Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Lid-Staten der Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
De Regering van de Italiaanse Republiek zendt aan de Regeringen van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland een voor eensluidend gewaarmerkt af schrift in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal toe van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de verdragen tot wijziging of aanvulling daarvan.
De teksten van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van het Verdrag tot oprichting, van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, alsmede van de verdragen tot wijziging of aanvulling daarvan, die zijn opgesteld in de Deense, de Engelse, de Ierse en de Noorse taal, worden aan de onderhavige Akte gehecht. De teksten, die zijn opgesteld in de Deense, de Engelse en de Ierse taal, zijn op gelijke wijze authentiek als de oorspronkelijke teksten van bovengenoemde Verdragen.
Artikel 161
De Secretaris-Generaal van de Raad der Europese Gemeenschappen zal een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de internationale overeenkomsten die zijn nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal, aan de Regeringen van de nieuwe Lid-Staten toezenden.
deel Eerste. Aanpassing van de Statuten van de Europese Investeringsbank
Artikel 1
Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.
Artikel 2
Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.
Artikel 3
Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.
Artikel 4
Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.
Artikel 5
Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.
Artikel 6
Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.
Artikel 7
Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.
Artikel 8
Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.
Artikel 9
Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.
deel Tweede. Andere bepalingen
Artikel 10
De nieuwe Lid-Staten verrichten, uiterlijk twee maanden na het tijdstip van toetreden, de stortingen die zijn voorgeschreven in artikel 5, lid 1, van de Statuten van de Bank, zoals dit is gewijzigd bij artikel 3 van dit Protocol. Deze stortingen moeten geschieden in hun nationale valuta. Eén vijfde van de storting zal plaatsvinden in liquide middelen en de rest in de vorm van renteloos schatkistpapier; de betaling van deze rest, in vier gelijke delen, vervalt, respectievelijk negen, zestien, drieëntwintig en dertig maanden na het tijdstip van toetreding. Dit schatkistpapier kan geheel of gedeeltelijk vóór de vervaldatum worden afgelost, zulks in onderling overleg tussen de Bank en de betrokken nieuwe Lid-Staat. De betalingen in liquide middelen en de opbrengst van het schatkistpapier bij aflossing moeten vrij converteerbaar zijn.
De bepalingen van artikel 7 van de Statuten van de Bank zijn van toepassing op alle door de nieuwe Lid-Staten uit hoofde van dit artikel in hun nationale valuta verrichte stortingen. Alle aanpassingen betreffende nog niet afgelost schatkistpapier vinden plaats op de vervaldatum of op het tijdstip van vervroegde aflossing van dit papier.
Artikel 11
De nieuwe Lid-Staten dragen aan de per 31 december van het jaar voorafgaande aan de toetreding vastgestelde statutaire reserve en de voorzieningen die gelijkwaardig zijn aan reserves, zoals deze voorkomen in de goedgekeurde balans van de Bank, de met de volgende percentages van deze reserves overeengekomen bedragen bij:
| Verenigd Koninkrijk | 30% |
|---|---|
| Denemarken | 4% |
| Ierland | 1% |
De bedragen van de in het onderhavige artikel bedoelde stortingen worden berekend in rekeneenheden nadat de jaarbalans van de Bank voor het jaar voorafgaand aan de toetreding is goedgekeurd.
De storting van deze bedragen vindt plaats in vijf gelijke delen uiterlijk twee, negen, zestien, drieëntwintig en dertig maanden na de toetreding. Elke van deze vijf delen wordt gestort in vrij converteerbare nationale valuta van elk van de nieuwe Lid-Staten.
Artikel 12
Onmiddellijk na de toetreding vult de Raad van Gouverneurs de Raad van Bewind aan door de benoeming van:
- 3 bewindvoerders aangewezen door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;
- 1 bewindvoerder aangewezen door het Koninkrijk Denemarken;
- 1 bewindvoerder aangewezen door Ierland;
- 1 bewindvoerder aangewezen door het Groothertogdom Luxemburg;
- 2 plaatsvervangers aangewezen door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
De ambtsperiode van de aldus benoemde bewindvoerders en plaatsvervangers loopt af aan het einde van de jaarvergadering van de Raad van Gouverneurs tijdens welke het jaarverslag over het boekjaar 1977 wordt behandeld.
Aan het einde van de jaarvergadering tijdens welke het jaarverslag over het boekjaar 1972 wordt behandeld, benoemt de Raad van Gouverneurs voor een ambtsperiode van vijf jaar:
- 3 bewindvoerders aangewezen door de Bondsrepubliek Duitsland;
- 3 bewindvoerders aangewezen door de Franse Republiek;
- 3 bewindvoerders aangewezen door de Italiaanse Republiek;
- 1 bewindvoerder aangewezen door het Koninkrijk België;
- 1 bewindvoerder aangewezen door het Koninkrijk der Nederlanden;
- 1 bewindvoerder aangewezen door de Commissie;
- 2 plaatsvervangers aangewezen door de Bondsrepubliek Duitsland;
- 2 plaatsvervangers aangewezen door de Franse Republiek;
- 2 plaatsvervangers aangewezen door de Italiaanse Republiek;
- 1 plaatsvervanger in onderlinge overeenstemming aangewezen door de Benelux-landen;
- 1 plaatsvervanger aangewezen door de Commissie.
Artikel 13
Onmiddellijk na de toetreding wordt de Directie aangevuld door de benoeming van een Vice-President. Zijn ambtsperiode loopt te zelf der tijd af als de ambtsperiode van de leden van de Directie die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.
Artikel 1
Zolang de Deense Regering de in de artikelen 25, 26 en 27 van de Akte van toetreding bedoelde verklaringen niet heeft afgelegd en uiterlijk tot en met 31 december 1975 behoeft de douaneregeling die op de datum van toetreding van toepassing is op de invoer in de andere gebieden van Denemarken van produkten van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer niet te worden gewijzigd.
De produkten die in overeenstemming met bovenbedoelde regeling uit de Faeröer in de andere gebieden van Denemarken worden ingevoerd kunnen niet worden beschouwd als zich in deze Staat in het vrije verkeer bevindend in de zin van artikel 10 van het E.E.G.-Verdrag wanneer zij weer worden uitgevoerd naar een andere Lid-Staat.
Artikel 2
Indien de Deense Regering de in artikel 1 bedoelde verklaringen aflegt, zijn de bepalingen van de Akte van toetreding van toepassing op de Faeröer met inachtneming van de volgende bepalingen:
- -. de invoer in de Faeröer is onderworpen aan de douanerechten die van toepassing zouden zijn geweest, indien het Verdrag en het besluit betreffende de toetreding vanaf 1 januari 1973 zouden zijn toegepast;
- -. de Instellingen van de Gemeenschap zullen in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten voor visserijprodukten naar passende oplossingen streven voor de specifieke problemen van de Faeröer;
- -. de autoriteiten van de Faeröer kunnen onder communautair toezicht passende maatregelen handhaven ten einde de voorziening van de bevolking van de Faeröer met melk tegen redelijke prijzen te handhaven.
Artikel 3
Indien de Deense Regering gedurende het in artikel 1 bedoelde tijdvak de Raad ervan in kennis stelt dat zij ingevolge een beslissing die de plaatselijke Regering van de Faeröer heeft genomen niet in staat is de in artikel 1 bedoelde verklaringen af te leggen, beziet de Raad op verzoek van de Deense Regering de aldus in het leven geroepen situatie. De Raad besluit op voorstel van de Commissie inzake de regelingen die dienen te worden getroffen om de problemen op te lossen die deze toestand voor de Gemeenschap en met name voor Denemarken en de Faeröer doet rijzen.
Artikel 4
De Deense onderdanen die op de Faeröer woonachtig zijn, worden slechts als onderdanen van een Lid-Staat in de zin van de oorspronkelijke Verdragen beschouwd vanaf de datum waarop deze oorspronkelijke Verdragen op deze eilanden van toepassing worden.
Artikel 5
De in artikel 1 bedoelde verklaringen moet gelijktijdig worden afgelegd en kunnen slechts leiden tot een gelijktijdige toepassing van de oorspronkelijke Verdragen op de Faeröer.
