Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2009-08-29
State In force
Source BWB
artikelen 131
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • f. stimulering en vergemakkelijking van partnerschappen, netwerken en joint ventures tussen marktdeelnemers uit de EU en de OZA-regio;
  • g. bevordering van en steun voor de ontwikkeling van nichemarkten voor door ICT mogelijk geworden diensten.

TITEL IV. NATUURLIJKE HULPBRONNEN EN MILIEU

Artikel 49. Werkingssfeer en doelstellingen

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen en het milieu. Bij de samenwerking op dit gebied wordt rekening gehouden met de uiteenlopende en grensoverschrijdende behoeften van de OZA-staten.

2.

De samenwerking op het gebied van de natuurlijke hulpbronnen en het milieu bestrijkt natuurlijke rijkdommen, met inbegrip van watervoorraden, en het milieu, met inbegrip van de biodiversiteit, alsmede de uitbreiding van de relaties tussen handel en milieu. Verder bestrijkt zij de tenuitvoerlegging van internationale milieuovereenkomsten en -verdragen.

Artikel 50. Watervoorraden

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking bij de ontwikkeling van watervoorraden (met inbegrip van irrigatie, waterkracht en watervoorziening) ten behoeve van de verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

  • a. duurzame ontwikkeling en duurzaam beheer van de watervoorraden in de regio;
  • b. regionale samenwerking bij het duurzame gebruik van grensoverschrijdende watervoorraden.
2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

  • a. ontwikkeling van de infrastructuur voor watervoorraden in de regio;
  • b. steun bij de ontwikkeling van wet- en regelgevingskaders;
  • c. bevordering van een geïntegreerd waterbeheer;
  • d. capaciteitsopbouw op het gebied van menselijke hulpbronnen, verbetering van servicenormen, van het waterbeheer en van institutionele structuren;
  • e. stimulering en vergemakkelijking van partnerschappen, netwerken en joint ventures tussen marktdeelnemers uit de EU en de OZA-regio;
  • f. ontwikkeling, overdracht en toepassingen van technologie, O&O, innovatie, uitwisseling van informatie, informatienetwerken;
  • g. bestrijding van waterverontreiniging, waterzuivering, waterbehoud, afvalwaterbehandeling en afvalwaterzuivering;
  • h. bevordering van duurzame irrigatieprogramma's.

Artikel 51. Milieu

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking bij de bescherming en het duurzame beheer van het milieu en de tenuitvoerlegging van een handelsgerelateerd milieubeleid. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

  • a. bescherming, herstel en behoud van het milieu en de biodiversiteit: flora, fauna en bacteriologische genetische hulpbronnen, met inbegrip van hun ecosystemen;
  • b. ontwikkeling van nieuwe milieugerelateerde industrieën in de OZA-regio;
  • c. vermindering van milieuaantasting, met inbegrip van luchtverontreiniging en verwoestijning.
2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

  • a. steun bij de tenuitvoerlegging van internationale milieuovereenkomsten en -verdragen;
  • b. versterking en bevordering van duurzame milieubeheerssystemen;
  • c. duurzaam gebruik van de biodiversiteit, van bossen en van in het wild voorkomende dieren en planten;
  • d. versterking van het institutionele en rechtskader en van de capaciteit wet- en regelgeving, normen en beleid op milieugebied op te stellen, uit te voeren, te beheren en te handhaven;
  • e. capaciteitsopbouw op het gebied van menselijke hulpbronnen en institutionele structuren teneinde eisen op het gebied van milieu en biodiversiteit in acht te nemen;
  • f. stimulering en vergemakkelijking van partnerschappen, netwerken en joint ventures tussen marktdeelnemers uit de EU en de OZA-regio;
  • g. mitigatie van natuurrampen, voorkoming van milieurampen en van het verlies van biodiversiteit;
  • h. ontwikkeling en aanpassing, overdracht en toepassingen van technologie, O&O en innovatie;
  • i. bescherming en beheer van hulpbronnen aan de kust en in zee en van gedomesticeerde en in het wild voorkomende inheemse biologische hulpbronnen;
  • j. steun voor de ontwikkeling van alternatieve milieuvriendelijke activiteiten en vormen van levensonderhoud;
  • k. steun voor de productie en vergemakkelijking van de handel in goederen en diensten waarvoor een milieukeur belangrijk is;
  • l. uitwisseling van informatie over en netwerkvorming inzake producten en de daaraan gestelde eisen wat het productieproces, het vervoer, marketing en etikettering betreft;
  • m. steun voor de ontwikkeling van infrastructuurfaciliteiten voor milieuvriendelijke producten;
  • n. inschakeling van lokale gemeenschappen bij het beheer van de biodiversiteit, van bossen en van in het wild levende planten en dieren;
  • o. afvalbeheer en verwijdering van industrieel en toxisch afval;
  • p. duurzaam beheer van bossen en dergelijke mechanismen.

Artikel 52. Financiële garanties

1.

De EG stelt de OZA-staten financiële hulp ter beschikking als bijdrage voor de tenuitvoerlegging van de programma's en projecten in het kader van de in deze overeenkomst en de desbetreffende hoofdstukken beschreven samenwerkingsgebieden en van de uitvoerige ontwikkelingsmatrix.

2.

De partijen komen overeen adequate gezamenlijke institutionele regelingen te treffen om doeltreffend toezicht uit te oefenen op de tenuitvoerlegging van de ontwikkelingssamenwerking in het kader van deze overeenkomst. Een van die regelingen is de oprichting van een gezamenlijk ontwikkelingscomité.

3.

De partijen komen overeen dat de institutionele regelingen flexibel blijven, zodat zij kunnen worden aangepast aan nieuwe nationale en regionale behoeften.

HOOFDSTUK V. GEBIEDEN VOOR TOEKOMSTIGE ONDERHANDELINGEN

Artikel 53. Rendez-vousclausule

Voortbouwend op de Overeenkomst van Cotonou en rekening houdend met de vorderingen die worden gemaakt bij de onderhandelingen over een volledige EPO komen de partijen overeen de onderhandelingen overeenkomstig artikel 3 voort te zetten met het oog op de sluiting van een volledige EPO, die de volgende gebieden zal bestrijken:

  • a. douane en handelsbevordering;
  • b. nog open vraagstukken inzake handel en markttoegang, met inbegrip van oorsprongsregels en andere verwante onderwerpen en handelsbeschermingsmaatregelen, met inbegrip van ultraperifere gebieden;
  • c. technische handelsbelemmeringen en sanitaire en fytosanitaire maatregelen;
  • d. handel in diensten;
  • e. handelsgerelateerde vraagstukken, namelijk:
  • i. mededingingsbeleid;
  • ii. investeringen en ontwikkeling van de particuliere sector;
  • iii. handel, milieu en duurzame ontwikkeling;
  • iv. intellectuele-eigendomsrechten;
  • v. transparantie bij overheidsopdrachten;
  • f. landbouw;
  • g. lopende betalingen en kapitaalbetalingen;
  • h. ontwikkelingsvraagstukken;
  • i. samenwerking en dialoog inzake goed bestuur op fiscaal en justitieel terrein;
  • j. een uitgebreid mechanisme voor geschillenbeslechting, institutionele regelingen;

HOOFDSTUK VI. VERMIJDEN EN BESLECHTEN VAN GESCHILLEN, INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

TITEL I. VERMIJDEN EN BESLECHTEN VAN GESCHILLEN

Artikel 54. Overleg

1.

