Brede en versterkte Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2021-03-01
State In force
Source BWB
artikelen 401
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Republiek Armenië past haar wetgeving aan die van de Europese Unie en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage VI bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 15. WERKGELEGENHEID, SOCIAAL BELEID EN GELIJKE KANSEN

Artikel 84

De partijen versterken hun dialoog en samenwerking ter bevordering van de Agenda voor waardig werk van de Internationale Arbeidsorganisatie („ILO”), het werkgelegenheidsbeleid, gezondheid en veiligheid op het werk, de sociale dialoog, de sociale bescherming, sociale integratie, gelijke kansen en antidiscriminatie, en dragen aldus bij tot de bevordering van meer en betere banen, armoedebestrijding, betere sociale samenhang, duurzame ontwikkeling en betere levenskwaliteit.

Artikel 85

De samenwerking die is gebaseerd op de uitwisseling van informatie en beste praktijken, kan een aantal kwesties bestrijken op een van de volgende gebieden:

  • a. armoedebestrijding en grotere sociale samenhang;
  • b. het werkgelegenheidsbeleid, met het oog op meer en betere banen met correcte arbeidsvoorwaarden, onder meer om de informele economie en informele werkgelegenheid terug te dringen;
  • c. de bevordering van actieve arbeidsmarktmaatregelen en van doeltreffende arbeidsbemiddelingsdiensten ter modernisering van de arbeidsmarkt en tot aanpassing aan de behoeften van de arbeidsmarkt;
  • d. de bevordering van een meer inclusieve arbeidsmarkt en meer inclusieve sociale-opvangsystemen ter integratie van benadeelde bevolkingsgroepen, zoals personen met een handicap en personen uit minderheidsgroepen;
  • e. gelijke kansen en antidiscriminatie, ter bevordering van de gelijkheid tussen de geslachten en gelijke kansen voor mannen en vrouwen, alsook ter bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, ras of ethnische afkomst, godsdienst of geloof, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid;
  • f. sociaal beleid gericht op betere sociale bescherming en de modernisering van socialebeschermingsstelsels in termen van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid;
  • g. de bevordering van de deelname van de sociale partners en van de sociale dialoog, onder meer door een versterking van de capaciteit van alle relevante belanghebbenden;
  • h. de bevordering van gezondheid en veiligheid op het werk; alsmede
  • i. de bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Artikel 86

De partijen moedigen de participatie aan van alle relevante belanghebbenden, in het bijzonder maatschappelijke organisaties en de sociale partners, in de beleidsontwikkeling en de beleidshervormingen in de Republiek Armenië en in de samenwerking tussen de partijen in het kader van deze overeenkomst.

Artikel 87

De partijen streven naar meer samenwerking op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid binnen alle relevante regionale, multilaterale en internationale fora en organisaties.

Artikel 88

De partijen bevorderen maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoordingsplicht en moedigen verantwoorde zakelijke praktijken aan, zoals bepleit in de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, het Global Compact van de Verenigde Naties, de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de ILO, en ISO 26000.

Artikel 89

Over de vraagstukken die door dit hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel 90

De Republiek Armenië past haar wetgeving aan die van de Europese Unie en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage VII bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 16. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN GEZONDHEID

Artikel 91

De partijen ontwikkelen hun samenwerking op het gebied van de volksgezondheid om het niveau ervan te verhogen, overeenkomstig gemeenschappelijke waarden en beginselen, en als basisvoorwaarde voor duurzame ontwikkeling en economische groei.

Artikel 92

De samenwerking heeft betrekking op de preventie en controle van overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten, onder meer door de uitwisseling van gezondheidsinformatie, de bevordering van de integratie van gezondheid in alle beleidsterreinen, samenwerking met internationale organisaties, met name de Wereldgezondheidsorganisatie, evenals door het bevorderen van de uitvoering van internationale gezondheidsovereenkomsten, zoals het Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging van de Wereldgezondheidsorganisatie van 2003 en de Internationale Gezondheidsregeling.

HOOFDSTUK 17. ONDERWIJS, OPLEIDING EN JONGEREN

Artikel 93

De partijen werken samen inzake onderwijs en opleiding om de samenwerking en de beleidsdialoog te versterken, teneinde de onderwijs- en opleidingsstelsels van de Republiek Armenië op één lijn te brengen met het beleid en de praktijken van de Europese Unie. De partijen werken samen ter bevordering van een leven lang leren en moedigen samenwerking en transparantie aan op alle niveaus van onderwijs en opleiding, met speciale aandacht voor beroepsonderwijs en hoger onderwijs.

Artikel 94

De samenwerking op het vlak van onderwijs en opleiding wordt onder meer op de volgende terreinen gericht:

  • a. bevordering van een leven lang leren, dat essentieel is voor groei en werkgelegenheid en volledige participatie van de burger in de maatschappij mogelijk maakt;
  • b. modernisering van het onderwijs en de opleidingssystemen, met inbegrip van opleidingsstelsels voor ambtenaren en een verbetering van de kwaliteit, de relevantie en de toegang tijdens de hele opleidingsloopbaan, vanaf de vroegschoolse educatie en opvang tot het hoger onderwijs;
  • c. bevordering van convergentie en gecoördineerde hervormingen in het hoger onderwijs op een manier die strookt met de agenda van de Europese Unie voor hoger onderwijs en de Europese ruimte voor hoger onderwijs (Bologna-proces);
  • d. versterking van de internationale academische samenwerking, meer deelname aan de samenwerkingsprogramma's van de Europese Unie en de toename van de mobiliteit van studenten en docenten;
  • e. aanmoediging van het leren van vreemde talen;
  • f. ontwikkeling van het nationale kader voor kwalificaties ter verbetering van de transparantie en de erkenning van kwalificaties en competenties binnen het Europees netwerk van informatiecentra en de nationale informatiecentra inzake de academische erkenning („ENIC-NARIC”), binnen het Europees kwalificatiekader;
  • g. meer samenwerking voor de verdere ontwikkeling van beroepsonderwijs en opleiding, rekening houdend met goede praktijken in de Europese Unie; alsmede
  • h. verbetering van het begrip van en de kennis over het Europese integratieproces, de academische dialoog over de betrekkingen tussen de EU en het Oostelijk Partnerschap, en de deelname aan alle relevante programma’s van de Europese Unie, met inbegrip van de overheidsdiensten.
Artikel 95

De partijen komen overeen samen te werken op het gebied van jongeren met het oog op:

  • a. versterkte samenwerking en uitwisselingen op het gebied van jongeren en niet-formeel onderwijs voor jongeren en jeugdwerkers;
  • b. de vergemakkelijking van de actieve deelname van alle jongeren aan het maatschappelijke leven;
  • c. steun voor de mobiliteit van jongeren en jeugdwerkers ter bevordering van de interculturele dialoog en de verwerving van kennis, vaardigheden en bevoegdheden buiten de formele onderwijssystemen, ook door vrijwilligerswerk; alsmede
  • d. bevordering van de samenwerking tussen jongerenorganisaties ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties.

HOOFDSTUK 18. SAMENWERKING OP CULTUURGEBIED

Artikel 96

De partijen bevorderen de samenwerking op cultureel gebied en houden terdege rekening met de beginselen die zijn opgenomen in het verdrag van de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur („UNESCO”) betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen van 2005. De partijen streven naar een regelmatige beleidsdialoog over gebieden van wederzijds belang, zoals de ontwikkeling van de cultuurindustrie in de Europese Unie en de Republiek Armenië. De samenwerking tussen de partijen stimuleert de interculturele dialoog, ook via deelname van de cultuursector en maatschappelijke organisaties van de Europese Unie en de Republiek Armenië.

Artikel 97

Deze samenwerking richt zich onder meer op:

  • a. samenwerking en uitwisseling op cultureel gebied;
  • b. mobiliteit van kunst en kunstenaars en versterking van de capaciteit van de culturele sector;
  • c. interculturele dialoog;
  • d. cultuurbeleidsdialoog;
  • e. het programma Creatief Europa; alsmede
  • f. samenwerking in internationale fora zoals de UNESCO en de Raad van Europa, om de culturele diversiteit te ontwikkelen en te behouden en het culturele en historische erfgoed beter te benutten.

HOOFDSTUK 19. SAMENWERKING OP AUDIOVISUEEL EN MEDIAGEBIED

Artikel 98

De partijen bevorderen samenwerking op audiovisueel gebied. De samenwerking biedt versterking aan de audiovisuele sector in de Europese Unie en de Republiek Armenië, meer bepaald door de opleiding van beroepsbeoefenaars en de uitwisseling van informatie.

Artikel 99
1.

De partijen ontwikkelen een regelmatige dialoog over audiovisueel en mediabeleid en werken samen voor meer onafhankelijkheid en professionalisme van de media en voor meer banden met media in de Europese Unie overeenkomstig de relevante Europese normen, met inbegrip van de normen van de Raad van Europa en het UNESCO-verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen.