Artikel 1
De communautaire regeling inzake douane-aangelegenheden en inzake kwantitatieve beperkingen en met name die vervat in de Akte van toetreding, is ten aanzien van de Kanaal-eilanden en het eiland Man onder dezelfde voorwaarden van toepassing als die welke voor het Verenigd Koninkrijk gelden. In het bijzonder worden de douanerechten en de heffingen van gelijke werking tussen deze gebieden en de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en tussen deze gebieden en de nieuwe Lid-Staten geleidelijk verlaagd overeenkomstig het ritme bepaald in de artikelen 32 en 36 van de Akte van toetreding. Het gemeenschappelijk douanetarief en het eengemaakte E.G.K.S.-tarief worden geleidelijk toegepast overeenkomstig het ritme, bepaald in de artikelen 39 en 59 van de Akte van toetreding, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 109, 110 en 119 van deze Akte.
Voor landbouwprodukten en voor door verwerking daarvan verkregen produkten, waarvoor een speciale regeling van het handelsverkeer bestaat, gelden ten aanzien van derde landen de in de communautaire regeling vastgelegde heffingen en andere invoermaatregelen die door het Verenigd Koninkrijk moeten worden toegepast.
Tevens zijn die bepalingen van de communautaire regeling en met name van de Akte van toetreding van toepassing die nodig zijn om het vrije verkeer en de inachtneming van de normale concurrentievoorwaarden in het handelsverkeer van deze produkten mogelijk te maken.
Op voorstel van de Commissie bepaalt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen onder welke voorwaarden de in de voorgaande alinea's bedoelde bepalingen op deze gebieden van toepassing zijn.
Artikel 2
Aan de rechten die de onderdanen van deze gebieden in het Verenigd Koninkrijk hebben verkregen, wordt geen afbreuk gedaan door de Akte van toetreding. De communautaire bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en diensten zijn echter niet op hen van toepassing.
Artikel 3
De bepalingen van het E.G.A.-Verdrag die voor personen of ondernemingen in de zin van artikel 196 van dat Verdrag gelden, zijn op deze personen of ondernemingen van toepassing, wanneer zij in bovengenoemde gebieden zijn gevestigd.
Artikel 4
De autoriteiten van deze gebieden behandelen alle natuurlijke of rechtspersonen van de Gemeenschap op dezelfde wijze.
Artikel 5
Indien zich bij toepassing van de in dit Protocol neergelegde regeling van de ene of de andere zijde moeilijkheden voordoen in de betrekkingen tussen de Gemeenschap en deze gebieden, stelt de Commissie onverwijld aan de Raad de vrijwaringsmaatregelen voor die zij nodig acht, waarbij zij de voorwaarden en de wijze van toepassing aangeeft.
De Raad besluit binnen een maand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
Artikel 6
In de zin van dit Protocol wordt als onderdaan van de Kanaaleilanden of van het eiland Man beschouwd iedere burger van het Verenigd Koninkrijk of van zijn koloniën die deze hoedanigheid bezit op grond van de omstandigheid dat een van zijn ouders of een van zijn grootouders op het desbetreffende eiland is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of daar in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven; in dit opzicht wordt evenwel iemand niet als onderdaan van deze gebieden beschouwd indien hijzelf, een van zijn ouders of een van zijn grootouders in het Verenigd Koninkrijk is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of daar in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Als onderdaan wordt evenmin beschouwd degene die in welk tijdvak dan ook gedurende vijf jaar in het Verenigd Koninkrijk woonachtig is geweest.
Van de administratieve bepalingen om de identiteit van deze personen vast te stellen wordt aan de Commissie kennis gegeven.
Artikel 1
Vervallen
Artikel 2
Vervallen
I. Ierland
1
De in Ierland geldende kwantitatieve beperkingen op de invoer van de volgende produkten worden geleidelijk opgeheven door de opening van onderstaande globale contingenten:
| Periode | Kousen 1) ex post 60.03 en ex post 60.04 van het G.D.T. | Veren voor voertuigen 2) ex post 73.35 van het G.D.T. | Bougies en metalen onderdelen daarvan ex post 85.08 D van het G.D.T. | Bezems en borstels met een waarde van ten minste £ 1,50 per dozijn ex post 96.01 en ex post 96.02 van het G.D.T. | Bezems en borstels met een waarde van minder dan £ 1,50 per dozijn ex post 96.01 en ex post 96.02 van het G.D.T. |
|---|---|---|---|---|---|
| Aantal paren | £ | Aantal stuks | Aantal stuks | Aantal stuks | |
| 1 jan. 1973 t/m 30 juni 1973 | 2 000 000 | 50 000 | 300 000 | 130 000 | 600 000 |
| 1 juli 1973 t/m 30 juni 1974 | 5 000 000 | 150 000 | 900 000 | 460 000 | 1 600 000 |
| 1 juli 1974 t/m 30 juni 1975 | 6 000 000 | 200 000 | 1 250 000 | 660 000 | 2 200 000 |
1) Het contingent geldt voor kousen en panties, sokken daaronder niet begrepen, volledig of in hoofdzaak van zijde of van kunstvezels, met een waarde van ten hoogste £ 2,50 per dozijn paar.
2) Het contingent geldt voor veren en veerbladen van gewalst ijzer of gewalst: staal, voor voertuigen.
Deze beperkingen worden op 1 juli 1975 afgeschaft.
2
Ierland wordt gemachtigd voor superfosfaat van post 31.03 A I van het gemeenschappelijk douanetarief ten aanzien van andere landen dan het Verenigd Koninkrijk een invoercontingent te handhaven. De omvang van dit contingent wordt, op de grondslag van de Ierse produktie die is waargenomen in 1970, vastgesteld op:
- 3% van de omvang van deze produktie in 1973,
- 6% van de omvang van deze produktie in 1974,
- de helft van 8 % van de omvang van deze produktie voor het eerste halfjaar van 1975.
Dit contingent wordt op 1 juli 1975 opgeheven.
3
Ierland wordt gemachtigd tot 1 juli 1975 de kwantitatieve beperkingen op de uitvoer naar de andere Lid-Staten ten aanzien van de onderstaande produkten te handhaven:
| No. van het gemeenschappelijk douanetarief | Omschrijving |
|---|---|
| ex 41.01 | Huiden en vellen, ongelooid (vers, gezouten gedroogd, gekalkt of gepekeld - „pickled” -), ongelooide schapevachten daaronder begrepen: - Huiden en vellen, ongelooid (vers, gezouten, gedroogd, gekalkt of gepekeld - „pickled” -), van schapen, ongelooide schapevachten daaronder begrepen |
| 44.01 | Brandhout, in ronde en in andere blokken, rijshout, takkenbossen; houtafval, zaagsel daaronder begrepen |
| 44.03 | Hout, onbewerkt, ook indien ontschorst of ruw behakt of ontdaan van het spint |
| 44.04 | Hout, enkel vierkant gehakt of vierkant bezaagd |
| 44.05 | Hout, enkel overlangs gezaagd of enkel gesneden of geschild, met een dikte van meer dan 5 mm |
| ex 74.01 | Kopersteen of ruw steen; ruw of gezuiverd koper; resten en afvallen, van koper: - Resten en afvallen, van koper |
| ex 75.01 | Nikkelmatten, nikkelspijs en andere tussenprodukten van de nikkelmetallurgie; ruw nikkel (met uitzondering van de anoden bedoeld bij post 75.05); resten en afvallen, van nikkel: - Resten en afvallen, van nikkel |
| 76.01 | Ruw aluminium; resten en afvallen, van aluminium: |
| B. Resten en afvallen | |
| 78.01 | Ruw lood (ook indien zilverhoudend); resten en afvallen, van lood: |
| B. Resten en afvallen | |
| 79.01 | Ruw zink; resten en afvallen, van zink: B. Resten en afvallen |
II. Noorwegen
Artikel 1
Ierland wordt gemachtigd om tot 1 januari 1985 de regeling inzake de assemblage van motorvoertuigen en de invoer daarvan, hierna het „Scheme” genoemd, die wordt toegepast overeenkomstig het bepaalde in de „Motor Vehicles (Registration of Importers) Act 1968”, hierna de „Act” genoemd, te handhaven.