De partijen streven ernaar elk geschil over de uitleg en toepassing van deze overeenkomst op te lossen door te goeder trouw overleg te plegen om tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

2.

Een partij verzoekt de andere partij schriftelijk om overleg, waarbij zij aangeeft om welke maatregel het gaat en met welke bepalingen van de overeenkomst de maatregel niet in overeenstemming zou zijn.

3.

Het overleg vindt plaats binnen 40 dagen na de datum van indiening van het verzoek. Het overleg wordt 60 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij de partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Het overleg blijft vertrouwelijk.

4.

Overleg over urgente kwesties, zoals over bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, vindt plaats binnen 15 dagen na de datum van indiening van het verzoek en wordt 30 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten.

Artikel 55. Geschillenbeslechting

1.

Indien het overleg niet binnen de in artikel 54 genoemde 60 resp. 30 dagen leidt tot beslechting van het geschil, kan elk van beide partijen verzoeken om beslechting van het geschil door arbitrage. Elk van beide partijen benoemt daartoe binnen 30 dagen na het verzoek om arbitrage een scheidsrechter door de andere partij en het EPO-comité hiervan in kennis te stellen. In het verzoek om arbitrage wordt aangegeven om welke maatregel het gaat en met welke bepalingen van de overeenkomst de maatregel volgens de klagende partij niet in overeenstemming is. Wanneer dit niet gebeurt, kan elk van beide partijen de secretaris-generaal van het Permanente Hof van Arbitrage vragen de tweede scheidsrechter te benoemen.

2.

De twee scheidsrechters benoemen vervolgens binnen dertig dagen een derde scheidsrechter. Wanneer dit niet gebeurt, kan elk van beide partijen de secretaris-generaal van het Permanente Hof van Arbitrage vragen de derde scheidsrechter te benoemen.

3.

Behoudens andersluidende beslissing van de scheidsrechters wordt de procedure toegepast die is vastgelegd in het optionele arbitragereglement van het Permanente Hof van Arbitrage voor Internationale Organisaties en Staten. De scheidsrechters nemen binnen 90 dagen bij meerderheid van stemmen een besluit; in spoedeisende gevallen spannen zij zich in om binnen 60 dagen een besluit te nemen.

4.

Elk van beide partijen bij het geschil is verplicht de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van de beslissing van de scheidsrechters.

5.

In afwijking van lid 1 is de procedure van artikel 98 van de Overeenkomst van Cotonou van toepassing bij geschillen over de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, als bedoeld in de Overeenkomst van Cotonou.

TITEL II. ALGEMENE UITZONDERINGEN

Artikel 56. Algemene uitzonderingsclausule

Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen bij soortgelijke omstandigheden of een verkapte beperking van de internationale handel vormen, wordt geen bepaling in deze overeenkomst uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen door de EG, de OZA-staten of een overeenkomstsluitende OZA-staat van maatregelen:

  • a. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare zeden of de handhaving van de openbare orde en de openbare veiligheid;
  • b. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;
  • c. die noodzakelijk zijn voor de handhaving van wetten of voorschriften die niet strijdig zijn met deze overeenkomst, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:
  • i. het voorkomen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van contracten te compenseren;
  • ii. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en op de bescherming van de vertrouwelijke aard van persoonlijke dossiers en rekeningen;
  • iii. de veiligheid;
  • iv. de handhaving van douanevoorschriften;
  • v. de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten;
  • d. die verband houden met de invoer of de uitvoer van goud of zilver;
  • e. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed;
  • f. die betrekking hebben op de instandhouding van niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen, indien die maatregelen gepaard gaan met beperkingen van de binnenlandse productie of het binnenlandse verbruik van goederen, het binnenlandse aanbod of verbruik van diensten of met beperkingen voor binnenlandse investeerders;
  • g. die betrekking hebben op voortbrengselen van gevangenisarbeid;
  • h. die van wezenlijk belang zijn voor het verwerven of distribueren van producten in het algemeen of die plaatselijk zeldzaam zijn, mits dergelijke maatregelen in overeenstemming zijn met het beginsel dat alle partijen recht hebben op een billijk aandeel in het internationale aanbod van dergelijke producten, en mits dergelijke maatregelen, wanneer zij niet in overeenstemming zijn met andere bepalingen van deze overeenkomst, worden beëindigd zodra de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de maatregelen, niet meer bestaan.

Artikel 57. Uitzonderingen met betrekking tot de nationale veiligheid

1.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat zij:

  • a. de EG of een overeenkomstsluitende OZA-staat verplicht gegevens te verstrekken waarvan openbaarmaking naar haar (zijn) oordeel tegen haar (zijn) wezenlijke veiligheidsbelangen indruist;
  • b. de EG of een overeenkomstsluitende OZA-staat belet maatregelen te nemen die zij (hij) ter bescherming van haar (zijn) wezenlijke veiligheidsbelangen nodig acht en die:
  • i. betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd;
  • ii. betrekking hebben op economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting als doel hebben;
  • iii. verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig;
  • iv. betrekking hebben op overheidsopdrachten die onontbeerlijk zijn voor de nationale veiligheid of voor de nationale defensie;
  • v. in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen;
  • c. de EG of een overeenkomstsluitende OZA-staat belet maatregelen te nemen tot uitvoering van verplichtingen die zij (hij) op zich heeft genomen met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.
2.

De partijen lichten elkaar zo volledig mogelijk in over maatregelen die krachtens lid 1, onder b) en c), worden genomen en over de beëindiging daarvan.

Artikel 58. Belastingen

1.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst of in een in het kader van deze overeenkomst getroffen regeling wordt uitgelegd als beletsel voor de EG of voor een overeenkomstsluitende OZA-staat om bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van haar (zijn) belastingwetgeving een onderscheid te maken tussen belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot hun verblijfplaats of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd.

2.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst of in een in het kader van deze overeenkomst getroffen regeling wordt uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of doen naleven van maatregelen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking overeenkomstig de fiscale bepalingen van overeenkomsten inzake voorkoming van dubbele belastingheffing, andere belastingregelingen of de binnenlandse belastingwetgeving.

3.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst heeft gevolgen voor de rechten en verplichtingen van de EG of een overeenkomstsluitende OZA-staat uit hoofde van enig belastingverdrag. In geval van strijdigheid tussen deze overeenkomst en een dergelijk verdrag heeft dat verdrag voorrang voor zover het strijdige bepalingen betreft.

TITEL III. INSTITUTIONELE BEPALINGEN, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 59. Relatie tussen deze overeenkomst en de volledige EPO

In geval van strijdigheid tussen de volledige EPO en deze tussentijdse overeenkomst heeft de volledige EPO voorrang voor zover het strijdige bepalingen betreft.

Artikel 60. Ultraperifere gebieden van de Europese Gemeenschap

1.

