Wijzigingsgeschiedenis

Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen van 14 april 2022 tot de afhandeling van schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg (Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022)

19 versions · 2026-03-16
2026-03-16
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2025-12-06
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2025-09-08
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2024-10-01
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2024-07-01
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2024-04-23
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022

Wijzigingen op 2024-04-23

@@ -50,7 +50,7 @@
##### Artikel 1.3. Aanvulling van de aanvraag
1. Het Instituut verzoekt de aanvrager om aanvulling van gegevens en stukken indien niet is voldaan aan het bepaalde in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2024-02-23&g=2024-02-23), indien dit nodig is voor de beslissing op de aanvraag en de aanvrager over de gegevens en stukken redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
1. Het Instituut verzoekt de aanvrager om aanvulling van gegevens en stukken indien niet is voldaan aan het bepaalde in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2024-04-23&g=2024-04-23), indien dit nodig is voor de beslissing op de aanvraag en de aanvrager over de gegevens en stukken redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
2. Het Instituut stelt de aanvrager in de gelegenheid om de ontbrekende gegevens en stukken aan te leveren binnen een termijn van twee weken na verzending van de brief, waarin hem is verzocht de ontbrekende gegevens en stukken aan te leveren.
@@ -78,7 +78,7 @@
##### Artikel 1.6. Besluit zonder onderzoek door deskundige
Het Instituut beslist op de aanvraag, zonder dat onderzoek is verricht door een deskundige als bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2024-02-23&g=2024-02-23) indien:
Het Instituut beslist op de aanvraag, zonder dat onderzoek is verricht door een deskundige als bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2024-04-23&g=2024-04-23) indien:
- a. naar zijn oordeel zodanig onderzoek niet nodig is om op de aanvraag te beslissen; of
@@ -102,7 +102,7 @@
1. Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot schadevergoeding in verband met fysieke schade aan een gebouw of werk, en de materiële schade die een gevolg van de fysieke schade is.
2. Een verzoek tot schadevergoeding in verband met fysieke schade wordt behandeld met toepassing van de individuele maatwerkbeoordeling zoals beschreven in [hoofdstuk 2A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&z=2024-02-23&g=2024-02-23), tenzij de aanvrager verzoekt om toepassing van een forfaitaire beoordeling als bedoeld in [hoofdstuk 2B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&z=2024-02-23&g=2024-02-23) en de aanvraag voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2. Een verzoek tot schadevergoeding in verband met fysieke schade wordt behandeld met toepassing van de individuele maatwerkbeoordeling zoals beschreven in [hoofdstuk 2A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&z=2024-04-23&g=2024-04-23), tenzij de aanvrager verzoekt om toepassing van een forfaitaire beoordeling als bedoeld in [hoofdstuk 2B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&z=2024-04-23&g=2024-04-23) en de aanvraag voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
### Hoofdstuk 2a. Individuele maatwerkbeoordeling
@@ -126,7 +126,7 @@
4. De deskundige brengt zijn advies uit aan het Instituut binnen een door het Instituut gestelde termijn. Indien de deskundige binnen de gestelde termijn geen advies kan uitbrengen, deelt de deskundige dit, onder opgaaf van redenen, aan het Instituut mee voor het einde van de termijn en kan het Instituut de termijn met ten hoogste zes maanden verlengen. Het Instituut stelt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis.
5. Indien het voor het uitbrengen van een advies noodzakelijk is dat meerdere deskundigen worden benoemd, kan de deskundige of kunnen de deskundigen het Instituut daarom verzoeken. [Artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2024-02-23&g=2024-02-23) is van overeenkomstige toepassing.
5. Indien het voor het uitbrengen van een advies noodzakelijk is dat meerdere deskundigen worden benoemd, kan de deskundige of kunnen de deskundigen het Instituut daarom verzoeken. [Artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2024-04-23&g=2024-04-23) is van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de aanvraag zich naar het oordeel van het Instituut daarvoor leent, kan het Instituut ervoor kiezen om de schade ten behoeve van de advisering door de deskundige op te laten nemen door een opnemer.
@@ -134,11 +134,11 @@
1. Het Instituut kan, indien de aanvraag zich daarvoor leent, een aanvrager aanbieden om zijn aanvraag te behandelen door middel van de aannemersvariant.
2. Als de aanvrager ervoor kiest om gebruik te maken van de aannemersvariant, dan neemt in afwijking van het bepaalde in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.2&z=2024-02-23&g=2024-02-23), een door het Instituut aangewezen aannemer de schade op en maakt de aannemer een beoordeling van de kosten van herstel van de schade. Voor het overige is het bepaalde in artikel 2.2 onverkort van toepassing.
2. Als de aanvrager ervoor kiest om gebruik te maken van de aannemersvariant, dan neemt in afwijking van het bepaalde in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.2&z=2024-04-23&g=2024-04-23), een door het Instituut aangewezen aannemer de schade op en maakt de aannemer een beoordeling van de kosten van herstel van de schade. Voor het overige is het bepaalde in artikel 2.2 onverkort van toepassing.
##### Artikel 2.4. Zienswijze
1. Na ontvangst van het advies, bedoeld in [artikel 2.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.2&z=2024-02-23&g=2024-02-23), stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken, mondeling of schriftelijk, een zienswijze te geven op het advies van de deskundige.
1. Na ontvangst van het advies, bedoeld in [artikel 2.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.2&z=2024-04-23&g=2024-04-23), stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken, mondeling of schriftelijk, een zienswijze te geven op het advies van de deskundige.
2. Het Instituut kan de termijn op verzoek van de aanvrager of ambtshalve verlengen.
@@ -154,7 +154,7 @@
2. Van het verzoek om een nader advies of een tweede advies wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
3. [Artikel 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.4&z=2024-02-23&g=2024-02-23) is van overeenkomstige toepassing op het nadere advies, bedoeld in het eerste lid, onder a, indien daartoe naar het oordeel van het Instituut uit oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding bestaat. Artikel 2.4 is in elk geval van toepassing op een tweede advies als bedoeld in het eerste lid, onder b.
3. [Artikel 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.4&z=2024-04-23&g=2024-04-23) is van overeenkomstige toepassing op het nadere advies, bedoeld in het eerste lid, onder a, indien daartoe naar het oordeel van het Instituut uit oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding bestaat. Artikel 2.4 is in elk geval van toepassing op een tweede advies als bedoeld in het eerste lid, onder b.
##### Artikel 2.6. Bijkomende kosten
@@ -200,7 +200,7 @@
##### Artikel 2.8. Vaste vergoeding
1. Het Instituut kan de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade afhandelen door middel van het toekennen van een eenmalige vaste vergoeding van € 10.000, dan wel van € 5.000 indien het een object als bedoeld in [artikel 2.8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8a&z=2024-02-23&g=2024-02-23) betreft.
