Wijzigingsgeschiedenis
Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau
5 versions
· 2021-07-15
2021-07-15
Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luch
2019-10-07
Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luch
2013-06-05
Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luch
1999-11-30
Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luch
Wijzigingen op 1999-11-30
@@ -1714,3244 +1714,3 @@
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed the present Protocol.
DONE at Gothenburg (Sweden), this thirtieth day of November one thousand nine hundred and ninety-nine.
### B. Voor Partijen in Noord-Amerika
##### 5bis
Voor de Verenigde Staten van Amerika worden de gevolgen van voedingsstikstoffen (eutrofiëring) voor ecosystemen beoordeeld door het evalueren van de gevoeligheid van ecosystemen voor en de reactie ervan op de belasting van stikstofverbindingen, gebruikmakend van peer-reviewed wetenschappelijke methodologieën en criteria, en rekening houdend met onzekerheden in verband met de stikstofcyclus in ecosystemen. Bij het vaststellen van secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor NOx wordt vervolgens rekening gehouden met de negatieve gevolgen voor vegetatie en ecosystemen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en de luchtkwaliteitsnormen worden gebruikt bij het bieden van een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001635&bijlage=II&z=2013-06-05&g=2013-06-05).
### III. KRITISCHE NIVEAUS VAN OZON
### A. **Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP**
##### 6
Kritische niveaus (zoals omschreven in artikel 1) van ozon worden bepaald ter bescherming van planten in overeenstemming met het bij het Verdrag behorende („Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. Zij worden uitgedrukt in termen van de cumulatieve waarde van stomataire stromen of concentraties boven het bladerdak. Kritische niveaus worden bij voorkeur gebaseerd op stomataire stromen omdat deze biologisch relevanter worden geacht aangezien hierbij rekening wordt gehouden met veranderingen in de opname van ozon door vegetatie onder invloed van klimaat, bodem en planten.
##### 7
Voor een aantal soorten gewassen, (semi-)natuurlijke vegetatie en bosbomen zijn kritische ozonniveaus afgeleid. De gekozen kritische niveaus hebben betrekking op de belangrijkste milieueffecten zoals het verlies van voedselzekerheid, verminderde koolstofopslag in de levende biomassa van bomen en bijkomende nadelige gevolgen voor het bos- en (semi-)natuurlijke ecosystemen.
##### 8
Het voor de menselijke gezondheid kritische ozonniveau wordt vastgesteld overeenkomstig de Air Quality Guidelines van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om de menselijke gezondheid te beschermen tegen een scala van gezondheidseffecten, met inbegrip van een verhoogd risico op vroegtijdig overlijden en ziekten.
### B. **Voor Partijen in Noord-Amerika**
##### 9
Voor Canada is het wel te verstaan dat er geen onderdrempel is voor gevolgen voor de menselijke gezondheid als gevolg van ozon. Er zijn namelijk nadelige gevolgen geobserveerd bij alle in Canada voorkomende ozonconcentraties. De Canadian Ambient Air Quality Standard for ozone (Canadese kwaliteitsnorm voor omgevingslucht voor ozon) is ingesteld ter ondersteuning van beleidsinspanningen op nationaal niveau, en door rechtsgebieden, om de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu aanzienlijk te verminderen.
##### 10
Voor de Verenigde Staten van Amerika worden kritische niveaus vastgesteld in de vorm van primaire en secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor ozon ter bescherming van de menselijke gezondheid met een passende veiligheidsmarge en ter bescherming van het algemeen welzijn met inbegrip van vegetatie tegen bekende of verwachte nadelige gevolgen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en de kwaliteitsnormen voor lucht worden gebruikt ter voorlichting bij het vaststellen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.
### IV. Kritische niveaus van zwevende deeltjes
### A. Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP
##### 11
Het kritische niveau van zwevende deeltjes voor de menselijke gezondheid wordt overeenkomstig de WHO Air Quality Guidelines vastgesteld als de massaconcentratie van PM2,5. Het bereiken van het niveau uit de WHO-richtlijnen zorgt naar verwachting voor een doeltreffende vermindering van de gezondheidsrisico’s. De PM2,5-concentratie op de lange termijn, uitgedrukt als een jaarlijks gemiddelde, is evenredig aan het gezondheidsrisico, met inbegrip van een vermindering van de levensverwachting. Deze indicator wordt gebruikt in geïntegreerde modellen om een richtlijn voor emissiereductie te bieden. Naast het jaarlijkse richtlijnniveau wordt een richtlijnniveau voor de korte termijn (gemiddelde over 24 uur) gedefinieerd ter bescherming tegen verontreinigingspieken die een aanzienlijke impact hebben op het ziektecijfer of sterftecijfer.
### B. Voor Partijen in Noord-Amerika
##### 12
Voor Canada is het wel te verstaan dat er geen onderdrempel is voor gevolgen voor de menselijke gezondheid als gevolg van zwevende deeltjes. Er zijn namelijk nadelige gevolgen geobserveerd bij alle in Canada voorkomende concentraties zwevende deeltjes. De Canadese nationale norm voor zwevende deeltjes is ingesteld ter ondersteuning van beleidsinspanningen op nationaal niveau, en door rechtsgebieden, om de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu aanzienlijk te verminderen.
##### 13
Voor de Verenigde Staten zijn kritische niveaus in de vorm van primaire en secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor zwevende deeltjes bepaald ter bescherming van de menselijke gezondheid met een passende veiligheidsmarge en ter bescherming van het algemeen welzijn (met inbegrip van zichtbaarheid en door mensen gemaakte materialen) tegen bekende of verwachte nadelige gevolgen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en luchtkwaliteitsnormen worden gebruikt bij het bieden van een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.
### V. Kritische niveaus van ammoniak
##### 14
Kritische niveaus (zoals omschreven in artikel 1) van ammoniak worden bepaald ter bescherming van planten in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende „Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”.
### VI. Aanvaardbare niveaus van luchtverontreinigende stoffen om materialen te beschermen
##### 15
Aanvaardbare niveaus van verzurende verontreinigende stoffen, ozon en zwevende deeltjes worden bepaald ter bescherming van materialen en cultureel erfgoed in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende „Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. De aanvaardbare niveaus van verontreinigende stoffen betreffen de maximale blootstelling die een materiaal op lange termijn kan verdragen zonder dat er schade ontstaat die groter is dan de hierboven gespecificeerde corrosiesnelheden. Deze schade, die kan worden berekend aan de hand van beschikbare dosis-effectfuncties, is het resultaat van verschillende verontreinigende stoffen die in verschillende combinaties samen een uitwerking hebben die afhankelijk is van het materiaal: zuurtegraad (zwaveldioxide (SO2), salpeterzuur (HNO3)), ozon en zwevende deeltjes.
##### 1
Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.
##### 2
Voor de toepassing van afdeling A, met uitzondering van tabel 2 en de punten 11 en 12, wordt onder grenswaarde verstaan de in de rookgassen uit een installatie aanwezige hoeveelheid gasvormige verbinding die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de rookgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen gegeven zijn. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verminderen, is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen gegeven zijn. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verminderen, is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.
##### 3
Emissies worden in alle gevallen bewaakt1)Onder monitoring wordt een allesomvattende activiteit verstaan die het meten van emissies, het opstellen van massabalansen enz. omvat. Deze kan continu of met tussenpozen worden uitgevoerd.. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd. De methoden van verificatie kunnen ononderbroken of onderbroken maatregelen omvatten, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode.
##### 4
Bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen alsmede referentiemeetmethoden voor het ijken van meetsystemen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de normen die door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) of de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) vastgesteld zijn. In afwachting van de opstelling van de CEN- of ISO-normen zijn de nationale normen van toepassing.
##### 5
Metingen van emissies moeten ononderbroken worden uitgevoerd wanneer emissies van SO2 de 75 kg/u overschrijden.
##### 6
Bij ononderbroken meting voor een nieuwe inrichting wordt naleving van de emissienormen bereikt indien de berekende dagelijkse gemiddelde waarden de grenswaarde niet overschrijden en indien geen uurwaarde de grenswaarde overschrijdt met 100%.
##### 7
In geval van ononderbroken metingen voor bestaande inrichtingen wordt naleving van de emissienormen bereikt indien a. geen van de maandelijkse gemiddelde waarden de grenswaarden overschrijdt; en b. 97% van alle gemiddelde waarden per 48 uur 110% van de grenswaarden niet overschrijdt.
##### 8
Bij onderbroken metingen wordt, als minimumvereiste, naleving van de emissienormen bereikt indien de op een relevant aantal metingen onder representatieve omstandigheden gebaseerde gemiddelde waarden de waarde van de emissienorm niet overschrijdt.
##### 9
Stoomketels en procesovens met een nominaal thermisch vermogen dat 50 MWth overschrijdt:th overschrijdt:
**Tabel 1:**Grenswaarden voor SOx-emissies van stoomketelsa)
| | **Thermi-sche input (MWth)** | **Grens-waarde (mg SO2/Nm3)b)** | **Alternatief voor huisbrandkolen verwijderings-rendement** |
| --- | --- | --- | --- |
| Vaste en vloeibare brandstoffen, nieuwe installaties | 50–100 | 850 | 90%d) |
| | 100–300 | 850–200c) (lineaire afname) | 92%d) |
| | > 300 | 200c) | 95%d) |
| Vaste brandstoffen, bestaande installaties | 50–100 | 2000 | |
| | 100–500 | 2000–400(lineaire afname) | |
| | > 500 | 400 | |
| | 50–150 | | 40% |
| | 150–500 | | 40–90% (lineaire toename) |
| | > 500 | | 90% |
| Vloeibare brandstoffen, bestaande installaties | 50–300300–500 | 1700 | |
| | 300-500 | 1700–400 (lineaire afname) | |
| | > 500 | 400 | |
| Gasvormige brandstoffen algemeen, nieuwe en bestaande installaties | | 35 | |
| Vloeibaar gas, nieuwe en bestaande installaties | | 5 | |
| Gassen met lage calorische waarde (bijv. vergassing van raffi-nageresiduen of verbranding van cokesovengas) | | nieuw 400 bestaand 800 | |
| | | | |
| Hoogovengas | | nieuw 200 bestaand 800 | |
| Nieuwe verbrandingsinrichting in raffina-derijen (gemiddelde van alle nieuwe verbrandingsinstallaties) | > 50 (totale raffinage-capaciteit) | 600 | |
| Bestaande verbran-dingsinrichting in raffinaderijen (gemid-delde van alle be-staande verbrandings-installaties) | | 1000 | |
a) De grenswaarden gelden met name niet voor de volgende inrichtingen:
- –. inrichtingen waarin de verbrandingsproducten worden gebruikt voor het rechtstreeks verhitten, drogen of enige andere behandeling van voorwerpen of materialen, bijvoorbeeld herverhitting- en warmtebehandelingsovens;
- –. naverbrandingsinrichtingen, met andere woorden alle technische apparatuur die ontworpen is om rookgassen te zuiveren door verbranding en die niet als een zelfstandige verbrandingsinrichting wordt gebruikt;
- –. voorzieningen voor het regenereren van bij het kraken gebruikte katalysatoren;
- –. voorzieningen voor de omzetting van waterstofsulfide in zwavel;
- –. in de chemische industrie gebruikte reactors;
- –. cokesovenbatterijen;
- –. windverhitters;
- –. vuilverbrandingsinstallaties; en
- –. door diesel-, benzine- en gasmotoren of gasturbines aangedreven installaties, ongeacht de gebruikte brandstof.
b) Het O2–referentiegehalte is 6% voor vaste en 3% voor overige brandstoffen.
c) 400 bij zware stookolie S <0,25%.
d) Indien een installatie 300 mg/Nm3 SO2 bereikt, kan deze worden uitgezonderd van toepassing van het bewerkingsrendement.
##### 10
Gasolie
**Tabel 2:**Grenswaarden voor het zwavelgehalte van gasoliea)
| | **Zwavelgehalte (procent per gewicht)** |
| --- | --- |
| Gasolie | < 0,2 na 1 juli 2000 < 0,1 na 1 januari 2008 |
a) “Gasolie”: een aardolieproduct dat onder GS-code 2710 valt of een aardolieproduct dat, op grond van zijn destillatiegrenzen, behoort tot de middeldestillaten die bestemd zijn voor gebruik als brandstof en die, distillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 85% van hun volume distilleren bij 350°C. Brandstoffen gebruikt in wegvoertuigen en terreinvoertuigen en landbouwtractoren zijn uitgezonderd van deze omschrijving. Gasolie bestemd voor gebruik op zee is in de omschrijving begrepen indien deze voldoet aan bovenstaande beschrijving of een viscositeit of dichtheid heeft vallend binnen het bereik van viscositeit of dichtheid omschreven voor distillaten voor gebruik op zee in tabel I van ISO 8217 (1996).
##### 11
Clausinrichting: voor een inrichting die meer dan 50 Mg zwavel per dag produceert:
- a. zwavelterugwinning 99,5% voor nieuwe inrichting;
- b. zwavelterugwinning 97% voor bestaande inrichting.
##### 12
Productie van titaniumdioxide: in nieuwe en bestaande installaties wordt de uitworp veroorzaakt door ontledings- en calcineringsfasen bij de vervaardiging van titaniumdioxide verminderd tot een waarde van niet meer dan 10 kg SO2-equivalent per Mg geproduceerd titaniumdioxide.
### B. Canada
##### 13
Grenswaarden voor de beheersing van zwaveldioxide-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorie stationaire bronnen zullen worden bepaald op basis van beschikbare informatie inzake beheersingstechnologie en -niveaus met inbegrip van in andere landen toegepaste grenswaarden en het volgende document: Canada Gazette, Deel I. Department of the Environment. Thermal Power Generation Emissions – National Guidelines for New Stationary Sources. 15 mei 1993. p. 1633–1638.
### C. Verenigde Staten van Amerika
##### 14
Grenswaarden voor de beheersing van zwaveldioxide-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorie stationaire bronnen worden omschreven in de volgende documenten:
- a. Electric Utility Steam Generating Units. 40 Code of Federal Regulations (CFR), deel 60, paragraaf D en paragraaf Da;
- b. Industrial-Commercial-Institutional Steam Generating Units. 40 CFR, deel 60, paragraaf Db en paragraaf Dc;
- c. Sulphuric Acid Plants. 40 CFR, deel 60, paragraaf H;
- d. Petroleum Refineries. 40 CFR, deel 60, paragraaf J;
- e. Primary Copper Smelters. 40 CFR, deel 60, paragraaf P;
- f. Primary Zinc Smelters. 40 CFR, deel 60, paragraaf Q;
- g. Primary Lead Smelters. 40 CFR, deel 60, paragraaf R;
- h. Stationary Gas Turbines. 40 CFR, deel 60, paragraaf GG;
- i. Onshore Natural Gas Processing. 40 CFR, deel 60, paragraaf LLL;
- j. Municipal Waste Combustors. 40 CFR, deel 60, paragraaf Ea en paragraaf Eb; en
- k. Hospital/Medical/Infectious Waste Incinerators. 40 CFR, deel 60, paragraaf Ec.
##### 15
Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.
### A. **Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika**
##### 16
Voor de toepassing van afdeling A wordt onder grenswaarde verstaan de in de rookgassen uit een installatie aanwezige hoeveelheid gasvormige stof die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de rookgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas gelden de waarden die voor geselecteerde belangrijke stationaire bronnen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verlagen, is verboden. Grenswaarden betreffen gewoonlijk NO tezamen met NO2, doorgaans NOx genaamd, uitgedrukt in NO2. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn uitgezonderd.3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas gelden de waarden die voor geselecteerde belangrijke stationaire bronnen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verlagen, is verboden. Grenswaarden betreffen gewoonlijk NO tezamen met NO2, doorgaans NOx genaamd, uitgedrukt in NO2. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn uitgezonderd.
##### 17
Emissies worden in alle gevallen bewaakt1)Onder monitoring wordt een allesomvattende activiteit verstaan die het meten van emissies, het opstellen van massabalansen enz. omvat. Deze kan continu of met tussenpozen worden uitgevoerd.. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd. De methoden van verificatie kunnen ononderbroken of onderbroken maatregelen omvatten, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode.
##### 18
Bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen alsmede referentiemeetmethoden voor het ijken van meetsystemen, moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de normen die door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) of de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) vastgesteld zijn. In afwachting van de opstelling van de CEN- of ISO-normen zijn de nationale normen van toepassing.
##### 19
Metingen van emissies moeten ononderbroken worden uitgevoerd wanneer emissies van NOx de 75 kg/u overschrijden.x de 75 kg/u overschrijden.
### B. **Canada**
### C. **Verenigde Staten van Amerika**
##### 1
Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.
### A. **Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika**
##### 2
Deze afdeling van onderhavige bijlage heeft betrekking op emissies uit stationaire bronnen van vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS), zoals vermeld in de navolgende punten 8 tot en met 21. Installaties of delen van installaties voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen vallen niet hieronder. Drempelwaarden zijn vermeld in onderstaande sectorspecifieke tabellen. Doorgaans verwijzen zij naar het oplosmiddelverbruik of de emissiemassastroom. Wanneer één exploitant met dezelfde installatie op dezelfde locatie verschillende activiteiten verricht die onder dezelfde onderverdeling vallen, worden het oplosmiddel-verbruik of de emissiemassastroom van die activiteiten bij elkaar opgeteld. Als er geen drempelwaarde vermeld is, geldt de vermelde grenswaarde voor alle betrokken installaties.
##### 3
Voor de toepassing van afdeling A van deze bijlage wordt verstaan onder:
- a. „opslag en distributie van benzine": het laden van vrachtwagens, spoorwagons, binnenvaartschepen en zeevarende schepen bij depots en expeditiepunten van raffinaderijen van minerale olie, uitgezonderd het bijtanken van voertuigen bij benzinestations waarop relevante documenten inzake mobiele bronnen van toepassing zijn;
- b. „aanbrengen van lijmlagen": elk procédé waarbij een kleefstof op een oppervlak wordt aangebracht, met uitzondering van het aanbrengen van lijmlagen en lamineren in verband met drukprocédés en het lamineren van hout en kunststof;
- c. „lamineren van hout en kunststof": elk procédé voor het samenhechten van hout en/of kunststof om gelamineerde producten te vervaardigen;
- d. „coatingprocédés": elk procédé waarbij één of meer onderbroken lagen van een coating worden aangebracht op: personenauto's, vrachtwagencabines, vrachtwagens, bussen of houten oppervlakken en bestrijkt elk procédé waarbij een doorlopende coatinglaag in een of meer applicaties aangebracht wordt op Hieronder valt niet het coaten van substraten met metalen door middel van elektroforese en chemische spuittechnieken. Indien het coatingprocédé een fase omvat waarin hetzelfde artikel wordt gedrukt, dan wordt die drukfase beschouwd als onderdeel van het coatingprocédé. Als afzonderlijke activiteit uitgevoerde drukprocédés behoren hier niet toe. In deze omschrijving zijn:
- i. nieuwe voertuigen, gedefinieerd (zie hierna) als voertuigen van categorie M1 en van categorie N1 voorzover de coating in dezelfde installatie als M1-voertuigen aangebracht wordt;
- ii. vrachtwagencabines, gedefinieerd als de behuizing voor de chauffeur, en alle geïntegreerde behuizing voor de technische apparatuur van voertuigen van de categorieën N2 en N3;
- iii. bestelwagens en vrachtwagens, gedefinieerd als voertuigen van de categorieën N1, N2 en N3, maar met uitzondering van vrachtwagencabines;
- iv. bussen, gedefinieerd als voertuigen van de categorieën M2 en M3; en
- v. overige metalen en kunststof oppervlakken met inbegrip van die van vliegtuigen, schepen, treinen enz., houten oppervlakken, textiel, stof, film en papieren oppervlakken.
- –. M1-voertuigen: voertuigen bestemd voor het vervoer van personen, met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.
- –. M2-voertuigen: voertuigen bestemd voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximummassa van ten hoogste 5 ton.
- –. M3-voertuigen: voertuigen bestemd voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximummassa van meer dan 5 ton.
- –. N1-voertuigen: voor het vervoer van goederen bestemde voertuigen met een maximummassa van ten hoogste 3,5 ton.
- –. N2-voertuigen: voor het vervoer van goederen bestemde voertuigen met een maximummassa van meer dan 3,5 ton, doch niet meer dan 12 ton.
- –. N3-voertuigen: voor het vervoer van goederen bestemde voertuigen met een maximummassa van meer dan 12 ton.
- e. „bandlakken": elk procédé waarbij band van staal, roestvrij staal, bekleed staal, koperlegeringen of aluminiumband in een ononderbroken procédé wordt bekleed met een filmvormende of laminaatcoating.
- f. „chemisch reinigen": het industriële of commerciële procédé waarbij VOS worden gebruikt in een installatie voor het reinigen van kleding, meubelstoffen en soortgelijke consumptiegoederen, met uitzondering van het handmatig verwijderen van vlekken in de textiel- en kledingindustrie.
- g. „vervaardigen van coatings, lak, inkt en kleefstoffen": de vervaardiging van coatingpreparaten, lak, inkt en kleefstoffen, en , wanneer dit in dezelfde installatie gebeurt, van halffabrikaten door het mengen van pigmenten, hars en kleefstoffen met organische oplosmiddelen of andere draagstoffen. Deze categorie omvat tevens het dispergeren, predispergeren, het aanpassen van de viscositeit en de kleur en de bewerkingen om de verpakking te vullen met het eindproduct;
- h. „drukken": elk procédé waarbij tekst en/of afbeeldingen worden gereproduceerd door met behulp van een beelddrager inkt op een oppervlak aan te brengen, en is van toepassing op de volgende subprocédés:
- i. flexografie: een drukprocédé waarbij gebruik wordt gemaakt van een beelddrager van rubber of elastische fotopolymeren, waarop de drukkende delen zich boven de niet-drukkende delen bevinden, met gebruikmaking van vloeibare inkt die door verdamping droogt;
- ii. heat-set rotatie-offset: een rotatiedrukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een beelddrager waarop de drukkende delen en de niet-drukkende delen in hetzelfde vlak liggen, waarbij rotatie inhoudt dat het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen maar van een rol in de machine wordt gevoerd. Het niet-drukkende deel wordt zodanig behandeld dat het water aantrekt en derhalve de inkt afstoot. Het drukkende deel wordt zodanig behandeld dat het inkt opneemt en overbrengt op het te bedrukken oppervlak. De verdamping vindt plaats in een oven, waar het bedrukte materiaal met hete lucht wordt verhit;
- iii. illustratiediepdruk: rotatiediepdrukprocéde waarbij papier voor tijdschriften, brochures, catalogi of soortgelijke producten met inkt op basis van tolueen wordt bedrukt;
- iv. rotatiediepdruk: een drukprocédé waarbij gebruik wordt gemaakt van een cilindrische beelddrager, waarop de drukkende delen lager liggen dan de niet-drukkende delen, en van vloeibare inkt die door verdamping droogt. De napjes worden met inkt gevuld en het overschot wordt van de niet-drukkende delen verwijderd voordat het te bedrukken oppervlak contact met de cilinder maakt en de inkt uit de napjes trekt;
- v. rotatiezeefdruk: een rotatiedrukprocédé waarbij de inkt door een poreuze beelddrager wordt geperst, waarbij de drukkende delen open zijn en het niet-drukkende deel wordt afgedekt, en zo op het te bedrukken oppervlak wordt gebracht en gebruik wordt gemaakt van vloeibare inkt die uitsluitend door verdamping droogt. Bij een rotatief drukprocédé wordt het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen maar van een rol in de machine gebracht;
- vi. lamineren bij een drukprocédé: de samenhechting van twee of meer flexibele materialen tot een laminaat; en
- vii. vernissen: een procédé waarbij een lak- of lijmlaag op een flexibel materiaal wordt aangebracht om later het verpakkingsmateriaal af te sluiten;
- i. „vervaardigen van farmaceutische producten": chemische synthese, fermentatie, extractie, formuleren en afwerken van farmaceutische producten en, wanneer dit op dezelfde plek wordt uitgevoerd, het vervaardigen van halffabrikaten;
- j. „bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber": elk procédé met betrekking tot het mengen, malen, vermengen, kalanderen, extruderen en vulkaniseren van natuurlijk of synthetisch rubber en alle nevenbewerkingen om natuurlijk of synthetisch rubber te bewerken tot eindproduct;
- k. „oppervlaktereiniging": elk procédé, met uitzondering van chemisch reinigen, waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt om verontreiniging van het oppervlak van materiaal te verwijderen, met inbegrip van ontvetting; een uit meer dan een stap bestaand reinigingsprocédé dat niet onderbroken wordt door een volgende stap, wordt als één oppervlaktereinigingsprocédé beschouwd. Het procédé heeft betrekking op het reinigen van het oppervlak van producten en niet op het reinigen van apparatuur;
- l. „extractie van plantaardige oliën en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën": de extractie van plantaardige oliën uit zaden en ander plantaardig materiaal, het verwerken van droge residuen ter vervaardiging van diervoeder, en de zuivering van vetten en plantaardige olie uit zaden, plantaardig materiaal en/of dierlijk materiaal;
- m. „overspuiten van voertuigen": elk industrieel of commercieel procédé en daarmee verband houdende ontvettingsactiviteiten, waaronder:
- i. het aanbrengen van een laklaag op wegvoertuigen, of een deel daarvan, uitgevoerd als onderdeel van de reparatie, de bescherming of decoratie van voertuigen buiten de fabriek, of
- ii. het aanbrengen van de oorspronkelijke laklaag op wegvoertuigen, of een deel daarvan, met voor het overspuiten gebruikelijke lakken op een andere plaats dan de oorspronkelijke fabricagelijn, of
- iii. het aanbrengen van een laklaag op aanhangwagens (met inbegrip van opleggers);
- n. „impregneren van houten oppervlakken": elk procédé waarbij hout wordt geïmpregneerd met houtverduurzamingsmiddelen;
- o. „standaardomstandigheden": een temperatuur van 273,15 Kelvin en een druk van 101,3 kPa;
- p. „NMVOS's" omvatten alle organische verbindingen met uitzondering van methaan die bij 273,15 K een dampspanning van ten minste 0,01 kPa vertonen of die een vergelijkbare vluchtigheid vertonen bij de gegeven toepassingsomstandigheden;
- q. „afgassen": de uiteindelijke uitworp in de lucht van gassen met vluchtige organische stoffen of andere verontreinigende stoffen uit een afgaskanaal of uit nabehandelingsapparatuur. Het volumetrisch debiet wordt uitgedrukt in m3/uur bij standaardomstandigheden;
- r. „diffuse emissie van NMVOS": elke emissie, niet in rookgassen, van NMVOS in de lucht, bodem of water alsmede, tenzij anders vermeld, oplosmiddelen vervat in enig product en omvat niet-opgevangen emissies van NMVOS die naar de buitenlucht worden afgevoerd via ramen, deuren, luchtafvoerkanalen en soortgelijke openingen. Diffuse grenswaarden worden berekend op basis van een oplosmiddelenboekhouding (zie aanhangsel I bij deze bijlage);
- s. „totale emissie van NMVOS": de som van de diffuse emissie van NMVOS's en de emissie van NMVOS's in afgassen;
- t. „input": de hoeveelheid organische oplosmiddelen en de hoeveelheid daarvan in preparaten die tijdens het uitoefenen van een procédé worden gebruikt, met inbegrip van de gerecycleerde oplosmiddelen, binnen en buiten de installatie, en die telkens worden meegerekend wanneer zij worden gebruikt om de activiteit uit te oefenen;
- u. „grenswaarde": de maximumhoeveelheid van een gasvormige stof die zich bevindt in de rookgassen van een installatie, die gedurende normale werking niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven, wordt deze berekend in massa verontreinigende stof per volume van de rookgassen (uitgedrukt in mg C/Nm3, tenzij anders aangegeven), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas. Voor installaties die oplosmiddelen gebruiken, worden grenswaarden gegeven als eenheid massa per karakteristieke eenheid van de respectieve activiteit. Gasvolumes die worden toegevoegd om de rookgassen af te koelen of te verdunnen, worden niet meegeteld bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het rookgas. Grenswaarden betreffen doorgaans alle vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (een nader onderscheid, bijvoorbeeld qua reactiviteit of toxiciteit, wordt niet gemaakt);
- v. „normale werking": alle perioden van werking met uitzondering van het in gebruik nemen, het buiten gebruik stellen en het onderhouden van apparatuur;
- w. „stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid" zijn onderverdeeld in twee categorieën:
- i. halogeneerde VOS met het mogelijk risico van onomkeerbare gevolgen; of
- ii. gevaarlijke stoffen die carcinogenen of mutagenen zijn of die toxisch zijn voor de voortplanting of die door inhaleren kanker of erfelijke genetische schade kunnen veroorzaken, de vruchtbaarheid kunnen aantasten of schade kunnen toebrengen aan het ongeboren kind.
##### 4
Aan de volgende vereisten moet worden voldaan:
- a. NMVOS-emissies worden bewaakt1)Onder monitoring wordt een allesomvattende activiteit verstaan die het meten van emissies, het opstellen van massabalansen enz. omvat. Deze kan continu of met tussenpozen worden uitgevoerd. en naleving van grenswaarden wordt geverifieerd. De verificatiemethoden kunnen ononderbroken of onderbroken metingen, typegoedkeuring, of een andere technisch betrouwbare methode omvatten. Voorts moeten zij economisch haalbaar zijn;
- b. de concentraties aan luchtverontreinigende stoffen in gasvoerende kanalen worden op een representatieve wijze gemeten. Bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen alsmede referentiemeetmethoden voor het ijken van meetsystemen, worden uitgevoerd overeenkomstig de normen die door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) of de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) zijn vastgesteld. In afwachting van de opstelling van de CEN- of ISO-normen, zijn de nationale normen van toepassing.