Gezien de geografische nabijheid van de ultraperifere gebieden van de EG en de OZA-staten en ter versterking van de economische en sociale banden tussen deze gebieden en de OZA-staten, streven de partijen ernaar, tussen deze gebieden en de OZA-staten, de samenwerking op alle door deze overeenkomst bestreken gebieden te vergemakkelijken, de handel in goederen en diensten uit te bouwen en te verbeteren, investeringen aan te moedigen en het vervoer en communicatieverbindingen te stimuleren.

2.

De in lid 1 genoemde doelen worden waar mogelijk ook nagestreefd door de gezamenlijke deelname van de OZA-staten en de ultraperifere gebieden in kaderprogramma's en specifieke programma's van de EG op door deze overeenkomst bestreken gebieden te stimuleren.

3.

De EG streeft naar coördinatie tussen de verschillende financiële instrumenten van haar cohesie- en ontwikkelingsbeleid, teneinde de samenwerking tussen de OZA-staten en de ultraperifere gebieden van de EG op door deze overeenkomst bestreken gebieden te stimuleren.

4.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst belet de EG toepassing van bestaande maatregelen uit hoofde van artikel 299, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap ter verbetering van de structurele economische en sociale situatie van de ultraperifere gebieden.

Artikel 61. Definitie van de partijen en naleving van verplichtingen

1.

De overeenkomstsluitende partijen bij deze overeenkomst zijn de Unie der Comoren, de Republiek Madagaskar, de Republiek Mauritius, de Republiek der Seychellen, de Republiek Zambia en de Republiek Zimbabwe, hierna de „OZA-staten” genoemd, enerzijds, en de EG of haar lidstaten of de EG en haar lidstaten, in het kader van hun respectieve bevoegdheidsgebieden overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, hierna de „EG” genoemd, anderzijds, waarvoor deze overeenkomst in werking is getreden of voorlopig wordt toegepast.

2.

Voor de toepassing van deze overeenkomst stemmen de OZA-staten, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, ermee in gezamenlijk op te treden. Wanneer in het kader van deze overeenkomst een individuele actie voorzien of vereist is om rechten uit te oefenen of verplichtingen na te leven, wordt verwezen naar „overeenkomstsluitende OZA-staat”.

3.

De partijen of, naargelang het geval, de overeenkomstsluitende OZA-staat (OZA-staten) treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze overeenkomst te voldoen en zien erop toe dat zij de in deze overeenkomst neergelegde doelstellingen in acht nemen.

4.

Op een overeenkomstsluitende OZA-staat waarop de in hoofdstuk II genoemde rechten en plichten niet van toepassing zijn, zijn de rechten en plichten uit hoofde van de andere hoofdstukken van deze overeenkomst wel van toepassing.

Artikel 62. Inwerkingtreding, opzegging en duur

1.

Deze overeenkomst wordt ondertekend, geratificeerd en goedgekeurd volgens de toepasselijke grondwettelijke of interne voorschriften en procedures van de respectieve partijen.

2.

Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand volgende op de nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

3.

Kennisgevingen van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring moeten worden gezonden naar de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie en naar de secretaris-generaal van de Gemeenschappelijke Markt van Oostelijk en Zuidelijk Afrika, die de depositarissen voor deze overeenkomst zijn.

4.

De EG en de overeenkomstsluitende OZA-staten komen overeen om, in afwachting van de inwerkingtreding van de overeenkomst, de bepalingen van deze overeenkomst die in het kader van hun respectieve bevoegdheidsgebied vallen, alvast toe te passen, hierna „voorlopige toepassing” genoemd. Dit kan gebeuren door middel van voorlopige toepassing, wanneer dat mogelijk is, of door ratificatie van de overeenkomst.

5.

Van de voorlopige toepassing wordt kennisgegeven aan de depositarissen. Deze overeenkomst wordt voorlopig toegepast vanaf 10 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving van voorlopige toepassing van de EG of van de ratificatie of voorlopige toepassing van alle in bijlage II genoemde overeenkomstsluitende OZA-staten, afhankelijk van welke de laatste is.

6.

In afwijking van de leden 2 en 4 kunnen de EG en de overeenkomstsluitende OZA-staten unilateraal stappen nemen om de overeenkomst, voor zover haalbaar, al voor de voorlopige toepassing toe te passen.

7.

De EG of een of meer overeenkomstsluitende OZA-staten kunnen de andere partij schriftelijk kennis geven van hun voornemen deze overeenkomst op te zeggen.

8.

De opzegging wordt een maand na de kennisgeving aan de andere partij van kracht.

9.

Deze overeenkomst blijft van kracht totdat de volledige EPO in werking treedt.

Artikel 63. Territoriaal toepassingsgebied

Deze overeenkomst is van toepassing op, enerzijds, elk gebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, onder de in dat verdrag neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, het gebied van de overeenkomstsluitende OZA-staten. Verwijzingen in deze overeenkomst naar „gebied” worden in deze zin begrepen.

Artikel 64. epo-comité

1.

Hierbij wordt een EPO-comité opgericht.

2.

Het EPO-comité is verantwoordelijk voor het beheer van alle onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden, met inbegrip van de in artikel 36 bedoelde ontwikkelingssamenwerking, en voor de uitvoering van de in deze overeenkomst genoemde taken.

3.

Het EPO-comité bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen. Elk van beide partijen stelt de organisatie van haar vertegenwoordiging vast.

4.

Het EPO-comité stelt binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de tussentijdse overeenkomst zijn reglement van orde vast.

Artikel 65. Relatie tot andere overeenkomsten

1.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst doet afbreuk aan de toepassing van passend geachte maatregelen als bedoeld in de artikelen 11 ter, 96 en 97 van de Overeenkomst van Cotonou overeenkomstig de in die artikelen vastgestelde procedures.

2.

In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deel 3, titel II, van de Overeenkomst van Cotonou, met uitzondering van de daarin vervatte bepalingen inzake ontwikkelingssamenwerking, en de bepalingen van deze overeenkomst, hebben de bepalingen van deze overeenkomst voorrang.

3.

De partijen erkennen dat enkele overeenkomstsluitende OZA-staten geen lid van de WTO zijn. Verwijzingen in deze overeenkomst naar WTO-overeenkomsten (met inbegrip van de daarin vervatte definities) en WTO-organen of -comités worden niet zo uitgelegd dat zij een overeenkomstsluitende OZA-staat die geen lid van de WTO is, verplichtingen uit hoofde van dergelijke WTO-overeenkomsten of besluiten van dergelijke WTO-organen of -comités opleggen die verder gaan dan de verplichtingen die die overeenkomstsluitende OZA-staat in het kader van deze overeenkomst uitdrukkelijk is aangegaan. In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van WTO-overeenkomsten of besluiten van WTO-organen of -comités, enerzijds, en bepalingen van deze overeenkomst, anderzijds, hebben laatstgenoemde bepalingen altijd voorrang voor overeenkomstsluitende OZA-staten die geen lid van de WTO zijn.

4.

De partijen komen overeen dat geen enkele bepaling in deze overeenkomst hen of de overeenkomstsluitende OZA-staten verplicht te handelen op een wijze die in strijd is met hun WTO-verplichtingen.

Artikel 66. Toetreding

1.

