Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 29 juni 2000, houdende intrekking van de Wet op de studiefinanciering en vervanging door de Wet studiefinanciering 2000 (Wet studiefinanciering 2000)
100 versions
· 2026-01-01
2026-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — art. 9
2025-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — art. 9
2024-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 9, 9
2024-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 9, 9
2023-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 9, 9
2023-08-01
Wet studiefinanciering 2000
2023-06-09
Wet studiefinanciering 2000
2023-04-07
Wet studiefinanciering 2000 — art. 9
2023-04-01
Wet studiefinanciering 2000 — art. 9
2023-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — art. 9
2022-09-01
Wet studiefinanciering 2000
2022-03-23
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2022-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2021-10-01
Wet studiefinanciering 2000
2021-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2021-07-03
Wet studiefinanciering 2000
2021-06-08
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 3, 9, 9
2021-04-01
Wet studiefinanciering 2000
2021-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 3, 9, 9
2020-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 3, 9, 9
2020-08-01
Wet studiefinanciering 2000
2020-07-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2020-04-01
Wet studiefinanciering 2000
2020-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2019-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2019-07-24
Wet studiefinanciering 2000
2019-07-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2019-02-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2019-01-01
Wet studiefinanciering 2000
2018-09-01
Wet studiefinanciering 2000
2018-07-28
Wet studiefinanciering 2000
2018-07-06
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 3, 9, 9
2018-05-25
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 3, 3 y 3 más
2018-01-01
Wet studiefinanciering 2000
2017-10-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 3, 3 y 3 más
2017-09-01
Wet studiefinanciering 2000
2017-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 6 más
2017-07-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 3 más
2017-04-21
Wet studiefinanciering 2000
2017-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 6 más
2016-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 6 más
2016-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 6 más
2015-09-01
Wet studiefinanciering 2000
Wijzigingen op 2015-09-01
@@ -16,27 +16,27 @@
**afsluitend examen**:
- a. voor wat betreft [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&z=2015-08-01&g=2015-08-01) het examen, bedoeld in [artikel 7.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.2), alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-08-01&g=2015-08-01),
- b. voor wat betreft de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) het examen, bedoeld in [artikel 7.10a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.10a), alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01),
- a. voor wat betreft [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&z=2015-09-01&g=2015-09-01) het examen, bedoeld in [artikel 7.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.2), alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-09-01&g=2015-09-01),
- b. voor wat betreft [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2015-09-01&g=2015-09-01) het examen, bedoeld in [artikel 7.10a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.10a), alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01),
**bacheloropleiding**: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), die is geaccrediteerd als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel t, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), met positief gevolg heeft ondergaan,
**belastbaar minimumloon**: bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag, afgeleid van het totaal van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag voor een 23-jarige op grond van de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638),
**beroepsonderwijs**: opleiding als bedoeld in [artikel 7.2.7, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.7) en als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-08-01&g=2015-08-01),
**beroepsonderwijs**: opleiding als bedoeld in [artikel 7.2.7, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.7) en als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-09-01&g=2015-09-01),
**collegegeldkrediet**: lening voor betaling van het collegegeld in het hoger onderwijs,
**debiteur**: degene die zich krachtens [artikel 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01) heeft verplicht tot terugbetaling,
**debiteur**: degene die zich krachtens [artikel 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01) heeft verplicht tot terugbetaling,
**deelnemer**: degene die beroepsonderwijs volgt,
**hoger beroepsonderwijs**: hoger beroepsonderwijs in de zin van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682),
**hoger onderwijs**: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en in [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01),
**lening**: rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift, onverminderd omzetting, bedoeld in [artikel 10.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01),
**hoger onderwijs**: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en in [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01),
**lening**: rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift,
**masteropleiding**: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), die is geaccrediteerd als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel t, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), met positief gevolg heeft ondergaan,
@@ -48,27 +48,31 @@
- a. entreeopleiding en basisberoepsopleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2), en
- b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2,
- b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-09-01&g=2015-09-01) waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2,
**opleiding niveau 3 of 4**:
- a. vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2), en
- b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4,
- b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-09-01&g=2015-09-01) waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4,
**ouder**: natuurlijke ouder of adoptiefouder in de zin van de [artikelen 197 tot en met 232 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=197),
**partner**: partner als bedoeld in [artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=3),
**peiljaar**: tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het studiefinancieringstijdvak aanvangt, dan wel het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de draagkracht in de zin van [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-08-01&g=2015-08-01) wordt vastgesteld,
**peiljaar**: tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het studiefinancieringstijdvak aanvangt, dan wel het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de draagkracht in de zin van [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-09-01&g=2015-09-01) wordt vastgesteld,
**prestatiebeurs**: rentedragende lening die onder voorwaarden kan worden omgezet in een gift, waarbij de rente teniet gaat, niet zijnde de rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift,
**prestatiebeurs beroepsonderwijs**: prestatiebeurs als bedoeld in [artikel 4.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.6a&z=2015-09-01&g=2015-09-01),
**prestatiebeurs hoger onderwijs**: prestatiebeurs als bedoeld in [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01),
**reisproduct**: elektronisch product dat studerenden kunnen laden op een OV-chipkaart wanneer zij beschikken over reisrecht,
**reisrecht**: recht om te reizen als bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01),
**reisvoorziening**: voorziening als bedoeld in [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [paragraaf 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01),
**reisrecht**: recht om te reizen als bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01),
**reisvoorziening**: voorziening als bedoeld in [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [paragraaf 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01),
**RSR**: Regisseur Studenten Reisrecht, de rechtspersoon die in opdracht van de vervoersbedrijven tot taak heeft de digitale administratie van het reisproduct voor studerenden op de OV-chipkaart te voeren,
@@ -90,11 +94,11 @@
**studiepunt**: eenheid waarin de studielast, bedoeld in [artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4), wordt uitgedrukt,
**thuiswonende studerende**: studerende die niet een uitwonende studerende is,
**toetsingsinkomen**: inkomen als bedoeld in [artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=8), met dien verstande dat, behoudens bij de toepassing van de [artikelen 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.4&artikel=3.17&z=2015-08-01&g=2015-08-01), voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,
**uitwonende studerende**: studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01),
**thuiswonende deelnemer**: deelnemer die niet een uitwonende deelnemer is,
**toetsingsinkomen**: inkomen als bedoeld in [artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=8), met dien verstande dat, behoudens bij de toepassing van de [artikelen 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.4&artikel=3.17&z=2015-09-01&g=2015-09-01), voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,
**uitwonende deelnemer**: deelnemer die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01),
**veronderstelde ouderlijke bijdrage**: bedrag dat verondersteld wordt door de ouders bijgedragen te worden waarmee de aanvullende beurs van de studerende wordt verminderd,
@@ -126,15 +130,15 @@
Vervallen
##### Artikel 1.5. Verplichtingen uitwonende studerende
1. Voor het normbedrag voor een uitwonende studerende komt in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:
- a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en
- b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.
