Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2014-10-03
State In force
Source BWB
artikelen 283
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
5.

Wanneer de Gemeenschap het toegepaste meestbegunstigingstarief („MFN-recht”) verlaagt, geldt de in de kolommen a) en c) vermelde tariefafbraak voor dit MFN-recht.

Artikel 2

1.

Onverminderd het bepaalde in lid 2, wordt voor tomaten, vers of gekoeld, van GN-code 0702 00 00 voor elke periode van 1 oktober tot en met 31 mei, hierna „verkoopseizoenen” te noemen, in het kader van de onderstaande tariefcontingenten:

(ton) Verkoopseizoenen Verkoopseizoenen Verkoopseizoenen Verkoopseizoenen
2003/04 2004/05 2005/06 2006/07 en volgende
Maandelijks basiscontingent
Oktober 10 000 10 000 10 000 10 000
November 26 000 26 000 26 000 26 000
December 30 000 30 000 30 000 30 000
Januari 30 000 30 000 30 000 30 000
Februari 30 000 30 000 30 000 30 000
Maart 30 000 30 000 30 000 30 000
April 15 000 15 000 15 000 15 000
Mei 4 000 4 000 4 000 4 000
Totaal 175 000 175 000 175 000 175 000
Aanvullend contingent (van 1 november tot en met 31 mei) Aanvullend contingent (van 1 november tot en met 31 mei) Aanvullend contingent (van 1 november tot en met 31 mei) Aanvullend contingent (van 1 november tot en met 31 mei) Aanvullend contingent (van 1 november tot en met 31 mei)
Regel A 15 000 25 000 35 000 45 000
Regel B 15 000 5 000 15 000 25 000
  • a. het ad valorem-recht afgeschaft;
  • b. de invoerprijs op basis waarvan de specifieke rechten tot nul worden verlaagd, hierna „conventionele invoerprijs” te noemen, vastgesteld op 461 EUR/ton.
2.

Wanneer de in de loop van een verkoopseizoen in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebrachte totale hoeveelheid tomaten van oorsprong uit Marokko niet groter is dan de som van het maandelijkse basiscontingent en van het aanvullende contingent voor dat verkoopseizoen, is de in lid 1 op regel A vermelde hoeveelheid het aanvullende contingent voor het volgende verkoopseizoen. Wanneer in een bepaald verkoopseizoen niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, is de in lid 1 op regel B vermelde hoeveelheid het aanvullende contingent voor het volgende verkoopseizoen. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarde is voldaan, mag echter voor de bovengenoemde som een tolerantie van ten hoogste 1% in acht genomen worden.

3.

Marokko verbindt er zich toe in een bepaalde maand niet meer dan 30% van het aanvullende contingent te benutten.

4.

Ieder verkoopseizoen worden op 15 januari en de tweede werkdag na 1 april de afboekingen op de van oktober tot en met december, respectievelijk van januari tot en maart geldende maandelijkse basiscontingenten beëindigd. Op de daaropvolgende werkdag bepalen de Commissiediensten het ongebruikte saldo van deze maandelijkse basiscontingenten en boeken deze over naar het aanvullende contingent voor dat verkoopseizoen. Vanaf deze data worden aanvragen om met terugwerkende kracht gebruik te maken van een van de stopgezette maandelijkse basiscontingenten en eventuele terugboekingen van ongebruikte hoeveelheden van deze stopgezette maandelijkse basiscontingenten toegerekend aan het voor dat verkoopseizoen geldende aanvullende contingent.

Artikel 3

Voor de onderstaande producten zijn de conventionele invoerprijzen op basis waarvan de specifieke rechten in de aangegeven perioden tot nul worden verlaagd, gelijk aan de hieronder aangegeven prijzen en wordt het „ad valorem”-recht afgeschaft voor de in dit artikel bepaalde hoeveelheden en perioden.

Producten Hoeveelheid (in ton) Periode Conventionele invoerprijs
Komkommer. GN 0707 00 05 5 600 01/11 – 31/05 449 EUR
Artisjokken GN 0709 10 00 500 01/11 – 31/12 571 EUR
Courgettes 20 000 01/10 – 31/01 424 EUR
GN 0709 90 70 01/02 – 31/03 413 EUR
01/04 – 20/04 424 EUR
Sinaasappelen. vers GN ex 0805 10 300 000 01/12 – 31/05 264 EUR
Clementines, vers GN ex 0805 20 10 130 000 01/11 – einde februari 484 EUR

Artikel 4

Voor de in de artikelen 2 en 3 genoemde producten geldt het volgende:

  • –. Indien de invoerprijs van een partij 2, 4, 6 of 8% lager is dan de conventionele invoerprijs, bedraagt het specifieke contingentrecht respectievelijk 2, 4, 6 of 8% van die overeengekomen invoerprijs.
  • –. Indien de invoerprijs van een partij lager is dan 92% van de conventionele invoerprijs, dan is het geconsolideerde specifieke invoerrecht van de WTO van toepassing.
  • –. De conventionele invoerprijs wordt in dezelfde mate en in hetzelfde tempo verminderd als de geconsolideerde invoerprijs in het kader van de WTO.

Artikel 5

1.

De in de artikelen 2 en 3 overeengekomen specifieke regeling heeft ten doel de traditionele uitvoer uit Marokko naar de Gemeenschap in stand te houden en verstoring van de communautaire markten te voorkomen.

2.

Om het in lid 1 en in de artikelen 2 en 3 gestelde doel volledig te kunnen bereiken, de marktstabiliteit te verbeteren en een continue voorziening te waarborgen, plegen de beide partijen elk jaar overleg in de loop van het tweede kwartaal of op enig ander tijdstip binnen ten hoogste drie dagen nadat een van de partijen een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan.

Het overleg heeft betrekking op het handelsverkeer in het vorige verkoopseizoen en de vooruitzichten voor het volgende verkoopseizoen, met name ten aanzien van de marktsituatie, de productievooruitzichten, de verwachte producenten- en uitvoerprijzen en de mogelijke ontwikkeling van de markten.

In voorkomend geval treffen de partijen de nodige maatregelen om het in lid 1 en de artikelen 2 en 3 gestelde doel te bereiken.

3.

Onverminderd de andere bepalingen van deze overeenkomst, moeten de partijen, indien de bijzondere gevoeligheid van de landbouwmarkten ten gevolge heeft dat de invoer van producten van oorsprong uit Marokko waarvoor de in artikel 21 bedoelde concessies werden verleend, ernstige problemen in de zin van artikel 25 van de overeenkomst veroorzaakt op de markt van de Gemeenschap, onverwijld overleg plegen teneinde een passende oplossing te vinden voor het probleem. In afwachting van deze oplossing mag de Gemeenschap de maatregelen nemen die zij noodzakelijk acht.

Artikel 6

Wijn uit Marokko met een gecontroleerde oorsprongsbenaming moet vergezeld zijn van een oorsprongscertificaat overeenkomstig het in bijlage 1 B opgenomen model of van een document V I 1 of V I 2 waarin de vermeldingen zijn aangebracht als bedoeld in artikel 25 van Verordening (EG) nr. 883/2001 betreffende het bij invoer van wijn, druivensap en druivenmost voorgeschreven attest en analyseverslag.