De volgende OZA-staten, te weten de Republiek Djibouti, de Staat Eritrea, de Federale Democratische Republiek Ethiopië, de Republiek Malawi en de Republiek Sudan, kunnen tot deze overeenkomst toetreden wanneer de partijen hiermee instemmen. Voor de toetredende staat treedt deze overeenkomst in werking in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke procedures van de EG, de OZA-staten en het toetredende land. De EG streeft ernaar deze overeenkomst zo spoedig mogelijk op het toetredende land toe te passen.

2.

Elk verzoek om toetreding tot deze overeenkomst door een niet in lid 1 genoemde staat in de OZA-regio wordt ingediend bij het EPO-comité, dat erover beslist.

3.

Het EPO-comité kan de voorwaarden en specifieke regelingen met het oog op de toetreding van een in lid 2 bedoelde staat vaststellen.

4.

Voor een toetredende staat treedt deze overeenkomst in werking op de datum waarop hij zijn instrument van toetreding heeft neergelegd.

Artikel 67. Toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie

1.

Het EPO-comité wordt in kennis gesteld van elk verzoek van een derde staat om toe te treden tot de EU. Tijdens de onderhandelingen tussen de EU en de staat die het verzoek heeft ingediend, verstrekt de EG de OZA-staten alle relevante informatie en stellen de OZA-staten de EG in kennis van hun problemen, zodat deze daar ten volle rekening mee kan houden. De OZA-staten worden door de EG in kennis gesteld van elke toetreding tot de EU.

2.

Elke nieuwe lidstaat van de EU wordt vanaf de datum van zijn toetreding partij bij deze overeenkomst door middel van een daartoe strekkende clausule in de akte van toetreding. Indien de akte van toetreding tot de EU niet voorziet in een automatische toetreding tot deze overeenkomst, treedt de betrokken EU-lidstaat toe door nederlegging van een akte van toetreding bij de twee depositarissen, die hiervan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doen toekomen aan de OZA-staten.

3.

De partijen onderzoeken de gevolgen van de toetreding van nieuwe EU-lidstaten voor deze overeenkomst. Het EPO-comité kan de nodige overgangs- of wijzigingsmaatregelen vaststellen.

Artikel 68. Wijzigingen

1.

Wijzigingen in deze overeenkomst worden goedgekeurd door het EPO-comité; ze treden in werking wanneer ze zijn geratificeerd.

2.

Het EPO-comité stelt overgangsmaatregelen vast indien deze nodig mochten zijn totdat de gewijzigde bepalingen in werking treden.

Artikel 69. Authentieke teksten

Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud, in de volgende talen: Bulgaars, Tsjechisch, Deens, Nederlands, Engels, Ests, Fins, Frans, Duits, Grieks, Hongaars, Italiaans, Lets, Litouws, Maltees, Pools, Portugees, Roemeens, Slowaaks, Sloveens, Spaans en Zweeds, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 70. Bijlagen

De bijlagen en protocollen vormen een integrerend deel van deze overeenkomst en kunnen worden herzien en/of gewijzigd door het EPO-comité.

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a. „vervaardiging”: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage of speciale behandelingen;
  • b. „materiaal”: alle ingrediënten, grondstoffen, componenten of delen enz., die bij de vervaardiging van het product worden gebruikt;
  • c. „product”: het product dat wordt vervaardigd, ook indien dit bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt;
  • d. „goederen”: zowel materialen als producten;
  • f. „prijs af fabriek”: de prijs van het product af fabriek, betaald aan de fabrikant in de Gemeenschap of in de OZA-staten in wiens onderneming de laatste be- of verwerking is verricht, voor zover in die prijs de waarde is begrepen van alle gebruikte materialen, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd;
  • g. „waarde van de materialen”: de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de Gemeenschap of in de OZA-staten is betaald;
  • h. „waarde van de materialen van oorsprong”: de waarde van deze materialen volgens de definitie in punt g), die van overeenkomstige toepassing is;
  • i. „toegevoegde waarde”: de prijs af fabriek verminderd met de douanewaarde van elk van de verwerkte materialen die van oorsprong zijn uit de andere in de artikelen 3 en 4 bedoelde landen of gebieden waarmee cumulatie mogelijk is, of, indien de douanewaarde niet bekend is of niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de Gemeenschap of in een van de OZA-staten is betaald;
  • j. „hoofdstukken” en „posten”: de hoofdstukken en posten (viercijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen vormt, in dit protocol „het geharmoniseerd systeem” of „GS” genoemd;
  • k. „ingedeeld”: de indeling van een product of materiaal onder een bepaalde post;
  • l. „zending”: producten die gelijktijdig van één exporteur naar één geadresseerde worden verzonden of die vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument voor de verzending van de exporteur naar de geadresseerde, of bij gebreke daarvan, een enkele factuur;
  • m. „gebieden”: met inbegrip van de territoriale wateren;
  • n. „LGO's”: de landen en gebieden overzee zoals gedefinieerd in bijlage IX;
  • o. „andere ACS-staten”: alle ACS-staten met uitzondering van de OZA-staten.

TITEL II. DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG”

Artikel 2. Algemene voorwaarden

1.

Voor de toepassing van de economische partnerschapsovereenkomst OZA-EU, hierna „de overeenkomst” genoemd, worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit de Gemeenschap:

  • b. in de Gemeenschap verkregen producten waarin materialen zijn verwerkt die daar niet volledig zijn verkregen, mits die materialen in de Gemeenschap een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 7.
2.

Voor de toepassing van de overeenkomst worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit een OZA-staat:

  • a. volledig in een OZA-staat verkregen producten in de zin van artikel 6 van dit protocol;
  • b. in een OZA-staat verkregen producten waarin materialen zijn verwerkt die daar niet volledig zijn verkregen, mits die materialen in die OZA-staat een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 7.

Artikel 3. Cumulatie in de Gemeenschap

1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 1, worden producten als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd als zij daar zijn verkregen en in die producten materialen zijn verwerkt die van oorsprong zijn uit een OZA-staat, andere ACS-staten of de LGO's, mits de be- of verwerking in de Gemeenschap ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen. De materialen behoeven geen toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan.

2.

Wanneer de be- of verwerking in de Gemeenschap niet ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product alleen als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd wanneer de aldaar toegevoegde waarde groter is dan de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de in lid 1 bedoelde andere landen en gebieden. Indien dit niet het geval is, wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land of gebied dat de hoogste waarde aan van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging in de Gemeenschap zijn gebruikt, voor zijn rekening neemt.

3.

Producten van oorsprong uit een van de in de leden 1 en 2 bedoelde landen of gebieden, die geen be- of verwerking in de Gemeenschap ondergaan, behouden hun oorsprong indien zij naar een van deze landen of gebieden worden uitgevoerd.

4.

Voor de toepassing van artikel 2, lid 1, onder b), worden be- of verwerkingen in een OZA-staat, in de andere ACS-staten of in de LGO's geacht in de Gemeenschap te zijn verricht wanneer de verkregen producten naderhand nog in de Gemeenschap worden be- of verwerkt. Wanneer de van oorsprong zijnde producten op grond van deze bepaling in twee of meer van de betrokken landen of gebieden worden verkregen, worden zij alleen als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd indien de be- of verwerking ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen.

5.