Artikel 2
Vanaf de toetreding zijn alle importeurs-assembleurs van in de Gemeenschap vervaardigde merken van motorvoertuigen, die in het kader van de „Act” zijn geregistreerd en die blijven voldoen aan de eisen inzake registratie, gemachtigd om, zonder beperkingen, reeds geassembleerde voertuigen van oorsprong uit de andere Lid-Staten van in die Staten vervaardigde merken in te voeren.
Met ingang van 1 januari 1974 past Ierland, in het kader van de tarief verlagingen waartoe dit land overgaat krachtens artikel 32 van de Akte van toetreding, een niet-discriminerende tariefregeling toe op voertuigen die worden ingevoerd door de in lid 1 bedoelde importeurs-assembleurs.
Ierland behoudt de mogelijkheid om de fiscale elementen in de douanerechten op motorvoertuigen en delen en onderdelen daarvan, te vervangen door binnenlandse belastingen die stroken met artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag en met artikel 38 van de Akte van toetreding. Deze belastingen mogen in het bijzonder geen enkele discriminatie inhouden tussen de rechten die gelden voor:
- –. de in Ierland vervaardigde delen en onderdelen en de uit de andere Lid-Staten ingevoerde delen en onderdelen;
- –. de in Ierland geassembleerde motorvoertuigen en de geassembleerde motorvoertuigen die uit de andere Lid-Staten worden ingevoerd;
- –. de in Ierland vervaardigde of uit de andere Lid-Staten ingevoerde delen en onderdelen en de in Ierland geassembleerde of uit de andere Lid-Staten ingevoerde motorvoertuigen.
Artikel 3
Met ingang van 1 januari 1974 geldt de in artikel 2, lid 2, bedoelde tariefregeling eveneens voor een globaal contingent dat Ierland vanaf de toetreding ten aanzien van de overige Lid-Staten opent voor motorvoertuigen van oorsprong uit de Gemeenschap die niet vallen onder de bijzondere regeling van het „Scheme”.
De omvang van dit contingent wordt jaarlijks vastgesteld op de grondslag van een percentage van het aantal motorvoertuigen dat het voorgaande jaar in Ierland werd geassembleerd. Dit percentage bedraagt 3 in 1973 en stijgt jaarlijks met één punt, zodat het in 1984 14% bereikt.
Ierland mag dit contingent over de volgende categorieën motorvoertuigen verdelen:
- I. Personenauto's
- a). met een cilinderinhoud van ten hoogste 1.500 cc
- b). met een cilinderinhoud van meer dan 1.500 cc
- II. Bedrijfsautomobielen
- a). met een gewicht van hoogstens 3,5 ton in ledige toestand;
- b). met een gewicht van meer dan 3,5 ton in ledige toestand.
Het gewicht in ledige toestand zal worden bepaald aan de hand van de regels inzake indeling van de voertuigen die worden gebruikt voor de Ierse wegenbelasting.
Binnen deze onderverdeling kan Ierland de volgende hoeveelheden vaststellen:
Categorie I – Personenauto's 85% van het globale contingent, als volgt onderverdeeld:
| I. a) (tot en met 1.500 cc) . . . . . . . . . . | 75% |
|---|---|
| I. b) (meer dan 1.500 cc) . . . . . . . . . . | 25% |
Categorie II – Bedrijfsvoertuigen 15% van het globale contingent, als volgt onderverdeeld:
| II. a) (tot en met 3,5 ton) . . . . . . . . . . | 75% |
|---|---|
| II. b) (meer dan 3,5 ton) . . . . . . . . . . | 25% |
Indien tijdens de periode waarin de contingentenregeling van toepassing is, blijkt dat het contingent niet volledig wordt benut om redenen die verband houden met de verdeling van het contingent overeenkomstig de voorgaande bepalingen kan de Commissie, na raadpleging van de Ierse Regering, de maatregelen aangeven die door de Ierse Regering moeten worden getroffen om volledige benutting van het globale contingent te vergemakkelijken.
Artikel 4
Indien zich bij de toepassing van dit Protocol, en met name van artikel 2, lid 1, concurrentiedistorsies tussen de in Ierland gevestigde importeurs-assembleurs voordoen waardoor de geleidelijke overgang van de bij de toetreding geldende regeling naar de regeling die in overeenstemming is met de bepalingen van het E.E.G.-Verdrag, in gevaar zou kunnen komen, kan de Commissie de Ierse Regering machtigen, de nodige maatregelen te nemen om de situatie weer in evenwicht te brengen. Die maatregelen mogen de einddatum voor de afschaffing van het „Scheme” niet in het geding brengen.
Artikel 5
Ierland brengt in het „Scheme” alle aanvullende wijzigingen aan ten einde de overgang van de bij de toetreding geldende regeling naar de regeling die strookt met het E.E.G.-Verdrag, te vergemakkelijken.
1
Met ingang van 1 januari 1974 en tot en met 31 december 1977, wordt het Verenigd Koninkrijk gemachtigd een jaarlijks tariefcontingent voor fosfor van onderverdeling C IV van post No. 28.04 van het gemeenschappelijk douanetarief te openen, waarvan de omvang overeenstemt met de behoeften van dat land, doch dat 40.000 ton per jaar niet overschrijdt.
2
Gedurende de jaren 1974, 1975 en 1976 zal voor dit contingent een nulrecht gelden.
De Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten tot wijziging van het recht voor dit tariefcontingent, met inachtneming van de mededingings-, de bevoorradings- en de produktievoorwaarden op de fosformarkt.
3
Voor 1977 stelt de Raad met eenparigheid van stemmen het recht voor dit contingent vast. Blijft zulk een besluit uit, dan geldt voor het contingent een recht dat gelijk is aan de helft van het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.
4
Met ingang van 1 januari 1978 past het Verenigd Koninkrijk het recht van het gemeenschappelijk douanetarief toe.
5
Het Verenigd Koninkrijk past met ingang van 1 april 1973 een nulrecht toe op de invoer van fosfor uit de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.
1
Uiterlijk op 1 januari 1975 wordt het autonome recht van het gemeenschappelijk douanetarief voor aluminiumoxyde en aluminiumhydroxyde van onderverdeling A van post No. 28.20 van het gemeenschappelijk douanetarief voor onbepaalde tijd geschorst tot 5,5%.
2
De nieuwe Lid-Staten gaan op 1 januari 1976 over tot de eerste aanpassing van hun rechten aan het gemeenschappelijk douanetarief voor dit produkt, en wel door op die datum het verschil tussen het basisrecht en het recht van 5,5% met 50% te verminderen.
3
De nieuwe Lid-Staten passen met ingang van 1 juli 1977 het recht van 5,5% toe.
4
De Raad zal de situatie opnieuw bezien, enerzijds ingeval door de Gemeenschap geen nulrecht zou worden toegepast op de invoer van aluminiumoxyde en aluminiumhydroxyde uit de onafhankelijke ontwikkelingslanden van het Gemenebest, en met name uit die in het Caribische gebied en anderzijds ingeval de specifieke situatie van de aluminiumindustrie zulks zou eisen.
1
Uiterlijk op 1 januari 1974 wordt het autonome recht van het gemeenschappelijk douanetarief voor looiextract van mimosabast van onderverdeling A van post No. 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief voor onbepaalde tijd geschorst tot 3%.
2
Ierland en het Verenigd Koninkrijk passen met ingang van 1 juli 1973 een nulrecht toe op de invoer uit de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling van looiextract van mimosabast van onderverdeling A van post No. 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief en looiextract van de kastanje van onderverdeling C van post No. ex 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief.
1
Voor onderstaande produkten:
- ex 44.15 - Duplex-, triplex- en multiplexhout van naaldbomen, waaraan geen andere stoffen zijn toegevoegd, met een dikte van meer dan 9 mm, waarvan de zijden ruw zijn bij afwikkeling;
- ex 44.15 - Duplex-, triplex- en multiplexhout van naaldbomen, waaraan geen andere stoffen zijn toegevoegd, gepolijst, met een dikte van meer dan 18,5 mm,
worden met ingang van 1 januari 1974 twee autonome communautaire tariefcontingenten met nulrecht geopend. De omvang daarvan zal jaarlijks worden bepaald, wanneer is vastgesteld dat alle voorzieningsmogelijkheden op de interne markt van de Gemeenschap gedurende het tijdvak waarvoor de contingenten zijn geopend, uitgeput zullen worden.
