Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Lid-Staten der Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
- iii). in Verordening (EEG) No. 804/68 is slechts sprake van maatregelen van de Regeringen van de Lid-Staten waardoor de prijzen gelijkgeschakeld kunnen worden en derhalve staat het een niet-gouvernementele producentenorganisatie vrij, mits zij overeenkomstig de bepalingen van het E.E.G.-Verdrag en het afgeleide recht handelt, op eigen initiatief melk te leveren waar zij wenst, ten einde voor haar leden de hoogste opbrengst te verkrijgen, de winst samen te voegen en haar leden te belonen zoals zij verkiest.
VARKENSVLEES
Wij beschouwen het ook van belang voor een uitgebreide Gemeenschap, die wordt geacht meer dan in haar eigen behoeften aan varkensvlees te kunnen voorzien, dat de markt, met inbegrip van de baconmarkt van het Verenigd Koninkrijk, naar behoren wordt gestabiliseerd. Het huidige stelsel van de Gemeenschap hield uiteraard geen rekening met deze belangrijke markt, waarop jaarlijks ongeveer 640.000 ton bacon ter waarde van meer dan 1 miljard R.E. wordt afgezet. Deze markt zou echter in aanzienlijke mate tot stabilisering kunnen bijdragen en dit zou niet alleen in het belang zijn van de baconproducenten van het Verenigd Koninkrijk en van andere landen die hier rechtstreeks bij zijn betrokken, maar in dat van alle varkensfokkers in de uitgebreide Gemeenschap.
Ons is bij de besprekingen niet gebleken dat de bestaande communautaire regelingen voor varkensvlees noodzakelijk onvoldoende of ongeschikt zijn voor de nieuwe situatie, die voort zal vloeien uit de uitbreiding.
Wij beschouwen het echter als essentieel dat U erkent dat de Britse baconmarkt in een uitgebreide Gemeenschap een intrinsiek belang heeft en dat deze de produktie van varkensvlees van de gehele Gemeenschap voordelen kan opleveren, indien de stabiliteit van deze markt bij eerlijke concurrentie blijft gehandhaafd en dat deze situatie daarom zorgvuldig in het oog gehouden dient te worden tijdens de overgangsperiode en daarna.
EIEREN
De uitgebreide Gemeenschap zal zelf in haar behoefte aan eieren kunnen voorzien, zodat de prijzen waarschijnlijk meer door interne marktinvloeden zullen worden bepaald dan door maatregelen aan de buitengrenzen. Daar dit reeds zowel voor de bestaande Gemeenschap als voor het Verenigd Koninkrijk het geval is, zal de markt van de uitgebreide Gemeenschap waarschijnlijk aan vergelijkbare prijsschommelingen onderhevig zijn, zij het waarschijnlijk in iets hogere mate dan thans op de beide markten het geval is. Anderzijds kan de tendens naar concentratie van de produktie bij gespecialiseerde producenten en de daarmede gelijklopende ontwikkeling van de handel, het onstabiele karakter op langere termijn doen afnemen. Daarom ben ik van oordeel dat wij ons zullen kunnen aanpassen aan de communautaire regelingen.
Indien U thans formeel kunt bevestigen dat ons inzicht in de mogelijkheden die voor ons openstaan ten aanzien van melk juist is, dat U de standpunten die ik naar voren heb gebracht ten aanzien van het belang en het speciale karakter van de baconmarkt in een uitgebreide Gemeenschap kunt aanvaarden, en de wenselijkheid van stabiliteit op de markt van varkensvlees en van eieren kunt erkennen, dan kunnen wij U onzerzijds verzekeren, dat wij hierover tijdens de onderhandelingen geen punten meer aan de orde behoeven te stellen, tenzij in het algemene verband van de overgangsmaatregelen.
II. Verklaring van de heer W. Scheel, Minister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland, namens de delegatie van de Gemeenschap
De delegatie van de Gemeenschap stemt in met Uw analyse van de doelstellingen van het gemeenschappelijk beleid inzake de zuivelsector, de huidige mogelijkheden voor het vaststellen van kleinhandelsprijzen voor consumptiemelk en inzake de activiteiten van niet gouvernementele producentenorganisaties. Voor zover dit nodig is, herinnert zij eraan dat het bij Verordening (EEG) No. 804/68 ingestelde verbod van nationale maatregelen die verevening tussen de prijzen van de verschillende zuivelprodukten mogelijk maken, eveneens doelt op elk nationaal wettelijk voorschrift waarmee een dergelijke verevening wordt beoogd.