Wanneer de be- of verwerking in de Gemeenschap niet ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product alleen als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd wanneer de aldaar toegevoegde waarde groter is dan de waarde van de materialen die in een van de in lid 4 bedoelde andere landen en gebieden werden gebruikt. Indien dit niet het geval is, wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land of gebied dat de hoogste waarde aan bij de vervaardiging gebruikte materialen voor zijn rekening neemt.

6.

De in dit artikel bedoelde cumulatie kan alleen worden toegepast wanneer:

  • a. de landen die betrokken zijn bij het verwerven van de oorsprongsstatus en het land van bestemming een overeenkomst inzake administratieve samenwerking hebben gesloten die een correcte toepassing van dit artikel garandeert;
  • b. materialen en producten de oorsprongsstatus hebben verkregen door toepassing van dezelfde oorsprongsregels als die welke in dit protocol zijn vermeld;
  • c. de Gemeenschap de OZA-staten via de Europese Commissie bijzonderheden verstrekt over overeenkomsten inzake administratieve samenwerking met de andere in dit artikel bedoelde landen of gebieden. De Europese Commissie en de OZA-staten maken, respectievelijk in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie en volgens hun eigen procedures, bekend vanaf welke datum de in dit artikel bedoelde cumulatie met de in dit artikel bedoelde landen of gebieden die aan de nodige eisen hebben voldaan, mag worden toegepast.
7.

De in dit artikel bedoelde cumulatie kan voor de in bijlage X genoemde producten pas vanaf 1 oktober 2015 worden toegepast en voor rijst bedoeld in tariefpost 1006 pas vanaf 1 januari 2010.

Artikel 4. Cumulatie in de OZA-staten

1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 2, worden producten als van oorsprong uit een OZA-staat beschouwd als zij daar zijn verkregen en in die producten materialen zijn verwerkt die van oorsprong zijn uit de Gemeenschap, andere ACS-staten, de LGO's of andere OZA-staten, mits de be- of verwerking in die OZA-staat ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen. De materialen behoeven geen toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan.

2.

Wanneer de be- of verwerking in de OZA-staat niet ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product alleen als van oorsprong uit die OZA-staat beschouwd wanneer de aldaar toegevoegde waarde groter is dan de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de in lid 1 bedoelde andere landen en gebieden. Indien dit niet het geval is, wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land of gebied dat de hoogste waarde aan van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging in die OZA-staat zijn gebruikt, voor zijn rekening neemt.

3.

Producten van oorsprong uit een van de in de leden 1 en 2 bedoelde landen of gebieden, die geen be- of verwerking in de OZA-staat ondergaan, behouden hun oorsprong indien zij naar een van die landen of gebieden worden uitgevoerd.

4.

Voor de toepassing van artikel 2, lid 2, onder b), worden be- of verwerkingen in de Gemeenschap, de andere OZA-staten, de andere ACS-staten of de LGO's geacht in een bepaalde OZA-staat te zijn verricht wanneer de verkregen producten naderhand nog in die OZA-staat worden be- of verwerkt. Wanneer de van oorsprong zijnde producten op grond van deze bepaling in twee of meer van de betrokken landen of gebieden worden verkregen, worden zij alleen als van oorsprong uit die OZA-staat beschouwd indien de be- of verwerking ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen.

5.

Wanneer de be- of verwerking in de OZA-staat niet ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product alleen als van oorsprong uit die OZA-staat beschouwd wanneer de aldaar toegevoegde waarde groter is dan de waarde van de materialen die in een van de in lid 4 bedoelde andere landen en gebieden werden gebruikt. Indien dit niet het geval is, wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land of gebied dat de hoogste waarde aan bij de vervaardiging gebruikte materialen voor zijn rekening neemt.

6.

De in dit artikel bedoelde cumulatie kan alleen worden toegepast wanneer:

  • a. de landen die betrokken zijn bij het verwerven van de oorsprongsstatus en het land van bestemming een overeenkomst inzake administratieve samenwerking hebben gesloten die een correcte toepassing van dit artikel garandeert;
  • b. materialen en producten de oorsprongsstatus hebben verkregen door toepassing van dezelfde oorsprongsregels als die welke in dit protocol zijn vermeld;
  • c. de OZA-staten de Gemeenschap via de Europese Commissie bijzonderheden verstrekken over overeenkomsten inzake administratieve samenwerking met de andere in dit artikel bedoelde landen of gebieden. De Europese Commissie en de OZA-staten maken, respectievelijk in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie en volgens hun eigen procedures, bekend vanaf welke datum de in dit artikel bedoelde cumulatie met de in dit artikel bedoelde landen of gebieden die aan de nodige eisen hebben voldaan, mag worden toegepast.
7.

De in dit artikel bedoelde cumulatie is niet van toepassing op de in bijlage X genoemde producten. Desalniettemin kan de in dit artikel bedoelde cumulatie pas vanaf 1 oktober 2015 worden toegepast voor de in bijlage X genoemde producten en pas vanaf 1 januari 2010 voor rijst als bedoeld in tariefpost 1006 wanneer de voor de vervaardiging van die producten gebruikte materialen van oorsprong zijn uit of wanneer de be- of verwerking wordt verricht in een OZA-staat of in een andere ACS-staat die partij is bij een economische partnerschapsovereenkomst.

8.

Dit artikel is niet van toepassing op producten van bijlage XII die van oorsprong zijn uit Zuid-Afrika. Op de in bijlage XIII genoemde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika is de in dit artikel bedoelde cumulatie na 31 december 2009 van toepassing.

Artikel 5. Cumulatie met naburige ontwikkelingslanden

In overeenstemming met artikel 41 worden, op verzoek van de OZA-staten, materialen van oorsprong uit een naburig ontwikkelingsland dat geen ACS-staat is maar tot een samenhangende geografische entiteit behoort, waarvan een lijst in bijlage VIII is opgenomen, als materialen van oorsprong uit een OZA-staat beschouwd wanneer zij in een aldaar verkregen product zijn verwerkt. De materialen behoeven geen toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan, mits:

  • a. de be- of verwerking in de OZA-staat ingrijpender is dan de in artikel 8 vermelde be- en verwerkingen;
  • b. de OZA-staten, de Gemeenschap en de betrokken naburige ontwikkelingslanden een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in adequate administratieve samenwerkingsprocedures om de correcte toepassing van deze alinea te garanderen.

De in dit artikel bedoelde cumulatie is niet van toepassing op de lijst van producten die bij besluit van het comité voor douanesamenwerking zal worden opgesteld.

Aan de hand van dit protocol wordt vastgesteld of de producten van oorsprong zijn uit een naburig ontwikkelingsland, zoals gedefinieerd in bijlage VIII.

Artikel 6. Volledig verkregen producten

1.