1. Het Instituut kan de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade afhandelen door middel van het toekennen van een eenmalige vaste vergoeding van € 10.000, dan wel van € 5.000 indien het een object als bedoeld in [artikel 2.8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8a&z=2024-04-23&g=2024-04-23) betreft.
2. Het Instituut biedt een aanvrager de mogelijkheid om een vaste vergoeding aan te vragen, indien:
@@ -230,9 +230,9 @@
- f. de aanvrager nog geen drie keer van een vaste vergoeding gebruik heeft gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers drie keer van een vaste vergoeding gebruik heeft gemaakt.
3. Als de aanvrager een vaste vergoeding aanvraagt, verzoekt het Instituut de aanvrager om alle schade aan het object op te nemen of te laten opnemen op de wijze zoals beschreven in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2024-02-23&g=2024-02-23).
4. Als de aanvrager alle schade aan het object heeft opgenomen of heeft laten opnemen op de wijze zoals beschreven in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2024-02-23&g=2024-02-23), en nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden uit het tweede lid, doet het Instituut de aanvrager een definitief aanbod om de schade door middel van een vaste vergoeding af te handelen. Onderdeel van het aanbod is het bepaalde met betrekking tot de finaliteit in [artikel 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.10&z=2024-02-23&g=2024-02-23). Als de aanvrager het aanbod accepteert, komt een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in [artikel 7:900 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=900) tot stand.
3. Als de aanvrager een vaste vergoeding aanvraagt, verzoekt het Instituut de aanvrager om alle schade aan het object op te nemen of te laten opnemen op de wijze zoals beschreven in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2024-04-23&g=2024-04-23).
4. Als de aanvrager alle schade aan het object heeft opgenomen of heeft laten opnemen op de wijze zoals beschreven in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2024-04-23&g=2024-04-23), en nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden uit het tweede lid, doet het Instituut de aanvrager een definitief aanbod om de schade door middel van een vaste vergoeding af te handelen. Onderdeel van het aanbod is het bepaalde met betrekking tot de finaliteit in [artikel 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.10&z=2024-04-23&g=2024-04-23). Als de aanvrager het aanbod accepteert, komt een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in [artikel 7:900 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=900) tot stand.
5. Nadat de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het vierde lid tot stand is gekomen, neemt het Instituut een besluit op de aanvraag en keert het de vaste vergoeding uit.
@@ -242,19 +242,19 @@
- b. de aanvrager of één van de gezamenlijke aanvragers inmiddels reeds drie keer van een vaste vergoeding gebruik heeft gemaakt;
- c. in het kader van de aanvraag is gekozen voor een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in [hoofdstuk 2A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&z=2024-02-23&g=2024-02-23);
- c. in het kader van de aanvraag is gekozen voor een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in [hoofdstuk 2A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&z=2024-04-23&g=2024-04-23);
- d. voor de behandeling van de aanvraag, of een andere aanvraag voor hetzelfde object, op of ná 7 juni 2021 een afspraak is gepland voor een opname van de schade;
- e. de aanvrager niet alle schade aan het object heeft opgenomen of heeft laten opnemen op de wijze zoals beschreven in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2024-02-23&g=2024-02-23);
- f. uit de opname als bedoeld in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2024-02-23&g=2024-02-23) niet blijkt van schade die naar zijn aard kan zijn ontstaan of verergerd als gevolg van mijnbouwactiviteiten;
- e. de aanvrager niet alle schade aan het object heeft opgenomen of heeft laten opnemen op de wijze zoals beschreven in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2024-04-23&g=2024-04-23);
- f. uit de opname als bedoeld in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2024-04-23&g=2024-04-23) niet blijkt van schade die naar zijn aard kan zijn ontstaan of verergerd als gevolg van mijnbouwactiviteiten;
- g. de aanvrager het definitieve aanbod als bedoeld in het vierde lid, niet heeft aanvaard; of
- h. het vermoedt dat er sprake is van fraude of misbruik.
7. Het zesde lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing op aanvragen die zijn ingediend tot en met 8 januari 2024, en waarop het Instituut nog geen beslissing heeft genomen. De vorige volzin geldt niet indien het een object betreft als bedoeld in [artikel 2.8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8a&z=2024-02-23&g=2024-02-23).
7. Het zesde lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing op aanvragen die zijn ingediend tot en met 8 januari 2024, en waarop het Instituut nog geen beslissing heeft genomen. De vorige volzin geldt niet indien het een object betreft als bedoeld in [artikel 2.8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8a&z=2024-04-23&g=2024-04-23).
##### Artikel 2.9. Omvang en opname van de schade
@@ -264,11 +264,11 @@
##### Artikel 2.10. Finaal karakter van de vaste vergoeding
1. Met het toekennen van een vaste vergoeding op grond van [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8&z=2024-02-23&g=2024-02-23) is alle schade aan het object vergoed en afgehandeld; ongeacht de inhoud van de schademelding, de beschrijving van de schade als bedoeld in [artikel 1.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.3&z=2024-02-23&g=2024-02-23), of de opname als bedoeld in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2024-02-23&g=2024-02-23).
2. Met de vaste vergoeding is ook voorzien in een eenmalige en finale vergoeding voor alle bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast. Alleen waardedaling als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&z=2024-02-23&g=2024-02-23) en immateriële schade als bedoeld in [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&z=2024-02-23&g=2024-02-23) valt hier niet onder.
3. Het Instituut zal een nieuwe aanvraag tot schadevergoeding met betrekking tot een object waar een vaste vergoeding voor is toegekend afwijzen, indien tussen het moment van totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in [artikel 2.8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8&z=2024-02-23&g=2024-02-23), en het moment van het indienen van de aanvraag:
1. Met het toekennen van een vaste vergoeding op grond van [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8&z=2024-04-23&g=2024-04-23) is alle schade aan het object vergoed en afgehandeld; ongeacht de inhoud van de schademelding, de beschrijving van de schade als bedoeld in [artikel 1.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.3&z=2024-04-23&g=2024-04-23), of de opname als bedoeld in [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.9&z=2024-04-23&g=2024-04-23).
2. Met de vaste vergoeding is ook voorzien in een eenmalige en finale vergoeding voor alle bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast. Alleen waardedaling als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&z=2024-04-23&g=2024-04-23) en immateriële schade als bedoeld in [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&z=2024-04-23&g=2024-04-23) valt hier niet onder.
3. Het Instituut zal een nieuwe aanvraag tot schadevergoeding met betrekking tot een object waar een vaste vergoeding voor is toegekend afwijzen, indien tussen het moment van totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in [artikel 2.8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8&z=2024-04-23&g=2024-04-23), en het moment van het indienen van de aanvraag:
- •. zich geen aardbeving heeft voorgedaan in het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk die op het adres van het object heeft geleid tot een trillingssnelheid van 5 mm/s, te berekenen met de methode van Bommer met 1% overschrijdingskans; en
@@ -278,7 +278,7 @@
##### Artikel 3.1. Waardedaling van woningen
1. Het bepaalde in de [artikelen 3.1 tot en met 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2024-02-23&g=2024-02-23) is uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit de waardedaling van een woning, welke waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de woning, bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2024-02-23&g=2024-02-23).