- c. Indien metingen van NMVOS-emissies vereist zijn, moeten deze continue worden uitgevoerd indien de NMVOS-emissies 10 kg aan totale organische koolstof (TOC)/uur aan de uitlaatzijde van een installatie voor emissiereductie overschrijden en de uren van bedrijf 200 uur per jaar overschrijden. Voor alle andere installaties is minimaal een discontinue meting vereist. Voor het goedkeuren van de naleving mogen eigen benaderingen worden gebruikt mits deze dezelfde stringentheid opleveren;
- d. In het geval van continue metingen wordt, als een minimumvereiste, naleving van de emissienormen bereikt indien het daggemiddelde de grenswaarde tijdens normale werking niet overschrijdt en geen uurgemiddelde de grenswaarden met 150% overschrijdt. Voor het goedkeuren van de naleving mogen eigen benaderingen worden gebruikt mits deze dezelfde stringentheid opleveren;
- e. In het geval van onderbroken metingen wordt, als een minimumvereiste, naleving van de emissienormen bereikt als de gemiddelde waarde van alle meetresultaten de grenswaarde niet overschrijdt en geen uurgemiddelde de grenswaarde met 150% overschrijdt. Voor het goedkeuren van de naleving mogen eigen benaderingen worden gebruikt mits deze dezelfde stringentheid opleveren;
- f. Alle passende voorzorgsmaatregelen worden genomen om tijdens het in gebruik nemen en buiten gebruik stellen, en in het geval van afwijkingen van de normale werking, de NMVOS-emissies tot een minimum te beperken; en
- g. Metingen zijn niet vereist indien er geen nabehandelingsapparatuur nodig is om te voldoen aan onderstaande grenswaarden en aangetoond kan worden dat de grenswaarden niet overschreden zijn.
##### 5
De volgende grenswaarden dienen te worden toegepast voor rookgassen, tenzij hieronder anders vermeld:
- a. 20 mg stof/m3 voor uitstoot van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen (die de risicoaanduiding dragen: mogelijk risico van onomkeerbare gevolgen), wanneer de massastroom van de som van de betrokken verbindingen groter is dan of gelijk is aan 100 g/u; en
- b. 2 mg/m3 (uitgedrukt als de massasom van afzonderlijke verbindingen) voor uitstoot van vluchtige organische stoffen (die de volgende risicoaanduiding dragen: kan kanker, erfelijke genetische schade, kanker door inhalatie of schade aan het ongeboren kind veroorzaken; kan de vruchtbaarheid aantasten), wanneer de massastroom van de som van de betrokken verbindingen groter is dan of gelijk is aan 10 g/u.
##### 6
Voor de categorieën bronnen die in de onderstaande punten 9 tot en met 21 zijn vermeld, zijn de volgende herzieningen van belang:
- a. In plaats van het toepassen van de hieronder uiteengezette grenswaarden voor installaties, kan aan de exploitanten van de respectieve installaties worden toegestaan om een reductieprogramma te gebruiken (zie aanhangsel II bij deze bijlage). Het reductieprogramma is bedoeld om de exploitant de mogelijkheid te bieden de emissie op een andere manier in dezelfde mate te beperken als door de toepassing van de voorgeschreven grenswaarden zou gebeuren; en
- b. Voor diffuse NMVOS-emissies worden de hieronder aangegeven diffuse emissiewaarden toegepast als grenswaarde. Maar indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit wordt aangetoond dat deze waarde technisch en economisch niet haalbaar is voor een afzonderlijke installatie, kan de bevoegde autoriteit voor een dergelijke installatie een uitzondering maken, op voorwaarde dat er geen aanmerkelijke gevaren voor de menselijke gezondheid of het milieu te verwachten zijn. Voor elke uitzondering moet de exploitant ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantonen dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek.
##### 7
De grenswaarden voor VOS-emissies voor de categorieën van bronnen omschreven in punt 3 zijn zoals aangegeven in de navolgende punten 8 tot en met 21.
##### 8
Opslag en distributie van benzine:
**Tabel 1:**Grenswaarden voor VOS-emissies die vrijkomen bij de opslag en distributie van benzine, uitgezonderd het laden van zeeschepen
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarden** | **Grenswaarde** |
| --- | --- | --- |
| Dampterugwininstallatie voor opslag- en distributievoorzieningen op tankparken van raffinaderijen of terminals | jaarlijkse doorvoercapaciteit 5000 m3 benzine | 10 g VOS/Nm3 met inbegrip van methaan |
Noot: De damp die door het vullen van benzineopslagtanks wordt verdrongen, dient te worden afgevoerd naar andere opslagtanks of naar nabehandelingsapparatuur die voldoet aan de grenswaarden in bovenstaande tabel.
##### 9
Aanbrengen van lijmlagen:
**Tabel 2:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het aanbrengen van lijmlagen
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar)** | **Grenswaarde** | **Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplos- middelinput)** |
| --- | --- | --- | --- |
| Vervaardiging van schoeisel; nieuwe en bestaande installaties | > 5 | 25 g oplosmiddel per paar | |
| Overige lijmlagen, uitgezonderd schoeisel; nieuwe en bestaande installaties | 5–15 | 50a) mg C/Nm3 | 25 |
| > 15 | 50a) mg C/Nm3 | 20 | |
a) Indien technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3.
##### 10
Lamineren van hout en kunststof:
**Tabel 3:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het lamineren van hout en kunststof
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen(Mg/jaar)** | **Grenswaarde voor totale NMVOS-emissies** |
| --- | --- | --- |
| Lamineren van hout en kunststof; nieuwe en bestaande installaties | > 5 | 30 g NMVOS/m2 |
##### 11
Coatingprocédés (metalen en kunststof oppervlakken in personenauto's, vrachtwagencabines, vrachtwagens, bussen, houten oppervlakken):
**Tabel 4:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij coatingprocédés in de auto-industrie
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaardevoor verbruik oplosmiddelen (Mg/ jaar)a)** | **Grenswaardeb) voor totale NMVOS-emissies** |
| --- | --- | --- |
| Nieuwe installaties, autospuiten (M1, M2) | > 15 (en > 5.000 gespoten stuks per jaar) | 45 g NMVOS/m2of 1,3 kg/stuk en 33 g NMVOS/m2 |
| Bestaande installaties, autospuiten (M1, M2) | > 15 (en > 5.000 gespoten stuks per jaar) | 60 g NMVOS /m2 of 1,9 kg/stuk en 41 g NMVOS/m2 |
| Nieuwe en bestaande installaties, autospuiten (M1, M2) | > 15 (≤ 5.000 gespoten car-rosserieën of > 3.500 gespoten chassis per jaar) | 90 g NMVOS/m2of 1,5 kg/stuk en 70 g NMVOS/m2 |
| Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagencabines (N1, N2, N3) | > 15 (≤ 5.000 gespoten stuks per jaar) | 65 g NMVOS/m2 |
| Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagencabines (N1, N2, N3) | > 15 (> 5.000 gespoten stuks per jaar) | 55 g NMVOS/m2 |
| Bestaande installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagencabines (N1, N2, N3) | > 15 (≤ 5.000 gespoten stuks per jaar) | 85 g NMVOS/m2 |
| Bestaande installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagencabines (N1, N2, N3) | > 15 (> 5.000 gespoten stuks per jaar) | 75 g NMVOS/m2 |
| Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagens en bestelwagens (zonder cabine) (N1, N2, N3) | > 15 (≤ 2.500 gespoten stuks per jaar) | 90 g NMVOS/m2 |
| Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagens en bestelwagens (zonder cabine) (N1, N2, N3) | > 15 (> 2.500 gespoten stuks per jaar) | 70 g NMVOS/m2 |
| Bestaande installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagens en bestelwagens (zonder cabine) (N1, N2, N3) | > 15 (≤ 2.500 gespoten stuks per jaar) | 120 g NMVOS/m2 |
| Bestaande installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagens en bestelwagens (zonder cabine) (N1, N2, N3) | > 15 (> 2.500 gespoten stuks per jaar) | 90 g NMVOS/m2 |
| Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe bussen (M3) | > 15 (≤ 2.000 gespoten stuks per jaar) | 210 g NMVOS/m2 |
| Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe bussen (M3) | > 15 (> 2.000 gespoten stuks per jaar) | 150 g NMVOS/m2 |
| Bestaande installaties, spuiten van nieuwe bussen (M3) | > 15 (≤ 2.000 gespoten stuks per jaar) | 290 g NMVOS/m2 |
| Bestaande installaties, spuiten van nieuwe bussen (M3) | > 15 (> 2.000 gespoten stuks per jaar) | 225 g NMVOS/m2 |
a) Voor een oplosmiddelverbruik ≤ 15 Mg per jaar (spuiten van auto’s) is tabel 14 omtrent het overspuiten van auto’s van toepassing.
b) De totale grenswaarden zijn uitgedrukt in emissie van massa oplosmiddel (g) in verhouding tot de oppervlakte van het product (m2). De oppervlakte van het product is omschreven als de oppervlakte berekend uitgaande van het totale elektroforetische coatingoppervlak en de oppervlakte van onderdelen die kunnen worden toegevoegd in opeenvolgende fases van het lakprocédé en die met dezelfde coatings gelakt worden. De oppervlakte van het elektroforetische coatingoppervlak wordt berekend aan de hand van de formule: (2 x het totale gewicht van het omhulsel): (gemiddelde dikte van de metaalplaat x dichtheid van de metaalplaat).
**Tabel 5:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij lakprocédés in verscheidene industriële sectoren
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar)** | **Grenswaarde** | **Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissie (% van oplosmiddelinput)** |
| --- | --- | --- | --- |
| Nieuwe en bestaande installaties: overige coating, waaronder metaal, kunststoffen, textiel, stof, folie en papier (uitgezonderd rotatiezeefdrukken voor textiel, zie drukken) | 5–15 | 100a, b) mg C/Nm3 | 25b) |
| > 15 | 50/75b, c, d) mg C/Nm3 | 20b) | |
| Nieuwe en bestaande installaties: coaten van hout | 15–25 | 100a) mg C/Nm3 | 25 |
| > 25 | 50/75c) mg C/Nm3 | 20 | |
a) De grenswaarde is van toepassing op procédés voor het aanbrengen en drogen van coating, waarbij de vrijkomende VOS beheerst wordt opgevangen en uitgestoten.
b) Indien het niet mogelijk is het coaten te laten plaatsvinden in omstandigheden waarbij de vrijkomende VOS beheerst wordt opgevangen en uitgestoten (scheepsbouw, coaten van vliegtuigen enz.), kan voor installaties vrijstelling van deze waarden worden verleend. Dan dient het reductieprogramma van paragraaf 6. a) te worden gevolgd, tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteit wordt aangetoond dat deze optie technisch en economisch niet haalbaar is. In dat geval moet de exploitant ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantonen dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek.
c) De eerste waarde is van toepassing op droogprocédés, de tweede op procédés voor het aanbrengen van coating.
d) Indien voor het coaten van textiel technieken worden toegepast waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3 voor het drogen en coaten tezamen.
##### 12
Bandlakken:
**Tabel 6:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij bandlakken
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar)** | **Grenswaarde (mg C/Nm3** | **Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)** |
| --- | --- | --- | --- |
| Nieuwe installaties | > 25 | 50a) | 5 |
| Bestaande installaties | > 25 | 50a) | 10 |
a) Als technieken worden toegepast waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3.
##### 13
Chemisch reinigen:
**Tabel 7:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij chemisch reinigen
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen (Mg/jaar)** | **Grenswaarde** |
| --- | --- | --- |
| Nieuwe en bestaande installaties | 0 | 20 g NMVOS/kga) |
a) Grenswaarde voor totale NMVOS-emissies, berekend als massa van uitgestoten oplosmiddel per massa gereinigd en gedroogd product.
##### 14
Vervaardiging van coatings, lak, inkt en kleefstoffen:
**Tabel 8:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij vervaardiging van coatings, lak, inkt en kleefstoffen
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar)** | **Grenswaarde (mg C/Nm3** | **Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)** |
| --- | --- | --- | --- |
| Nieuwe en bestaande installaties | 100–1.000 | 150a) | 5a, c) |
| > 1.000 | 150b) | 3b, c) | |
a) Een totale grenswaarde van 5% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor rookgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS- emissies.
b) Een totale grenswaarde van 3% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor rookgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS- emissies.
c) De diffuse grenswaarde omvat niet oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een preparaat in een gesloten verpakking.
##### 15
Drukken (flexografie, heat-set rotatie-offset, illustratiediepdruk enz.):
**Tabel 9:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij drukprocédés
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempel-waarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar)** | **Grenswaarde (mg C/Nm3** | **Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)** |
| --- | --- | --- | --- |
| Nieuwe en bestaande installaties: heat-set rotatie-offset | 15–25 | 100 | 30a) |
| > 25 | 20 | 30a) | |
| Nieuwe installaties: installatiediepdruk | > 25 | 75 | 10 |
| Bestaande installaties: installatiediepdruk | > 25 | 75 | 15 |
| Nieuwe en bestaande installaties: overige eenheden voor rotatiediepdruk, flexografie, rotatiezeefdruk, lamineren en lakken | 15–25 | 100 | 25 |
| > 25 | 100 | 20 | |
| Nieuwe en bestaande installaties: rotatiezeefdruk op textiel, karton | > 30 | 100 | 20 |
a) Een residu van oplosmiddel in eindproducten wordt niet beschouwd als onderdeel van de diffuse NMVOS-emissies.
##### 16
Vervaardigen van farmaceutische producten:
**Tabel 10:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het vervaardigen van farmaceutische producten
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar)** | **Grenswaarde (mg C/Nm3** | **Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (%van oplosmiddelinput)** |
| --- | --- | --- | --- |
| Nieuwe installaties | > 50 | 20a, b) | 5b, d) |
| Bestaande installaties | > 50 | 20a, c) | 15c, d) |
a) Indien technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3.
b) Een totale grenswaarde van 5% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor afgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies.
c) Een totale grenswaarde van 15% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor rookgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies.
d) De voor diffuse emissies grenswaarde omvat niet oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een coatingpreparaat in een gesloten verpakking.
##### 17
Bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber:
**Tabel 11:**Grenswaarden voor NMVOS-emissie die vrijkomen bij de bewerking van natuurlijk of synthetisch rubber
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar)** | **Grenswaarde (mg C/Nm3** | **Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)** |
| --- | --- | --- | --- |
| Nieuwe en bestaande installaties: bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber | > 15 | 20a, b) | 25a, c) |
a) Een totale grenswaarde van 25% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor rookgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies.
b) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3.
c) De voor diffuse emissies grenswaarde omvat niet oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een preparaat in een gesloten verpakking.
##### 18
Oppervlaktereiniging:
**Tabel 12:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij de oppervlaktereiniging
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar)** | **Grenswaarde (mg C/Nm3** | **Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)** |
| --- | --- | --- | --- |
| Nieuwe en bestaande installaties: oppervlaktereiniging gebruikmakend van stoffen vermeld in paragraaf 3 onder w | 1–5 | 20 mg verbinding/Nm3 | 15 |
| > 5 | 20 mg verbinding/Nm3 | 10 | |
| Nieuwe en bestaande installaties: overige oppervlaktereiniging | 2–10 | 75 mg C/Nm3a) | 20a) |
| > 10 | 75 mg C/Nm3a) | 15a) | |
a) Installaties die bij de bevoegde autoriteit aantonen dat het gemiddelde organische-oplosmiddelgehalte van alle gebruikte reinigingsmaterialen 30% (m/ m) niet overschrijdt, zijn vrijgesteld van toepassing van deze waarden.
##### 19
Extractie van plantaardige oliën en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën:
**Tabel 13:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij de extractie van plantaardige oliën en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen (Mg/jaar)** | **Totale grenswaarde (mg/kg)** |
| --- | --- | --- |
| Nieuwe en bestaande installaties | > 10 | Dierlijk vet: 1,5 Ricinus: 3,0 Koolzaad: 1,0 Zonnebloemzaad: 1,0 Sojabonen (normale pletting): 0,8 Sojabonen (witte vlokken): 1,2 Overige zaden en plantaardig materiaal: 3,0a) Alle fractioneerpro- cédés, uitgezonderd Ontgommen2): 1,5 Ontgommen: 4,0 |
a) Grenswaarden voor totale NMVOS-emissies uit installaties die afzonderlijke Partijen zaden of andere plantaardig materiaal behandelen, worden door de bevoegde autoriteiten per geval bepaald op de basis van de beste beschikbare technieken.
2) Het verwijderen van gom uit de olie.
##### 20
Overspuiten van voertuigen:
**Tabel 14:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het overspuiten van voertuigen
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar)** | **Grenswaarde (mg C/Nm3** | **Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)** |
| --- | --- | --- | --- |
| Nieuwe en bestaande installaties | > 0.5 | 50a) | 25 |
a) De inachtneming van de grenswaarden dient te worden aangetoond met metingen van het gemiddelde per 15 minuten.
##### 21
Impregneren van houten oppervlakken:
**Tabel 15:**Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het impregneren van houten oppervlakken
| **Capaciteit, techniek, nadere specificatie** | **Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar)** | **Grenswaarde (mg C/Nm3** | **Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)** |
| --- | --- | --- | --- |
| Nieuwe en bestaande installaties | > 25 | 100a, b) | 45b) |
a) Is niet van toepassing op impregneren met creosoot.
b) Een totale grenswaarde van 11 kg oplosmiddel/m3 behandeld hout kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor afgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies.
### B. **Canada**
##### 22
Grenswaarden voor het beheersen van emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorieën van stationaire bronnen zullen worden bepaald op de basis van beschikbare informatie omtrent beheerstechnologie en -niveaus, met inbegrip van in andere landen toegepaste grenswaarden, en van de volgende documenten:
- a. Canadian Council of Ministers of the Environment (CCME). Environmental Code of Practice for the Reduction of Solvent Emissies from Dry Cleaning Facilities. December 1992. PN1053;
- b. CCME. Environmental Guideline for the Control of Volatile Organic Compounds Process Emissies from New Organic Chemical Operations. September 1993. PN1108;
- c. CCME. Environmental Code of Practice for the Measurement and Control of Fugitive VOC Emissions from Equipment Leaks. Oktober 1993. PN1106;
- d. CCME. A Program to Reduce Volatile Organic Compound Emissions by 40 Percent from Adhesives and Sealants. Maart 1994. PN1116;
- e. CCME. A Plan to Reduce Volatile Organic Compound Emissions by 20 Percent from Consumer Surface Coatings. Maart 1994. PN1114;
- f. CCME. Environmental Guidelines for Controlling Emissions of Volatile Organic Compounds from Aboveground Storage Tanks. Juni 1995. PN1180;
- g. CCME. Environmental Code of Practice for Vapour Recovery during Vehicle Refueling at Service Stations and Other Gasoline Dispersing Facilities. (Fase II) April 1995. PN1184;
- h. CCME. Environmental Code of Practice for the Reduction of Solvent Emissions from Commercial and Industrial Degreasing Facilities. Juni 1995. PN1182;
- i. CCME. New Source Performance Standards and Guidelines for the Reduction of Volatile Organic Compound Emissions from Canadian Automotive Original Equipment Manufacturer (OEM) Coating Facilities. Augustus 1995. PN1234;
- j. CCME. Environmental Guideline for the Reduction of Volatile Organic Compound Emissions from the Plastics Processing Industry. Juli 1997. PN1276; en
- k. CCME. National Standards for the Volatile Organic Compound Content of Canadian Commercial/Industrial Surface Coating Products - Automotive Refinishing. Augustus 1997. PN1288.
### C. **Verenigde Staten van Amerika**
##### 23
Grenswaarden voor het beheersen van VOS-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorieën van stationaire bronnen worden nader omschreven in de volgende documenten:
- a. Storage Vessels for Petroleum Liquids. 40 Code of Federal Regulations (CFR), deel 60, paragraaf K en paragraaf Ka;
- b. Storage Vessels for Volatile Organic Liquids. 40 CFR, deel 60, paragraaf Kb;
- c. Petroleum Refineries. 40 CFR, deel 60, paragraaf J;
- d. Surface Coating of Metal Furniture. 40 CFR, deel 60, paragraaf EE;
- e. Surface Coating for Automobile and Light Duty Trucks. 40 CFR, deel 60, paragraaf MM;
- f. Publication Rotogravure Printing. 40 CFR, deel 60, paragraaf QQ;
- g. Pressure Sensitive Tape and Label Surface Coating Operations. 40 CFR, deel 60, paragraaf RR;
- h. Large Appliance, Metal Coil and Beverage Can Surface Coating. 40 CFR, deel 60, paragraaf SS, paragraaf TT en paragraaf WW;
- i. Bulk Gasoline Terminals. 40 CFR, deel 60, paragraaf XX;
- j. Rubber Tire Manufacturing. 40 CFR, deel 60, paragraaf BBB;
- k. Polymer Manufacturing. 40 CFR, deel 60, paragraaf DDD;
- l. Flexible Vinyl and Urethane Coating and Printing. 40 CFR, deel 60, paragraaf FFF;
- m. Petroleum Refinery Equipment Leaks and Wastewater Systems. 40 CFR, deel 60, paragraaf GGG en paragraaf QQQ;
- n. Synthetic Fiber Production. 40 CFR, deel 60, paragraaf HHH;
- o. Petroleum Dry Cleaners. 40 CFR, deel 60, paragraaf JJJ;
- p. Onshore Natural Gas Processing Plants. 40 CFR, deel 60, paragraaf KKK;
- q. SOCMI Equipment Leaks, Air Oxidation Units, Distillation Operations and Reactor Processes. 40 CFR, deel 60, paragraaf III, paragraaf NNN en paragraaf RRR;
- r. Magnetic Tape Coating. 40 CFR, deel 60, paragraaf SSS;
- s. Industrial Surface Coatings. 40 CFR, deel 60, paragraaf TTT; en
- t. Polymeric Coatings of Supporting Substrates Facilities. 40 CFR, deel 60, paragraaf VVV.
### Inleiding
### Beginselen
##### 2
De oplosmiddelenboekhouding beoogt het volgende:
- a. controle op de naleving, zoals nader omschreven in de bijlage; en
- b. specificatie van de mogelijkheden voor emissievermindering in de toekomst;
##### 3
Met de volgende begripsomschrijvingen worden regels gegeven ter bepaling van de massabalans:
- a. Input van organische oplosmiddelen:
- I1. De hoeveelheid aangekochte organische oplosmiddelen als zodanig of in preparaten, die in het proces wordt ingevoerd gedurende de termijn waarover de massabalans wordt bepaald.
- I2. De hoeveelheid teruggewonnen en in het proces hergebruikte organische oplosmiddelen als zodanig of in preparaten (de gerecycleerde oplosmiddelen worden telkens meegerekend wanneer ze worden gebruikt om de activiteit uit te oefenen).
- b. Output van organische oplosmiddelen:
- O1. emissie van NMVOS in rookgassen;
- O2. in water geloosde gegane organische oplosmiddelen, eventueel rekening houdend met de afvalwaterbehandeling bij de berekening van O5;
- O3. de hoeveelheid organische oplosmiddelen die als verontreiniging of als residu in de bij het proces vervaardigde producten achterblijft;
- O4. niet-gekanaliseerde emissies van organische oplosmiddelen in de lucht. Het gaat hierbij om de algemene ventilatie van ruimtes, waarbij de lucht via ramen, deuren, luchtafvoerkanalen en soortgelijke openingen naar buiten gevoerd wordt;
- O5. organische oplosmiddelen en/of organische verbindingen die door chemische of fysische reacties verloren gaan (met inbegrip van hoeveelheden die bijvoorbeeld door verbranding, een andere zuivering van rookgassen of door afvalwaterzuivering vernietigd worden of bijvoorbeeld door adsorptie opgevangen worden, mits die niet bij O6, O7 of O8 worden meegerekend);
- O6. organische oplosmiddelen in ingezameld afval;
- O7. organische oplosmiddelen als zodanig of in preparaten, die als een product met handelswaarde worden verkocht of bestemd zijn om te worden verkocht;
- O8. organische oplosmiddelen in preparaten die voor hergebruik worden teruggewonnen maar niet opnieuw in het proces worden ingebracht, mits deze niet bij O7 worden meegerekend;
- O9. organische oplosmiddelen die op andere wijze vrijkomen.
### Richtsnoeren voor het gebruik van de oplosmiddelenboekhouding voor controle op de naleving
##### 4
Het specifieke voorschrift waarop de controle wordt toegepast, zalbepalend zijn voor de wijze waarop de oplosmiddelenboekhouding wordt gebruikt:
- a. Controle op de naleving van de in paragraaf 6. a) van de bijlage genoemde reductieoptie, waarbij de totale grenswaarde wordt uitgedrukt in oplosmiddelemissies per eenheid product, of zoals anders in de bijlage vermeld.
- i. Voor alle activiteiten die gebruikmaken van de in punt 6, onder a, van de bijlage genoemde reductieoptie, dient de oplosmiddelenboekhouding jaarlijks te worden gemaakt om het verbruik te bepalen. Het verbruik (C) kan met behulp van de volgende vergelijking worden berekend: C = I1 - O8. Op soortgelijke wijze moet ook de in coatings gebruikte hoeveelheid vaste stof worden bepaald, zodat elk jaar de jaarlijkse referentie-emissie en de beoogde emissie kunnen worden berekend.
- ii. Voor de controle op de naleving van een totale grenswaarde die in uitgeworpen oplosmiddel per eenheid product wordt uitgedrukt, of zoals anders wordt geformuleerd in de bijlage, moet de oplosmiddelenboekhouding jaarlijks worden gebruikt om de NMVOS-emissie te bepalen. NMVOS-emissie (E) kan met behulp van de volgende vergelijking worden berekend: E = F + O1. Hierbij is F de diffuse emissie van NMVOS, zoals omschreven onder b (i) hieronder. Het emissiecijfer wordt gedeeld door de parameter voor het desbetreffende product.
- b. Bepaling van de diffuse NMVOS-emissie ter vergelijking met diffuse-emissiewaarden in de bijlage:
- i. **Methodologie**: de diffuse NMVOS-emissie kan met behulp van de volgende vergelijking worden berekend: F = I1 - O1 - O5 - O6 - O7 - O8 of F = O2 + O3 + O4 + O9. Deze hoeveelheid kan door rechtstreekse meting van de hoeveelheden worden bepaald. Het is ook mogelijk een gelijkwaardige berekening op een andere manier uit te voeren, bijvoorbeeld met behulp van het afvangrendement van het proces. De diffuse-emissiewaarde wordt uitgedrukt als een percentage van de input (I), die met behulp van de volgende vergelijking kan worden berekend: I = I1 + I2.
- ii. **Frequentie:**de diffuse NMVOS-emissie kan met behulp van korte maar volledige metingen worden bepaald. Dit behoeft niet te worden herhaald zolang de apparatuur niet veranderd wordt.
### **Beginselen**
##### 1
Het reductieprogramma is bedoeld om de exploitant de mogelijkheid te bieden de emissie op een andere manier in dezelfde mate te verminderen als door de toepassing van de grenswaarden zou gebeuren. Daartoe kan de exploitant ieder speciaal voor zijn installatie ontworpen reductieprogramma gebruiken, mits uiteindelijk dezelfde emissiereductie wordt bereikt. De Partijen brengen verslag uit over de vorderingen met betrekking tot het bereiken van dezelfde emissiereductie, onder meer ook over hun ervaring met de toepassing van het reductieprogramma.
### **Praktische uitvoering**
##### 2
Bij het aanbrengen van coating, lak, vernis, kleefstof of inkt kan het volgende programma worden gebruikt. Wanneer deze methode niet bruikbaar is, kan de bevoegde instantie een exploitant toestaan een andere ontheffingsregeling toe te passen die naar haar overtuiging aan de hier geschetste beginselen voldoet. Bij de opzet van het programma wordt rekening gehouden met de volgende gegevens:
- a. wanneer de vervangingsproducten met weinig of geen oplosmiddelen nog in ontwikkeling zijn, moet de exploitant extra tijd krijgen om zijn reductieprogramma uit te voeren;
- b. het referentiepunt voor de emissiereducties moet zo goed mogelijk overeenkomen met de emissie die het resultaat zou zijn als er geen beperkende maatregelen zouden worden genomen.
##### 3
De volgende regeling geldt voor installaties waarbij voor het product een constant gehalte aan vaste stof aangenomen en gebruikt kan worden voor de bepaling van het referentiepunt voor de emissiereducties:
- a. De exploitant dient een reductieprogramma in waarin met name de daling van het gemiddelde gehalte aan oplosmiddelen van de totale input en/of de verhoging van het rendement bij het gebruik van vaste stoffen wordt vermeld die moet leiden tot een beperking van de totale emissie van de installatie tot een bepaald percentage van de jaarlijkse referentie-emissie, de zogenoemde beoogde emissie. Dit moet volgens het volgende tijdschema gebeuren:
| **Termijn** | **Termijn** | **Maximaal toege-stane totale jaar-lijkse emmissies** |
| --- | --- | --- |
| **Nieuwe installaties** | **Bestaande installaties** | |
| op 31-10-2001 | op 31-10-2005 | beoogde emissie x 1,5 |
| op 31-10-2004 | op 31-10-2007 | beoogde emissie |
- b. De jaarlijkse referentie-emissie wordt als volgt berekend:
- i. Eerst wordt de totale massa aan vaste stof in de hoeveelheid coating en/of inkt, lak, vernis of kleefstof bepaald die per jaar wordt gebruikt. Vaste stof is ieder materiaal in een coating, inkt, lak en kleefstof dat vast wordt wanneer het water of de vluchtige organische stoffen verdampt zijn.
