Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Lid-Staten der Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

Type Verdrag
Publication 1985-02-01
State In force
Source BWB
artikelen 208
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

In het handelsverkeer wordt het compenserende bedrag slechts toegepast op de restituties toegekend bij de uitvoer van de in een nieuwe Lid-Staat geoogste oliehoudende zaden naar derde landen.

Afdeling 4. Granen

Artikel 73

In de sector granen zijn de artikelen 51 en 52 van toepassing op de afgeleide interventieprijzen.

Artikel 74

De compenserende bedragen die gelden, in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen deze laatste en derde landen worden als volgt vastgesteld:

    1. Wat betreft granen waarvoor geen afgeleide interventieprijs voor de nieuwe Lid-Staten wordt vastgesteld, wordt het tot de eerste aanpassing toepasselijke compenserende bedrag afgeleid van het compenserende bedrag dat geldt voor de concurrerende graansoort waarvoor een afgeleide interventieprijs is vastgesteld, met inachtneming van de tussen de drempelprijzen van de betrokken graansoorten bestaande verhouding. Indien echter de verhouding tussen de drempelprijzen aanzienlijk afwijkt van de verhouding tussen de prijzen die zijn waargenomen op de markt van de betrokken nieuwe Lid-Staat, kan deze laatste verhouding in aanmerking worden genomen. Vervolgens worden de bedragen vastgesteld uitgaande van de in de eerste alinea bedoelde bedragen, volgens de in artikel 52 voor de aanpassing der prijzen neergelegde regels.
    1. Voor de produkten genoemd in artikel 1, sub c) en d) , van Verordening No. 120/67/EEG, wordt het compenserende bedrag afgeleid van het compenserende bedrag toepasselijk voor de graansoorten waarmede deze produkten zijn verbonden, met behulp van de coëfficiënten of de regels voor de vaststelling van de heffing, of het variabele element van de heffing, voor die produkten.

Afdeling 5. Varkensvlees

Artikel 75

1.

Bij de berekening van het compenserende bedrag dat van toepassing is per kilogram geslachte varkens wordt uitgegaan van de compenserende bedragen voor de hoeveelheid voedergraan die nodig is om in de Gemeenschap één kilogram varkensvlees te produceren.

2.

Voor de andere produkten dan geslachte varkens, genoemd in artikel 1, lid 1, van Verordening No. 121/67/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees, wordt het compenserende bedrag afgeleid van het bedrag bedoeld in lid 1, met behulp van de coëfficiënten waarvan gebruik wordt gemaakt voor de berekening van de heffing.

Artikel 76

1.

Tot en met 31 december 1975 kunnen produkten die niet beantwoorden aan het bepaalde in punt 23 van bijlage I van de richtlijn No. 64/433/EEG, inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees, in Denemarken, in Ierland en het Verenigd Koninkrijk door de interventiebureaus worden aangekocht.

2.

Tot en met 31 oktober 1974 is het Verenigd Koninkrijk gemachtigd het communautaire indelingsschema voor geslachte varkens niet toe te passen.

Afdeling 6. Eieren

Artikel 77

1.

Bij de berekening van het compenserende bedrag dat van toepassing is per kilogram eieren in de schaal wordt uitgegaan van de compenserende bedragen voor de hoeveelheid voedergranen die nodig is om in de Gemeenschap één kilogram eieren in de schaal te produceren.

2.

Bij de berekening van het compenserende bedrag dat van toepassing is per broedei wordt uitgegaan van de compenserende bedragen voor de hoeveelheid voedergranen die nodig is om in de Gemeenschap één broedei te produceren.

3.

Voor de produkten genoemd in artikel 1, lid 1 sub b), van Verordening No. 122/67/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren, wordt het compenserende bedrag afgeleid van het compenserende bedrag voor eieren in de schaal, met behulp van de coëfficiënten waarvan gebruik wordt gemaakt voor de berekening van de heffing.

Artikel 78

Ierland en het Verenigd Koninkrijk kunnen, ten aanzien van de handelsnormen voor eieren, op hun markt een indeling in vier, respectievelijk vijf gewichtsklassen handhaven, mits de commercialisatie van eieren die voldoen aan de communautaire normen niet wordt onderworpen aan beperkingen op grond van het feit dat de eieren volgens andere systemen zijn ingedeeld.

Afdeling 7. Slachtpluimvee

Artikel 79

1.

Bij de berekening van het compenserende bedrag dat van toepassing is per kilogram geslacht pluimvee wordt uitgegaan van de compenserende bedragen voor de hoeveelheid voedergranen die nodig is om in de Gemeenschap, al naar gelang van de soort, één kilogram geslacht pluimvee te produceren.

2.

Bij de berekening van het compenserende bedrag dat van toepassing is per kuiken wordt uitgegaan van de compenserende bedragen voor de hoeveelheid voedergranen die nodig is om in de Gemeenschap één kuiken te produceren.

3.

Voor de produkten genoemd in artikel 1, lid 2 sub d) , van Verordening No. 123/67/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector pluimvee, wordt het compenserende bedrag afgeleid van het compenserende bedrag voor geslacht pluimvee, met behulp van de coëfficiënten waarvan gebruik wordt gemaakt voor de berekening van de heffing.

Afdeling 8. Rijst

Artikel 80

De compenserende bedragen die van toepassing zijn in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen deze laatste en derde landen, worden als volgt vastgesteld:

    1. Voor rondkorrelige gedopte rijst, langkorrelige gedopte rijst en breukrijst, wordt het compenserende bedrag dat van toepassing is tot de eerste aanpassing, vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen de drempelprijs en de gedurende een referentieperiode op de markt van de betrokken nieuwe Lid-Staat waargenomen marktprijzen. Vervolgens worden de bedragen vastgesteld uitgaande van die bedoeld in de eerste alinea en volgens de in artikel 52 voor de aanpassing van de prijzen vastgestelde regels.
    1. Voor padie, halfwitte rijst, volwitte rijst en de produkten, genoemd in artikel 1, lid 1 sub c) , van Verordening No. 359/67/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt, wordt het compenserende bedrag, voor elk van deze produkten, afgeleid van het compenserende bedrag voor het in lid 1 genoemde produkt waarmee het verband houdt, met behulp van de coëfficiënten voor de vaststelling van de heffing of van het variabele element van de heffing.

Afdeling 9. Suiker

Artikel 81

In de sector suiker zijn de artikelen 51 en 52 van toepassing op de afgeleide interventieprijs voor witte suiker, op de interventieprijs voor ruwe suiker en op de minimumprijs van suikerbieten.

Artikel 82

De compenserende bedragen die in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten, alsmede tussen deze laatste en derde landen van toepassing zijn, worden afgeleid:

  • a). voor de produkten, andere dan verse suikerbieten, genoemd in artikel 1, lid 1 sub b) , van Verordening No. 1009/67/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, van het compenserende bedrag toepasselijk op het betrokken basisprodukt, volgens de regels die gelden voor de berekening van de heffing;
  • b). voor de produkten genoemd in artikel 1, lid 1 sub d) , van Verordening No. 1009/67/EEG, van het compenserende bedrag toepasselijk op het betrokken basisprodukt, volgens de regels voor de berekening:
  • –. van de heffing, ten aanzien van het bij invoer van toepassing zijnde compenserende bedrag,
  • –. van de restitutie, ten aanzien van het bij uitvoer van toepassing zijnde compenserende bedrag.