De delegatie van de Gemeenschap kan instemmen met Uw uiteenzetting over het belang en de kenmerken van de baconmarkt in een uitgebreide Gemeenschap. In het licht van de doelstellingen van het gemeenschappelijk beleid ter zake van varkensvlees en eieren deelt zij Uw verlangen naar stabiliteit in deze sectoren.
De delegatie van de Gemeenschap neemt akte van de verklaring van Uw delegatie en is verheugd te kunnen constateren, dat de bestaande regelingen betreffende de genoemde drie sectoren niet behoeven te worden gewijzigd om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de delegatie van het Verenigd Koninkrijk.
Tijdens de 8e ministeriële zitting inzake de onderhandelingen tussen de Gemeenschap en het Verenigd Koninkrijk van 21/22 en 23 juni 1971, heeft de heer G. Rippon, Kanselier van het Hertogdom Lancaster, namens de delegatie van het Verenigd Koninkrijk, de verklaring afgelegd die onder I is opgenomen.
De heer M. Schumann, Minister van Buitenlandse Zaken van de Franse Republiek, heeft, namens de delegatie van de Gemeenschap, geantwoord middels de verklaring die is opgenomen onder II.
I. Verklaring van de heer G. Rippon, Kanselier van het Hertogdom Lancaster, namens de delegatie van het Verenigd Koninkrijk
Toen de heer Barber in zijn openingsverklaring voor de Conferentie van 30 juni 1970 de landbouwproblemen behandelde, maakte hij gewag van de problemen in verband met de landbouw in bergachtige gebieden. Schotland, Wales, Noord-Ierland, alsmede Noord- en Zuidwest-Engeland bestaan gedeeltelijk uit bergachtige gebieden, waar, wegens het klimaat, de bodemgesteldheid en de geografische omstandigheden, alleen extensieve veeteelt mogelijk is.
De landbouwbedrijven in deze gebieden zijn klein en noodzakelijkerwijs sterk afhankelijk van de marktvoorwaarden, zodat hoge eindprijzen alleen niet toereikend zijn om de levensvatbaarheid van die bedrijven te handhaven. Daarom wordt op grond van de huidige regeling aan die bedrijven steun verleend, zowel in het kader van onze algemene economische en sociale politiek als in dat van ons landbouwbeleid. Verscheidene van de huidige Lid-Staten van de Gemeenschap hebben stellig ook gebieden met soortgelijke problemen, en wij zullen die uiteraard, evenals U, oplossen in overeenstemming met het Verdrag en het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Ik zou het op prijs stellen, indien de Gemeenschap mijn opvatting bevestigt dat alle Lid-Staten van de uitgebreide Gemeenschap die soortgelijke moeilijkheden kennen het hoofd dienen te bieden aan het vraagstuk van de handhaving van een redelijk inkomen van de landbouwers in bergachtige gebieden.
II. Verklaring van de heer M. Schumann, Minister van Buitenlandse Zaken van de Franse Republiek, namens de delegatie van de Gemeenschap
De delegatie van de Gemeenschap heeft met aandacht kennis genomen van de verklaring van de delegatie van het Verenigd Koninkrijk betreffende de landbouw in bergachtige gebieden in het Verenigd Koninkrijk en de maatregelen die ten gunste van de betrokken gebieden werden genomen.
In antwoord op deze verklaring kan de delegatie van de Gemeenschap de volgende mededeling doen:
De Gemeenschap is zich bewust van de bijzondere omstandigheden van de landbouw in bergachtige gebieden ten opzichte van de andere gebieden van het Verenigd Koninkrijk, evenals trouwens van de soms zeer aanmerkelijke verschillen tussen gebieden in de Lid-Staten van de huidige Gemeenschap.
De bijzondere omstandigheden in bepaalde streken van de uitgebreide Gemeenschap kunnen inderdaad acties vereisen met het oog op het zoeken van een oplossing voor de vraagstukken in verband met deze bijzondere omstandigheden, met name ten einde te bewerkstelligen dat het inkomen van de landbouwers in deze gebieden redelijk blijft.