2.

Samenwerking kan onder meer betrekking hebben op de opleiding van journalisten en andere mediaberoepen, alsook steun voor de media.

Artikel 100

Deze samenwerking richt zich onder meer op:

  • a. een dialoog over audiovisueel en mediabeleid;
  • b. samenwerking in internationale fora (zoals UNESCO en de WTO); alsmede
  • c. samenwerking op audiovisueel en mediagebied, waaronder samenwerking op het gebied van de cinema.

HOOFDSTUK 20. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN SPORT EN BEWEGING

Artikel 101

De partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van sport en beweging, meer bepaald door de uitwisseling van informatie en goede praktijken ten behoeve van een gezonde levensstijl, goed bestuur en de sociale en educatieve waarden van sport, om bedreigingen voor de sport zoals doping, wedstrijdvervalsing, racisme en geweld tegen te gaan, binnen de Europese Unie en de Republiek Armenië.

HOOFDSTUK 21. MAATSCHAPPELIJKE SAMENWERKING

Artikel 102

De partijen voeren een dialoog over maatschappelijke samenwerking, met de volgende doelstellingen:

  • a. het intensiveren van de contacten en de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen alle maatschappelijke sectoren in de Europese Unie en de Republiek Armenië;
  • b. het verzekeren van een betere kennis en begrip van de Republiek Armenië, ook van haar geschiedenis en cultuur, in de Europese Unie en meer bepaald bij maatschappelijke organisaties die in de lidstaten zijn gevestigd, waardoor mogelijkheden en uitdagingen van toekomstige betrekkingen beter worden begrepen; alsmede
  • c. het verkrijgen van meer kennis van en inzicht in de Republiek Armenië over de Europese Unie, en in het bijzonder bij de maatschappelijke organisaties in de Republiek Armenië, met onder meer aandacht voor de waarden waarop de Europese Unie is gebaseerd, haar beleid en haar werking.
Artikel 103
1.

De partijen bevorderen de dialoog en samenwerking tussen belanghebbenden van maatschappelijke organisaties van beide partijen als integraal onderdeel van de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Republiek Armenië.

2.

Deze dialoog en samenwerking beogen:

  • a. de betrokkenheid van de maatschappelijke organisaties te garanderen bij de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Republiek Armenië;
  • b. de deelname van maatschappelijke organisaties aan het openbare besluitvormingsproces te bevorderen, met name door een open, transparante, en regelmatige dialoog op te zetten tussen enerzijds openbare instellingen en anderzijds representatieve maatschappelijke organisaties;
  • c. de facilitering van een proces van institutionele opbouw en consolidatie van de maatschappelijke organisaties op diverse manieren, met inbegrip van: lobbying, informele en formele netwerken, wederzijdse bezoeken en werkplaatsen, in het bijzonder met het oog op een beter wettelijk kader voor de maatschappelijke organisaties; alsmede
  • d. de vertegenwoordigers van de maatschappelijke organisaties van beide partijen vertrouwd te maken met het proces van overleg en dialoog tussen het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van de sociale partners, en de overheden, in het bijzonder met het oog op de versterking van het maatschappelijk middenveld in het beleidsvormingsproces van de Republiek Armenië.
Artikel 104

Over de vraagstukken die door dit hoofdstuk worden bestreken, wordt door de partijen een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 22. REGIONALE ONTWIKKELING, GRENSOVERSCHRIJDENDE EN REGIONALE SAMENWERKING

Artikel 105
1.

De partijen bevorderen wederzijds begrip en bilaterale samenwerking op het gebied van het regionaal ontwikkelingsbeleid, inclusief methoden om regionaal beleid en bestuur en partnerschap op verschillende niveaus te formuleren en uit te voeren, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van kansarme gebieden en territoriale samenwerking, teneinde communicatiekanalen tot stand te brengen en de uitwisseling van informatie en ervaringen te bevorderen tussen nationale, regionale en lokale overheden, sociaal-economische actoren en het maatschappelijk middenveld.

2.

Partijen werken met name samen met het oog op een aanpassing van de praktijk van de Republiek Armenië aan de volgende beginselen:

  • a. versterking van goed bestuur op meerdere niveaus voor zover het centrale, regionale en lokale niveau is betroffen, met bijzondere aandacht voor manieren om de betrokkenheid van regionale en lokale belanghebbenden te vergroten;
  • b. consolidering van het partnerschap tussen alle belanghebbenden van de regionale ontwikkeling; alsmede
  • c. medefinanciering via de financiële bijdrage van de partijen die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van programma's en projecten voor regionale ontwikkeling.
Artikel 106
1.

De partijen ondersteunen en versterken de betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij regionale samenwerking, inclusief grensoverschrijdende samenwerking en de daarmee verband houdende beheersstructuren, bevorderen de samenwerking door een passend wetgevend kader tot stand te brengen, ondersteunen en ontwikkelen maatregelen voor capaciteitsopbouw en bevorderen de versterking van grensoverschrijdende en regionale economische en zakelijke netwerken.

2.

De partijen werken samen om de institutionele en operationele capaciteit van instellingen van de Republiek Armenië op het gebied van regionale ontwikkeling en ruimtelijke ordening te consolideren, onder meer door:

  • a. verbetering van interinstitutionele coördinatie en in het bijzonder het mechanisme van verticale en horizontale interactie van centraal en lokaal bestuur met het oog op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van regionaal beleid;
  • b. ontwikkeling van de capaciteit van regionale en lokale overheden om grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen, rekening houdend met de regelgeving en de praktijk van de Europese Unie; alsmede
  • c. uitwisseling van kennis, informatie en beste praktijken inzake het beleid voor regionale ontwikkeling met het oog op grotere economische welstand voor lokale gemeenschappen en de eenvormige ontwikkeling van regio’s.
Artikel 107
1.

De partijen versterken en stimuleren de ontwikkeling van de grensoverschrijdende samenwerking op andere terreinen die onder deze overeenkomst vallen, onder meer vervoer, energie, milieu, communicatienetwerken, cultuur, onderwijs, toerisme en gezondheid.

2.

De partijen versterken de samenwerking tussen hun regio’s in de vorm van transnationale en interregionale programma’s, ter ondersteuning van de deelname van de regio's van de Republiek Armenië aan Europese regionale structuren en organisaties en ter bevordering van hun economische en institutionele ontwikkeling door het uitvoeren van projecten van gezamenlijk belang.

3.

De in lid 2 genoemde activiteiten vinden plaats in de context van:

  • a. voortdurende territoriale samenwerking met Europese regio’s, met inbegrip van transnationale en grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma’s;
  • b. samenwerking in het kader van het Oostelijk Partnerschap, met organen van de Europese Unie, waaronder het Comité van de Regio’s, en deelname aan diverse Europese regionale projecten en initiatieven; alsmede
  • c. samenwerking met onder meer het Europees Economisch en Sociaal Comité („EESC”) en de Waarnemingspost voor de ruimtelijke ordening van het Europees grondgebied („ESPON”).
Artikel 108

Over de vraagstukken die door dit hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 23. CIVIELE BESCHERMING

Artikel 109

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen. De partijen werken samen in hun beider belang op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel, waarbij zij rekening houden met hun onderlinge afhankelijkheid en de multilaterale activiteiten op dat gebied.

Artikel 110

De samenwerking is gericht op een betere preventie van, en voorbereiding en respons op natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen.

Artikel 111

De partijen wisselen onder meer informatie en deskundigheid uit en voeren gezamenlijke activiteiten uit op bilaterale basis en/of in het kader van multilaterale programma's. De samenwerking kan onder meer verlopen via de tenuitvoerlegging van specifieke overeenkomsten en/of administratieve regelingen die de partijen op het gebied van civiele bescherming met elkaar hebben gesloten. De partijen kunnen gezamenlijk specifieke richtsnoeren en/of werkplannen overeenkomen voor de overwogen of geplande activiteiten in het kader van deze overeenkomst.