Artikel 83

Het in artikel 25, lid 3, van Verordening No. 1009/67/EEG bedoelde bedrag wordt in de nieuwe Lid-Staten gecorrigeerd met het overeenkomstig artikel 55, lid 2, berekende compenserende bedrag.

Afdeling 10. Levende planten en produkten van de bloementeelt

Artikel 84

De bepalingen inzake de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen zijn op het in de handel brengen in het Verenigd Koninkrijk van de binnenlandse produktie niet eerder van toepassing dan vanaf 1 februari 1974 en voor snijbloemen niet eerder dan vanaf 1 februari 1975.

Afdeling 11. Melk en zuivelprodukten

Artikel 85

Het bepaalde in de artikelen 51 en 52 is van toepassing op de interventieprijzen voor boter en mager melkpoeder.

Artikel 86

In het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten, alsmede tussen deze laatste en derde landen, worden de compenserende bedragen als volgt vastgesteld:

    1. Voor de andere hoofdprodukten dan die bedoeld in artikel 85 wordt het compenserende bedrag toepasselijk tot de eerste aanpassing, vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen het prijspeil op de representatieve markt van de betrokken nieuwe Lid-Staat en het prijspeil op de representatieve markt van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling in de loop van de representatieve periode die voorafgaat aan de toepassing van de communautaire regeling in de betrokken nieuwe Lid-Staat. Bij het vaststellen van de compenserende bedragen die gelden vanaf de eerste aanpassing, wordt rekening gehouden met het bedrag dat is vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de eerste alinea of in lid 3 en met de in artikel 52 neergelegde regels voor de aanpassing der prijzen.
    1. Voor de produkten die geen hoofdprodukten zijn, worden de compenserende bedragen afgeleid van het compenserende bedrag toepasselijk op het hoofdprodukt van de groep waartoe het betrokken produkt behoort, volgens de regels die gelden voor de berekening van de heffing.
    1. Indien de bepalingen van lid 1, eerste alinea, en van lid 2 niet kunnen worden toegepast of indien de toepassing daarvan leidt tot compenserende bedragen die abnormale prijsverhoudingen teweegbrengen, wordt het compenserende bedrag berekend uitgaande van de compenserende bedragen toepasselijk op boter en mager melkpoeder.

Artikel 87

1.

Indien vóór de toetreding in een nieuwe Lid-Staat een regeling: inzake de valorisatie van melk bestond die verschilt naar gelang van het gebruik, en indien de toepassing van artikel 86 tot moeilijkheden op de markt leidt, wordt het compenserende bedrag dat geldt tot de eerste aanpassing voor één of meer produkten die onder post 04.01 van het gemeenschappelijk douanetarief vallen, vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen de marktprijzen.

Daarna wordt het compenserende bedrag elk jaar aan het begin van een seizoen verminderd met een zesde van het oorspronkelijke bedrag; het compenserende bedrag wordt op 1 januari 1978 afgeschaft.

2.

Er worden passende maatregelen getroffen om distorsies van de mededinging te voorkomen die kunnen voortvloeien uit de toepassing van lid 1, hetzij voor de desbetreffende produkten, hetzij voor andere zuivelprodukten, en om rekening te houden met eventuele wijzigingen van de gemeenschappelijke prijs.

Artikel 88

1.

Ierland is gemachtigd een subsidie toe te kennen voor de consumptie van boter, voor zover zulks noodzakelijk is om gedurende de overgangsperiode een geleidelijke aanpassing van de door de consumenten betaalde prijs aan het peil van de in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling bestaande prijs mogelijk te maken.

Indien Ierland gebruik maakt van de in de eerste alinea bedoelde machtiging, kent zij een even hoge subsidie toe voor de consumptie van uit de andere Lid-Staten ingevoerde boter.

2.

Deze subsidie wordt afgeschaft in zes etappes die samenvallen met de etappes van de aanpassing van de boterprijs.

Artikel 89

1.

Tot en met 31 december 1975 is het in het Verenigd Koninkrijk en tot en met 31 december 1977 is het in Ierland toegestaan aan de consumenten melk als volle melk te leveren waarvan het vetgehalte 3,50% niet bereikt.

De krachtens de vorige alinea als volle melk verkochte melk mag echter niet zijn afgeroomd. Overigens zijn de bepalingen inzake volle melk van toepassing op deze melk.

2.

Tot en met 31 december 1977 is Denemarken gemachtigd de exclusieve concessies voor de levering van melk die op de datum van toetreding in bepaalde gebieden bestonden te handhaven. De concessies die vóór 1 januari 1978 eindigen, kunnen niet worden verlengd.

Afdeling 12. Rundvlees

Artikel 90

De artikelen 51 en 52 zijn van toepassing op de oriëntatieprijzen voor volwassen runderen en voor kalveren.

Artikel 91

1.

Het overeenkomstig artikel 55 voor volwassen runderen en kalveren berekende compenserende bedrag wordt, voor zover nodig, gecorrigeerd met de invloed van de douanerechten.

Indien de invloed van het douanerecht dat van toepassing is in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling, het overeenkomstig artikel 55 berekende compenserende bedrag te boven gaat, wordt het douanerecht geschorst tot op een zodanig niveau dat de invloed ervan overeenkomt met dit compenserende bedrag.

2.

Ingeval van toepassing van artikel 10, lid 1 derde alinea of van artikel 11, lid 1, van Verordening (EEG) No. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, worden passende maatregelen getroffen ten einde de communautaire preferentie te handhaven en verleggingen van het handelsverkeer te voorkomen.

3.

Het compenserende bedrag voor de in de bijlage van Verordening (EEG) No. 805/68 genoemde produkten wordt vastgesteld rekening houdende met de in de leden 1 en 2 vermelde regels en met behulp van de regels voor de vaststelling van de heffingen voor deze produkten.

Artikel 92

Voor de produkten genoemd in artikel 1, sub b) en c) , van Verordening (EEG) No. 805/68 wordt de restitutie bij uitvoer uit de nieuwe Lid-Staten naar derde landen gecorrigeerd met de invloed van het verschil tussen de douanerechten die worden toegepast op de in de bijlage van genoemde verordening vermelde produkten bij invoer uit derde landen in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling enerzijds en de nieuwe Lid-Staten anderzijds.

Artikel 93

Zolang het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 54 subsidies voor de produktie van slachtvee handhaaft, is Ierland gemachtigd om ter voorkoming van distorsies op de Ierse markt voor vee, de maatregelen inzake de uitvoer van rundvlees te handhaven die het vóór de toetreding, in samenhang met het in het Verenigd Koninkrijk toegepaste subsidiestelsel, toepaste.

Afdeling 13. Op basis van groenten en fruit verwerkte produkten

Artikel 94

De compenserende bedragen worden bepaald op de grondslag van de compenserende bedragen die, naar gelang van het geval, zijn vastgesteld voor suiker, glucose of glucosestroop, en volgens de regels voor de berekening:

  • –. van de heffing, wat betreft het compenserende bedrag dat bij invoer van toepassing is,
  • –. van de restitutie, wat betreft het compenserende bedrag dat bij uitvoer van toepassing is.

Afdeling 14. Vlas

Artikel 95

1.

Voor de nieuwe Lid-Staten wordt het steunbedrag voor vlas vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen het door de vlasproducenten te verwerven inkomen en de inkomsten uit de voor deze produkten te verwachten marktprijs.

2.

Bij de bepaling van het door de vlasproducenten te verwerven inkomen wordt rekening gehouden met de prijs van de in de betrokken nieuwe Lid-Staat bij wisselbouw concurrerende produkten en met de in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling bestaande verhouding tussen het inkomen uit de vlasproduktie en dat wat de produktie van concurrerende produkten oplevert.

