Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2009-08-29
State In force
Source BWB
artikelen 131
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
5.

De leveranciersverklaring wordt door de leverancier met de hand ondertekend. Wanneer de factuur en de leveranciersverklaring met de computer worden opgesteld, behoeft de leveranciersverklaring evenwel niet met de hand te worden ondertekend indien ten genoegen van de douaneautoriteiten in de staat waar de leveranciersverklaring wordt opgesteld, is verklaard wie binnen de onderneming van de leverancier verantwoordelijk is. Deze douaneautoriteiten kunnen de toepassingsvoorwaarden van dit lid vaststellen.

6.

De leveranciersverklaring wordt ingediend bij de douaneautoriteiten in het land van uitvoer waar het verzoek om afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is gedaan.

7.

De leverancier die een verklaring opstelt, moet te allen tijde op verzoek van de douaneautoriteiten van het land waar de verklaring is opgesteld alle documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de gegevens in zijn verklaring juist zijn.

8.

Leveranciersverklaringen en inlichtingenbladen die vóór de inwerkingtreding van dit protocol overeenkomstig artikel 26 van protocol 1 bij de Overeenkomst van Cotonou zijn afgegeven, behouden hun geldigheid.

Artikel 29. Bewijsstukken

De in artikel 17, lid 3, en artikel 21, lid 3, bedoelde documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten waarvoor een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een factuurverklaring is opgesteld, als producten van oorsprong uit een OZA-staat, uit de Gemeenschap of uit een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden kunnen worden aangemerkt en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen, kunnen onder meer de volgende zijn:

  • a. een rechtstreeks bewijs, bijvoorbeeld aan de hand van de boekhouding of de interne administratie van de exporteur of leverancier, van de door deze uitgevoerde be- of verwerkingen om de betrokken goederen te verkrijgen;
  • b. in een OZA-staat, in de Gemeenschap of in een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden afgegeven of opgestelde en volgens het nationale recht gebruikte documenten waaruit de oorsprongsstatus van de gebruikte materialen blijkt;
  • c. in een OZA-staat, in de Gemeenschap of in een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden afgegeven of opgestelde en volgens het nationale recht gebruikte documenten waaruit de be- of verwerking van de materialen in een OZA-staat, in de Gemeenschap of in een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden blijkt;
  • d. certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of factuurverklaringen waaruit de oorsprongsstatus van de gebruikte materialen blijkt, die overeenkomstig dit protocol in een OZA-staat, in de Gemeenschap of in een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden zijn afgegeven of opgesteld.

Artikel 30. Bewaring van het bewijs van oorsprong en de bewijsstukken

1.

Exporteurs die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoeken, bewaren de in artikel 17, lid 3, bedoelde documenten gedurende ten minste drie jaar.

2.

Exporteurs die een factuurverklaring opstellen, bewaren een kopie van deze factuurverklaring alsmede de in artikel 21, lid 3, bedoelde documenten gedurende ten minste drie jaar.

3.

Leveranciers die een leveranciersverklaring opstellen, bewaren een kopie van deze verklaring en van de factuur, de pakbon of het andere handelsdocument waaraan zijn verklaring werd gehecht alsmede de in artikel 28, lid 7, bedoelde documenten gedurende ten minste drie jaar.

4.

De douaneautoriteiten van het land van uitvoer die een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 afgeven, bewaren het in artikel 17, lid 2, bedoelde aanvraagformulier gedurende ten minste drie jaar.

5.

De douaneautoriteiten van het land van invoer bewaren de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de factuurverklaringen die bij hen worden ingediend gedurende ten minste drie jaar.

Artikel 31. Verschillen en vormfouten

1.

Geringe verschillen tussen de gegevens op het bewijs van oorsprong en die op de documenten die voor het vervullen van de invoerformaliteiten bij het douanekantoor worden ingediend, maken het bewijs van oorsprong niet automatisch ongeldig indien blijkt dat dit document wel degelijk met de aangebrachte producten overeenstemt.

2.

Kennelijke vormfouten, zoals typefouten op het bewijs van oorsprong, mogen niet tot weigering van dit document leiden indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

Artikel 32. In euro uitgedrukte bedragen

1.