1. Het bepaalde in de [artikelen 3.1 tot en met 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2024-04-23&g=2024-04-23) is uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit de waardedaling van een woning, welke waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de woning, bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2024-04-23&g=2024-04-23).
2. Onder een woning wordt verstaan een onroerende zaak, met daarop een pand, die volgens de Landelijke Voorziening Basisregistraties Adressen en Gebouwen een woonfunctie heeft.
@@ -294,7 +294,7 @@
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, hanteert het Instituut voor het bepalen van de omvang van de waardedaling de datum van notariële levering van de eigendom van een woning indien die levering heeft plaatsgevonden na 16 augustus 2012 maar voor de peildatum.
3. Het Instituut kan beslissen om een actuelere peildatum vast te stellen dan de datum die is genoemd in het eerste lid, mits voor die peildatum ook een geactualiseerde versie van de methode, bedoeld in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.2&z=2024-02-23&g=2024-02-23), beschikbaar is gesteld aan het Instituut.
3. Het Instituut kan beslissen om een actuelere peildatum vast te stellen dan de datum die is genoemd in het eerste lid, mits voor die peildatum ook een geactualiseerde versie van de methode, bedoeld in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.2&z=2024-04-23&g=2024-04-23), beschikbaar is gesteld aan het Instituut.
4. Indien het Instituut beslist tot vaststelling van een nieuwe peildatum, dan publiceert hij die beslissing op zijn website.
@@ -326,9 +326,15 @@
##### Artikel 3.6. Waardedaling van een ‘niet-woning’
1. De [artikelen 3.6 tot en met 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2024-02-23&g=2024-02-23) zijn uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit waardedaling van een ‘niet-woning’, als die waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de niet-woning, bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2024-02-23&g=2024-02-23).
2. Onder een ‘niet-woning’ wordt verstaan een onroerende zaak, met daarop een pand, dat geen of slechts voor een deel een woonfunctie heeft volgens de Landelijke Voorziening Basisregistraties Adressen en Gebouwen, op een adres staat ingeschreven, waarvoor een actieve markt bestaat.
1. De [artikelen 3.6 tot en met 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2024-04-23&g=2024-04-23) zijn uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit waardedaling van een ‘niet-woning’, als die waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de niet-woning, bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2024-04-23&g=2024-04-23).
2. Onder een ‘niet-woning’ wordt verstaan:
- a. een onroerende zaak, met daarop een pand;
- b. dat geen of slechts voor een deel een woonfunctie heeft volgens de Landelijke Voorziening WOZ; en
- c. op een adres staat ingeschreven, waarvoor een actieve markt bestaat.
3. Het Instituut zal verzoeken tot vergoeding van de waardedaling van verkochte en niet- verkochte niet-woningen behandelen vanaf een door het Instituut nader te bepalen datum in 2024 die bekend wordt gemaakt op de website van het Instituut. Aanvragen die zijn ingediend vóór 30 november 2023 worden behandeld vooruitlopend op die nader te bepalen datum.
@@ -338,7 +344,7 @@
2. In afwijking van het eerste lid, hanteert het Instituut voor het bepalen van de omvang van de waardedaling van een niet-woning de datum van notariële levering van de eigendom van een niet-woning, indien die levering heeft plaatsgevonden na 16 augustus 2012 maar voor de peildatum.
3. [Artikel 3.3, derde tot en met het vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.3&z=2024-02-23&g=2024-02-23), is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 3.3, derde tot en met het vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.3&z=2024-04-23&g=2024-04-23), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.8. Omvang van de waardedaling
@@ -356,59 +362,41 @@
5. Het Instituut hanteert de volgende waardepeildatum, bedoeld in [artikel 18 van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=18):
- a. het kalenderjaar 2022, indien [artikel 3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2024-02-23&g=2024-02-23), van toepassing is, dan wel
- b. het kalenderjaar waarin de verkoop plaatsvond, indien [artikel 3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2024-02-23&g=2024-02-23), van toepassing is.
- a. het kalenderjaar 2022, indien [artikel 3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2024-04-23&g=2024-04-23), van toepassing is, dan wel
- b. het kalenderjaar waarin de verkoop plaatsvond, indien [artikel 3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2024-04-23&g=2024-04-23), van toepassing is.
6. Het Instituut houdt bij het bepalen van de waardedaling van de niet-woning die toekomt aan de aanvrager rekening met de zakenrechtelijke positie van de aanvrager ten opzichte van de niet-woning, waaronder het gedeelte van de eigendom dat aan de aanvrager toebehoort en de periode waarin de aanvrager die niet-woning in eigendom had.
##### Artikel 3.9. Dubbelfuncties
1. Indien een pand naast een woonfunctie als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2024-02-23&g=2024-02-23) ook een andere functie heeft, zal het Instituut het pand in zijn geheel als een woning beschouwen indien het pand zijn waarde in overwegende mate ontleent aan zijn woonfunctie. In dat geval wordt de waardedaling van het pand vastgesteld aan de hand van de woonfunctie en bestaat voor het overige geen aanspraak op een vergoeding voor waardedaling.
2. Indien het pand niet in overwegende mate, maar slechts mede zijn waarde ontleent aan zijn woonfunctie, dan zal het Instituut voor de waarde van de woning uitgaan van de waarde die in het taxatieverslag bij de beschikking tot vaststelling van de WOZ-waarde is toegekend aan de onderdelen van de onroerende zaak die de woonfunctie omvatten. Voor deze onderdelen kan de aanvrager de ontstane waardedaling vergoed krijgen op de voet van de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2024-02-23&g=2024-02-23) en volgende.
3. Indien het pand zijn waarde niet mede ontleent aan zijn woonfunctie, dan kan de waardedaling van het pand niet worden begroot met de methode voor woningen. Een aanvraag op grond van de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2024-02-23&g=2024-02-23) en volgende zal dan worden afgewezen. In dat geval kan de aanvrager een verzoek doen tot vergoeding van waardedaling met inachtneming van het bepaalde in de [artikelen 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2024-02-23&g=2024-02-23) en volgende met betrekking tot de waardedaling van niet-woningen.
4. Indien het Instituut op grond van het tweede lid een vergoeding heeft toegekend, dan kan de aanvrager daarnaast met inachtneming van het bepaalde in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2024-02-23&g=2024-02-23) en volgende een verzoek doen tot vergoeding van de waardedaling van de niet-woning. Daarbij wordt het gedeelte van de WOZ-waarde dat hoort bij de niet-woning betrokken in de aanvraag.