Artikel 1

De hieronder vermelde produkten van oorsprong uit Marokko kunnen vrij van douanerechten in de Gemeenschap worden ingevoerd:

GN-code Omschrijving
Hoofdstuk 3 Vis, schaaldieren, weekdieren en andere ongewervelde waterdieren
1604 11 00 Zalm
1604 12 Haring
1604 13 90 Andere
1604 14 Tonijn, boniet en bonito (Sarda spp.)
1604 15 Makreel
1604 16 00 Ansjovis
1604 19 10 Zalmvissen, andere dan zalm
1604 19 31 Vis van het geslacht Euthynnus andere dan boniet [Euthynnus
1604 19 39 (Katsuwonus) pelamis]
1604 19 50 Vis van de soort Orcynopsis unicolor
1604 19 91 t/m 1604 19 98 Andere
1604 20 Andere bereidingen en conserven
1604 20 05 Bereidingen van surimi
1604 20 10 van zalm
1604 20 30 van andere zalmvissen
1604 20 40 van ansjovis
ex 1604 20 50 van bonito, van makreel van de soorten Scomber scombrus en Scomber japonicus en van vis van de soort Orcynopsis unicolor
1604 20 70 van tonijn, van boniet en van andere vis van het geslacht Euthynnus
1604 20 90 van andere vissoorten
1604 30 Kaviaar en kaviaarsurrogaten
1605 10 00 Krab
1605 20 Garnaal
1605 30 00 Zeekreeft
1605 40 00 Andere schaaldieren
1605 90 11 Mossel (Mytilus spp., Perna spp.), in luchtdichte verpakkingen
1605 90 19 Andere mosselen
1605 90 30 Andere weekdieren
1902 20 10 Gevulde deegwaren (ook indien gekookt of op andere wijze bereid), bevattende meer dan 20 gewichtspercenten vis, schaal- of weekdieren of andere ongewervelde waterdieren

Artikel 2

Op de invoer, in de Gemeenschap, van bereidingen en conserven van sardines bedoeld bij de GN-codes 1604 13 11, 1604 13 19 en 1604 20 50, van oorsprong uit Marokko, is de in artikel 1 vastgestelde regeling van toepassing, onder voorbehoud van de onderstaande voorwaarden:

Voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 1996:

  • –. toepassing van de tariefvrijstelling in het kader van een communautair tariefcontingent van 19.500 ton;
  • –. voor de boven dit contingent ingevoerde hoeveelheden, toepassing van een douanerecht van 6 %.

Voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 1997:

  • –. toepassing van de tariefvrijstelling in het kader van een communautair tariefcontingent van 21.000 ton;
  • –. voor de boven dit contingent ingevoerde hoeveelheden, toepassing van een douanerecht van 5 %.

Voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 1998:

  • –. toepassing van de tariefvrijstelling in het kader van een communautair tariefcontingent van 22.500 ton;
  • –. voor de boven dit contingent ingevoerde hoeveelheden, toepassing van een douanerecht van 4 %.

Artikel 1

1.

Voor de in de bijlage vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap is het douanerecht bij invoer in Marokko aangegeven in kolom a) van de bijlage. De in deze overeenkomst bepaalde achtereenvolgende verlagingen moeten binnen de in de kolommen b), d), f), h) en j) aangegeven tariefcontingenten worden doorgevoerd aan de hand van de in de kolommen c), e), g), i) en k) vermelde percentages.

2.

Wanneer na de ondertekening van deze overeenkomst de douanerechten erga omnes worden verlaagd, komt dit verlaagde recht, onverminderd het bepaalde in lid 3, vanaf de datum waarop deze verlaging ingaat, in de plaats van het voor de toepassing van lid 1 in kolom a) van de bijlage vermelde douanerecht.

3.

Voor de in de bijlage vermelde producten van GN-code ex 1001 90 99 is het in kolom a) van die bijlage aangegeven douanerecht het op 1 oktober 2003 toegepaste douanerecht, dat als maximum blijft gelden voor de berekening van de tariefverlaging.

Wanneer het douanerecht na die datum erga omnes wordt verlaagd, wordt het in de kolommen c), e), g), i) en k) vermelde percentage als volgt gewijzigd:

  • –. bij een verlaging erga omnes wordt het percentage met 0,275% verhoogd voor elk procentpunt waarmee het douanerecht verlaagd wordt;
  • –. bij een daaropvolgende verhoging erga omnes wordt het percentage met 0,275% verlaagd voor elk procentpunt waarmee het douanerecht verhoogd wordt;
  • –. bij nieuwe aanpassingen naar beneden of naar boven wordt het uit de toepassing van de voorgaande streepjes resulterende percentage volgens de desbetreffende formule gewijzigd.

Artikel 2

1.

Voor granen van GN-code 1001 90 99 wordt het tariefcontingent, zoals aangegeven in de voetnoot op bladzijde 2 van de bijlage, vastgesteld op basis van de Marokkaanse productie van het lopende jaar, zoals deze in mei door de Marokkaanse autoriteiten geraamd en bekendgemaakt wordt. In voorkomend geval wordt dit contingent einde juli aangepast ingevolge een mededeling van de Marokkaanse autoriteiten waarin de definitieve omvang van de Marokkaanse productie wordt vermeld. Met wederzijds goedvinden van de beide partijen kan het resultaat van deze aanpassing echter, naar gelang van de uitkomsten van het in lid 2 bedoelde overleg, met 5 % naar boven of naar beneden worden gecorrigeerd.

Het bovenbedoelde tariefcontingent geldt niet voor juni en juli. De partijen komen bij het in het volgende lid bedoelde overleg overeen de mogelijkheid tot verlenging van deze periode in het licht van de vooruitzichten voor de Marokkaanse markt te onderzoeken. De uiterste termijn voor deze verlenging is echter 31 augustus.

2.

Om de toepassing van het bepaalde in lid 1 mogelijk te maken en om de voorziening van de Marokkaanse markt, alsook de stabiliteit en continuïteit ervan te garanderen, de marktprijzen in Marokko te stabiliseren en de traditionele handelsstromen in stand te houden, wordt in deze sector de volgende samenwerkingsregeling toegepast:

Vóór het begin van elk verkoopseizoen, doch uiterlijk in de tweede helft van mei, vindt overleg tussen de beide partijen plaats.

Tijdens dit overleg wordt de marktsituatie voor granen besproken, en met name de productievooruitzichten voor zachte tarwe in Marokko, de voorraadsituatie, het verbruik, de producentenprijzen, de mogelijke marktontwikkelingen en de mogelijkheden om het aanbod op de vraag af te stemmen.

3.

Wanneer Marokko na de inwerkingtreding van deze overeenkomst op grond van een internationale overeenkomst een grotere verlaging van douanerechten voor granen van GN-code 1001 90 99 aan een derde land toekent, verbindt het zich ertoe op autonome wijze dezelfde verlaging van douanerechten aan de Gemeenschap toe te kennen.

Artikel 3

Onverminderd de andere bepalingen van deze overeenkomst, moeten de partijen, indien de bijzondere gevoeligheid van de landbouwmarkten ten gevolge heeft dat de invoer van producten van oorsprong uit de Gemeenschap waarvoor op grond van dit protocol concessies worden verleend, ernstige problemen in de zin van artikel 25 van de overeenkomst, veroorzaakt op de markt van Marokko, onverwijld overleg plegen ten einde een passende oplossing te vinden voor het probleem. In afwachting van deze oplossing mag Marokko de maatregelen nemen die dit land noodzakelijk acht.

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a. „vervaardiging”: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage of speciale behandelingen;
  • b. „materiaal”: alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen, enz., die bij de vervaardiging van het product worden gebruikt;
  • c. „product”: het verkregen product, zelfs indien het bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt;
  • d. „goederen”: zowel materialen als producten;
  • f. „prijs af fabriek”: de prijs die voor het product af fabriek is betaald aan de fabrikant in de Gemeenschap of in Marokko in wiens bedrijf de laatste be- of verwerking is verricht, voorzover in die prijs de waarde is begrepen van alle gebruikte materialen, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd;
  • g. „waarde van de materialen”: de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de Gemeenschap of Marokko is betaald;
  • h. „waarde van de materialen van oorsprong”: de waarde van deze materialen als omschreven onder g), welke omschrijving van dienovereenkomstige toepassing is;
  • i. „toegevoegde waarde”: de prijs af fabriek verminderd met de douanewaarde van alle gebruikte materialen die van oorsprong zijn uit de andere in de artikelen 3 en 4 genoemde landen waar cumulatie van toepassing is of, indien de douanewaarde niet bekend is of niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die in de Gemeenschap of in Marokko voor deze materialen is betaald;
  • j. „hoofdstukken” en „posten”: de hoofdstukken en posten (viercijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen vormt, in dit protocol „het geharmoniseerde systeem” of „GS” genoemd;
  • k. „ingedeeld”: de indeling van een product of materiaal onder een bepaalde post;
  • l. „zending”: producten die gelijktijdig van een exporteur naar een geadresseerde worden verzonden of vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument dat de verzending van de exporteur naar de geadresseerde dekt, of bij gebreke daarvan, een enkele factuur;
  • m. „gebieden”: omvatten ook de territoriale wateren.