2
De Raad zal de situatie opnieuw bezien, ingeval zich een belangrijke wijziging voordoet in de invoer tegen nulrecht van duplex-, triplex- en multiplexhout uit Finland in Ierland en in het Verenigd Koninkrijk of in het door de Gemeenschap op bepaalde produkten van oorsprong uit de ontwikkelingslanden toegepaste stelsel van tariefpreferenties.
3
Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk passen vanaf 1 april 1973 een nulrecht toe ten aanzien van de invoer van duplex-, triplex- en multiplexhout uit de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.
1
Het autonome recht van het gemeenschappelijk douanetarief voor papierstof van onderverdeling A II van post No. 47.01 van het gemeenschappelijk douanetarief wordt in een nader te bepalen ritme volledig geschorst.
2
Totdat bovengenoemd recht volledig is geschorst, zijn de Lid-Staten gemachtigd om voor de in paragraaf 1 bedoelde produkten tariefcontingenten met nulrecht te openen. Zij stellen de Commissie hiervan in kennis.
1
De definitie van courantenpapier van onderverdeling A van post No. 48.01 van het gemeenschappelijk douanetarief wordt zodanig gewijzigd dat de benedengrens van het gewicht per vierkante meter wordt teruggebracht van 48 op 40 gram.
2
Het in het kader van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel geconsolideerde tariefcontingent van 625.000 ton met nulrecht zal worden verminderd.
3
Jaarlijks wordt een autonoom communautair tariefcontingent met nulrecht geopend, wanneer is vastgesteld dat alle voorzieningsmogelijkheden op de interne markt van de Gemeenschap gedurende het tijdvak waarvoor het contingent is geopend, uitgeput zullen worden.
1
Voor als volgt omschreven werklood:
- 78.01 A I – Ruw lood met ten minste 0,02 gewichtspercenten zilver, dat bestemd is om te worden gezuiverd (werklood)
wordt tot de inwerkingtreding van een volledige schorsing van onbepaalde duur, van het recht op werklood, een communautair tariefcontingent met nulrecht geopend, waaraan de nieuwe Lid-Staten met ingang van 1 januari 1974 zullen deelnemen. De jaarlijkse omvang ervan is gelijk aan het totaal van de verzoeken welke worden ingediend door de belanghebbende Lid-Staten, plus een reserve.
Dit communautair tariefcontingent wordt beheerd volgens een stelsel dat kan waarborgen dat het aldus ingevoerde werklood daadwerkelijk wordt gezuiverd door het land waaraan het is toegewezen.
2
Voor werklood geldt een ad valorem-recht van 4,5%.
3
Het autonome recht op werklood wordt met ingang van 1 januari 1975 geschorst tot 2%.
4
Jaarlijks gaat de Raad de mogelijkheid na van een volledige schorsing, voor onbepaalde tijd, van het autonome recht op werklood.
5
Wat betreft ander ruw lood dan werklood gelden de volgende maatregelen:
- a). het huidige recht van 1,32 R.E./100 kg wordt per 1 januari 1974 omgezet in een ad valorem-recht van 4,5% met een minimum van 1,1 R.E./100kg;
- b). met ingang van 1 januari 1974 nemen de nieuwe Lid-Staten deel aan het communautaire tariefcontingent van 55.000 ton met nulrecht voor ander ruw lood dan werklood. Om op 31 december 1977 tot algehele afschaffing van het contingent te komen, neemt de omvang ervan met ingang van 1975 geleidelijk af;
- c). vóór de afschaffing van het contingent beziet de Raad de situatie, ten einde te besluiten tot een eventuele verlaging van het autonome recht voor ander ruw lood dan werklood, met dien verstande dat het aldus verlaagde recht een minimum van 1,1 R.E./100 kg moet bedragen.
1
Met ingang van 1 januari 1974 geldt voor ruw zink van onderverdeling A van post No. 79.01 van het gemeenschappelijk douanetarief een recht van 4,5% met een minimum van 1,1 R.E./100 kg.
2
Met ingang van dezelfde datum nemen de nieuwe Lid-Staten deel in het geleidelijk verminderde jaarlijkse communautaire tariefcontingent met nulrecht voor ruw zink; de oorspronkelijke omvang van dit contingent bedroeg 30.000 ton voor 1971. In 1974 heeft het tariefcontingent dezelfde omvang als in 1973. De omvang neemt vanaf 1975 wederom geleidelijk af tot de afschaffing van het contingent op 31 december 1977.
1
De toepassing door de nieuwe Lid-Staten van de communautaire regeling van de landbouw tezamen met de overgangsmaatregelen voorzien in het Vierde deel, Titel II, van de Akte van toetreding, zal ertoe leiden dat de communautaire preferentie voor landbouwprodukten zich uitstrekt tot de Gemeenschap in haar geheel, zodra deze bepalingen van toepassing worden.
2
De ordening der markten heeft als wezenlijk kenmerk het intracommunautaire handelsverkeer de mogelijkheid te bieden zich te ontwikkelen onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke op een interne markt bestaan.
3
De geografische uitbreiding van de Gemeenschap kan echter inzake het natuurlijk verloop van de handelsstromen, met name in de sector granen (tarwe en rijst), leiden tot problemen die vermeden dienen te worden.
De Instellingen van de Gemeenschap dragen er, bij de toepassing van de verordeningen inzake de gemeenschappelijke ordening der markten, zorg voor dat het vrije verkeer van alle produkten verzekerd blijft, overeenkomstig de doelstellingen opgenomen in het E.E.G.-Verdrag en de desbetreffende verordeningen.
4
Wijzigingen van de structuur van het internationale handelsverkeer vormen een normaal gevolg van de uitbreiding van de Gemeenschap.
5
Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 39 en 110 van het E.E.G.-Verdrag moet het gedurende het tijdvak waarin overgangsmaatregelen worden toegepast mogelijk zijn zich te gelegener tijd bezig te houden met de problemen die kunnen rijzen voor bepaalde derde landen en voor bepaalde concrete gevallen 1)De Conferentie tussen de Europese Gemeenschappen en de Staten die om toetreding tot deze Gemeenschappen hebben verzocht, heeft tijdens de zittingen van 11 en 12 mei 1971 met het Verenigd Koninkrijk, 7 juni 1971 met Ierland, 21 juni 1971 met Noorwegen en 12 juli 1971 met Denemarken vastgesteld dat deze concrete gevallen „voor zover thans valt te voorzien, beperkt zullen blijven tot boter, suiker, bacon en bepaalde soorten groenten en fruit”. .
Indien dergelijke problemen zich mochten voordoen, bezien de Instellingen de concrete gevallen aan de hand van alle zwaarwegende factoren van de situatie van het ogenblik, zoals zij dit tot nu toe in soortgelijke gevallen hebben gedaan, en treffen zij, voor zover nodig, gedurende het tijdvak waarin overgangsmaatregelen worden toegepast, de maatregelen die een oplossing kunnen bieden voor deze problemen, in overeenstemming met de beginselen van en in het kader van de voorzieningen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
6
Ten einde de moeilijkheden te overwinnen die zich op de markten van de Gemeenschap tengevolge van de toepassing van de overgangsregelingen zouden kunnen voordoen, beschikken de Instellingen van de Gemeenschap over, en maken zij gebruik van, de onderscheiden middelen die voortvloeien uit de bepalingen van het E.E.G.-Verdrag, de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en het bepaalde in deze Akte.
1
Tot en met 28 februari 1975 is het Verenigd Koninkrijk gemachtigd om volgens onderstaande regels uit de exporterende landen en gebieden genoemd in de Suikerovereenkomst van het Gemenebest, de hoeveelheden suiker in te voeren die overeenstemmen met de quota tegen overeengekomen prijs, vastgesteld in het kader van die Overeenkomst.