Vanzelfsprekend dienen dergelijke acties, zoals U zoëven hebt gezegd, te stroken met de bepalingen van het Verdrag en van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
I. Voorlichtings- en overlegprocedure met het oog op de aanvaarding van bepaalde besluiten
Ten einde te waarborgen dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna te noemen toetredende Staten, voldoende worden ingelicht, worden alle voorstellen of mededelingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen die kunnen leiden tot besluiten van de Raad van deze Gemeenschappen, na toezending aan de Raad ter kennis van de toetredende Staten gebracht.
Er wordt overleg gepleegd op een met redenen omkleed verzoek van een toetredende Staat, die daarin zijn belangen als toekomstig lid van de Gemeenschappen dient uiteen te zetten en zijn opmerkingen daarin neerlegt.
Besluiten inzake beheer vormen in het algemeen geen aanleiding tot overleg.
Het overleg vindt plaats in een Interimcomité, samengesteld uit Vertegenwoordigers van de Gemeenschappen en van de toetredende Staten.
Aan Gemeenschapszijde zijn de leden van het Interimcomité de leden van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers of diegenen die deze laatsten daarvoor aanwijzen en die als regel hun plaatsvervangers zijn. De Commissie wordt uitgenodigd, zich bij deze werkzaamheden te doen vertegenwoordigen.
Het Interimcomité wordt bijgestaan door een Secretariaat, dat het Secretariaat van de Conferentie is, dat tot dat doel in functie blijft.
Het overleg vindt normaliter plaats zodra de voorbereidende werkzaamheden op communautair niveau met het oog op de aanvaarding van besluiten door de Raad zover zijn gevorderd, dat de gemeenschappelijke strekking ervan het mogelijk maakt, een dergelijk overleg met vrucht te organiseren.
Mochten er na het overleg nog ernstige moeilijkheden bestaan, dan kan het probleem op verzoek van een toetredende Staat op ministerieel niveau worden besproken.
De in de voorafgaande paragrafen omschreven procedure is eveneens van toepassing op alle door de toetredende Staten te nemen besluiten die van invloed kunnen zijn op de verbintenissen die voortvloeien uit hun hoedanigheid van toekomstige leden van de Gemeenschappen.
II
Het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland nemen de nodige maatregelen om hun toetreding tot de in artikel 3, lid 2, en artikel 4, lid 2, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen bedoelde overeenkomsten of akkoorden, voor zover mogelijk, en overeenkomstig het in die Akte bepaalde, te doen samenvallen met de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de toetreding.
Voor zover de in artikel 3, lid 1 tweede zin, en lid 2, bedoelde overeenkomsten en akkoorden slechts in de vorm van een ontwerp bestaan, nog niet zijn ondertekend en waarschijnlijk in het tijdvak dat aan de toetreding voorafgaat niet meer kunnen worden ondertekend, zullen de toetredende Staten worden uitgenodigd om na de ondertekening van het Verdrag betreffende de toetreding volgens passende procedures deel te nemen aan de uitwerking, in positieve zin en zodanig dat de sluiting daarvan wordt bevorderd, van die ontwerpen.
III
Ten aanzien van de onderhandelingen over de overwogen overeenkomsten met de E.V.A.-landen die niet om toetreding tot de Europese Gemeenschappen hebben verzocht, alsmede van de onderhandelingen over bepaalde aanpassingen van de preferentiële akkoorden die werden gesloten uit hoofde van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, worden de Vertegenwoordigers van de toetredende Staten als waarnemers bij de werkzaamheden betrokken, naast de Vertegenwoordigers van de oorspronkelijke Lid-Staten.
Bepaalde door de Gemeenschap gesloten niet-preferentiële akkoorden die ook na 1 januari 1973 blijven gelden, kunnen worden aangepast om rekening te houden met de uitbreiding van de Gemeenschap. De Gemeenschap zal de Vertegenwoordigers van de toetredende Staten overeenkomstig de in de vorige alinea omschreven procedure bij de onderhandelingen over deze aanpassingen betrekken.
IV
Inzake het verdrag inzake de non-proliferatie van kernwapens coördineren het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Koninkrijk Noorwegen hun standpunt met dat van de Europese Gemeenschap van Atoomenergie bij de onderhandelingen over een overeenkomst betreffende verificatie met het Internationale Agentschap voor Atoomenergie (I.A.A.E.). Zij verzoeken in de overeenkomsten betreffende controle die zij met het I.A.A.E. mochten sluiten, om de opname van een bepaling die het hun mogelijk maakt deze overeenkomsten na de toetreding op korte termijn te vervangen door de overeenkomst betreffende verificatie die de Gemeenschap met het Agentschap mocht hebben gesloten.