Als volledig in een OZA-staat of in de Gemeenschap verkregen worden beschouwd:

  • a. aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen minerale producten;
  • b. aldaar geoogste producten van het plantenrijk;
  • c. aldaar geboren en opgefokte levende dieren;
  • d. producten afkomstig van aldaar gehouden levende dieren;
  • e.
  • i. producten van de aldaar bedreven jacht en visserij;
  • ii. producten van de aldaar bedreven aquicultuur, maricultuur daaronder begrepen, wanneer de vis er is geboren en opgefokt;
  • f. producten van de zeevisserij en andere producten van de zee die door hun schepen buiten de territoriale wateren van de Gemeenschap of een OZA-staat uit zee werden gewonnen;
  • g. producten die, uitsluitend uit de onder f) bedoelde producten, aan boord van hun fabrieksschepen werden vervaardigd;
  • h. aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen, met inbegrip van gebruikte banden die uitsluitend geschikt zijn om van een nieuw loopvak te worden voorzien of slechts als afval kunnen worden gebruikt;
  • i. afval en schroot afkomstig van aldaar verrichte industriële bewerkingen;
  • j. producten, buiten de territoriale wateren gewonnen uit de zeebodem of -ondergrond, mits zij het alleenrecht hebben op ontginning van deze bodem of ondergrond;
  • k. goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met j) bedoelde producten zijn vervaardigd.
2.

De termen „hun schepen” en „hun fabrieksschepen” in lid 1, onder f) en g), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

  • a. die in een lidstaat van de EG of in een OZA-staat zijn geregistreerd;
  • b. die de vlag van een lidstaat van de EG of van een OZA-staat voeren;
  • c. die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
  • i. zij behoren voor ten minste 50% toe aan onderdanen van een lidstaat van de EG of van een OZA-staat; of
  • ii. zij behoren toe aan een onderneming:
  • –. die haar hoofdkantoor en haar belangrijkste handelsactiviteit in een lidstaat van de EG of in een OZA-staat heeft; en
  • –. die voor ten minste 50% toebehoort aan een lidstaat van de EG of een OZA-staat of aan overheidsorganen of onderdanen van die lidstaat of OZA-staat.
3.

In afwijking van het bepaalde in lid 2 erkent de Gemeenschap, op verzoek van een OZA-staat, dat door die OZA-staat gecharterde of geleasede vaartuigen worden beschouwd als „zijn schepen” om in zijn exclusieve economische zone visserijactiviteiten uit te oefenen, mits het comité voor douanesamenwerking van oordeel is dat het charter- of leasecontract, dat in eerste instantie aan de Gemeenschap is aangeboden, een geschikte manier is om de capaciteit van de betrokken OZA-staat om voor eigen rekening te vissen, verder te ontwikkelen en met name dat die OZA-staat de verantwoordelijkheid draagt voor het nautische en commerciële beheer van het vaartuig dat hem gedurende langere tijd ter beschikking staat.

4.

Aan de voorwaarden van lid 2 kan worden voldaan in verschillende staten, zolang deze behoren tot de OZA-staten. In dat geval worden de producten geacht de oorsprong te hebben van de staat waarvan onderdanen of ondernemingen overeenkomstig lid 2, onder c), eigenaar zijn van het schip of het fabrieksschip. Wanneer een schip of een fabrieksschip eigendom is van onderdanen of ondernemingen uit staten die partij zijn bij verschillende economische partnerschapsovereenkomsten, worden de producten geacht van oorsprong te zijn uit de staat waarvan de onderdanen of ondernemingen overeenkomstig lid 2, onder c), het grootste aandeel hebben.

Artikel 7. Toereikende be- of verwerking

1.

Voor de toepassing van artikel 2 worden niet volledig verkregen producten geacht een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan wanneer aan de voorwaarden in de lijst in bijlage II is voldaan.

2.

In afwijking van lid 1 kunnen de in bijlage II(a) opgenomen producten worden geacht voor de toepassing van artikel 2 een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan wanneer is voldaan aan de in die bijlage genoemde voorwaarden.

3.

De in de leden 1 en 2 bedoelde voorwaarden geven voor alle onder deze overeenkomst vallende producten aan welke be- of verwerkingen bij de vervaardiging gebruikte, niet van oorsprong zijnde materialen moeten hebben ondergaan, en gelden slechts voor die materialen. Dit betekent dat indien een product dat de oorsprongsstatus heeft verkregen doordat het aan de in een van beide lijsten genoemde voorwaarden heeft voldaan, bij de vervaardiging van een ander product wordt gebruikt, de voorwaarden die van toepassing zijn op het product waarin het is verwerkt daarvoor niet gelden, en ook wordt geen rekening gehouden met de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan kunnen zijn gebruikt.

4.

In afwijking van de leden 1 en 2 kunnen niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de voorwaarden in de bijlagen II en II(a) niet bij de vervaardiging van een bepaald product mogen worden gebruikt, toch worden gebruikt, mits:

  • a. de totale waarde ervan niet meer bedraagt dan 15% van de prijs af fabriek van het product;
  • b. de in de lijst vermelde maximumwaarden voor niet van oorsprong zijnde materialen door de toepassing van dit lid niet worden overschreden.
5.

Lid 4 is niet van toepassing op producten bedoeld in de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem.

6.

De leden 1 tot en met 5 zijn van toepassing behoudens het bepaalde in artikel 8.

Artikel 8. Ontoereikende be- of verwerking

1.

Onverminderd lid 2 worden de volgende be- of verwerkingen als ontoereikend beschouwd om de oorsprongsstatus te verkrijgen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 7 is voldaan:

  • a. behandelingen om de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;
  • b. het splitsen en samenvoegen van colli;
  • c. het wassen of schoonmaken; het stofvrij maken of het verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;
  • d. het strijken of persen van textiel;
  • e. het eenvoudig schilderen of polijsten;
  • f. het ontvliezen of doppen, het geheel of gedeeltelijk bleken, het polijsten en het glaceren van granen of rijst;
  • g. het kleuren van suiker of het vormen van suikerklonten; het geheel of gedeeltelijk vermalen van kristalsuiker;
  • h. het pellen, ontpitten of schillen van vruchten of groenten;
  • i. het aanscherpen of het eenvoudig vermalen of versnijden;
  • j. het zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van stellen of assortimenten van artikelen);
  • k. het eenvoudig verpakken in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, het bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de verpakking;
  • l. het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;
  • m. het eenvoudig mengen van producten, ook indien van verschillende soorten; het mengen van suiker met andere stoffen;
  • n. het eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel dan wel het uit elkaar nemen van artikelen;
  • o. twee of meer van de onder a) tot en met n) vermelde behandelingen tezamen;
  • p. het slachten van dieren.
2.

Alle be- en verwerkingen die een product in de Gemeenschap of in de OZA-staten heeft ondergaan, worden tezamen genomen om te bepalen of deze als ontoereikend in de zin van lid 1 moeten worden beschouwd.

Artikel 9. In aanmerking te nemen eenheid

1.

De voor de toepassing van dit protocol in aanmerking te nemen eenheid is het product dat bij het vaststellen van de indeling in de nomenclatuur van het geharmoniseerd systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

Hieruit volgt dat:

  • a. wanneer een product, bestaande uit een groep of verzameling van artikelen, onder een enkele post van het geharmoniseerd systeem wordt ingedeeld, het geheel de in aanmerking te nemen eenheid vormt;
  • b. wanneer een zending uit een aantal identieke producten bestaat die onder dezelfde post van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld, elk product voor de toepassing van dit protocol afzonderlijk moet worden genomen.
2.

Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 10. Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden verzonden en die deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs ervan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht een geheel te vormen met het materieel of de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 11. Stellen en assortimenten

Stellen en assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem worden als van oorsprong beschouwd wanneer alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt als van oorsprong beschouwd wanneer de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15% van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 12. Neutrale elementen

Om de oorsprong van een product te bepalen, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van de bij de vervaardiging van dat product gebruikte:

  • a. energie en brandstof;
  • b. fabrieksuitrusting;
  • c. machines en werktuigen;
  • d. goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en ook niet bedoeld waren om daarin voor te komen.

TITEL III. TERRITORIALE VOORWAARDEN

Artikel 13. Territorialiteitsbeginsel

1.

Behoudens het bepaalde in de artikelen 3, 4 en 5 moet zonder onderbreking zijn voldaan aan de in titel II genoemde voorwaarden met betrekking tot het verkrijgen van de oorsprongsstatus in de OZA-staten of in de Gemeenschap.

2.

Behoudens het bepaalde in de artikelen 3, 4 en 5 worden goederen van oorsprong die uit een OZA-staat of de Gemeenschap naar een ander land zijn uitgevoerd en dan terugkeren, geacht geen product van oorsprong meer te zijn, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat:

  • a. de goederen die terugkeren dezelfde zijn als de eerder uitgevoerde goederen; en
  • b. de goederen, terwijl zij in het andere land waren of toen zij werden uitgevoerd, geen andere be- of verwerkingen hebben ondergaan dan die welke nodig waren om ze in goede staat te bewaren.

Artikel 14. Rechtstreeks vervoer

1.

De preferentiële behandeling waarin de overeenkomst voorziet, is uitsluitend van toepassing op producten die aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en die rechtstreeks tussen een OZA-staat en de Gemeenschap worden vervoerd, dan wel via het gebied van de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde andere landen waarmee cumulatie mogelijk is. Producten die een enkele zending vormen, kunnen evenwel via een ander gebied worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dat gebied, mits ze in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane blijven en aldaar geen andere behandelingen ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.

Het is evenwel toegestaan producten van oorsprong per pijpleiding door een ander gebied dan dat van een OZA-staat of de Gemeenschap te vervoeren.

2.

Het bewijs dat aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten van het land van invoer:

  • a. een enkel vervoersdocument voor het vervoer van het land van uitvoer door het land van doorvoer; of
  • b. een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat, waarin:
  • i. de producten nauwkeurig zijn omschreven;
  • ii. de data zijn vermeld waarop de producten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder vermelding van de scheepsnamen of van de andere gebruikte vervoermiddelen; en
  • iii. wordt verklaard onder welke omstandigheden de producten in het land van doorvoer verbleven; of
  • c. bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.

Artikel 15. Tentoonstellingen

1.

Op producten van oorsprong die zijn verzonden naar een tentoonstelling in een ander land of gebied dan de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden waarmee cumulatie mogelijk is, en die na de tentoonstelling zijn verkocht voor invoer in de Gemeenschap of een OZA-staat, is bij die invoer de overeenkomst van toepassing, mits ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

  • a. een exporteur deze producten vanuit een OZA-staat of de Gemeenschap naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en deze daar heeft tentoongesteld;
  • b. die exporteur de producten heeft verkocht of op andere wijze heeft afgestaan aan een persoon in een OZA-staat of in de Gemeenschap;
  • c. de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat zijn verzonden als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan; en
  • d. de producten vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.
2.

Overeenkomstig titel IV wordt een bewijs van oorsprong afgegeven of opgesteld, dat op de gebruikelijke wijze bij de douaneautoriteiten van het land van invoer wordt ingediend. Op dit bewijs moeten de naam en het adres van de tentoonstelling zijn vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd ten aanzien van de omstandigheden waaronder de producten werden tentoongesteld.

3.

Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht blijven.

TITEL IV. BEWIJS VAN OORSPRONG

Artikel 16. Algemene voorwaarden

1.

Producten van oorsprong uit een OZA-staat komen bij invoer in de Gemeenschap en producten van oorsprong uit de Gemeenschap komen bij invoer in een OZA-staat voor de voordelen van de overeenkomst in aanmerking op vertoon van:

  • a. een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage III is opgenomen; of
  • b. in de in artikel 21, lid 1, bedoelde gevallen, een verklaring van de exporteur op een factuur, pakbon of ander handelsdocument, waarin de producten voldoende duidelijk zijn omschreven om ze te kunnen identificeren, hierna „factuurverklaring” genoemd; de tekst van deze factuurverklaring is opgenomen in bijlage IV.
2.

In afwijking van lid 1 komen producten van oorsprong in de zin van dit protocol in de in artikel 27 bedoelde gevallen voor de voordelen van de overeenkomst in aanmerking zonder dat een van de hierboven genoemde documenten behoeft te worden overgelegd.

3.

Voor de toepassing van deze titel streven de exporteurs ernaar een taal te gebruiken die zowel door de OZA-staten als door de Gemeenschap wordt gebruikt.

Artikel 17. Procedure voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

1.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer afgegeven op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde.

2.

Te dien einde vult de exporteur of diens gemachtigde zowel het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 als het aanvraagformulier in; modellen van beide formulieren zijn in bijlage III opgenomen. Deze formulieren worden overeenkomstig de bepalingen van dit protocol ingevuld. Indien zij met de hand worden ingevuld, moet dit met inkt en in blokletters gebeuren. De producten moeten worden omschreven in het daartoe bestemde vak zonder dat regels worden opengelaten. Indien het vak niet volledig wordt ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale lijn getrokken en wordt het niet-ingevulde gedeelte doorgekruist.

3.

Exporteurs die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoeken, moeten op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer waar dat certificaat wordt afgegeven, steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan alle andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

4.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van een lidstaat of van een OZA-staat afgegeven indien de betrokken producten kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit de Gemeenschap, uit een OZA-staat of uit een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden, en aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

5.

De met de afgifte van het certificaat belaste douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om te controleren of de producten van oorsprong zijn en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten. Zij zien er ook op toe dat de in lid 2 bedoelde formulieren correct zijn ingevuld. Zij gaan met name na of het voor de omschrijving van de producten bestemde vak zodanig is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen niet mogelijk zijn.

6.

De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt vermeld in vak 11 van het certificaat.

7.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten afgegeven en ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd.

Artikel 18. Afgifte achteraf van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

1.

In afwijking van artikel 17, lid 7, kan een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 bij wijze van uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de producten waarop het betrekking heeft, indien:

  • a. dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd; of
  • b. ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat er wel een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is afgegeven, maar dat dit bij de invoer om technische redenen niet is aanvaard.
2.

Voor de toepassing van lid 1 moet de exporteur in zijn aanvraag plaats en datum van uitvoer vermelden voor de producten waarop het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking heeft, onder opgave van de redenen van zijn aanvraag.

3.

De douaneautoriteiten kunnen eerst tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaan na te hebben vastgesteld dat de gegevens in de aanvraag van de exporteur overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.

4.

Op een achteraf afgegeven certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt in de Engelse taal de volgende vermelding aangebracht:

„ISSUED RETROSPECTIVELY”.

5.

De in lid 4 bedoelde vermelding wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

Artikel 19. Afgifte van een duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

1.

In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 kan de exporteur de douaneautoriteiten die het certificaat hebben afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.