TITEL II. DEFINITIE VAN HET BEGRIP ,,PRODUCTEN VAN OORSPRONG"

Artikel 2. Algemene voorwaarden

1.

Voor de toepassing van de overeenkomst worden de volgende producten beschouwd van oorsprong te zijn uit de Gemeenschap:

  • a. geheel en al in de Gemeenschap verkregen producten in de zin van artikel 5;
  • b. in de Gemeenschap verkregen producten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen in de Gemeenschap een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 6;
2.

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit Marokko:

  • a. geheel en al in Marokko verkregen producten in de zin van artikel 5;
  • b. in Marokko verkregen producten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen in Marokko een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 6.
3.

De bepalingen van lid 1, onder c), zijn alleen van toepassing indien er een vrijhandelsovereenkomst van toepassing is tussen enerzijds Marokko en anderzijds de EER/EVA-landen (IJsland, Liechtenstein en Noorwegen).

Artikel 3. Cumulatie in de Gemeenschap

1.

Onverminderd artikel 2, lid 1, worden producten als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd indien zij daar zijn verkregen door be- of verwerking van materialen van oorsprong uit Zwitserland (met inbegrip van Liechtenstein)1)Het Vorstendom Liechtenstein heeft een douane-unie met Zwitserland en is partij bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. , IJsland, Noorwegen, Turkije of de Gemeenschap, op voorwaarde dat deze materialen in de Gemeenschap be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 7 zijn genoemd. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.

2.

Onverminderd artikel 2, lid 1, worden producten als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd indien zij daar zijn verkregen door be- of verwerking van materialen van oorsprong uit de Faeröer of een land dat deelneemt aan het Euro-mediterrane partnerschap, dat is gebaseerd op de Verklaring van Barcelona die werd vastgesteld tijdens de Euro-mediterrane conferentie van 27 en 28 november 1995, met uitzondering van Turkije, op voorwaarde dat deze materialen in de Gemeenschap be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 7 zijn genoemd. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.

3.

Indien de in de Gemeenschap verrichte be- of verwerkingen niet ingrijpender zijn dan de in artikel 7 bedoelde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product enkel als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd indien de aldaar toegevoegde waarde groter is dan die van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de andere dan in de leden 1 en 2 bedoelde landen. Is dit niet het geval, dan wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land dat de hoogste waarde vertegenwoordigt van de bij de vervaardiging in de Gemeenschap gebruikte materialen van oorsprong.

4.

De producten van oorsprong uit een van de in de leden 1 en 2 genoemde landen die in de Gemeenschap geen enkele be- of verwerking ondergaan, behouden hun oorsprong wanneer zij naar een van deze landen worden uitgevoerd.

4a. Voor de toepassing van artikel 2, lid 1, onder b), worden in Marokko, Algerije of Tunesië uitgevoerde be- en verwerkingen geacht in de Gemeenschap te hebben plaatsgevonden, wanneer de daarbij verkregen producten later in de Gemeenschap worden be- of verwerkt. Wanneer bij toepassing van deze bepaling producten van oorsprong in twee of meer van de in deze leden bedoelde landen zijn verkregen, worden ze geacht van oorsprong te zijn uit de Gemeenschap, voorzover dezelfde be- en verwerkingen meer inhouden dan de in artikel 7 genoemde be- of verwerkingen.

5.

De cumulatie waarin dit artikel voorziet, kan uitsluitend worden toegepast op voorwaarde dat:

  • a. een preferentiële handelsovereenkomst overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) van toepassing is tussen de landen die betrokken zijn bij het verwerven van de oorsprong en het land van bestemming;
  • b. materialen en producten de oorsprong hebben verkregen door toepassing van oorsprongsregels die gelijk zijn aan die van dit protocol; en
  • c. kennisgevingen zijn gepubliceerd waaruit blijkt dat is voldaan aan de vereisten voor de toepassing van cumulatie in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie en in Marokko volgens zijn eigen procedures.

De cumulatie waarin dit artikel voorziet, is van toepassing met ingang van de datum die is aangegeven in de kennisgeving in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

De Gemeenschap zal Marokko door tussenkomst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen nadere gegevens verstrekken over de overeenkomsten, met inbegrip van de datums van inwerkingtreding, en de daarin opgenomen oorsprongsregels, die met de andere in de leden 1 en 2 genoemde landen worden toegepast.

Artikel 4. Cumulatie in Marokko

1.

Onverminderd artikel 2, lid 2, worden producten als van oorsprong uit Marokko beschouwd indien zij daar zijn verkregen door be- of verwerking van materialen van oorsprong uit Zwitserland (met inbegrip van Liechtenstein)2)Het Vorstendom Liechtenstein heeft een douane-unie met Zwitserland en is partij bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. , IJsland, Noorwegen, Turkije of de Gemeenschap, op voorwaarde dat deze materialen in Marokko be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 7 zijn genoemd. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.

2.

Onverminderd artikel 2, lid 2, worden producten als van oorsprong uit Marokko beschouwd indien zij daar zijn verkregen door be- of verwerking van materialen van oorsprong uit de Faeröer of een land dat deelneemt aan het Euro-mediterrane partnerschap, dat gebaseerd is op de Verklaring van Barcelona die werd vastgesteld tijdens de Euro-mediterrane conferentie van 27 en 28 november 1995, met uitzondering van Turkije, op voorwaarde dat deze materialen in Marokko be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 7 zijn genoemd. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.

3.

Indien de in Marokko verrichte be- of verwerkingen niet ingrijpender zijn dan de in artikel 7 bedoelde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product enkel als van oorsprong uit Marokko beschouwd indien de aldaar toegevoegde waarde groter is dan die van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de andere in de leden 1 en 2 bedoelde landen. Is dit niet het geval dan wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land waar de meeste waarde is toegevoegd aan de bij de vervaardiging in Marokko gebruikte materialen van oorsprong.

4.

De producten van oorsprong uit een van de in de leden 1 en 2 genoemde landen die in Marokko geen enkele be- of verwerking ondergaan, behouden hun oorsprong wanneer zij naar een van deze landen worden uitgevoerd.

4a. Voor de toepassing van artikel 2, lid 2, onder b), worden in de Gemeenschap, Algerije of Tunesië uitgevoerde be- en verwerkingen geacht in Marokko te hebben plaatsgevonden, wanneer de daarbij verkregen producten later in Marokko worden be- of verwerkt. Wanneer bij toepassing van deze bepaling producten van oorsprong in twee of meer van de betrokken landen zijn verkregen, worden ze geacht van oorsprong te zijn uit Marokko, voorzover dezelfde be- en verwerkingen meer inhouden dan de in artikel 7 genoemde be- of verwerkingen.

5.

De cumulatie waarin dit artikel voorziet, kan uitsluitend worden toegepast op voorwaarde dat:

  • a. een preferentiële handelsovereenkomst overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) van toepassing is tussen de landen die betrokken zijn bij het verwerven van de oorsprong en het land van bestemming;
  • b. materialen en producten de oorsprong hebben verkregen door toepassing van oorsprongsregels die gelijk zijn aan die van dit protocol; en
  • c. kennisgevingen zijn gepubliceerd waaruit blijkt dat is voldaan aan de vereisten voor de toepassing van cumulatie in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie en in Marokko volgens zijn eigen procedures.

De cumulatie waarin dit artikel voorziet, is van toepassing met ingang van de datum die is aangegeven in de kennisgeving in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

Marokko zal de Gemeenschap door tussenkomst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen nadere gegevens verstrekken over de overeenkomsten, met inbegrip van de datums van inwerkingtreding, en de daarin opgenomen oorsprongsregels, die met de andere in de leden 1 en 2 genoemde landen worden toegepast.

Artikel 5. Geheel en al verkregen producten

1.

Als geheel en al in de Gemeenschap of in Marokko verkregen worden beschouwd:

  • a. aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen minerale producten;
  • b. aldaar geoogste producten van het plantenrijk;
  • c. aldaar geboren en gefokte levende dieren;
  • d. producten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren;
  • e. voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;
  • f. producten van de zeevisserij en andere buiten de territoriale wateren van de Gemeenschap of van Marokko door hun schepen uit de zee gewonnen producten;
  • g. producten uitsluitend uit de onder f) bedoelde producten aan boord van hun fabrieksschepen vervaardigd;
  • h. aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen, met inbegrip van gebruikte banden die uitsluitend geschikt zijn om van een nieuw loopvlak te worden voorzien of slechts als afval kunnen worden gebruikt;
  • i. afval en schroot afkomstig van aldaar verrichte fabrieksbewerkingen;
  • j. producten, gewonnen uit de zeebodem of -ondergrond buiten de territoriale wateren, mits zij alleen het recht hebben op ontginning van deze bodem of ondergrond;
  • k. goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met j) bedoelde producten zijn vervaardigd.
2.