- ii. De jaarlijkse referentie-emissie wordt berekend door de volgens punt a bepaalde massa te vermenigvuldigen met de in onderstaande tabel vermelde factor. De bevoegde instanties kunnen deze factoren voor individuele installaties aanpassen om rekening te houden met een aangetoonde stijging van het rendement bij het gebruik van vaste stoffen.
| **Activiteit** | **Vermenigvuldigingsfactor voor gebruik in punt b, (ii)** |
| --- | --- |
| Rotatiediepdrukken; flexografisch drukken; lamineren als onderdeel van een drukactiviteit; drukken; lakken als onderdeel van een drukactiviteit; coaten van hout; coaten van textiel, stof, film of papier; aanbrengen van lijmlagen | 4 |
| Bandlakken; overspuiten van voertuigen | 3 |
| Coaten van voedselverpakking; coaten van luchtvaartuigen | 2,33 |
| Andere coatings en rotatiezeefdruk | 1,5 |
- iii. De beoogde emissie wordt berekend door de jaarlijkse referentie-emissie te vermenigvuldigen met een percentage dat gelijk is aan:
- –. (de diffuse-emissiegrenswaarde + 15) voor installaties in de volgende sectoren: – coaten van voertuigen (oplosmiddelverbruik < 15 Mg/jaar) en overspuiten van voertuigen; – coaten van metaal, kunststof, textiel, stof, film en papier (oplosmiddelverbruik tussen 5 en 15 Mg/jaar); – coaten van houten oppervlakken (oplosmiddelverbruik tussen 15 en 25 Mg/jaar).
- –. (de diffuse-emissiegrenswaarde + 5) voor alle andere installaties.
- iv. Aan de eisen wordt voldaan als de feitelijke emissie van oplosmiddelen, bepaald aan de hand van de oplosmiddelenboekhouding, kleiner is dan of gelijk is aan de beoogde emissie.
##### 1
De tijdschema's voor de toepassing van de grenswaarden als bedoeld in artikel 3, leden 2 en 3, zijn:
- a. voor nieuwe stationaire bronnen, een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol voor de Partij in kwestie; en
- b. voor bestaande stationaire bronnen:
- i. in het geval van een Partij die geen land is met een overgangseconomie, een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol of 31 december 2007, afhankelijk van welke datum later valt; en
- ii. in het geval van een Partij die een land is met een overgangseconomie, acht jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol.
##### 2
De tijdschema's voor de toepassing van de grenswaarden voor brandstoffen en nieuwe mobiele bronnen als bedoeld in artikel 3, lid 5, en de grenswaarden voor gasolie als bedoeld in bijlage IV, tabel 2, zijn:
- i. in het geval van een Partij die geen land is met een overgangseconomie, de datum van inwerkingtreding van dit Protocol of de datums in verband met de maatregelen nader omschreven in bijlage VIII en met de grenswaarden nader omschreven in bijlage IV, tabel 2, afhankelijk van welke datum later valt; en
- ii. in het geval van een Partij die een land is met een overgangseconomie, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol of vijf jaar na de datums in verband met de maatregelen nader omschreven in bijlage VIII en met de grenswaarden in bijlage IV, tabel 2, afhankelijk van welke datum later valt.
De tijdschema's zijn niet van toepassing op een Partij bij dit Protocol voorzover voor die Partij met betrekking tot gasolie een korter tijdschema geldt ingevolge het Protocol inzake verdergaande vermindering van zwavelemissies.
##### 3
Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder „een land met een overgangseconomie" verstaan een Partij die bij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft verklaard dat zij behandeld wil worden als een land met een overgangseconomie voor de toepassing van punt 1 en/of 2 van deze bijlage.
### Inleiding
##### 1
Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.
##### 2
De bijlage bevat grenswaarden voor NOx, uitgedrukt als stikstofdioxide-equivalenten (NO2), en voor koolwaterstoffen, die voor het merendeel vluchtige organische stoffen zijn, alsmede milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen voor voertuigen.x, uitgedrukt als stikstofdioxide-equivalenten (NO2), en voor koolwaterstoffen, die voor het merendeel vluchtige organische stoffen zijn, alsmede milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen voor voertuigen.
##### 3
De tijdschema's voor het toepassen van de grenswaarden in deze bijlage zijn vastgelegd in bijlage VII.
### A. **Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika**
### **Personenauto's en lichte voertuigen**
##### 4
Grenswaarden voor motorvoertuigen met ten minste vier wielen, die gebruikt worden voor het vervoer van personen (categorie M) en goederen (categorie N), zijn vermeld in tabel 1.
### **Zware voertuigen**
##### 5
Grenswaarden voor motoren van zware voertuigen zijn vermeld in de tabellen 2 en 3 naar gelang van de toepasselijke testprocedures.
### **Motorfietsen en bromfietsen**
##### 6
Grenswaarden voor motorfietsen en bromfietsen zijn vermeld in tabel 6 en tabel 7.
### **Terreinvoertuigen en -machines**
##### 7
Grenswaarden voor landbouw- en bosbouwtractoren en andere motoren van niet voor de openbare weg bestemde voertuigen/machines zijn vermeld in de tabellen 4 en 5. Fase I (tabel 4) is gebaseerd op ECE-reglement 96, Uniform provisions concerning the approval of compression-ignition (C.I.) engines to be installed in agricultural and forestry tractors with regard to the emissions of pollutants by the engine.
### **Brandstofkwaliteit**
##### 8
Ecologische kwaliteitsspecificaties voor benzine en diesel zijn vermeld in de tabellen 8 tot en met 11.
**Tabel 1:**Grenswaarden voor personenauto's en lichte voertuigen
| | | | | **Referent iemassa (RW) (kg)** | **Grenswaarden** | **Grenswaarden** | **Grenswaarden** | **Grenswaarden** | **Grenswaarden** | **Grenswaarden** | **Grenswaarden** | **Grenswaarden** | **Grenswaarden** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| | | | | **Referent iemassa (RW) (kg)** | **Koolstofmonoxide** | **Koolstofmonoxide** | **Kool-waterstoffen** | **Kool-waterstoffen** | **Stikstofoxiden** | **Stikstofoxiden** | **Koolwaterstoffen en stikstofoxiden gecombineerd** | **Koolwaterstoffen en stikstofoxiden gecombineerd** | **Deeltjesa** |
| **Categorie** | **Categorie** | **Klasse** | **Toe te passen vanafb** | | **L1 (g/km)g** | **L1 (g/km)g** | **L2 (g/km)** | **L2 (g/km)** | **L3 (g/km)** | **L3 (g/km)** | **L2+L3 (g/km)** | **L2+L3 (g/km)** | **L4 (g/km)** |
| **benzine** | **diesel** | **benzine** | **diesel** | **benzine** | **diesel** | **benzine** | **diesel** | **diesel** | | | | | |
| A | Mc | | 1-1-2001 | Alleg | 2,3 | 0,64 | 0,20 | – | 0,15 | 0,50 | – | 0,56 | 0,05 |
| N1d | I | 1-1-2001e | RW ≤ 1305 | 2,3 | 0,64 | 0,20 | – | 0,15 | 0,50 | – | 0,56 | 0,05 | |
| | II | 1-1-2002 | 1305 < RW ≤ 1760 | 4,17 | 0,80 | 0,25 | – | 0,18 | 0,65 | – | 0,72 | 0,07 | |
| | III | 1-1-2002 | 1760 < RW | 5,22 | 0,95 | 0,29 | – | 0,21 | 0,78 | – | 0,86 | 0,10 | |
| B | Mc | | 1-1-2006 | alle | 1,0 | 0,50 | 0,10 | – | 0,08 | 0,25 | – | 0,30 | 0,025 |
| N1d | I | 1-1-2006f | RW ≤ 1305 | 1,0 | 0,50 | 0,10 | – | 0,08 | 0,25 | – | 0,30 | 0,025 | |
| | II | 1-1-2007 | 1305 < RW ≤ 1760 | 1,81 | 0,63 | 0,13 | – | 0,10 | 0,33 | – | 0,39 | 0,04 | |
| | III | 1-1-2007 | 1760 < RW | 2,27 | 0,74 | 0,16 | – | 0,11 | 0,39 | – | 0,46 | 0,06 | |
a) Voor motoren met compressieontsteking.
b) De registratie, verkoop of ingebruikneming van nieuwe voertuigen die niet voldoen aan de respectieve grenswaarden, wordt geweigerd per de in deze kolom genoemde datums en typegoedkeuring hoeft niet langer gegarandeerd te zijn vanaf twaalf maanden voorafgaand aan deze datums.
c) Uitgezonderd voertuigen met een maximummassa van meer dan 2.500 kg.
d) En de voertuigen uit categorie M omschreven in noot c.
e) 1-1-2002 voor de voertuigen uit categorie M nader omschreven in noot c.
f) 1-1-2007 voor de voertuigen uit categorie M nader omschreven in noot c.
g) Tot 1 januari 2003 worden voertuigen in deze categorie die uitgerust zijn met motoren met compressieontsteking en niet voor de openbare weg bestemd zijn, en voertuigen met een maximummassa van meer dan 2.000 kg die ontworpen zijn om meer dan zes inzittenden te vervoeren, met inbegrip van de bestuurder, beschouwd als voertuigen van categorie N1, klasse III, in rij A.
**Tabel 2:**Grenswaarden voor zware voertuigen – ESC-tests (European steady-state cycle) en ELR-tests (European load-response)
| **Rij** | **Toe te passen vanafa** | **Koolstof-monoxide (g/kWh)** | **(g/kWh)** | **Stikstof-oxiden (g/kWh)** | **Deeltjes (g/kWh)** | **Rook (m-1)** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| A | 1-10-2001 | 2,1 | 0,66 | 5,0 | 0,10 / 0,13b | 0,8 |
| B1 | 1-10-2006 | 1,5 | 0,46 | 3,5 | 0,02 | 0,5 |
| B2 | 1-10-2009 | 1,5 | 0,46 | 2,0 | 0,02 | 0,5 |
a Met ingang vanaf de vermelde datums en met uitzondering van voertuigen en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn in dit Protocol, en van vervangingsmotoren voor in gebruik zijnde voertuigen, verbieden Partijen de registratie, verkoop, ingebruikneming of het gebruik van nieuwe voertuigen die worden aangedreven door een motor met compressieontsteking of een gasmotor en de verkoop en het gebruik van nieuwe motoren met compressieontsteking of gasmotoren als hun emissies niet voldoen aan de respectieve grenswaarden. Vanaf twaalf maanden voorafgaand aan deze datums kan typegoedkeuring worden geweigerd als niet aan de grenswaarden wordt voldaan.
b Voor motoren met een cilinderinhoud van minder dan 0,75 dm3 per cilinder en een nominale vermogenssnelheid van meer dan 3.000 omwentelingen per minuut.
**Tabel 3:**Grenswaarden voor zware voertuigen – ETC-test (European Transient Cycle)a)
| **Rij** | **Toe te passen vanafb** | **Koolstof-monoxide (g/kWh)** | **Koolwaterstoffen uitgezonderd methaan (g/kWh)** | **Methaanc(g/kWh)** | **Stikstof-oxiden (g/kWh)** | **Deeltjesd** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| A (2000) | 1-10-2001 | 5,45 | 0,78 | 1,6 | 5,0 | 0,16 / 0,21e |
| B1 (2005) | 1-10-2006 | 4,0 | 0,55 | 1,1 | 3,5 | 0,03 |
| B2 (2008) | 1-10-2009 | 4,0 | 0,55 | 1,1 | 2,0 | 0,03 |
a) De omstandigheden voor de controle op de aannemelijkheid van de ETCtests bij het meten van de emissies van gasmotoren ten opzichte van de grenswaarden die van toepassing zijn in rij A, worden opnieuw onderzocht en, voorzover noodzakelijk, gewijzigd in overeenstemming met de procedure die is vastgelegd in artikel 13 van [Richtlijn 70/156](31970L0156)/EEC.
b) Vanaf de vermelde datums en met uitzondering van voertuigen en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn in dit Protocol, en van vervangingsmotoren voor in gebruik zijnde voertuigen, verbieden Partijen de registratie, verkoop, ingebruikneming of het gebruik van nieuwe voertuigen die worden aangedreven door een motor met compressieontsteking of een gasmotor en de verkoop en het gebruik van nieuwe motoren met compressieontsteking of gasmotoren als hun emissies niet voldoen aan de respectieve grenswaarden. Vanaf twaalf maanden voorafgaand aan deze datums kan typegoedkeuring worden geweigerd als niet aan de grenswaarden wordt voldaan.
c) Alleen voor aardgasmotoren.
d) Niet van toepassing op gasmotoren in fase A en fasen B1 en B2.
e) Voor motoren met een slagvolume van minder dan 0,75 dm3 per cilinder en een nominale toerental van meer dan 3.000 omwentelingen per minuut.
**Tabel 4:**Grenswaarden (fase I) voor dieselmotoren van mobiele, niet voor de openbare weg bestemde machines (meetprocedure ISO 8178)
| **Netto-vermogen (P)(kW)** | **Toe te passen vanafa** | **Kool-stof-mono-xide (g/kWh)** | **Kool-water-stoffen (g/kWh)** | **Stikstof-oxiden (g/kWh)** | **Deeltjes (g/kWh)** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| 130 ≤ P < 560 | 31-12-1998 | 5,0 | 1,3 | 9,2 | 0,54 |
| 75 ≤ P < 130 | 31-12-1998 | 5,0 | 1,3 | 9,2 | 0,70 |
| 37 ≤ P < 75 | 31-12-1998 | 6,5 | 1,3 | 9,2 | 0,85 |
a) Vanaf de vermelde datum en met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn in dit Protocol, staan Partijen de registratie, voorzover van toepassing, en het in de handel brengen van nieuwe motoren, al of niet geïnstalleerd in machines, alleen toe als zij voldoen aan de in de tabel vermelde grenswaarden. Typegoedkeuring voor een motortype of -familie wordt met ingang van 30 juni 1998 geweigerd als niet voldaan wordt aan de grenswaarden.
Noot: Dit zijn motor-uit-grenswaarden waaraan voldaan moet worden voordat de gassen een katalysator of een andere reinigingsvoorziening in de uitlaat bereiken.
**Tabel 5:**Grenswaarden (fase II) voor dieselmotoren van mobiele, niet voor de openbare weg bestemde machines (meetprocedure ISO 8178)
| **Netto-vermogen (P) (kW)** | **Toe te passen vanafa** | **Koolstof-monoxide (g/kWh)** | **Kool-water-stoffen (g/kWh)** | **Stikstof-oxiden (g/kWh)** | **Deeltjes (g/kWh)** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| 130 ≤ P < 560 | 31-12-2001 | 3,5 | 1,0 | 6,0 | 0,2 |
| 75 ≤ P < 130 | 31-12-2002 | 5,0 | 1,0 | 6,0 | 0,3 |
| 37 ≤ P < 75 | 31-12-2003 | 5,0 | 1,3 | 7,0 | 0,4 |
| 18 ≤ P < 37 | 31-12-2000 | 5,5 | 1,5 | 8,0 | 0,8 |
a) Met ingang van de vermelde datum en met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn in dit Protocol, staan Partijen de registratie, voorzover van toepassing, en het in de handel brengen van nieuwe motoren, al of niet geïnstalleerd in machines, alleen toe als zij voldoen aan de in de tabel vermelde grenswaarden. Typegoedkeuring voor een motortype of -familie wordt vanaf twaalf maanden voorafgaand aan deze datums geweigerd als niet voldaan wordt aan de grenswaarden.
**Tabel 6:**Grenswaarden voor motorfietsen en drie- en vierwielers (> 50 cm3; > 45 km/u) toe te passen vanaf 17 juni 1999a)
| **Motortype** | **Grenswaarden** |
| --- | --- |
| 2-takt | CO = 8 g/km HC = 4 g/km NOx = 0,1 g/km |
| 4-takt | CO = 13 g/km HC = 3 g/km NOx = 0,3 g/km |
a) Typegoedkeuring wordt geweigerd vanaf de vermelde datum als de emissies van het voertuig niet voldoen aan de grenswaarden.
Noot: Voor drie- en vierwielers moeten de grenswaarden vermenigvuldigd worden met 1,5.
**Tabel 7:**Grenswaarden voor bromfietsen (≤ 50 cm3; < 45 km/u);
| **Fase** | **Toe te passen vanafa)** | **Grenswaarden** | **Grenswaarden** |
| --- | --- | --- | --- |
| **CO (g/km)** | **HC + NOx (g/km)** | | |
| I | 17-61999 | 6,0b) | 3,0b) |
| II | 17-6-2002 | 1,0c) | 1,2 |
a) Typegoedkeuring wordt geweigerd vanaf de vermelde datums als de emissies van het voertuig niet voldoen aan de grenswaarden.
b) Voor drie- en vierwielers geldt: vermenigvuldigen met 2.
c) Voor drie- en vierwielers: 3,5 g/km.
**Tabel 8:**Milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen die worden gebruikt voor voertuigen die uitgerust zijn met motoren met elektrische ontsteking
Type: Benzine
| **Parameter** | **Een-heid** | **Grenzena)** | **Grenzena)** | **Test** | **Test** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| **Minimum** | **Maximum** | **Methodeb)** | **Datum publicatie** | | |
| RON-getal | | 95 | – | EN 25164 | 1993 |
| MON-getal | | 85 | – | EN 25163 | 1993 |
| Dampspanning volgens Reid, zomerperiodec) | KPa | – | 60 | EN 12 | 1993 |
| Distillatie: | | | | | |
| verdampt bij 100 °C | % (v/v) | 46 | – | EN-ISO 3405 | 1988 |
| verdampt bij 150 °C | % (v/v) | 75 | – | | |
| Koolwaterstoffen-analyse: | | | | | |
| – olefinen | % (v/v) | – | 18,0d) | ASTM D1319 | 1995 |
| – aromaten | | – | 42 | ASTM D1319 | 1995 |
| – benzeen | | – | 1 | project EN 12177 | 1995 |
| Zuurstofgehalte | % (m/m) | – | 2,7 | EN 1601 | 1996 |
| Oxygenaten: | | | | | |
| – Methanol (er moeten stabilisatoren worden toegevoegd) | % (v/v) | – | 3 | EN 1601 | 1996 |
| – Ethanol (stabilisatoren kunnen nodig zijn) | % (v/v) | – | 5 | EN 1601 | 1996 |
| – Isopropylalco-hol | % (v/v) | – | 10 | EN 1601 | 1996 |
| – Tert-butylalcohol | % (v/v) | (v/v) | 7 | EN 1601 | 1996 |
| – Isobutylalcohol | % (v/v) | – | 10 | EN 1601 | 1996 |
| – Ethers met 5 of meer koolstofatomen per molecule | % (v/v) | – | 15 | EN 1601 | 1996 |
| Overige oxygenatene) | % (v/v) | – | 10 | EN 1601 | 1996 |
| Zwavelgehalte | mg/kg | – | 150 | Project EN–ISO/DIS 14596 | 1996 |
a) De in de specificatie genoemde waarden zijn „werkelijke waarden’’. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO 4259 Petroleum Products – Determination and application of precision data in relation to methods of test en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimumverschil van 2R boven nul rekening gehouden (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in ISO 4259 (gepubliceerd in 1995) gegeven criteria.
b) EN: Europese norm, ASTM: American Society for Testing and Materials, DIS: Draft international standard.
c) De zomerperiode begint uiterlijk 1 mei en eindigt niet voor 30 september. Voor lidstaten met arctische omstandigheden begint de zomerperiode uiterlijk 1 juni en eindigt zij niet voor 31 augustus en bedraagt de dampspanning volgens Reid maximaal 70 kPa.
d) Behalve voor gewone loodvrije benzine (MON-getal minimaal 81 en RONgetal minimaal 91), waarvoor het olefinegehalte maximaal 21% (v/v) is. Deze grenzen vormen geen belemmering voor het op de markt van een lidstaat brengen van een andere loodvrije benzine met octaangetallen die lager zijn dan hier vermeld.
e) Overige mono-alcoholen waarvan het distillatie-eindpunt niet hoger is dan het distillatie-eindpunt dat vastgesteld is in nationale specificaties of, zo deze ontbreken, in industriële specificaties voor motorbrandstoffen.
Noot: De Partijen zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2000 op hun grondgebied slechts benzine in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van tabel 8. Wanneer een Partij vaststelt dat het verbieden van benzine met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan de specificaties voor het zwavelgehalte in tabel 8, maar die het huidige gehalte niet overschrijdt, ernstige problemen zou opleveren voor haar industrieën met betrekking tot het vóór 1 januari 2000 doorvoeren van de noodzakelijke veranderingen in de fabrieken, kan zij de termijn voor het in de handel brengen binnen haar grondgebied verlengen tot uiterlijk 1 januari 2003. In dat geval moet de Partij in een verklaring die samen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding moet worden neergelegd, uitdrukkelijk vermelden dat zij voornemens is de termijn te verlengen en het Uitvoerend Orgaan schriftelijk inlichten over de redenen daarvoor.
**Tabel 9:**Milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen die worden gebruikt voor voertuigen die uitgerust zijn met motoren met compressieontsteking
Type: Dieselbrandstof
| **Parameter** | **Een-heid** | **Grenzena)** | **Grenzena)** | **Test** | **Test** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| **Mini-mum** | **Maxi-mum** | **Methodeb)** | **Datum publicatie** | | |
| Cetaangetal | | 51 | – | EN-ISO 5165 | 1992 |
| Dichtheid bij 15 °C | kg/m3 | – | 845 | EN-ISO 3675 | 1995 |
| Distillatiepunt: 95% | C | – | 360 | EN-ISO 3405 | 1988 |
| Polycyclische aromatische koolwaterstoffen | % (m/m) | – | 11 | IP 391 | 1995 |
| Zwavelgehalte | Mg/kg | – | 350 | Project EN–ISO/DIS 14596 | 1996 |
a) De in de specificatie genoemde waarden zijn „werkelijke waarden”. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO 4259 Petroleum Products – Determination and application of precision data in relation tot methods of test en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimumverschil van 2R boven nul rekening gehouden (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in ISO 4259 (gepubliceerd in 1995) gegeven criteria.
b) EN: Europese norm, IP: The Institute of Petroleum, DIS: Draft international standard.
Noot: De Partijen zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2000 op hun grondgebied slechts dieselolie in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van tabel 9. Wanneer een Partij vaststelt dat het verbieden van diesel met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan de specificaties voor zwavelgehalte in tabel 9, maar die het huidige gehalte niet overschrijdt, ernstige problemen zou opleveren voor haar industrieën met betrekking tot het vóór 1 januari 2000 doorvoeren van de noodzakelijke veranderingen in hun fabrieken, kan zij de termijn voor het in de handel brengen binnen haar grondgebied verlengen tot uiterlijk 1 januari 2003. In dat geval moet de Partij in een verklaring die samen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding moet worden neergelegd, uitdrukkelijk vermelden dat zij voornemens is de termijn te verlengen en het Uitvoerend Orgaan schriftelijk inlichten over de redenen daarvoor.
**Tabel 10:**Milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen die worden gebruikt voor voertuigen die uitgerust zijn met motoren met elektrische ontsteking
Type: Benzine
| **Parameter** | **Een-heid** | **Grenzena)** | **Grenzena)** | **Test** | **Test** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| **Mini-mum** | **Maxi-mum** | **Methodeb)** | **Datum publi-catie** | | |
| RON-getal | | 95 | | EN 25164 | 1993 |
| MON-getal | | 85 | | EN 5163 | 1993 |
| Dampspanning, zomerperiode | kPa | – | | | |
| Distillatie: | | | | | |
| Verdampt bij 100 °C | % (v/v) | – | – | | |
| Verdampt bij 150 °C | | – | – | | |
| Koolwaterstoffen-analyse: | | | | | |
| – olefinen | % (v/v) | – | | | |
| – aromaten | % (v/v) | – | 35 | ASTM D1319 | 1995 |
| – benzeen | % (v/v) | – | | | |
| Zuurstofgehalte | % (m/m) | – | | | |
| Zwavelgehalte | mg/kg | – | 50 | project EN-ISO/DIS 14596 | 1996 |
a) De in de specificatie genoemde waarden zijn „werkelijke waarden”. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO 4259 Petroleum Products – Determination and application of precision data in relation tot methods of test en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimumverschil van 2R boven nul rekening gehouden (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in ISO 4259 (gepubliceerd in 1995) gegeven criteria.
b) EN: Europese norm, ASTM: American Society for Testing and Materials, DIS: Draft international standard.
Noot: De Partijen zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2005 op hun grondgebied slechts benzine in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van tabel 10. Wanneer een Partij vaststelt dat het verbieden van benzine met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan de specificaties voor zwavelgehalte in tabel 10, maar die niet voldoet aan tabel 8, ernstige problemen zou opleveren voor haar industrieën om met betrekking tot het doorvoeren vóór 1 januari 2005 van de noodzakelijke veranderingen in hun fabrieken, kan zij de termijn voor het in de handel brengen binnen haar grondgebied verlengen tot uiterlijk 1 januari 2007. In dat geval moet de Partij in een verklaring, die samen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding moet worden neergelegd, uitdrukkelijk vermelden dat zij voornemens is de termijn te verlengen en het Uitvoerend Orgaan schriftelijk inlichten over de redenen daarvoor.
**Tabel 11:**Milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen die worden gebruikt voor voertuigen die uitgerust zijn met motoren met compressieontsteking
Type: Dieselbrandstof
| **Parameter** | **Een-heid** | **Grenzena)** | **Grenzena)** | **Test** | **Test** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| **Mini-mum** | **Maxi-mum** | **Methodeb)** | **Datum publicatie** | | |
| Cetaangetal | | | – | | |
| Dichtheid bij 15 °C | kg/m3 | | – | | |
| Distillatiepunt: 95% | C | – | | | |
| Polycyclische aromatische koolwaterstoffen | % (m/m) | – | | | |
| Zwavelgehalte | mg/kg | - | 50 | project EN-ISO/DIS 14596 | 1996 |
a) De in de specificatie genoemde waarden zijn „werkelijke waarden”. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO 4259 Petroleum Products – Determination and application of precision data in relation tot methods of test en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimumverschil van 2R boven nul rekening gehouden (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in ISO 4259 (gepubliceerd in 1995) gegeven criteria.
b) EN: Europese norm, DIS: Draft international standard.
Noot: De Partijen zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2005 op hun grondgebied slechts benzine in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van tabel 11. Wanneer een Partij vaststelt dat het verbieden van benzine met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan de specificaties voor zwavelgehalte in tabel 11, maar die wel voldoet aan tabel 9, ernstige problemen zou opleveren voor haar industrieën met betrekking tot het doorvoeren vóór 1 januari 2005 van de noodzakelijke veranderingen in hun fabrieken, kan zij de termijn voor het in de handel brengen binnen haar grondgebied verlengen tot uiterlijk 1 januari 2007. In dat geval moet de Partij in een verklaring die samen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding moet worden neergelegd, uitdrukkelijk vermelden dat zij voornemens is de termijn te verlengen en het Uitvoerend Orgaan schriftelijk inlichten over de redenen daarvoor.
### B. **Canada**
##### 9
Nieuwe emissienormen voor lichte voertuigen, lichte vrachtwagens, zware voertuigen, zware motoren en motorfietsen: Motor Vehicle Safety Act (en opvolgende wetgeving), bijlage V van de Motor Vehicle Safety Regulations: Vehicle Emissions (Standard 1100), SOR/97-376, (28 juli 1997), zoals van tijd tot tijd gewijzigd.
##### 10
Canadian Environmental Protection Act, Diesel Fuel Regulations, SOR/97-110 (4 februari 1997, zwavel in dieselbrandstof), zoals van tijd tot tijd gewijzigd.
##### 11
Canadian Environmental Protection Act, Benzene in Gasoline Regulations, SOR/97-493 (6 november 1997), zoals van tijd tot tijd gewijzigd.**493** (6 november 1997), zoals van tijd tot tijd gewijzigd.
##### 12
Canadian Environmental Protection Act, Sulphur in Gasoline Regulations, Canada Gazette, Deel II, 4 juni 1999, zoals van tijd tot tijd gewijzigd.
##### 13
Uitvoering van een programma voor emissie van mobiele bronnen voor lichte voertuigen, lichte vrachtwagens, zware vrachtwagens en brandstoffen in de mate die vereist is door secties 202 (a), 202 (g) en 202 (h) van de Clean Air Act, zoals geïmplementeerd door:
- a. 40 Code of Federal Regulations (CFR), deel 80, paragraaf D – Reformulated Gasoline;
- b. 40 CFR, deel 80, paragraaf A – General Provisions for Emission Regulations;
- c. 40 CFR, deel 80, sectie 80.29 – Controls and Prohibitions on Diesel Fuel Quality.
##### 1
De Partijen die onderworpen zijn aan de verplichtingen in artikel 3, lid 8, onder a, treffen de maatregelen die in deze bijlage omschreven staan.
##### 2
Elke Partij houdt naar behoren rekening met de noodzaak om verliezen uit de gehele stikstofkringloop te verminderen.