2.

Op het aldus afgegeven duplicaat wordt in de Engelse taal de volgende vermelding aangebracht:

„DUPLICATE”.

3.

De in lid 2 bedoelde vermelding wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

4.

Het duplicaat draagt dezelfde datum van afgifte als het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 en is vanaf die datum geldig.

Artikel 20. Afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 aan de hand van een eerder opgesteld of afgegeven bewijs van oorsprong

Voor producten van oorsprong die in een OZA-staat of in de Gemeenschap onder toezicht van een douanekantoor zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke bewijs van oorsprong bij verzending van deze producten of van een gedeelte daarvan naar een andere plaats binnen de OZA-staten of de Gemeenschap door een of meer certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden vervangen. Dergelijke certificaten worden afgegeven door het douanekantoor dat toezicht houdt op de producten en geviseerd door de douaneautoriteit die toezicht houdt op de producten.

Artikel 21. Voorwaarden voor het opstellen van een factuurverklaring

1.

De in artikel 16, lid 1, onder b), genoemde factuurverklaring kan worden opgesteld:

  • a. door een toegelaten exporteur in de zin van artikel 22; of
  • b. voor zendingen bestaande uit een of meer colli met producten van oorsprong waarvan de totale waarde niet meer dan 6 000 euro bedraagt, door elke exporteur.
2.

Een factuurverklaring kan worden opgesteld indien de betrokken producten als van oorsprong uit een OZA-staat, uit de Gemeenschap of uit een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen of gebieden kunnen worden beschouwd en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen.

3.

De exporteur die een factuurverklaring opstelt, moet op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

4.

De factuurverklaring, waarvan de tekst in bijlage IV bij dit protocol is opgenomen, wordt door de exporteur op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt in een van de in die bijlage opgenomen taalversies, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de factuurverklaring met de hand wordt geschreven, moet dit met inkt en in blokletters geschieden.

5.

De factuurverklaring wordt door de exporteur met de hand ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 22 behoeft deze verklaring echter niet te ondertekenen, mits hij de douaneautoriteiten van het land van uitvoer een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor alle factuurverklaringen waaruit zijn identiteit blijkt alsof hij deze met de hand had ondertekend.

6.

Een factuurverklaring kan door de exporteur worden opgesteld bij of na de uitvoer van de producten waarop zij betrekking heeft, maar moet uiterlijk twee jaar na de invoer van de producten waarop zij betrekking heeft in het land van invoer worden aangeboden.

Artikel 22. Toegelaten exporteur

1.

De douaneautoriteiten van het land van uitvoer kunnen een exporteur die veelvuldig producten verzendt waarop de bepalingen inzake handelssamenwerking van de overeenkomst van toepassing zijn, vergunning verlenen factuurverklaringen op te stellen ongeacht de waarde van de betrokken producten. Een exporteur die een dergelijke vergunning aanvraagt, moet ten genoegen van de douaneautoriteiten alle waarborgen bieden die nodig zijn voor de controle op de oorsprongsstatus van de producten en de naleving van de overige voorwaarden van dit protocol.

2.

De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de status van toegelaten exporteur afhankelijk stellen van alle voorwaarden die zij dienstig achten.

3.

De douaneautoriteiten kennen de toegelaten exporteur een vergunningsnummer toe, dat op de factuurverklaringen moet worden vermeld.

4.

De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning door de toegelaten exporteur.

5.

De douaneautoriteiten kunnen de vergunning te allen tijde intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet langer de in lid 1 bedoelde garanties biedt, niet meer aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden voldoet of de vergunning niet op de juiste wijze gebruikt.

Artikel 23. Geldigheid van het bewijs van oorsprong

1.

Een bewijs van oorsprong is vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer tien maanden geldig en moet binnen deze periode worden ingediend bij de douaneautoriteiten van het land van invoer.

2.

Bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële behandeling worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van buitengewone omstandigheden.

3.

In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.

Artikel 24. Doorvoerprocedure

Wanneer de goederen een in de artikelen 3 en 4 bedoeld land of gebied binnenkomen dat niet het land van oorsprong is, gaat een nieuwe geldigheidsduur van 4 maanden in op de datum waarop de douaneautoriteiten van het land van doorvoer in vak 7 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1:

  • –. het woord „transit”,
  • –. de naam van het land van doorvoer,
  • –. het officiële stempel, waarvan een voorbeeld overeenkomstig artikel 34 aan de Europese Commissie is toegezonden,
  • –. de datum van deze verklaringen, hebben aangebracht.

Artikel 25. Overlegging van het bewijs van oorsprong

Bewijzen van oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Deze douaneautoriteiten kunnen eisen dat het bewijs van oorsprong wordt vertaald en dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van de overeenkomst voldoen.

Artikel 26. Invoer in deelzendingen

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2 a) voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XVI of XVII of de posten 7308 of 9406 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt bij de invoer van de eerste deelzending een enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend.

Artikel 27. Vrijstelling van het bewijs van oorsprong

1.

Producten die in kleine colli door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, worden als producten van oorsprong toegelaten zonder dat een bewijs van oorsprong behoeft te worden overgelegd, mits deze producten niet als handelsgoederen worden ingevoerd en bij hun aangifte verklaard is dat zij aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en er over de juistheid van deze verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier CN22/CN23 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.

2.

Invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de ontvanger of de reiziger of de leden van diens gezin worden niet als invoer van handelsgoederen aangemerkt indien noch de aard, noch de hoeveelheid van de producten op commerciële doeleinden wijst.

3.

Voorts mag de totale waarde van deze producten niet meer bedragen dan 500 euro voor kleine colli of 1 200 euro voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Artikel 28. Informatieprocedure in verband met cumulatie

1.

Wanneer artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, en artikel 5 worden toegepast, wordt het bewijs dat de materialen in de zin van dit protocol van oorsprong zijn uit een OZA-staat, de Gemeenschap, een andere ACS-staat, een LGO of een ander land waarmee cumulatie mogelijk is, geleverd door een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of door de leveranciersverklaring waarvan het model in bijlage V A bij dit protocol is opgenomen, afgegeven door de exporteur in de staat waaruit de materialen afkomstig zijn, dan wel in de Gemeenschap indien de materialen uit de Gemeenschap afkomstig zijn.

2.

Wanneer artikel 3, lid 4, en artikel 4, lid 4, worden toegepast, wordt het bewijs van de be- of verwerking in een OZA-staat, de Gemeenschap, een andere ACS-staat of een LGO geleverd door de leveranciersverklaring waarvan het model in bijlage V B bij dit protocol is opgenomen, afgegeven door de exporteur in de staat waaruit de materialen afkomstig zijn, dan wel in de Gemeenschap indien de materialen uit de Gemeenschap afkomstig zijn.

3.

Voor elke goederenzending stelt de leverancier een afzonderlijke leveranciersverklaring op, hetzij op de handelsfactuur betreffende die zending of op een bijlage bij die factuur, hetzij op een pakbon of op een ander handelsdocument betreffende die zending, waarin de betrokken materialen voldoende nauwkeurig zijn omschreven om ze te kunnen identificeren.

4.

De leveranciersverklaring kan op een voorgedrukt formulier worden gesteld.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)