2. Op een studerende die ingevolge [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-08-01&g=2015-08-01) of [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01) in aanmerking komt voor studiefinanciering is het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing.
##### Artikel 1.5. Verplichtingen uitwonende deelnemer
1. Voor het normbedrag voor een uitwonende deelnemer komt in aanmerking de deelnemer die voldoet aan de volgende verplichtingen:
- a. de deelnemer woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en
- b. het woonadres van de deelnemer is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.
2. Op een deelnemer die ingevolge [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-09-01&g=2015-09-01) in aanmerking komt voor studiefinanciering is het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing.
##### Artikel 1.6. Inspecteur der rijksbelastingen bepaalt inkomen of loon
@@ -150,7 +154,7 @@
- c. teneinde de gegevens van die studerende of debiteur te vergelijken met de gegevens die over hem zijn opgenomen in het basisregister onderwijs, bedoeld in [artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=24b), voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet, en
- d. in contacten met de toezichthouders, bedoeld in [artikel 9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=9.1a&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
- d. in contacten met de toezichthouders, bedoeld in [artikel 9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=9.1a&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
2. Het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de partner of ouder van een studerende of debiteur kan ter zake van de uitvoering van deze wet slechts worden gebruikt in contacten met die partner of ouder of met de desbetreffende studerende of debiteur, alsmede, voorzover het betreft de controle op de rechtmatigheid, in contacten met personen en instanties voorzover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie.
@@ -162,11 +166,11 @@
Deze wet regelt de studiefinanciering en is van toepassing op studerenden die voldoen aan de voorwaarden inzake:
- a. nationaliteit als bedoeld in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01),
- b. leeftijd als bedoeld in [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en
- c. onderwijssoort als bedoeld in de [paragrafen 2.2 tot en met 2.4.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
- a. nationaliteit als bedoeld in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01),
- b. leeftijd als bedoeld in [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en
- c. onderwijssoort als bedoeld in de [paragrafen 2.2 tot en met 2.4.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
##### Artikel 2.2. Nationaliteit
@@ -208,9 +212,9 @@
1. Een deelnemer heeft geen aanspraak op studiefinanciering indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar.
2. De aanspraak op studiefinanciering van een deelnemer als bedoeld in [artikel 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=2.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken geen lessen, stages of beroepspraktijkvorming heeft gevolgd, vervalt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de instelling de afwezigheid, bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), aan Onze Minister heeft medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
3. De aanspraak op studiefinanciering vervalt over het tijdvak waarover een deelnemer de gegevens, bedoeld in [artikel 4.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2¶graaf=4.2.2&artikel=4.19&z=2015-08-01&g=2015-08-01), niet verstrekt. Zolang hij deze gegevens over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij ontbrekende gegevens alsnog levert, herleeft de aanspraak.
2. De aanspraak op studiefinanciering van een deelnemer als bedoeld in [artikel 4.1, onderdeel a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken geen lessen, stages of beroepspraktijkvorming heeft gevolgd, vervalt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de instelling de afwezigheid, bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01), aan Onze Minister heeft medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
3. De aanspraak op studiefinanciering vervalt over het tijdvak waarover een deelnemer de gegevens, bedoeld in [artikel 4.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2¶graaf=4.2.2&artikel=4.19&z=2015-09-01&g=2015-09-01), niet verstrekt. Zolang hij deze gegevens over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij ontbrekende gegevens alsnog levert, herleeft de aanspraak.
##### Artikel 2.6. Bekendmaking bij niet voldoen aan artikel 2.5, derde lid, en aanspraak op studiefinanciering
@@ -222,7 +226,7 @@
2. Indien de deelnemer aansluitend aan het studiejaar dat als laatste studiejaar was aangemerkt, opnieuw dat laatste studiejaar aanvangt, ontstaat aanspraak op studiefinanciering voor het resterende gedeelte van het kalenderjaar.
3. Indien de deelnemer na zijn uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw deze opleiding aanvangt of een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, blijft, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering in de tussen beide opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4 maanden bestaan. Hij wordt in die periode aangemerkt als deelnemer aan de eerste opleiding. In afwijking van [artikel 3.21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.6&artikel=3.21&z=2015-08-01&g=2015-08-01), wordt die aanvraag ingediend voor het einde van de periode van 4 maanden.
3. Indien de deelnemer na zijn uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw deze opleiding aanvangt of een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, blijft, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering in de tussen beide opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4 maanden bestaan. Hij wordt in die periode aangemerkt als deelnemer aan de eerste opleiding. In afwijking van [artikel 3.21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.6&artikel=3.21&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt die aanvraag ingediend voor het einde van de periode van 4 maanden.
#### Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
@@ -254,7 +258,7 @@
1. Een student heeft geen aanspraak op studiefinanciering:
- a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op de prestatiebeurs in het hoger onderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten,
- a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs hoger onderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten,
- b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs, op grond van deze wet of op grond van de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393),
@@ -262,17 +266,17 @@
- d. indien hij in het betreffende studiefinancieringstijdvak aanspraak maakt op een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud, die door de voor de verstrekking van deze tegemoetkomingen verantwoordelijke autoriteit van een ander land wordt verstrekt.
2. De aanspraak van een student die een opleiding volgt als bedoeld in [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01) vervalt over het tijdvak waarover hij de inlichtingen, bedoeld in [artikel 9.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=9.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), niet verstrekt. Zolang hij die inlichtingen over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij die inlichtingen alsnog verstrekt, herleeft de aanspraak.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien [artikel 5.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.7&artikel=5.16&z=2015-08-01&g=2015-08-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien [artikel 5.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.7&artikel=5.16&z=2015-08-01&g=2015-08-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met 5 jaren.
2. De aanspraak van een student die een opleiding volgt als bedoeld in [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01) vervalt over het tijdvak waarover hij de inlichtingen, bedoeld in [artikel 9.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=9.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), niet verstrekt. Zolang hij die inlichtingen over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij die inlichtingen alsnog verstrekt, herleeft de aanspraak.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien [artikel 5.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.7&artikel=5.16&z=2015-09-01&g=2015-09-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien [artikel 5.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.7&artikel=5.16&z=2015-09-01&g=2015-09-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met 5 jaren.
#### Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
##### Artikel 2.14. Buitenlandse opleidingen hoger onderwijs
1. Dit artikel is niet van toepassing op studenten die op grond van [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.
1. Dit artikel is niet van toepassing op studenten die op grond van [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.
2. In aanmerking voor studiefinanciering komt een student die:
@@ -282,7 +286,7 @@
- c. binnen de reikwijdte van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie valt, of daarmee gelijkgesteld is op grond van het recht van de Europese Unie, of ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan die opleiding in Nederland heeft gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf heeft gehad. De periode gedurende welke een student is ingeschreven aan een opleiding buiten Nederland als bedoeld onder a, telt niet mee voor de bepaling van de 6 jaren, bedoeld in de vorige volzin.
3. Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. Indien voor een vergelijkbare opleiding of vergelijkbaar geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in Nederland de prestatiebeurs voor meer dan 4 jaren wordt verstrekt stelt Onze Minister voor de betreffende opleiding buiten Nederland de duur van de prestatiebeurs vast op de duur van de periode gedurende welke studiefinanciering wordt verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs voor die opleiding in Nederland. Indien de studielast van een vergelijkbare opleiding of vergelijkbaar geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in Nederland minder dan 4 jaren betreft, stelt Onze Minister de studielast van de opleiding buiten Nederland vast op de studielast van die opleiding in Nederland.
3. Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. Onze Minister stelt voor de opleiding buiten Nederland de duur en de vorm van de studiefinanciering vast overeenkomstig de duur en de vorm waarin deze voor een vergelijkbare opleiding in Nederland wordt verstrekt.
4. Het [tweede en derde lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.2) zijn van overeenkomstige toepassing op het tweede lid. Het tweede en derde lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn, voor de toepassing van de eerste volzin, tevens van overeenkomstige toepassing op personen met een andere dan de Nederlandse nationaliteit.
@@ -298,9 +302,9 @@
##### Artikel 2.16. Geen aanspraak beroepsonderwijs na eerdere aanspraak
1. De deelnemer heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2, indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs voor het volgen van een opleiding beroepsonderwijs heeft genoten.
2. De studerende heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs indien hij reeds 4 jaren studiefinanciering heeft genoten voor het volgen van een opleiding in het hoger onderwijs.
1. De deelnemer heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2, indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten.
2. De studerende heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs hoger onderwijs heeft genoten.
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
@@ -308,19 +312,27 @@
##### Artikel 3.1. Studiefinanciering
1. Studiefinanciering bestaat uit basisbeurs, uit basislening en uit aanvullende beurs of aanvullende lening en voor studenten ook uit collegegeldkrediet.
2. Studiefinanciering kan geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van:
- a. gift,
- b. prestatiebeurs, of
- c. lening.
3. De hoogte van de studiefinanciering wordt vastgesteld op basis van een budget voor een kalendermaand en voor studenten ook op basis van het collegegeldkrediet.
4. In afwijking van het derde lid kan de hoogte van de studiefinanciering ook worden vastgesteld op een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs.
1. Studiefinanciering bestaat voor een opleiding in het beroepsonderwijs uit een basisbeurs, een basislening en een aanvullende beurs of aanvullende lening, en kan geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van:
- a. een gift;
- b. een prestatiebeurs; of
- c. een lening.
2. Studiefinanciering bestaat voor een opleiding in het hoger onderwijs uit een basislening, een aanvullende beurs of aanvullende lening en collegegeldkrediet, en kan geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van:
- a. een gift;
- b. een prestatiebeurs; of
- c. een lening.
3. Indien een studerende geen aanspraak heeft op studiefinanciering als bedoeld in het eerste of tweede lid bestaat studiefinanciering uit levenlanglerenkrediet.
4. De hoogte van de studiefinanciering wordt vastgesteld op basis van een budget voor een kalendermaand.
5. In afwijking van het vierde lid kan de hoogte van de studiefinanciering ook worden vastgesteld op een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs.
##### Artikel 3.2. Samenstelling maandbudget deelnemer
@@ -334,65 +346,71 @@
2. Dit budget kan worden verhoogd met:
- a. een toeslag voor een partner ingevolge [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), of
- b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
3. De tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld wordt voor een deelnemer vastgesteld op eentwaalfde deel van het op grond van [artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=5) vastgestelde of herziene bedrag van het lesgeld.
4. De bedragen zijn opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
- a. een toeslag voor een partner ingevolge [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), of
- b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
3. De tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld wordt voor een deelnemer vastgesteld op eentwaalfde deel van het op grond van [artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=5) vastgestelde of herziene bedrag van het lesgeld. Het bedrag van de maximale aanvullende beurs, bedoeld in de [artikelen 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.13&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [3.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.4&artikel=3.16&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt voor een deelnemer verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming.
4. De tegemoetkoming, bedoeld in het derde lid, wordt niet toegekend voor het studiejaar waarin de deelnemer de leeftijd van 18 jaren bereikt.
5. Dit lid is nog niet in werking getreden.
6. De bedragen zijn opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
##### Artikel 3.3. Samenstelling maandbudget student
1. Het budget voor een student voor een kalendermaand is het totaal van:
- a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, en
- b. een reisvoorziening.
- a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud;
- b. het collegegeldkrediet; en
- c. een reisvoorziening.
2. Dit budget kan worden verhoogd met:
- a. een toeslag voor een partner ingevolge [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), of
- b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
3. De bedragen zijn opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
- a. een toeslag voor een partner ingevolge [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), of
- b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
3. De bedragen zijn opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
##### Artikel 3.4. Toeslag partner
1. Aan een studerende met een partner die financieel van hem afhankelijk is en die niet in aanmerking komt voor studiefinanciering, wordt een toeslag voor een partner toegekend.
2. Uitsluitend als financieel afhankelijk wordt aangemerkt de partner die een toetsingsinkomen heeft dat naar de maatstaf van 1 januari 2008 minder bedraagt dan € 8 129,26 per 1 januari 2015: € 9.234,45en die de verzorging heeft van een of meer kinderen die jonger zijn dan 12 jaar waarvoor op grond van de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) aanspraak op kinderbijslag bestaat. Bij de bepaling van het toetsingsinkomen van de partner is [artikel 8, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=8) en [artikel 3.17, derde tot en met zesde en tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.4&artikel=3.17&z=2015-08-01&g=2015-08-01), van deze wet, van overeenkomstige toepassing.
3. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
2. Uitsluitend als financieel afhankelijk wordt aangemerkt de partner die een toetsingsinkomen heeft dat naar de maatstaf van 1 januari 2008 minder bedraagt dan € 8 129,26 per 1 januari 2015: € 9.234,45en die de verzorging heeft van een of meer kinderen die jonger zijn dan 12 jaar waarvoor op grond van de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) aanspraak op kinderbijslag bestaat. Bij de bepaling van het toetsingsinkomen van de partner is [artikel 8, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=8) en [artikel 3.17, derde tot en met zesde en tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.4&artikel=3.17&z=2015-09-01&g=2015-09-01), van deze wet, van overeenkomstige toepassing.
3. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
4. [Artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=9) is van toepassing.
##### Artikel 3.5. Toeslag één-oudergezin
1. Aan een studerende zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) aanspraak op kinderbijslag heeft, wordt een toeslag voor een één-oudergezin toegekend.
2. Het bedrag is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
##### Artikel 3.5. Toeslag eenoudergezin
1. Aan een studerende zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) aanspraak op kinderbijslag heeft, wordt een toeslag voor een eenoudergezin toegekend.
2. Het bedrag is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
##### Artikel 3.6. Basisbeurs
1. De hoogte van de basisbeurs is verschillend voor uit- en thuiswonende studerenden en voor beroepsonderwijs en hoger onderwijs. De bedragen zijn opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
2. Van de basisbeurs maakt een reisvoorziening deel uit, tenzij anders is bepaald.
3. Van de basisbeurs kunnen de toeslagen, bedoeld in de [artikelen 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01), deel uitmaken.
##### Artikel 3.6. Basisbeurs beroepsonderwijs
1. De hoogte van de basisbeurs is verschillend voor uit- en thuiswonende deelnemers. De bedragen zijn opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
2. Voor een opleiding niveau 1 of 2 maakt een reisvoorziening deel uit van de basisbeurs.
3. Voor een opleiding niveau 1 of 2 kan de toeslag, bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01), onderdeel uitmaken van de basisbeurs.
##### Artikel 3.7. Vorm toekenning reisvoorziening
1. Voor studerenden aan een opleiding binnen Nederland bestaat de reisvoorziening uit een reisrecht gedurende een bepaald deel van de week waarvoor de studerende geen bedrag of een lager bedrag verschuldigd is aan de vervoersbedrijven.
2. Voor studerenden die aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in [artikel 4.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), respectievelijk [artikel 5.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
2. Voor studerenden die aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in [artikel 4.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01), onderscheidenlijk [artikel 5.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
In afwijking van de eerste volzin kan een studerende als bedoeld in de eerste volzin op aanvraag als reisvoorziening een reisrecht ontvangen.
3. Voor studerenden voor wie geen burgerservicenummer kan worden gebruikt in het contact tussen Onze Minister en RSR, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in [artikel 4.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), respectievelijk [artikel 5.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
3. Voor studerenden voor wie geen burgerservicenummer kan worden gebruikt in het contact tussen Onze Minister en RSR, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in [artikel 4.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01), onderscheidenlijk [artikel 5.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze van aanvraag en toekenning van de reisvoorziening in geld, bedoeld in het tweede en derde lid alsmede regels met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.
@@ -400,9 +418,9 @@
##### Artikel 3.8. Aanvullende beurs
1. De hoogte van de aanvullende beurs is afhankelijk van het ouderlijk inkomen en wordt berekend ingevolge de [artikelen 3.9 tot en met 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
2. Het maximale bedrag van de aanvullende beurs is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
1. De hoogte van de aanvullende beurs is afhankelijk van het ouderlijk inkomen en wordt berekend ingevolge de [artikelen 3.9 tot en met 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
2. Het maximale bedrag van de aanvullende beurs is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
##### Artikel 3.9. Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage
@@ -410,13 +428,13 @@
2. Vervallen.
3. Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 2012 gelijk aan € 16 288,94per 1 januari 2015: € 16.890,62. Indien een van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een studerende die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01) toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het een ouder zonder partner betreft als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 2013 gelijk is aan € 22.407,00per 1 januari 2015: € 21.399,51.
3. Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 2012 gelijk aan € 16 288,94per 1 januari 2015: € 16.890,62. Indien een van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een studerende die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01) toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het een ouder zonder partner betreft als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 2013 gelijk is aan € 22.407,00per 1 januari 2015: € 21.399,51.
4. Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar.
5. Op het bruto kortingsbedrag, bedoeld in het vierde lid, worden in mindering gebracht:
- a. de ingevolge [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-08-01&g=2015-08-01) vastgestelde termijnen over een jaar of, indien dit minder is, de berekende draagkracht indien de ouder tevens debiteur is, en
- a. de ingevolge [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-09-01&g=2015-09-01) vastgestelde termijnen over een jaar of, indien dit minder is, de berekende draagkracht indien de ouder tevens debiteur is, en
- b. € 363,– voor ieder kind dat in het studiejaar dat aanvangt in het jaar voorafgaand aan het studiefinancieringstijdvak, onder de werking van [hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=4) of van [artikel 2, derde tot en met vijfde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) valt.
@@ -430,7 +448,7 @@
##### Artikel 3.10. Peiljaarverlegging bij terugval in inkomen
1. Op aanvraag van de ouders of een van hen of op aanvraag van de studerende wordt bij toepassing van [artikel 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), indien sprake is van een terugval in inkomen over het eerste of het tweede jaar na het peiljaar, uitgegaan van het toetsingsinkomen in dat jaar.
1. Op aanvraag van de ouders of een van hen of op aanvraag van de studerende wordt bij toepassing van [artikel 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), indien sprake is van een terugval in inkomen over het eerste of het tweede jaar na het peiljaar, uitgegaan van het toetsingsinkomen in dat jaar.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van de som van de toetsingsinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar, met dien verstande dat:
@@ -440,25 +458,25 @@
##### Artikel 3.11. Nog niet vastgesteld of nog niet bekend inkomen
Voor de toepassing van de [artikelen 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) wordt zolang het toetsingsinkomen over het peiljaar, het eerste of het tweede jaar na het peiljaar nog niet kan worden bepaald, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het desbetreffende toetsingsinkomen zo goed mogelijk benadert.
Voor de toepassing van de [artikelen 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01) wordt zolang het toetsingsinkomen over het peiljaar, het eerste of het tweede jaar na het peiljaar nog niet kan worden bepaald, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het desbetreffende toetsingsinkomen zo goed mogelijk benadert.
##### Artikel 3.12. Ouder zonder partner
Indien het na het peiljaar een ouder zonder partner betreft als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2), wordt op aanvraag van die ouder of de studerende de hoogte van de vrije voet, bedoeld in [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), dienovereenkomstig aangepast.
Indien het na het peiljaar een ouder zonder partner betreft als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2), wordt op aanvraag van die ouder of de studerende de hoogte van de vrije voet, bedoeld in [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), dienovereenkomstig aangepast.