1. Indien een pand naast een woonfunctie als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2024-04-23&g=2024-04-23) ook een andere functie heeft, zal het Instituut het pand in zijn geheel als een woning beschouwen indien het pand zijn waarde in overwegende mate ontleent aan zijn woonfunctie. In dat geval wordt de waardedaling van het pand vastgesteld aan de hand van de woonfunctie en bestaat voor het overige geen aanspraak op een vergoeding voor waardedaling.
2. Indien het pand niet in overwegende mate, maar slechts mede zijn waarde ontleent aan zijn woonfunctie, dan zal het Instituut voor de waarde van de woning uitgaan van de waarde die in het taxatieverslag bij de beschikking tot vaststelling van de WOZ-waarde is toegekend aan de onderdelen van de onroerende zaak die de woonfunctie omvatten. Voor deze onderdelen kan de aanvrager de ontstane waardedaling vergoed krijgen op de voet van de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2024-04-23&g=2024-04-23) en volgende.
3. Indien het pand zijn waarde niet mede ontleent aan zijn woonfunctie, dan kan de waardedaling van het pand niet worden begroot met de methode voor woningen. Een aanvraag op grond van de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2024-04-23&g=2024-04-23) en volgende zal dan worden afgewezen. In dat geval kan de aanvrager een verzoek doen tot vergoeding van waardedaling met inachtneming van het bepaalde in de [artikelen 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2024-04-23&g=2024-04-23) en volgende met betrekking tot de waardedaling van niet-woningen.
4. Indien het Instituut op grond van het tweede lid een vergoeding heeft toegekend, dan kan de aanvrager daarnaast met inachtneming van het bepaalde in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2024-04-23&g=2024-04-23) en volgende een verzoek doen tot vergoeding van de waardedaling van de niet-woning. Daarbij wordt het gedeelte van de WOZ-waarde dat hoort bij de niet-woning betrokken in de aanvraag.
##### Artikel 3.10. Finale kwijting
1. In de door het Instituut toegekende vergoeding voor de waardedaling van een niet-woning zijn de goede en kwade kansen op toekomstige aardbevingen verdisconteerd. De vergoeding voor de waardedaling van een niet-woning betreft een volledige en eenmalige vergoeding voor de waardedaling van de niet-woning en heeft een finaal karakter.
2. [Artikel 3.5, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2024-02-23&g=2024-02-23), is van overeenkomstige toepassing op een besluit op een verzoek tot vergoeding van schade die bestaat uit waardedaling van een ‘niet-woning'.
2. [Artikel 3.5, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2024-04-23&g=2024-04-23), is van overeenkomstige toepassing op een besluit op een verzoek tot vergoeding van schade die bestaat uit waardedaling van een ‘niet-woning'.
### Hoofdstuk 4. Immateriële schade
##### Artikel 4.1. Immateriële schade
1. Het bepaalde in de [artikelen 4.1 tot en met 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.1&z=2024-02-23&g=2024-02-23) is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot vergoeding van immateriële schade als bedoeld in [artikel 6:106 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=106).
2. Het Instituut behandelt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade in beginsel aan de hand van de gestandaardiseerde methode die is beschreven in de volgende artikelen van dit hoofdstuk.
3. In afwijking van de gestandaardiseerde methode beoordeelt het Instituut een aanvraag aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval, indien de aanvrager in zijn aanvraag of later stelt dat een correcte toepassing van de gestandaardiseerde methode naar zijn oordeel tot onvoldoende schadevergoeding zou leiden.
4. In het geval, bedoeld in het derde, stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid, eventueel tijdens een gesprek, om de feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die maken dat hij een recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Het Instituut zal deze aanvraag of dit bezwaar vervolgens individueel beoordelen.
5. Het Instituut zal verzoeken tot vergoeding van immateriële schade behandelen vanaf de hierna genoemde datum, afhankelijk van de huidige woonplaats van de aanvrager:
- a. Gemeente Eemsdelta:
- i. Zeerijp, Leermens, Eenum en ‘t Zand: voor het einde van het vierde kwartaal van 2021, of zoveel eerder als mogelijk is;
- ii. Loppersum: voor het einde van het eerste kwartaal van 2022, of zoveel eerder als mogelijk is;
- iii. Appingedam en Delfzijl: voor het einde van het tweede kwartaal van 2022, of zoveel eerder als mogelijk is;
- b. Gemeente Het Hogeland: voor het einde van het derde kwartaal van 2022, of zoveel eerder als mogelijk is;
- c. Gemeenten Groningen en Midden-Groningen: voor het einde van het vierde kwartaal van 2022, of zoveel eerder als mogelijk is;
- d. Gemeente Oldambt en overige gemeenten: voor het einde van het eerste kwartaal van 2023, of zoveel eerder als mogelijk is.
1. Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot vergoeding van immateriële schade als bedoeld in [artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=106).
2. Een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade ten behoeve van een natuurlijk persoon die op de dag van ontvangst van de aanvraag meerderjarig is, wordt behandeld met toepassing van het bepaalde in de [artikelen 4.1a tot en met 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.2&z=2024-04-23&g=2024-04-23).
3. Een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade ten behoeve van een natuurlijk persoon die op de dag van ontvangst van de aanvraag minderjarig is, als bedoeld in [artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233), wordt behandeld met toepassing van het bepaalde in de [artikelen 4.9 tot en met 4.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.3&artikel=4.9&z=2024-04-23&g=2024-04-23).
##### Artikel 4.2. Gestandaardiseerde methode
1. Voor de gestandaardiseerde methode komen natuurlijke personen in aanmerking die op het moment van de aanvraag meerderjarig zijn en die in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag op enig moment woonachtig zijn geweest in het effectgebied waar het bewijsvermoeden van toepassing is (geweest), of ten aanzien van wier woning(en) ten tijde van de bewoning een vergoeding is toegekend vanwege fysieke schade die het gevolg is van bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
1. Voor de gestandaardiseerde methode komen natuurlijke personen in aanmerking die op de dag van ontvangst van de aanvraag meerderjarig zijn en die in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de dag van ontvangst van de aanvraag op enig moment woonachtig zijn geweest in het effectgebied waar het bewijsvermoeden van toepassing is (geweest), of ten aanzien van wier woning(en) gelegen binnen dat effectgebied ten tijde van de bewoning een vergoeding is toegekend vanwege fysieke schade die het gevolg is van bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
2. Het Instituut beziet de volgende feiten en omstandigheden met betrekking tot de adressen waarop de aanvrager blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) woonachtig is geweest in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag, om de nadelige gevolgen van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de aanvrager in te schatten:
@@ -428,9 +416,9 @@
| Gebied | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
| --- | --- | --- |
| Het effectgebied als bedoeld in [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2024-02-23&g=2024-02-23), niet zijnde een van de hierna bedoelde gebieden. | 0 | Geen aanwijzing |
| Het gebied waarbinnen op grond van de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot 1 januari 2019 op enig moment tot 10% waardedaling is opgetreden. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Het gebied waar ingevolge de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot 1 januari 2019 op enig moment minimaal 10% waardedaling is opgetreden. | 2 | Aanwijzing |
| Het effectgebied als bedoeld in [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.2&z=2024-04-23&g=2024-04-23), niet zijnde een van de hierna bedoelde gebieden. | 0 | Geen aanwijzing |
| Het gebied waarbinnen op grond van de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de in [artikel 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.3&z=2024-04-23&g=2024-04-23) bedoelde peildatum op enig moment tot 10% waardedaling is opgetreden. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Het gebied waar ingevolge de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de in [artikel 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.3&z=2024-04-23&g=2024-04-23) bedoelde peildatum op enig moment minimaal 10% waardedaling is opgetreden. | 2 | Aanwijzing |
2. Indien de aanvrager in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag op verschillende adressen woonachtig is geweest, is de locatie die de sterkste aanwijzing voor een persoonsaantasting vormt bepalend.