Afdeling 15. Zaadgoed

Artikel 96

Wanneer steun bij de produktie van zaadgoed wordt toegekend, kan het bedrag van de steun voor de nieuwe Lid-Staten worden vastgesteld op een peil dat verschilt van het voor de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling vastgestelde peil, indien tevoren het inkomen van de producenten van een nieuwe Lid-Staat aanmerkelijk verschilde van het inkomen dat werd verworven door de producenten van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.

In dit geval moet bij de vaststelling van het bedrag van de steun voor de nieuwe Lid-Staat rekening worden gehouden met het tevoren door de producenten van zaaigoed verworven inkomen en met de noodzaak elke distorsie in de structuur van de produktie te voorkomen en dit bedrag geleidelijk nader te brengen tot het bedrag van de communautaire steun.

Afdeling 16. Landbouwprodukten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen welke niet onder Bijlage II van het E.E.G.-Verdrag vallen

Artikel 97

De compenserende bedragen worden bepaald op de grondslag van de compenserende bedragen die worden vastgesteld voor de basisprodukten en volgens de regels voor de berekening der restituties, voorzien in Verordening (EEG) No. 204/69 tot vaststelling van de algemene regels aangaande toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwprodukten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen.

HOOFDSTUK 3. Bepalingen inzake de visserij

Afdeling 1. Gemeenschappelijke ordening der markten

Artikel 98

Voor visserijprodukten worden de artikelen 51 en 52 toegepast op de oriëntatieprijs. De prijsaanpassing vindt plaats aan het begin van het visseizoen en voor de eerste maal op 1 februari 1973.

Artikel 99

De compenserende bedragen worden, voor zover nodig, gecorrigeerd met de invloed van de douanerechten.

Afdeling 2. Visserijregeling

Artikel 100

1.

In afwijking van het bepaalde in artikel 2 van Verordening (EEG) No. 2141/70 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector, zijn de Lid-Staten van de Gemeenschap tot en met 31 december 1982 gemachtigd de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt, en binnen een grens van zes zeemijlen, berekend vanaf de laagwaterlijn van de aan de kust gelegen Lid-Staat, ligt, te beperken tot de schepen waarvan de visserij-activiteit van oudsher in dat gedeelte der zee en vanuit de havens in het geografische kustgebied wordt uitgeoefend; de schepen uit andere gebieden van Denemarken mogen echter hun visserij-activiteit in de wateren van Groenland verder uitoefenen, en wel uiterlijk tot en met 31 december 1977.

Indien de Lid-Staten zich op deze afwijking beroepen, mogen zij geen minder beperkende maatregelen betreffende de visserijvoorwaarden in die wateren treffen dan die welke daadwerkelijk van toepassing waren bij de toetreding.

2.

Het bepaalde in lid 1 en in artikel 101 laat de bijzondere visrechten waarop elk der oorspronkelijke Lid-Staten en der nieuwe Lid-Staten zich op 31 januari 1971 kon beroepen jegens één of meer andere Lid-Staten onverlet; de Lid-Staten kunnen zich op die rechten beroepen zolang in de betrokken gebieden een afwijkende regeling geldt. Wat evenwel de wateren van Groenland betreft, vervallen de bijzondere rechten op de voor die rechten vastgestelde data.

3.

Indien een Lid-Staat zijn visserij grenzen in sommige gebieden op twaalf zeemijlen brengt, worden de binnen het gebied van twaalf mijlen bestaande visserijpraktijken gehandhaafd, zodat er ten opzichte van de op 31 januari 1971 bestaande situatie geen stap terug wordt gedaan.

4.

Ten einde het mogelijk te maken dat in de Gemeenschap een bevredigend algemeen evenwicht inzake uitoefening van de visserij tijdens de in lid 1 bedoelde periode tot stand wordt gebracht, behoeven de Lid-Staten geen volledig gebruik te maken van de mogelijkheden die krachtens lid 1, eerste alinea, bestaan ten aanzien van bepaalde gebieden van het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt.

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de maatregelen die zij daartoe vaststellen; op verslag van de Commissie beziet de Raad de situatie en doet hij, op grond daarvan, zo nodig aanbevelingen aan de Lid-Staten.

Artikel 101

De in artikel 100 bedoelde grens van zes zeemijlen wordt voor de volgende gebieden uitgebreid tot twaalf zeemijlen:

    1. Denemarken:
  • -. de Faeröer,
  • -. Groenland,
  • -. de westkust van Thyborøn tot Blaavands Huk.
    1. Frankrijk: De kust van de departementen Manche, Ille-et-Vilaine, Côtes-du-Nord, Finistère en Morbihan.
    1. Ierland:
  • -. de noord- en de westkust, van Lough Foyle tot Cork Harbour in het zuidwesten,
  • -. de oostkust, van Carlingford Lough tot Carnsore Point, voor de vangst van schaal-, schelp- en weekdieren („shellfish”).
    1. Verenigd Koninkrijk:
  • -. de Shetland-eilanden en de Orkaden,
  • -. Noord-en Oost-Schotland, van Kaap Wrath tot Berwick,
  • -. Noordoost-Engeland, van de Coquet-rivier tot Flamborough Head,
  • -. het Zuidwesten, van Lyme Regis tot Hartland Point (met inbegrip van twaalf zeemijlen rondom Lundy Island),
  • -. het Graafschap Down.

Artikel 102

Uiterlijk vanaf het zesde jaar na de toetreding stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, de voorwaarden vast voor de uitoefening van de visserij, ten einde de bescherming van de visbanken en het behoud van de biologische rijkdommen van de zee te waarborgen.

Artikel 103

Vóór 31 december 1982 brengt de Commissie bij de Raad verslag uit over de economische en sociale ontwikkeling van de kustgebieden der Lid-Staten en over de visstand. Aan de hand van dit verslag en van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bestudeert de Raad, op voorstel van de Commissie, de bepalingen die zouden kunnen volgen op de afwijkingen die gelden tot en met 31 december 1982.

HOOFDSTUK 4. Andere bepalingen

Afdeling 1. Veterinaire maatregelen

Artikel 104

De Richtlijn No. 64/432/EEG van de Raad inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens wordt toegepast met inachtneming van de volgende bepalingen:

    1. Tot en met 31 december 1977 zijn de nieuwe Lid-Staten gemachtigd om, met eerbiediging van de algemene regels van het E.E.G.-Verdrag, hun nationale regelingen te handhaven voor de invoer van runderen en varkens bestemd voor fokkerij, gebruik of slacht, met uitzondering, voor wat Denemarken betreft, van slachtrunderen. In het kader van deze regelingen zal worden gestreefd naar aanpassingen ten einde de geleidelijke ontwikkeling van het handelsverkeer te waarborgen; te dien einde worden deze regelingen onderworpen aan een onderzoek in het Permanent Veterinair Comité.
    1. Tot en met 31 december 1977 kennen de Lid-Staten van bestemming de Lid-Staten van waaruit runderen worden verzonden de afwijking toe bedoeld in artikel 7, lid 1 punt A onder a) , van de richtlijn.
    1. Tot en met 31 december 1977 zijn de nieuwe Lid-Staten gemachtigd de methoden te handhaven die zij op hun grondgebied toepassen om een rundveebeslag officieel tuberculosevrij of brucellosevrij te verklaren in de zin van artikel 2 van de richtlijn, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van de richtlijn inzake de aanwezigheid van tegen brucellose ingeënte dieren. De bepalingen inzake de voor de dieren die binnen de Gemeenschap worden verhandeld voorgeschreven tests blijven van toepassing, onder voorbehoud van het bepaalde in de leden 4 en 6.
    1. Tot en met 31 december 1977 kan de uitvoer van runderen uit Ierland naar het Verenigd Koninkrijk plaatsvinden:
  • a). in afwijking van de bepalingen van de richtlijn inzake brucellose; de bepalingen inzake de voor de dieren die binnen de Gemeenschap worden verhandeld voorgeschreven tests blijven van toepassing bij de uitvoer van niet-gecastreerde runderen;
  • b). in afwijking van de bepalingen van de richtlijn inzake tuberculose, mits er bij de uitvoer een verklaring wordt afgelegd waaruit blijkt dat het uitgevoerde dier afkomstig is van een officieel tuberculosevrij verklaard rundveebeslag volgens de in Ierland geldende methodes;
  • c). in afwijking van de bepalingen van de richtlijn inzake de verplichting gebruiks- en fokdieren te scheiden van slachtdieren.
    1. Tot en met 31 december 1975 is Denemarken gemachtigd alttuberculine te gebruiken in afwijking van het bepaalde in bijlage B van de richtlijn.
    1. Tot aan de inwerkingtreding van de communautaire voorschriften betreffende het in de handel brengen in de Lid-Staten wat betreft de aangelegenheden die onder de richtlijn vallen, zijn Ierland en het Verenigd Koninkrijk gemachtigd hun nationale regelingen te handhaven die gelden voor het handelsverkeer tussen Ierland en Noord-Ierland.

De desbetreffende Lid-Staten nemen passende maatregelen ten einde deze afwijking te beperken tot bovengenoemd handelsverkeer.

Artikel 105

De Richtlijn No. 64/433/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees wordt toegepast met inachtneming van de navolgende bepalingen:

Tot en met 31 december 1977 zijn Ierland en het Verenigd Koninkrijk, voor wat Noord-Ierland betreft, gemachtigd bij de invoer van vers vlees hun nationale regeling betreffende de bescherming tegen mond- en klauwzeer te handhaven, met eerbiediging van de algemene bepalingen van het E.E.G.-Verdrag.

Artikel 106

Voor de afloop van de in de artikelen 104 en 105 bedoelde termijnen vindt een onderzoek van de toestand in de Gemeenschap in haar geheel en in de verschillende delen daarvan plaats in het licht van de ontwikkeling op veterinair gebied.

Uiterlijk op 1 juli 1976 legt de Commissie de Raad een verslag voor en voor zover nodig passende voorstellen waarbij rekening wordt gehouden met deze ontwikkeling.

Afdeling 2. Diverse bepalingen

Artikel 107

De besluiten die zijn opgenomen in de lijst in bijlage V van deze Akte zijn van toepassing ten aanzien van de nieuwe Lid-Staten onder de voorwaarden neergelegd in deze bijlage.

Titel III. Buitenlandse betrekkingen

HOOFDSTUK 1. Overeenkomsten van de gemeenschappen met bepaalde derde landen

Artikel 108

1.

De nieuwe Lid-Staten passen onmiddellijk na de toetreding de bepalingen van de in lid 3 genoemde overeenkomsten toe, rekening houdend met de overgangsmaatregelen en aanpassingen die nodig zouden kunnen blijken en die zullen worden opgenomen in met de derde landen, waarmede overeenkomsten worden gesloten, te sluiten Protocollen. Deze Protocollen zullen aan de laatstbedoelde overeenkomsten worden gehecht.

2.

Deze overgangsmaatregelen ten aanzien waarvan rekening zal worden gehouden met de overeenkomstige binnen de Gemeenschap aanvaarde maatregelen en die de geldigheidsduur daarvan niet mogen overschrijden, dienen te bewerkstelligen dat de Gemeenschap in haar betrekkingen met de met haar door overeenkomst verbonden derde landen geleidelijk een eenvormige regeling toepast en dat de rechten en verplichtingen van de Lid-Staten aan elkaar gelijk worden.

3.

Het bepaalde in de leden 1 en 2 is van toepassing op de met Griekenland, Turkije, Tunesië, Marokko, Israël, Spanje en Malta gesloten overeenkomsten.

Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de overeenkomsten die de Gemeenschap tot aan de inwerkingtreding van deze Akte met andere landen die tot het Middellandse-Zeegebied behoren, sluit.

HOOFDSTUK 2. Betrekkingen met de geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar en met bepaalde ontwikkelingslanden van het Gemenebest

Artikel 109

1.

De regelingen die voortvloeien uit de op 29 juli 1969 ondertekende Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar, alsmede uit de op 24 september 1969 ondertekende Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Republiek Tanzania, de Republiek Oeganda en de Republiek Kenya, zijn niet van toepassing in de betrekkingen tussen de nieuwe Lid-Staten en de krachtens bovenbedoelde overeenkomsten met de Gemeenschap geassocieerde Staten.

De nieuwe Lid-Staten behoeven niet toe te treden tot het op 29 juli 1969 ondertekende Akkoord betreffende de produkten die onder de bevoegdheid vallen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.

2.

Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 110 en 111, zijn de produkten van oorsprong uit de in lid 1 bedoelde geassocieerde Staten, bij invoer in de nieuwe Lid-Staten onderworpen aan de regeling welke vóór de toetreding op deze produkten van toepassing was.

3.

Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 110 en 111, zijn de produkten van oorsprong uit de in bijlage VI van deze Akte bedoelde onafhankelijke landen van het Gemenebest bij invoer in de Gemeenschap onderworpen aan de regeling welke vóór de toetreding op deze produkten van toepassing was.

Artikel 110

Op de produkten van de lijst van bijlage II van het E.E.G.-Verdrag die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen en op de produkten die bij invoer in de Gemeenschap als gevolg van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid aan een specifieke regeling zijn onderworpen, passen de nieuwe Lid-Staten wanneer deze produkten van oorsprong zijn uit de in artikel 109, lid 1, bedoelde geassocieerde Staten of uit de in artikel 109, lid 3, bedoelde onafhankelijke landen van het Gemenebest bij invoer de communautaire regeling toe onder de voorwaarden als omschreven in deze Akte, behoudens de volgende bepalingen:

  • a). wanneer de gemeenschapsregeling de heffing van douanerechten bij invoer uit derde landen voorschrijft, passen de nieuwe Lid-Staten, behoudens het bepaalde in artikel 111, de tariefregeling toe, die zij vóór de toetreding toepasten;
  • b). voor wat de beschermende elementen andere dan douanerechten betreft, stelt de Raad, indien dit noodzakelijk is, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de aanpassingen van de gemeenschapsregelingen vast die kunnen waarborgen dat de invoer van deze produkten geschiedt onder soortgelijke voorwaarden als die welke vóór de toetreding bestonden.

Artikel 111

Indien de aanpassing aan het gemeenschappelijk douanetarief in een nieuwe Lid-Staat tot een verlaging van het douanerecht leidt, wordt het aldus verlaagde nieuwe douanerecht toegepast op de invoer bedoeld in de artikelen 109 en 110.

Artikel 112

1.

De produkten welke in het Verenigd Koninkrijk worden ingevoerd gedurende de periode tot aan de krachtens artikel 115 vastgestelde data en die van oorsprong zijn uit de in artikel 109, lid 3, bedoelde onafhankelijke landen van het Gemenebest, kunnen niet worden beschouwd als zich daar in het vrije verkeer bevindend in de zin van artikel 10 van het E.E.G-Verdrag, wanneer zij weer worden uitgevoerd naar een andere nieuwe Lid-Staat of naar de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.