##### Artikel 3.13. Veronderstelde ouderlijke bijdrage
1. De veronderstelde ouderlijke bijdrage is de som van de maandbedragen, bedoeld in [artikel 3.9, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01). De veronderstelde ouderlijke bijdrage kan nooit meer bedragen dan de maximale aanvullende beurs voor een studerende.
1. De veronderstelde ouderlijke bijdrage is de som van de maandbedragen, bedoeld in [artikel 3.9, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01). De veronderstelde ouderlijke bijdrage kan nooit meer bedragen dan de maximale aanvullende beurs voor een studerende.
2. De aanvullende beurs van een studerende wordt verminderd met de in het eerste lid bedoelde veronderstelde ouderlijke bijdrage. De vermindering is nihil, indien de veronderstelde ouderlijke bijdrage negatief is.
3. Indien een ouder meer dan een kind heeft dat recht heeft op studiefinanciering, met uitzondering van het kind dat tevens valt onder [artikel 3.9, vijfde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en dat met betrekking tot de desbetreffende maand een aanvullende beurs heeft aangevraagd, wordt het maandbedrag, bedoeld in het eerste lid, verdeeld over deze kinderen.
3. Indien een ouder meer dan een kind heeft dat recht heeft op studiefinanciering, met uitzondering van het kind dat tevens valt onder [artikel 3.9, vijfde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en dat met betrekking tot de desbetreffende maand een aanvullende beurs heeft aangevraagd, wordt het maandbedrag, bedoeld in het eerste lid, verdeeld over deze kinderen.
##### Artikel 3.14. Weigerachtige of onvindbare ouders
1. Op aanvraag van een studerende kan de aan hem toegekende aanvullende lening worden verstrekt in de vorm van een aanvullende beurs, indien er sprake is van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en studerende of van onvindbaarheid van de ouder. Onder een langdurig ernstig verstoorde verhouding wordt in ieder geval niet begrepen een conflict van financiële aard dat verband houdt met de studie.
2. Indien het eerste lid toepassing vindt, is voor de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de andere ouder aan de studerende bedoeld in het eerste lid, [artikel 3.9, derde lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), van overeenkomstige toepassing. De hoogte van de aanvullende beurs van andere kinderen van beide ouders verandert hierdoor niet.
2. Indien het eerste lid toepassing vindt, is voor de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de andere ouder aan de studerende bedoeld in het eerste lid, [artikel 3.9, derde lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), van overeenkomstige toepassing. De hoogte van de aanvullende beurs van andere kinderen van beide ouders verandert hierdoor niet.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden in ieder geval criteria gegeven ter beoordeling van de vraag of sprake is van:
@@ -470,15 +488,15 @@
##### Artikel 3.15. Basislening
De basislening is een lening. De hoogte van de basislening is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
Op aanvraag wordt een basislening toegekend. De maximale hoogte van de basislening is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01), waarbij verschillende bedragen zijn vastgesteld voor deelnemers en studenten.
##### Artikel 3.16. Aanvullende lening
Het verschil tussen het maximale bedrag van de aanvullende beurs en de voor een studerende berekende aanvullende beurs wordt aan hem op aanvraag als een aanvullende lening toegekend.
##### Artikel 3.17. Vordering wegens eigen inkomsten studerende
1. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2015: € 13.856,11.
##### Artikel 3.17. Vordering wegens eigen inkomsten deelnemer
1. Indien een deelnemer in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de deelnemer. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2015: € 13.856,11.
2. Vervallen.
@@ -488,17 +506,17 @@
- b. de studiefinanciering verstrekt op grond van deze wet en voor zover in deze inkomsten begrepen, en
- c. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in [artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.1), die in het kalenderjaar waarin de studerende zijn afsluitend examen behaalt, is verworven, met dien verstande dat een studerende hier slechts eenmaal voor in aanmerking komt.
4. Voor iedere maand dat een studerende een uitkering ontvangt in de zin van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), blijft daarvan een bedrag ter grootte van de maximale aanvullende beurs voor een thuiswonende deelnemer, bedoeld in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01), buiten beschouwing.
5. Bij de berekening van het meerinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de studerende aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen studerende was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode betreffen:
- c. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in [artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.1), die in het kalenderjaar waarin de deelnemer zijn afsluitend examen behaalt, is verworven, met dien verstande dat een deelnemer hier slechts eenmaal voor in aanmerking komt.
4. Voor iedere maand dat een deelnemer een uitkering ontvangt in de zin van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), blijft daarvan naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag ter grootte van € 324,10 naar de maatstaf van 1 januari 2015 per 1 september 2015: € 332,30 buiten beschouwing.
5. Bij de berekening van het meerinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de deelnemer aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen deelnemer was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode betreffen:
- a. die begint bij de aanvang van het kalenderjaar, of
- b. die eindigt bij het einde van het kalenderjaar.
6. Voor de toepassing van het vijfde lid worden de volgende onderdelen van het toetsingsinkomen op verzoek van de studerende herleid tot maandbedragen door de desbetreffende bedragen te delen door 12:
6. Voor de toepassing van het vijfde lid worden de volgende onderdelen van het toetsingsinkomen op verzoek van de deelnemer herleid tot maandbedragen door de desbetreffende bedragen te delen door 12:
- a. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in [artikel 3.1, tweede lid, onder a van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.1),
@@ -510,44 +528,50 @@
- e. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in [hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=5), verminderd met daarin begrepen te conserveren inkomen.
7. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die studerende aan Onze Minister een bedrag ter grootte van het meerinkomen verschuldigd, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan de som van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die studerende toegekende bedragen aan:
7. Indien een deelnemer in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die deelnemer aan Onze Minister een bedrag ter grootte van het meerinkomen verschuldigd, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan de som van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die deelnemer toegekende bedragen aan:
- a. basisbeurs,
- b. aanvullende beurs, en
- c. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de reisvoorziening, het bedrag gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in [artikel 5.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.
8. Over de verschuldigde bedragen, bedoeld in het zevende lid, wordt rente berekend op de voet van de [artikelen 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dag waarop de beschikking terzake is gegeven.
9. Indien een studerende voor 1 juni van een kalenderjaar aan Onze Minister schriftelijk opgave doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze studerende niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem is betaald.
10. De vordering die ontstaat door toepassing van het zevende lid, wordt in mindering gebracht op de met betrekking tot dat kalenderjaar aan de studerende toegekende prestatiebeurs. Voor zover de prestatiebeurs over dat kalenderjaar niet is uitbetaald, wordt de vordering verrekend met die prestatiebeurs. De opgebouwde rente over het in mindering gebrachte bedrag gaat teniet.