Voor de toepassing van artikel 21, lid 1, onder b), en artikel 27, lid 3, wordt, wanneer de producten gefactureerd zijn in een andere valuta dan de euro, de tegenwaarde van de in euro uitgedrukte bedragen in de nationale valuta van een OZA-staat, van de lidstaten van de Gemeenschap of van een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen of gebieden jaarlijks door elk van de betrokken landen vastgesteld.

2.

Artikel 21, lid 1, onder b), en artikel 27, lid 3, zijn van toepassing op zendingen op basis van de valuta waarin de factuur is opgesteld, overeenkomstig het bedrag dat door het betrokken land is vastgesteld.

3.

De in een bepaalde nationale valuta te gebruiken bedragen zijn de tegenwaarde in die valuta van de in euro uitgedrukte bedragen op de eerste werkdag van oktober. De bedragen worden de Commissie van de Europese Gemeenschappen uiterlijk op 15 oktober medegedeeld en zijn van toepassing vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar. De Commissie van de Europese Gemeenschappen stelt alle betrokken landen in kennis van de desbetreffende bedragen.

4.

Een land mag het bedrag dat het resultaat is van de omrekening in zijn nationale valuta van een in euro uitgedrukt bedrag naar boven of beneden afronden. Het afgeronde bedrag mag niet meer dan 5 procent afwijken van het door omrekening verkregen bedrag. Een land mag de tegenwaarde in zijn nationale valuta van een in euro uitgedrukt bedrag ongewijzigd handhaven indien bij de omrekening van dat bedrag, ten tijde van de in lid 3 bedoelde jaarlijkse aanpassing, vóór afronding, een stijging van minder dan 15 procent van die tegenwaarde wordt verkregen. De tegenwaarde in nationale valuta kan ongewijzigd blijven indien de omrekening tot een daling van de tegenwaarde leidt.

5.

De in euro uitgedrukte bedragen worden op verzoek van de Gemeenschap of van de OZA-staten door het comité voor douanesamenwerking herzien. Bij deze herziening onderzoekt dit comité of het wenselijk is de effecten van de betreffende limieten in reële termen te handhaven. Het kan in dit verband besluiten de in euro uitgedrukte bedragen te wijzigen.

TITEL V. REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 33. Administratieve voorwaarden waaronder producten voor preferenties in aanmerking komen

1.

Producten die in de zin van dit protocol van oorsprong zijn uit de OZA-staten of uit de Gemeenschap, komen op het moment van de douaneaangifte ten invoer alleen voor de uit de overeenkomst voortvloeiende preferenties in aanmerking indien zij werden uitgevoerd op of na de datum waarop het land van uitvoer aan de bepalingen in lid 2 voldeed.

2.

De overeenkomstsluitende partijen zullen:

  • a. de nationale en regionale regelingen invoeren die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging en handhaving van de regels en procedures in dit protocol, in voorkomend geval met inbegrip van de regelingen die nodig zijn voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 5;
  • b. de administratieve structuren en systemen opzetten die nodig zijn voor een passend beheer van en een passend toezicht op de oorsprong van producten en de naleving van de andere in dit protocol neergelegde voorwaarden.

Zij doen de in artikel 34 bedoelde kennisgevingen.

Artikel 34. Kennisgeving door de douaneautoriteiten van de partijen

1.

De OZA-staten en de lidstaten van de Gemeenschap doen elkaar via de Commissie van de Europese Gemeenschappen en het secretariaat van de COMESA de adressen toekomen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de afgifte en/of controle van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en van factuur- en leveranciersverklaringen, alsmede afdrukken van de stempels die in hun douanekantoren voor de afgifte van die certificaten worden gebruikt.

Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en factuur- en leveranciersverklaringen worden met het oog op de preferentiële behandeling aanvaard vanaf de datum van ontvangst van die informatie door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en het secretariaat van de COMESA.

2.

De OZA-staten en de lidstaten van de Gemeenschap stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen in de in lid 1 bedoelde informatie.

3.

De in lid 1 bedoelde autoriteiten handelen onder gezag van de regering van het betrokken land. De met de controle belaste autoriteiten maken deel uit van de overheid van het betrokken land.

Artikel 35. Wederzijdse bijstand

1.

Ten behoeve van de correcte toepassing van dit protocol verlenen de Gemeenschap, de OZA-staten en de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen elkaar, via de bevoegde douaneautoriteiten, bijstand bij de controle van de echtheid van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en van de factuur- en leveranciersverklaringen en van de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

2.