Het Verenigd Koninkrijk en de Gemeenschap maken in het tijdvak dat aan de toetreding voorafgaat een aanvang met het overleg dat noodzakelijk is vanwege de omstandigheid dat de regeling inzake controle en inspectie die van toepassing is uit hoofde van de overeenkomst tussen verscheidene Lid-Staten en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie enerzijds en het I.A.A.E. anderzijds door het Verenigd Koninkrijk zal worden aanvaard.
V
Het in artikel 120, lid 2, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen bedoelde overleg tussen de toetredende Staten en de Commissie vindt reeds plaats vóór het tijdstip van toetreding.
VI
De toetredende Staten verbinden zich ertoe te bewerkstelligen dat de verlening van de in de artikelen 2 van de Protocollen No. 25 tot en met No. 28 betreffende de uitwisseling van kennis op het gebied van de kernenergie bedoelde licenties vóór de toetreding niet opzettelijk wordt versneld ten einde de draagwijdte van de in die Protocollen vervatte verbintenissen te verminderen.
VII
De Instellingen van de Gemeenschappen stellen tijdig de in artikel 153 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der Verdragen bedoelde bepalingen vast.
VIII
De Gemeenschap treft de nodige maatregelen opdat de in Protocol No. 19 betreffende de alcoholhoudende dranken uit granen bedoelde bepalingen op het tijdstip van de toetreding in werking treden.
De Raad van de Europese Gemeenschappen,
Gelet op artikel 98 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal,
Overwegende dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland hebben verzocht om toetreding tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal,
Gezien het advies van de Commissie,
Overwegende dat over de door de Raad vast te stellen toetredingsvoorwaarden is onderhandeld met vorengenoemde Staten,
Besluit:
Artikel 1
Het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland kunnen onder de in dit besluit vastgestelde voorwaarden lid worden van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal door toe te treden tot het Verdrag tot oprichting van deze Gemeenschap, zoals dit Verdrag is gewijzigd of aangevuld.
De voorwaarden voor de toetreding en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal zijn neergelegd in de bij dit besluit gevoegde Akte. De bepalingen van deze Akte die betrekking hebben op de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal maken een integrerend deel van dit besluit uit.
De in het in lid 1 genoemde Verdrag voorkomende bepalingen betreffende de rechten en verplichtingen van de Lid-Staten alsmede de algemene en bijzondere bevoegdheden van de Instellingen van de Gemeenschappen, zijn van toepassing ten aanzien van dit besluit.
Artikel 2
De Akten van toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal zullen op 1 januari 1973 worden neergelegd bij de Regering van de Franse Republiek.
De toetreding wordt van kracht op 1 januari 1973, mits alle Akten van toetreding op dit tijdstip zijn neergelegd en mits alle Akten van bekrachtiging van het Verdrag betreffende de toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap en tot de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor dit tijdstip zijn neergelegd.
Indien echter niet alle in de eerste alinea van dit artikel genoemde Staten tijdig hun Akten van toetreding en hun Akten van bekrachtiging hebben neergelegd, wordt de toetreding van kracht voor de andere toetredende Staten. In dit geval besluit de Raad van de Europese Gemeenschappen, met eenparigheid van stemmen, onmiddellijk over de hierdoor noodzakelijk geworden aanpassingen van artikel 3 van het onderhavige besluit, en van de artikelen 12, 13, 16, 17, 19, 20, 22, 142, 155 en 160 van de Akte betreflende de voorwaarden van toetreding en de aanpassing van de Verdragen; de Raad kan eveneens, met eenparigheid van stemmen, de bepalingen van voornoemde Akte die betrekking hebben op een met name genoemde Staat die zijn Akten van toetreding en van bekrachtiging niet heeft neergelegd, vervallen verklaren of aanpassen.
De Regering van de Franse Republiek zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de Akte van toetreding van elke toetredende Staat toe aan de Regeringen van de Lid-Staten en van de andere toetredende Staten.
Artikel 3
Dit besluit, opgesteld in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse en de Noorse taal, zijnde de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse en de Nederlandse tekst gelijkelijk authentiek, wordt medegedeeld aan de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.
GEDAAN te Brussel, de tweeëntwintigste januari negentienhondertweeënzeventig.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)