2
Bij deze invoer wordt:
- a). een speciale heffing toegepast die gelijk is aan het verschil tussen de overeengekomen aankoopprijs, herleid tot een c.i.f.-prijs, en de prijs waartegen de suiker wordt afgezet op de markt van het Verenigd Koninkrijk. Artikel 55, lid 1 sub b, van de Akte van toetreding is niet van toepassing;
- b). een recht geheven dat is vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen de prijs voor ruwe suiker op de wereldmarkt, herleid tot een c.i.f.-prijs, en de overeengekomen aankoopprijs, herleid tot een c.i.f.-prijs; de opbrengst van dit recht zal worden gebruikt om de kosten te financieren die voortvloeien uit de wederverkoop door de U.K. Sugar Board.
Indien de wereld c.i.f.-prijs voor ruwe suiker de overeengekomen aankoopprijs, herleid tot een c.i.f.-prijs, echter overschrijdt, betaalt de U.K. Sugar Board het verschil aan de importeur.
3
De prijs waartegen de betrokken suiker op de markt van het Verenigd Koninkrijk wordt afgezet, wordt op een zodanig niveau vastgesteld dat de betrokken hoeveelheden daadwerkelijk kunnen worden afgezet zonder de afzet van suiker uit de Gemeenschap in gevaar te brengen.
4
In afwijking van het bepaalde in artikel 15, lid 1, van Verordening (EEG) No. 766/68 houdende vaststelling van de algemene voorschriften inzake de restitutie bij de uitvoer van suiker, kan de restitutie bij uitvoer die in het Verenigd Koninkrijk wordt toegepast, worden verleend voor witte suiker die is vervaardigd uit de ruwe suiker die krachtens dit Protocol werd ingevoerd.
5
De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de maatregelen voor de uitvoering van dit Protocol vast, en wel in dier voege dat de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker wordt verzekerd en met name dat de prijs voor de afzet van deze suiker op de markt van het Verenigd Koninkrijk bij de toepassing van het bepaalde in lid 2 in acht wordt genomen.
Artikel 1
Het Verenigd Koninkrijk wordt bij wijze van overgangsmaatregel gemachtigd om volgens onderstaande regels bepaalde hoeveelheden boter en kaas uit Nieuw-Zeeland in te voeren.
De in lid 1 bedoelde hoeveelheden bedragen:
- a). wat boter betreft, gedurende de eerste vijf jaar:
- –. 165.811 ton in 1973
- –. 158.902 ton in 1974
- –. 151.994 ton in 1975
- –. 145.085 ton in 1976
- –. 138.176 ton in 1977
- b). wat kaas betreft:
- –. 68.580 ton in 1973
- –. 60.960 ton in 1974
- –. 45.720 ton in 1975
- –. 30.480 ton in 1976
- –. 15.240 ton in 1977
De Raad kan op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de verhouding tussen deze hoeveelheden boter en kaas aanpassen, mits hij zich houdt aan de hoeveelheid, uitgedrukt in melkequivalent, die overeenkomt met de totale hoeveelheid voor beide produkten voor het betrokken jaar.
De in lid 2 bedoelde hoeveelheden boter en kaas worden in het Verenigd Koninkrijk ingevoerd tegen een prijs waarvan Nieuw-Zeeland de naleving dient te garanderen in het c.i.f.-stadium. Deze prijs wordt op een zodanig niveau vastgesteld dat Nieuw-Zeeland een prijs kan verkrijgen die overeenkomt met de prijs welke dit land op de markt van het Verenigd Koninkrijk gemiddeld verkreeg tijdens de jaren 1969, 1970, 1971 en 1972.
De overeenkomstig dit Protocol in het Verenigd Koninkrijk ingevoerde produkten mogen niet in het intracommunautaire handelsverkeer worden gebracht of opnieuw naar derde landen worden uitgevoerd.
Artikel 2
Op de invoer in het Verenigd Koninkrijk van de in artikel 1 bedoelde hoeveelheden boter en kaas worden speciale heffingen toegepast. Artikel 55, lid 1 sub b), van de Akte van toetreding is niet van toepassing.
De speciale heffingen worden, op de grondslag van de in artikel 1, lid 3, bedoelde c.i.f.-prijs en van de marktprijs der betrokken produkten in het Verenigd Koninkrijk, op een zodanig niveau vastgesteld dat de hoeveelheden boter en kaas daadwerkelijk kunnen worden afgezet zonder de afzet van boter en kaas uit de Gemeenschap in gevaar te brengen.
Artikel 3
De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de noodzakelijke maatregelen voor de uitvoering van de artikelen 1 en 2 vast.
Artikel 4
De Gemeenschap zal haar pogingen voortzetten om het sluiten van een internationale zuivelovereenkomst te bevorderen, ten einde de situatie op de wereldmarkt zo spoedig mogelijk te verbeteren.
Artikel 5
In de loop van 1975 zal de Raad de situatie, wat boter betreft, bezien in het licht van de situatie en de ontwikkeling van vraag en aanbod in de voornaamste producerende en consumerende landen in de wereld, in het bijzonder in de Gemeenschap en in Nieuw-Zeeland. Hierbij zullen onder meer de volgende elementen in aanmerking worden genomen:
- a). de vooruitgang die is geboekt bij de totstandbrenging van een doeltreffend wereldomvattend akkoord inzake zuivelprodukten, waarbij de Gemeenschap en de belangrijke andere consumerende en producerende landen partij zouden zijn.
- b). de omvang van de door Nieuw-Zeeland geboekte vooruitgang bij de diversificatie van zijn economie en zijn uitvoer, met dien verstande dat de Gemeenschap ernaar zal streven een handelspolitiek te voeren, waarbij wordt voorkomen dat deze inspanningen worden gedwarsboomd.
De maatregelen door middel waarvan kan worden bewerkstelligd dat de afwijkende regeling voor de invoer van boter uit Nieuw-Zeeland na 31 december 1977 wordt gehandhaafd, alsmede de wijze waarop zulks dient te geschieden, worden in het licht van dit onderzoek door de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen vastgesteld.
De afwijkende regeling voor de invoer van kaas mag niet worden gehandhaafd na 31 december 1977.
1
De Raad stelt volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het E.E.G.-Verdrag de noodzakelijke maatregelen vast om het gebruik van granen uit de Gemeenschap voor de vervaardiging van alcoholhoudende dranken uit granen, en met name van whisky, die naar derde landen worden uitgevoerd te vergemakkelijken, in dier voege dat deze maatregelen te gelegener tijd kunnen worden toegepast.
2
Deze maatregelen die kunnen worden getroffen in het kader van de verordening inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen of van de vast te stellen verordening inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector alcohol, moeten worden ingevoegd in het kader van het algemeen beleid van de Gemeenschap inzake alcohol waarbij elke discriminatie tussen deze produkten en andere alcohol, met inachtneming van de bijzondere situatie van elk geval, dient te worden vermeden.
I
De Europese Economische Gemeenschap biedt de in bijlage VI van de Akte van toetreding genoemde onafhankelijke landen van het Gemenebest de gelegenheid, voor hun betrekkingen met de Gemeenschap, in de geest van de verklaring van intentie die de Raad in de zitting van 1 en 2 april 1963 heeft aangenomen, een keuze te maken uit een van de volgende formules:
- –. deelneming aan de Associatieovereenkomst waarin, na afloop van de op 29 juli 1969 ondertekende Associatieovereenkomst, de betrekkingen zullen worden geregeld tussen de Gemeenschap en de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar die deze Overeenkomst hebben ondertekend;
- –. sluiting van één of meer bijzondere associatieovereenkomsten op de grondslag van artikel 238 van het E.E.G.-Verdrag, die wederzijdse rechten en verplichtingen, met name op het gebied van het handelsverkeer, omvatten;
- –. sluiting van handelsakkoorden, ten einde de handel tussen de Gemeenschap en deze landen te vergemakkelijken en uit te breiden.
Om redenen van praktische aard acht de Gemeenschap het wenselijk dat de onafhankelijke landen van het Gemenebest tot welke het aanbod van de Gemeenschap is gericht, zo spoedig mogelijk na de toetreding hun standpunt ten aanzien van dit aanbod bepalen.