De geraadpleegde autoriteiten verstrekken de relevante gegevens over de omstandigheden waaronder het product is vervaardigd, met name over de omstandigheden waaronder de oorsprongsregels in de verschillende OZA-staten, de Gemeenschap en de in de artikelen 3, 4, en 5 bedoelde betrokken andere landen in acht zijn genomen.

Artikel 36. Controle van het bewijs van oorsprong

1.

Bewijzen van oorsprong worden achteraf op grond van een risicoanalyse en door middel van steekproeven gecontroleerd of wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprongsstatus van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.

2.

Met het oog op de toepassing van lid 1 retourneren de douaneautoriteiten van het land van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, de factuur, indien deze werd voorgelegd, en de factuurverklaring of een kopie van deze documenten aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, eventueel onder vermelding van de redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd. Zij verstrekken bij deze controleaanvraag alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.

3.

De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur of de fabrikant in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.

4.

Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, stellen zij de importeur voor de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

5.

De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. Hierbij moet duidelijk worden aangegeven of de documenten echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit een OZA-staat, de Gemeenschap of een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen kunnen worden beschouwd en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

6.

Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na de controleaanvraag geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord onvoldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd, de preferentiële behandeling niet toe, behoudens in buitengewone omstandigheden.

7.

Wanneer de resultaten van de controle of andere beschikbare gegevens erop lijken te wijzen dat de bepalingen van dit protocol worden geschonden, stelt het land van uitvoer op eigen initiatief of op verzoek van het land van invoer met de nodige spoed een onderzoek in of laat hij een onderzoek instellen om eventuele schendingen vast te stellen en te voorkomen; het betrokken land van uitvoer kan het land van invoer verzoeken aan deze controles deel te nemen.

Artikel 37. Controle van leveranciersverklaringen

1.

Leveranciersverklaringen worden op grond van een risicoanalyse en door middel van steekproeven gecontroleerd of wanneer de douaneautoriteiten van het land waar die verklaringen in aanmerking zijn genomen voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of de opstelling van een factuurverklaring, gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van het document of de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

2.

De douaneautoriteiten waaraan een leveranciersverklaring wordt overgelegd, kunnen de douaneautoriteiten van de staat waar de verklaring werd opgesteld, verzoeken om afgifte van een inlichtingenblad overeenkomstig het model in bijlage VI bij dit protocol. Voorts kunnen de certificeringsautoriteiten waaraan een leveranciersverklaring wordt overgelegd, de exporteur verzoeken een inlichtingenblad over te leggen, afgegeven door de douaneautoriteiten van de staat waar de verklaring is opgesteld.

Het kantoor dat het inlichtingenblad heeft afgegeven, bewaart gedurende ten minste drie jaar een kopie hiervan.

3.

De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. Hierbij moet duidelijk worden aangegeven of de gegevens in de leveranciersverklaring juist zijn, en de resultaten moeten hen in staat stellen te bepalen of en in hoeverre de leveranciersverklaring in aanmerking kan worden genomen voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of de opstelling van een factuurverklaring.

4.

De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land waar de leveranciersverklaring werd opgesteld. Met het oog hierop zijn deze gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen, de administratie van de leverancier in te zien en elke andere controle te verrichten die zij dienstig achten om de juistheid van de leveranciersverklaring te controleren.

5.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 dat is afgegeven of opgesteld op grond van een onjuiste leveranciersverklaring, wordt geacht ongeldig te zijn.

Artikel 38. Geschillenbeslechting

Geschillen ten aanzien van de in de artikelen 36 en 37 bedoelde controles tussen de douaneautoriteiten die de controle aanvragen en de douaneautoriteiten die de controle moeten uitvoeren die zij niet onderling kunnen regelen en problemen in verband met de interpretatie van dit protocol worden voorgelegd aan het comité voor douanesamenwerking.

Op de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer is in alle gevallen de wetgeving van het land van invoer van toepassing.

Artikel 39. Sancties

Er worden sancties getroffen tegen eenieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel een preferentiële behandeling voor producten te verkrijgen.

Artikel 40. Vrije zones

1.

De OZA-staten en de Gemeenschap nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat producten die onder geleide van een bewijs van oorsprong of een leveranciersverklaring worden verhandeld en die tijdens het vervoer in een op hun gebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere be- of verwerkingen ondergaan dan die welke bedoeld zijn om ze in goede staat te bewaren.