2.

De gedurende deze zelfde periode in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling ingevoerde produkten die van oorsprong zijn uit de in artikel 109, lid 1, bedoelde geassocieerde Staten, kunnen niet worden beschouwd als zich daar in het vrije verkeer bevindend in de zin van artikel 10 van het E.E.G.-Verdrag, wanneer zij weer worden uitgevoerd naar de nieuwe Lid-Staten.

3.

De Commissie kan, indien er geen gevaar voor verlegging van het handelsverkeer bestaat, en met name in geval van geringe ongelijkheden in de invoerstelsels afwijkingen van de leden 1 en 2 vaststellen.

Artikel 113

1.

Onmiddellijk na de toetreding stellen de nieuwe Lid-Staten de oorspronkelijke Lid-Staten en de Commissie in kennis van de bepalingen betreffende de regeling die zij toepassen bij de invoer van produkten van oorsprong of van herkomst uit de in artikel 109, lid 3, bedoelde onafhankelijke landen van het Gemenebest, alsmede uit de geassocieerde Staten bedoeld in artikel 109, lid 1.

2.

Onmiddellijk na de toetreding stelt de Commissie de nieuwe Lid-Staten in kennis van de interne of verdragsrechtelijke bepalingen betreffende de regeling die van toepassing is op de invoer in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling, van produkten van oorsprong of van herkomst uit de in artikel 109, lid 3, bedoelde onafhankelijke Staten van het Gemenebest, alsmede uit de geassocieerde Staten bedoeld in artikel 109, lid 1.

Artikel 114

Bij vaststelling van de door de Raad te nemen besluiten en door het Comité van het Europees Ontwikkelingsfonds te geven adviezen, in het kader van het op 29 juli 1969 ondertekende Intern Akkoord inzake maatregelen en procedures nodig ter toepassing van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar, van het op 29 juli 1969 ondertekende Intern Akkoord betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap en van het op 24 september 1969 ondertekende Intern Akkoord inzake maatregelen en procedures nodig ter toepassing van de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Republiek Tanzania, de Republiek Oeganda en de Republiek Kenya, worden alleen de stemmen van de oorspronkelijke Lid-Staten geteld, overeenkomstig, al naargelang van het geval, hetzij de stemmenweging die vóór de toetreding gold voor de berekening van de gekwalificeerde meerderheid, hetzij artikel 13, lid 3, van bovengenoemd Intern Akkoord betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap.

Artikel 115

1.

De artikelen 109 tot en met 114 zijn van toepassing tot en met 31 januari 1975.

2.

Ingevoerde produkten van oorsprong uit de in artikel 109, lid 3, bedoelde onafhankelijke landen van het Gemenebest die vóór deze datum hun betrekkingen met de Gemeenschap op een andere grondslag hebben geregeld dan op die van een associatie, zijn in de nieuwe Lid-Staten, vanaf de datum waarop de door hen met de Gemeenschap gesloten overeenkomst van kracht wordt en voor de niet daaronder vallende aangelegenheden, echter onderworpen aan de derde landen regeling die voor hen geldt, met inachtneming van de overgangsbepalingen van deze Akte.

3.

Na raadpleging van de Commissie kan de Raad met eenparigheid van stemmen besluiten de in lid 1 genoemde termijn te verlengen, indien de in artikel 62, tweede alinea, van de op 29 juli 1969 ondertekende Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar of in artikel 36, tweede alinea, van de op 24 september 1969 ondertekende Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Republiek Tanzania, de Republiek Oeganda en de Republiek Kenya, bedoelde overgangsmaatregelen worden toegepast en wel voor het tijdvak waarvoor deze overgangsmaatregelen van kracht zijn.

HOOFDSTUK 3. Betrekkingen met Papoea-Nieuw-Guinea

Artikel 116

1.

Het bepaalde in artikel 109, lid 3, en in de artikelen 110 tot en met 113 is tot en met 31 december 1977 van toepassing op de produkten van oorsprong of van herkomst uit Papoea-Nieuw-Guinea die worden ingevoerd in het Verenigd Koninkrijk.

2.

Deze regeling kan worden herzien, met name indien dit gebied vóór 1 januari 1978 zijn onafhankelijkheid verkrijgt. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie, in voorkomend geval, de passende bepalingen vast die nodig mochten blijken.

Titel IV. Associatie van de landen en gebieden overzee

Artikel 117

1.

De associatie van de niet-Europese gebieden die bijzondere betrekkingen onderhouden met het Verenigd Koninkrijk en van het Frans-Britse Condominium van de Nieuwe Hebriden, als bedoeld in artikel 24, lid 2, wordt, krachtens een besluit van de Raad dat berust op artikel 136 van het E.E.G.-Verdrag, op zijn vroegst van kracht op 1 februari 1975.

2.

De nieuwe Lid-Staten behoeven niet toe te treden tot het op 14 december 1970 ondertekende Akkoord inzake de handel met de landen en gebieden overzee in de produkten die onder de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallen.

Artikel 118

Het bepaalde in het derde deel van Protocol No. 22 betreffende de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar, en de onafhankelijke ontwikkelingslanden van het Gemenebest gelegen in Afrika, in de Indische Oceaan, in de Stille Oceaan en in het Caribische gebied, is van toepassing zowel op de landen en gebieden overzee bedoeld in artikel 117 als op de niet-Europese landen en gebieden die bijzondere betrekkingen onderhouden met de oorspronkelijke Lid-Staten.

Artikel 119

1.

De regeling die voortvloeit uit het besluit van de Raad van 29 september 1970 betreffende de Associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap is niet van toepassing ten aanzien van de betrekkingen tussen deze landen en gebieden en de nieuwe Lid-Staten.

2.

De produkten van oorsprong uit de met de Gemeenschap geassocieerde landen en gebieden zijn bij invoer in de nieuwe Lid-Staten onderworpen aan de regeling welke vóór de toetreding op deze produkten van toepassing was.

De produkten van oorsprong uit de niet-Europese gebieden die bijzondere betrekkingen onderhouden met het Verenigd Koninkrijk en uit het Frans-Britse Condominium van de Nieuwe Hebriden, als bedoeld in artikel 24, lid 2, zijn bij invoer in de Gemeenschap onderworpen aan de regeling die vóór de toetreding op deze produkten van toepassing was.

De artikelen 110 tot en met 114 zijn van toepassing.

3.

Het bepaalde in dit artikel is van toepassing tot en met 31 januari 1975. Indien artikel 115, lid 3, wordt toegepast, kan deze termijn worden verlengd volgens de procedure en onder de voorwaarden voorzien in dat artikel.

Titel V. Kapitaalverkeer

Artikel 120

1.

Met inachtneming van de in de artikelen 121 tot en met 126 neergelegde voorwaarden en termijnen, kunnen de nieuwe Lid-Staten de vrijmaking van het kapitaalverkeer uitstellen, welke is voorgeschreven in de eerste richtlijn van de Raad, van 11 mei 1960, voor de uitvoering van artikel 67 van het E.E.G.-Verdrag, en in de tweede richtlijn van de Raad, van 18 december 1962, ter aanvulling en wijziging van de eerste richtlijn voor de uitvoering van artikel 67 van het E.E.G.-Verdrag.

2.