De Gemeenschap stelt aan de in de bijlage VI van de Akte van toetreding genoemde onafhankelijke landen van het Gemenebest voor dat de onderhandelingen inzake het sluiten van de overeenkomsten op de grondslag van één der drie formules van het aanbod, met ingang van 1 augustus 1973 beginnen.
De Gemeenschap nodigt derhalve die onafhankelijke landen van het Gemenebest die gekozen hebben voor onderhandelingen op de grondslag van de eerste formule, uit om samen met de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar deel te nemen aan de onderhandelingen over de overeenkomst die de op 29 juli 1969 ondertekende overeenkomst zal opvolgen.
Indien Botswana, Lesotho of Swaziland kiezen voor één van de eerste twee formules van het aanbod:
- –. moeten er passende oplossingen worden gevonden om de specifieke problemen te regelen die zich voordoen in verband met de bijzondere situatie van deze landen, die een douane-unie met een derde land hebben gevormd;
- –. moet de Gemeenschap op het grondgebied van deze Staten een even gunstige tariefbehandeling genieten als die welke deze toepassen ten aanzien van de meestbegunstigde derde Staat;
- –. moet de vast te stellen regeling, met name de regels inzake de oorsprong, het mogelijk maken om alle risico's van verlegging van het handelsverkeer ten nadele van de Gemeenschap, die voortvloeien uit de omstandigheid dat deze Staten deelnemen aan een douane-unie met een derde land, te vermijden.
II
Voor wat betreft de bij het aflopen van de op 29 juli 1969 ondertekende Associatieovereenkomst vast te stellen associatieregeling, is de Gemeenschap bereid om haar associatiebeleid voort te zetten, zowel ten aanzien van de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar als ten aanzien van de onafhankelijke ontwikkelingslanden van het Gemenebest die partij zullen zijn bij dezelfde Associatie.
De toetreding van de nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschap en de eventuele uitbreiding van het associatiebeleid mogen niet leiden tot een verzwakking van de betrekkingen van de Gemeenschap met de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar die partij zijn bij de op 29 juli 1969 ondertekende Associatieovereenkomst.
De betrekkingen van de Gemeenschap met de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar verlenen deze Staten een reeks voordelen en berusten op structuren die aan de Associatie op het gebied van de handelsbetrekkingen, de financiële en technische samenwerking en de paritaire instellingen een eigen karakter verlenen.
Het doel van het associatiebeleid van de Gemeenschap blijft, de eerder genoemde verworvenheden en fundamentele beginselen te behouden.
Bij de nadere regeling van deze Associatie, die zal worden vastgesteld tijdens de onderhandelingen bedoeld in deel I, paragraaf 2 derde alinea, van dit Protocol dient op soortgelijke wijze rekening te worden gehouden met de bijzondere economische omstandigheden waarin de onafhankelijke landen van het Gemenebest in Afrika, in de Indische Oceaan, in de Stille Oceaan en het Caribische gebied en de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar verkeren, met de in het kader van de Associatie opgedane ervaring, met de verlangens van de geassocieerde Staten en met de gevolgen die de tenuitvoerlegging van het stelsel van de algemene preferenties voor deze Staten heeft.
III
De Gemeenschap zal bedacht zijn op bescherming van de belangen van alle in dit Protocol bedoelde landen waarvan de economie in aanzienlijke mate afhankelijk is van de uitvoer van basisprodukten, met name van suiker.
Het probleem van de suiker zal in dit kader worden geregeld, waarbij, wat de uitvoer van dit produkt betreft, rekening zal worden gehouden met het belang dat het voor de economie van verscheidene van deze landen, met name voor die van het Gemenebest, vertegenwoordigt.
1
De nieuwe Lid-Staten zijn gemachtigd de toepassing van het stelsel van algemene tariefpreferenties dat door de Europese Economische Gemeenschap ten aanzien van produkten van oorsprong uit ontwikkelingslanden wordt toegepast, uit te stellen tot 1 januari 1974.
2
Voor de produkten die onder de Verordeningen (EEG) No. 2796/71, No. 2797/71, No. 2798/71 en No. 2799/71 vallen, is Ierland evenwel gemachtigd tot en met 31 december 1975 ten aanzien van de landen die voor algemene tarief preferenties in aanmerking komen douanerechten toe te passen die gelijk zijn aan de rechten die voor dezelfde produkten worden toegepast ten aanzien van de Lid-Staten, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk.
Artikel 1
Vanaf het tijdstip van toetreding wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het E.G.A.-Verdrag mededeling is gedaan aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van Denemarken, dat deze kennis onder de in voornoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.
Vanaf het tijdstip van toetreding stelt Denemarken een gelijkwaardige hoeveelheid kennis ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie in de hierna genoemde sectoren. Een gedetailleerd overzicht van deze kennis zal worden neergelegd in een document, dat zal worden overhandigd aan de Commissie die deze kennis zal mededelen aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in voornoemd artikel bedoelde voorwaarden.
Denemarken zal gegevens ter beschikking van de Gemeenschap stellen in de volgende sectoren:
- –. D.O.R. met zwaarwater gemodereerde en met organische vloeistof gekoelde reactor;
- –. DT – 350, DK – 400 zwaarwaterreactoren met drukvat;
- –. Hogetemperatuur-gaskringloop;
- –. Instrumenten en bijzondere elektronische apparatuur;
- –. „Reliability”;
- –. Reactorfysica, reactordynamica en warmte-overdracht;
- –. Beproeving van materialen en uitrustingen in de reactor.
Denemarken verbindt zich ertoe, ter aanvulling van de verslagen die het zal toezenden, aan de Gemeenschap alle inlichtingen te verstrekken, met name bij bezoeken van personeel van de Gemeenschap of van de Lid-Staten aan het Centrum te Risø, en wel onder voorwaarden die voor elk geval afzonderlijk in onderling overleg zullen worden vastgesteld.
Artikel 2
In de sectoren waarop Denemarken kennis ter beschikking stelt van de Gemeenschap, verlenen de bevoegde instanties, thans de „Atomenergikommission”, aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen van de Gemeenschap op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden, indien zij uitsluitende rechten bezitten op in de Lid-Staten van de Gemeenschap verkregen octrooien en voor zover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.
Ingeval er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt Denemarken dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sub-licenties verlenen aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen van de Gemeenschap.
Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.
Artikel 1
Vanaf het tijdstip van toetreding wordt de kennis waarvan: overeenkomstig artikel 13 van het E.G.A.-Verdrag mededeling is gedaan aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van Ierland, dat deze kennis onder de in voornoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.
Vanaf het tijdstip van toetreding stelt Ierland op het gebied van de kernenergie in Ierland verkregen en beperkt verspreide kennis ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voor zover het geen strikt commerciële toepassingen betreft. De Commissie zal deze kennis mededelen aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in voornoemd artikel bedoelde voorwaarden.
Deze gegevens betreffen hoofdzakelijk de studies voor de ontwikkeling van een energiereactor en de werkzaamheden inzake radio-isotopen en de medische toepassing ervan, met inbegrip van de problemen ter zake van de bescherming tegen straling.
Artikel 2
In de sectoren waarop Ierland kennis ter beschikking stelt van de Gemeenschap, verlenen de bevoegde instanties aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen van de Gemeenschap op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden, indien zij uitsluitende rechten bezitten op in de Lid-Staten van de Gemeenschap verkregen octrooien en voor zover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.
Ingeval er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt Ierland dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sub-licenties verlenen aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen van de Gemeenschap.
Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.
Artikel 1
Vanaf het tijdstip van toetreding wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het E.G.A.-Verdrag mededeling is gedaan aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van het Verenigd Koninkrijk, dat deze kennis onder de in voornoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.
Vanaf het tijdstip van toetreding stelt het Verenigd Koninkrijk een gelijkwaardige hoeveelheid kennis ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie in de sectoren waarvan de lijst in de bijlage is weergegeven. Een gedetailleerd overzicht van deze kennis zal worden nedergelegd in een document, dat zal worden overhandigd aan de Commissie die deze kennis zal mededelen aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in voornoemd artikel bedoelde voorwaarden.