### A. **Gedragscode voor goede landbouwpraktijken**
##### 3
Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, wordt door die Partij een gedragscode voor goede landbouwpraktijken voor de beheersing van ammoniakemissies vastgesteld en vervolgens gepubliceerd en verspreid. De code houdt rekening met de specifieke omstandigheden binnen het grondgebied van de Partij en bevat voorschriften omtrent:
- –. stikstofmanagement, rekening houdend met de gehele stikstofkringloop;
- –. voederstrategieën voor vee;
- –. strooitechnieken voor meststoffen met geringe emissie;
- –. opslagsystemen voor meststoffen met geringe emissie;
- –. dierenverblijfsystemen met geringe emissie; en
- –. mogelijkheden voor het beperken van ammoniakemissies bij het gebruik van minerale meststoffen.
De Partijen geven aan de code een zodanige titel dat verwarring met andere codes wordt vermeden.
### B. **Meststoffen met ureum en ammoniumcarbonaat**
##### 4
Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, neemt die Partij die stappen die haalbaar zijn om ammoniakemissies door gebruik van vaste mest op ureumbasis te beperken.
##### 5
Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, verbiedt die Partij het gebruik van meststoffen met ammoniumcarbonaat.
### C. **Toepassing meststoffen**
##### 6
Elke Partij dient erop toe te zien dat toepassingstechnieken voor drijfmest met geringe emissie (zoals vermeld in Guidance Document V, dat door het Uitvoerend Orgaan op zijn zeventiende zitting aangenomen is (besluit 1999/1) en eventuele wijzigingen daarop), waarvan aangetoond is dat ze de emissies in vergelijking met de omschreven referentie in dat guidance document met ten minste 30% verminderen, gebruikt worden voorzover de Partij in kwestie ze van toepassing acht, rekening houdend met de lokale bodemgesteldheid en geomorfologische omstandigheden, het type drijfmest en de structuur van het landbouwbedrijf. De tijdschema's voor toepassing van deze maatregelen zijn: 31 december 2009 voor Partijen met overgangseconomieën en 31 december 2007 voor de overige Partijen.1)Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder „een land met een overgangseconomie" verstaan een Partij die bij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft verklaard dat zij behandeld wil worden als een land met een overgangseconomie voor de toepassing van punt 6 en/of 9 van deze bijlage.
##### 7
Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij erop toe te zien dat vaste meststoffen die toegepast zijn op land dat moet worden geploegd, binnen ten minste 24 uur na het verspreiden verwerkt worden voorzover zij deze maatregel van toepassing acht, rekening houdend met de lokale bodemgesteldheid en geomorfologische omstandigheden en de structuur van het landbouwbedrijf.
### D
##### 8
Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij voor nieuwe drijfmestoplaginrichtingen bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) opslagsystemen of opslagtechnieken met geringe emissies te gebruiken, waarvan aangetoond is dat ze de emissies met 40% of meer verminderen in vergelijking met de referentie (zoals vermeld in het guidance document als bedoeld in punt 6), of andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a.
##### 9
Voor bestaande drijfmestopslaginrichtingen bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) dient een Partij emissiereducties van 40% te behalen voorzover de Partij de noodzakelijke technieken technisch uitvoerbaar en economisch verantwoord acht.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a. De tijdschema's voor toepassing van deze maatregelen zijn: 31 december 2009 voor Partijen met overgangseconomieën en 31 december 2007 voor alle overige Partijen.1)Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder „een land met een overgangseconomie" verstaan een Partij die bij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft verklaard dat zij behandeld wil worden als een land met een overgangseconomie voor de toepassing van punt 6 en/of 9 van deze bijlage.
### E. **Dierenverblijven**
##### 10
Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij voor nieuwe dierenverblijven bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) verblijfssystemen te gebruiken waarvan aangetoond is dat ze de emissies met 20% of meer verminderen in vergelijking met de referentie (zoals vermeld in het guidance document als bedoeld in punt 6), of andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a. Toepasbaarheid kan beperkt zijn om redenen van dierenwelzijn, bijvoorbeeld in op stro gebaseerde systemen voor varkens alsmede vogelverblijven en scharrelsystemen voor pluimvee.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed the present Protocol.
DONE at Gothenburg (Sweden), this thirtieth day of November one thousand nine hundred and ninety-nine.
##### Artikel 3 bis. Flexibele overgangsregelingen
1. Niettegenstaande artikel 3, tweede, derde, vijfde en zesde lid, mag een Partij bij het Verdrag die tussen 1 januari 2013 en 31 december 2019 Partij wordt bij het onderhavige Protocol, flexibele overgangsregelingen toepassen voor de implementatie van de in de bijlagen VI en/of VIII gespecificeerde grenswaarden met inachtneming van de in dit artikel vervatte voorwaarden.
2. Een Partij die kiest voor toepassing van de flexibele overgangsregelingen ingevolge dit artikel dient in haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot het onderhavige Protocol het volgende te vermelden:
- a. de specifieke bepalingen van bijlage VI en/of VIII waarop de Partij de flexibele overgangsregeling wenst toe te passen; en
- b. een implementatieplan met een tijdschema voor de volledige implementatie van de gespecificeerde bepalingen.
3. Een implementatieplan ingevolge het tweede lid, onderdeel b. dient ten minste te voorzien in de implementatie van de grenswaarden voor nieuwe en bestaande stationaire bronnen gespecificeerd in de tabellen 1 en 5 van bijlage VI en de tabellen 1, 2, 3, 13 en 14 van bijlage VIII, uiterlijk acht jaar na de inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij of 31 december 2022, afhankelijk van welke datum eerder valt.
4. In geen geval mag een Partij de implementatie van grenswaarden voor bestaande en nieuwe stationaire bronnen genoemd in bijlage VI of VIII uitstellen tot na 31 december 2030.
5. Een Partij die besluit de flexibele overgangsregelingen ingevolge dit artikel toe te passen, verstrekt de uitvoerend secretaris van de Commissie een driejaarlijks rapport van haar voortgang bij de implementatie van bijlage VI en/of bijlage VIII. De uitvoerend secretaris van de Commissie stelt deze driejaarlijkse rapporten beschikbaar aan het Uitvoerend Orgaan.
##### Artikel 13 bis. Wijzigingen
1. Elke Partij kan wijzigingen van het onderhavige Protocol voorstellen.
2. Voorgestelde wijzigingen worden schriftelijk ingediend bij de uitvoerend secretaris van de Commissie, die ze aan alle Partijen bekendmaakt. De Partijen bespreken de voorgestelde wijzigingen op de eerstvolgende zitting van het Uitvoerend Orgaan, mits deze voorstellen ten minste negentig dagen van tevoren door de uitvoerend secretaris aan de Partijen toegezonden zijn.
3. Wijzigingen van het onderhavige Protocol anders dan van de bijlagen I en III worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn bij een zitting van het Uitvoerend Orgaan en treden voor de Partijen die ze hebben aanvaard op de negentigste dag na de datum waarop twee derden van de Partijen die op het tijdstip van de aanneming ervan Partij waren en hun akten van aanvaarding ervan bij de depositaris hebben nedergelegd in werking.
Wijzigingen treden voor elke andere Partij op de negentigste dag na de datum waarop die Partij haar akte van aanvaarding ervan heeft nedergelegd in werking.
4. Wijzigingen van de bijlagen I en III bij het onderhavige Protocol worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn bij een zitting van het Uitvoerend Orgaan. Na het verstrijken van honderdtachtig dagen na de datum van kennisgeving ervan aan alle Partijen door de uitvoerend secretaris van de Commissie, wordt een wijziging van een dergelijke bijlage van kracht voor de Partijen die geen kennisgeving in overeenstemming met de bepalingen van het vijfde lid bij de depositaris hebben ingediend, mits ten minste zestien Partijen een dergelijke kennisgeving niet hebben ingediend.
5. Een Partij die een wijziging van bijlage I en/of III niet kan goedkeuren, stelt de depositaris binnen negentig dagen na de datum van de bekendmaking van de aanneming daarvan schriftelijk in kennis. De depositaris stelt alle Partijen onverwijld in kennis van elke ontvangen kennisgeving. Een Partij kan haar eerdere kennisgeving te allen tijde vervangen door een aanvaarding en bij de nederlegging bij de depositaris van een akte van aanvaarding wordt de wijziging van die bijlage voor die Partij van kracht.
6. Voor de Partijen die haar hebben aanvaard treedt de procedure vervat in het zevende lid in de plaats van de procedure vervat in het derde lid met betrekking tot wijzigingen van de bijlagen IV tot en met XI.
7. Wijzigingen van de bijlagen IV tot en met XI worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn bij een zitting van het Uitvoerend Orgaan. Na het verstrijken van een jaar na de datum van de bekendmaking ervan aan alle Partijen door de uitvoerend secretaris van de Commissie, wordt een wijziging van een dergelijke bijlage van kracht voor die Partijen die geen kennisgeving in overeenstemming met de bepalingen van onderdeel a bij de depositaris hebben ingediend:
- a. Een Partij die een wijziging van de bijlagen IV tot en met XI niet kan goedkeuren stelt de depositaris daarvan binnen een jaar na de datum van kennisgeving omtrent de aanneming ervan schriftelijk in kennis. De depositaris stelt alle Partijen onverwijld in kennis van elke ontvangen kennisgeving. Een Partij kan haar eerdere kennisgeving te allen tijde vervangen door een aanvaarding en bij de nederlegging bij de depositaris van een akte van aanvaarding wordt de wijziging van die bijlage voor die Partij van kracht;
- b. Een wijziging van de bijlagen IV tot en met XI treedt niet in werking indien in totaal zestien Partijen of meer:
- i. een kennisgeving in overeenstemming met de bepalingen van onderdeel a hebben ingediend; of
- ii. de procedure vervat in dit lid niet hebben aanvaard en nog geen akte van aanvaarding in overeenstemming met de bepalingen van het derde lid hebben ingediend.
##### Artikel 18 bis. Beëindiging van Protocollen
Wanneer alle Partijen bij een van de volgende Protocollen hun akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van, of toetreding tot het onderhavige Protocol bij de depositaris hebben nedergelegd in overeenstemming met artikel 15, wordt het betreffende Protocol als beëindigd beschouwd:
- a. Het Helsinki Protocol van 1985 inzake de vermindering van zwavelemissies of van de grensoverschrijdende stromen van deze zwavelverbindingen met ten minste 30 procent;
- b. Het Sofia Protocol van 1988 inzake de beheersing van emissies van stikstofoxiden of van de grensoverschrijdende stromen van deze stikstofverbindingen;
- c. Het Genève Protocol van 1991 inzake de beheersing van emissies van vluchtige organische stoffen of hun grensoverschrijdende stromen;
- d. Het Oslo Protocol van 1994 inzake de verdergaande vermindering van zwavelemissies.
### I. KRITISCHE BELASTING INZAKE VERZURING
### A. **Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP**
##### 1
De kritische belasting (zoals omschreven in artikel 1) inzake verzuring voor ecosystemen wordt bepaald in overeenstemming met de bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003681) behorende „Manual on Methodologies and Criteria for Modelling and Mapping Critical Loads and Levels and Air Pollution Effects, Risks and Trends”, („Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”). Het is de maximale hoeveelheid verzurende depositie die een ecosysteem op lange termijn kan verdragen zonder geschaad te worden. Voor de kritische belasting inzake verzuring door stikstof wordt rekening gehouden met stikstofverwijderende processen binnen het ecosysteem (bijvoorbeeld opname door planten). Kritische belastingswaarden inzake verzuring door zwavel zijn waarden die – op de lange termijn – geen nadelige gevolgen hebben voor de structuur en functies van ecosystemen. Voor een gecombineerde kritische belasting inzake verzuring door zwavel en stikstof wordt alleen rekening gehouden met stikstof wanneer de stikstofdepositie groter is dan de stikstofverwijderende processen van het ecosysteem, zoals opname door vegetatie. Alle door Partijen gemelde en door het Uitvoerend Orgaan goedgekeurde kritische belastingswaarden worden samengevat voor gebruik in de geïntegreerde evaluatiemodellen die worden benut om als richtsnoer te dienen voor het vaststellen van de emissiereductieverplichtingen in bijlage II.
### B. **Voor Partijen in Noord-Amerika**
##### 2
In Canada worden kritische belastingswaarden voor zuurdepositie en de geografische gebieden waar deze worden overschreden voor meren en bos-ecosystemen in bergregio’s vastgesteld en in kaart gebracht met wetenschappelijke methodologieën en criteria die vergelijkbaar zijn met die in de bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003681) horende „Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. Kritische belastingswaarden voor totaal zwavel plus stikstof en de overschrijdingsniveaus zijn in heel Canada in kaart gebracht (ten zuiden van 60° noorderbreedte) en worden uitgedrukt in zuur-equivalenten per hectare per jaar (eq/ha/yr) (2004 Canadian Acid Deposition Science Assessment; 2008 Canadian Council of Ministers of the Environment). De provincie Alberta heeft de generieke classificatiesystemen voor kritische belasting inzake potentiële verzuring aanvaard die in Europa voor bodems worden gebruikt teneinde bodems te kunnen aanmerken als zeer gevoelig, matig gevoelig en ongevoelig voor zuurdepositie. Kritische streef- en monitoringsbelastingen zijn voor elke bodemklasse gedefinieerd en beheermaatregelen zijn voorgeschreven ingevolge het Alberta Acid Deposition Management Framework, al naargelang van toepassing.
##### 3
Deze belastingswaarden en gevolgen worden gebruikt voor geïntegreerde evaluatie-activiteiten, waaronder het aanleveren van gegevens voor internationale inspanningen voor het evalueren van de reactie van het ecosysteem op de belasting van verzurende verbindingen, en bieden een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor Canada in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001635&bijlage=II&z=2019-10-07&g=2019-10-07).
##### 4
Voor de Verenigde Staten van Amerika worden de gevolgen van verzuring beoordeeld door het evalueren van de gevoeligheid van ecosystemen voor en de reactie ervan op de belasting van verzurende verbindingen, gebruikmakend van peer-reviewed wetenschappelijke methodologieën en criteria, en rekening houdend met de onzekerheden in verband met stikstofcycli(ussen) in ecosystemen. Bij het vaststellen van secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor NOx en SO2 wordt vervolgens rekening gehouden met de negatieve gevolgen voor vegetatie en ecosystemen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en de luchtkwaliteitsnormen worden gebruikt bij het bieden van een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001635&bijlage=II&z=2019-10-07&g=2019-10-07).
##### 5
De kritische belasting (zoals omschreven in artikel 1) met stikstofnutriënten (eutrofiëring) voor ecosystemen wordt bepaald in overeenstemming met de bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003681) behorende “Manual on Methodologies and Criteria for Modelling and Mapping Critical Loads and Levels and Air Pollution Effects, Risks and Trends („Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. Het is de maximale hoeveelheid depositie van eutrofiërende stikstof die – op de lange termijn – geen nadelige gevolgen heeft voor de structuur en functies van ecosystemen. Alle door Partijen gemelde kritische belastingswaarden worden samengevat voor gebruik in geïntegreerde evaluatiemodellen die worden benut ter voorlichting bij het vaststellen van de emissiereductieverplichtingen in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001635&bijlage=II&z=2019-10-07&g=2019-10-07).
### III. KRITISCHE NIVEAUS VAN OZON
### A. **Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP**
##### 6
Kritische niveaus (zoals omschreven in artikel 1) van ozon worden bepaald ter bescherming van planten in overeenstemming met het bij het Verdrag behorende („Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. Zij worden uitgedrukt in termen van de cumulatieve waarde van stomataire stromen of concentraties boven het bladerdak. Kritische niveaus worden bij voorkeur gebaseerd op stomataire stromen omdat deze biologisch relevanter worden geacht aangezien hierbij rekening wordt gehouden met veranderingen in de opname van ozon door vegetatie onder invloed van klimaat, bodem en planten.
##### 7
Voor een aantal soorten gewassen, (semi-)natuurlijke vegetatie en bosbomen zijn kritische ozonniveaus afgeleid. De gekozen kritische niveaus hebben betrekking op de belangrijkste milieueffecten zoals het verlies van voedselzekerheid, verminderde koolstofopslag in de levende biomassa van bomen en bijkomende nadelige gevolgen voor het bos- en (semi-)natuurlijke ecosystemen.
##### 8
Het voor de menselijke gezondheid kritische ozonniveau wordt vastgesteld overeenkomstig de Air Quality Guidelines van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om de menselijke gezondheid te beschermen tegen een scala van gezondheidseffecten, met inbegrip van een verhoogd risico op vroegtijdig overlijden en ziekten.
### B. **Voor Partijen in Noord-Amerika**
##### 9
Voor Canada is het wel te verstaan dat er geen onderdrempel is voor gevolgen voor de menselijke gezondheid als gevolg van ozon. Er zijn namelijk nadelige gevolgen geobserveerd bij alle in Canada voorkomende ozonconcentraties. De Canadian Ambient Air Quality Standard for ozone (Canadese kwaliteitsnorm voor omgevingslucht voor ozon) is ingesteld ter ondersteuning van beleidsinspanningen op nationaal niveau, en door rechtsgebieden, om de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu aanzienlijk te verminderen.
##### 10
Voor de Verenigde Staten van Amerika worden kritische niveaus vastgesteld in de vorm van primaire en secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor ozon ter bescherming van de menselijke gezondheid met een passende veiligheidsmarge en ter bescherming van het algemeen welzijn met inbegrip van vegetatie tegen bekende of verwachte nadelige gevolgen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en de kwaliteitsnormen voor lucht worden gebruikt ter voorlichting bij het vaststellen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.
### IV. Kritische niveaus van zwevende deeltjes
### A. Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP
##### 11
Het kritische niveau van zwevende deeltjes voor de menselijke gezondheid wordt overeenkomstig de WHO Air Quality Guidelines vastgesteld als de massaconcentratie van PM2,5. Het bereiken van het niveau uit de WHO-richtlijnen zorgt naar verwachting voor een doeltreffende vermindering van de gezondheidsrisico’s. De PM2,5-concentratie op de lange termijn, uitgedrukt als een jaarlijks gemiddelde, is evenredig aan het gezondheidsrisico, met inbegrip van een vermindering van de levensverwachting. Deze indicator wordt gebruikt in geïntegreerde modellen om een richtlijn voor emissiereductie te bieden. Naast het jaarlijkse richtlijnniveau wordt een richtlijnniveau voor de korte termijn (gemiddelde over 24 uur) gedefinieerd ter bescherming tegen verontreinigingspieken die een aanzienlijke impact hebben op het ziektecijfer of sterftecijfer.
### B. Voor Partijen in Noord-Amerika
##### 12
Voor Canada is het wel te verstaan dat er geen onderdrempel is voor gevolgen voor de menselijke gezondheid als gevolg van zwevende deeltjes. Er zijn namelijk nadelige gevolgen geobserveerd bij alle in Canada voorkomende concentraties zwevende deeltjes. De Canadese nationale norm voor zwevende deeltjes is ingesteld ter ondersteuning van beleidsinspanningen op nationaal niveau, en door rechtsgebieden, om de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu aanzienlijk te verminderen.
##### 13
Voor de Verenigde Staten zijn kritische niveaus in de vorm van primaire en secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor zwevende deeltjes bepaald ter bescherming van de menselijke gezondheid met een passende veiligheidsmarge en ter bescherming van het algemeen welzijn (met inbegrip van zichtbaarheid en door mensen gemaakte materialen) tegen bekende of verwachte nadelige gevolgen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en luchtkwaliteitsnormen worden gebruikt bij het bieden van een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.
### V. Kritische niveaus van ammoniak
##### 14
Kritische niveaus (zoals omschreven in artikel 1) van ammoniak worden bepaald ter bescherming van planten in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende „Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”.
### VI. Aanvaardbare niveaus van luchtverontreinigende stoffen om materialen te beschermen
##### 15
Aanvaardbare niveaus van verzurende verontreinigende stoffen, ozon en zwevende deeltjes worden bepaald ter bescherming van materialen en cultureel erfgoed in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende „Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. De aanvaardbare niveaus van verontreinigende stoffen betreffen de maximale blootstelling die een materiaal op lange termijn kan verdragen zonder dat er schade ontstaat die groter is dan de hierboven gespecificeerde corrosiesnelheden. Deze schade, die kan worden berekend aan de hand van beschikbare dosis-effectfuncties, is het resultaat van verschillende verontreinigende stoffen die in verschillende combinaties samen een uitwerking hebben die afhankelijk is van het materiaal: zuurtegraad (zwaveldioxide (SO2), salpeterzuur (HNO3)), ozon en zwevende deeltjes.
##### 1
Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.
### A. **Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika**
##### 2
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „emissiegrenswaarde” (EGW) verstaan de hoeveelheid SO2 (of SOx in voorkomend geval) in de afgassen uit een installatie die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa SO2 (SOx, uitgedrukt in SO2) per volume van de afgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het afgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in afgassen te verminderen is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.
##### 3
Naleving van de EGW, minimum ontzwavelingspercentages, zwavelterugwinningsrendementen en grenswaarden voor zwavelgehaltes wordt geverifieerd:
- a. Emissies worden gemonitord door metingen of door berekeningen die ten minste dezelfde mate van nauwkeurigheid opleveren. Naleving van de EGW wordt geverifieerd door ononderbroken of onderbroken metingen, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode, met inbegrip van geverifieerde berekeningsmethoden. Bij ononderbroken metingen worden de EGW nageleefd indien het gevalideerde maandelijks gemiddelde van de emissie de grenswaarde niet overschrijdt, tenzij anders gespecificeerd voor de afzonderlijke broncategorie. Bij onderbroken metingen of andere geschikte vaststellings- of berekeningsmethoden worden de EGW nageleefd indien de gemiddelde waarde op basis van een adequaat aantal metingen onder representatieve omstandigheden de EGW niet overschrijdt. Er kan voor verificatiedoeleinden rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheid van de meetmethoden;
- b. Bij verbrandingsinstallaties waarbij de in het paragraaf 5.a.ii bedoelde minimum ontzwavelingspercentages worden toegepast, wordt het zwavelgehalte van de brandstof ook regelmatig gemonitord en worden de bevoegde autoriteiten in kennis gesteld van substantiële veranderingen in het soort gebruikte brandstof. De ontzwavelingspercentages worden als maandelijkse gemiddelde waarden toegepast;
- c. Naleving van het minimum zwavelterugwinningsrendement wordt geverifieerd door middel van reguliere metingen of elke andere technisch betrouwbare methode;
- d. Naleving van de grenswaarden van het zwavelgehalte in gasolie wordt geverifieerd door middel van reguliere gerichte metingen.
##### 4
Monitoring van de relevante verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters, en ook van de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen en de referentiemetingen om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd in overeenstemming met de normen van het Europees Comité voor Normalisatie (CEN). Indien CEN-normen ontbreken, zijn de normen van de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO), nationale of internationale normen van toepassing die waarborgen dat gegevens opgeleverd worden van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit.
##### 5
In de volgende onderdelen worden bijzondere bepalingen vermeld voor de in lid 7 bedoelde verbrandingsinstallaties:
- a. Een Partij mag in de volgende gevallen afwijken van de verplichting de in lid 7 voorziene emissiegrenswaarden na te leven:
- i. Bij een verbrandingsinstallatie die daartoe normaliter laagzwavelige brandstof gebruikt, wanneer de exploitant niet aan deze grenswaarden kan voldoen vanwege een onderbreking in de aanvoer van laagzwavelige brandstof als gevolg van een ernstig tekort;
- ii. Bij een verbrandingsinstallatie die inheemse brandstof verbrandt, die niet kan voldoen aan de in lid 7 voorziene emissiegrenswaarden; hierbij moet in ieder geval worden voldaan aan de volgende grenswaarden voor ontzwavelingspercentages:
- aa. Bestaande installaties: 50–100 MWth: 80%
- bb. Bestaande installaties: 100-300 MWth: 90%
- cc. Bestaande installaties: > 300 MWth: 95%
- dd. Nieuwe installaties: 50–300 MWth: 93%
- ee. Nieuwe installaties: > 300 MWth: 97%
- iii. Bij verbrandingsinstallaties die normaliter gasvormige brandstoffen gebruiken en die als gevolg van een plotselinge onderbreking van de gasvoorziening bij wijze van uitzondering een andere brandstof moeten gebruiken en om die reden zou moeten worden uitgerust met afgasreinigingsapparatuur;
- iv. Bij bestaande verbrandingsinstallaties die niet langer dan 17.500 uur in bedrijf zijn in een tijdvak beginnend op 1 januari 2016 en eindigend uiterlijk 31 december 2023;
- v. Bij bestaande verbrandingsinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken en die per jaar niet langer dan 1.500 uur in bedrijf zijn als voortschrijdend gemiddelde over een tijdvak van vijf jaar; hierbij zijn de volgende EGW van toepassing:
- aa. Voor vaste brandstoffen: 800 mg/m3;
- bb. Voor vloeibare brandstoffen: 850 mg/m3 voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 300 MWth en 400 mg/m3 voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 300 MWth;
- b. Wanneer een verbrandingsinstallatie met ten minste 50 MWth wordt uitgebreid, is de in lid 7 gespecificeerde EGW voor nieuwe installaties van toepassing op het uitgebreide gedeelte van de installatie waarop de verandering betrekking heeft. De EGW wordt berekend als een gewogen gemiddelde van het **werkelijke** thermische ingangsvermogen van zowel het bestaande als het nieuwe deel van de installatie;
- c. De Partijen waarborgen dat er procedures komen voor storingen aan of uitvallen van de nabehandelingsapparatuur;
- d. Bij een gemengde verbrandingsinstallatie waarbij twee of meer soorten brandstof gelijktijdig worden gebruikt, wordt de EGW bepaald als gewogen gemiddelde van de EGW voor de afzonderlijke brandstoffen, op basis van het thermische ingangsvermogen van elke brandstof.
##### 6
De Partijen kunnen regels toepassen die verbrandings- en verwerkingsinstallaties in een aardolieraffinaderij vrijstellen van naleving van de afzonderlijke grenswaarden voor SO2 zoals vervat in deze bijlage, mits zij voldoen aan een grenswaarde voor de SO2-bubble die is vastgesteld op basis van de best beschikbare technieken.
##### 7
Verbrandingsinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen hoger dan 50 MWth:1)Het nominale thermische ingangsvermogen van een verbrandingsinstallatie wordt berekend als de som van het ingangsvermogen van alle eenheden die zijn aangesloten op een gezamenlijk afgaskanaal. Afzonderlijke eenheden lager dan 15 MWth worden buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van het totale nominale thermische ingangsvermogen.
| **Brandstoftype** | **Thermisch ingangsvermogen (MWth)** | **EGW voor SO2 mg/m3 2)** |
| --- | --- | --- |
| Vaste brandstoffen | 50–100 | Nieuwe installaties: 400 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 300 (turf) 200 (biomassa) |
| | | |
| | | Bestaande installaties: 400 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 300 (turf) 200 (biomassa) |
| | | |
| | 100–300 | Nieuwe installaties: 200 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 300 (turf) 200 (biomassa) |
| | | |
| | | Bestaande installaties: 250 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 300 (turf) 200 (biomassa) |
| | | |
| | >300 | Nieuwe installaties: 150 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) (FBC: 200) 150 (turf) (FBC: 200) 150 (biomassa) |
| | | |
| | | Bestaande installaties: 200 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 200 (turf) 200 (biomassa) |
| | | |
| Vloeibare brandstoffen | 50–100 | Nieuwe installaties: 350 Bestaande installaties: 350 |
| | | |
| | 100–300 | Nieuwe installaties: 200 Bestaande installaties: 250 |
| | | |
| | >300 | Nieuwe installaties: 150 Bestaande installaties: 200 |
| | | |
| Gasvormige brandstoffen algemeen | >50 | Nieuwe installaties: 35 Bestaande installaties: 35 |
| | | |
| Vloeibaar gas | >50 | Nieuwe installaties: 5 Bestaande installaties: 5 |
| | | |
| Cokesovengas of hoogovengas | >50 | Nieuwe installaties: 200 voor hoogovengas 400 voor cokesovengas |
| | | |
| | | Bestaande installaties: 200 voor hoogovengas 400 voor cokesovengas |
| | | |
| Vergaste raffinageresiduen | > 50 | Nieuwe installaties: 35 Bestaande installaties: 800 |
- 1) EGW zijn met name niet van toepassing op:
- – installaties waarin de verbrandingsproducten worden gebruikt voor het rechtstreeks verhitten, drogen of een andere behandeling van voorwerpen of materialen;
- – naverbrandingsinstallaties ontworpen om afgassen te zuiveren door verbranding en die niet als een zelfstandige verbrandingsinstallatie wordt gebruikt;
- – voorzieningen voor het regenereren van bij het kraken gebruikte katalysatoren;
- – voorzieningen voor de omzetting van waterstofsulfide in zwavel;
- – in de chemische industrie gebruikte reactoren;
- – cokesovenbatterijen;
- – windverhitters;
- – terugwinningsketels in installaties voor de productie van pulp;
- – vuilverbrandingsinstallaties; en
- – door diesel-, benzine- en gasmotoren of gasturbines aangedreven installaties, ongeacht de gebruikte brandstof.
- 2) Het O2-referentiegehalte is 6% voor vaste brandstoffen en 3% voor vloeibare en gasvormige brandstoffen.