@@ -444,7 +432,7 @@
| De woning(en) van de aanvrager maakt naar weten van de aanvrager onderdeel uit of heeft onderdeel uitgemaakt van de versterkingsoperatie van de Nationaal Coördinator Groningen in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 2 | Aanwijzing |
| Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een acuut onveilige situatie door mijnbouwschade vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 3 | Sterke aanwijzing |
| De woning(en) van de aanvrager konden naar het oordeel van het bevoegd gezag tijdelijk niet meer bewoond worden of zijn door het bevoegd gezag onbewoonbaar verklaard in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was, als gevolg van een door het bevoegd gezag vastgestelde acuut onveilige situatie dan wel als gevolg van de noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen. | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
| De woning(en) van de aanvrager konden naar het oordeel van het bevoegd gezag tijdelijk niet meer bewoond worden of zijn door het bevoegd gezag onbewoonbaar verklaard in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was, als gevolg van een door het bevoegd gezag vastgestelde acuut onveilige situatie door mijnbouwschade dan wel als gevolg van de noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen. | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
2. Indien de aanvrager in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag op verschillende adressen woonachtig is geweest, is de omstandigheid die de sterkste aanwijzing voor een persoonsaantasting vormt bepalend.
@@ -455,8 +443,8 @@
| Som vergoedingen fysieke schade | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
| --- | --- | --- |
| **€ 0 tot € 1.000** | 0 | Geen aanwijzing |
| **€ 1.000 tot € 10.000** | 1 | Lichte aanwijzing |
| **€ 10.000 tot € 25.000** | 2 | Aanwijzing |
| **€ 1.000 tot € 10.001** | 1 | Lichte aanwijzing |
| **€ 10.001 tot € 25.000** | 2 | Aanwijzing |
| **€ 25.000 tot € 45.000** | 3 | Sterke aanwijzing |
| **€ 45.000 of meer** | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
@@ -486,7 +474,7 @@
##### Artikel 4.7. Weging en vaste bedragen
1. Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een persoonsaantasting zoals bedoeld in de [artikelen 4.3 tot en met 4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2024-02-23&g=2024-02-23), af te leiden uit het getal dat de intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk:
1. Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een persoonsaantasting zoals bedoeld in de [artikelen 4.3 tot en met 4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.3&z=2024-04-23&g=2024-04-23), af te leiden uit het getal dat de intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk:
| Cumulatieve gewicht aanwijzingen | Persoonsaantasting | Persoonsaantasting | Vergoeding |
| --- | --- | --- | --- |
@@ -495,7 +483,19 @@
| 7 t/m 9 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 10 t/m 14 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
2. Behoudens het bepaalde in [artikel 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&artikel=4.8&z=2024-02-23&g=2024-02-23), kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.
2. Behoudens het bepaalde in [artikel 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.8&z=2024-04-23&g=2024-04-23), kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.
3. Het Instituut kent, in afwijking van het tweede lid, aan de aanvrager een vergoeding van € 5.000 toe, indien het Instituut een aanwijzing (2) of een zeer sterke aanwijzing (4), als bedoeld in [artikel 4.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.4&z=2024-04-23&g=2024-04-23), heeft aangenomen.
4. Indien op grond van [artikel 4.1a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.1a&z=2024-04-23&g=2024-04-23), of het tweede of derde lid van dit artikel of [artikel 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.8&z=2024-04-23&g=2024-04-23), aan een lid van het huishouden van de aanvrager een hogere vergoeding voor immateriële schade is toegekend dan waarvoor de aanvrager in aanmerking komt of zou komen op grond van artikel 4.1a, tweede lid, het tweede of derde lid van dit artikel, of artikel 4.8, wordt aan die aanvrager krachtens dit lid eveneens die hogere vergoeding toegekend.
5. In afwijking van het vierde lid, wordt de aan de aanvrager toe te kennen vergoeding niet gelijk getrokken met de in het vierde lid eerstgenoemde hogere vergoeding, indien:
- a. geen aanwijzing voor een persoonsaantasting voor de aanvrager of het andere lid van het huishouden is aangenomen voor de veiligheidssituatie van de woning, als bedoeld in [artikel 4.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.4&z=2024-04-23&g=2024-04-23), of in verband met de omvang van de fysieke schade van de woning als bedoeld in [artikel 4.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.5&z=2024-04-23&g=2024-04-23), of
- b. op grond van [artikel 4.1a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.1a&z=2024-04-23&g=2024-04-23), een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk is de vergoeding gelijk te trekken.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een lid van het huishouden verstaan de meerderjarige natuurlijke persoon die een besluit op de aanvraag tot vergoeding van immateriële schade van het Instituut heeft ontvangen en met wie de aanvrager minimaal zes maanden heeft samengewoond op een in [artikel 4.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.2&z=2024-04-23&g=2024-04-23), bedoeld adres.
##### Artikel 4.8. Persoonlijke impact analyse
@@ -536,60 +536,60 @@
5. Het Instituut kent aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het vierde lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.
### Hoofdstuk 4. Immateriële schade
##### Artikel 5.1. Acuut onveilige situatie
1. Een ieder kan bij het Instituut melding doen van het vermoeden van een acuut onveilige situatie. Op de website van het Instituut is een formulier geplaatst en telefoonnummer vermeld dat gebruikt kan worden voor deze melding.
2. Onder een acuut onveilige situatie als bedoeld in [artikel 2, zevende lid, van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=2) wordt verstaan: een situatie in het effectgebied, waarin als gevolg van de bouwkundige staat van een gebouw of werk een acuut gevaar bestaat voor de gezondheid of veiligheid van personen.