De nieuwe Lid-Staten en de Commissie plegen te gelegener tijd het nodige overleg over de wijze van toepassing van de liberalisatie- of versoepelingsmaatregelen waarvan de tenuitvoerlegging krachtens de volgende bepalingen kan worden uitgesteld.

Artikel 121

1.

Denemarken kan:

  • a). gedurende twee jaar vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van de door niet-ingezetenen van in Deense kronen luidende en in Denemarken ter beurze verhandelde obligaties, met inbegrip van de in- en uitvoer van de betreffende effecten;
  • b). gedurende vijf jaar vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van de verwerving door ingezetenen van Denemarken van ter beurze verhandelde buitenlandse effecten en van de terugkoop uit het buitenland van ter beurze verhandelde Deense effecten, geheel of gedeeltelijk luidende in buitenlandse valuta, met inbegrip van de in- en uitvoer van de betreffende effecten.
2.

Denemarken zal vanaf de toetreding overgaan tot geleidelijke vrijmaking van de in lid 1, sub a) , bedoelde transacties.

Artikel 122

1.

Ierland kan:

  • a). gedurende twee jaar vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van directe investeringen in de Lid-Staten door ingezetenen van Ierland en van de liquidatie van directe investeringen in de Lid-Staten door ingezetenen van Ierland;
  • b). gedurende dertig maanden vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van de volgende categorieën van kapitaalverkeer van persoonlijke aard:
  • –. overmakingen van aan emigrerende Ierse ingezetenen toebehorend kapitaal, die niet samenhangen met het vrij verkeer van werknemers; in laatstbedoeld geval worden zij op het tijdstip van toetreding vrijgemaakt;
  • –. schenkingen en giften, bruidsschatten, successierechten en niet met het vrij verkeer van werknemers samenhangende beleggingen in onroerende goederen; laatstbedoelde beleggingen worden op het tijdstip van toetreding vrijgemaakt;
  • c). gedurende vijf jaar vanaf de toetreding, de vrijmaking uitstellen van de in lijst B bij de in artikel 120 bedoelde richtlijnen genoemde transacties door ingezetenen van Ierland.
2.

Ierland erkent dat het wenselijk is om vanaf de toetreding over te gaan tot een belangrijke versoepeling van de regels betreffende de in lid 1, sub a) , bedoelde transacties, en zal het nodige in het werk stellen om de daartoe vereiste maatregelen te treffen.

Artikel 124

1.

Het Verenigd Koninkrijk kan:

  • a). gedurende twee jaar vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van directe investeringen in de Lid-Staten door ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk en van de liquidatie van directe investeringen in de Lid-Staten door ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk.
  • b). gedurende dertig maanden vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van de volgende categorieën van kapitaalverkeer van persoonlijke aard:
  • –. overmakingen van aan emigrerende ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk toebehorend kapitaal, die niet samenhangen met het vrij verkeer van werknemers; in laatstbedoeld geval warden zij op het tijdstip van toetreding vrijgemaakt;
  • –. schenkingen en giften, bruidsschatten, successierechten en niet met het vrij verkeer van werknemers samenhangende beleggingen in onroerende goederen; de laatstbedoelde beleggingen worden op het tijdstip van toetreding vrijgemaakt;
  • c). gedurende vijf jaar vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van de in lijst B bij de in artikel 120 bedoelde richtlijnen genoemde transacties door ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk.
2.

Het Verenigd Koninkrijk zal vanaf de toetreding overgaan tot een belangrijke versoepeling van de regels betreffende de in lid 1, sub a) , bedoelde transacties.

Artikel 125

Zo de omstandigheden zulks toelaten, verwezenlijken de nieuwe Lid-Staten de vrijmaking van de in de artikelen 121 tot en met 124 genoemde categorieën van kapitaalverkeer vóór de afloop van de in die artikelen gestelde termijnen.

Artikel 126

Voor de toepassing van deze Titel kan de Commissie het Monetair Comité raadplegen en ieder dienstig voorstel bij de Raad indienen.

Titel VI. Financiële bepalingen

Artikel 127

Het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen, hierna „besluit van 21 april 1970” genoemd, wordt toegepast met inachtneming van de volgende bepalingen.

Artikel 128

De ontvangsten bedoeld in artikel 2 van het besluit van 21 april 1970 omvatten eveneens:

  • a). bij die, welke landbouwheffingen worden genoemd, de ontvangsten afkomstig van elk compenserend bedrag geheven bij de invoer uit hoofde van de artikelen 47 en 55 van de vaste elementen welke worden toegepast in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten alsmede tussen de nieuwe Lid-Staten uit hoofde van artikel 61;
  • b). bij die, welke douanerechten worden genoemd, de douanerechten geheven door de nieuwe Lid-Staten in het handelsverkeer met landen die geen lid zijn, alsmede de douanerechten geheven in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten alsook tussen de nieuwe Lid-Staten.

Artikel 129

1.

De financiële bijdragen van de Lid-Staten, bedoeld in artikel 3, lid 2, van het besluit van 21 april 1970, worden op de volgende wijze verdeeld:

  • -. tussen de nieuwe Lid-Staten:
Denemarken........................................................ 2,46 %
Ierland................................................................. 0,61 %
Verenigd Koninkrijk.............................................. 19,32 %
  • -. en tussen de oorspronkelijke Lid-Staten volgens de verdeelsleutel van artikel 3, lid 2, van het besluit van 21 april 1970, na aftrek van de bovenbedoelde financiële bijdragen van de nieuwe Lid-Staten.
2.

Voor het jaar 1973 worden voor de berekening van de schommelingen bedoeld in artikel 3, lid 3, van het besluit van 21 april 1970, als referentie genomen:

  • –. voor de nieuwe Lid-Staten, de in lid 1 genoemde percentages;
  • –. voor de oorspronkelijke Lid-Staten, hun aandeel van het voorgaande jaar, met inachtneming van de bovenbedoelde percentages van de nieuwe Lid-Staten.

Artikel 130

De eigen middelen, alsmede de financiële bijdragen en, eventueel, de in artikel 4, leden 2, 3 en 4, van het besluit van 21 april 1970 bedoelde bijdragen, zijn door de nieuwe Lid-Staten slechts verschuldigd tot een bedrag van:

  • 45,0% in 1973
  • 56,0% in 1974
  • 67,5% in 1975
  • 79,5% in 1976
  • 92,0% in 1977

Artikel 131

1.

Vanaf 1 januari 1978 zijn de eigen middelen alsmede, in voorkomend geval, de bijdragen bedoeld in artikel 4, leden 2, 3 en 4, van het besluit van 21 april 1970, geheel verschuldigd door de nieuwe Lid-Staten, onder voorbehoud van de volgende bepalingen:

  • a). de verhoging van het door iedere nieuwe Lid-Staat uit hoofde van eigen middelen en bijdragen voor het jaar 1978 te betalen aandeel in verhouding tot het voor 1977 verschuldigde aandeel, mag niet hoger zijn dan 2/5 van het verschil tussen het aandeel verschuldigd uit hoofde van eigen middelen en van bijdragen voor 1977 en het aandeel dat iedere nieuwe Lid-Staat zou hebben moeten betalen uit dienzelfden hoofde, voor hetzelfde jaar, indien dit aandeel was berekend volgens het voor de oorspronkelijke Lid-Staten vanaf 1978 door het besluit van 21 april 1970 voorziene stelsel;
  • b). voor het jaar 1979 mag de verhoging van het aandeel van iedere nieuwe Lid-Staat in verhouding tot 1978 niet groter zijn dan de verhoging van 1978 in verhouding tot 1977.
2.