Artikel 112

De samenwerking kan onder meer de volgende doelstellingen bestrijken:

  • a. de uitwisseling van contactgegevens en de regelmatige bijwerking ervan om de continuïteit van de dialoog te waarborgen en om elkaar 24 uur per dag te kunnen bereiken;
  • b. vergemakkelijking van wederzijdse bijstand bij ernstige noodsituaties, waar nodig en afhankelijk van de beschikbaarheid van voldoende middelen;
  • c. de uitwisseling, 24 uur per dag, van vroegtijdige waarschuwingen en geactualiseerde informatie over grootschalige noodsituaties die de Europese Unie of de Republiek Armenië treffen, alsmede verzoeken om en aanbiedingen van bijstand;
  • d. de uitwisseling van informatie over het verstrekken van bijstand door de partijen aan derde landen voor noodsituaties waarvoor het mechanisme voor civiele bescherming van de EU wordt geactiveerd;
  • e. samenwerking inzake gastlandsteun bij verzoeken om en aanbiedingen van bijstand;
  • f. uitwisseling van beste praktijken en richtlijnen inzake de preventie van, paraatheid voor en respons op rampen;
  • g. samenwerking inzake rampenrisicovermindering door onder meer: verbanden tussen instellingen en belangenbehartiging; informatie, onderwijs en communicatie; beste praktijken ter voorkoming of verzachting van de gevolgen van natuurrampen;
  • h. samenwerking om de kennis over rampen en risico’s en risicobeoordeling voor rampenbeheer te verbeteren;
  • i. samenwerking ten aanzien van de beoordeling van de gevolgen van rampen voor het milieu en de volksgezondheid;
  • j. de uitnodiging van deskundigen voor specifieke technische werkgroepen en symposia over civiele-beschermingsvraagstukken;
  • k. de uitnodiging, per geval, van waarnemers voor specifieke oefeningen en opleidingsactiviteiten die door de Europese Unie en/of de Republiek Armenië worden georganiseerd; alsmede
  • l. de versterking van de samenwerking inzake de doeltreffendste wijze om de beschikbare civiele beschermingscapaciteit in te zetten.

TITEL VI. HANDEL EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE AANGELEGENHEDEN

HOOFDSTUK 1. HANDEL IN GOEDEREN

Artikel 113. Meestbegunstigingsbehandeling
1.

Elke partij behandelt goederen van de andere partij volgens het meestbegunstigingsbeginsel, in overeenstemming met artikel I van GATT 1994, opgenomen in bijlage 1A van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie („WTO-Overeenkomst”) van 15 april 1994, met inbegrip van de aantekeningen daarop, die mutatis mutandis in deze overeenkomst zijn opgenomen en daarvan deel uitmaken.

2.

Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op goederen van een ander land waaraan een partij preferentiële behandeling heeft toegekend overeenkomstig GATT 1994.

Artikel 114. Nationale behandeling

Elke partij behandelt goederen van de andere partij als nationale goederen, in overeenstemming met artikel III van GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen daarop, die mutatis mutandis in deze overeenkomst zijn opgenomen en daarvan deel uitmaken.

Artikel 115. Invoerrechten en -heffingen

Elke partij past invoerrechten en -heffingen toe overeenkomstig de verplichtingen van de WTO-Overeenkomst.

Artikel 116. Uitvoerrechten, belastingen of andere heffingen

Geen van beide partijen stelt douanerechten, belastingen of andere heffingen vast of handhaaft deze, ter zake van of in verband met de uitvoer van voor het grondgebied van de andere partij bestemde goederen, die hoger zijn dan deze welke op soortgelijke, voor verkoop in het binnenland bestemde goederen worden geheven.

Artikel 117. Invoer- en uitvoerbeperkingen
1.

Geen van de partijen mag verboden of beperkingen, andere dan rechten, belastingen en andere heffingen, invoeren of handhaven, in de vorm van contingenten, invoer- of uitvoervergunningen of andere maatregelen, ter zake van de invoer van een goed van de andere partij of de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere partij is bestemd, in overeenstemming met artikel XI van GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen daarop. Hiertoe worden artikel XI van GATT 1994 en de aantekeningen erop mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen.

2.

De partijen wisselen informatie en beste praktijken uit in verband met uitvoercontroles op goederen voor tweeërlei gebruik, met als doel de convergentie van de uitvoercontroles van de Europese Unie en de Republiek Armenië te bevorderen.

Artikel 118. Gereviseerde goederen
1.

De partijen behandelen gereviseerde goederen op dezelfde manier als gelijkaardige nieuwe goederen. Een partij kan eisen dat gereviseerde goederen van een specifiek etiket worden voorzien om misleiding van de consument te voorkomen.

2.

Voor alle duidelijkheid: artikel 117, lid 1, is van toepassing op verboden en beperkingen op gereviseerde goederen.

3.

In overeenstemming met haar verplichtingen in het kader van deze overeenkomst en de WTO-overeenkomst kan een partij eisen dat gereviseerde goederen:

  • a. als zodanig worden geïdentificeerd voor distributie of verkoop op haar grondgebied; alsmede
  • b. voldoen aan alle toepasselijke technische vereisten die van toepassing zijn op gelijkaardige nieuwe goederen.
4.

Indien een partij verboden of beperkingen invoert of handhaaft op gebruikte goederen, worden deze maatregelen niet toegepast op gereviseerde goederen.

5.

In de zin van dit artikel wordt onder „gereviseerd goed” verstaan:

  • a. een goed dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit onderdelen die zijn verkregen uit goederen die reeds gebruikt werden; alsmede
  • b. een goed dat vergelijkbare prestaties en werkingsvoorwaarden vertoont als het originele nieuwe goed en waarvoor dezelfde garantie wordt gegeven als aan het nieuwe goed.
Artikel 119. Tijdelijke invoer van goederen

De partijen verlenen elkaar ontheffing van invoerheffingen en -rechten op tijdelijk ingevoerde goederen, in de gevallen en volgens de procedures die zijn vastgesteld in voor hen bindende internationale overeenkomsten op dit gebied. Deze ontheffing wordt toegepast volgens de wet- en regelgeving van elke partij.

Artikel 120. Doorvoer

De partijen achten het beginsel van de vrije doorvoer een essentiële voorwaarde voor het bereiken van de doelstellingen van deze overeenkomst. In dat verband verlenen de partijen vrije doorvoer over hun douanegebied aan goederen die zijn verzonden uit of zijn bestemd voor het douanegebied van de andere partij, in overeenstemming met artikel V van GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen daarop, die mutatis mutandis in deze overeenkomst zijn opgenomen en daarvan deel uitmaken.

Artikel 121. Handelsbescherming
1.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst heeft gevolgen voor de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van:

2.

De bestaande rechten en plichten als genoemd in lid 1, en de maatregelen die daaruit voortvloeien, vallen niet onder de bepalingen in deze overeenkomst over geschillenbeslechting.

Artikel 122. Uitzonderingen
1.

De partijen bevestigen dat hun bestaande rechten en plichten in het kader van artikel XX van GATT 1994 en de aantekeningen daarbij van toepassing zijn op de handel in goederen waarop deze overeenkomst van toepassing is. Daartoe worden artikel XX van GATT 1994 en de aantekeningen daarop mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken zij deel uit van deze overeenkomst.

2.

De partijen komen overeen dat alvorens een onder i) en j) van artikel XX van GATT 1994 bedoelde maatregel te nemen, de partij die voornemens is maatregelen te nemen de andere partij alle relevante informatie verstrekt, teneinde een oplossing te zoeken die voor beide partijen aanvaardbaar is. De partijen kunnen besluiten tot elke maatregel die aan de moeilijkheden een einde maakt. Indien binnen 30 dagen na het verstrekken van dergelijke informatie geen overeenstemming is bereikt, kan de partij krachtens dit artikel ten aanzien van het betrokken goed maatregelen toepassen. Wanneer door uitzonderlijke, kritieke omstandigheden die onmiddellijk handelen vereisen, voorafgaande informatieverstrekking of voorafgaand onderzoek niet mogelijk is, kan de partij die voornemens is de maatregelen te nemen, onmiddellijk de voorzorgsmaatregelen nemen die nodig zijn om de situatie aan te pakken, en stelt zij de andere partij hiervan onmiddellijk in kennis.

HOOFDSTUK 2. DOUANE

Artikel 123. Douanesamenwerking
1.

De partijen intensiveren hun samenwerking op douanegebied met het oog op de facilitering van handel, de waarborging van een transparant handelsklimaat, de bevordering van de continuïteit van de toeleveringsketen en van de consumentenveiligheid, het tegenhouden van goederenstromen waarmee inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten wordt gemaakt en bestrijding van smokkel en fraude.

2.