De termen „hun schepen” en „hun fabrieksschepen” in lid 1, onder f) en g), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

  • a. die in een lidstaat van de Gemeenschap of Marokko zijn ingeschreven of geregistreerd;
  • b. die de vlag van een lidstaat van de Gemeenschap of van Marokko voeren;
  • c. die voor ten minste 50% toebehoren aan onderdanen van lidstaten van de Gemeenschap of van Marokko of aan een onderneming die haar hoofdkantoor in een van deze staten heeft en waarvan de bedrijfsvoerder(s), de voorzitter van de raad van bestuur of van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raden onderdanen zijn van een lidstaat van de Gemeenschap of van Marokko, en waarvan bovendien, in het geval van personenvennootschappen of vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, ten minste de helft van het kapitaal toebehoort aan deze staten of aan openbare lichamen of onderdanen daarvan;
  • d. waarvan de kapitein en de officieren onderdanen zijn van lidstaten van de Gemeenschap of van Marokko; en
  • e. waarvan de bemanning voor ten minste 75% bestaat uit onderdanen van lidstaten of van Marokko.

Artikel 6. Toereikende bewerking of verwerking

1.

Niet geheel en al verkregen producten worden geacht een toereikende bewerking of verwerking te hebben ondergaan in de zin van artikel 2, indien aan de voorwaarden van de lijst in bijlage II is voldaan.

In deze lijst is voor alle onder deze overeenkomst vallende producten aangegeven welke be- of verwerkingen niet van oorsprong zijnde materialen moeten ondergaan om de oorsprong te verkrijgen en zijn slechts op deze materialen van toepassing. Dit betekent dat indien een product dat de oorsprong heeft verkregen doordat het aan de voorwaarden in die lijst voor dat product heeft voldaan, als materiaal gebruikt wordt bij de vervaardiging van een ander product, de voorwaarden die van toepassing zijn op het product waarin het wordt verwerkt daarvoor niet gelden. Er wordt dan geen rekening gehouden met niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan zijn gebruikt.

2.

In afwijking van lid 1 kunnen niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de voorwaarden in de lijst in bijlage II bij de vervaardiging van een bepaald product niet mogen worden gebruikt, in de volgende gevallen toch worden gebruikt:

  • a. wanneer de totale waarde ervan niet meer dan 10% bedraagt van de prijs af fabriek van het product;
  • b. wanneer een in de lijst vermelde maximumwaarde voor niet van oorsprong zijnde materialen door de toepassing van dit lid niet wordt overschreden.

Dit lid is niet van toepassing op producten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerde systeem zijn ingedeeld.

3.

De leden 1 en 2 zijn van toepassing onder voorbehoud van artikel 7.

Artikel 7. Ontoereikende be- of verwerking

1.

Behoudens lid 2 worden de volgende be- of verwerkingen beschouwd als ontoereikend om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 6 is voldaan:

  • a. behandelingen om de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;
  • b. het splitsen en samenvoegen van colli;
  • c. het wassen, schoonmaken; het stofvrij maken, verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;
  • d. het strijken of persen van textiel;
  • e. het eenvoudig schilderen of polijsten;
  • f. het doppen, het geheel of gedeeltelijk bleken, het polijsten of glanzen van granen en rijst;
  • g. het kleuren van suiker of het vormen van suikerklonten;
  • h. het pellen, ontpitten of schillen van noten, vruchten of groenten;
  • i. het aanscherpen, eenvoudig vermalen of eenvoudig versnijden;
  • j. het zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen);
  • k. het eenvoudig plaatsen in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, het bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de opmaak;
  • l. het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;
  • m. het eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten;
  • n. het eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel dan wel het uit elkaar nemen van artikelen in onderdelen;
  • o. twee of meer van de onder a) tot en met n) vermelde behandelingen tezamen;
  • p. het slachten van dieren.
2.

Om te bepalen of de be- of verwerkingen die een bepaald product heeft ondergaan ontoereikend zijn in de zin van lid 1, worden alle be- of verwerkingen die dit product in de Gemeenschap of in Marokko heeft ondergaan tezamen genomen.

Artikel 8. Determinerende eenheid

1.

De determinerende eenheid voor de toepassing van de bepalingen van dit protocol is het product dat bij de bepaling van de indeling volgens het geharmoniseerd systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

Hieruit volgt:

  • a. wanneer een product, bestaande uit een groep of verzameling van artikelen, onder één enkele post van het geharmoniseerd systeem wordt ingedeeld, het geheel de in aanmerking te nemen eenheid vormt;
  • b. wanneer een zending bestaat uit een aantal identieke producten die onder dezelfde post van het geharmoniseerd systeem worden ingedeeld, elk product voor de toepassing van de bepalingen van dit protocol afzonderlijk moet worden genomen.
2.

Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 9. Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen

Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs daarvan zijn inbegrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht één geheel te vormen met het materieel en de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 10. Stellen of assortimenten

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt evenwel als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15% van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 11. Neutrale elementen

Om te bepalen of een product een product van oorsprong is, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van bij de vervaardiging van dat product gebruikte:

  • a. energie en brandstof;
  • b. fabrieksuitrusting;
  • c. machines en werktuigen;
  • d. goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en ook niet bedoeld waren daarin voor te komen.

Artikel 12. Neutrale elementen

Om te bepalen of een produkt van oorsprong is uit de Gemeenschap of uit Marokko wordt niet nagegaan of de energie, brandstof, fabrieksuitrusting, machines en werktuigen die zijn gebruikt om dit produkt te verkrijgen van oorsprong zijn en wordt ook niet nagegaan of goederen die tijdens het produktieproces zijn gebruikt, maar die in de uiteindelijke samenstelling van het produkt niet voorkomen en ook niet bedoeld waren daarin voor te komen, van oorsprong zijn.

TITEL III. TERRITORIALE VOORWAARDEN

Artikel 13. Rechtstreeks vervoer

1.

De bij deze overeenkomst vastgestelde preferentiële regeling is uitsluitend van toepassing op producten die aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en die rechtstreeks tussen de Gemeenschap en Marokko of over het grondgebied van een ander in de artikelen 3 en 4 genoemd land waarmee cumulatie van toepassing is, zijn vervoerd. Goederen die één enkele zending vormen, kunnen via een ander grondgebied worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dit grondgebied, voorzover ze in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane blijven en aldaar geen andere behandelingen ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.

Producten van oorsprong mogen via een pijpleiding door een ander grondgebied dan dat van de Gemeenschap of van Marokko worden vervoerd.

2.

Het bewijs dat aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten van het land van invoer:

  • a. een enkel vervoerdocument dat het vervoer dekt van het land van uitvoer door het land van doorvoer; of
  • b. een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat:
  • i. een nauwkeurige omschrijving van de goederen,
  • ii. de data waarop de producten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder vermelding van de gebruikte schepen of andere vervoermiddelen, en
  • iii. dat een verklaring bevat over de voorwaarden waarop de goederen in het land van doorvoer verbleven; of
  • c. hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.

Artikel 14. Tentoonstellingen

1.

De overeenkomst is van toepassing op producten van oorsprong die naar een tentoonstelling in een ander dan de in de artikelen 3 en 4 genoemde landen waarmee cumulatie van toepassing is, zijn verzonden en die na de tentoonstelling zijn verkocht en in de Gemeenschap of in Marokko worden ingevoerd, mits ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

  • a. een exporteur deze producten vanuit de Gemeenschap of Marokko naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en ze daar heeft tentoongesteld;
  • b. deze exporteur de producten heeft verkocht of overgedragen aan een geadresseerde in de Gemeenschap of in Marokko;
  • c. de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan zijn verzonden; en
  • d. dat de goederen vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.
2.