2.

In afwijking van lid 1 geven de bevoegde autoriteiten, wanneer producten van oorsprong uit een OZA-staat of uit de Gemeenschap onder geleide van een bewijs van oorsprong in een vrije zone worden ingevoerd en er een be- of verwerking ondergaan, op verzoek van de exporteur een nieuw certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 af, mits de be- of verwerking in overeenstemming is met de bepalingen van dit protocol.

Artikel 41. Comité voor douanesamenwerking

1.

Er wordt een comité voor douanesamenwerking, hierna „het comité” genoemd, opgericht, dat belast wordt met de uitvoering van de administratieve samenwerking met het oog op de correcte, uniforme toepassing van dit protocol en van alle andere taken op douanegebied.

2.

Het comité onderzoekt regelmatig de gevolgen van de toepassing van de oorsprongsregels voor de OZA-staten en in het bijzonder de minst ontwikkelde OZA-staten en doet aanbevelingen aan het EPO-comité over passende maatregelen.

3.

Het comité neemt besluiten over cumulatie overeenkomstig artikel 5.

4.

Het comité neemt besluiten over afwijkingen van dit protocol overeenkomstig artikel 42.

5.

Het comité vergadert regelmatig aan de hand van een agenda die vooraf tussen de OZA-staten en de Gemeenschap is overeengekomen.

6.

Het comité bestaat uit deskundigen uit de lidstaten van de Gemeenschap en ambtenaren van de Commissie die verantwoordelijk zijn voor douanevraagstukken, enerzijds, en uit deskundigen die de OZA-staten vertegenwoordigen en ambtenaren van regionale groeperingen van de OZA-staten die verantwoordelijk zijn voor douanevraagstukken, anderzijds. Zo nodig kan het comité een beroep doen op passende expertise. Het voorzitterschap van het comité wordt beurtelings door elk van de partijen bekleed.

Artikel 42. Afwijkingen

1.

Het comité voor douanesamenwerking, hierna in dit artikel „het comité” genoemd, kan besluiten dat van dit protocol mag worden afgeweken wanneer de ontwikkeling van bestaande industrieën of de oprichting van nieuwe industrieën in de OZA-staten dit rechtvaardigt.

Voordat of wanneer de betrokken OZA-staat of -staten de aangelegenheid aan het comité voorlegt (voorleggen), stelt hij (stellen zij) de Gemeenschap overeenkomstig lid 2 van zijn (hun) verzoek om een afwijking in kennis, onder vermelding van de redenen voor dit verzoek.

De Gemeenschap willigt alle verzoeken van OZA-staten in die overeenkomstig dit artikel naar behoren gemotiveerd zijn, tenzij hierdoor ernstige schade kan ontstaan voor een gevestigde industrie in de Gemeenschap.

2.

Om het onderzoek van verzoeken om een afwijking door het comité te vergemakkelijken, verstrekken OZA-staten die een verzoek doen, ter staving van hun verzoek op het in bijlage VII bij dit protocol opgenomen formulier zo volledig mogelijke gegevens over met name de volgende punten:

  • –. omschrijving van het eindproduct,
  • –. aard en hoeveelheid van de materialen die van oorsprong zijn uit een derde land,
  • –. aard en hoeveelheid van de materialen die van oorsprong zijn uit de OZA-staten of uit de in de artikelen 3 en 4 bedoelde landen en gebieden, dan wel van de materialen die daar een verwerking hebben ondergaan,
  • –. fabricageprocedés,
  • –. toegevoegde waarde,
  • –. aantal werknemers in de betrokken onderneming,
  • –. verwachte omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap,
  • –. andere bronnen waaruit grondstoffen kunnen worden betrokken,
  • –. verantwoording van de duur van de gevraagde afwijking, in het licht van de inspanningen om andere bronnen voor de grondstoffen te vinden,
  • –. andere opmerkingen.

Dezelfde regels zijn van toepassing op verzoeken om een verlenging.

Het formulier kan door het comité worden gewijzigd.

3.