Om de in lid 1 genoemde doelstellingen te bereiken, en binnen de beschikbare middelen, werken de partijen samen met onder meer als doel:

  • a. de douanewet- en regelgeving, -praktijken en daarmee verband houdende bindende besluiten te verbeteren en de douaneprocedures te vereenvoudigen, overeenkomstig de internationale verdragen en normen die van toepassing zijn op douanegebied en op het gebied van handelsfacilitering, met inbegrip van de normen van de Wereldhandelsorganisatie, de Werelddouaneorganisatie, meer bepaald de internationale overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, als gewijzigd (herziene Overeenkomst van Kyoto), en rekening houdend met de instrumenten en beste praktijken van de Europese Unie, zoals douaneblauwdrukken;
  • b. de instelling van moderne douanesystemen, waaronder moderne technologieën voor de afhandeling van douaneformaliteiten, regelingen voor geautoriseerde marktdeelnemers, geautomatiseerde op risico gebaseerde analyse en controles, vereenvoudigde procedures voor de vrijgave van goederen, controles na douaneafhandeling, transparante vaststelling van de douanewaarde en regelingen voor partnerschappen tussen de douane en ondernemingen;
  • c. de hoogste integriteitsnormen op het gebied van douane te bevorderen, meer bepaald aan de grenzen, door toepassing van maatregelen die de beginselen weerspiegelen als neergelegd in de verklaring van de Internationale Douaneraad betreffende goed bestuur en integriteit van de douanedienst, als laatstelijk herzien in 2003 („herziene verklaring van Arusha van de Werelddouaneorganisatie”);
  • d. de uitwisseling van beste praktijken en de verstrekking van opleiding en technische ondersteuning voor planning en capaciteitsopbouw en voor het waarborgen van de strengste integriteitsnormen;
  • e. in voorkomend geval informatie en gegevens uit te wisselen, met inachtneming van de wettelijke voorschriften van elke partij inzake de vertrouwelijkheid van gevoelige gegevens en de bescherming van persoonsgegevens;
  • f. waar nodig en passend gecoördineerde douaneacties te ondernemen tussen de douane-autoriteiten van de partijen;
  • g. waar nodig en passend wederzijdse erkenning van programma's inzake geautoriseerde marktdeelnemers en douanecontroles, met inbegrip van gelijkwaardige maatregelen voor handelsbevordering;
  • h. waar nodig en passend koppeling van de respectievelijke douanedoorvoerregelingen; alsmede
  • i. de uitvoering te verbeteren van douanegerelateerde verplichtingen in de handelsbetrekkingen tussen de Europese Unie en de Republiek Armenië, met inbegrip van samenwerking inzake de oorsprong van goederen.
Artikel 124. Wederzijdse administratieve bijstand

Onverminderd andere vormen van samenwerking waarin deze overeenkomst voorziet, met name in artikel 123, verlenen de partijen elkaar wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden, overeenkomstig de bepalingen van Protocol II inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden bij deze overeenkomst.

Artikel 125. Douanewaarde
1.

De partijen passen de bepalingen toe van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van GATT 1994, met inbegrip van de daaropvolgende wijzigingen, op de vaststelling van de douanewaarde van de goederen in de handel tussen de partijen. Deze bepalingen worden hierbij in deze overeenkomst opgenomen en maken daarvan deel uit.

2.

De partijen werken samen aan een gemeenschappelijke aanpak van kwesties met betrekking tot de douanewaarde.

Artikel 126. Subcomité douane
1.

Hierbij wordt het subcomité douane opgericht.

2.

De taken van het subcomité douane omvatten regelmatig overleg en toezicht op de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk, waaronder aangelegenheden op het gebied van de douanesamenwerking, handelsbevordering, grensoverschrijdende douanesamenwerking en grensoverschrijdend beheer inzake douaneaangelegenheden, technische bijstand in douaneaangelegenheden, oorsprongsregels, handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane, alsmede wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden.

3.

Het subcomité douane heeft onder meer de volgende taken:

  • a. toezien op de goede werking van dit hoofdstuk en Protocol II inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden bij deze overeenkomst;
  • b. praktische regelingen en maatregelen aannemen voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk en Protocol II inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden bij deze overeenkomst, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en gegevens, wederzijdse erkenning van douanecontroles en partnerschapsprogramma's op handelsgebied, en wederzijds overeengekomen voordelen;
  • c. van gedachten wisselen over punten van gezamenlijk belang, met inbegrip van toekomstige maatregelen en de voor de uitvoering en toepassing daarvan benodigde middelen; alsmede
  • d. aanbevelingen doen aan het Partnerschapscomité, in voorkomend geval.

HOOFDSTUK 3. TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN

Artikel 127. Doel

Dit hoofdstuk heeft tot doel de handel in goederen tussen de partijen te faciliteren, door een kader te bieden voor de preventie, identificatie en wegwerking van onnodige handelsbelemmeringen binnen het toepassingsgebied van de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, die in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst is opgenomen.

Artikel 128. Toepassingsgebied en definities
1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op het opstellen, het aannemen en de toepassing door elke partij van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures zoals omschreven in de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, die de handel in goederen tussen de partijen kunnen beïnvloeden.

2.

Onverminderd lid 1 is dit hoofdstuk noch op sanitaire en fytosanitaire maatregelen zoals omschreven in bijlage A bij de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen, die in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst is opgenomen, noch op de aankoopspecificaties die door overheidsinstanties zijn opgesteld om in hun eigen productie- of verbruiksbehoeften te voorzien, van toepassing.

3.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities van bijlage 1 bij de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen.

Artikel 129. Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen

De partijen bevestigen hun bestaande wederzijdse rechten en verplichtingen ingevolge de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, die hierbij in de onderhavige overeenkomst wordt opgenomen en hier deel van uitmaakt.

Artikel 130. Samenwerking op het gebied van technische handelsbelemmeringen
1.

De partijen versterken hun samenwerking op het gebied van normen, technische voorschriften, metrologie, markttoezicht, accreditatie en conformiteitsbeoordelingsprocedures, teneinde het wederzijdse begrip van hun respectievelijke systemen te verbeteren en de toegang tot hun respectievelijke markten te vergemakkelijken. Tot dit doel streven de partijen ernaar om samenwerkingsmechanismen en -initiatieven op regelgevingsgebied in kaart te brengen en te ontwikkelen die geschikt zijn voor de specifieke onderwerpen of sectoren en die kunnen bestaan uit, maar niet beperkt zijn tot:

  • a. de uitwisseling van informatie en ervaringen over het opstellen en de toepassing van hun respectievelijke technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures;
  • b. de samenwerking tot de mogelijke convergentie of aanpassing van de technische regelgeving en de conformiteitsbeoordelingsprocedures;
  • c. de aanmoediging van samenwerking tussen hun respectievelijke organisaties voor metrologie, normalisatie, conformiteitsbeoordeling en accreditatie; alsmede
  • d. de uitwisseling van informatie over ontwikkelingen in de bevoegde regionale en multilaterale fora die verband houden met normen, technische voorschriften, conformiteitsbeoordelingsprocedures en accreditatie.
2.

De partijen bevorderen de wederzijdse handel door:

  • a. te trachten de verschillen te verkleinen die tussen hen bestaan met betrekking tot technische voorschriften, metrologie, normalisatie, markttoezicht, accreditatie en conformiteitsbeoordelingsprocedures, onder andere door de toepassing van internationaal overeengekomen instrumenten op dit gebied aan te moedigen;
  • b. het gebruik van accreditatie te bevorderen, overeenkomstig de internationale regelgeving, ter ondersteuning van de evaluatie van de technische competentie van de conformiteitsbeoordelingsorganen en hun activiteiten; alsmede
  • c. de Republiek Armenië en haar relevante nationale instanties te stimuleren deel te nemen aan en waar mogelijk lid te worden van Europese en internationale organisaties die zich bezighouden met normen, conformiteitsbeoordeling, accreditatie, metrologie en daarmee samenhangende taken.
3.

De partijen streven ernaar een proces op te starten en te handhaven voor een effectieve geleidelijke aanpassing van de technische regelgeving, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures van de Republiek Armenië aan die van de Europese Unie.

4.

Voor gebieden waarop deze aanpassing is voltooid, kunnen de partijen onderhandelingen openen over overeenkomsten inzake conformiteitsbeoordelingsprocedures en aanvaarding van industrieproducten.

Artikel 131. Markering en etikettering
1.

Onverminderd artikel 129 van deze overeenkomst bevestigen de partijen met betrekking tot de technische voorschriften voor de etikettering of merktekens opnieuw de beginselen van artikel 2, lid 2, van de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, dat die voorschriften niet moeten worden opgesteld, vastgesteld of toegepast met het oogmerk of gevolg dat er onnodige belemmeringen voor de internationale handel ontstaan. Daartoe mogen dergelijke voorschriften voor de etikettering of merktekens de handel niet meer beperken dan voor het bereiken van een legitieme doelstelling noodzakelijk is, waarbij acht moet worden geslagen op de risico’s die zouden ontstaan wanneer niet aan die voorschriften wordt voldaan. De partijen bevorderen het gebruik van internationaal geharmoniseerde voorschriften voor merktekens. In voorkomend geval streven de partijen naar het gebruik van afneembare, niet-permanente etikettering.

2.