Een bewijs van de oorsprong wordt overeenkomstig de bepalingen van titel V afgegeven of opgesteld en op de normale wijze bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend. Op dit bewijs zijn de naam en het adres van de tentoonstelling vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd betreffende de aard van de goederen en de omstandigheden waaronder zij zijn tentoongesteld.

3.

Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht zijn gebleven.

Artikel 15. Rechtstreeks vervoer

1.

De bij de Overeenkomst vastgestelde preferentiële regeling is uitsluitend van toepassing op produkten of materialen die niet over het grondgebied van een ander land tussen het grondgebied van de Gemeenschap en dat van Marokko of, wanneer de artikelen 4 en 5 van toepassing zijn, dat van Algerije of Tunesië, zijn vervoerd. Goederen van oorsprong uit Marokko of de Gemeenschap die één enkele zending vormen, kunnen via een ander grondgebied dan dat van de Gemeenschap of van Marokko of, wanneer artikel 3 van toepassing is, dat van Algerije of Tunesië worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dit grondgebied, voor zover de goederen in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane zijn gebleven, en aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.

Het vervoer per pijpleiding van produkten van oorsprong uit Marokko of de Gemeenschap mag via een ander grondgebied gaan dan dat van de Gemeenschap of van Marokko.

2.

Het bewijs dat aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten van het land van invoer:

  • a. hetzij een in het land van uitvoer opgesteld enig vervoerdocument ter dekking van het vervoer door het land van doorvoer;
  • b. hetzij een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat, waarin:
  • i. de produkten nauwkeurig zijn omschreven,
  • ii. de data zijn vermeld waarop de produkten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder opgave van de naam van de gebruikte schepen; en
  • iii. een verklaring betreffende de voorwaarden waarop de produkten in het land van doorvoer verbleven;
  • c. hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.

Artikel 16. Tentoonstellingen

1.

De bepalingen van de Overeenkomst zijn van toepassing op de invoer van produkten die uit een overeenkomstsluitende partij naar een tentoonstelling in een derde land zijn verzonden en na de tentoonstelling voor invoer in een andere overeenkomstsluitende partij zijn verkocht, voor zover deze produkten aan de voorwaarden van dit Protocol voldoen om als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Marokko te worden beschouwd, en voor zover ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

  • a. een exporteur deze produkten vanuit een overeenkomstsluitende partij naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en ze daar heeft tentoongesteld;
  • b. de exporteur de produkten heeft verkocht of op andere wijze afgestaan aan een geadresseerde in een andere overeenkomstsluitende partij;
  • c. de produkten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan naar laatstgenoemde overeenkomstsluitende partij zijn verzonden; en
  • d. de produkten, vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.
2.

Een bewijs van de oorsprong wordt overeenkomstig de bepalingen van titel IV afgegeven of opgesteld en op de normale wijze bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend. Op dit bewijs staan de naam en het adres van de tentoonstelling vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd ten aanzien van de aard van de produkten en de voorwaarden waarop zij werden tentoongesteld.

3.

Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse produkten worden gehouden, en gedurende welke de produkten onder douanetoezicht zijn gebleven.

TITEL V. BEWIJS VAN OORSPRONG

Artikel 17. Certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

Het karakter van produkt van oorsprong, in de zin van dit Protocol, wordt aangetoond door middel van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage III bij dit Protocol is opgenomen.

Artikel 18. Normale procedure voor de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1

1.

Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde vertegenwoordiger.

2.

Te dien einde vult de exporteur of diens gemachtigde vertegenwoordiger zowel het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 als het aanvraagformulier in. Modellen van beide formulieren zijn in bijlage III opgenomen.

Deze formulieren worden ingevuld in een van de talen waarin de Overeenkomst is opgesteld, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de formulieren met de hand worden ingevuld, dient dit met inkt en in blokletters te gebeuren. De produkten moeten worden omschreven in het daartoe bestemde vak en er mogen geen regels worden opengelaten. Indien dit vak niet volledig is ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale lijn getrokken en het niet-ingevulde gedeelte doorgekruist.

3.

De exporteur die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoekt, moet op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer waar dit certificaat wordt afgegeven, te allen tijde de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken produkten van oorsprong zijn en dat aan alle andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.

4.

Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap indien de uit te voeren goederen kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van artikel 2, lid 1, van dit Protocol. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van Marokko indien de uit te voeren goederen kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong uit Marokko in de zin van artikel 2, lid 2, van dit Protocol.

5.

Wanneer de gecumuleerde bepalingen van de artikelen 2 tot en met 5 van toepassing zijn, kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staten van de Gemeenschap of van Marokko certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 afgeven op de in dit Protocol vermelde voorwaarden, indien de uit te voeren goederen kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Marokko in de zin van dit Protocol, en voor zover de goederen waarop de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking hebben zich in de Gemeenschap of in Marokko bevinden.

In deze gevallen worden de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 afgegeven na overlegging van de eerder afgegeven of opgestelde bewijsstukken ten aanzien van de oorsprong. Deze bewijsstukken worden gedurende ten minste drie jaar door de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer bewaard.

6.

De met de afgifte van EUR.1-certificaten belaste douaneautoriteiten nemen alle nodige maatregelen om te controleren of de produkten inderdaad van oorsprong zijn en gaan na of aan alle andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de boeken van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.

De met de afgifte van EUR.1-certificaten belaste douaneautoriteiten zien er ook op toe dat de in lid 2 bedoelde formulieren correct zijn ingevuld. Zij gaan met name na of het voor de omschrijving van de goederen bestemde vak zo is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen niet mogelijk zijn.

7.

De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt vermeld in dat deel van het certificaat dat voor de douaneautoriteiten is bestemd.

8.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer afgegeven wanneer de produkten waarop het betrekking heeft worden uitgevoerd. Het wordt ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat ze zullen worden uitgevoerd.

Artikel 19. Afgifte achteraf van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

1.

In afwijking van artikel 18, lid 8, kan een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 bij wijze van uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft, indien

  • a. dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd;
  • b. ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wel was afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is aanvaard.
2.

Met het oog op de toepassing van lid 1 dient de exporteur in zijn aanvraag de plaats en de datum van uitvoer te vermelden van de produkten waarop het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking heeft, onder opgave van de redenen van zijn aanvraag.

3.

De douaneautoriteiten kunnen eerst tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaan na te hebben vastgesteld dat de in de aanvraag van de exporteur voorkomende gegevens overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.

4.

Op achteraf afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 wordt een van de volgende aantekeningen aangebracht:

ES ,EXPEDIDO A POSTERIORI’

CS ,VYSTAVENO DODATEČNĚ’

DA ,UDSTEDT EFTERFØLGENDE’

DE ,NACHTRÄGLICH AUSGESTELLT’

ET ,TAGANTJÄRELE VÄLJA ANTUD’

EL ,ΕΚΔΟΘΕΝ ΕΚ ΤΩΝ ϒΣΤΕΡΩΝ’

EN ,ISSUED RETROSPECTIVELY’

FR ,DÉLIVRÉ A POSTERIORI’

IT ,RILASCIATO A POSTERIORI’

LV ,IZSNIEGTS RETROSPEKTÎVI’

LT ,RETROSPEKTYVUSIS IŠDAVIMAS’

HU ,KIADVA VISSZAMENÕLEGES HATÁLLYAL’

MT ,MAH_RUĠ RETROSPETTIVAMENT’

NL ,AFGEGEVEN A POSTERIORI’

PL ,WYSTAWIONE RETROSPEKTYWNIE’

PT ,EMITIDO A POSTERIORI’

SL ,IZDANO NAKNADNO’

SK ,VYDANÉ DODATOČNE’

FI ,ANNETTU JÄLKIKÄTEEN’

SV ,UTFÄRDAT I EFTERHAND’

AR ,

5.

De in lid 4 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

Artikel 20. Afgifte van een duplicaat van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

1.

In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, kan de exporteur de douaneautoriteiten die dit certificaat hadden afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.

2.