De Commissie gaat over tot de voor de toepassing van dit artikel noodzakelijke berekeningen.

Artikel 132

Tot en met 31 december 1979 wordt het gedeelte van de begroting der Gemeenschappen dat door de toepassing van de artikelen 130 en 131 eventueel niet is gedekt, opgenomen in het bedrag dat voor de oorspronkelijke Lid-Staten voortvloeit uit de verdeling overeenkomstig artikel 129. Het aldus verkregen totale bedrag wordt tussen de oorspronkelijke Lid-Staten verdeeld overeenkomstig het besluit van 21 april 1970.

Titel VII. Andere bepalingen

Artikel 133

De in de lijst in bijlage VII van deze Akte genoemde besluiten zijn ten aanzien van de nieuwe Lid-Staten van toepassing, op de wijze als bepaald in die bijlage.

Artikel 134

1.

De Commissie zal samen met de betrokken Regeringen in de vijf jaren, die volgen op de toetreding, nagaan of de bestaande maatregelen die voortvloeien uit de in de nieuwe Lid-Staten geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, die, zo zij na de toetreding zouden zijn ingevoerd, onder artikel 67 van het E.G.K.S.-Verdrag zouden zijn gevallen, in vergelijking met de in de oorspronkelijke Lid-Staten geldende regels, zouden kunnen leiden tot ernstige distorsies in de concurrentieverhoudingen van de kolenmijn- en staalindustrie, in de gemeenschappelijke markt of op de uitvoermarkten. De Commissie kan, na raadpleging van de Raad, de betrokken Regeringen alle maatregelen voorstellen die zij passend acht om deze maatregelen te corrigeren of de gevolgen daarvan te compenseren.

2.

Tot en met 31 december 1977 kunnen de door de ondernemingen toegepaste prijzen voor de verkoop van staal op de Ierse markt, teruggerekend op de grondslag gekozen voor het opstellen van de prijsschaal, niet lager zijn dan de prijzen neergelegd in die schaal voor vergelijkbare transacties, tenzij de Commissie, in overeenstemming met de Ierse Regering, daarvoor toestemming heeft gegeven, onverminderd het bepaalde in artikel 60, lid 2 sub b) laatste alinea, van het E.G.K.S.-Verdrag.

3.

Indien beschikking No. 1/64 van de Hoge Autoriteit van 15 januari 1964 houdende verbod van aanpassing aan prijsaanbiedingen voor ijzer- en staalprodukten en ruwijzer uit landen en gebieden met staatshandel na de toetreding wordt verlengd, is dit verbod tot en met 31 december 1975 niet van toepassing op de produkten die zijn bestemd voor de Deense markt.

Artikel 135

1.

Tot en met 31 december 1977 kan een nieuwe Lid-Staat, in geval van ernstige en mogelijk aanhoudende moeilijkheden in een sector van het economisch leven, alsmede van moeilijkheden die de economische toestand van een bepaalde streek ernstig kunnen verstoren, machtiging vragen om vrijwaringsmaatregelen te nemen, waardoor de toestand wederom in evenwicht kan worden gebracht en de betrokken sector kan worden aangepast aan de economie van de gemeenschappelijke markt.

2.

Op verzoek van de betrokken Staat stelt de Commissie door middel van een spoedprocedure onverwijld de vrijwaringsmaatregelen vast welke zij noodzakelijk acht, waarbij zij de voorwaarden en de wijze van toepassing nader aangeeft.

3.

De overeenkomstig lid 2 toegestane maatregelen kunnen afwijkingen van de regels van het E.E.G.-Verdrag en van deze Akte inhouden, voor zover en voor zolang deze strikt noodzakelijk zijn ter bereiking van de in lid 1 bedoelde doelstellingen. Bij voorrang moeten die maatregelen worden gekozen die de werking van de gemeenschappelijke markt het minst verstoren.

4.

Onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde procedure kan een oorspronkelijke Lid-Staat verzoeken gemachtigd te worden vrijwaringsmaatregelen te treffen ten opzichte van één of meer nieuwe Lid-Staten.

Artikel 136

1.

Indien de Commissie tot en met 31 december 1977 op verzoek van een Lid-Staat of van enige andere belanghebbende constateert dat tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten of tussen de nieuwe Lid-Staten onderling dumping wordt toegepast, doet zij aan hem of hen die zich aan deze praktijken schuldig maken, aanbevelingen ten einde daaraan een eind te maken.

Ingeval deze praktijken voortduren, machtigt de Commissie de benadeelde Lid-Staat of Lid-Staten tot het nemen van beschermende maatregelen waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt.

2.

Voor de toepassing van het onderhavige artikel op de in bijlage II van het E.E.G.-Verdrag genoemde produkten beoordeelt de Commissie alle omstandigheden, met name het peil van de prijzen waartegen de invoer van andere herkomst op de betrokken markt plaatsvindt, met inachtneming van de bepalingen van het E.E.G.-Verdrag inzake de landbouw en in het bijzonder het bepaalde in artikel 39.

Artikel 137

1.

In afwijking van artikel 136 kan Ierland tot en met 31 december 1977 in uiterst dringende gevallen zelf de noodzakelijke maatregelen nemen. Zij brengt deze maatregelen onmiddellijk ter kennis van de Commissie, die kan besluiten tot afschaffing of wijziging ervan.

2.

Deze bepaling is niet van toepassing op de produkten van bijlage II van het E.E.G.-Verdrag.

Artikel 138

In afwijking van artikel 95, tweede alinea, van het E.E.G.-Verdrag, kan Denemarken tot en met 30 juni 1974 de bijzondere accijnzen handhaven op tafelwijn die in flessen of in andere soortgelijke emballages wordt ingevoerd.

DEEL VIJFDE. BEPALINGEN BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN DEZE AKTE

Titel I. Het in werking stellen van de instellingen

Artikel 139

1.

Onmiddellijk na de toetreding wijzen de Parlementen van de nieuwe Lid-Staten hun afgevaardigden naar de Vergadering aan,

2.

De Vergadering komt uiterlijk één maand na de toetreding bijeen. Zij brengt in haar Reglement van Orde de door de toetreding, noodzakelijk geworden aanpassingen aan.

Artikel 140

1.

Vanaf het tijdstip der toetreding wordt het voorzitterschap van de Raad uitgeoefend door het lid van de Raad dat, overeenkomstig artikel 2 van de oorspronkelijke versie van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, het voorzitterschap dient uit te oefenen. Na afloop van dit mandaat wordt het voorzitterschap uitgeoefend in de volgorde van de Lid-Staten die is vastgesteld in bovengenoemd artikel, gewijzigd bij artikel 11.

2.

De Raad brengt in zijn Reglement van Orde de aanpassingen, aan, welke door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Artikel 141

1.

De Voorzitter, de Vice-Voorzitters en de leden van de Commissie worden benoemd onmiddellijk na de toetreding. De Commissie treedt in functie op de vijfde dag na de benoeming harer leden. Op hetzelfde tijdstip eindigt het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

2.

De Commissie brengt in haar Reglement van Orde de aanpassingen aan, welke door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Artikel 142

1.

Onmiddellijk na de toetreding wordt het Hof van Justitie aangevuld door de benoeming van nieuwe rechters ten einde het aantal rechters op negen te brengen, zoals is bepaald in artikel 17 van deze Akte.

2.

De ambtstermijn van één van de overeenkomstig lid 1 benoemde rechters loopt op 6 oktober 1976 af. Deze rechter wordt bij loting aangewezen. De ambtstermijn van de andere rechter loopt af op 6 oktober 1979.