**Noot:** FBC: wervelbedverbranding (circulerend, onder druk, borrelend).
##### 8
Gasolie:
| | **Zwavelgehalte (procent per gewicht)** |
| --- | --- |
| Gasolie | < 0,10 |
- 1) „Gasolie” is elke uit aardolie verkregen vloeibare brandstof, uitgezonderd scheepsbrandstof, die onder GN-code 2710 19 25, 2710 19 29, 2710 19 45 of 2710 19 49 valt, of elke uit aardolie verkregen vloeibare brandstof, uitgezonderd scheepsbrandstof, die voor minder dan 65% van zijn volume (verliezen inbegrepen) overdistilleert bij 250°C en die voor ten minste 85% van het volume (verliezen inbegrepen) overdistilleert bij 350°C volgens ASTM-methode D86. Dieselbrandstoffen, d.w.z. gasoliën die vallen onder GN-code 2710 19 41 en die gebruikt worden voor de aandrijving van voertuigen, zijn uitgezonderd van deze omschrijving. Brandstoffen gebruikt in niet voor de weg bestemde mobiele machines en landbouwtractoren zijn eveneens uitgezonderd van deze omschrijving.
##### 9
Aardolie- en gasraffinaderijen:
Zwavelterugwinningseenheden: voor installaties die meer dan 50 mg zwavel per dag produceren:
| **Type installatie** | **Minimum zwavelterugwinningsrendement1) (%)** |
| --- | --- |
| Nieuwe installatie | 99,5 |
| Bestaande installatie | 98,5 |
- 1) Het zwavelterugwinningsrendement is het percentage ingevoerde H2S omgezet in elementaire zwavel als jaarlijks gemiddelde.
##### 10
Productie van titaniumdioxide:
| **Type installatie** | **EGW voor SOx (uitgedrukt in SO2) (kg/t TiO2)** |
| --- | --- |
| Sulfaatproces, totale emissie | 6 |
| Chlorideproces, totale emissie | 1,7 |
### B. Canada
##### 11
Grenswaarden voor het beheersen van zwaveldioxide-emissies voor stationaire bronnen worden bepaald rekening houdend, al naargelang van toepassing, met informatie inzake beschikbare beheersingstechnologieën, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden en de volgende documenten:
- a. Order Adding Toxic Substances to Schedule 1 to the Canadian Environmental Act, 1999. SOR/2011-34;
- b. Proposed Regulation, Order Adding Toxic Substances to Schedule 1 to the Canadian Environmental Protection Act, 1999;
- c. New Source Emission Guidelines for Thermal Electricity Generation;
- d. National Emission Guidelines for Stationary Combustion Turbines. PN1072; en
- e. Operating and Emission Guidelines for Municipal Solid Waste Incinerators. PN1085.
### C. Verenigde Staten van Amerika
##### 12
Grenswaarden voor het beheersen van zwaveldioxide-emissies uit stationaire bronnen in de volgende categorieën stationaire bronnen en de bronnen waarop deze van toepassing zijn, worden omschreven in de volgende documenten:
- a. Electric Utility Steam Generating Units – 40 Code of Federal Regulations (C.F.R.) deel 60, paragraaf D, en paragraaf Da;
- b. Industrial-Commercial-Institutional Steam Generating Units – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Db en paragraaf Dc;
- c. Sulphuric Acid Plants – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf H;
- d. Petroleum Refineries – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf J en paragraaf Ja;
- e. Primary Copper Smelters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf P;
- f. Primary Zinc Smelters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Q;
- g. Primary Lead Smelters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf R;
- h. Stationary Gas Turbines – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf GG;
- i. Onshore Natural Gas Processing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf LLL;
- j. Municipal Waste Combustors – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Ea en paragraaf Eb;
- k. Hospital/Medical/Infectious Waste Incinerators – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Ec;
- l. Stationary Combustion Turbines – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf KKKK;
- m. Small Municipal Waste Combustors – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf AAAA;
- n. Commercial and Industrial Solid Waste Combustors – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf CCCC; en
- o. Other Solid Waste Combustors – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf EEEE.
##### 1
Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.
### A. **Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika**
##### 2
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „emissiegrenswaarde” (EGW) verstaan de hoeveelheid NOx (de som van NO en NO2, uitgedrukt in NO2) in de afgassen uit een installatie die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa NOx per volume van de afgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het afgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in afgassen te verminderen, is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.
##### 3
Emissies worden in alle gevallen gemonitord door metingen van NOx of door berekeningen of een combinatie van beide waarbij ten minste dezelfde nauwkeurigheid wordt bereikt.
Naleving van de EGW wordt geverifieerd door ononderbroken of onderbroken metingen, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode, met inbegrip van geverifieerde berekeningsmethoden. Bij ononderbroken metingen worden de EGW nageleefd indien het gevalideerde maandelijks gemiddelde van de emissie de grenswaarden niet overschrijdt. Bij onderbroken metingen of andere passende procedures voor vaststelling of berekening, worden de EGW nageleefd indien de gemiddelde waarde gebaseerd op een passend aantal metingen onder representatieve omstandigheden de EGW niet overschrijdt. Er kan voor verificatiedoeleinden rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheid van de meetmethoden.
##### 4
Monitoring van de relevante verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters en ook van de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen en de referentiemetingen om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd in overeenstemming met de CEN-normen. Indien CEN-normen ontbreken, zijn ISO-, nationale of internationale normen van toepassing die waarborgen dat gegevens opgeleverd worden van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit.
##### 5
Bijzondere bepalingen voor verbrandingsinstallaties bedoeld in paragraaf 6:
- a. Een Partij mag in de volgende gevallen afwijken van de verplichting de in paragraaf 6 voorziene EGW na te leven:
- i. Bij verbrandingsinstallaties die normaliter gasvormige brandstoffen gebruiken en die als gevolg van een plotselinge onderbreking van de gasvoorziening bij wijze van uitzondering een andere brandstof moeten gebruiken en om die reden zouden moeten worden uitgerust met afgasreinigingsapparatuur;
- ii. Bij bestaande verbrandingsinstallaties die ten hoogste 17.500 uur in bedrijf zijn in een tijdvak beginnend vanaf 1 januari 2016 en eindigend uiterlijk 31 december 2023; of
- iii. Bij bestaande verbrandingsinstallaties, anders dan een gasturbine te land (die onder lid 7 vallen) die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken en die per jaar ten hoogste 1.500 uur in bedrijf zijn als voortschrijdend gemiddelde over een tijdvak van vijf jaar; hierbij zijn de volgende EGW van toepassing:
- aa. Voor vaste brandstoffen: 450 mg/m3;
- bb. Voor vloeibare brandstoffen: 450 mg/m3;
- b. Wanneer een verbrandingsinstallatie met ten minste 50 MWth wordt uitgebreid, zijn de in paragraaf 6 gespecificeerde EGW voor nieuwe installaties van toepassing op het uitgebreide gedeelte van de installatie waarop de verandering betrekking heeft. De EGW wordt berekend als een gewogen gemiddelde van het **werkelijke** thermische ingangsvermogen van zowel het bestaande als nieuwe gedeelte van de installatie;
- c. De Partijen waarborgen dat er procedures komen voor storingen aan of uitvallen van de nabehandelingsapparatuur;
- d. Bij een gemengde verbrandingsinstallatie waarbij twee of meer soorten brandstof gelijktijdig worden gebruikt, wordt de EGW bepaald als gewogen gemiddelde van de EGW voor de afzonderlijke brandstoffen, op basis van het thermische ingangsvermogen van elke brandstof. De Partijen kunnen regels toepassen die verbrandings- en verwerkingsinstallaties in een aardolieraffinaderij vrijstellen van naleving van de afzonderlijke grenswaarden voor NOx zoals vervat in deze bijlage, mits zij voldoen aan een grenswaarde voor de NOx-bubble die is vastgesteld op basis van de best beschikbare technieken.
##### 6
Verbrandingsinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen hoger dan 50 MWth:2)Het nominale thermische ingangsvermogen van een verbrandingsinstallatie wordt berekend als de som van het ingangsvermogen van alle eenheden die zijn aangesloten op een gezamenlijk afgaskanaal. Afzonderlijke eenheden lager dan 15 MWth worden buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van het totale nominale ingangsvermogen.
| **Brandstoftype** | **Thermisch ingangsvermogen (MWth)** | **EGW voor NOx (mg/m3) 2)** |
| --- | --- | --- |
| Vaste brandstoffen | 50–100 | Nieuwe installaties: 300 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 450 (bruinkoolstof) 250 (biomassa, turf) |
| | | Bestaande installaties: 300 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 450 (bruinkoolstof) 300 (biomassa, turf) |
| | | |
| | 100–300 | Nieuwe installaties: 200 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 200 (biomassa, turf) |
| | | Bestaande installaties: 200 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 250 (biomassa, turf) |
| | | |
| | >300 | Nieuwe installaties: 150 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) (algemeen) 150 (biomassa, turf) 200 (bruinkoolstof) |
| | | Bestaande installaties: 200 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 200 (biomassa, turf) |
| | | |
| Vloeibare brandstoffen | 50–100 | Nieuwe installaties: 300 |
| Vloeibare brandstoffen | | Bestaande installaties: 450 |
| | | |
| | 100–300 | Nieuwe installaties: 150 |
| | | Bestaande installaties: 200 (algemeen) Bestaande installaties binnen raffinaderijen en chemische installaties: |
| | | 450 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties en voor het verstoken van vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof) |
| | | |
| | >300 | Nieuwe installaties: 100 |
| | | Bestaande installaties: 150 (algemeen) Bestaande installaties binnen raffinaderijen en chemische installaties: |
| | | 450 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties en voor het verstoken van vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof (< 500 MWth)) |
| | | |
| Aardgas | 50–300 | Nieuwe installaties: 100 |
| | | Bestaande installaties: 100 |
| | | |
| | >300 | Nieuwe installaties: 100 |
| | | Bestaande installaties: 100 |
| | | |
| Overige gasvormige brandstoffen | >50 | Nieuwe installaties: 200 |
| Overige gasvormige brandstoffen | | Bestaande installaties: 300 |
- 1) EGW zijn met name niet van toepassing op:
- - installaties waarin de verbrandingsproducten worden gebruikt voor het rechtstreeks verhitten, drogen of een andere behandeling van voorwerpen of materialen;
- - naverbrandingsinstallaties ontworpen om afgassen te zuiveren door verbranding en die niet als een zelfstandige verbrandingsinstallatie worden gebruikt;
- - voorzieningen voor het regenereren van bij het kraken gebruikte katalysatoren;
- - voorzieningen voor de omzetting van waterstofsulfide in zwavel;
- - in de chemische industrie gebruikte reactoren;
- - cokesovenbatterijen;
- - windverhitters;
- - terugwinningsketels in installaties voor de productie van pulp;
- - vuilverbrandingsinstallaties; en
- - door diesel-, benzine- en gasmotoren of gasturbines aangedreven installaties, ongeacht de gebruikte brandstof.
- 2) Het O2-referentiegehalte is 6% voor vaste brandstoffen en 3% voor vloeibare en gasvormige brandstoffen.
##### 7
Verbrandingsturbines te land met een nominaal thermisch vermogen hoger dan 50 MWth: de NOx-grenswaarden uitgedrukt in mg/m3 (met een O2-gehalte van 15%) gelden voor een enkele turbine. De EGW in tabel 2 zijn alleen van toepassing bij een belasting van boven 70%.
| **Brandstoftype** | **Thermisch ingangsvermogen (MWth)** | **EGW voor NOx mg/m3 1)** |
| --- | --- | --- |
| Vloeibare brandstoffen (lichte en middeldestillaten) | > 50 | Nieuwe installaties: 50 Bestaande installaties: 90 (algemeen) 200 (installaties met minder dan 1.500 bedrijfsuren per jaar) |
| | | |
| Aardgas2) | > 50 | Nieuwe installaties: 50 (algemeen)3) Bestaande installaties: 50 (algemeen)3), 4) 150 (installaties met minder dan 1.500 bedrijfsuren per jaar) |
| | | |
| Overige gassen | > 50 | Nieuwe installaties: 50 Bestaande installaties: 120 (algemeen) 200 (installaties met minder dan 1.500 bedrijfsuren per jaar) |
- 1) Gasturbines voor noodgevallen met minder dan 500 bedrijfsuren per jaar vallen hier niet onder.
- 2) Onder aardgas wordt in de natuur voorkomend methaan verstaan met maximaal 20% (per volume) inerte en andere bestanddelen
- 3) Voor single-cyclus-gasturbines die niet onder een van de in voetnoot c genoemde categorieën vallen, maar een rendement hebben hoger dan 35% (bepaald bij ISO-basisbelastingsomstandigheden), wordt de EGW voor NOx vastgesteld op 50 × η/35, waarbij η het bij ISO-basisbelastingsomstandigheden bepaalde, in procenten uitgedrukte rendement van de gasturbine is.
- 4) 75 mg/m3 in de volgende gevallen, waarin het rendement van de gasturbine onder ISO-basisbelastingsomstandigheden is bepaald:
- – gasturbines die in een systeem met warmtekrachtkoppeling worden gebruikt met een totaal rendement van meer dan 75%;
- – gasturbines die in een warmtekrachtcentrale worden gebruikt met een gemiddeld jaarlijks totaal elektriciteitsrendement van meer dan 55%;
- – gasturbines voor mechanische aandrijving.
##### 8
Cementproductie:
| **Type installatie** | **EGW voor NOx (mg/m3)** |
| --- | --- |
| Algemeen (bestaande en nieuwe installaties) | 500 |
| Bestaande Lepol-ovens en lange draaitrommelovens waarin geen coverbranding van afval plaatsvindt. | 800 |
1) Installaties voor de productie van cementklinker in draaitrommelovens met een capaciteit van > 500 Mg/dag of in andere ovens met een capaciteit van > 50 Mg/dag. Het O2-referentiegehalte is 10%.
##### 9
Stationaire motoren:
| **Motortype, aandrijving, brandstofspecificatie** | **EGW1),2),3) (mg/m3)** |
| --- | --- |
| Gasmotoren > 1 MWth | |
| Motoren met vonkontsteking (=Otto), alle gasvormige brandstoffen | 95 (verbeterde arm-mengselmotoren) 190 (standaard arm-mengselmotoren of rijk-mengselmotoren met katalysator) |
| Dual-fuelmotoren > 1 MWth | |
| In de gasmodus (alle gasvormige brandstoffen) In de vloeibare-brandstofmodus (alle vloeibare brandstoffen)4) | 190 |
| 1–20 MWth | 225 |
| >20 MWth | 225 |
| Dieselmotoren > 5 MWth (compressieontsteking) | |
| | |
| **Laag (< 300 rpm)/ Gemiddeld (300–1.200 rpm)/ toerental** | |
| 5–20 MWth | |
| Zware stookolie (HFO) en bio-oliën | 225 |
| Lichte stookolie (LFO) en aardgas (NG) | 190 |
| >20 MWth | |
| HFO en bio-oliën | 190 |
| LFO en NG | 190 |
| **Hoog toerental (>1.200 rpm)** | 190 |
- 1) Deze EGW gelden niet voor motoren met minder dan 500 bedrijfsuren per jaar.
- 2) Wanneer momenteel geen selectieve katalytische reductie (SCR) om technische en logistieke redenen kan worden toegepast, bijvoorbeeld op afgelegen eilanden of wanneer de beschikbaarheid van voldoende hoeveelheden hoogwaardige brandstof niet kan worden gewaarborgd, kan een overgangsperiode van 10 jaar na de inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor een Partij worden toegepast voor dieselmotoren en dual-fuelmotoren. Tijdens deze periode gelden de volgende EGW:
- - Dual-fuelmotoren: 1.850 mg/m3 in de modus voor vloeibare brandstoffen; 380 mg/ m3 in de gasmodus;
- - Dieselmotoren – Laag (< 300 rpm) en Gemiddeld (300–1.200 rpm)/toerental: 1.300 mg/m3 voor motoren tussen 5 en 20 MWth en 1.850 mg/m3 voor motoren > 20 MWth;
- - Dieselmotoren – Hoog toerental (> 1.200 rpm): 750 mg/m3.
- 3) Motoren met tussen de 500 en 1.500 bedrijfsuren per jaar kunnen worden vrijgesteld van naleving van deze EGW wanneer primaire maatregelen worden toegepast om de NOx-emissies te beperken en te voldoen aan de EGW in voetnoot b;
- 4) Een Partij kan afwijken van de verplichting de emissiegrenswaarden na te leven bij verbrandingsinstallaties die normaliter gasvormige brandstoffen gebruiken en die als gevolg van een plotselinge onderbreking van de gasvoorziening bij wijze van uitzondering een andere brandstof moeten gebruiken en om die reden zouden moeten worden uitgerust met afgasreinigingsapparatuur. De uitzonderingsperiode duurt ten hoogste 10 dagen, behalve wanneer er een zwaarwegende reden is om de energievoorziening op peil te houden.
**Noot:** Het O2-referentiegehalte is 15%.3)De conversiefactor voor de grenswaarden in dit Protocol (bij een zuurstofgehalte van 5%) is 2,66 (16/6).Derhalve komt de grenswaarde van:–190 mg/m3 bij 15% O2 overeen met 500 mg/m3 bij 5% O2;–95 mg/m3 bij 15% O2 overeen met 250 mg/m3 bij 5% O2;–225 mg/m3 bij 15% O2 overeen met 600 mg/m3 bij 5% O2;
##### 10
Sinterinstallaties voor ijzererts:
| **Type installatie** | **EGW voor NOx (mg/m3)** |
| --- | --- |
| Sinterinstallaties: Nieuwe installatie | 400 |
| Sinterinstallaties: Bestaande installatie | 400 |
1) Productie en bewerking van metalen: installaties voor het roosten of sinteren van metaalerts, installaties voor de productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting, met inbegrip van continugieten met een capaciteit van ten minste 2,5 Mg/uur, installaties voor het bewerken van ferrometalen (warmwalsen > 20 Mg/uur ruw staal).
2) Bij wijze van uitzondering op het derde lid dienen deze EGW beschouwd te worden als een gemiddelde over een langdurige periode.
##### 11
Productie van salpeterzuur
| **Type installaties** | **EGW voor NOx (mg/m3)** |
| --- | --- |
| Nieuwe installaties | 160 |
| Bestaande installaties | 190 |
### B. **Canada**
##### 12
Grenswaarden voor het beheersen van NOx emissies voor stationaire bronnen worden bepaald rekening houdend, al naargelang van toepassing, met informatie inzake beschikbare beheersingstechnologieën, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden en de volgende documenten:
- a. New Source Emission Guidelines for Thermal Electricity Generation;
- b. National Emission Guidelines for Stationary Combustion Turbines. PN1072;
- c. National Emission Guidelines for Cement Kilns. PN1284;
- d. National Emission Guidelines for Industrial/Commercial Boilers and Heaters. PN1286;
- e. Operating and Emission Guidelines for Municipal Solid Waste Incinerators. PN1085.
- f. Management Plan for Nitrogen Oxides (NOx) and Volatile Organic Compounds (VOCs) – Phase I. PN1066; en
- g. Operating and Emission Guidelines for Municipal Solid Waste Incinerators. PN1085.
##### 13
Grenswaarden voor het beheersen van NOx uit stationaire bronnen in de volgende categorie stationaire bronnen en de bronnen waarop deze van toepassing zijn, worden omschreven in de volgende documenten:
- a. Coal-fired Utility Units – 40 Code of Federal Regulations (C.F.R.) deel 76;
- b. Electric Utility Steam Generating Units – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf D en paragraaf Da;
- c. Industrial-Commercial-Institutional Steam Generating Units – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Db;
- d. Nitric Acid Plants – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf G;
- e. Stationary Gas Turbines – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf GG;
- f. Municipal Waste Combustors – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Ea en paragraaf Eb;
- g. Hospital/Medical/Infectious Waste Incinerators – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Ec;
- h. Petroleum Refineries – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf J en paragraaf Ja;
- i. Stationary Internal Combustion Engines – Spark Ignition, 40 C.F.R. deel 60, paragraaf JJJJ;
- j. Stationary Internal Combustion Engines – Compression Ignition, 40 C.F.R. deel 60, paragraaf IIII;
- k. Stationary Combustion Turbines – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf KKKK;
- l. Small Municipal Waste Combustors – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf AAAA;
- m. Portland Cement –40 C.F.R. deel 60, paragraaf F;
- n. Commercial and Industrial Solid Waste Combustors – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf CCCC; en
- o. Other Solid Waste Combustors – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf EEEE.
##### 1
Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.
### A. **Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika**
##### 2
Deze afdeling van onderhavige bijlage heeft betrekking op de stationaire bronnen van VOS-emissies vermeld in de onderstaande paragrafen 8 tot en met 22. Installaties of delen van installaties voor het onderzoeken, ontwikkelen en testen van nieuwe producten en processen vallen hier niet onder.
Drempelwaarden zijn vermeld in onderstaande sectorspecifieke tabellen. Doorgaans verwijzen zij naar het oplosmiddelenverbruik of de emissiemassastroom. Wanneer één exploitant met dezelfde installatie op dezelfde locatie verschillende activiteiten verricht die onder dezelfde onderverdeling vallen, worden het oplosmiddelenverbruik of de emissiemassastroom van die activiteiten bij elkaar opgeteld. Als er geen drempelwaarde vermeld is, geldt de vermelde grenswaarde voor alle betrokken installaties.
##### 3
Voor de toepassing van afdeling A van deze bijlage wordt verstaan onder:
- a. „opslag en distributie van benzine”: het laden van vrachtwagens, spoorwagons, binnenvaartschepen en zeeschepen bij depots en expeditiepunten van raffinaderijen van minerale olie, met inbegrip van het bijtanken van voertuigen bij benzinestations;
- b. „aanbrengen van lijmlagen”: elke activiteit waarbij een kleefstof op een oppervlak wordt aangebracht, met uitzondering van het aanbrengen van lijmlagen en lamineren in verband met drukactiviteiten en het lamineren van hout en kunststof;
- c. „lamineren van hout en kunststof”: elke activiteit om hout en/of kunststof samen te hechten om gelamineerde producten te vervaardigen;
- d. „coatingactiviteit”: elke activiteit waarbij één of meer ononderbroken lagen van een coating worden aangebracht op: Hieronder valt niet het coaten van substraten met metalen door middel van elektroforese of chemische spuittechnieken. Indien de coatingactiviteit een fase omvat waarin hetzelfde artikel wordt gedrukt, dan wordt die drukfase beschouwd als onderdeel van de coatingactiviteit. Als afzonderlijke activiteit uitgevoerde drukactiviteiten behoren hier echter niet toe. In deze omschrijving zijn:
- i. nieuwe voertuigen, gedefinieerd als voertuigen van categorie M1 en van categorie N1 voor zover de coating in dezelfde installatie als M1-voertuigen wordt aangebracht;
- ii. vrachtwagencabines, gedefinieerd als de behuizing voor de chauffeur, en alle geïntegreerde behuizing voor de technische apparatuur van voertuigen van de categorieën N2 en N3;
- iii. bestelwagens en vrachtwagens, gedefinieerd als voertuigen van de categorieën N1, N2 en N3, maar met uitzondering van vrachtwagencabines;
- iv. bussen, gedefinieerd als voertuigen van de categorieën M2 en M3;
- v. overige metalen en kunststof oppervlakken met inbegrip van die van vliegtuigen, schepen, treinen enz.;
- vi. houten oppervlakken;
- vii. textiel, stof, film en papieren oppervlakken; en
- viii. leder;
- –. M1-voertuigen: voertuigen bestemd voor het vervoer van personen, met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend;
- –. M2-voertuigen: voertuigen bestemd voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximummassa van ten hoogste 5 ton;
- –. M3-voertuigen: voertuigen bestemd voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximummassa van meer dan 5 ton;
- –. N1-voertuigen: voor het vervoer van goederen bestemde voertuigen met een maximummassa van ten hoogste 3,5 ton;
- –. N2-voertuigen: voor het vervoer van goederen bestemde voertuigen met een maximummassa van meer dan 3,5 ton doch niet meer dan 12 ton;
- –. N3-voertuigen: voor het vervoer van goederen bestemde voertuigen met een maximummassa van meer dan 12 ton;
- e. „bandlakken”: elke activiteit waarbij band van staal, roestvrij staal, bekleed staal, koperlegeringen of aluminiumband in een ononderbroken proces wordt bekleed met een filmvormende of laminaatcoating;
- f. „chemisch reinigen”: de industriële of commerciële activiteit waarbij VOS worden gebruikt in een installatie voor het reinigen van kleding, meubelstoffen en soortgelijke consumptiegoederen, met uitzondering van het handmatig verwijderen van vlekken in de textiel- en kledingindustrie;
- g. „vervaardigen van coatings, lak, inkt en kleefstoffen”: de vervaardiging van coatingpreparaten, lak, inkt en kleefstoffen, en, wanneer dit in dezelfde installatie gebeurt, van halffabricaten door het mengen van pigmenten, hars en kleefstoffen met organische oplosmiddelen of andere draagstoffen. Deze categorie omvat tevens het dispergeren, predispergeren, het aanpassen van de viscositeit en de kleur en de bewerkingen om de verpakking te vullen met het eindproduct;
- h. „drukken”: elke activiteit waarbij tekst en/of afbeeldingen worden gereproduceerd door met behulp van een beelddrager inkt op een oppervlak aan te brengen. Dit is van toepassing op de volgende subactiviteiten:
- i. flexografie: een drukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een beelddrager van rubber of elastische fotopolymeren, waarop de drukkende delen zich boven de niet-drukkende delen bevinden, met gebruikmaking van vloeibare inkt die door verdamping droogt;
- ii. heat-set rotatie-offset: een rotatiedrukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een beelddrager waarop de drukkende delen en de niet-drukkende delen in hetzelfde vlak liggen, waarbij rotatie inhoudt dat het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen maar van een rol in de machine wordt gevoerd. Het niet-drukkende deel wordt zodanig behandeld dat het water aantrekt en derhalve de inkt afstoot. Het drukkende deel wordt zodanig behandeld dat het inkt opneemt en overbrengt op het te bedrukken oppervlak. De verdamping vindt plaats in een oven, waar het bedrukte materiaal met hete lucht wordt verhit;
- iii. illustratierotatiediepdruk: rotatiediepdruk waarbij papier voor tijdschriften, brochures, catalogi of soortgelijke producten met inkt op basis van tolueen wordt bedrukt;
- iv. rotatiediepdruk: een drukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een cilindrische beelddrager, waarop de drukkende delen lager liggen dan de niet-drukkende delen, en van vloeibare inkt die door verdamping droogt. De napjes worden met inkt gevuld en het overschot wordt van de niet-drukkende delen verwijderd voordat het te bedrukken oppervlak contact met de cilinder maakt en de inkt uit de napjes trekt;
- v. rotatiezeefdruk: een rotatiedrukprocédé waarbij de inkt door een poreuze beelddrager wordt geperst, waarbij de drukkende delen open zijn en het niet-drukkende deel wordt afgedekt, en zo op het te bedrukken oppervlak wordt gebracht en gebruik wordt gemaakt van vloeibare inkt die uitsluitend door verdamping droogt. Bij een rotatiedrukprocédé wordt het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen maar van een rol in de machine gebracht;
- vi. lamineren bij een drukprocédé: de samenhechting van twee of meer flexibele materialen tot een laminaat; en
- vii. vernissen: een activiteit waarbij een lak- of lijmlaag op een flexibel materiaal wordt aangebracht om later het verpakkingsmateriaal af te sluiten;
- i. „vervaardigen van farmaceutische producten”: chemische synthese, fermentatie, extractie, formuleren en afwerken van farmaceutische producten en, wanneer dit op dezelfde plek wordt uitgevoerd, het vervaardigen van halffabricaten;
- j. „bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber”: elke activiteit met betrekking tot het mengen, malen, vermengen, kalanderen, extruderen en vulkaniseren van natuurlijk of synthetisch rubber en alle nevenbewerkingen om natuurlijk of synthetisch rubber te bewerken tot eindproduct;
- k. „oppervlaktereiniging”: elke activiteit, met uitzondering van chemisch reinigen, waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt om verontreiniging van het oppervlak van materiaal te verwijderen, met inbegrip van ontvetting; een uit meer dan een stap bestaande reinigingsactiviteit bestaande uit meer dan één stap voor of na een andere stap, wordt als één oppervlaktereinigingsactiviteit beschouwd. De activiteit heeft betrekking op het reinigen van het oppervlak van producten en niet op het reinigen van apparatuur;
- l. „standaardomstandigheden”: een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,3 kPa;
- m. „organische verbinding”: een verbinding die ten minste het element koolstof bevat en daarnaast een of meer van de volgende elementen: waterstof, halogenen, zuurstof, zwavel, fosfor, silicium of stikstof, met uitzondering van koolstofoxiden en anorganische carbonaten en bicarbonaten;
- n. „vluchtige organische stof” (VOS): een organische verbinding alsook de fractie creosoot die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer of onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid vertoont;
- o. „organisch oplosmiddel”: iedere VOS die alleen of in combinatie met andere stoffen en zonder een chemische verandering te ondergaan, wordt gebruikt om grondstoffen, producten of afvalmaterialen op te lossen, als schoonmaakmiddel om verontreinigingen op te lossen, als verdunner, als dispergeermiddel, om de viscositeit aan te passen, om de oppervlaktespanning aan te passen, als weekmaker, of als conserveermiddel;
- p. „afgassen”: de uiteindelijke uitstoot in de lucht van gassen met VOS of andere verontreinigende stoffen uit een afgaskanaal of uit nabehandelingsapparatuur in de lucht. Het debiet van afgassen wordt uitgedrukt in m3/h bij standaardomstandigheden;
- q. „extractie van plantaardige oliën en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën”: de extractie van plantaardige oliën uit zaden en ander plantaardig materiaal, het verwerken van droge residuen ter vervaardiging van diervoeder en de zuivering van vetten en plantaardige olie uit zaden, plantaardig materiaal en/of dierlijk materiaal;
- r. „overspuiten van voertuigen”: elk industriële of commerciële activiteit en daarmee verband houdende ontvettingsactiviteiten, waaronder:
- i. het aanbrengen van de oorspronkelijke laklaag op wegvoertuigen of een deel daarvan, met voor het overspuiten gebruikelijke lakken op een andere plaats dan de oorspronkelijke fabricagelijn, of het aanbrengen van een laklaag op aanhangwagens (met inbegrip van opleggers);
- ii. het aanbrengen van een laklaag op wegvoertuigen, of een deel daarvan, uitgevoerd als onderdeel van de reparatie, de bescherming of decoratie van voertuigen buiten de fabriek, valt niet onder deze bijlage. De producten die als onderdeel van deze activiteit worden gebruikt, komen in bijlage XI aan bod;
- s. „impregneren van hout”: elke activiteit waarbij een houtverduurzamingsmiddel in het hout wordt gebracht;
- t. „coating van wikkeldraad”: elke coatingsactiviteit van metalen geleiders die worden gebruikt om spoelen voor transformatoren, motoren enz. mee te wikkelen;
- u. „diffuse emissie”: elke emissie, niet in afgassen, van VOS in de lucht, bodem of het water alsmede, tenzij anders vermeld, oplosmiddelen die deel uitmaken van een product; dit omvat niet-opgevangen emissies van VOS die naar de buitenlucht worden afgevoerd via ramen, deuren, luchtafvoerkanalen en soortgelijke openingen. Diffuse emissies worden berekend op basis van een oplosmiddelenboekhouding (zie aanhangsel I bij deze bijlage);
- v. „totale emissie van VOS”: de som van de diffuse emissie van VOS en de emissie van VOS in afgassen;
- w. „input”: de hoeveelheid organische oplosmiddelen en de hoeveelheid daarvan in mengsels die tijdens de uitvoering van een proces worden gebruikt, met inbegrip van de binnen en buiten de installatie gerecyclede oplosmiddelen, die telkens worden meegerekend wanneer zij worden gebruikt om de activiteit uit te voeren;
- x. „emissiegrenswaarde (EGW)”: de maximumhoeveelheid VOS (uitgezonderd methaan) die wordt uitgestoten uit een installatie die gedurende normale werking niet mag worden overschreden. Voor afgassen wordt zij uitgedrukt in termen van massa VOS per volume van de afgassen (uitgedrukt in mg C/m3 tenzij anders aangegeven), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas. Gasvolumes die worden toegevoegd om de afgassen te koelen of te verdunnen worden niet meegeteld bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas. Emissiegrenswaarden voor afgassen worden aangeduid met EGWc; emissiegrenswaarden voor diffuse emissies worden aangeduid met EGWf;
- y. „normale werking”: alle perioden van werking met uitzondering van het in gebruik nemen, het buiten gebruik stellen en het onderhouden van apparatuur;
- z. „stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid” zijn onderverdeeld in twee categorieën:
- i. gehalogeneerde VOS met het mogelijke risico van onomkeerbare gevolgen; of
- ii. gevaarlijke stoffen die carcinogenen of mutagenen zijn of die toxisch zijn voor de voortplanting of die kanker of erfelijke genetische schade kunnen veroorzaken, door inhaleren kanker kunnen veroorzaken, de vruchtbaarheid kunnen aantasten of schade kunnen toebrengen aan het ongeboren kind;
- aa. „fabricage van schoeisel”: elke activiteit met betrekking tot de fabricage van volledig schoeisel of delen daarvan;
- bb. „verbruik van oplosmiddelen”: de totale input van organische oplosmiddelen per kalenderjaar of een andere periode van twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele VOS die voor hergebruik worden teruggewonnen;
##### 4
Aan de volgende vereisten dient te worden voldaan:
- a. Emissies worden in alle gevallen gemonitord door metingen of door berekeningen4)Berekeningsmethoden worden weerspiegeld in een door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijn. waarbij ten minste dezelfde nauwkeurigheid wordt bereikt. Naleving van de EGW wordt geverifieerd door ononderbroken of onderbroken metingen, typegoedkeuring of elke andere technisch betrouwbare methode. Bij emissies van afgassen worden bij ononderbroken metingen de EGW nageleefd indien het gevalideerde dagelijks gemiddelde van de emissie de EGW niet overschrijdt. Bij onderbroken metingen of andere passende methoden voor vaststelling, worden de EGW nageleefd wanneer het gemiddelde van alle meetresultaten of andere procedures bij een monitoringsoperatie de grenswaarden niet overschrijdt. Er kan voor verificatiedoeleinden rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheid van de meetmethoden. De diffuse en totale EGW worden als jaarlijkse gemiddelden toegepast;
- b. De concentraties aan luchtverontreinigende stoffen in gasvoerende kanalen worden op een representatieve wijze gemeten. Monitoring van de relevante verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters en ook van de kwaliteitsborging van geautomatiseerde systemen en de referentiemetingen om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd in overeenstemming met de CEN-normen. Indien CEN-normen ontbreken, zijn ISO-, nationale of internationale normen van toepassing die waarborgen dat gegevens opgeleverd worden van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit.
