens dit lid eveneens die hogere vergoeding toegekend.
5. In afwijking van het vierde lid, wordt de aan de aanvrager toe te kennen vergoeding niet gelijk getrokken met de in het vierde lid eerstgenoemde hogere vergoeding, indien:
- a. geen aanwijzing voor een persoonsaantasting voor de aanvrager of het andere lid van het huishouden is aangenomen voor de veiligheidssituatie van de woning, als bedoeld in [artikel 4.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.4&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.4&z=2024-04-23&g=2023-12-14), of in verband met de omvang van de fysieke schade van de woning als bedoeld in [artikel 4.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.5&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.5&z=2024-04-23&g=2023-12-14), of
- b. op grond van [artikel 4.1a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.1a&z=2024-04-23&g=2023-12-14), een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk is de vergoeding gelijk te trekken.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een lid van het huishouden verstaan de meerderjarige natuurlijke persoon die een besluit op de aanvraag tot vergoeding van immateriële schade van het Instituut heeft ontvangen en met wie de aanvrager minimaal zes maanden heeft samengewoond op een in [artikel 4.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2024-04-23&g=2023-12-14 jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=4.2&z=2024-04-23&g=2023-12-14), bedoeld adres.
##### Artikel 4.8. Persoonlijke impact analyse
1. De aanvrager kan de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden aanvullen door middel van een door het Instituut vastgestelde en gevalideerde vragenlijst waarmee de persoonlijke impact van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de persoon van de aanvrager kan worden ingeschat.
2. Bij deze inschatting betrekt het Instituut de volgende elementen:
- 1). persoonlijk welbevinden,
- 2). invloed op het dagelijks functioneren (gedrag) en
- 3). invloed op sociale relaties. Om de mate van leedervaring te bepalen wordt voor elk van deze elementen de ervaring van de aanvrager vergeleken met een representatieve referentiegroep.
3. Het Instituut schat de persoonlijke impact van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de persoon van de aanvrager op basis van het cumulatieve gewicht van de drie elementen in op een van de volgende profielen:
Profiel 1 = tot licht ervaren leed
Profiel 2 = enigszins ernstig ervaren leed
Profiel 3 = ernstig ervaren leed
Profiel 4 = bijzonder ernstig ervaren leed
4. Indien de aanvrager de persoonlijke impact analyse, bedoeld in het eerste lid, heeft ingevuld, acht het Instituut aan de hand van het cumulatieve gewicht van de aanwijzingen voor een persoonsaantasting in combinatie met het profiel vanuit de persoonlijke impact analyse, als volgt het bestaan en de mate van persoonsaantasting aannemelijk:
| Cumulatieve gewicht aanwijzingen | Profiel persoonlijke impact analyse | Persoonsaantasting | Persoonsaantasting | Vergoeding |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| 0 t/m 2 | 1, 2, 3 of 4 | A | Geen persoonsaantasting | - |
| 3 | 1 | A | Geen persoonsaantasting | - |
| 3 | 2, 3 of 4 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 4 | 1, 2, 3 of 4 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 5 t/m 6 | 1 of 2 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 5 t/m 6 | 3 of 4 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 7 | 1, 2, 3 of 4 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 8 t/m 9 | 1, 2 of 3 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 8 t/m 9 | 4 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
| 10 t/m 14 | 1, 2, 3 of 4 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
5. Het Instituut kent aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het vierde lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.
#### Paragraaf 4.3. Immateriële schade van minderjarige natuurlijke personen
### Hoofdstuk 5. Acuut onveilige situatie
### Hoofdstuk 6. Bezwaar
### Hoofdstuk 7. Slot
Deze werkwijze wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.
2023-11-01
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-10-28
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-10-23
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-10-03
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-07-01
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-05-15
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-01-01
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2022-07-13
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2022-07-13
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 20
original version
Tekst op deze datum