3.

Onmiddellijk na de toetreding wordt een derde advocaat-generaal benoemd. Zijn ambtstermijn loopt op 6 oktober 1979 af.

4.

Het Hof brengt in zijn reglement voor de procesvoering de aanpassingen aan, welke door de toetreding noodzakelijk zijn geworden. Het aldus aangepaste reglement voor de procesvoering moet door de Raad met eenparigheid van stemmen worden goedgekeurd.

5.

Voor het wijzen van vonnis in zaken die op 1 januari 1973 bij het Hof aanhangig zijn en waarvoor de mondelinge procedure vóór deze datum is geopend, komen het Hof in voltallige zitting of de Kamers bijeen in de samenstelling van voor de toetreding en passen zij het reglement voor de procesvoering toe zoals dit op 31 december 1972 gold.

Artikel 143

Onmiddellijk na de toetreding wordt het Economisch en Sociaal Comité aangevuld door de benoeming van tweeënveertig leden die alle sectoren van het economische en sociale leven van de nieuwe Lid-Staten vertegenwoordigen. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 144

Onmiddellijk na de toetreding wordt het Raadgevend Comité van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal aangevuld door de benoeming van extra-leden. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 145

De leden van het Wetenschappelijk en Technisch Comité worden onmiddellijk na de toetreding benoemd volgens de procedure van artikel 134 van het E.G.A.-Verdrag. Het Comité treedt in functie op de vijfde dag na de benoeming van zijn leden. Tegelijkertijd eindigt het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 146

Onmiddellijk na de toetreding wordt het Monetair Comité aangevuld door de benoeming van de leden die de nieuwe Lid-Staten vertegenwoordigen. Hun mandaat verstrijkt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 147

De door de toetreding noodzakelijk geworden aanpassingen van de statuten en van de Reglementen van Orde van de bij de oorspronkelijke Verdragen ingestelde Comités geschieden zo spoedig mogelijk na de toetreding.

Artikel 148

1.

Voor wat de in bijlage VIIIvermelde Comités betreft, verstrijkt het mandaat der nieuwe leden tegelijk met dat van de leden die op het tijdstip van de toetreding zitting hebben in een dezer Comités.

2.

De in bijlage IX vermelde Comités worden volledig vernieuwd op het tijdstip van de toetreding.

Titel II. Toepassing van de besluiten der instellingen

Artikel 149

Vanaf het tijdstip der toetreding wordt ervan uitgegaan dat de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het E.E.G.-Verdrag en van artikel 161 van het E.G.A.-Verdrag, alsmede de aanbevelingen en beschikkingen in de zin van artikel 14 van het E.G.K.S.-Verdrag, eveneens tot de nieuwe Lid-Staten zijn gericht, en dat hun daarvan kennis is gegeven, voor zover van deze richtlijnen, aanbevelingen en beschikkingen aan alle oorspronkelijke Lid-Staten kennis is gegeven.

Artikel 150

De toepassing in elke nieuwe Lid-Staat van de in de lijst die is opgenomen in bijlage X van deze Akte voorkomende besluiten wordt uitgesteld tot de in die lijst vermelde data.

Artikel 151

1.

Tot 1 februari 1973 worden uitgesteld:

  • a). de toepassing op de nieuwe Lid-Staten van de communautaire regelingen die zijn ingesteld voor de produktie van en de handel in landbouwprodukten en voor het handelsverkeer in bepaalde goederen die vervaardigd zijn uit landbouwprodukten waarvoor een bijzondere regeling geldt;
  • b). de toepassing op de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling van de wijzigingen die in deze regelingen zijn aangebracht bij deze Akte, met inbegrip van die welke voortvloeien uit artikel 153.
2.

Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op de aanpassingen bedoeld in deel II onder A van de in artikel 29 van deze Akte bedoelde bijlage I.

3.

Tot en met 31 januari 1973 geldt voor het handelsverkeer tussen een nieuwe Lid-Staat enerzijds, en de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling, de overige nieuwe Lid-Staten of derde landen anderzijds, de regeling die vóór de toetreding van toepassing was.

Artikel 152

De nieuwe Lid-Staten stellen de maatregelen in werking die nodig zijn om vanaf het tijdstip van toetreding uitvoering te geven aan de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het E.E.G.-Verdrag en van artikel 161 van het E.G.A.-Verdrag, alsmede aan de beschikkingen en aanbevelingen in de zin van artikel 14 van het E.G.K.S.-Verdrag, tenzij in de lijst die is opgenomen in bijlage XI of in andere bepalingen van de onderhavige Akte een bepaalde termijn is vastgesteld.

Artikel 153

1.

De niet in deze Akte of de bijlagen daarvan vervatte aanpassingen van de besluiten van de Instellingen der Gemeenschappen, die door de Instellingen vóór de toetreding worden verricht volgens de in lid 2 vastgestelde procedure om die besluiten in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de onderhavige Akte, met name die welke voorkomen in het Vierde Deel daarvan, treden in werking op het tijdstip van toetreding.

2.

De daartoe noodzakelijke bepalingen worden door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, of door de Commissie vastgesteld, naargelang de oorspronkelijke besluiten door de ene dan wel door de andere Instelling zijn aangenomen.

Artikel 154

In afwijking van artikel 3, lid 3, zijn de beginselen betreffende de algemene regelingen inzake regionale steun, die zijn uitgewerkt in het kader van de toepassing van de artikelen 92, 93 en 94 van het E.E.G.-Verdrag en die zijn vervat in de mededeling van de Commissie van 23 juni 1971, alsmede in de resolutie van 20 oktober 1971 van de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, uiterlijk vanaf 1 juli 1973 van toepassing op de nieuwe Lid-Staten.

Deze bepalingen worden aangevuld ten einde rekening te houden met de nieuwe situatie van de Gemeenschap na de toetreding, opdat alle Lid-Staten zich te dien aanzien in dezelfde toestand bevinden.

Artikel 155

De vóór de toetreding aanvaarde teksten van de besluiten van de Instellingen der Gemeenschappen en die door de Raad of de Commissie in de Deense en de Engelse taal zijn vastgesteld, zijn vanaf het tijdstip van toetreding op gelijke wijze authentiek als de in de vier oorspronkelijke talen vastgestelde teksten. Zij worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt, wanneer de teksten in de oorspronkelijke talen aldus zijn bekendgemaakt.

Artikel 156

Van de op het tijdstip van toetreding bestaande overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen die ingevolge de toetreding onder de werkingssfeer van artikel 65 van het E.G.K.S.-Verdrag vallen, moet aan de Commissie kennis worden gegeven binnen een termijn van ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding. Alleen overeenkomsten en besluiten waarvan kennis is gegeven, blijven voorlopig van kracht totdat de Commissie heeft beslist.

Artikel 157

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de bescherming van de gezondheid van de bevolking en van de werknemers op het grondgebied van de nieuwe Lid-Staten tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren, worden, overeenkomstig artikel 33 van het E.G.A.-Verdrag, door deze Staten aan de Commissie medegedeeld binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding.

Titel III. Slotbepalingen

Artikel 158

De aan deze Akte gehechte bijlagen I tot en met XI, de Protocollen No. 1 tot en met 30 en de briefwisseling betreffende de monetaire vraagstukken maken daar een integrerend deel van uit.

Artikel 159

De Regering van de Franse Republiek zendt aan de Regeringen van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van de verdragen waarbij dit Verdrag is gewijzigd toe.

Artikel 160

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)