##### 5
De volgende EGW zijn van toepassing op afgassen die stoffen bevatten die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid:
- a. 20 mg/m3 (uitgedrukt als de massasom van afzonderlijke verbindingen) voor uitstoot van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen, die de volgende risicoaanduidingen dragen: „wordt ervan verdacht kanker te veroorzaken” en/of „wordt ervan verdacht genetische schade te veroorzaken”, wanneer de massastroom van de som van de betrokken verbindingen groter is dan of gelijk is aan 100 g/h; en
- b. 2 mg/m3 (uitgedrukt als de massasom van afzonderlijke verbindingen) voor uitstoot van VOS, die de volgende risicoaanduidingen dragen: „kan kanker veroorzaken”, „kan erfelijke genetische schade veroorzaken”, „kan kanker veroorzaken bij inademing”, “kan de vruchtbaarheid schaden”, „kan het ongeboren kind schaden”, wanneer de massastroom van de som van de betrokken verbindingen groter is dan of gelijk is aan 10 g/u.
##### 6
Wanneer bij de in de paragrafen 9 tot en met 22 vermelde categorieën bronnen wordt aangetoond dat de diffuse-emissiegrenswaarde (EGWf) technisch en economisch niet haalbaar is voor een afzonderlijke installatie, kan een Partij voor die installatie ontheffing verlenen op voorwaarde dat er geen aanmerkelijke risico’s voor de menselijke gezondheid of het milieu zijn te verwachten en dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare technieken.
##### 7
De grenswaarden voor VOS-emissies voor de categorieën van bronnen die in paragraaf 3 staan omschreven zijn zoals aangegeven in de onderstaande paragrafen 8 tot en met 22.
##### 8
Opslag en distributie van benzine:
- a. Opslaginstallaties voor benzine bij terminals, die boven de in tabel 1 genoemde grenswaarden uitkomen, dienen ofwel:
- i. tanks met een vast dak te zijn, verbonden met een dampterugwinningseenheid die voldoet aan de in tabel 1 vervatte EGW; ofwel
- ii. ontworpen te zijn met hetzij een uitwendig, hetzij een inwendig drijvend dak, dat is voorzien van primaire en secundaire afdichtingen die voldoen aan de in tabel 1 vervatte reductie-efficiency.
- b. In afwijking van de bovengenoemde vereisten dienen tanks met een vast dak die vóór 1 januari 1996 in bedrijf waren en die niet zijn aangesloten op een dampterugwinningseenheid te zijn voorzien van een primaire afdichting met een reductie-efficiency van 90%.
| **Activiteit** | **Drempelwaarde** | **EGW of reductie-efficiency** |
| --- | --- | --- |
| Laden en lossen van mobiele containers bij terminals | jaarlijks debiet 5.000 m3 benzine | 10g VOS/m3 met inbegrip van methaan1) |
| | | |
| Opslaginstallaties bij terminals | Bestaande terminals of tankparken met een jaarlijks debiet van 10.000 Mg per jaar of meer. Nieuwe terminals (zonder grenswaarden, uitgezonderd terminals op kleine afgelegen eilanden met een debiet van minder dan 5.000 Mg per jaar). | 95 wt-%2) |
| | | |
| Benzinestations | Debiet meer dan 100 m3 benzine per jaar | 0.01wt-% van het debiet3) |
- 1) De damp die door het vullen van benzineopslagtanks wordt verdrongen, dient te worden afgevoerd naar andere opslagtanks of naar nabehandelingsapparatuur die voldoet aan de grenswaarden in bovenstaande tabel.
- 2) Reductie-efficiency uitgedrukt in een % vergeleken met een vergelijkbare tank met een vast dak zonder dampbeheersingsvoorzieningen, d.w.z. een tank met vast dak en alleen een vacuüm/overdrukklep.
- 3) De dampen die worden verplaatst door het vullen van opslaginstallaties van benzinestations met benzine en in tanks met vast dak voor voorlopige dampopslag, dienen via een dampdichte leiding te worden teruggevoerd naar de mobiele tank van waaruit de benzine wordt geleverd. Vulwerkzaamheden mogen alleen plaatsvinden als deze voorzieningen aanwezig zijn en naar behoren werken. Onder deze voorwaarden is aanvullende monitoring van de naleving van de grenswaarde niet verplicht.
| **Drempelwaarden** | **Minimaal dampafvangrendement wt- %1)** |
| --- | --- |
| Nieuw benzinestation indien het feitelijke of voorziene debiet meer dan 500 m3 per jaar bedraagt Bestaand benzinestation indien het feitelijke of voorziene debiet vanaf 2019 meer dan 3.000 m3 per jaar bedraagt, | Gelijk aan of meer dan 85% wt-% met een damp/benzineverhouding gelijk aan of hoger dan 0,95 maar kleiner dan of gelijk aan 1,05 (v/v). |
| Bestaand benzinestation indien het feitelijke of voorziene debiet meer dan 500 m3 per jaar bedraagt en het benzinestation uitgebreid wordt gerenoveerd | |
- 1) Het afvangrendement van de systemen dient te worden gecertificeerd door de producent in overeenstemming met de relevante technische normen of typegoedkeuringsprocedures.
##### 9
Aanbrengen van lijmlagen:
| **Activiteit en grenswaarde** | **EMG voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)** |
| --- | --- |
| Vervaardiging van schoeisel (oplosmiddelenverbruik > 5 Mg/jaar) | 251) g VOS/paar schoenen |
| | |
| Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik 5–15 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg2) C/m3 |
| Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik 5–15 Mg/jaar) | EGWf = 25 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput |
| | **Of totale EGW van 1,2 kg of minder VOS/kg input vaste stoffen** |
| | |
| Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg2) C/m3 |
| Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar) | EGWf = 20 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput |
| | **Of totale EGW van 1 kg of minder VOS/kg input vaste stoffen** |
| | |
| Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg3) C/m3 |
| Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) | EGWf = 15 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput |
| | **Of totale EGW van 0,8 kg of minder VOS/kg input vaste stoffen** |
- 1) Totale EGW worden uitgedrukt in grammen oplosmiddel die worden uitgestoten per paar schoenen dat wordt geproduceerd.
- 2) Indien technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/m3.
- 3) Indien technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 100 mg C/m3.
##### 10
Lamineren van hout en kunststof:
| **Activiteit en grenswaarde** | **EGW voor VOS (per jaar)** |
| --- | --- |
| Lamineren van hout en plastic (oplosmiddelenverbruik >5 Mg/jaar) | Totale EGW voor 30 g VOS/m2 eindproduct |
##### 11
Coatingactiviteiten (Voertuigcoating-industrie)
| **Activiteit en grenswaarde** | **EGW voor VOS1) (jaarlijks voor totale EGW)** |
| --- | --- |
| Productie van auto’s (M1, M2) (oplosmiddelen- verbruik > 15 Mg/jaar en ≤ 5.000 gecoate items per jaar of > 3.500 gebouwde chassis) | 90 g VOS/m2 of 1,5 kg/carrosserie + 70 g/m2 |
| | |
| Productie van auto’s (M1, M2) (oplosmiddelen- verbruik 15–200 Mg/jaar en > 5.000 gecoate items per jaar | **Bestaande installaties**: 60g VOS/m2 of 1,9 kg/carrosserie + 41 g/m2 **Nieuwe installaties**: 45 g VOS/m2 of 1,3 kg/carrosserie + 33 g/m2 |
| | |
| Productie van auto's (M1, M2) (oplosmiddelen-verbruik >200 Mg/jaar en > 5.000 gecoate items per jaar) | 35 g VOS/m2 of 1 kg/carrosserie + 26 g/m22) |
| | |
| Productie van vrachtwagencabines (N1, N2, N3) (oplosmiddelenverbruik >15 Mg/jaar en ≤ 5.000 gecoate items per jaar) | **Bestaande installaties**: 85 g VOS/m2 **Nieuwe installaties**: 65 g VOS/m2 |
| | |
| Productie van vrachtwagencabines (N1, N2, N3) (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar en > 5.000 gecoate items per jaar) | **Bestaande installaties**: 75 g VOS/m2 **Nieuwe installaties**: 55 g VOS/m2 |
| | |
| Productie van vrachtwagencabines (N1, N2, N3) (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar en > 5.000 gecoate items per jaar) | 55 g VOS/m2 |
| | |
| Productie van vrachtwagens en bestelwagens (oplosmiddelenverbruik >15 Mg/jaar en ≤ 2.500 gecoate items per jaar) | **Bestaande installaties**: 120 g VOS/m2 **Nieuwe installaties**: 90 g VOS/m2 |
| | |
| Productie van vrachtwagens en bestelwagens (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar en > 2.500 gecoate items per jaar) | **Bestaande installaties**: 90 g VOS/m2 **Nieuwe installaties**: 70 g VOS/m2 |
| | |
| Productie van vrachtwagens en bestelwagens (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar en > 2.500 gecoate items per jaar) | 50 g VOS/m2 |
| | |
| Productie van bussen (oplosmiddelenverbruik > 15 Mg/jaar en ≤ 2000 gecoate items per jaar) | **Bestaande installaties: 290 g VOS/m2** **Nieuwe installaties: 210 g VOS/m2** |
| | |
| Productie van bussen (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar en > 2000 gecoate items per jaar) | **Bestaande installaties: 225 g VOS/m2** **Nieuwe installaties: 150 g VOS/m2** |
| | |
| Productie van bussen (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar en > 2000 gecoate items per jaar) | 150 g VOS/m2 |
- 1) De totale grenswaarden zijn uitgedrukt in emissie van massa organisch oplosmiddel (g) in verhouding tot de oppervlakte van het product (m2). De oppervlakte van het product is omschreven als de oppervlakte berekend uitgaande van het totale elektroforetische coatingoppervlak en de oppervlakte van onderdelen die kunnen worden toegevoegd in opeenvolgende fases van het lakprocédé en die met dezelfde coatings gelakt worden. De oppervlakte van het elektroforetische coatingoppervlak wordt berekend aan de hand van de formule: (2 x het totale gewicht van het omhulsel)/(gemiddelde dikte van de metaalplaat x dichtheid van de metaalplaat). De totale EGW in bovenstaande tabel hebben betrekking op alle procesfasen die in dezelfde installatie worden uitgevoerd vanaf elektroforetische coating of een ander soort coatingsproces tot en met het uiteindelijke in de was zetten en polijsten van de toplaag, alsmede de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als buiten de productiefase.
- 2) Voor bestaande installaties kan het bereiken van deze niveaus, effecten op alle milieucompartimenten, hoge kapitaalkosten en lange terugverdientijden met zich meebrengen. Om belangrijke stappen te kunnen zetten bij het verminderen van VOS-emissies dienen het soort verfsysteem en/of het verfapplicatiesysteem en/of het droogsysteem vervangen te worden. Hiervoor is meestal of een nieuwe installatie of een complete renovatie van de spuiterij nodig hetgeen een forse kapitaalinvestering vereist.
##### 12
Coatingactiviteiten (coaten van metaal, textiel, stof, film, kunststof, papier en houten oppervlakken)
| **Activiteit en grenswaarde** | **EMG voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)** |
| --- | --- |
| Coaten van hout (oplosmiddelen-verbruik 15–25 Mg/jaar) | EGWc = 1001) mg C/m3 EGWf = 25 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of totale EGW van 1,6 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof** |
| | |
| Coaten van hout (oplosmiddelen-verbruik 25–200 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten EGWf = 20 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of totale EGW van 1 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof** |
| | |
| Coaten van hout (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten EGWf = 15 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of totale EGW van 0,75 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof** |
| | |
| Coaten van metaal en kunststoffen (oplosmiddelenverbruik 5–15 Mg/jaar) | EGWc = 1001), 2) mg C/m3 EGWf = 252) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of** totale EGW van 0,6 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
| | |
| Overige coatings, waaronder textiel, stof, film en papier (uitgezonderd rotatiezeefdruk op textiel, zie drukken) (oplosmiddelenverbruik 5–15 Mg/jaar) | EGWc = 1001), 2) mg C/m3 EGWf = 252) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of** totale EGW van 1,6 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
| | |
| Het coaten van textiel, stof, film en papier (uitgezonderd rotatiezeefdruk op textiel, zie drukken) (oplosmiddelenverbruik > 15 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2), 3) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of** totale EGW van 1 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
| | |
| Coaten van werkstukken van kunststof (oplosmiddelenverbruik 15 – 200 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of** totale EGW van 0,375 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
| | |
| Coaten van werkstukken van kunststof (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of** totale EGW van 0,35 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
| | |
| Coaten van metalen oppervlakken (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of** totale EGW van 0,375 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
| | Uitzondering voor coatings die in aanraking komen met voedsel: Totale EGW van 0,5825 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
| | |
| Coaten van metalen oppervlakken (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of** totale EGW van 0,33 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
| | Uitzondering voor coatings die in aanraking komen met voedsel: Totale EGW van 0,5825 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
- 1) De grenswaarde is van toepassing op procédés voor het aanbrengen en drogen van coating in een gesloten systeem.
- 2) Indien het niet mogelijk is het coaten te laten plaatsvinden in een gesloten systeem (scheepsbouw, coaten van vliegtuigen enz.), kan voor installaties vrijstelling van deze waarden worden verleend. Dan dient het reductieprogramma te worden gevolgd, tenzij deze optie technisch en economisch niet haalbaar is. In dat geval moet gebruik worden gemaakt van de beste beschikbare techniek.
- 3) Indien voor het coaten van textiel technieken worden toegepast waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/m3 voor het drogen en coaten tezamen.
##### 13
Coating-activiteiten (coaten van leer en wikkeldraad)
| **Activiteit en grenswaarde** | **EGW voor VOS (jaarlijks voor totale EGW)** |
| --- | --- |
| Coaten van leer voor meubelen en bepaalde lederen goederen die worden gebruikt als kleine consumptiegoederen zoals tassen, riemen, portefeuilles enz. (oplosmiddelenverbruik > 10 Mg/jaar) | Totale EGW van 150 g/m2 |
| | |
| Coaten van overig leer (oplosmiddelenverbruik 10–25 Mg/jaar) | Totale EGW van 85 g/m2 |
| | |
| Coaten van overig leer (oplosmiddelenverbruik > 25 Mg/jaar) | Totale EGW van 75 g/m2 |
| | |
| Coaten van wikkeldraad (oplosmiddelen-verbruik > 5 Mg/jaar) | Totale EGW van 10g/kg geldt voor installaties met een gemiddelde draaddiameter van ≤ 0,1 mm |
| | |
| | Totale EGW van 5 g/kg geldt voor alle overige installaties |
##### 14
Coating-activiteiten (bandlakken):
| **Activiteit en grenswaarde** | **EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)** |
| --- | --- |
| Bestaande installatie (oplosmiddelen-verbruik 25–200 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg1) C/m3 EGWf = 10 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of totale EGW van 0,45 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof** |
| | |
| Bestaande installatie (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg1) C/m3 EGWf = 10 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of totale EGW van 0,45 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof** |
| | |
| Nieuwe installatie (oplosmiddelenverbruik 25–200 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg C/m31) EGWf = 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of totale EGW van 0,3 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof** |
| | |
| Nieuwe installatie (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) | EGWc = 50 mg1) C/m3 EGWf = 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of totale EGW van 0,3 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof** |
- 1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/m3.
##### 15
Chemisch reinigen:
| **Activiteit** | **EGW voor VOS1),2) (jaarlijks voor totale EGW)** |
| --- | --- |
| Nieuwe en bestaande installaties | Totale EGW van 20 g VOS/kg |
- 1) Grenswaarde voor totale VOS-emissies, berekend als massa van uitgestoten oplosmiddel per massa gereinigd en gedroogd product.
- 2) Dit emissieniveau kan worden bereikt door ten minste een machine van het type IV of een nog efficiënter type te gebruiken.
##### 16
Vervaardiging van coatings, lak, inkt en kleefstoffen:
| **Activiteit en grenswaarde** | **EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)** |
| --- | --- |
| Nieuwe en bestaande installaties met een oplosmiddelenverbruik tussen 100 en 1.000 Mg/jaar | EGWc = 150 mg C/m3 EGWf1) = 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of totale EGW van 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput** |
| | |
| Nieuwe en bestaande installaties met een oplosmiddelenverbruik > 1.000 Mg/jaar | EGWc = 150 mg C/m3 EGWf1) = 3 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of totale EGW van 3 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput** |
- 1) De diffuse grenswaarde betreft geen oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een preparaat in een gesloten verpakking.
##### 17
Drukactiviteiten (flexografie, heat-set rotatie-offset, illustratierotatiediepdruk, enz.):
| **Activiteit en grenswaarde** | **EMG voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)** |
| --- | --- |
| Heat-set-offset (oplosmiddelen-verbruik 15–25 Mg/jaar) | EGWc = 100 mg C/m3 EGWf = 30 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput1) |
| | |
| Heat-set-offset (oplosmiddelen-verbruik 25–200 Mg/jaar) | Nieuwe en bestaande installaties EGWc = 20 mg C/m3 EGWf = 30 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput1) |
| | |
| Heat-set-offset (oplosmiddelen-verbruik > 200 Mg/jaar) | Nieuwe en verbeterde persen Totale EGW = 10 wt-% of minder van het inktverbruik1) Voor bestaande persen Totale EGW = 15 wt-% of minder van het inktverbruik1) |
| | |
| Illustratiedruk (oplosmiddelen-verbruik 25–200 Mg/jaar) | Nieuwe installaties EGWc = 75 mg C/m3 EGWf = 10 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of** totale EGW van 0,6 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
| | |
| | Voor bestaande installaties EGWc = 75 mg C/m3 EGWf = 15 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of** totale EGW van 0,8 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
| | |
| Illustratiedruk (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) | Voor nieuwe installaties Totale EGW = 5 wt-% of minder van het oplosmiddelenverbruik |
| | Voor bestaande installaties Totale EGW = 7 wt-% of minder van het oplosmiddelenverbruik |
| | |
| verpakkingsdiepdruk en flexografie (oplosmiddelenverbruik 15–25 Mg/jaar) | EGWc = 100 mg C/m3 EGWf = 25 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of** totale EGW van 1,2 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
| | |
| verpakkingsdiepdruk en flexografie (oplosmiddelenverbruik 25–200 Mg/jaar) en rotatiezeefdruk (oplosmiddelenverbruik > 30 Mg/jaar) | EGWc = 100 mg C/m3 EGWf = 20 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput **Of** totale EGW van 1,0 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof |
| | |
| verpakkingsdiepdruk en flexografie (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) | **Voor installaties waarin alle machines op oxidatie zijn aangesloten** Totale EGW = 0,5 kg VOS/kg input vaste stof **Voor installaties waarin alle machines op koolstofadsorptie zijn aangesloten** Totale EGW = 0,6 kg VOS/kg input vaste stof **Voor bestaande gecombineerde installaties waarbij sommige bestaande machines wellicht niet zijn aangesloten op een verbrander of terugwinning van oplosmiddelen:** |
| | Emissies van machines die zijn aangesloten op oxidatie-apparaten of koolstofadsorptie zijn lager dan de emissiegrenzen van respectievelijk 0,5 of 0,6 kg VOS/kg input van vaste stoffen **Voor machines die niet zijn aangesloten op gaswassers**: gebruik van producten die weinig of geen oplosmiddelen bevatten, aansluiting op een afgasbehandelingssysteem wanneer er overcapaciteit is en, bij voorkeur, werkzaamheden waarbij veel oplosmiddelen worden gebruikt uitvoeren op machines die op een afgasbehandelingssysteem zijn aangesloten. Totale emissies minder dan 1,0 kg VOS/kg input vaste stof |
- 1) Een residu van oplosmiddel in eindproducten wordt niet beschouwd als onderdeel van de diffuse emissie.
##### 18
Vervaardigen van farmaceutische producten:
| **Activiteit en grenswaarde** | **EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)** |
| --- | --- |
| Nieuwe installaties (oplosmiddelenverbruik > 50 Mg/jaar) | EGWc = 20 mg C/m31) ,2) EGWf = 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput2) |
| Bestaande installaties (oplosmiddelenverbruik > 50 Mg/jaar) | EGWc = 20 mg C/ m3 1),3) EGWf = 15 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput3) |
- 1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/m3.
- 2) Een totale grenswaarde van 5% van de oplosmiddeleninput kan worden toegepast in plaats van de EGWc en EGWf.
- 3) Een totale grenswaarde van 15% van de oplosmiddeleninput kan worden toegepast in plaats van de EGWc en EGWf.
##### 19
Bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber:
| **Activiteit en grenswaarde** | **EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)** |
| --- | --- |
| Nieuwe en bestaande installaties: bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber (oplosmiddelenverbruik > 15 Mg/jaar) | EGWc = 20 mg C/m3 1) EGWf = 25 wt-% van oplosmiddeleninput2) Of totale EGW = 25 wt-% van oplosmiddeleninput |
- 1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/m3.
- 2) De grenswaarde voor diffuse emissies betreft geen oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een preparaat in een gesloten verpakking.
### B. **Canada**
### C. **Verenigde Staten van Amerika**
##### 1
De tijdschema’s voor de toepassing van de grenswaarden als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, zijn:
- a. voor nieuwe stationaire bronnen, een jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie; en
- b. voor bestaande stationaire bronnen, een jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie of 31 december 2020, afhankelijk van welke datum later valt.
##### 2
De tijdschema’s voor de toepassing van de grenswaarden voor brandstoffen en nieuwe mobiele bronnen als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, is de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie of de data die in verband staan met de maatregelen nader omschreven in bijlage VIII, afhankelijk van welke datum later valt.
##### 3
De tijdschema’s voor de toepassing van de grenswaarden voor VOS in de in artikel 3, zevende lid, bedoelde producten, zijn één jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie.
##### 4
Niettegenstaande het eerste, tweede en derde lid, maar met inachtneming van het vijfde lid, kan een Partij bij het Verdrag die tussen 1 januari 2013 en 31 december 2019 Partij wordt bij het onderhavige Protocol, bij bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot het onderhavige Protocol verklaren dat zij een of alle tijdschema's voor de toepassing van de in artikel 3, tweede, derde, vijfde en zevende lid bedoelde grenswaarden op de volgende wijze wil verlengen:
- a. voor bestaande stationaire bronnen, met maximaal vijftien jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie;
- b. voor brandstoffen en nieuwe stationaire bronnen, met maximaal vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie; en
- c. voor VOS in producten, met maximaal vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie.
##### 1
Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.
##### 2
De bijlage bevat grenswaarden voor NOx, uitgedrukt als stikstofdioxide-equivalenten (NO2), voor koolwaterstoffen, die voor het merendeel vluchtige organische stoffen zijn, voor kooldioxide (CO) en voor zwevende deeltjes alsmede milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen voor voertuigen.
##### 3
De tijdschema’s voor het toepassen van de grenswaarden in deze bijlage zijn vastgelegd in bijlage VII.
### A. **Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika**
### **Personenauto's en lichte voertuigen**
##### 4
Grenswaarden voor motorvoertuigen met ten minste vier wielen die gebruikt worden voor het vervoer van personen (categorie M) en goederen (categorie N), zijn vermeld in tabel 1.
### **Zware voertuigen**
##### 5
Grenswaarden voor motoren van zware voertuigen zijn vermeld in de tabellen 2 en 3 naargelang van de toepasselijke testprocedures.
### **Niet voor de weg bestemde voertuigen en machines met compressieontsteking (CI) of vonkontsteking (SI)**
##### 6
Grenswaarden voor landbouw- en bosbouwvoertuigen en andere niet voor de weg bestemde voertuigen/motoren zijn vermeld in de tabellen 4 tot en met 6.
##### 7
Grenswaarden voor locomotieven en railvoertuigen zijn vermeld in de tabellen 7 en 8.
##### 8
Grenswaarden voor binnenvaartschepen zijn vermeld in tabel 9.
##### 9
Grenswaarden voor pleziervaartuigen zijn vermeld in tabel 10.
##### 10
Grenswaarden voor motorfietsen en bromfietsen zijn vermeld in de tabellen 11 en 12.