Bij het onderzoek van verzoeken wordt in het bijzonder rekening gehouden met:

  • a. het ontwikkelingsniveau of de geografische ligging van de betrokken OZA-staat of -staten;
  • b. gevallen waarin toepassing van de bestaande oorsprongsregels van aanzienlijke invloed zou zijn op het vermogen van een bestaande industrie in een OZA-staat om haar uitvoer naar de Gemeenschap voort te zetten, met name wanneer dit kan leiden tot stopzetting van haar activiteiten;
  • c. bijzondere gevallen waarin duidelijk kan worden aangetoond dat toepassing van de oorsprongsregels kan leiden tot ontmoediging van belangrijke investeringen in een industrie en waarin, door het toestaan van een afwijking, een investeringsprogramma kan worden uitgevoerd dat het mogelijk zou maken op den duur aan deze regels te voldoen.
4.

In alle gevallen wordt onderzocht of de regels inzake cumulatie van oorsprong een oplossing voor het probleem bieden.

5.

Wanneer het verzoek om een afwijking een van de minst ontwikkelde OZA-staten of een insulaire OZA-staat betreft, wordt het in een geest van welwillendheid onderzocht, waarbij met name rekening wordt gehouden met:

  • a. de economische en sociale gevolgen van het te nemen besluit, met name voor de werkgelegenheid;
  • b. de noodzaak de afwijking gedurende een bepaalde periode toe te passen, waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie van de betrokken OZA-staat en de moeilijkheden waarmee deze te kampen heeft.
6.

Elk verzoek wordt afzonderlijk onderzocht, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de mogelijkheid de oorsprongsstatus te verlenen aan producten waarin materialen zijn verwerkt die van oorsprong zijn uit naburige ontwikkelingslanden, de minst ontwikkelde landen of ontwikkelingslanden waarmee een of meer OZA-staten bijzondere banden hebben, mits met deze landen een bevredigende administratieve samenwerking tot stand kan worden gebracht.

7.

Onverminderd de leden 1 tot en met 6 wordt de afwijking toegestaan wanneer de waarde die aan de in de betrokken OZA-staat gebruikte, niet van oorsprong zijnde producten wordt toegevoegd, ten minste 45% van de waarde van het eindproduct bedraagt, mits door deze afwijking geen ernstige schade ontstaat voor een economische sector van de Gemeenschap of van een of meer lidstaten.

8.

Onverminderd en in aanvulling op de leden 1 tot en met 7 worden afwijkingen betreffende ingeblikte tonijn en tonijnzijden toegestaan binnen een contingent van 8 000 ton per jaar voor ingeblikte tonijn en van 2 000 ton per jaar voor tonijnzijden.

Verzoeken om een dergelijke afwijking moeten door de OZA-staten in overeenstemming met bovengenoemd contingent worden ingediend bij het comité, dat de afwijking automatisch verleent en door middel van een besluit in werking doet treden.

9.

Het comité ziet erop toe dat zo spoedig mogelijk, en in elk geval binnen 75 werkdagen na ontvangst van het verzoek door de EG-medevoorzitter van het comité, een besluit wordt genomen. Indien de Gemeenschap een OZA-staat niet binnen deze termijn van zijn standpunt inzake het verzoek in kennis stelt, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd.

  • a. Afwijkingen gelden voor een door het comité vast te stellen periode, die in het algemeen vijf jaar bedraagt.
  • b. Het besluit tot afwijking kan voorzien in verlengingen zonder dat het comité hiervoor een nieuw besluit behoeft te nemen, op voorwaarde dat de betrokken OZA-staat of -staten drie maanden vóór het einde van elke periode aantoont (aantonen) dat nog niet kan worden voldaan aan de voorwaarden van dit protocol waarop de afwijking betrekking heeft. Indien tegen de verlenging bezwaar wordt gemaakt, stelt het comité zo spoedig mogelijk een onderzoek hiernaar in en besluit het of de afwijking kan worden verlengd. Het comité volgt hierbij de procedure van lid 9. Alles wordt in het werk gesteld om onderbrekingen in de toepassing van de afwijking te voorkomen.
  • c. Tijdens de onder a) en b) bedoelde periodes kan het comité de voorwaarden voor de toepassing van de afwijking opnieuw onderzoeken indien zich een belangrijke wijziging blijkt te hebben voorgedaan in de essentiële feiten die ertoe hebben geleid de afwijking goed te keuren. Naar aanleiding van dit nieuwe onderzoek kan het comité zijn besluit wijzigen wat het toepassingsgebied van de afwijking of een andere eerder vastgestelde voorwaarde betreft.