##### Artikel 5.2. Inspectie en beoordeling
1. Het Instituut pleegt zo spoedig mogelijk nadat hem uit een melding als bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.1&z=2024-04-23&g=2024-04-23), of anderszins is gebleken van de mogelijkheid van een acuut onveilige situatie, vooroverleg met de rechthebbende op het gebouw of werk en waar zinvol met de melder, indien hij niet de rechthebbende is.
2. Tenzij uit het vooroverleg blijkt dat geen sprake is van een acuut onveilige situatie, zal het Instituut de situatie onmiddellijk, maar in elk geval binnen 48 uur na indiening van de melding, inspecteren.
3. Het Instituut laat zich bij de beoordeling of sprake is van een acuut onveilige situatie adviseren door een onafhankelijke deskundige. De deskundige legt zijn bevindingen achteraf vast in een verslag dat door het Instituut aan de rechthebbende op het gebouw of werk ter beschikking zal worden gesteld. De deskundige zendt zijn verslag uiterlijk binnen 3 dagen na de inspectie aan het Instituut.
4. Het Instituut kan de onafhankelijk deskundige, bedoeld in het derde lid, of een andere deskundige, ook vragen om te adviseren over de vraag of de gevaar opleverende schade in causaal verband staat met bodembeweging door mijnbouwactiviteiten uit het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk, met het oog op een voortvarende afhandeling van een aanvraag als bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2024-04-23&g=2024-04-23) of met het oog op toepassing van [artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.3&z=2024-04-23&g=2024-04-23).
##### Artikel 5.3. Veiligheidsmaatregelen
1. Indien het Instituut vaststelt dat sprake is van een acuut onveilige situatie, stelt het de rechthebbende daarvan onverwijld op de hoogte en treft het in overleg met en na schriftelijke instemming van de rechthebbende de maatregelen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om de veiligheid te waarborgen.
2. Indien het Instituut vaststelt dat er sprake is van een acuut onveilige situatie, kan het Instituut:
- a. de schade op een duurzame wijze in natura herstellen, wanneer de kosten voor definitief herstel proportioneel zijn; of
- b. met toepassing van [artikel 6:184 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=184) verdergaande redelijke maatregelen treffen in het belang van beperking of voorkoming van toekomstige schade, zonder dat het gaat om de uitvoering van een versterking om te voldoen aan de vigerende veiligheidsnorm.
3. Het Instituut geeft alleen toepassing aan het tweede lid, indien de rechthebbende hiermee schriftelijk heeft ingestemd.
4. Indien de rechthebbende niet instemt met het uitvoeren van de door het Instituut voorgestane maatregelen als bedoeld in [artikel 5.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.3&z=2024-04-23&g=2024-04-23), zal het Instituut hem in elk geval schriftelijk informeren over de daarmee gemoeide risico’s.
##### Artikel 5.4. Afhandeling melding
1. Indien er geen sprake is van een acuut onveilige situatie, deelt het Instituut dit de melder gemotiveerd mede.
2. Het Instituut informeert de rechthebbende op het gebouw of werk waaraan een acuut onveilige situatie is ontstaan daarnaast schriftelijk over de mogelijkheid om een verzoek tot schadevergoeding te doen als bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2024-04-23&g=2024-04-23). Indien de melding terecht is, zal dit verzoek met prioriteit worden behandeld.
3. De betrokkenheid van het Instituut bij de acuut onveilige situatie eindigt vijftien maanden nadat de melding is gedaan dan wel, indien dit eerder is, drie maanden nadat beslist is op de aanvraag tot schadevergoeding.
4. Het instituut kan de termijn, bedoeld in het derde lid, verlengen, indien de termijn naar het oordeel van het Instituut redelijkerwijs te kort is.
5. Het Instituut inspecteert indien veiligheidsmaatregelen zijn getroffen, uiterlijk binnen één jaar na het treffen van die maatregelen, of zo veel eerder als door het Instituut nodig wordt geacht, de veiligheid van de situatie opnieuw.
##### Artikel 5.5. Informatie-uitwisseling
1. Het Instituut informeert de burgemeester van de betrokken gemeente uiterlijk binnen 48 uur nadat is vastgesteld dat sprake is van een acuut onveilige situatie. Het Instituut zendt daarnaast ook een verslag van de onafhankelijke deskundige als bedoeld in [artikel 5.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.2&z=2024-04-23&g=2024-04-23), aan de burgemeester nadat dit is opgeleverd.
2. Het Instituut zal de burgemeester zo spoedig mogelijk informeren over de getroffen veiligheidsmaatregelen of over het feit dat de rechthebbende niet instemt met het uitvoeren van de door het Instituut voorgestane veiligheidsmaatregelen.
3. Indien als gevolg van een aardbeving sprake is van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis als bedoeld in [artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=39) zal het Instituut de in het eerste en tweede lid genoemde informatie mede doen toekomen aan de voorzitter van de veiligheidsregio’s.
### Hoofdstuk 5. Acuut onveilige situatie
##### Artikel 5.1. Acuut onveilige situatie
1. Een ieder kan bij het Instituut melding doen van het vermoeden van een acuut onveilige situatie. Op de website van het Instituut is een formulier geplaatst en telefoonnummer vermeld dat gebruikt kan worden voor deze melding.
2. Onder een acuut onveilige situatie als bedoeld in [artikel 2, zevende lid, van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=2) wordt verstaan: een situatie in het effectgebied, waarin als gevolg van de bouwkundige staat van een gebouw of werk een acuut gevaar bestaat voor de gezondheid of veiligheid van personen.
##### Artikel 5.2. Inspectie en beoordeling
1. Het Instituut pleegt zo spoedig mogelijk nadat hem uit een melding als bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.1&z=2024-02-23&g=2024-02-23), of anderszins is gebleken van de mogelijkheid van een acuut onveilige situatie, vooroverleg met de rechthebbende op het gebouw of werk en waar zinvol met de melder, indien hij niet de rechthebbende is.
2. Tenzij uit het vooroverleg blijkt dat geen sprake is van een acuut onveilige situatie, zal het Instituut de situatie onmiddellijk, maar in elk geval binnen 48 uur na indiening van de melding, inspecteren.
3. Het Instituut laat zich bij de beoordeling of sprake is van een acuut onveilige situatie adviseren door een onafhankelijke deskundige. De deskundige legt zijn bevindingen achteraf vast in een verslag dat door het Instituut aan de rechthebbende op het gebouw of werk ter beschikking zal worden gesteld. De deskundige zendt zijn verslag uiterlijk binnen 3 dagen na de inspectie aan het Instituut.
4. Het Instituut kan de onafhankelijk deskundige, bedoeld in het derde lid, of een andere deskundige, ook vragen om te adviseren over de vraag of de gevaar opleverende schade in causaal verband staat met bodembeweging door mijnbouwactiviteiten uit het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk, met het oog op een voortvarende afhandeling van een aanvraag als bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2024-02-23&g=2024-02-23) of met het oog op toepassing van [artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.3&z=2024-02-23&g=2024-02-23).