Meer bepaald geldt voor de partijen in verband met verplichte voorschriften voor de etikettering of merktekens het volgende:

  • a. zij streven ernaar hun respectievelijke vereisten inzake etikettering of merktekens in de wederzijdse handel tot een minimum te beperken, behalve waar het om de bescherming van de gezondheid, de veiligheid of het milieu, of om andere redelijke doelstellingen van overheidsbeleid gaat; alsmede
  • b. zij blijven gerechtigd te verlangen dat de informatie op het etiket of merkteken in een bepaalde door hen vastgestelde taal wordt gesteld.
Artikel 132. Transparantie
1.

Onverminderd hoofdstuk 12 zorgt elke partij ervoor dat tijdens de procedures voor de ontwikkeling van technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures belanghebbenden worden geraadpleegd in een vroeg en passend stadium, wanneer het nog mogelijk is om rekening te houden met hun opmerkingen en deze te verwerken, behalve als dit niet mogelijk is in geval van een noodsituatie of een dreigende noodsituatie in verband met veiligheid, volksgezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid.

2.

Overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen voorziet elke partij in een periode voor het indienen van opmerkingen in een vroeg en passend stadium na de kennisgeving van de voorgestelde technische voorschriften of conformiteitsbeoordelingsprocedures. Indien een overlegproces plaatsvindt over voorgestelde technische voorschriften of conformiteitsbeoordelingsprocedures dat openstaat voor het publiek, stelt elke partij de andere partij, of natuurlijke personen of rechtspersonen van de andere partij, in staat deel te nemen aan het openbare overleg onder dezelfde voorwaarden als die gelden voor de eigen natuurlijke personen of rechtspersonen.

3.

Elke partij zorgt ervoor dat goedgekeurde technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures openbaar worden gemaakt.

HOOFDSTUK 4. SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN

Artikel 133. Doel

Dit hoofdstuk heeft tot doel de beginselen uiteen te zetten die van toepassing zijn op sanitaire en fytosanitaire maatregelen in de handel tussen de partijen, alsook op de samenwerking op het gebied van dierenwelzijn. Deze beginselen worden door de partijen toegepast op een wijze die de handel faciliteert en tegelijk het beschermingsniveau van elke partij op het gebied van het leven of de gezondheid van mensen, dieren en planten garandeert.

Artikel 134. Multilaterale verplichtingen

De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen.

Artikel 135. Beginselen
1.

De partijen garanderen dat sanitaire en fytosanitaire maatregelen worden ontwikkeld en toegepast op basis van de beginselen van evenredigheid, transparantie, niet-discriminatie en wetenschappelijke rechtvaardiging, rekening houdend met internationale normen als neergelegd in het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten van 1951, de Wereldorganisatie voor diergezondheid en de Commissie van de Codex alimentarius.

2.

Elke partij ziet erop toe dat sanitaire en fytosanitaire maatregelen niet leiden tot een willekeurig of ongerechtvaardigd onderscheid tussen het eigen grondgebied en dat van de andere partij bij gelijke of gelijkaardige omstandigheden. Sanitaire en fytosanitaire maatregelen mogen niet worden toegepast op een manier die een verkapte beperking van het handelsverkeer zou betekenen.

3.

Elke partij draagt er zorg voor dat sanitaire en fytosanitaire maatregelen, procedures en controles ten uitvoer worden gelegd.

4.

Elke partij antwoordt op een verzoek om informatie van de bevoegde autoriteit van de andere partij uiterlijk twee maanden na ontvangst van het verzoek en op een wijze die niet minder gunstig is voor ingevoerde producten dan voor soortgelijke binnenlandse producten.

Artikel 136. Invoervereisten
1.

De invoervereisten van de partij van invoer gelden voor het hele grondgebied van de partij van uitvoer, met inachtneming van artikel 137.

2.

De invoervereisten die in certificaten worden vastgesteld, worden gebaseerd op de beginselen van de Codex alimentarius, de Wereldorganisatie voor diergezondheid en het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, tenzij de invoervereisten stoelen op een wetenschappelijk verantwoorde risico-evaluatie die in overeenstemming met de bepalingen van de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen is uitgevoerd.

3.

De in invoervergunningen vastgelegde vereisten mogen niet strenger zijn dan de sanitaire en veterinaire vereisten die zijn vastgesteld in de in lid 2 bedoelde certificaten.

Artikel 137. Maatregelen in verband met de gezondheid van planten en dieren
1.

De partijen aanvaarden het concept van ziekte- en plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten en plagen overeenkomstig de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen en de normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de Codex alimentarius, de Wereldorganisatie voor diergezondheid en het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten.

2.

Bij de vaststelling van ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen, wordt rekening gehouden met factoren als geografische ligging, ecosystemen, epidemiologisch toezicht en de doeltreffendheid van sanitaire of fytosanitaire controles in die gebieden.

Artikel 138. Inspecties en audits

De partij van invoer kan op eigen kosten inspecties en audits uitvoeren op het grondgebied van de partij van uitvoer om de inspectie- en certificatiesystemen van deze laatste te evalueren. Deze inspecties en audits worden uitgevoerd overeenkomstig de relevante internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen.

Artikel 139. Uitwisseling van informatie en samenwerking
1.

De partijen bespreken en wisselen informatie uit over bestaande sanitaire en fytosanitaire maatregelen en maatregelen met betrekking tot dierenwelzijn en de ontwikkeling en tenuitvoerlegging daarvan. Dergelijke besprekingen en uitwisselingen van informatie zijn gebaseerd op de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen en de normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de Codex alimentarius, de Wereldorganisatie voor diergezondheid en het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, naargelang.

2.

De partijen werken samen inzake kwesties van diergezondheid, dierenwelzijn en plantengezondheid, door de uitwisseling van informatie, deskundigheid en ervaringen, met als doel capaciteit op deze gebieden op te bouwen.

3.

De partijen stellen op verzoek van de andere partij tijdig een dialoog over sanitaire en fytosanitaire kwesties in verband met sanitaire, fytosanitaire en andere urgente kwesties die door dit hoofdstuk worden bestreken. Het Partnerschapscomité kan voor het voeren van deze dialoog een reglement van orde opstellen.

4.

De partijen wijzen contactpunten aan voor de communicatie over zaken die onder dit hoofdstuk vallen, en houden de lijst van contactpunten actueel.

Artikel 140. Transparantie

Elke partij zal:

  • a. streven naar transparantie met betrekking tot sanitaire en fytosanitaire maatregelen die op de handel van toepassing zijn en in het bijzonder met betrekking tot de sanitaire en fytosanitaire voorschriften die gelden voor invoer van de andere partij;
  • b. kennisgeving op verzoek van de andere partij, binnen twee maanden na de datum van een daartoe strekkend verzoek, van de sanitaire en fytosanitaire vereisten voor de invoer van specifieke producten en of een risicobeoordeling nodig is; alsmede
  • c. kennisgeving aan de andere partij van elk ernstig of significant openbaar risico in verband met dieren- of plantengezondheid, met inbegrip van voedselnoodsituaties. Deze kennisgeving geschiedt schriftelijk binnen twee werkdagen na de datum waarop dat risico is vastgesteld.

HOOFDSTUK 5. HANDEL IN DIENSTEN, VESTIGING EN ELEKTRONISCHE HANDEL

AFDELING A. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 141. Doelstelling, reikwijdte en toepassingsgebied
1.

De partijen herbevestigen hun respectievelijke verbintenissen ingevolge de WTO-overeenkomst, en leggen hierbij de noodzakelijke regels vast voor de geleidelijke wederzijdse liberalisering van het recht van vestiging en van de handel in diensten, alsmede voor samenwerking op het gebied van elektronische handel.

2.

Niets in dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat een verplichting wordt opgelegd met betrekking tot overheidsopdrachten, die voorwerp zijn van hoofdstuk 8.

3.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op door een partij verleende subsidies, die in hoofdstuk 10 worden behandeld.

4.

Overeenkomstig dit hoofdstuk behoudt elke partij het recht nieuwe regelingen in te voeren en te handhaven om legitieme beleidsdoelstellingen te bereiken.

5.

Dit hoofdstuk is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een partij zoeken, noch op maatregelen inzake staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.

6.

Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk belet een partij maatregelen toe te passen tot regeling van de toelating tot of het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op haar grondgebied, daarbij inbegrepen de maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van haar grenzen of voor het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, mits die maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die een partij op grond van een specifieke verbintenis uit dit hoofdstuk en de bijlagen bij deze overeenkomst toekomen, daardoor worden tenietgedaan of uitgehold.