Gezien de grotere belangstelling van de Gemeenschap voor bepaalde sectoren, zal het Verenigd Koninkrijk meer in het bijzonder de nadruk leggen op het mededelen van kennis aan de Gemeenschap in de volgende sectoren:
- –. onderzoek en ontwikkeling op het gebied van snelle reactoren (met inbegrip van de veiligheid);
- –. basisonderzoek (van toepassing op reactorreeksen);
- –. veiligheid van andere dan snelle reactoren;
- –. metallurgie, staalsoorten, zirconiumlegeringen en betonsoorten;
- –. verenigbaarheid van constructiematerialen;
- –. experimentele splijtstofvervaardiging;
- –. thermohydrodynamica;
- –. instrumenten.
Artikel 2
In de sectoren waarop het Verenigd Koninkrijk kennis ter beschikking stelt van de Gemeenschap, verlenen de bevoegde instanties, thans de „United Kingdom Atomic Energy Authority” en de „United Kingdom Generating Boards”, aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen van de Gemeenschap op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden, indien zij uitsluitende rechten bezitten op in de Lid-Staten van de Gemeenschap verkregen octrooien en voor zover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.
Ingeval er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt het Verenigd Koninkrijk dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sub-licenties verlenen aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen van de Gemeenschap.
Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.
1
De Instellingen van de Europese Economische Gemeenschap zullen de problemen in de sector vismeel en traan bestuderen, ten einde de maatregelen aan te nemen die in deze sector noodzakelijk mochten blijken voor wat betreft de gebruikte grondstof. Deze maatregelen moeten beantwoorden aan de eisen van de bescherming en van een rationele exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee, terwijl terzelfder tijd de instelling of handhaving van onvoldoend rendabele produktie-eenheden moet worden voorkomen.
2
De toepassing van de gemeenschappelijke handelsnormen voor bepaalde soorten verse of gekoelde vis mag er niet toe leiden dat enige handelsmethode wordt uitgeschakeld en, omgekeerd, dat enige methode de toepassing van genoemde handelsnormen in de weg staat; de Instellingen van de Europese Economische Gemeenschap kunnen de problemen die zouden rijzen, te gelegener tijd in die geest oplossen.
3
De Europese Economische Gemeenschap is zich bewust van het belang van de Noorse uitvoer van visserijprodukten naar derde landen, welke uitvoer, zoals de overige uitvoer van de Gemeenschap, onderworpen is aan de bepalingen van Verordening (EEG) No. 2142/70.
4
Er is overeengekomen dat de Noorse wet op de handel in vis afkomstig van de verwerkende industrie, van 18 december 1970, ten spoedigste grondig zal worden bestudeerd, ten einde de voorwaarden te bespreken waaronder deze wet kan worden toegepast, gelet op de bepalingen van het communautaire recht.
Tijdens de 6e ministeriële zitting van de onderhandelingen tussen de Gemeenschap en Ierland op 19 oktober 1971 heeft de heer A. Moro, Minister van Buitenlandse Zaken van de Italiaanse Republiek, namens de delegatie van de Gemeenschap, de verklaring afgelegd die onder I is opgenomen.
De heer P. J. Hillery, Minister van Buitenlandse Zaken van Ierland heeft, namens de Ierse delegatie, geantwoord middels de verklaring die onder II is opgenomen.
I. Verklaring die de heer A. Moro, Minister van Buitenlandse Zaken van de Italiaanse Republiek, namens de delegatie van de Gemeenschap heeft afgelegd
-
- De Ierse delegatie heeft er met nadruk op gewezen dat de Ierse Regering te kampen heeft met ernstige regionale en structurele verstoringen van het economisch en sociaal evenwicht. Deze delegatie verklaarde dat deze verstoringen gecorrigeerd dienen te worden, wil men die mate van harmonisatie bereiken, die in overeenstemming is met de doelstellingen van de Gemeenschap, en met name met de verwezenlijking van de economische en monetaire unie. De Ierse delegatie heeft de Gemeenschap verzocht zich ertoe te verbinden om met de haar ten dienste staande middelen steun te verlenen aan de programma's van de Ierse Regering om deze verstoringen van het evenwicht op te heffen, en om bij de latere ontwikkeling van een breed opgezet regionaal beleid van de Gemeenschap volledig rekening te willen houden met Ierlands speciale problemen op dit gebied.
-
- De Ierse delegatie heeft de delegatie van de Gemeenschap documenten voorgelegd waaruit blijkt, wat de grote lijnen van de Ierse regionale programma's zijn en met welke middelen ze worden verwezenlijkt. Ook heeft de Ierse delegatie uiteengezet, hoe de exporterende industrieën in Ierland worden gesteund door middel van belastingfaciliteiten. Het betreft hier eveneens maatregelen die tot doel hebben, de verstoringen van het evenwicht op economisch en sociaal gebied op te heffen door de industrie tot ontwikkeling te brengen.
-
- De delegatie van de Gemeenschap wijst er in dit verband op dat – zoals blijkt uit de preambule van het Verdrag van Rome – tot de wezenlijke doelstellingen van de Gemeenschap onder andere behoren de voortdurende verbetering van de omstandigheden waaronder de volkeren van de Lid-Staten leven en werken, alsmede de harmonische ontwikkeling van hun volkshuishoudingen door het verschil in niveau tussen de onderscheiden gebieden en de achterstand van de minder begunstigde gebieden te verminderen.
-
- Het gemeenschappelijk beleid in de verschillende sectoren en de diverse instrumenten die de Gemeenschap in het leven heeft geroepen op economisch en sociaal terrein, vormen de concrete verwezenlijking van bovengenoemde doelstellingen en zullen zich trouwens nog verder ontwikkelen. Het Europees Sociaal Fonds is nieuwe wegen ingeslagen. De Europese Investeringsbank breidt haar werkterrein voortdurend uit. Momenteel wordt er door de Instellingen van de Gemeenschappen beraadslaagd, welke communautaire middelen kunnen worden aangewend en op welke wijze, ten einde de doelstellingen van het regionale beleid te verwezenlijken. De door de Staten verleende steun, met inbegrip van de steun via vrijstelling van belastingen, is onderworpen aan de regels van de artikelen 92 tot en met 94 van het E.E.G.-Verdrag. Ten aanzien van de staatssteun ten behoeve van de regionale ontwikkeling, zij erop gewezen dat volgens artikel 92, lid 3, sub a), „steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst” als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd. Uit de ervaring blijkt dat deze bepaling zo soepel is, dat de instanties van de Gemeenschap rekening kunnen houden met de bijzondere eisen der onderontwikkelde streken. Vrijstelling van belasting zal – evenals alle andere vormen van steun die op het tijdstip van toetreding in Ierland bestaan – door de Commissie worden bestudeerd in het normale kader van de permanente bestudering der bestaande vormen van steun. Mocht hieruit blijken dat de een of andere vorm van steun niet ongewijzigd kan worden gehandhaafd, dan is het de taak van de Commissie om, met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag, passende termijnen en overgangsregels vast te stellen.
-
- Gezien de bovengenoemde bijzondere problemen waarvoor Ierland zich geplaatst ziet, stelt de delegatie van de Gemeenschap voor, aan de Akte van toetreding een Protocol betreffende de economische en industriële ontwikkeling van Ierland te hechten.
II. Verklaring die de heer P. J. Hillery, Minister van Buitenlandse Zaken van Ierland, namens de Ierse delegatie heeft afgelegd
Het doet mij genoegen U te kunnen mededelen dat de Ierse delegatie de tekst aanvaardt van het voorgestelde Protocol betreffende Ierland, waarover tussen onze beide delegaties is beraadslaagd en waarvan de achtergronden duidelijk zijn uiteengezet in Uw inleidende verklaring. De aanvaarde tekst zal de Ierse Regering in staat stellen om voort te gaan met haar plannen voor economische en sociale ontwikkeling, in de wetenschap dat de Gemeenschap, via haar Instellingen en organen, bereid zal zijn om met ons samen te werken bij het streven naar de verwezenlijking van de doelstellingen die wij trachten te bereiken.