##### Artikel 5.3. Veiligheidsmaatregelen
1. Indien het Instituut vaststelt dat sprake is van een acuut onveilige situatie, stelt het de rechthebbende daarvan onverwijld op de hoogte en treft het in overleg met en na schriftelijke instemming van de rechthebbende de maatregelen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om de veiligheid te waarborgen.
2. Indien het Instituut vaststelt dat er sprake is van een acuut onveilige situatie, kan het Instituut:
- a. de schade op een duurzame wijze in natura herstellen, wanneer de kosten voor definitief herstel proportioneel zijn; of
- b. met toepassing van [artikel 6:184 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=184) verdergaande redelijke maatregelen treffen in het belang van beperking of voorkoming van toekomstige schade, zonder dat het gaat om de uitvoering van een versterking om te voldoen aan de vigerende veiligheidsnorm.
3. Het Instituut geeft alleen toepassing aan het tweede lid, indien de rechthebbende hiermee schriftelijk heeft ingestemd.
4. Indien de rechthebbende niet instemt met het uitvoeren van de door het Instituut voorgestane maatregelen als bedoeld in [artikel 5.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.3&z=2024-02-23&g=2024-02-23), zal het Instituut hem in elk geval schriftelijk informeren over de daarmee gemoeide risico’s.
##### Artikel 5.4. Afhandeling melding
1. Indien er geen sprake is van een acuut onveilige situatie, deelt het Instituut dit de melder gemotiveerd mede.
2. Het Instituut informeert de rechthebbende op het gebouw of werk waaraan een acuut onveilige situatie is ontstaan daarnaast schriftelijk over de mogelijkheid om een verzoek tot schadevergoeding te doen als bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2&z=2024-02-23&g=2024-02-23). Indien de melding terecht is, zal dit verzoek met prioriteit worden behandeld.
3. De betrokkenheid van het Instituut bij de acuut onveilige situatie eindigt vijftien maanden nadat de melding is gedaan dan wel, indien dit eerder is, drie maanden nadat beslist is op de aanvraag tot schadevergoeding.
4. Het instituut kan de termijn, bedoeld in het derde lid, verlengen, indien de termijn naar het oordeel van het Instituut redelijkerwijs te kort is.
5. Het Instituut inspecteert indien veiligheidsmaatregelen zijn getroffen, uiterlijk binnen één jaar na het treffen van die maatregelen, of zo veel eerder als door het Instituut nodig wordt geacht, de veiligheid van de situatie opnieuw.
##### Artikel 5.5. Informatie-uitwisseling
1. Het Instituut informeert de burgemeester van de betrokken gemeente uiterlijk binnen 48 uur nadat is vastgesteld dat sprake is van een acuut onveilige situatie. Het Instituut zendt daarnaast ook een verslag van de onafhankelijke deskundige als bedoeld in [artikel 5.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=5&artikel=5.2&z=2024-02-23&g=2024-02-23), aan de burgemeester nadat dit is opgeleverd.
2. Het Instituut zal de burgemeester zo spoedig mogelijk informeren over de getroffen veiligheidsmaatregelen of over het feit dat de rechthebbende niet instemt met het uitvoeren van de door het Instituut voorgestane veiligheidsmaatregelen.
3. Indien als gevolg van een aardbeving sprake is van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis als bedoeld in [artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=39) zal het Instituut de in het eerste en tweede lid genoemde informatie mede doen toekomen aan de voorzitter van de veiligheidsregio’s.
### Hoofdstuk 5. Acuut onveilige situatie
##### Artikel 6.1. Ontvangst
1. Het Instituut bevestigt de ontvangst van het bezwaarschrift schriftelijk aan de aanvrager.
@@ -620,7 +620,7 @@
##### Artikel 6.4. Inschakeling deskundige in bezwaar
1. Het Instituut en de bezwaaradviescommissie kunnen in het kader van de behandeling van het bezwaar één of meerdere deskundigen inschakelen, onverminderd [artikel 2.5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.5a&z=2024-02-23&g=2024-02-23). [Artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2024-02-23&g=2024-02-23) is van overeenkomstige toepassing.
1. Het Instituut en de bezwaaradviescommissie kunnen in het kader van de behandeling van het bezwaar één of meerdere deskundigen inschakelen, onverminderd [artikel 2.5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.5a&z=2024-04-23&g=2024-04-23). [Artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2024-04-23&g=2024-04-23) is van overeenkomstige toepassing.
2. Het Instituut stelt deskundigen ter beschikking aan de bezwaaradviescommissie.
@@ -644,11 +644,11 @@
##### Artikel 2.7a
1. De bedragen, bedoeld in [artikel 2.6, tweede lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.6&z=2024-02-23&g=2024-02-23), kunnen jaarlijks geïndexeerd worden aan de hand van de stijging van het minimumloon voor werknemers van 21 jaar en ouder, uitgaande van een dagdeel van vier uren, waarbij de hoogte wordt vastgesteld aan de hand van tweemaal het wettelijk bruto minimumuurloon.
1. De bedragen, bedoeld in [artikel 2.6, tweede lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.6&z=2024-04-23&g=2024-04-23), kunnen jaarlijks geïndexeerd worden aan de hand van de stijging van het minimumloon voor werknemers van 21 jaar en ouder, uitgaande van een dagdeel van vier uren, waarbij de hoogte wordt vastgesteld aan de hand van tweemaal het wettelijk bruto minimumuurloon.
2. De indexatie, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats op 1 januari van het betreffende kalenderjaar. Het Instituut publiceert de geïndexeerde vergoedingen op zijn website en kan daarbij de bedragen naar boven afronden.
3. Indien het bedrag van vergoedingen, genoemd in [bijlage 2 bij de Regeling Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048350&bijlage=2) wordt gewijzigd of geïndexeerd, gaat die wijziging voor de toepassing van [artikel 2.6, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.6&z=2024-02-23&g=2024-02-23), in op een door het Instituut te bepalen datum.
3. Indien het bedrag van vergoedingen, genoemd in [bijlage 2 bij de Regeling Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048350&bijlage=2) wordt gewijzigd of geïndexeerd, gaat die wijziging voor de toepassing van [artikel 2.6, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2a&artikel=2.6&z=2024-04-23&g=2024-04-23), in op een door het Instituut te bepalen datum.
### Hoofdstuk 2b. Vaste vergoeding
@@ -858,11 +858,11 @@
##### Artikel 4.10. Methode tot begroting immateriële schade
1. Het Instituut behandelt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade aan de hand van de gestandaardiseerde methode, zoals beschreven in [artikel 4.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.3&artikel=4.11&z=2024-04-23&g=2024-02-23).