##### 11
Ecologische kwaliteitsspecificaties voor benzine en diesel zijn vermeld in de tabellen 13 en 14.
| | | | | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** | **Grenswaarde1)** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| | | | | **Koolmonoxide** | **Koolmonoxide** | **Totaal koolwaterstoffen (HC)** | **Totaal koolwaterstoffen (HC)** | **NMVOS** | **NMVOS** | **Stikstofoxiden** | **Stikstofoxiden** | **Koolwaterstoffen en stikstofoxiden gecombineerd** | **Koolwaterstoffen en stikstofoxiden gecombineerd** | **Zwevende deeltjes** | **Zwevende deeltjes** | **Aantal deeltjesa (P)** | **Aantal deeltjesa (P)** |
| | | | **Referentiemassa (RW) (kg)** | **L1 (g/km)** | **L1 (g/km)** | **L2 (g/km)** | **L2 (g/km)** | **L3 (g/km)** | **L3 (g/km)** | **L4 (g/km)** | **L4 (g/km)** | **L2 + L4 (g/km)** | **L2 + L4 (g/km)** | **L5 (g/km)** | **L5 (g/km)** | **L6(#/km)** | **L6(#/km)** |
| **Categorie** | **Categorie** | **Klasse, datum toepassing*** | | **Benzine** | **Diesel** | **Benzine** | **Diesel** | **Benzine** | **Diesel** | **Benzine** | **Diesel** | **Benzine** | **Diesel** | **Benzine** | **Diesel** | **Benzine** | **Diesel** |
| | M2) | 1,1. 2014 | Alle | 1,0 | 0,50 | 0,10 | – | 0,068 | – | 0,06 | 0,18 | – | 0,23 | 0,0050 | 0,0050 | – | 6.0x10 |
| | N13) | I, 1.1.2014 | RW 1 305 | 1,0 | 0,50 | 0,10 | – | 0,068 | – | 0,06 | 0,18 | – | 0,23 | 0,0050 | 0,0050 | – | 6.0x1011 |
| | | | | | | | | | | | | | | | | | |
| | | II, 1.1.2014 | 1 305 < RW≤ 1 760 | 1,81 | 0,63 | 0,13 | – | 0,090 | – | 0,075 | 0,235 | – | 0,295 | 0,0050 | 0,0050 | – | 6.0x1011 |
| | | | | | | | | | | | | | | | | | |
| Euro 5 | | III, 1.1.2014 | 1 760 < RW | 2,27 | 0,74 | 0,16 | – | 0,108 | – | 0,082 | 0,28 | – | 0,35 | 0,0050 | 0,0050 | – | 6.0x1011 |
| | | | | | | | | | | | | | | | | | |
| | N2 | 1.1.2014 | | 2,27 | 0,74 | 0,16 | – | 0,108 | – | 0,082 | 0,28 | – | 0,35 | 0,0050 | 0,0050 | – | 6.0x1011 |
| | M2) | 1.9.2015 | Alle | 1,0 | 0,50 | 0,10 | – | 0,068 | – | 0,06 | 0,08 | – | 0,17 | 0,0045 | 0,0045 | 6.0x1011 | 6.0x1011 |
| | | | | | | | | | | | | | | | | | |
| | N13) | I, 1.9.2015 | RW 1 305 | 1,0 | 0,50 | 0,10 | – | 0,068 | – | 0,06 | 0,08 | – | 0,17 | 0,0045 | 0,0045 | 6.0x1011 | 6.0x1011 |
| | | II, 1.9.2016 | 1 305 < RW≤ 1 760 | 1,81 | 0,63 | 0,13 | – | 0,090 | – | 0,075 | 0,105 | – | 0,195 | 0,0045 | 0,0045 | 6.0x1011 | 6.0x1011 |
| | | III, 1.9.2016 | 1 760 < RW | 2,27 | 0,74 | 0,16 | – | 0,108 | – | 0,082 | 0,125 | – | 0,215 | 0,0045 | 0,0045 | 6.0x1011 | 6.0x1011 |
| Euro 6 | N2 | 1.9.2016 | | 2,27 | 0,74 | 0,16 | – | 0,108 | – | 0,082 | 0,125 | – | 0,215 | 0,0045 | 0,0045 | 6.0x1011 | 6.0x1011 |
- 1) Testcyclus gespecificeerd door NEDC.
- 2) Uitgezonderd voertuigen met een maximummassa van meer dan 2.500 kg.
- 3) En de voertuigen uit categorie M omschreven in noot b.
* De registratie, verkoop of ingebruikneming van nieuwe voertuigen die niet voldoen aan de respectieve grenswaarden, wordt geweigerd per de in deze kolom genoemde data.
| | **Toe te passen vanaf** | **Koolstofmonoxide g/kWh** | **Koolwaterstoffen g/kWh** | **Totaal koolwaterstoffen g/kWh** | **Stikstofoxiden g/kWh** | **Zwevende deeltjes g/kWh** | **Rook**(m-1) |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| B2 („EURO V”)1) | 1.10.2009 | 1,5 | 0,46 | – | 2,0 | 0,02 | 0,5 |
| „EURO VI”2) | 31.12.2013 | 1,5 | – | 0,13 | 0,40 | 0,010 | – |
- 1) Testcyclus gespecificeerd door de European steady-state cycle (ESC) en de European loadresponse (ELR) tests.
- 2 ) Testcyclus gespecificeerd door de world heavy duty steady state cycle (WHSC).
| | **Toe te passen vanaf*** | **Koolstofmonoxide g/kWh** | **Totaal Koolwaterstoffen g/kWh** | **Koolwaterstoffen uitgezonderd** **methaan g/kWh** | **Methaan1) g/kWh** | **Stikstofoxiden g/kWh** | **Deeltjes (g/kWh)2)** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| B2 „EURO V”3) | 1.10.2009 | 4,0 | – | 0,55 | 1,1 | 2,0 | 0,030 |
| „EURO VI” (CI)4) | 31.12.2013 | 4,0 | 0,160 | – | – | 0,46 | 0,010 |
| „EURO VI” (PI)4) | 31.12.2013 | 4,0 | – | 0,160 | 0,50 | 0,46 | 0,010 |
- 1) Uitsluitend voor aardgasmotoren.
- 2 ) Niet van toepassing op gasmotoren tijdens fase B2.
- 3 ) Testcyclus gespecificeerd door de European transient cycle (ETC) test.
- 4) Testcyclus gespecificeerd door de world heavy duty transient cycle (WHTC).
**Noot:** PI = elektrische ontsteking CI = compressieontsteking
* De registratie, verkoop of ingebruikneming van nieuwe voertuigen die niet voldoen aan de respectieve grenswaarden, worden geweigerd per de in deze kolom genoemde data.
| **Nettovermogen (P) (kW)** | **Toe te passen vanaf*** | **Koolstofmonoxide g/kWh** | **Koolwaterstoffen g/kWh** | **Stikstofoxiden g/kWh** | **Zwevende deeltjes (g/kWh)** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| 130 ≤ P ≤ 560 | 31.12.2010 | 3,5 | 0,19 | 2,0 | 0,025 |
| 75 ≤ P < 130 | 31.12.2011 | 5,0 | 0,19 | 3,3 | 0,025 |
| 56 ≤ P < 75 | 31.12.2011 | 5,0 | 0,19 | 3,3 | 0,025 |
| 37 ≤ P < 56 | 31.12.2012 | 5,0 | 4,71) | 4,71) | 0,025 |
- 1) **Redactionele noot**: Dit getal is de som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden en werd in de uiteindelijke goedgekeurde tekst weergegeven als een enkel getal in een samengevoegde cel in de tabel. Aangezien deze tekst geen tabellen met scheidslijnen bevat wordt het getal omwille van de duidelijkheid in elke kolom herhaald.
* Vanaf de vermelde datum en met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.
| **Nettovermogen (P) (kW)** | **Toe te passen vanaf*** | **Koolmonoxide (g/kWh)** | **Koolwaterstoffen (g/kWh)** | **Stikstofoxiden (g/kWh)** | **Zwevende deeltjes (g/kWh)** |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| 130 ≤ P ≤ 560 | 31.12.2013 | 3,5 | 0,19 | 0,4 | 0,025 |
| 56 ≤ P < 130 | 31.12.2014 | 5,0 | 0,19 | 0,4 | 0,025 |
* Vanaf de vermelde datum en met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.
| | **Motoren voor handapparatuur** | |
| --- | --- | --- |
| **Inhoud (cm3)** | **Koolmonoxide (g/kWh)** | **Som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden (g/kWh)1)** |
| Inh. < 20 | 805 | 50 |
| 20 ≤ inh. < 50 | 805 | 50 |
| Inh. ≥ 50 | 603 | 72 |
| | **Motoren voor niet-handapparatuur** | |
| **Inhoud (cm3)** | **Koolmonoxide (g/kWh)** | **Som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden (g/kWh)** |
| Inh. < 66 | 610 | 50 |
| 66 ≤ inh. < 100 | 610 | 40 |
| 100 ≤ inh. < 225 | 610 | 16,1 |
| Inh. ≥ 225 | 610 | 12,1 |
- 1 ) De NOx-uitstoot mag voor geen enkele motorklasse 10 g/kWh overschrijden.
**Noot:** Met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.
| **Nettovermogen (P) (kW)** | **Koolmonoxide (g/kWh)** | **Koolwaterstoffen (g/kWh)** | **Stikstofoxiden (g/kWh)** | **Zwevende deeltjes (g/kWh)** |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| 130 < P | 3,5 | 0,19 | 2,0 | 0,025 |
**Noot:** Met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.
| **Nettovermogen (P) (kW)** | **Koolmonoxide (g/kWh)** | **Som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden (g/kWh)** | **Zwevende deeltjes (g/kWh)** |
| --- | --- | --- | --- |
| 130 < P | 3,5 | 4,0 | 0,025 |
| **Inhoud (liters per cilinder/kW)** | **Koolstofmonoxide g/kWh** | **Som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden (g/kWh)** | **Zwevende deeltjes g/kWh** |
| --- | --- | --- | --- |
| Inh. < 0,9 | 5,0 | 7,5 | 0,4 |
| Vermogen (≥ 37 kW) | | | |
| 0,9 ≤ inh. < 1,2 | 5,0 | 7,2 | 0,3 |
| 1,2 ≤ inh. < 2,5 | 5,0 | 7,2 | 0,2 |
| 2,5 ≤ inh. < 5,0 | 5,0 | 7,2 | 0,2 |
| 5,0 ≤ inh. < 15 | 5,0 | 7,8 | 0,27 |
| 15 ≤ inh. < 20 | 5,0 | 8,7 | 0,5 |
| Vermogen < 3 300 kW | | | |
| 15 ≤ inh. < 20 | 5,0 | 9,8 | 0,5 |
| Vermogen > 3 300 kW | | | |
| 20 ≤ inh. < 25 | 5,0 | 9,8 | 0,5 |
| 25 ≤ inh. < 30 | 5,0 | 11,0 | 0,5 |
**Noot:** Met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.
| | **CO (g/kWh)** | **CO (g/kWh)** | **CO (g/kWh)** | **Koolwaterstoffen (HC)** | **Koolwaterstoffen (HC)** | **Koolwaterstoffen (HC)** | | |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| | **CO = A +B/PnN** | **CO = A +B/PnN** | **CO = A +B/PnN** | **(g/kWh) HC = A +B/PnN** | **(g/kWh) HC = A +B/PnN** | **(g/kWh) HC = A +B/PnN** | | |
| **Motortype** | A | B | n | A | B | n | **NOx g/kWh** | **PM g/kWh** |
| tweetakt | 150 | 600 | 1 | 30 | 100 | 0,75 | 10 | n.v.t. |
| viertakt | 150 | 600 | 1 | 6 | 50 | 0,75 | 15 | n.v.t. |
| CI | 5 | 0 | 0 | 1,5 | 2 | 0,5 | 9,8 | 1 |
- 1 ) Waarbij A, B en n constanten zijn en PN het nominale motorvermogen in kW en emissies worden gemeten overeenkomstig geharmoniseerde normen.
**Afkorting** n.v.t. = niet van toepassing
**Noot:** Met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.
| **Cilinderinhoud** | **Grenswaarden** |
| --- | --- |
| Motorfiets < 150 cc | HC = 0,8 g/km |
| | NOx = 0,15 g/km |
| Motorfiets > 150 cc | HC = 0,3 g/km |
| | NOx = 0,15 g/km |
**Noot:** Met uitzondering van machines bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.
| | **Grenswaarden** | |
| --- | --- | --- |
| | **CO (g/km)** | **HC + NOx (g/km)** |
| II | 1,01) | 1,2 |
- 1 ) Voor drie- en vierwielers, 3,5 g/km.
**Noot:** Met uitzondering van voertuigen bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.
| **Parameter** | | **Grenswaarden** | **Grenswaarden** |
| --- | --- | --- | --- |
| | **Eenheid** | **Minimum** | **Maximum** |
| Research-octaangetal | | 95 | – |
| Motoroctaangetal | | 85 | – |
| Dampspanning volgens de Reidmethode, zomerperiode1) | kPa | – | 60 |
| Distillatie: | | | |
| Verdampt bij 100°C | % v/v | 46 | – |
| Verdampt bij 150°C | % v/v | 75 | – |
| Koolwaterstoffenanalyse: | | | |
| – olefinen | % v/v | – | 18,02) |
| – aromaten | | – | 35 |
| – benzeen | | – | 1 |
| Zuurstofgehalte | % m/m | – | 3,7 |
| Oxygenaten: | | | |
| – Methanol, stabilisatoren moeten worden toegevoegd | % v/v | – | 3 |
| – Ethanol, stabilisatoren eventueel nodig | % v/v | – | 10 |
| – Isopropylalcohol | % v/v | – | 12 |
| – Tert-butylalcohol | % v/v | – | 15 |
| – Isobutylalcohol | % v/v | – | 15 |
| – Ethers met vijf of meer koolstofatomen per molecuul | % v/v | – | 22 |
| Andere zuurstofhoudende verbindingen3) | % v/v | – | 15 |
| Zwavelgehalte | mg/kg | – | 10 |
- 1 ) De zomerperiode begint uiterlijk op 1 mei en eindigt niet voor 30 september. Voor Partijen met arctische omstandigheden begint de zomerperiode uiterlijk 1 juni en eindigt zij niet voor 31 augustus en bedraagt de dampspanning volgens de Reidmethode maximaal 70 kPa.
- 2 ) Behalve voor gewone loodvrije benzine (minimum motor octaan getal (MON) minimaal 81 en minimum research octaan getal (RON) minimaal 91), waarvoor het olefinegehalte maximaal 21% (v/v) is. Deze grenzen vormen geen belemmering voor het in de handel van een Partij brengen van een andere loodvrije benzine met octaangetallen die lager zijn dan hier vermeld.
- 3) Overige mono-alcoholen waarvan het distillatie-eindpunt niet hoger is dan het distillatie-eindpunt dat vastgesteld is in nationale specificaties of, waar deze ontbreken, in industriële specificaties voor motorbrandstoffen.
| **Parameter** | | **Grenswaarden** | **Grenswaarden** |
| --- | --- | --- | --- |
| | **Eenheid** | **Minimum** | **Maximum** |
| Cetaangetal | | 51 | – |
| Dichtheid bij 15°C | kg/m3 | – | 845 |
| Distillatiepunt: 95% | °C | – | 360 |
| Polycyclische aromatische koolwaterstoffen | % m/m | – | 8 |
| Zwavelgehalte | mg/kg | – | 10 |
##### 12
Grenswaarden voor het beheersen van emissies van brandstoffen en mobiele bronnen worden bepaald rekening houdend, al naargelang van toepassing, met informatie inzake beschikbare beheersingstechnologieën, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden en de volgende documenten:
- a. Passenger Automobile and Light Truck Greenhouse Gas Emission Regulations, SOR/2010–201;
- b. Marine Spark-Ignition Engine, Vessel and Off-Road Recreational Vehicle Emission Regulations, SOR/2011–10;
- c. Renewable Fuels Regulations, SOR/2010–189;
- d. Regulations for the Prevention of Pollution from Ships and for Dangerous Chemicals, SOR/2007–86;
- e. Off-Road Compression-Ignition Engine Emission Regulations, SOR/2005–32;
- f. On-Road Vehicle and Engine Emission Regulations, SOR/2003–2;
- g. Off-Road Small Spark-Ignition Engine Emission Regulations, SOR/2003–355;
- h. Sulphur in Diesel Fuel Regulations, SOR/2002–254;
- i. Gasoline and Gasoline Blend Dispensing Flow Rate Regulations SOR/2000–43;
- j. Sulphur in Gasoline Regulations, SOR/99–236;
- k. Benzene in Gasoline Regulations, SOR/97–493;
- l. Gasoline Regulations, SOR/90–247;
- m. Federal Mobile PCB Treatment and Destruction Regulations, SOR/90–5;
- n. Environmental Code of Practice for Aboveground and Underground Storage Tank Systems Containing Petroleum and Allied Petroleum Products;
- o. Canada-Wide Standards for Benzene, Phase 2;
- p. Environmental Guidelines for Controlling Emissions of Volatile Organic Compounds from Aboveground Storage Tanks. PN 1180;
- q. Environmental Code of Practice for Vapour Recovery in Gasoline Distribution Networks. PN 1057;
- r. Environmental Code of Practice for Light Duty Motor Vehicle Emission Inspection and Maintenance Programs – 2nd Edition. PN 1293;
- s. Joint Initial Actions to Reduce Pollutant Emissions that Contribute to Particulate Matter and Ground-level Ozone; en
- t. Operating and Emission Guidelines for Municipal Solid Waste Incinerators. PN 1085.
##### 13
Uitvoering van een programma voor emissie van mobiele bronnen voor lichte voertuigen, lichte vrachtwagens, zware vrachtwagens en brandstoffen in de mate vereist in de secties 202 (a), 202 (g) en 202 (h) van de Clean Air Act, zoals geïmplementeerd door:
- a. Registration of fuels and fuel additives – 40 C.F.R deel 79;
- b. Regulation of fuels and fuel additives – 40 C.F.R deel 80, met inbegrip van: paragraaf A – general provisions; paragraaf B – controls and prohibitions; paragraaf D – reformulated gasoline; paragraaf H – gasoline sulphur standards; paragraaf I – motor vehicle diesel fuel; non-road, locomotive, and marine diesel fuel; and ECA marine fuel; paragraaf L – gasoline benzene; en
- c. Control of emissions from new and in-use highway vehicles and engines – 40 C.F.R deel 85 en deel 86.
##### 14
Normen voor niet voor de weg bestemde machines en voertuigen zijn in de volgende documenten gespecificeerd:
- a. Fuel sulphur standards for non-road diesel engines – 40 C.F.R deel 80, paragraaf I;
- b. Aircraft engines – 40 C.F.R deel 87;
- c. Exhaust emission standards for non-road diesel engines – rij 2 en 3; 40 C.F.R deel 89;
- d. Non-road compression-ignition engines – 40 C.F.R deel 89 en deel 1039;
- e. Non-road and marine spark-ignition engines – 40 C.F.R deel 90, deel 91, deel 1045 en deel 1054;
- f. Locomotives – 40 C.F.R deel 92 en deel 1033;
- g. Marine compression-ignition engines – 40 C.F.R deel 94 en deel 1042;
- h. New large non-road spark-ignition engines – 40 C.F.R deel 1048;
- i. Recreational engines and vehicles – 40 C.F.R deel 1051;
- j. Control of evaporative emissions from new and in-use non-road and stationary equipment – 40 C.F.R. deel 1060;
- k. Engine testing procedures – 40 C.F.R deel 1065; en
- l. General compliance provisions for non-road programs – 40 C.F.R deel 1068.
##### 1
De Partijen die onderworpen zijn aan de verplichtingen in artikel 3, lid 8, onder a, treffen de maatregelen die in deze bijlage omschreven staan.
##### 2
Elke Partij houdt naar behoren rekening met de noodzaak om verliezen uit de gehele stikstofkringloop te verminderen.
### A. **Gedragscode voor goede landbouwpraktijken**
##### 3
Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, wordt door die Partij een gedragscode voor goede landbouwpraktijken voor de beheersing van ammoniakemissies vastgesteld en vervolgens gepubliceerd en verspreid. De code houdt rekening met de specifieke omstandigheden binnen het grondgebied van de Partij en bevat voorschriften omtrent:
- –. stikstofmanagement, rekening houdend met de gehele stikstofkringloop;
- –. voederstrategieën voor vee;
- –. strooitechnieken voor meststoffen met geringe emissie;
- –. opslagsystemen voor meststoffen met geringe emissie;
- –. dierenverblijfsystemen met geringe emissie; en
- –. mogelijkheden voor het beperken van ammoniakemissies bij het gebruik van minerale meststoffen.
De Partijen geven aan de code een zodanige titel dat verwarring met andere codes wordt vermeden.
##### 4
Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, neemt die Partij die stappen die haalbaar zijn om ammoniakemissies door gebruik van vaste mest op ureumbasis te beperken.
##### 5
Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, verbiedt die Partij het gebruik van meststoffen met ammoniumcarbonaat.
### C. **Toepassing meststoffen**
##### 6
Elke Partij dient erop toe te zien dat toepassingstechnieken voor drijfmest met geringe emissie (zoals vermeld in Guidance Document V, dat door het Uitvoerend Orgaan op zijn zeventiende zitting aangenomen is (besluit 1999/1) en eventuele wijzigingen daarop), waarvan aangetoond is dat ze de emissies in vergelijking met de omschreven referentie in dat guidance document met ten minste 30% verminderen, gebruikt worden voorzover de Partij in kwestie ze van toepassing acht, rekening houdend met de lokale bodemgesteldheid en geomorfologische omstandigheden, het type drijfmest en de structuur van het landbouwbedrijf.
##### 7
Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij erop toe te zien dat vaste meststoffen die toegepast zijn op land dat moet worden geploegd, binnen ten minste 24 uur na het verspreiden verwerkt worden voorzover zij deze maatregel van toepassing acht, rekening houdend met de lokale bodemgesteldheid en geomorfologische omstandigheden en de structuur van het landbouwbedrijf.
### D
##### 8
Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij voor nieuwe drijfmestoplaginrichtingen bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) opslagsystemen of opslagtechnieken met geringe emissies te gebruiken, waarvan aangetoond is dat ze de emissies met 40% of meer verminderen in vergelijking met de referentie (zoals vermeld in het guidance document als bedoeld in punt 6), of andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a.
##### 9
Voor bestaande drijfmestopslaginrichtingen bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) dient een Partij emissiereducties van 40% te behalen voorzover de Partij de noodzakelijke technieken technisch uitvoerbaar en economisch verantwoord acht.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a.
### E. **Dierenverblijven**
##### 10
Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij voor nieuwe dierenverblijven bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) verblijfssystemen te gebruiken waarvan aangetoond is dat ze de emissies met 20% of meer verminderen in vergelijking met de referentie (zoals vermeld in het guidance document als bedoeld in punt 6), of andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a. Toepasbaarheid kan beperkt zijn om redenen van dierenwelzijn, bijvoorbeeld in op stro gebaseerde systemen voor varkens alsmede vogelverblijven en scharrelsystemen voor pluimvee.
##### 1
Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.
### A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika
##### 2
Uitsluitend in deze afdeling wordt onder „stof” en „totale hoeveelheid zwevende deeltjes” (TSP) verstaan de massa van deeltjes met elke vorm, dichtheid en structuur die onder de omstandigheden ter plaatse van het monsternemingspunt zwevend in de gasfase voorkomen die na representatieve monsterneming van het te onderzoeken gas verzameld kunnen worden door filtratie onder de vastgelegde omstandigheden en die na drogen onder de vastgelegde omstandigheden bovenstrooms van het filter en op het filter achterblijven.
##### 3
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „emissiegrenswaarde” (EGW) verstaan de hoeveelheid stof en/of totale hoeveelheid zwevende deeltjes in de afgassen uit een installatie die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de afgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273.15 K, 101.3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van afgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen gegeven zijn. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in afgassen te verminderen is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.
##### 4
Emissies worden in alle gevallen gemonitord door metingen of door berekeningen waarbij ten minste dezelfde nauwkeurigheid wordt bereikt. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd door ononderbroken of onderbroken metingen, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode, met inbegrip van geverifieerde berekeningsmethoden. Bij ononderbroken metingen worden de grenswaarden nageleefd indien het gevalideerde maandelijks gemiddelde van de EGW niet overschrijdt. Bij onderbroken metingen of andere passende vaststellings- of berekeningsmethoden wordt naleving van de EGW bereikt indien de gemiddelde waarde op basis van een passend aantal metingen onder representatieve omstandigheden de waarde van de emissienorm niet overschrijdt. Er kan voor verificatiedoeleinden rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheid van de meetmethoden.
##### 5
Monitoring van de relevante verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters en ook van de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen en de referentiemetingen om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd in overeenstemming met de CEN-normen. Indien CEN-normen ontbreken, zijn ISO-, nationale of internationale normen van toepassing die waarborgen dat gegevens opgeleverd worden van een vergelijkbare wetenschappelijke kwaliteit.
##### 6
Bijzondere bepalingen voor in lid 7 bedoelde verbrandingsinstallaties:
- a. Een Partij mag in de volgende gevallen afwijken van de verplichting de in het zevende lid voorziene EGW na te leven:
- i. Bij verbrandingsinstallaties die normaliter gasvormige brandstoffen gebruiken en die als gevolg van een plotselinge onderbreking van de gasvoorziening bij wijze van uitzondering een andere brandstof dienen te gebruiken en om die reden zouden moeten worden uitgerust met afgasreinigingsapparatuur;
- ii. Bij bestaande verbrandingsinstallaties die niet langer dan 17.500 uur in bedrijf zijn in een tijdvak beginnend vanaf 1 januari 2016 en eindigend uiterlijk 31 december 2023;
- b. Wanneer een verbrandingsinstallatie met ten minste 50 MWth wordt uitgebreid, is de in lid 7 gespecificeerde EGW voor nieuwe installaties van toepassing op het uitgebreide gedeelte van de installatie waarop de verandering betrekking heeft. De EGW wordt berekend als een gewogen gemiddelde van het **werkelijke** thermische ingangsvermogen van zowel het bestaande als nieuwe deel van de installatie.
- c. De Partijen waarborgen dat er procedures komen voor storingen aan of uitvallen van de nabehandelingsapparatuur;
- d. Bij een gemengde verbrandingsinstallatie waarbij twee of meer soorten brandstof gelijktijdig worden gebruikt, wordt de EGW bepaald als gewogen gemiddelde van de EGW voor de afzonderlijke brandstoffen, op basis van het thermische ingangsvermogen van elke brandstof.
##### 7
Verbrandingsinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen hoger dan 50 MWth:6)Het nominale thermische ingangsvermogen van een verbrandingsinstallatie wordt berekend als de som van het ingangsvermogen van alle eenheden die zijn aangesloten op een gezamenlijk afgaskanaal. Afzonderlijke eenheden lager dan 15 MWth worden buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van het totale nominale thermische ingangsvermogen.
| **Brandstoftype** | **Thermisch ingangsvermogen (MWth)** | **EGW voor stof (mg/m3) 2)** |
| --- | --- | --- |
| Vaste brandstoffen | 50–100 | Nieuwe installaties: |
| Vaste brandstoffen | 50–100 | 20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) |
| Vaste brandstoffen | 50–100 | 20 (biomassa, turf) |
| | | |
| | | Bestaande installaties: |
| | | 30 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) |
| | | 30 (biomassa, turf) |
| | | |
| | 100–300 | Nieuwe installaties: |
| | | 20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) |
| | | 20 (biomassa, turf) |
| | | |
| | | Bestaande installaties: |
| | | 25 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) |
| | | 20 (biomassa, turf) |
| | | |
| | >300 | Nieuwe installaties: |
| | | 10 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) |
| | | 20 (biomassa, turf) |
| | | |
| | | Bestaande installaties: |
| | | 20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) |
| | | 20 (biomassa, turf) |
| | | |
| Vloeibare brandstoffen | 50–100 | Nieuwe installaties: |
| Vloeibare brandstoffen | 50–100 | 20 |
| | | |
| | | Bestaande installaties: |
| | | 30 (algemeen) |
| | | 50 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties) |
| | | |
| Vloeibare brandstoffen | 100–300 | Nieuwe installaties: |
| Vloeibare brandstoffen | 100–300 | 20 |
| | | |
| | | Bestaande installaties: |
| | | 25 (algemeen) |
| | | 50 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties) |
| | | |
| | >300 | Nieuwe installaties: |
| | >300 | 10 |
| | | |
| | | Bestaande installaties: |
| | | 20 (algemeen) |
| | | 50 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties) |
| | | |
| Aardgas | > 50 | 5 |
| | | |
| Overige gassen | > 50 | 10 |
| Overige gassen | > 50 | 30 (voor door de staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan worden gebruikt) |
- 1 ) EGW zijn met name niet van toepassing op:
- –. installaties waarin de verbrandingsproducten worden gebruikt voor het rechtstreeks verhitten, drogen of een andere behandeling van voorwerpen of materialen;
- –. naverbrandingsinstallaties ontworpen om afgassen te zuiveren door verbranding en die niet als een zelfstandige verbrandingsinstallatie worden gebruikt;
- –. voorzieningen voor het regenereren van bij het kraken gebruikte katalysatoren;
- –. voorzieningen voor de omzetting van waterstofsulfide in zwavel;
- –. in de chemische industrie gebruikte reactoren;
- –. cokesovenbatterijen;
- –. windverhitters;
- –. terugwinningsketels in installaties voor de productie van pulp;
- –. vuilverbrandingsinstallaties; en
- –. door diesel-, benzine- en gasmotoren of gasturbines aangedreven installaties, ongeacht de gebruikte brandstof.
- 2 ) Het O2-referentiegehalte is 6% voor vaste brandstoffen en 3% voor vloeibare en gasvormige brandstoffen.
##### 8
Aardolie- en gasraffinaderijen:
| **Emissiebron** | **EGW voor stof (mg/m3)** |
| --- | --- |
| FCC-regeneratoren | 50 |
##### 9
Cementklinkerproductie:
| | **EGW voor stof (mg/m3)** |
| --- | --- |
| Cementinstallaties, ovens, molens en klinkerkoelers | 20 |
1) Installaties voor de productie van cementklinker in draaitrommelovens met een capaciteit van > 500 Mg/dag of in andere ovens met een capaciteit van > 50 Mg/dag. Het O2-referentiegehalte is 10%.