Artikel 142. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. „maatregel”: elke maatregel van een partij, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, administratief optreden of in enige andere vorm;
  • b. „door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen”: maatregelen genomen door:
  • i. een centrale, regionale of lokale overheid of autoriteit van een partij; alsmede
  • ii. een niet-gouvernementele organisatie van een partij bij de uitoefening van bevoegdheden die zijn gedelegeerd door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten van die partij;
  • c. „natuurlijke persoon van een partij”: een onderdaan van een lidstaat of van de Republiek Armenië volgens hun respectievelijke wetgeving;
  • d. „rechtspersoon”: elke juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;
  • e. „rechtspersoon van een partij”: een rechtspersoon die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat en van de Europese Unie respectievelijk de Republiek Armenië is opgericht, en die op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is, respectievelijk op dat van de Republiek Armenië, zijn statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging heeft;een rechtspersoon die alleen zijn statutaire zetel of hoofdbestuur heeft op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is, of op dat van de Republiek Armenië, wordt niet als rechtspersoon van de Europese Unie respectievelijk van de Republiek Armenië beschouwd, tenzij zijn handelingen een daadwerkelijke en duurzame band met de economie van de Europese Unie respectievelijk de Republiek Armenië hebben;
  • f. niettegenstaande de vorige leden, geldt dat buiten de Europese Unie of de Republiek Armenië gevestigde scheepvaartondernemingen waarover onderdanen van een lidstaat respectievelijk de Republiek Armenië zeggenschap hebben, ook worden beschouwd als begunstigden van de bepalingen van deze overeenkomst, indien hun schepen overeenkomstig hun respectievelijke wetgeving in een lidstaat of de Republiek Armenië zijn geregistreerd en zij de vlag van een lidstaat of van de Republiek Armenië voeren;
  • g. „dochteronderneming van een rechtspersoon van een partij”: een rechtspersoon waarover een andere rechtspersoon uit die partij daadwerkelijk zeggenschap heeft2)Een rechtspersoon heeft zeggenschap over een andere rechtspersoon wanneer eerstgenoemde rechtspersoon bevoegd is een meerderheid van de bestuurders van die andere rechtspersoon te benoemen of de handelingen van die andere rechtspersoon anderszins te sturen.;
  • h. „filiaal van een rechtspersoon”: een handelszaak zonder rechtspersoonlijkheid die kennelijk een permanent karakter bezit, zoals een agentschap van een moedermaatschappij, met een eigen managementstructuur en de nodige materiële voorzieningen om zaken te doen met derden, zodanig dat laatstgenoemden, hoewel zij ervan op de hoogte zijn dat er indien nodig een rechtsverhouding is met de moedermaatschappij waarvan het hoofdkantoor zich in het buitenland bevindt, geen rechtstreeks contact met deze moedermaatschappij hoeven te hebben, maar hun transacties kunnen afhandelen met de handelszaak die het agentschap vormt;
  • i. „vestiging”:
  • i. betekent, wat rechtspersonen van een partij betreft, rechtspersonen die economische activiteiten opnemen en uitoefenen door oprichting, met inbegrip van verwerving, van een rechtspersoon of van een filiaal of een vertegenwoordigingskantoor in de Europese Unie respectievelijk de Republiek Armenië;
  • ii. betekent, wat natuurlijke personen van een partij betreft, natuurlijke personen die economische activiteiten opnemen en uitoefenen als zelfstandige, alsmede door de oprichting van ondernemingen, met name vennootschappen, waarover zij daadwerkelijk zeggenschap hebben;
  • j. „economische activiteiten”: omvatten activiteiten met een industrieel, commercieel en professioneel karakter, alsmede activiteiten van ambachtslieden, behoudens activiteiten die worden uitgevoerd bij de uitoefening van overheidsgezag;
  • k. „handelingen”: het verrichten van economische activiteiten;
  • l. „diensten”: alle diensten in elke sector, behalve diensten die worden verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag;
  • m. „bij de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten en andere activiteiten”: elke dienst of activiteit die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers wordt verleend;
  • n. „grensoverschrijdende dienstverlening”: het verlenen van een dienst:
  • i. vanaf het grondgebied van een partij op het grondgebied van de andere partij; of
  • ii. op het grondgebied van een partij ten behoeve van de gebruiker van de dienst van de andere partij;
  • o. „dienstverlener uit een partij”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon van een partij die een dienst verleent of wenst te verlenen; alsmede
  • p. „ondernemer”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon van een partij die door middel van het opzetten van een vestiging een economische activiteit uitoefent of wenst uit te oefenen.

AFDELING B. VESTIGING

Artikel 143. Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen die door de partijen zijn vastgesteld of worden gehandhaafd en die van invloed zijn op vestiging met betrekking tot alle economische activiteiten, met uitzondering van:

  • a. de winning, vervaardiging en verwerking3)Voor alle duidelijkheid: de verwerking van nucleair materiaal omvat alle activiteiten van code 2330 van de herziene versie 3.1 van de VN ISIC classificatie. van nucleair materiaal;
  • b. de productie van en handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel;
  • c. audiovisuele diensten;
  • d. nationale maritieme cabotage4)Behoudens de activiteiten die onder de betreffende nationale wetgeving als cabotage kunnen worden beschouwd, heeft nationale maritieme cabotage in de zin van dit hoofdstuk betrekking op het vervoer van passagiers of goederen tussen een haven of een locatie in de Republiek Armenië of een lidstaat, en een andere haven of locatie in de Republiek Armenië of een lidstaat, met inbegrip van het continentale plat ervan, zoals voorzien in het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, en op verkeer dat begint en eindigt in dezelfde haven of op dezelfde locatie in de Republiek Armenië of een lidstaat., alsmede
  • e. binnenlandse en internationale luchtvervoerdiensten5)De voorwaarden voor wederzijdse toegang tot de markt op het gebied van luchtvervoer worden geregeld door de overeenkomst tussen de partijen betreffende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke luchtvaartruimte., ongeacht of het gaat om lijndiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:
  • i. reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen die daarvoor uit de dienst worden genomen;
  • ii. verkoop en marketing van luchtvervoersdiensten;
  • iii. geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);
  • iv. grondafhandelingsdiensten; alsmede
  • v. exploitatie van luchthavens.
Artikel 144. Nationale behandeling en behandeling als meest begunstigde natie
1.

Behoudens de in bijlage VIII-E vermelde voorbehouden kent de Republiek Armenië vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst het volgende toe:

  • a. voor de vestiging van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van natuurlijke personen of rechtspersonen van de Europese Unie, geen behandeling die minder gunstig is dan die welke aan de eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan die uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is; alsmede
  • b. voor het exploiteren van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen van de Europese Unie in de Republiek Armenië na vestiging ervan, een niet minder gunstige behandeling dan die welke aan de eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is6)Deze verplichting geldt niet voor niet onder deze afdeling vallende bepalingen inzake de bescherming van investeringen, bepalingen inzake procedures voor de geschillenbeslechting tussen investeerders en de staat daaronder begrepen, uit andere overeenkomsten..
2.

Behoudens de in bijlage VIII-A vermelde voorbehouden kent de Europese Unie vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst het volgende toe:

  • a. voor de vestiging van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van natuurlijke personen of rechtspersonen van de Republiek Armenië, geen behandeling die minder gunstig is dan die welke aan de eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan die uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is; alsmede
  • b. voor het exploiteren van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van natuurlijke personen of rechtspersonen van de Republiek Armenië in de Europese Unie na vestiging ervan, een niet minder gunstige behandeling dan die welke aan de eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren, of aan rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is.7)Deze verplichting geldt niet voor niet voor niet onder deze afdeling vallende bepalingen inzake de bescherming van investeringen, bepalingen inzake procedures voor de geschillenbeslechting tussen investeerders en de staat daaronder begrepen, uit andere overeenkomsten.
3.

Behoudens de in de bijlagen VIII-A en VIII-E vermelde voorbehouden stellen de partijen geen nieuwe maatregelen vast die met betrekking tot de vestiging van rechtspersonen van de andere partij op hun grondgebied, dan wel de handelingen van die rechtspersonen na vestiging, discrimineren ten opzichte van wat voor de eigen rechtspersonen geldt.

Artikel 145. Evaluatie

Met het oog op de geleidelijke liberalisering van de voorwaarden voor vestiging evalueert het Partnerschapscomité, in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, regelmatig het juridische kader voor vestiging8)Dit omvat tevens dit hoofdstuk en de bijlagen VIII-A en VIII-E. en het vestigingsklimaat.

Artikel 146. Andere overeenkomsten

Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat de rechten van investeerders van de partijen op een gunstigere behandeling waarin is voorzien in een bestaande of toekomstige internationale overeenkomst inzake investeringen waarbij een lidstaat en de Republiek Armenië partij zijn, worden beperkt.

Artikel 147. Norm voor behandeling van filialen en vertegenwoordigingskantoren
1.

Het bepaalde in artikel 144 vormt geen beletsel voor de toepassing door een partij van bijzondere maatregelen met betrekking tot de vestiging en exploitatie op haar grondgebied van filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen van de andere partij die op het grondgebied van eerstgenoemde partij niet als rechtspersoon zijn erkend, wanneer deze bijzondere regels op grond van juridische of technische verschillen tussen bedoelde filialen en vertegenwoordigingskantoren en filialen en vertegenwoordigingskantoren van op het grondgebied van eerstgenoemde partij erkende rechtspersonen of, voor wat financiële diensten betreft, om prudentiële redenen gerechtvaardigd zijn.