In de loop der onderhandelingen heb ik bij diverse gelegenheden de aandacht gevestigd op de problemen in verband met de verschillen in niveau van de economische ontwikkeling binnen een geheel als de uitgebreide Gemeenschap is. Ook heb ik getracht, U de moeilijkheden uit te leggen die een land als Ierland, gelegen aan de periferie van de uitgebreide Gemeenschap, moet overwinnen ten einde zijn economisch ontwikkelingspeil nader tot dat van de overige Lid-Staten te brengen. Ik ben mij er ten volle van bewust dat het de wens en het doel van de Gemeenschap is om de doelstellingen te verwezenlijken die in het E.E.G.-Verdrag zijn neergelegd, namelijk de voortdurende verbetering van de levensstandaard en van de omstandigheden waaronder de volkeren der Lid-Staten leven en werken en de harmonische ontwikkeling van hun economieën te waarborgen. Het Protocol waarover wij vandaag overeenstemming hebben bereikt is er een overtuigend bewijs van, dat de Gemeenschap vastbesloten is om aan deze fundamentele doelstellingen wezenlijke inhoud te geven. Dit Protocol zal een instrument van praktische waarde zijn waar het erom gaat, mijn land in staat te stellen, binnen de uitgebreide Gemeenschap een volwaardige rol te spelen bij het bereiken van deze doelstellingen. Het zal dit streven nog doeltreffender kunnen dienen wanneer er een alomvattend communautair regionaal beleid wordt ontwikkeld. In dit verband merk ik op dat ik mij gesterkt voel door de pogingen die in het werk worden gesteld om dit belangrijke punt te behandelen als een onderdeel van de ontwikkeling der Gemeenschap.
Wat Ierland betreft, dient de doeltreffendheid van de nationale of communautaire maatregelen op het gebied van de ontwikkeling te worden beoordeeld op grond van de daling van werkloosheid en emigratie en de stijging van de levensstandaard. Hiervoor dient in de eerste plaats de nodige werkgelegenheid te worden gecreëerd voor ons toenemend aantal arbeidskrachten, anders blijft een groot gedeelte van onze meest kostbare economische middelen onbenut of gaat het verloren door emigratie, en wordt het tempo van de economische ontwikkeling vertraagd.
Het zal mijn Regering verheugen dat uit onze besprekingen van vandaag is gebleken dat Ierlands toetreding tot de Gemeenschap haar in staat zal stellen te blijven streven naar verwezenlijking van de doelstellingen vermeld in het Protocol. Ik denk hier vooral aan de gestage groei van de industrie, die het hoofdpunt vormt van onze algemene doelstelling ten aanzien van economische expansie. Het is voor ons van vitaal belang dat op dit gebied ook verder vooruitgang kan worden geboekt via daadwerkelijke maatregelen voor stimulering van de industrie. Ik meen te begrijpen dat, evenals elk ander stimuleringssysteem, onze stimulansen voor de industrie na toetreding zullen worden onderzocht om na te gaan of zij in overeenstemming zijn met de communautaire voorschriften. Met voldoening constateer ik dat U de noodzaak van een stimuleringsbeleid in Ierland erkent, maar dat er problemen kunnen rijzen wat betreft de speciale vorm die ons stimuleringssysteem heeft gekregen toen wij nog buiten de Gemeenschap stonden.
Ik zou Uw aandacht erop willen vestigen dat in dit verband de kwestie aan de orde kan komen van de verplichtingen die wij eerder hebben aangegaan. Uiteraard zullen wij deze verplichtingen moeten nakomen, maar wij zullen bereid zijn om de overschakeling op elk nieuw stelsel dat eventueel zal worden ontworpen, in al haar aspecten te bespreken en wij zullen aan het oplossen van deze vraagstukken op passende wijze onze medewerking verlenen.
Uw opmerking over het soepele karakter van de betreffende bepalingen van het Verdrag geeft mij het volste vertrouwen dat de Instellingen van de Gemeenschap bij het bestuderen van onze stimulansen ten volle rekening zullen houden met onze speciale problemen. Gezien het feit dat de doelstellingen van de Ierse Regering en de Gemeenschap identiek zijn, vertrouw ik er eveneens op dat, indien aanpassing van dat stimuleringssysteem nodig is, de Ierse Regering de expansie der Ierse industrie zal kunnen handhaven en een voortdurende stijging in werkgelegenheid en levensstandaard kan bereiken.
Tot slot zou ik U nog willen zeggen hoezeer ik de sympathie en het begrip waardeer die de Gemeenschap heeft betuigd bij haar benadering en bestudering van onze regionale problemen en de industriële stimulansen, die voor mijn land van het grootste belang zijn. De overeenstemming die wij hebben bereikt doet het beste hopen voor wat betreft onze toekomstige samenwerking binnen de uitgebreide Gemeenschap bij de verwezenlijking van de fundamentele doelstellingen van het Verdrag. Deze toekomstige samenwerking beschouw ik als het middel waarmede wij in Ierland onze nationale economische doelstellingen het best kunnen verwezenlijken.
Tijdens de tweede ministeriële zitting inzake de onderhandelingen tussen de Gemeenschap en het Verenigd Koninkrijk op 27 oktober 1970, legden de heer G. Rippon, Kanselier van het Hertogdom Lancaster, namens de delegatie van het Verenigd Koninkrijk, en de heer W. Scheel, Minister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland, namens de delegatie van de Gemeenschap, de twee onderstaande verklaringen af.
De twee delegaties zijn tot de slotsom gekomen dat overeenstemming was bereikt op de grondslag van deze twee verklaringen.
I. Verklaring van de heer G. Rippon, Kanselier van het Hertogdom Lancaster, mede namens de delegatie van het Verenigd Koninkrijk
Tijdens de eerste ministeriële zitting op 21 juli verklaarde mijn voorganger dat het Verenigd Koninkrijk bereid was om het gemeenschappelijk landbouwbeleid in een uitgebreide Gemeenschap aan te nemen. Hij voegde hieraan evenwel toe dat wij een aantal punten nauwkeurig dienen te overwegen; hiertoe behoren de gevolgen van de communautaire voorschriften met betrekking tot melk, varkensvlees en eieren voor het Verenigd Koninkrijk voor wat betreft de produktie, het in de handel brengen en de consumptie.
Sindsdien heeft veel overleg en verkennende besprekingen plaatsgevonden, zowel op technisch niveau met de Commissie als meer in het algemeen tijdens de vergaderingen der Plaatsvervangers. Onzerzijds streefden wij ernaar, na te gaan of er zich ernstige moeilijkheden dreigden voor te doen en zo ja, hoe deze het best zouden kunnen worden vermeden. Tot mijn genoegen kan ik verklaren dat wij van de kant van de Gemeenschap veel opheldering hebben verkregen en begrip hebben gevonden, hetgeen ertoe heeft bijgedragen dat de situatie in aanzienlijke mate is verduidelijkt. Een en ander verschaft mij de hoop dat wij erin zullen slagen, over deze punten overeenstemming te bereiken zodat wij ze van de toekomstige agenda kunnen afvoeren.
MELK
Wij achten het, zowel voor de Gemeenschap als voor het Verenigd Koninkrijk, van belang dat wij in staat zijn om voldoende melk in vloeibare toestand te leveren om het gehele jaar door en in het gehele land aan de vraag van de consumenten te kunnen voldoen. Gezien de bevestiging die wij van de Gemeenschap hebben ontvangen inzake onze interpretatie van de draagwijdte en de aard van de huidige en de voorgestelde regelingen, menen wij dat dit mogelijk zal zijn. Daarom is het van belang dat ik de belangrijkste punten van deze interpretatie opnoem, namelijk:
- i). een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is melk in de gehele Gemeenschap zoveel mogelijk voor consumptie in vloeibare toestand te gebruiken; het beleid mag dus niet zodanig worden gevoerd dat dit doel in gevaar komt;
- ii). het prijsverschil tussen voor verwerking bestemde melk en melk voor verbruik in vloeibare toestand, zoals neergelegd in de resolutie van de Raad van 24 juli 1966, is niet verplicht; te zijner tijd zal deze resolutie worden vervangen door een communautaire melkverordening; overeenkomstig de thans geldende voorschriften staat het de Lid-Staten vrij, kleinhandelsprijzen voor melk voor verbruik in vloeibare toestand vast te stellen, doch zij zijn daartoe niet verplicht;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)