##### 10
Kalkproductie:
| | **EGW voor stof (mg/m3)** |
| --- | --- |
| Stoken van kalkovens | 202 ) |
- 1) Installaties voor de productie van kalk met een capaciteit van 50 Mg/dag of meer. Hieronder vallen tevens kalkovens die zijn geïntegreerd in andere industriële processen, uitgezonderd de pulpindustrie (zie tabel 9). Het O2-referentiegehalte is 11%.
- 2 ) Wanneer de weerstand van het stof hoog is, kan de EGW hoger zijn, tot maximaal 30 mg/m3.
##### 11
Productie en verwerking van metalen:
| **Activiteit en capaciteitsdrempelwaarde** | **EGW voor stof (mg/m3)** |
| --- | --- |
| Sinterinstallatie | 50 |
| Pelletiseerinstallatie | 20 voor verbrijzelen, malen en drogen 15 voor alle andere processtappen |
| Hoogoven: Windverhitters (>2.5 t/uur) | 10 |
| Oxystaalproductie en -gieten (>2.5 t/uur) | 30 |
| Productie en gieten van elektrostaal | 15 (bestaand) |
| (>2.5 t/uur) | 5 (nieuw) |
| **Activiteit en capaciteitsdrempelwaarde** | **EGW voor stof (mg/m3)** |
| --- | --- |
| IJzergieterijen (>20 t/dag): | 20 |
| – alle ovens (koepel, inductie, carrousel) | |
| – alle vormen (verloren, permanent) | |
| Warm en koud walsen | 20 50 indien er geen filterzak kan worden gebruikt vanwege de aanwezigheid van natte dampen |
| | **EGW voor stof (mg/m3) (dagelijks)** |
| --- | --- |
| Verwerking van non-ferrometalen | 20 |
##### 12
Glasproductie
| | **EGW voor stof (mg/m3)** |
| --- | --- |
| Nieuwe installaties | 20 |
| Bestaande installaties | 30 |
1) Installaties voor de productie van glas of glasvezels met een capaciteit van 20 Mg/dag of meer. Concentraties verwijzen naar droge afgassen bij een zuurstofgehalte van 8 volumeprocent (continu-smelten), een zuurstofgehalte van 13 volumeprocent (discontinu-smelten).
##### 13
Pulpproductie:
| | **EGW voor stof (mg/m3) (jaarlijkse gemiddelden)** |
| --- | --- |
| Hulpketel | 40 wanneer met vloeibare brandstoffen wordt gestookt (bij een zuurstofgehalte van 3%) |
| | 30 wanneer met vaste brandstoffen wordt gestookt (bij een zuurstofgehalte van 6%) |
| Terugwinningsinstallatie en kalkoven | 50 |
##### 14
Afvalverbranding:
| | **EGW voor stof (mg/m3)** |
| --- | --- |
| Gemeentelijke afvalverbrandingsinstallaties (> 3 Mg/uur) | 10 |
| Verbrandingsinstallaties voor gevaarlijk en medisch afval (> 1 Mg/uur) | 10 |
##### 15
Productie van titaniumdioxide:
| | **EGW voor stof (mg/m3)** |
| --- | --- |
| Sulfaatproces, totale emissie | 50 |
| Chlorideproces, totale emissie | 50 |
##### 16
Stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen < 50 MWth:
Dit lid draagt het karakter van een aanbeveling en beschrijft de maatregelen die genomen worden voor zover een Partij deze in technisch en economisch opzicht haalbaar acht voor het controleren van zwevende deeltjes:
- a. Stookinstallaties van woningen met een nominaal thermisch ingangsvermogen < 500 kWth:
- i. Emissies van nieuwe kachels en -ketels in woningen met een nominaal thermisch ingangsvermogen van < 500 kWth kunnen worden teruggebracht door toepassing van: **Noot:**O2-referentiegehalte: 13%.
- aa. Productnormen als omschreven in de CEN-normen (bijv. EN 303-5) en gelijkwaardige productnormen in de Verenigde Staten en Canada. Landen die dergelijke productnormen toepassen kunnen aanvullende nationale vereisten definiëren en daarbij met name rekening houden met de bijdrage van emissies van condenseerbare organische verbindingen aan de vorming van zwevende deeltjes in de lucht; of
- bb. Ecolabels met prestatiecriteria die stringenter zijn dan de minimale efficiencynormen van de EN productnormen of nationale voorschriften.
| | **Stof (mg/m3)** |
| --- | --- |
| Open/gesloten haarden en ovens die op hout worden gestookt | 75 |
| Houtgestookte ketels (met warmteopslagtank) | 40 |
| Pelletkachels en -ketels | 50 |
| Kachels en ketels die gebruikmaken van andere vaste brandstoffen dan hout | 50 |
| Installaties met automatische verbranding | 50 |
- ii. Emissies van bestaande kachels en ketels in woningen kunnen worden teruggebracht door de volgende elementaire maatregelen:
- aa. programma's om het publiek te informeren over en bewust te maken van:
- –. het juiste gebruik van kachels en ketels;
- –. het gebruik van uitsluitend onbehandeld hout;
- –. het op de juiste wijze drogen van hout om het vochtgehalte te verminderen.
- bb. opzetten van een programma om de vervanging van de oudste bestaande ketels en kachels door moderne apparaten te stimuleren; of
- cc. het invoeren van de verplichting oude apparaten te vervangen of te moderniseren.
- b. Stookinstallaties anders dan in woningen met een nominaal thermisch ingangsvermogen 100 kWth–1 MWth: **Noot:** O2-referentiegehalte: hout, overige vaste biomassa en turf: 13%: kolen, bruinkool en overige vaste fossiele brandstoffen 6%.
| | | **Stof (mg/m3)** |
| --- | --- | --- |
| Vaste brandstoffen 100–500 kWth | Nieuwe installaties | 50 |
| | Bestaande installaties | 150 |
| Vaste brandstoffen 500 kWth–1 MWth | Nieuwe installaties | 50 |
| | Bestaande installaties | 150 |
- c. Stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen > 1–50 MWth: **Noot:** O2-referentiegehalte: hout, overige vaste biomassa en turf: 11%: kolen, bruinkool en overige vaste fossiele brandstoffen: 6%: vloeibare brandstoffen, waaronder vloeibare biobrandstoffen: 3%.
| | | **Stof (mg/m3)** |
| --- | --- | --- |
| Vaste brandstoffen 1–5 MWth | Nieuwe installaties | 20 |
| | Bestaande installaties | 50 |
| Vaste brandstoffen > 5-50 MWth | Nieuwe installaties | 20 |
| | Bestaande installaties | 30 |
| Vloeibare brandstoffen > 1-5 MWth | Nieuwe installaties | 20 |
| | Bestaande installaties | 50 |
| Vloeibare brandstoffen > 5-50 MWth | Nieuwe installaties | 20 |
| | Bestaande installaties | 30 |
### B. Canada
##### 17
Grenswaarden voor het beheersen van emissies van zwevende deeltjes (PM) voor stationaire bronnen worden bepaald rekening houdend, al naargelang van toepassing, met informatie inzake beschikbare beheersingstechnologieën, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden en de volgende documenten die genoemd worden in onderstaande paragrafen a tot en met h. Grenswaarden kunnen worden uitgedrukt in PM of TPM. Onder TPM wordt in deze context verstaan elk PM met een aerodynamische diameter van minder dan 100 μm:
- a. Secondary Lead Smelter Release Regulations, SOR/91-155;
- b. Environmental Code of Practice for Base Metals Smelters and Refineries;
- c. New Source Emission Guidelines for Thermal Electricity Generation;
- d. Environmental Code of Practice for Integrated Steel Mills (EPS 1/MM/7);
- e. Environmental Code of Practice for Non-Integrated Steel Mills (EPS 1/MM/8);
- f. Emission Guidelines for Cement Kilns. PN 1284;
- g. Joint Initial Actions to Reduce Pollutant Emissions that Contribute to Particulate Matter and Ground-level Ozone; en
- h. Performance testing of solid-fuel-burning heating appliances, Canadian Standards Association, B415. 1-10.
### C. Verenigde Staten van Amerika
##### 18
Grenswaarden voor het beheersen van zwevende deeltjes (PM) uit stationaire bronnen in de volgende categorieën stationaire bronnen, en de bronnen waarop deze van toepassing zijn, worden omschreven in de volgende documenten:
- a. Steel Plants: Electric Arc Furnaces – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf AA en paragraaf AAa;
- b. Small Municipal Waste Combustors – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf AAAA;
- c. Kraft Pulp Mills – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf BB;
- d. Glass Manufacturing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf CC;
- e. Electric Utility Steam Generating Units – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf D en paragraaf Da;
- f. Industrial-Commercial-Institutional Steam Generating Units – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Db en paragraaf Dc;
- g. Grain Elevators – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf DD;
- h. Municipal Waste Incinerators – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf E, paragraaf Ea en paragraaf Eb;
- i. Hospital/Medical/Infectious Waste Incinerators – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Ec;
- j. Portland Cement – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf F;
- k. Lime Manufacturing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf HH;
- l. Hot Mix Asphalt Facilities – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf I;
- m. Stationary Internal Combustion Engines: Compression Ignition – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf IIII;
- n. Petroleum Refineries – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf J en paragraaf Ja;
- o. Secondary Lead Smelters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf L;
- p. Metallic Minerals Processing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf LL;
- q. Secondary Brass and Bronze – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf M;
- r. Basic Oxygen Process Furnaces – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf N;
- s. Basic Process Steelmaking Facilities – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Na;
- t. Phosphate Rock Processing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf NN;
- u. Sewage Treatment Plant Incineration – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf O;
- v. Nonmetallic Minerals Processing Plants – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf OOO;
- w. Primary Copper Smelters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf P;
- x. Ammonium Sulfate Manufacturing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf PP;
- y. Wool Fiberglass Insulation – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf PPP;
- z. Primary Zinc Smelters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Q;
- aa. Primary Lead Smelters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf R;
- bb. Primary Aluminum reduction plants – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf S;
- cc. Phosphate Fertilizer Production – 40 C.F.R. deel 60, paragrafen T, U, V, W, X;
- dd. Asphalt Processing and Asphalt Roofing Manufacturing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf UU;
- ee. Calciners and Dryers in Mineral Industries – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf UUU;
- ff. Coal Preparation Plants – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Y;
- gg. Ferroalloy Production Facilities – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Z;
- hh. Residential Wood Heaters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf AAA;
- ii. Small Municipal Waste Combustors (na 11/30/1999) – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf AAAA;
- jj. Small Municipal Waste Combustors (voor 11/30/1999) – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf BBBB;
- kk. Other Solid Waste Incineration Units (na 12/9/2004) – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf EEEE;
- ll. Other Solid Waste Incineration Units (voor 12/9/2004) – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf FFFF;
- mm. Stationary Compression Ignition Internal Combustion Engines – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf IIII; en
- nn. Lead Acid BatteryManufacturing Plants – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf KK.
##### 19
Grenswaarden voor het beheersen van emissies van zwevende deeltjes (PM) uit bronnen die vallen onder de nationale emissienormen voor schadelijke luchtverontreinigende stoffen (National Emission Standards for Hazardous Air Pollutants):
- a. Coke oven batteries – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf L;
- b. Chrome Electroplating (major and Area sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf N;
- c. Secondary lead smelters – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf X;
- d. Phosphoric Acid Manufacturing Plants – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf AA;
- e. Phosphate Fertilizers Production Plants – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf BB;
- f. Magnetic Tape Manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EE;
- g. Primary Aluminum – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf L;
- h. Pulp and paper II (combustion) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf MM;
- i. Mineral wool manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf DDD;
- j. Hazardous waste combustors – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EEE;
- k. Portland cement manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf LLL;
- l. Wool fiberglass manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf NNN;
- m. Primary copper – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf QQQ;
- n. Secondary aluminum – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf RRR;
- o. Primary lead smelting – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf TTT;
- p. Petroleum refineries – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf UUU;
- q. Ferroalloys production – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf XXX;
- r. Lime manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf AAAAA;
- s. Coke Ovens: Pushing, Quenching, and Battery Stacks – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf CCCCC;
- t. Iron and steel foundries – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EEEEE;
- u. Integrated iron and steel manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf FFFFF;
- v. Site remediation – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf GGGGG;
- w. Miscellaneous coating manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf HHHHH;
- x. Asphalt Processing and Roofing Manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf LLLLL;
- y. Taconite Iron Ore Processing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf RRRRR;
- z. Refractory products manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf SSSSS;
- aa. Primary magnesium refining – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf TTTTT;
- bb. Electric Arc Furnace Steelmaking Facilities – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf YYYYY;
- cc. Iron and steel foundries – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf ZZZZZ;
- dd. Primary Copper Smelting Area Sources – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EEEEEE;
- ee. Secondary Copper Smelting Area Sources – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf FFFFFF;
- ff. Primary Nonferrous Metals Area Sources: Zinc, Cadmium, and Beryllium – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf GGGGGG;
- gg. Lead Acid Battery Manufacturing (Area sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf PPPPPP;
- hh. Glass manufacturing (area sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf SSSSSS;
- ii. Secondary Nonferrous Metal Smelter (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf TTTTTT;
- jj. Chemical Manufacturing (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf VVVVVV;
- kk. Plating and Polishing Operations (Area sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf WWWWWW;
- ll. Area Source Standards for Nine Metal Fabrication and Finishing Source Categories – 40 C.F.R.deel 63, paragraaf XXXXXX;
- mm. Ferroalloys Production (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf YYYYYY;
- nn. Aluminum, Copper, and Nonferrous Foundries (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf ZZZZZZ;
- oo. Asphalt Processing and Roofing Manufacturing (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf AAAAAAA;
- pp. Chemical Preparation (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf BBBBBBB;
- qq. Paints and Allied Products Manufacturing (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf CCCCCCC;
- rr. Prepared animal feeds manufacturing (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf DDDDDDD; en
- ss. Gold Mine Ore Processing and Production (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EEEEEEE.
##### 1
Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.
### A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika
##### 2
Deze afdeling heeft betrekking op het beperken van de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en lakken en producten voor het overspuiten van voertuigen.
##### 3
Voor de toepassing van deel A van deze bijlage wordt onder de onderstaande algemene begrippen het volgende verstaan:
- a. „stoffen”: chemische elementen en hun verbindingen die in de natuur voorkomen of door de industrie worden geproduceerd, in vaste of vloeibare of gasvorm;
- b. „mengsel”: een mengsel of oplossing bestaande uit twee of meer stoffen;
- c. „organische stof”: een verbinding die ten minste het element koolstof bevat en daarnaast één of meer van de volgende elementen: waterstof, zuurstof, zwavel, fosfor, silicium, stikstof of halogeen met uitzondering van koolstofoxiden en anorganische carbonaten en bicarbonaten;
- d. „vluchtige organische stof (VOS)”: een organische verbinding met een beginkookpunt van 250°C of lager, gemeten bij een standaarddruk van 101,3 kPa;
- e. „VOS-gehalte”: de massa van VOS uitgedrukt in gram/liter (g/l) bij de bereiding van het product in gebruiksklare vorm. De massa van VOS in een bepaald product die, tijdens het drogen, door een chemische reactie deel gaan uitmaken van de coating, wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van het VOS-gehalte;
- f. „organisch oplosmiddel”: een VOS die alleen of in combinatie met andere middelen wordt gebruikt om grondstoffen, producten of afvalmaterialen op te lossen of te verdunnen, of als schoonmaakmiddel om verontreinigingen op te lossen, dan wel als dispergeermiddel, als een middel om de viscositeit aan te passen, om de oppervlaktespanning aan te passen, als weekmaker of als conserveermiddel;
- g. „coating”: een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of mengsels die organische oplosmiddelen bevatten, dat wordt gebruikt om op een oppervlak een film met decoratief, beschermend of ander functioneel effect te bereiken;
- h. „film”: een ononderbroken laag ten gevolge van het opbrengen van één of meer coatings op een ondergrond;
- i. „watergedragen coating (WG)”: coating waarvan de viscositeit door middel van water wordt aangepast;
- j. „solventgedragen coating (SG)”: coating waarvan de viscositeit door middel van een oplosmiddel wordt aangepast;
- k. „in de handel brengen”: het al dan niet tegen betaling beschikbaar stellen aan derden. Voor de toepassing van deze bijlage wordt invoer in het douanegebied van de Partijen ook beschouwd als in de handel brengen.
##### 4
Onder „verven en vernissen” worden verstaan de in onderstaande subcategorieën genoemde producten, met uitsluiting van aerosolen. Het betreft voor gebouwen, houtwerk en bijbehorende structuren bestemde coatings met een decoratief, functioneel en beschermend doel:
- a. „matte coatings voor binnenwanden en plafonds”: op binnenwanden en plafonds aan te brengen coatings met een glansgraad van < 25 @ 60 graden;
- b. „glanzende coatings voor binnenwanden en plafonds”: op binnenwanden en plafonds aan te brengen coatings met een glansgraad van > 25 @ 60 graden;
- c. „coatings voor buitenmuren met minerale ondergrond”: op gemetselde, bakstenen of gepleisterde buitenmuren aan te brengen coatings;
- d. „hout-, metaal- of kunststofverven voor binnen- en buitendecoratie en voor interieur- en gevelbekleding”: voor decoratie en bekleding bestemde coatings die een ondoorzichtige film vormen. Deze coatings zijn ontworpen voor een ondergrond van hout, metaal of kunststof. Deze subcategorie omvat grondlagen en tussencoatings.
- e. „Vernissen en beitsen voor houtwerk binnen en buiten”: op houtwerk aan te brengen coatings die een transparante of semi-transparante film vormen ter decoratie en bescherming van hout, metaal en kunststof. Tot deze subcategorie behoren dekkende houtbeitsen. Dekkende houtbeitsen zijn coatings die een ondoorzichtige film vormen ter decoratie en bescherming van hout tegen verwering, als gedefinieerd in EN 927-1, in de semi-stabiele categorie;
- f. „houtbeitsen met minimale laagdikte”: houtbeitsen die, in overeenstemming met EN 927-1:1996, een gemiddelde dikte van minder dan 5μm hebben, wanneer zij volgens methode 5A van ISO 2808: 1997 worden getest;
- g. „primers”: coatings met afdichtende en/of blokkerende eigenschappen voor hout of muren en plafonds;
- h. „hechtprimers”: coatings voor het stabiliseren van losse deeltjes van de ondergrond, voor het waterafstotend maken en/of voor het beschermen van hout tegen verblauwen;
- i. „eencomponentscoatings”: op filmvormend materiaal gebaseerde performance coatings, ontworpen voor toepassingen waaraan bijzondere eisen worden gesteld, zoals primerlaag en aflak voor kunststof, primerlaag voor ijzerhoudende ondergrond, primerlaag voor reactieve metalen als zink en aluminium, roestwerende aflakken, vloerbekledingen, inclusief houten en betonvloeren, antigraffiticoatings, vlamvertragende coatings en normen in verband met hygiëne in de levensmiddelen- en drankenindustrie of in de gezondheidszorg;
- j. „tweecomponentencoatings”: coatings met dezelfde gebruiksdoeleinden als eencomponentscoatings, waaraan vóór het aanbrengen evenwel een tweede component (bijvoorbeeld tertiaire aminen) wordt toegevoegd;
- k. „meerkleurige coatings”: coatings waarmee reeds bij de eerste laag een twee- of meerkleurig effect wordt verkregen;
- l. „coatings met decoratief effect”: coatings waarmee op specifiek voorbereide en voorgeverfde ondergronden of grondlagen bijzondere esthetische effecten worden verkregen en die tijdens het drogen met verschillende gereedschappen worden bewerkt.
##### 5
Onder „producten voor het overspuiten van voertuigen” worden de in onderstaande subcategorieën genoemde producten verstaan. Zij worden gebruikt voor de coating van wegvoertuigen, of onderdelen ervan, uitgevoerd in het kader van reparatie, bescherming of decoratie van voertuigen buiten de fabriek. Onder „wegvoertuig” wordt in dit verband verstaan, ieder voor deelname aan het wegverkeer bestemd compleet of niet-compleet motorvoertuig op ten minste vier wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/h, alsmede aanhangwagens daarvan, met uitzondering van voertuigen die zich over een rails voortbewegen, landbouw- en bosbouwtrekkers en alle mobiele machines;
- a. „voorbehandeling en reiniging”: producten voor het langs mechanische of chemische weg verwijderen van oude coatings en roest, of om een hechtende ondergrond voor nieuwe coatings te verkrijgen:
- i. voorbehandelingsproducten: onder meer spuitpistoolreinigingsmiddelen (producten voor het schoonmaken van spuitpistolen en ander materiaal), afbijtmiddelen, ontvettingsmiddelen (inclusief antistatische middelen voor kunststof) en afbijtmiddelen voor siliconen;
- ii. „voorreinigers”: reinigingsproducten voor het verwijderen van oppervlakteverontreinigingen tijdens de voorbereiding van en vóór het aanbrengen van coatings.
- b. „vulmiddelen en plamuur/stopmiddelen”: zware materialen die worden aangebracht om, vóór het aanbrengen van surfacer/vulmiddel, diepe oneffenheden in het oppervlak op te vullen;
- c. „primers”: op blank metaal of op bestaande aflakken aan te brengen coatings ter bescherming tegen corrosie, die vóór de primer surfacer worden aangebracht:
- i. „surfacer/vulmiddel”: vóór de aflak aan te brengen coating ter bescherming tegen corrosie, ter bevordering van de hechting van de aflak en ter bevordering van een gelijkmatige afwerking door het opvullen van kleine oneffenheden in het oppervlak;
- ii. „algemene metaalprimers”: als primer aan te brengen coatings, zoals hechtingsbevorderende producten, sealers, surfacers, tussenlagen, kunststofprimers, „nat-op-nat”, niet-schuurbare vulmiddelen en verspuitbare vulmiddelen;
- iii. „washprimers”: coatings die ten minste 0,5% in gewicht aan fosforzuur bevatten en direct op oppervlakken van blank metaal worden aangebracht ter bescherming tegen corrosie en ter verbetering van de hechting; coatings die als lasbare primer worden gebruikt; beitsmiddelen voor gegalvaniseerde en zinken oppervlakken;
- d. „aflakken”: enkellaags of meerlaags aan te brengen gepigmenteerde coatings die voor glans en duurzaamheid zorgen. Hiertoe behoren alle betrokken producten, zoals grondlagen en doorzichtige lagen:
- i. „grondlagen”: gepigmenteerde coatings die de kleur en het gewenste optische effect bepalen, maar niet de glans of de oppervlakteweerstand van de coatings;
- ii. „doorzichtige lagen”: transparante lagen die de uiteindelijke glans en weerstandseigenschappen van het coatingsysteem bepalen;
- e. „speciale aflakken”: als aflak aan te brengen coatings met bijzondere eigenschappen, zoals metaal- of pareleffect met één enkele laag, hoogwaardige lagen in unikleur en doorzichtige lagen (bijvoorbeeld krasbestendige en gefluoreerde doorzichtige laag), reflecterende grondlagen, aflakken met gestructureerd oppervlak (bijvoorbeeld gehamerd), anti-slipcoatings, waterafstotende coatings voor de onderzijde van de carrosserie, coatings die beschermen tegen steenslag, aflakken voor binnenafwerking; en aerosolen.
##### 6
De Partijen zien erop toe dat de in deze bijlage genoemde producten die op hun grondgebied in de handel worden gebracht het maximale VOS-gehalte, zoals aangegeven in tabel 1 en 2, niet overschrijden. Ten behoeve van de restauratie en het onderhoud van gebouwen en klassieke voertuigen die door de bevoegde autoriteiten als van bijzonder historisch en cultureel belang zijn aangemerkt, kunnen de Partijen individuele vergunningen afgeven voor de aan- en verkoop van strikt beperkte hoeveelheden producten die niet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen VOS-grenswaarden. De Partijen kunnen producten die worden verkocht om uitsluitend te worden gebruikt bij een activiteit die onder bijlage VI valt en plaatsvindt in een installatie waarvoor registratie heeft plaatsgevonden of een vergunning is verleend overeenkomstig die bijlage, vrijstellen van de verplichting aan de bovengenoemde eisen te voldoen.
| **Productsubcategorie** | **Type** | **(g/l)*** |
| --- | --- | --- |
| Matte coatings voor binnenmuren en plafonds (Gloss ≤ 25@60°) | WG | 30 |
| | SG | 30 |
| Hoogglanscoatings voor binnenmuren en plafonds (Gloss > 25@60°) | WG | 100 |
| | SG | 100 |
| Buitenmuren met minerale ondergrond | WG | 40 |
| | SG | 430 |
| Hout- en metaalverven voor binnen- en buitendecoratie en voor interieur- en gevelbekleding | WG | 130 |
| Hout- en metaalverven voor binnen- en buitendecoratie en voor interieur- en gevelbekleding | SG | 300 |
| Vernissen en beitsen voor houtwerk binnen en buiten, met inbegrip van dekkende houtbeitsen | WG | 130 |
| Vernissen en beitsen voor houtwerk binnen en buiten, met inbegrip van dekkende houtbeitsen | SG | 400 |
| Houtbeitsen met minimale laagdikte voor binnen en buiten | WG | 130 |
| | SG | 700 |
| Primers | WG | 30 |
| | SG | 350 |
| Hechtprimers | WG | 30 |
| | SG | 750 |
| Eencomponentscoatings | WG | 140 |
| | SG | 500 |
| Reactieve tweecomponentencoatings voor specifieke toepassingen | WG | 140 |
| | SG | 500 |
| Meerkleurige coatings | WG | 100 |
| | SG | 100 |
| Coatings met decoratief effect | WG | 200 |
| | SG | 200 |
* g/l in gebruiksklare vorm.
| **Productsubcategorie** | **Coatings** | **VOS (g/l)*** |
| --- | --- | --- |
| Voorbehandeling en reiniging | Voorbehandeling | 850 |
| | Voorreinigers | 200 |
| Vulmiddelen en plamuur/stopmiddelen | Alle soorten | 250 |
| Primers | Surfacer/vulmiddel en algemene (metaal)primers | 540 |
| | Washprimers | 780 |
| Aflakken | Alle soorten | 420 |
| Speciale aflakken | Alle soorten | 840 |
* g/l product in gebruiksklare vorm. Uitgezonderd bij „voorbehandeling en reiniging”, moet het watergehalte van het product in gebruiksklare vorm niet worden meegerekend.
### B. Canada
##### 7
Grenswaarden voor het beheersen van emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) bij het gebruik van consumentenproducten en commerciële producten worden bepaald, in voorkomend geval, op basis van informatie omtrent beschikbare beheerstechnologieën, -technieken en -maatregelen, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden, en de onderstaande documenten:
- a. VOC Concentration Limits for Architectural Coatings Regulations, SOR/2009-264;
- b. VOC Concentration Limits for Automotive Refinishing Products, SOR/2009-197;
- c. Regulations Amending the Prohibition of Certain Toxic Substances Regulations, 2005 (2-Methoxyethanol, Pentachlorobenzene and Tetrachlorobenzenes), SOR/2006-279;
- d. Federal Halocarbon Regulations, SOR/2003-289;
- e. Prohibition of Certain Toxic Substances Regulations, SOR/2003-99;
- f. Solvent Degreasing Regulations, SOR/2003-283;
- g. Tetrachloroethylene (Use in Dry Cleaning and Reporting Requirements) Regulations, SOR/2003-79;
- h. Order Adding Toxic Substances to Schedule 1 to the Canadian Environmental Protection Act, 1999;
- i. Notice with Respect to Certain Substances on the Domestic Substances List (DSL);
- j. Order Amending Schedule 1 to the Canadian Environmental Protection Act, 1999 (Miscellaneous Program);
- k. Ozone-depleting Substances Regulations, SOR/99-7;
- l. Proposed regulations for VOC Concentrations Limits for Certain Products;
- m. Proposed notice requiring the preparation and implementation of pollution prevention plans in respect of specified substances on Schedule 1 of the Canadian Environmental Protection Act, 1999, related to the resin and synthetic rubber manufacturing sector;
- n. Proposed notice requiring the preparation and implementation of pollution prevention plans in respect of specified substances on Schedule 1 of the Canadian Environmental Protection Act, 1999, implicated in the polyurethane and other foam sector (except polystyrene);
- o. Notice with Respect to Certain Hydrochlorofluorocarbons;
- p. Notice with Respect to Certain Substances on the Domestic Substances List (DSL); en
- q. Environmental Code of Practice for the Reduction of Solvent Emissions from Dry Cleaning Facilities. PN 1053.
### C. Verenigde Staten van Amerika
##### 8
Grenswaarden voor het beheersen van VOS-emissies uit bronnen die vallen onder de nationale emissienormen voor vluchtige organische stoffen voor consumentenproducten en commerciële producten (National Volatile Organic Compound Emission Standards for Consumer and Commercial Products) worden nader omschreven in de volgende documenten:
- a. Automobile refinish coatings – 40 C.F.R. deel 59, paragraaf B;
- b. Consumer products – 40 C.F.R. deel 59, paragraaf C;
- c. Architectural coatings – 40 C.F.R. deel 59, paragraaf D; en
- d. Aerosol coatings – 40 C.F.R. deel 59, paragraaf E.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed the present Protocol.
DONE at Gothenburg (Sweden), this thirtieth day of November one thousand nine hundred and ninety-nine.
1999-11-30
Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende l
original version
Tekst op deze datum