11. Een aanvraag van de studerende aan Onze Minister om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking indien dat verzoek is ingediend voor 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar.
- b. aanvullende beurs,
- c. toeslag eenoudergezin, en
- d. voor iedere maand waarin de deelnemer op enig moment beschikte over de reisvoorziening, een bedrag gelijk aan een twaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in [artikel 4.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01), vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.
8. Over de verschuldigde bedragen, bedoeld in het zevende lid, wordt rente berekend op de voet van de [artikelen 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dag waarop de beschikking terzake is gegeven.
9. Indien een deelnemer voor 1 juni van een kalenderjaar aan Onze Minister schriftelijk opgave doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze deelnemer niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem is betaald.
10. De vordering die ontstaat door toepassing van het zevende lid, wordt in mindering gebracht op de met betrekking tot dat kalenderjaar aan de deelnemer toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs. Voor zover de prestatiebeurs over dat kalenderjaar niet is uitbetaald, wordt de vordering verrekend met die prestatiebeurs. De opgebouwde rente over het in mindering gebrachte bedrag gaat teniet.
11. Een aanvraag van de deelnemer aan Onze Minister om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking indien dat verzoek is ingediend voor 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar.
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
##### Artikel 3.18. Overzicht normbedragen
De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand en zijn uitgedrukt in euro’s, voor de Overzichten 1 en 2 naar de maatstaf van 1 september 2007, en voor Overzicht 3 naar de maatstaf van 1 september 2015:
| | Hoger onderwijs | Beroepsonderwijs |
| --- | --- | --- |
| Levensonderhoud | | |
| a. thuiswonend | € 573,53per 1 januari 2015: € 649,34 | € 438,67per 1 januari 2015: € 496,64 |
| b. uitwonend | € 754,41per 1 januari 2015: € 854,13 | € 619,55per 1 januari 2015: € 701,42 |
| | Hoger onderwijs | Beroepsonderwijs |
| --- | --- | --- |
| Basisbeurs (excl. toeslagen) | | |
| a. thuiswonend | € 90,77per 1 januari 2015: € 102,77 | € 71,57per 1 januari 2015: € 81,02 |
| b. uitwonend | € 252,73per 1 januari 2015: € 286,15 | € 233,53per 1 januari 2015: € 264,40 |
| Maximale aanvullende beurs/lening (of veronderstelde ouderlijke bijdrage) | | |
| a. thuiswonend | € 206,25per 1 januari 2015: € 245,30 | € 292,46per 1 januari 2015: € 332,30 |
| b. uitwonend | € 225,17per 1 januari 2015: € 266,71 | € 311,38per 1 januari 2015: € 353,70 |
| Basislening | € 276,51per 1 januari 2015: € 301,27 | € 155,89per 1 januari 2015: € 176,49 |
| Toeslag partner | € 529,03per 1 januari 2015: € 598,95 | € 529,03per 1 januari 2015: € 598,95 |
De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand naar de maatstaf van 1 januari 2014, en voor overzicht 3 naar de maatstaf van 1 september 2015:
| **A. Beroepsonderwijs** | **A. Beroepsonderwijs** |
| --- | --- |
| Normbedrag thuiswonend | € 484,48 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 496,64 |
| Normbedrag uitwonend | € 684,25 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 701,42 |
| **B. Hoger onderwijs** | **B. Hoger onderwijs** |
| normbedrag | € 833,22 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 854,13 |
| **A. Beroepsonderwijs** | **A. Beroepsonderwijs** |
| --- | --- |
| Basisbeurs (exclusief toeslag eenoudergezin) | Basisbeurs (exclusief toeslag eenoudergezin) |
| thuiswonend | € 79,04 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 81,02 |
| uitwonend | € 257,93 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 264,40 |
| Basislening | Basislening |
| thuis- en uitwonend | € 172,17 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 176,49 |
| Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage | Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage |
| thuiswonend | € 233,27 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 239,13 |
| uitwonend | € 254,15 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 260,53 |
| **B. Hoger onderwijs** | **B. Hoger onderwijs** |
| Basislening | € 467,89 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 475,91 |
| Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage | € 365,33 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 378,22 |
| | Hoger onderwijs | Beroepsonderwijs |
| --- | --- | --- |
@@ -595,11 +619,11 @@
##### Artikel 3.23. Gebruik burgerservicenummer
1. In afwijking van [artikel 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01) gebruikt Onze Minister het burgerservicenummer van een studerende ter zake van de toekenning van diens reisrecht in contacten met RSR.
1. In afwijking van [artikel 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01) gebruikt Onze Minister het burgerservicenummer van een studerende ter zake van de toekenning van diens reisrecht in contacten met RSR.
2. RSR gebruikt het burgerservicenummer van een studerende slechts:
- a. ter vaststelling van de identiteit van een studerende wanneer deze zich tot de vervoersbedrijven wendt om zijn gegevens te laten koppelen aan een daarvoor bestemde OV-chipkaart als bedoeld in [artikel 3.26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.26&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en
- a. ter vaststelling van de identiteit van een studerende wanneer deze zich tot de vervoersbedrijven wendt om zijn gegevens te laten koppelen aan een daarvoor bestemde OV-chipkaart als bedoeld in [artikel 3.26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.26&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en
- b. in contacten met Onze Minister.
@@ -625,11 +649,11 @@
- a. zijn aanspraak op reisrecht is beëindigd, of
- b. zijn reisproduct op grond van [artikel 3.7, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), is vervangen door een reisvoorziening in de vorm van geld.
- b. zijn reisproduct op grond van [artikel 3.7, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), is vervangen door een reisvoorziening in de vorm van geld.
2. Bij het ten onrechte beschikken over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister een bedrag van € 97,00 per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand verschuldigd, ongeacht of gebruik is gemaakt van het reisrecht. De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van een maand. De tweede helft loopt tot en met het einde van die maand.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op een periode waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan degene aan wie het reisrecht is toegekend.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op een periode waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan degene aan wie het reisrecht is toegekend.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze van beëindigen van het reisrecht, en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop en het tijdstip waarvoor de niet-toerekenbaarheid, bedoeld in het derde lid, moet worden aangetoond.