Op het aldus afgegeven duplicaat wordt een van de volgende aantekeningen aangebracht:

ES ,DUPLICADO’

CS ,DUPLIKÁT’

DA ,DUPLIKAT’

DE ,DUPLIKAT’

ET ,DUPLIKAAT’

EL ,ΑΝΤΙΓΡΑΦΟ’

EN ,DUPLICATE’

FR ,DUPLICATA’

IT ,DUPLICATO’

LV ,DUBLIKÂTS’

LT ,DUBLIKATAS’

HU ,MÁSODLAT’

MT ,DUPLIKAT’

NL ,DUPLICAAT’

PL ,DUPLIKAT’

PT ,SEGUNDA VIA’

SL ,DVOJNIK’

SK ,DUPLIKÁT’

FI ,KAKSOISKAPPALE’

SV ,DUPLIKAT’

AR ,

3.

De in lid 2 bedoelde aantekening, de datum van afgifte en het volgnummer van het oorspronkelijke certificaat worden aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

4.

Het duplicaat, dat dezelfde datum van afgifte draagt als het oorspronkelijke EUR.1-certificaat geldt vanaf die datum.

Artikel 21. Vervanging van certificaten

1.

Vervanging van een of meer certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 door een of meer andere certificaten is steeds mogelijk, voor zover dit geschiedt door het douanekantoor of de andere bevoegde instanties die met het toezicht op de goederen zijn belast.

2.

Het vervangende certificaat wordt met het oog op de toepassing van dit Protocol, met inbegrip van dit artikel, als een definitief certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 beschouwd.

3.

Het vervangende certificaat wordt afgegeven op schriftelijk verzoek van degene die de wederuitvoer verricht, nadat de betrokken instanties de door de aanvrager verstrekte gegevens hebben gecontroleerd. De datum en het volgnummer van het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 worden in vak 7 vermeld.

Artikel 22. Vereenvoudigde procedure voor de afgifte van certificaten

1.

In afwijking van de artikelen 18, 19 en 20 van dit Protocol kan volgens onderstaande bepalingen een vereenvoudigde procedure voor de afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 worden toegepast.

2.

De douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer kunnen een exporteur, hierna „toegelaten exporteur” genoemd, die veelvuldig goederen verzendt waarvoor certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 kunnen worden afgegeven en die, ten genoegen van de bevoegde instanties, de nodige waarborgen biedt wat de controle op de oorsprong van de produkten betreft, vergunning verlenen om bij uitvoer noch de goederen, noch een aanvraag om een EUR.1-certificaat voor deze goederen bij het douanekantoor van de Staat van uitvoer aan te bieden met het oog op de afgifte van een EUR.1-certificaat onder de bij artikel 18 van dit Protocol vastgestelde voorwaarden.

3.

In de in lid 2 bedoelde vergunning wordt naar keuze van de bevoegde instanties bepaald dat vak 11 „Visum van de douane” van het EUR.1-certificaat:

  • a. hetzij van tevoren wordt voorzien van het stempel van het bevoegde douanekantoor van de Staat van uitvoer, alsmede van de geschreven of anderszins aangebrachte handtekening van een ambtenaar van dit kantoor,
  • b. hetzij door de toegelaten exporteur wordt voorzien van een speciaal stempel dat door de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer is goedgekeurd en overeenkomt met het model dat in bijlage V is opgenomen. Dit stempel mag ook van tevoren op de formulieren worden gedrukt.
4.

In de in lid 3, onder a, bedoelde gevallen wordt in het vak ,Opmerkingen’ van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 een van de volgende aantekeningen aangebracht:

,PROCEDIMIENTO SIMPLIFICADO’, ,ZJEDNODUŠENÝ POSTUP’, ,FORENKLET PROCEDURE’, ,VEREINFACHTES VERFAHREN’, ,LIHTSUSTATUD TOLLIPROTSEDUUR’, ,ΑΠΛΟϒΣΤΕϒΜΕΝΗ ΔΙΑΔΙΚΑΣΙΑ’, ,SIMPLIFIED PROCEDURE’, ,PROCÉDURE SIMPLIFIÉE’, ,PROCEDURA SEMPLIFICATA’, ,VIENKÂRŠOTA PROCEDÛRA’, ,SUPAPRASTINTA PROCEDURA’, ,EGYSZERÛSÍTETT ELJÁRÁS’, ,PROCEDURA SIMPLIFIKATA’, ,VEREENVOUDIGDE PROCEDURE’, ,PROCEDURA UPROSZCZONA’, ,PROCEDIMENTO SIMPLIFICADO’, ,POENOSTAVLJEN POSTOPEK’, ,ZJEDNODUŠENÝ POSTUP’, ,YKSINKERTAISTETTU MENETTELY’, ,FÖRENKLAT FÖRFARANDE’, ,

5.

Vak 11 „Visum van de douane” van het certificaat EUR.1 wordt eventueel door de toegelaten exporteur ingevuld.

6.

De toegelaten exporteur vermeldt eventueel in vak 13 „Verzoek om controle” van het certificaat EUR.1 naam en adres van de instantie die bevoegd is dit certificaat te controleren.

7.

De douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer kunnen voorschrijven dat de certificaten EUR.1 bij toepassing van de vereenvoudigde procedure van een speciaal merkteken worden voorzien.

8.

De bevoegde instanties geven in de in lid 2 bedoelde vergunning met name aan:

  • a. op welke wijze de aanvragen om EUR.1-certificaten worden opgesteld;
  • b. op welke wijze deze aanvragen gedurende ten minste drie jaar worden bewaard;
  • c. in de in lid 3, onder b, bedoelde gevallen, de instantie die bevoegd is de in artikel 33 van dit Protocol bedoelde controle achteraf uit te voeren.
9.

De douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer mogen bepaalde categorieën goederen van de in lid 2 bedoelde speciale behandeling uitsluiten.

10.

De in lid 2 bedoelde vergunning wordt geweigerd wanneer de exporteur niet alle waarborgen biedt die de douaneautoriteiten nodig achten. De douaneautoriteiten kunnen de vergunning steeds intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet meer aan de voorwaarden voldoet of de nodige waarborgen biedt.

11.

De toegelaten exporteur kan worden verplicht de douaneautoriteiten, op de wijze die deze bepalen, over zijn voorgenomen zendingen in te lichten, zodat het bevoegde douanekantoor eventueel de door hem nodig geachte controles kan uitvoeren voordat de goederen worden verzonden.

12.

De douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer kunnen elke door hen nodig geachte controle uitvoeren bij de toegelaten exporteurs. Deze exporteurs kunnen zich hiertegen niet verzetten.

13.

De bepalingen in dit artikel doen geen afbreuk aan de in de Gemeenschap, de Lid-Staten en Marokko geldende voorschriften inzake douaneformaliteiten en het gebruik van douanedocumenten.

Artikel 23. Inlichtingenblad en aangifte

1.

Wanneer de artikelen 3, 4 en 5 worden toegepast met het oog op de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, neemt het bevoegde douanekantoor van de Staat waar om de afgifte van dit certificaat wordt verzocht voor produkten waarin produkten uit Algerije, Tunesië of de Gemeenschap zijn verwerkt, de verklaring in aanmerking van de exporteur van de Staat waaruit de goederen afkomstig zijn. Deze verklaring, waarvan het model in bijlage VI is opgenomen, moet op de bij die goederen behorende factuur worden gesteld of op een bijlage bij die factuur.

2.

Het betrokken douanekantoor kan de exporteur evenwel om overlegging van het inlichtingenblad verzoeken dat overeenkomstig lid 3 is afgegeven en waarvan het model in bijlage VII is opgenomen, hetzij om de echtheid en de juistheid van de gegevens in de in lid 1 bedoelde verklaring te controleren, hetzij om aanvullende gegevens te verkrijgen.

3.

Het inlichtingenblad betreffende de be- of verwerkte produkten wordt op verzoek van de exporteur van die produkten door het bevoegde douanekantoor van de Staat van uitvoer van deze produkten afgegeven, hetzij in de in lid 2 bedoelde gevallen, hetzij op initiatief van de exporteur. Het inlichtingenblad wordt in twee exemplaren opgemaakt. Een exemplaar wordt aan de aanvrager gegeven die het aan de exporteur van het eindprodukt doet toekomen of aan het douanekantoor waarbij een EUR.1-certificaat voor deze produkten is aangevraagd. Het tweede exemplaar wordt door het kantoor van afgifte gedurende ten minste twee jaar bewaard.

Artikel 24. Geldigheid van het bewijs van oorsprong

1.

Een EUR.1-certificaat is vier maanden geldig vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer. Het moet binnen deze periode worden ingediend bij de douaneautoriteiten van het land van invoer.