1. Het Instituut behandelt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade aan de hand van de gestandaardiseerde methode, zoals beschreven in [artikel 4.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.3&artikel=4.11&z=2024-04-23&g=2024-04-23).
2. In afwijking van het eerste lid, beoordeelt het Instituut een aanvraag aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval, indien de aanvrager in de aanvraag of anderszins voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag stelt dat een correcte toepassing van de gestandaardiseerde methode naar zijn oordeel tot onvoldoende schadevergoeding zou leiden.
3. [Artikel 4.1a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.1a&z=2024-04-23&g=2024-02-23), is van overeenkomstige toepassing op aanvragen tot vergoeding van immateriële schade voor minderjarigen.
3. [Artikel 4.1a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.1a&z=2024-04-23&g=2024-04-23), is van overeenkomstige toepassing op aanvragen tot vergoeding van immateriële schade voor minderjarigen.
##### Artikel 4.11. Gestandaardiseerde methode en vaste bedragen
@@ -870,7 +870,7 @@
2. Bij de gestandaardiseerde methode kent het Instituut aan de minderjarige de schadevergoeding toe die aan diens wettelijke vertegenwoordiger is toegekend.
3. In afwijking van het tweede lid, wordt de aan de minderjarige toe te kennen vergoeding niet gelijk gesteld aan de in het tweede lid genoemde vergoeding, indien aan de wettelijk vertegenwoordiger op grond van [artikel 4.1a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.1a&z=2024-04-23&g=2024-02-23), een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk is de vergoeding gelijk te trekken.
3. In afwijking van het tweede lid, wordt de aan de minderjarige toe te kennen vergoeding niet gelijk gesteld aan de in het tweede lid genoemde vergoeding, indien aan de wettelijk vertegenwoordiger op grond van [artikel 4.1a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.1a&z=2024-04-23&g=2024-04-23), een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk is de vergoeding gelijk te trekken.
4. Indien het Instituut ten aanzien van de wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige niet hetzelfde bedrag heeft toegekend, is de hoogst toegekende vergoeding voor immateriële schade bepalend.
@@ -936,7 +936,7 @@
1. Voor een besluit tot de vergoeding van waardedaling van een woning, genomen tussen 6 april 2022 en 1 januari 2023, geldt dat indien de begroting van waardedaling zoals in dit hoofdstuk is bepaald tot een hogere vergoeding zou hebben geleid dan reeds is toegekend bij het genomen besluit, het Instituut ambtshalve het verschil tussen de toegekende en nieuw berekende vergoeding vergoedt.
2. Op aanvragen ingediend voor 1 januari 2023, maar waarop wordt besloten vanaf 1 januari 2023, wordt de methode als genoemd in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.2&z=2024-02-23&g=2024-02-23) van de werkwijze toegepast. Zou toepassing van de methode ’’J. Poort e.a., ‘Zeven bewogen jaren’, (Atlas voor gemeenten, oktober 2019)’’, met peildatum 1 januari 2019 en de daarover uitgebrachte adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen en hetgeen overigens in dit hoofdstuk is bepaald (hierna: Methodiek 2019), in een geval als bedoeld in dit lid leiden tot een hogere waardedalingsvergoeding, wordt in plaats daarvan de Methodiek 2019 toegepast.
2. Op aanvragen ingediend voor 1 januari 2023, maar waarop wordt besloten vanaf 1 januari 2023, wordt de methode als genoemd in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.2&z=2024-04-23&g=2024-04-23) van de werkwijze toegepast. Zou toepassing van de methode ’’J. Poort e.a., ‘Zeven bewogen jaren’, (Atlas voor gemeenten, oktober 2019)’’, met peildatum 1 januari 2019 en de daarover uitgebrachte adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen en hetgeen overigens in dit hoofdstuk is bepaald (hierna: Methodiek 2019), in een geval als bedoeld in dit lid leiden tot een hogere waardedalingsvergoeding, wordt in plaats daarvan de Methodiek 2019 toegepast.
##### Artikel 3.5b. Overgangsbepaling tegemoetkoming waardedaling
@@ -944,7 +944,7 @@
2. Aanvragen tot tegemoetkoming waardedaling, ingediend tot 1 juli 2023, worden begroot op basis van het verschil tussen de methode tot de begroting van waardedaling ’’J. Poort e.a., ‘Zeven bewogen jaren’, (Atlas voor gemeenten, oktober 2019)’’, met peildatum 1 januari 2019 en de daarover uitgebrachte adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen en hetgeen overigens in dit hoofdstuk is bepaald (Methodiek 2019), en de vergoeding voor schade door waardedaling aan hun woning die eigenaren eerder hebben ontvangen van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), indien dit verschil groter is dan de uitkomst op basis van het eerste lid van dit artikel.
#### Paragraaf 3.2. Waardedaling niet-woningen
#### Paragraaf 4.1. Algemene bepalingen
##### Artikel 3.6. Waardedaling van een ‘niet-woning’
@@ -1166,7 +1166,7 @@
### Hoofdstuk 5. Acuut onveilige situatie
### Hoofdstuk 5. Acuut onveilige situatie
### Hoofdstuk 6. Bezwaar
### Hoofdstuk 7. Slot
@@ -1182,7 +1182,7 @@
- –. **WOZ-waarde:** waarde, bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=18).
2. De vaste eenmalige vergoeding van € 5.000, bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8&z=2024-02-23&g=2024-02-23), geldt voor de volgende objecten:
2. De vaste eenmalige vergoeding van € 5.000, bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981&hoofdstuk=2b&artikel=2.8&z=2024-04-23&g=2024-04-23), geldt voor de volgende objecten:
- a. bebouwd, cultuurcode 18: berging – stalling (garage-schuur), waarbij:
@@ -1649,3 +1649,13 @@
### Hoofdstuk 7. Slot
Deze werkwijze wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.
#### Paragraaf 3.3. Waardedaling agrarische cultuurgronden
##### Artikel 3.11. Waardedaling agrarische cultuurgronden
Het Instituut wijst aanvragen voor vergoeding van waardedaling van agrarische cultuurgronden af en verwijst daarbij op de voet van [artikel 3:49 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:49) naar het advies **Waardevermindering agrarische gronden in Groningen als gevolg van gaswinning** van 22 november 2023 van de Adviescommissie waardedaling niet-woningen aardbevingsgebied Groningen.
#### Paragraaf 4.2. Immateriële schade van meerderjarige natuurlijke personen
#### Paragraaf 4.3. Immateriële schade van minderjarige natuurlijke personen
2024-02-23
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2024-02-09
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2024-01-01
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-12-14
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-11-01
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-10-28
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-10-23
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-10-03
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-07-01
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-05-15
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2023-01-01
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2022-07-13
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
2022-07-13
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 20
original version Tekst op deze datum