@@ -639,7 +663,7 @@
##### Artikel 3.29. Vergoeding bij geen reisrecht
1. Wanneer een studerende door toedoen van Onze Minister over een periode ten onrechte niet over een geladen reisproduct beschikt, heeft hij over die periode jegens Onze Minister aanspraak op een vergoeding ter grootte van het bedrag, bedoeld in [artikel 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.27&z=2015-08-01&g=2015-08-01), mits hij meer dan 3 maanden voor het begin van de desbetreffende kalendermaand, zowel de studiefinanciering heeft aangevraagd als alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft verstrekt. Indien het betreft een reisvoorziening als bedoeld in [artikel 3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), heeft hij slechts aanspraak op een vergoeding als bedoeld in de vorige volzin, indien hij tevens binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn, een aanvraag om deze reisvoorziening heeft ingediend.
1. Wanneer een studerende door toedoen van Onze Minister over een periode ten onrechte niet over een geladen reisproduct beschikt, heeft hij over die periode jegens Onze Minister aanspraak op een vergoeding ter grootte van het bedrag, bedoeld in [artikel 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.27&z=2015-09-01&g=2015-09-01), mits hij meer dan 3 maanden voor het begin van de desbetreffende kalendermaand, zowel de studiefinanciering heeft aangevraagd als alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft verstrekt. Indien het betreft een reisvoorziening als bedoeld in [artikel 3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), heeft hij slechts aanspraak op een vergoeding als bedoeld in de vorige volzin, indien hij tevens binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn, een aanvraag om deze reisvoorziening heeft ingediend.
2. De studerende vraagt de vergoeding aan binnen 2 weken na de dag waarop hij op de aanvraag voor het eerst studiefinanciering heeft toegekend gekregen of, indien dit later is, binnen 2 weken na de dag waarop voor het eerst zijn recht op studiefinanciering inging.
@@ -647,7 +671,7 @@
- a. wegens het geen of slechts gedeeltelijk gebruik maken van het reisrecht, of
- b. in geval van inname, verlies, diefstal, beschadiging of een defect van de OV-chipkaart, bedoeld in [artikel 3.26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.26&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
- b. in geval van inname, verlies, diefstal, beschadiging of een defect van de OV-chipkaart, bedoeld in [artikel 3.26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.26&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
##### Artikel 3.30. Nadere regels voor reizen van en naar Waddeneilanden
@@ -677,11 +701,11 @@
##### Artikel 4.4. Weer aanwezig binnen 8 weken
[Artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01) is niet van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de deelnemer weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, voor zover die studiefinanciering niet reeds mede op grond van een andere bepaling dan dit artikel, de vorm van een lening had. Voorwaarde voor de toepassing van de vorige volzin is dat de deelnemer aan het onderwijs is gaan deelnemen binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
[Artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01) is niet van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de deelnemer weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, voor zover die studiefinanciering niet reeds mede op grond van een andere bepaling dan dit artikel, de vorm van een lening had. Voorwaarde voor de toepassing van de vorige volzin is dat de deelnemer aan het onderwijs is gaan deelnemen binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
##### Artikel 4.5. Langdurige afwezigheid in het niet bekostigd beroepsonderwijs
1. Het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling, bedoeld in [artikel 2.4, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=2.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), uitgaat of de natuurlijke persoon die deze instelling in stand houdt, stelt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van 4 weken de deelnemer in kennis dat daarvan in de administratie van de instelling een aantekening is gemaakt en verzoekt de deelnemer om opgaaf van de reden van de afwezigheid.
1. Het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling, bedoeld in [artikel 2.4, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=2.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), uitgaat of de natuurlijke persoon die deze instelling in stand houdt, stelt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van 4 weken de deelnemer in kennis dat daarvan in de administratie van de instelling een aantekening is gemaakt en verzoekt de deelnemer om opgaaf van de reden van de afwezigheid.
2. Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon vast:
@@ -695,37 +719,43 @@
5. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
6. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokkene aan Onze Minister zijn verstrekt, aan deze betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid.
6. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokkene aan Onze Minister zijn verstrekt, aan deze betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01), gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid.
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
##### Artikel 5.1. Reikwijdte hoger onderwijs
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 augustus 1996 voor het volgen van hoger onderwijs voor het eerst studiefinanciering ontvingen.
##### Artikel 5.1. Prestatiebeurs hoger onderwijs
Een student komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
- a. een aanvullende beurs;
- b. een reisvoorziening; en
- c. een toeslag eenoudergezin.
##### Artikel 5.2. Vorm en duur studiefinanciering
1. Studiefinanciering, met uitzondering van het collegegeldkrediet, de basislening en de aanvullende lening, wordt gedurende 4 jaren of het aantal jaren genoemd in [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01), dan wel bedoeld in [artikel 2.14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01), verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift.
2. Indien aan de voorwaarden, bedoeld in dit hoofdstuk, wordt voldaan wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift.
3. Studiefinanciering, met uitzondering van het collegegeldkrediet, wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de [artikelen 3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.13&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01), naar de maatstaf van 1 januari 2007 € 809,93 per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
4. De basislening en de aanvullende lening kunnen gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt. Het collegegeldkrediet kan gedurende de periode bedoeld in het eerste en derde lid worden verstrekt.
5. Op aanvraag kan een student als bedoeld in [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), gedurende de in het derde lid bedoelde periode tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in [artikel 3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
6. Op aanvraag kan een student als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01), gedurende de in het derde lid bedoelde periode tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in [artikel 3.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
##### Artikel 5.3. Vorm waarin reisvoorziening wordt verstrekt
1. Studiefinanciering in de vorm van een reisvoorziening wordt in de vorm van een prestatiebeurs verstrekt gedurende de periode, bedoeld in [artikel 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), vermeerderd met 1 jaar.
2. Het deel van de prestatiebeurs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs wordt niet uitbetaald of verrekend.
3. Indien de prestatiebeurs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.26&z=2015-08-01&g=2015-08-01) of is stopgezet als bedoeld in [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.27&z=2015-08-01&g=2015-08-01). In afwijking van [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01) is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in [artikel 3.7, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), is toegekend.
1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt aan een student verstrekt:
- a. voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 7.3a, tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a) gedurende de periode waarop de studielast van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs op grond van [artikel 7.4b, eerste tot en met zevende lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b) is gebaseerd; of
- b. voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a) gedurende de periode waarop de studielast van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op grond van [artikel 7.4a, eerste tot en met zevende lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) is gebaseerd.
2. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat, verstrekt in de vorm van een gift.
3. De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
4. Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de [artikelen 3.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.13&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01) naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
5. Op aanvraag kan een student als bedoeld in[artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01) gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
##### Artikel 5.3. Waarde van de reisvoorziening
1. Het deel van de prestatiebeurs hoger onderwijs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs hoger onderwijs wordt niet uitbetaald of verrekend.