2.

EUR.1-certificaten die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële behandeling worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van overmacht of buitengewone omstandigheden.

3.

In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van de Staat van invoer de EUR.1-certificaten aanvaarden wanneer de produkten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.

Artikel 25. Overlegging van het bewijs van oorsprong

EUR.1-certificaten worden bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Bedoelde autoriteiten kunnen een vertaling van dit certificaat verlangen. Zij kunnen voorts eisen dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de produkten aan de voorwaarden voor de toepassing van de Overeenkomst voldoen.

Artikel 26. Invoer in deelzendingen

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van de Staat van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde produkten in de zin van algemene regel 2 a voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de hoofdstukken 84 en 85 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend bij de invoer van de eerste deelzending.

Artikel 27. Factuurverklaring

1.

In afwijking van artikel 17 wordt het bewijs van oorsprong, in de zin van dit Protocol, voor zendingen die uitsluitend produkten van oorsprong bevatten waarvan de waarde niet meer bedraagt dan 5.110 ecu per zending, geleverd door een verklaring, waarvan de tekst in bijlage IV is opgenomen, en die door de exporteur wordt aangebracht op een factuur, een pakbon of elk ander handelsdocument waarin de produkten zo zijn omschreven dat ze geïdentificeerd kunnen worden (hierna „factuurverklaring" genoemd).

2.

De factuurverklaring wordt door de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, door zijn gemachtigde vertegenwoordiger, overeenkomstig dit Protocol, ingevuld en ondertekend.

3.

Voor elke zending wordt een factuurverklaring opgesteld.

4.

De exporteur die de factuurverklaring heeft opgesteld, is gehouden alle bewijsstukken betreffende het gebruik van die verklaring over te leggen indien de douaneautoriteiten van het land van uitvoer hierom verzoeken.

5.

De artikelen 24 en 25 zijn van overeenkomstige toepassing op de factuurverklaring.

Artikel 28. Vrijstelling van bewijs van de oorsprong

1.

Produkten die in kleine zendingen aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers worden als produkten van oorsprong toegelaten zonder dat het nodig is een formeel bewijs van oorsprong over te leggen, voor zover aan zulke produkten ieder handelskarakter vreemd is en verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden voor de toepassing van dit Protocol voldoen en er over de juistheid van een dergelijke verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier C2/CP3 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.

2.

Als invoer waaraan ieder handelskarakter vreemd is wordt beschouwd de invoer van incidentele aard van produkten die uitsluitend bestemd zijn voor het persoonlijke gebruik van de geadresseerde, de reiziger of de leden van zijn gezin, voor zover noch de aard noch de hoeveelheid van de produkten op commerciële doeleinden wijzen.

3.

Voorts mag de totale waarde van deze produkten niet meer bedragen dan 500 ecu voor kleine zendingen of 1.200 ecu voor produkten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Artikel 29. Bewaring van de bewijsstukken inzake de oorsprong en van de andere bewijsstukken

1.

De exporteur die om de afgifte van een EUR.1-certificaat verzoekt, bewaart de in artikel 18, leden 1 en 3, bedoelde bewijsstukken gedurende een periode van ten minste drie jaar.

2.

De exporteur die een factuurverklaring opstelt, bewaart een kopie van deze factuurverklaring en van de in artikel 27, lid 1, bedoelde documenten gedurende een periode van ten minste drie jaar.

3.

De douaneautoriteiten van het land van uitvoer die een EUR.1-certificaat afgeven bewaren het in artikel 18, lid 2, bedoelde aanvraagformulier gedurende een periode van ten minste drie jaar.

4.

De douaneautoriteiten van het land van invoer bewaren de EUR.1-certificaten die bij hen werden ingediend gedurende een periode van ten minste drie jaar.

Artikel 30. Verschillen en vormfouten

1.

Worden geringe verschillen vastgesteld tussen de gegevens op het EUR.1-certificaat of de factuurverklaring en de gegevens op de documenten die, met het oog op het vervullen van de invoerformaliteiten bij invoer, bij het douanekantoor worden ingediend, dan is het EUR.1-certificaat of de factuurverklaring hierdoor niet automatisch ongeldig, indien blijkt dat het document wel degelijk met de aangebrachte produkten overeenstemt.

2.

Kennelijke vormfouten zoals typefouten op het EUR.1-certificaat of in de factuurverklaring maken dit document niet ongeldig indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

Artikel 31. In ecu uitgedrukte bedragen

1.

Het land van uitvoer stelt de bedragen in zijn nationale valuta vast die gelijk zijn aan de in ecu uitgedrukte bedragen en deelt deze aan de andere overeenkomstsluitende partijen mede. Indien deze bedragen hoger zijn dan de overeenkomstige door het land van invoer vastgestelde bedragen, worden ze door laatstgenoemd land aanvaard indien de produkten gefactureerd zijn in de valuta van het land van uitvoer of van een van de andere in artikel 4 van dit Protocol bedoelde landen.

Indien de produkten gefactureerd zijn in de valuta van een andere Lid-Staat van de Gemeenschap, aanvaardt het land van invoer het door het betrokken land medegedeelde bedrag.

2.

Tot en met 30 april 2000 is de waarde van de in een bepaalde nationale valuta uitgedrukte ecu gelijk aan de waarde van de ecu in die nationale valuta per 1 oktober 1994.

Voor iedere daaropvolgende periode van vijf jaar worden de in ecu uitgedrukte bedragen en hun tegenwaarde in de nationale valuta van de Staten door de Associatieraad herzien aan de hand van de wisselkoers van de ecu op de eerste werkdag in oktober van het onmiddellijk aan die periode van vijf jaar voorafgaande jaar.

Bij deze herziening ziet de Associatieraad erop toe dat de te gebruiken bedragen in nationale valuta niet worden verminderd. Voorts zal deze Raad onderzoeken of het wenselijk is de gevolgen van de betreffende limieten in reële termen te handhaven. Te dien einde kan hij besluiten de in ecu uitgedrukte bedragen te wijzigen.

TITEL V. REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 32. Toezending van de stempelafdrukken en adressen

De douaneautoriteiten van de Lid-Staten en van Marokko doen elkaar, via de Commissie van de Europese Gemeenschappen, afdrukken toekomen van de stempels die in hun douanekantoren worden gebruikt bij de afgifte van certificaten EUR.1, alsmede de adressen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de afgifte van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de controle van deze certificaten en de factuurverklaringen.

Artikel 33. Controle van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1, de factuurverklaringen en de inlichtingenbladen

1.

De EUR.1-certificaten en de factuurverklaringen worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd en wanneer de douaneautoriteiten van de Staat van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken produkten of de naleving van de andere voorwaarden van dit Protocol.

2.

Met het oog op de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer het EUR.1-certificaat, de factuurverklaring of een kopie van deze documenten, terug aan de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer, onder vermelding van de formele of materiële redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd.

Zij verstrekken bij deze aanvraag om een controle achteraf alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het EUR.1-certificaat of in de factuurverklaring onjuist zijn.

3.

De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Te dien einde zijn zij gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen en de boeken van de exporteur in te zien en elke andere controle te verrichten die zij dienstig achten.

4.

Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, stellen zij de importeur voor de produkten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

5.

De douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd worden zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen tien maanden van de resultaten van de controle in kennis gesteld. In deze mededeling moet duidelijk worden aangegeven of de documenten al dan niet echt zijn, of de betrokken produkten als produkten van oorsprong beschouwd kunnen worden en of aan de andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.

6.

Indien bij gegronde twijfel binnen de termijn van tien maanden geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de produkten vast te stellen, kennen de aanvragende douaneautoriteiten de algemene tariefpreferenties niet toe, behoudens buitengewone omstandigheden.

7.

De controle achteraf van de in artikel 23 bedoelde inlichtingenbladen wordt uitgevoerd in de in lid 1 bedoelde gevallen en volgens de methoden die in de leden 2 tot en met 6 zijn omschreven.

Artikel 34. Regeling van geschillen

Geschillen ten aanzien van de in artikel 33 bedoelde controles die de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd en de douaneautoriteiten die met deze controle zijn belast niet onderling kunnen regelen, en problemen in verband met de interpretatie van dit Protocol worden aan het Comité Douanesamenwerking voorgelegd.