TITEL VI. CEUTA EN MELILLA

Artikel 43. Bijzondere voorwaarden

1.

De in dit protocol gebruikte term „Gemeenschap” omvat niet Ceuta en Melilla. Onder „producten van oorsprong uit de Gemeenschap” worden geen producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla verstaan.

2.

Dit protocol is van overeenkomstige toepassing om vast te stellen of producten die in Ceuta en Melilla worden ingevoerd, als van oorsprong uit een OZA-staat kunnen worden aangemerkt.

3.

Wanneer volledig in Ceuta, Melilla of de Gemeenschap verkregen producten in een OZA-staat een be- of verwerking ondergaan, worden zij geacht volledig in een OZA-staat te zijn verkregen.

4.

Be- en verwerkingen in Ceuta en Melilla of de Gemeenschap worden geacht in een OZA-staat te zijn verricht wanneer de materialen in een OZA-staat een verdere be- of verwerking ondergaan.

5.

Voor de toepassing van de leden 3 en 4 worden de in artikel 8 van dit protocol genoemde ontoereikende be- en verwerkingen niet als be- of verwerking beschouwd.

6.

Ceuta en Melilla worden als een enkel gebied beschouwd.

TITEL VII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 44. Wijziging van het protocol

Het OZA-comité kan besluiten dit protocol te wijzigen.

Artikel 45. Bijlagen

De bijlagen bij dit protocol maken daarvan een integrerend deel uit.

Artikel 46. Tenuitvoerlegging van het protocol

De Gemeenschap en de OZA-staten nemen elk de nodige stappen om dit protocol ten uitvoer te leggen.

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a. „goederen”: alle goederen die binnen de werkingssfeer van het geharmoniseerd systeem vallen, ongeacht de werkingssfeer van de tussen de lidstaten van de Europese Unie en de overeenkomstsluitende OZA-staten gesloten economische partnerschapsovereenkomst;
  • b. „douanewetgeving”: de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het gebied van de partijen van toepassing zijn op de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder andere douaneregelingen of -procedures, met inbegrip van verbods-, beperkings- en controlemaatregelen;
  • c. „verzoekende autoriteit”: een bevoegde overheidsinstantie die hiertoe door de partijen is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand indient;
  • d. „aangezochte autoriteit”: een bevoegde overheidsinstantie die hiertoe door de partijen is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand ontvangt;
  • e. „persoonsgegevens”: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
  • f. „met de douanewetgeving strijdige handeling”: elke overtreding of poging tot overtreding van de douanewetgeving.

Artikel 2. Werkingssfeer

1.

De partijen verlenen elkaar bijstand om op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden en op de wijze en voorwaarden die bij dit protocol zijn vastgesteld, een correcte toepassing van de douanewetgeving te waarborgen, in het bijzonder door met die wetgeving strijdige handelingen te voorkomen, op te sporen en te bestrijden.

2.

De in dit protocol bedoelde bijstand in douaneaangelegenheden geldt voor alle overheidsinstanties van de partijen die voor de toepassing van dit protocol bevoegd zijn. Deze bijstand laat de regels inzake wederzijdse bijstand in strafzaken onverlet. Hij geldt evenmin voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke instantie worden uitgeoefend, tenzij deze er vooraf mee instemt dat die informatie wordt verstrekt.

3.

Bijstand bij de invordering van rechten, belastingen en boetes valt niet onder dit protocol.

Artikel 3. Bijstand op verzoek

1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende voorgenomen of vastgestelde activiteiten die met deze wetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn.

2.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:

  • a. of goederen die uit het gebied van de ene partij zijn uitgevoerd, op legale wijze in het gebied van de andere partij zijn ingevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst;
  • b. of goederen die in het gebied van de ene partij zijn ingevoerd, op legale wijze uit het gebied van de andere partij zijn uitgevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.
3.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in het kader van haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om te zorgen voor speciaal toezicht op:

  • a. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bij met de douanewetgeving strijdige handelingen betrokken zijn of waren;
  • b. plaatsen waar op zodanige wijze voorraden goederen zijn of kunnen worden aangelegd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat die goederen bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • c. goederen die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen; en
  • d. vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.