2.

Het verschil in behandeling blijft beperkt tot hetgeen als gevolg van dergelijke juridische of technische verschillen strikt noodzakelijk is of, wat financiële diensten betreft, tot hetgeen om prudentiële redenen noodzakelijk is.

AFDELING C. GRENSOVERSCHRIJDENDE DIENSTVERLENING

Artikel 148. Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de partijen die van invloed zijn op alle grensoverschrijdende dienstverlening, met uitzondering van:

  • a. audiovisuele diensten;
  • b. nationale maritieme cabotage9)Behoudens de activiteiten die volgens de relevante nationale wetgeving als cabotage kunnen worden beschouwd, omvat nationale maritieme cabotage in het kader van dit hoofdstuk het vervoer van passagiers of goederen tussen een haven of een plaats in de Republiek Armenië of een lidstaat en een andere haven of plaats in de Republiek Armenië of een lidstaat, met inbegrip van het continentaal plat zoals gedefinieerd in het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties, en verkeer dat vertrekt uit en aankomt in dezelfde haven of plaats in de Republiek Armenië of een lidstaat.; alsmede
  • c. binnenlandse en internationale luchtvervoerdiensten10)De voorwaarden voor wederzijdse toegang tot de markt op het gebied van luchtvervoer worden geregeld door de overeenkomst tussen de partijen betreffende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke luchtvaartruimte., ongeacht of het gaat om lijndiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:
  • i. reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen die daarvoor uit de dienst worden genomen;
  • ii. verkoop en marketing van luchtvervoersdiensten;
  • iii. geautomatiseerde boekingssystemen („CRS”);
  • iv. grondafhandelingsdiensten; alsmede
  • v. exploitatie van luchthavens.
Artikel 149. Markttoegang
1.

Ten aanzien van de markttoegang via grensoverschrijdende dienstverlening behandelt elke partij diensten en dienstverleners van de andere partij niet minder gunstig dan waarin is voorzien in de specifieke verbintenissen die zijn neergelegd in de bijlagen VIII-B en VIII-F.

2.

Voor sectoren waarvoor verbintenissen betreffende markttoegang worden aangegaan, worden de maatregelen die een partij niet mag vaststellen of handhaven voor een bepaalde regio of voor haar gehele grondgebied, tenzij anderszins bepaald in de bijlagen VIII-B en VIII-F, omschreven als:

  • a. beperkingen van het aantal dienstverleners in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
  • b. beperkingen van de totale waarde van transacties of activa in verband met diensten in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte; of
  • c. beperkingen van het totale aantal dienstentransacties of het totale volume van de dienstenoutput, in bepaalde numerieke eenheden uitgedrukt in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.
Artikel 150. Nationale behandeling
1.

Elk van de partijen behandelt in de sectoren waarvoor verbintenissen inzake de markttoegang in de bijlagen VIII-B en VIII-F zijn opgenomen, met inachtneming van de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, diensten en dienstverleners van de andere partij in het kader van alle maatregelen die op de grensoverschrijdende dienstverlening van invloed zijn, niet minder gunstig dan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners.

2.

Een partij kan aan het bepaalde in lid 1 voldoen door aan diensten en dienstverleners van de andere partij een behandeling toe te kennen die naar de vorm identiek is dan wel naar de vorm afwijkt van de behandeling die zij aan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners toekent.

3.

Een naar de vorm identieke of naar de vorm afwijkende behandeling wordt geacht minder gunstig te zijn indien zij de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van diensten of dienstverleners van de betrokken partij, in vergelijking met soortgelijke diensten of dienstverleners van de andere partij.

4.

De op grond van dit artikel aangegane specifieke verbintenissen worden niet zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is tot compensatie van concurrentienadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende diensten of dienstverleners.

Artikel 151. Lijsten van verbintenissen
1.

De door elk van beide partijen ingevolge dit hoofdstuk geliberaliseerde sectoren en de beperkingen, door middel van voorbehouden, van de markttoegang en van de nationale behandeling voor diensten en dienstverleners van de andere partij in die sectoren, worden in de lijsten van verbintenissen in de bijlagen VIII-B en VIII-F vermeld.

2.

Onverminderd de bestaande of toekomstige rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van het Europees Verdrag inzake grensoverschrijdende televisie van 1989 en het Europees Verdrag inzake cinematografische coproductie van 1992, omvatten de lijsten van verbintenissen in de bijlagen VIII-B en VIII-F geen verbintenissen inzake audiovisuele diensten.

Artikel 152. Evaluatie

Met het oog op de geleidelijke liberalisering van de grensoverschrijdende dienstverlening tussen de partijen herziet het Partnerschapscomité, in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, regelmatig de in de artikelen 149 tot en met 151 bedoelde lijsten van verbintenissen. Bij deze evaluatie wordt onder meer rekening gehouden met het proces van geleidelijke aanpassing, als bedoeld in de artikelen 169, 180 en 192, en de impact daarvan op de afschaffing van resterende belemmeringen voor de grensoverschrijdende dienstverlening tussen de partijen.

AFDELING D. TIJDELIJK VERBLIJF VAN NATUURLIJKE PERSONEN VOOR ZAKEN

Artikel 153. Toepassingsgebied en definities
1.

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de partijen betreffende de toelating tot en het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van stafpersoneel, trainees, handelsvertegenwoordigers, dienstverleners op contractbasis en beoefenaren van een vrij beroep, onverminderd het bepaalde in artikel 141, lid 5.

2.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. „stafpersoneel”: natuurlijke personen die bij een rechtspersoon van een partij, niet zijnde een organisatie zonder winstoogmerk11)De verwijzing naar „niet zijnde een organisatie zonder winstoogmerk” is alleen van toepassing voor België, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Ierland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Cyprus, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Finland en het Verenigd Koninkrijk., in dienst zijn en verantwoordelijk zijn voor het opzetten van, dan wel voor een goed toezicht op, en een goede administratie en exploitatie van een vestiging, en die hetzij „zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden”, hetzij „binnen een onderneming overgeplaatste personen” zijn;
  • b. „zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden”: natuurlijke personen met een staffunctie die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een vestiging, die geen diensten aanbieden noch verlenen en evenmin enige andere economische activiteit verrichten dan vereist is voor het opzetten van een vestiging, en die geen beloning ontvangen uit een in de gastpartij gevestigde bron;
  • c. „binnen de onderneming overgeplaatste personen”: natuurlijke personen die ten minste één jaar in dienst of partner van een rechtspersoon van een partij zijn en die tijdelijk naar een vestiging op het grondgebied van de andere partij worden overgeplaatst, welke vestiging een dochteronderneming, filiaal of moedervennootschap van de rechtspersoon op het grondgebied van de andere partij kan zijn, en die hetzij „managers” of „specialisten” zijn;
  • d. „managers”: natuurlijke personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel van een rechtspersoon, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de vestiging, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of de aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, en die ten minste:
  • i. leiding geven aan een vestiging of een afdeling of onderafdeling daarvan;
  • ii. belast zijn met toezicht en controle op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers; alsmede
  • iii. persoonlijk bevoegd zijn werknemers in dienst te nemen en te ontslaan of de indienstneming of het ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen;
  • e. „specialisten”: binnen een rechtspersoon van een partij werkzame personen die beschikken over uitzonderlijke kennis die van wezenlijk belang is voor de productie, de onderzoeksuitrusting, de technische werkzaamheden, de processen, de procedures of het management van de vestiging;voor de beoordeling van die kennis wordt niet alleen specifiek met de vestiging verband houdende kennis in aanmerking genomen, maar ook of de persoon in hoge mate gekwalificeerd is, met inbegrip van passende beroepservaring, voor een type werk of handel waarvoor specifieke technische kennis vereist is, evenals het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep;
  • f. „trainees”: natuurlijke personen die ten minste één jaar in dienst zijn van een rechtspersoon van een partij of een filiaal van die rechtspersoon, die universitair afgestudeerd zijn en die voor hun loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfskundige technieken of -methoden tijdelijk naar een vestiging van die rechtspersoon op het grondgebied van de andere partij worden overgeplaatst12)Van de ontvangende vestiging kan worden verlangd dat zij vooraf ter goedkeuring een opleidingsprogramma voor de volledige duur van het verblijf voorlegt, om aan te tonen dat het verblijf bedoeld is voor opleiding. Voor Tsjechië, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Litouwen, Hongarije en Oostenrijk moet de opleiding aansluiten bij de behaalde universitaire graad.;
  • g. „handelsvertegenwoordigers”13)Verenigd Koninkrijk: de categorie handelsvertegenwoordigers is enkel erkend voor verkopers van diensten.: natuurlijke personen die vertegenwoordiger zijn van een dienstverlener of een aanbieder van goederen van een partij en die toegang tot en tijdelijk verblijf op het grondgebied van de andere partij beogen om over de verkoop van diensten of goederen te onderhandelen of voor die dienstverlener of aanbieder overeenkomsten voor de verkoop van diensten of goederen te sluiten, en die geen directe transacties met het publiek verrichten en geen beloning ontvangen uit een in de gastpartij gevestigde bron, en evenmin commissionairs zijn;
  • h. „dienstverleners op contractbasis”: natuurlijke personen in dienst bij een rechtspersoon van een partij, welke rechtspersoon zelf geen agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening is en welke evenmin via een dergelijk agentschap optreedt, die geen vestiging op het grondgebied van de andere partij heeft en die een bonafide contract voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in die andere partij heeft gesloten, zodat de tijdelijke aanwezigheid van zijn werknemers in die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract14)Het in de punten h) en i) bedoelde dienstencontract moet in overeenstemming zijn met de wet- en regelgeving en andere eisen van de partij waar de opdracht wordt uitgevoerd.;
  • i. „beoefenaren van een vrij beroep”: natuurlijke personen die als zelfstandige dienstverlener op het grondgebied van een partij zijn gevestigd, geen vestiging op het grondgebied van de andere partij hebben en een bonafide contract (anders dan via een agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening) voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in die andere partij hebben gesloten, zodat hun tijdelijke aanwezigheid op het grondgebied van die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract15)Het in de punten h) en i) bedoelde dienstencontract moet in overeenstemming zijn met de wet- en regelgeving en andere eisen van de partij waar de opdracht wordt uitgevoerd.;
  • j. „kwalificaties”: diploma’s, certificaten en andere bewijsstukken van een formele kwalificatie, afgegeven door een in de wet- of regelgeving of in administratieve bepalingen aangewezen autoriteit, waarbij de succesvolle afsluiting van een beroepsopleiding wordt geattesteerd.
Artikel 154. Stafpersoneel en trainees
1.