In alle gevallen is de wetgeving van de staat van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteiten van de Staat van invoer.

Artikel 35. Sancties

Tegen een ieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel produkten onder de preferentiële regeling te doen vallen, worden sancties getroffen.

Artikel 36. Vrije zones

1.

De Lid-Staten van de Gemeenschap en Marokko nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat produkten die onder geleide van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 worden verhandeld en tijdens het vervoer in een op hun grondgebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere behandelingen ondergaan dan die welke gebruikelijk zijn om ze in goede staat te bewaren.

2.

In afwijking van het bepaalde in lid 1 dienen de bevoegde douaneautoriteiten, wanneer produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Marokko die onder dekking van een EUR.1-certificaat in een vrije zone zijn ingevoerd een be- of verwerking ondergaan, op verzoek van de exporteur een nieuw EUR.1-certificaat af te geven mits deze be- of verwerking met de bepalingen van dit Protocol overeenstemt.

TITEL VI. CEUTA EN MELILLA

Artikel 37. Toepassing van het Protocol

1.

De in dit Protocol gebruikte term „Gemeenschap" heeft geen betrekking op Ceuta en Melilla. Onder „produkten van oorsprong uit de Gemeenschap" worden geen produkten van oorsprong uit deze gebieden verstaan.

2.

Dit Protocol is van overeenkomstige toepassing op produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla, met inachtneming van de in artikel 38 vastgestelde bijzondere voorwaarden.

Artikel 38. Bijzondere voorwaarden

1.

De volgende bepalingen zijn van toepassing in plaats van de artikelen 2, 3 en artikel 4, leden 1 en 2, en de verwijzingen naar deze artikelen zijn van overeenkomstige toepassing op onderhavig artikel.

2.

Mits zij rechtstreeks zijn vervoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, worden beschouwd als:

    1. produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla:
  • a. geheel en al in Ceuta en Melilla verkregen produkten;
  • b. in Ceuta en Melilla verkregen produkten bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder a bedoelde produkten zijn gebruikt, mits:
  • i. deze produkten be- of verwerkingen hebben ondergaan die toereikend zijn in de zin van artikel 7 van dit Protocol, of
  • ii. deze produkten van oorsprong zijn uit Marokko of de Gemeenschap in de zin van dit Protocol, of uit Algerije of Tunesië indien aan de voorwaarden van artikel 4, leden 3 en 4, is voldaan, mits zij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer omvatten dan de in artikel 8 bedoelde ontoereikende be- of verwerkingen;
    1. produkten van oorsprong uit Marokko:
  • a. geheel en al in Marokko verkregen produkten;
  • b. in Marokko verkregen produkten waarin andere dan de onder a bedoelde produkten zijn gebruikt, voor zover:
  • i. deze produkten een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 7 van dit Protocol,
  • ii. deze produkten van oorsprong zijn uit Ceuta en Melilla of de Gemeenschap in de zin van dit Protocol, of uit Algerije of Tunesië indien aan de voorwaarden van artikel 4, leden 3 en 4, is voldaan, mits zij een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 8 omschreven ontoereikende be- of verwerkingen.
3.

Ceuta en Melilla worden als één enkel grondgebied beschouwd.

4.

De exporteur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger vermeldt „Marokko" en „Ceuta en Melilla" in vak 2 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1. Voor produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla wordt het karakter van oorsprong bovendien vermeld in vak 4 van het EUR.1-certificaat.

5.

De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van dit Protocol in Ceuta en Melilla.

TITEL VII. CEUTA EN MELILLA

Artikel 39. Wijziging van het Protocol

De Associatieraad kan besluiten de toepassing van de bepalingen van dit Protocol te wijzigen op verzoek van een van beide partijen of van het Comité Douanesamenwerking.

Artikel 40. Comité Douanesamenwerking

1.

Er wordt een Comité Douanesamenwerking ingesteld, dat belast is met de tenuitvoerlegging van de administratieve samenwerking met het oog op de correcte en uniforme toepassing van dit Protocol en dat met elke andere taak op douanegebied kan worden belast.

2.

Het Comité is samengesteld uit door de Lid-Staten benoemde douanedeskundigen en met douanezaken belaste ambtenaren van de diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen enerzijds en met door Marokko benoemde douanedeskundigen anderzijds.

Artikel 41. Bijlagen

De bijlagen bij dit Protocol zijn een onderdeel van dit Protocol.

Artikel 42. Uitvoering

De Gemeenschap en Marokko nemen, ieder voor zich, de maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit Protocol.

Artikel 43. Regelingen met Algerije en Tunesië

De partijen bij deze overeenkomst nemen de nodige maatregelen om met Algerije en Tunesië regelingen met het oog op de toepassing van dit Protocol te treffen. Zij stellen elkaar van deze maatregelen in kennis.

Artikel 44. Goederen in doorvoer of in opslag

De Overeenkomst kan worden toegepast op goederen die aan de bepalingen van dit Protocol voldoen en die op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst onderweg zijn of die in de Gemeenschap of in Marokko of, voor zover de artikelen 3, 4 en 5 van toepassing zijn, in Algerije of Tunesië, tijdelijk zijn opgeslagen of zich daar in een douane-entrepot of vrije zone bevinden, mits binnen vier maanden na die datum een EUR.1-certificaat bij de douaneautoriteiten van de Staat van invoer wordt ingediend dat achteraf door de bevoegde instanties van de Staat van uitvoer is opgesteld, tezamen met de documenten waaruit blijkt dat de goederen rechtstreeks zijn vervoerd.

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:

  • a. „douanewetgeving”: alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen van toepassing zijn betreffende de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing van goederen onder een douaneregeling, met inbegrip van de verbods-, beperkings- en controlemaatregelen die deze partijen hebben vastgesteld;
  • b. „verzoekende autoriteit”: een bevoegde administratieve autoriteit die door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen om verzoeken om administratieve bijstand in douanezaken in te dienen;
  • c. „aangezochte autoriteit”: een bevoegde administratieve autoriteit die door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen om verzoeken om administratieve bijstand in douanezaken te ontvangen;
  • d. „persoonsgebonden gegevens”: alle inlichtingen over een bepaalde of te bepalen natuurlijke persoon.

Artikel 2. Werkingssfeer

1.

De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar binnen hun bevoegdheden bijstand, op de wijze en onder de voorwaarden die in dit Protocol zijn vastgesteld, met het oog op de preventie, de opsporing en de vaststelling van overtredingen van de douanewetgeving.

2.

De bijstand in douanezaken waarin dit Protocol voorziet, geldt voor elke administratieve autoriteit van de overeenkomstsluitende partijen die bevoegd is dit Protocol toe te passen. Deze bijstand doet geen afbreuk aan de regels betreffende de wederzijdse bijstand in strafzaken en geldt evenmin voor informatie verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van de rechterlijke autoriteiten worden uitgeoefend, tenzij deze autoriteiten hiermee instemmen.

Artikel 3. Bijstand op verzoek

1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verschaft de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, met inbegrip van informatie betreffende vastgestelde of voorgenomen transacties die met deze wetgeving in strijd zijn of kunnen zijn.

2.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede of goederen die uit het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij zijn uitgevoerd, op regelmatige wijze op het grondgebied van de andere partij zijn ingevoerd, onder vermelding, in voorkomend geval, van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst.

3.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit zorgt de aangezochte autoriteit er, binnen de grenzen van haar wetgeving, voor dat een bijzonder toezicht wordt uitgeoefend op:

  • a. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij de douanewetgeving overtreden of overtreden hebben;
  • b. plaatsen waar goederen op zodanige wijze zijn opgeslagen dat redelijkerwijze vermoed kan worden dat ze bedoeld zijn te worden gebruikt bij transacties die met de wetgeving van de andere overeenkomstsluitende partijen in strijd zijn;
  • c. goederenbewegingen waarover bericht wordt dat zij aanleiding kunnen geven tot overtredingen van de douanewetgeving;
  • d. vervoermiddelen waarvan redelijkerwijze vermoed kan worden dat zij bij overtredingen van de douanewetgeving worden of werden gebruikt of gebruikt zouden kunnen worden.

Artikel 4. Bijstand op eigen initiatief

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)