Artikel 4. Ongevraagde bijstand

De partijen verlenen elkaar, in overeenstemming met hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, op eigen initiatief bijstand indien zij dit noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder indien zij informatie hebben verkregen over:

  • a. transacties die met de douanewetgeving in strijd zijn of lijken te zijn en die van belang kunnen zijn voor de andere partij;
  • b. nieuwe middelen of methoden die worden gebruikt om met de douanewetgeving strijdige handelingen te verrichten;
  • c. goederen waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • d. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij betrokken zijn of waren bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • e. vervoermiddelen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij zijn, worden of kunnen worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.

Artikel 5. Verstrekking van documenten en kennisgeving van besluiten

1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in overeenstemming met haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, alle maatregelen die nodig zijn voor:

  • a. de overhandiging van documenten van de verzoekende autoriteit in verband met de toepassing van dit protocol aan adressaten die op het gebied van de aangezochte autoriteit verblijven of gevestigd zijn, en, indien van toepassing;
  • b. de kennisgeving van besluiten van de verzoekende autoriteit in verband met de toepassing van dit protocol aan adressaten die op het gebied van de aangezochte autoriteit verblijven of gevestigd zijn.
2.

Verzoeken om de overhandiging van documenten of de kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal.

Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand

1.

Verzoeken in het kader van dit protocol worden schriftelijk gedaan. Zij gaan vergezeld van de documenten die voor de behandeling van het verzoek noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken ook mondeling worden gedaan, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd. Verzoeken kunnen ook in elektronische vorm worden gedaan.

2.

De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de volgende gegevens:

  • a. de naam van de verzoekende autoriteit;
  • b. de maatregel waarom wordt gevraagd;
  • c. het doel en de reden van het verzoek;
  • d. de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en andere juridische aspecten;
  • e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie over de natuurlijke personen of rechtspersonen op wie het onderzoek betrekking heeft;
  • f. een samenvatting van de feiten en van het reeds uitgevoerde onderzoek.
3.

Verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal. Deze eis geldt niet voor de in lid 1 bedoelde documenten bij het verzoek.

4.

Indien een verzoek niet aan de hierboven vermelde vormvereisten voldoet, kan worden verzocht het te corrigeren of aan te vullen; in de tussentijd kan opdracht worden gegeven tot conservatoire maatregelen.

Artikel 7. Uitvoering van verzoeken

1.

Binnen de grenzen van haar bevoegdheden en de haar beschikbare middelen behandelt de aangezochte autoriteit een verzoek om bijstand alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde partij handelt, en verstrekt zij de al beschikbare informatie en verricht zij het nodige onderzoek of laat zij dit verrichten. Deze bepaling is eveneens van toepassing op autoriteiten waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek doorstuurt wanneer zij dit niet zelf kan afhandelen.

2.

Aan verzoeken om bijstand wordt voldaan overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de partij waaraan het verzoek is gericht.

3.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een partij kunnen met instemming van de andere betrokken partij en op de door deze gestelde voorwaarden:

  • a. ten kantore van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken autoriteit als bedoeld in lid 1, informatie verzamelen over activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn, die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit protocol nodig heeft;
  • b. aanwezig zijn bij onderzoek dat op het gebied van laatstgenoemde wordt verricht.

Artikel 8. Vorm waarin de informatie moet worden verstrekt

1.

De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het onderzoek schriftelijk aan de verzoekende autoriteit mede en voegt daarbij de relevante documenten, gewaarmerkte afschriften of andere stukken.

2.

Op verzoek kan de in lid 1 bedoelde informatie in elektronische vorm worden verstrekt.

3.

Originelen van documenten worden uitsluitend op verzoek verstrekt wanneer gewaarmerkte afschriften niet toereikend zijn. Deze originelen worden ten spoedigste geretourneerd.

Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend

1.

Bijstand kan worden geweigerd of van bepaalde voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een betrokken partij van oordeel is dat bijstand op grond van dit protocol:

  • a. de soevereiniteit van een overeenkomstsluitende OZA-staten of van een lidstaat van de Europese Gemeenschap waaraan op grond van dit protocol om bijstand is gevraagd, zou kunnen aantasten, of
  • b. de openbare orde, de veiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar zou kunnen brengen, in het bijzonder in de in artikel 10, lid 2, bedoelde gevallen, of
  • c. tot schending van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim zou leiden.
2.

De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek of een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.

3.

Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.

4.

In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen moeten het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen ervan onverwijld aan de verzoekende autoriteit worden medegedeeld.