Voor elke sector waarvoor verbintenissen overeenkomstig afdeling B worden aangegaan, staat elk van beide partijen, behoudens de in bijlage VIII-C opgenomen voorbehouden, ondernemers van de andere partij toe natuurlijke personen uit die andere partij naar hun vestiging over te plaatsen, mits die werknemers behoren tot het stafpersoneel dan wel trainee als bedoeld in artikel 153 zijn. De toegang en het tijdelijke verblijf van stafpersoneel en trainees vinden plaats voor een periode van ten hoogste drie jaar voor binnen de onderneming overgeplaatste personen, van ten hoogste negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden voor zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden, en van ten hoogste één jaar voor trainees.

2.

Voor elke sector waarvoor verbintenissen overeenkomstig afdeling B worden aangegaan, worden de maatregelen die een partij niet mag handhaven of vaststellen voor een bepaalde regio of voor haar gehele grondgebied, tenzij anders bepaald in bijlage VIII-C, omschreven als beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen dat een ondernemer als stafpersoneel of als trainees in een bepaalde sector in dienst mag nemen, in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte, en als discriminerende beperkingen.

Artikel 155. Handelsvertegenwoordigers

Voor elke sector waarvoor verbintenissen overeenkomstig afdeling B of C worden aangegaan, staat elk van beide partijen, behoudens de in bijlage VIII-C opgenomen voorbehouden, de toegang en het tijdelijke verblijf van handelsvertegenwoordigers toe voor een periode van ten hoogste negentig dagen gedurende een periode van twaalf maanden.

Artikel 156. Dienstverleners op contractbasis
1.

De partijen herbevestigen hun respectieve verplichtingen ingevolge de door hen in het kader van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten van de WTO aangegane verbintenissen ten aanzien van de toegang en het tijdelijke verblijf van dienstverleners op contractbasis.

2.

Overeenkomstig de bijlagen VIII-D en VIII-G staat elke partij toe dat dienstverleners op contractbasis van de andere partij op haar grondgebied diensten verlenen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de natuurlijke personen worden voor het verlenen van een dienst tijdelijk aangetrokken als werknemer van een rechtspersoon die een dienstencontract heeft gesloten voor een periode van maximaal twaalf maanden;
  • b. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, bieden die diensten aan in de hoedanigheid van werknemer van de rechtspersoon die de diensten ten minste gedurende het jaar dat onmiddellijk aan de datum van indiening van de aanvraag voor toegang tot de andere partij voorafging, heeft verleend, en voorts beschikken zij op de datum van indiening van een verzoek om toegang tot de andere partij over ten minste drie jaar beroepservaring16)Verkregen na het bereiken van de meerderjarigheid. in de activiteitensector waarop de opdracht betrekking heeft;
  • c. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, zijn in het bezit van:
  • i. een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis van een gelijkwaardig niveau blijkt17)Wanneer de graad of kwalificatie niet is verkregen in de partij waar de dienst wordt verleend, kan die partij beoordelen of deze gelijkwaardig is aan een op haar grondgebied vereiste universitaire graad.; alsmede
  • ii. de beroepskwalificaties die de wet- of regelgeving of andere maatregelen van de partij waar de dienst wordt verleend, voorschrijven voor het uitoefenen van een activiteit;
  • d. de natuurlijke persoon ontvangt op het grondgebied van de andere partij voor de dienstverlening geen andere beloning dan die welke wordt betaald door de rechtspersoon waarbij de natuurlijke persoon in dienst is;
  • e. de toelating tot en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op het grondgebied van de betrokken partij vinden plaats voor een periode van bij elkaar opgeteld maximaal zes maanden, dan wel, wat Luxemburg aangaat, vijfentwintig weken, gedurende een periode van twaalf maanden dan wel voor de duur van de opdracht indien deze een kortere looptijd heeft;
  • f. de krachtens dit artikel verleende toegang betreft uitsluitend de dienstenactiviteit waarop de opdracht betrekking heeft en geeft geen recht op het voeren van de beroepstitel van de partij waar de dienst wordt verleend; alsmede
  • g. het aantal personen dat onder het dienstencontract valt, mag niet hoger zijn dan voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijk is, zoals vereist kan zijn op grond van de wet- en regelgeving of andere maatregelen van de partij waar de dienst wordt verleend.
Artikel 157. Beoefenaren van een vrij beroep

Overeenkomstig de bijlagen VIII-D en VIII-G staat elke partij toe dat beoefenaren van een vrij beroep van de andere partij op haar grondgebied diensten verlenen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de natuurlijke personen leveren voor het verlenen van een dienst tijdelijk arbeidsprestaties als op het grondgebied van de andere partij gevestigde zelfstandige, en hebben een dienstencontract gesloten voor een periode van maximaal twaalf maanden;
  • b. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, hebben op de datum van indiening van het verzoek om toegang tot dat grondgebied ten minste zes jaar beroepservaring in de economische sector waarop de opdracht betrekking heeft;
  • c. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, zijn in het bezit van:
  • i. een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis van een gelijkwaardig niveau blijkt18)Wanneer de graad of kwalificatie niet is verkregen in de partij waar de dienst wordt verleend, kan die partij beoordelen of deze gelijkwaardig is aan een op haar grondgebied vereiste universitaire graad.; alsmede
  • ii. de beroepskwalificaties die de wet- of regelgeving of andere maatregelen van de partij waar de dienst wordt verleend, voorschrijven voor het uitoefenen van een activiteit;
  • d. de toelating tot en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op het grondgebied van de betrokken partij vinden plaats voor een periode van bij elkaar opgeteld maximaal zes maanden, dan wel, wat Luxemburg aangaat, vijfentwintig weken, gedurende een periode van twaalf maanden dan wel voor de duur van de opdracht indien deze een kortere looptijd heeft; alsmede
  • e. de krachtens dit artikel verleende toegang betreft uitsluitend de dienstenactiviteit waarop de opdracht betrekking heeft, en geeft geen recht op het voeren van de beroepstitel van de partij waar de dienst wordt verleend.

AFDELING E. REGELGEVINGSKADER

ONDERAFDELING I. NATIONALE REGELGEVING

Artikel 158. Toepassingsgebied en definities
1.

Deze afdeling geldt voor maatregelen van de partijen die betrekking hebben op vergunningsvereisten en -procedures alsmede kwalificatievereisten en -procedures die van invloed zijn op:

  • a. grensoverschrijdende dienstverlening;
  • b. de vestiging op hun grondgebied van natuurlijke personen of rechtspersonen van een partij; alsmede
  • c. het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van de categorieën natuurlijke personen die zijn genoemd in artikel 153.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)