Artikel 10. Doorgifte van informatie en geheimhoudingsplicht

1.

Alle informatie die, in welke vorm dan ook, op grond van dit protocol wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter of is alleen bestemd voor beperkte verspreiding, afhankelijk van de toepasselijke voorschriften van elk van de partijen. De verstrekte gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming die door de desbetreffende wetgeving van de ontvangende partij, dan wel door de desbetreffende bepalingen die op de instellingen van de Europese Gemeenschap van toepassing zijn, aan dergelijke gegevens wordt geboden.

2.

Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven indien de ontvangende partij zich ertoe verbindt die gegevens te beschermen op een passende wijze die ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van dergelijke gegevens door de partij die de gegevens verstrekt. Te dien einde stellen de partijen elkaar in kennis van hun ter zake geldende voorschriften, in voorkomend geval met inbegrip van de rechtsvoorschriften van de lidstaten van de Europese Gemeenschap.

3.

Het gebruik van op grond van dit protocol verkregen informatie in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende met de douanewetgeving strijdige handelingen wordt beschouwd als gebruik voor de doeleinden van dit protocol. De partijen kunnen derhalve bij de bewijsvoering, in verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruikmaken van de informatie die zij op grond van dit protocol hebben verkregen en van de documenten waarin zij op grond van dit protocol inzage hebben gekregen. De bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt of die inzage in de documenten heeft gegeven, wordt van dergelijk gebruik in kennis gesteld.

4.

De verkregen informatie wordt uitsluitend voor de toepassing van dit protocol gebruikt. Wanneer een van de partijen dergelijke informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, moet zij de autoriteit die de informatie heeft verstrekt vooraf om schriftelijke toestemming vragen. Voor dit gebruik gelden dan de eventueel door deze autoriteit vastgestelde beperkingen.

Artikel 11. Deskundigen en getuigen

Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd om, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als deskundige of getuige te verschijnen in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende onder dit protocol vallende aangelegenheden en daarbij de voor de procedure noodzakelijke voorwerpen, documenten of gewaarmerkte afschriften over te leggen. In de dagvaarding dient uitdrukkelijk te worden vermeld voor welke rechterlijke of administratieve instantie de ambtenaar moet verschijnen en over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid hij zal worden ondervraagd.

Artikel 12. Kosten van de bijstand

De partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die op grond van dit protocol worden gedaan, met uitzondering van eventuele uitgaven voor deskundigen en getuigen en voor tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

Artikel 13. Tenuitvoerlegging

1.

Dit protocol wordt ten uitvoer gelegd door de douaneautoriteiten van de overeenkomstsluitende OZA-staten, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten, anderzijds. Zij stellen alle voor de toepassing van dit protocol noodzakelijke praktische maatregelen en regelingen vast, rekening houdend met de geldende voorschriften, met name op het gebied van de gegevensbescherming.

2.

De partijen plegen onderling overleg en lichten elkaar in over alle uitvoeringsbepalingen die zij op grond van dit protocol vaststellen.

Artikel 14. Wijzigingen

De partijen kunnen de bevoegde autoriteiten aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit protocol moeten worden aangebracht.

Artikel 15. Slotbepalingen

1.

Dit protocol is een aanvulling op en geen beletsel voor de toepassing van overeenkomsten inzake wederzijdse administratieve bijstand die tussen de partijen zijn gesloten of kunnen worden gesloten en staat niet in de weg aan uitgebreidere wederzijdse bijstand uit hoofde van dergelijke overeenkomsten.

2.

Dit protocol laat de verplichtingen van de partijen krachtens andere internationale overeenkomsten of verdragen onverlet.

3.

Dit protocol laat onverlet de bepalingen van de Europese Gemeenschap betreffende de doorgifte, tussen de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, van gegevens die op grond van dit protocol zijn verkregen en die van belang kunnen zijn voor de Europese Gemeenschap.

4.

Onverminderd het bepaalde in lid 1 prevaleert dit protocol boven bilaterale overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Gemeenschap en een overeenkomstsluitende OZA-staat zijn of kunnen worden gesloten, indien de bepalingen van die overeenkomsten strijdig zijn met die van dit protocol.

5.

Ten aanzien van vraagstukken in verband met de toepassing van dit protocol plegen de partijen onderling overleg om deze op te lossen in het kader van het EPO-comité.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)