2. Indien de prestatiebeurs hoger onderwijs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.26&z=2015-09-01&g=2015-09-01) of is stopgezet als bedoeld in [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.27&z=2015-09-01&g=2015-09-01). In afwijking van [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01) is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in [artikel 3.7, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), is toegekend.
##### Artikel 5.4. Lening in EER-landen
@@ -737,67 +767,43 @@
##### Artikel 5.6. Prestatiebeurs meer dan 4 jaren
1. De prestatiebeurs wordt gedurende meer dan 4 jaren verstrekt voor het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, eerste lid van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) en een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, derde, vierde, vijfde of zesde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a). De duur van de prestatiebeurs van 48 maanden wordt met een maand verlengd voor elke 5 studiepunten die de studielast van de masteropleiding boven de 60 studiepunten telt. Indien het aantal studiepunten boven de 60 geen veelvoud van 5 betreft, wordt de prestatiebeurs voor het geheel van studiepunten dat overblijft na toepassing van de vorige volzin, met een maand verlengd.
2. De prestatiebeurs wordt gedurende 6 jaar verstrekt indien het betreft het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een universiteit of levensbeschouwelijke universiteit dat, blijkens het onderwijsen examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap en waarvoor via de universiteit of levensbeschouwelijke universiteit middelen ter beschikking worden gesteld.
3. De prestatiebeurs wordt gedurende 7 jaar verstrekt voor het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, eerste lid, eerste volzin, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a)en een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, zevende lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a).
4. De duur van de prestatiebeurs wordt ten hoogste met 1 jaar verlengd indien het een bacheloropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, eerste lid, tweede volzin, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) betreft. Het eerste lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
5. De duur van de prestatiebeurs wordt op aanvraag met 1 jaar verlengd indien het betreft:
- a. een student die met goed gevolg het afsluitende examen van een bacheloropleiding heeft behaald, voorzover bij ministeriële regeling aangewezen, of een daarmee gelijk gesteld diploma, en
- b. deze student is ingeschreven voor de hbo-lerarenopleiding, voor een daarbinnen te volgen eenjarig programma, waarvan in bedoelde ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding verwant is aan de onder a bedoelde opleiding.
6. De duur van de prestatiebeurs wordt op aanvraag met 1 jaar verlengd indien het een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.30c van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.30c) betreft. De eerste volzin is niet van toepassing indien eerder op grond van het zevende lid van dit artikel prestatiebeurs is toegekend.
7. De duur van de prestatiebeurs wordt op aanvraag met 1 jaar verlengd indien met goed gevolg het afsluitende examen van een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, met uitzondering van het derde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) is behaald en daarna een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, derde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) wordt gevolgd. De eerste volzin is niet van toepassing indien eerder op grond van het vijfde of zesde lid van dit artikel prestatiebeurs is toegekend. De eerste volzin is eveneens niet van toepassing indien eerder op grond van het negende lid van dit artikel prestatiebeurs is toegekend, voor zover dat betrekking had op een opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken.
8. De duur van de prestatiebeurs wordt op aanvraag met 1 jaar verlengd indien reeds eerder prestatiebeurs is toegekend op grond van het vijfde lid en een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, derde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) wordt gevolgd.
9. De duur van de prestatiebeurs wordt met 1 jaar verlengd indien het een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4b, tweede tot en met zevende lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b) betreft.
10. Onze Minister verlengt op aanvraag van de student de duur van de prestatiebeurs eenmalig met 1 jaar indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een handicap of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.
Vervallen
#### Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
##### Artikel 5.7. Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn hoger onderwijs
1. Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs het afsluitend examen van een hbo bacheloropleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a) met goed gevolg heeft afgesloten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
2. Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgesloten, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.3b van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3b) die is geaccrediteerd als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel s, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) aanvangt.
3. Met een afsluitend examen wordt gelijkgesteld het examen van een deeltijdse opleiding of een opleiding van de Open Universiteit, voor zover deze examens door de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) daarmee gelijk worden gesteld.
4. Met een afsluitend examen wordt eveneens gelijkgesteld het examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs en het examen van een programma als bedoeld in [artikel 7.8a van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.8a), voorzover de student daartoe een aanvraag heeft ingediend.
1. Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afrondt, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift.
2. Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het eerste lid afrondt, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs hoger onderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.3b van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3b) die is geaccrediteerd als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel s, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) aanvangt.
3. Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld het afronden van een deeltijdse opleiding of een opleiding van de Open Universiteit, voor zover deze opleiding krachtens de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) daarmee gelijk wordt gesteld.
4. Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het eerste lid wordt eveneens gelijkgesteld het afronden van een wo-bacheloropleiding en het afronden van een programma als bedoeld in [artikel 7.8a van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.8a), voor zover de student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling.
##### Artikel 5.8. Omzetting in gift bij opleiding van minder dan 4 jaren
1. Indien een student met goed gevolg het afsluitend examen heeft behaald van een opleiding waarvan de studielast is gebaseerd op een periode van minder dan 4 jaren overeenkomstig [artikel 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), wordt het aantal om te zetten maanden van zijn prestatiebeurs met dit verschil verminderd.
2. Indien een student een aanvraag als bedoeld in [artikel 5.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.2&artikel=5.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), heeft ingediend, wordt het aantal maanden, bedoeld in het eerste lid, van de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Vervallen
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
##### Artikel 5.9. Berichtenstroom tussen instelling, Minister en student
1. De omzetting, bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.2&artikel=5.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d), of de mededeling, bedoeld in [artikel 9.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=9.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01). Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de student daarvan in kennis.
2. Een student die het examen, bedoeld in de [artikelen 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.2&artikel=5.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01) of [5.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.2&artikel=5.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d) niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs ingevolge [artikel 5.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.2&artikel=5.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
1. De omzetting, bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.2&artikel=5.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d), of de mededeling, bedoeld in [artikel 9.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=9.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01). Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de student daarvan in kennis.
2. Een student die het examen, bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.2&artikel=5.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d) niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs ingevolge [artikel 5.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.2&artikel=5.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari in eerste studiejaar
##### Artikel 5.10. Stoppen voor 1 februari
Indien een student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment voor het eerst prestatiebeurs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat studiejaar de in dat studiejaar toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Indien een student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat studiejaar de in dat studiejaar toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
##### Artikel 5.11. Stoppen voor 1 september
Indien een student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment na 31 januari voor het eerst prestatiebeurs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 september, en hij niet vóór 1 februari van het daaropvolgende studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het laatstbedoelde studiejaar de in het eerste studiejaar toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Indien een student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment na 31 januari voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 september, en hij niet vóór 1 februari van het daaropvolgende studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het laatstbedoelde studiejaar de in het eerste studiejaar toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari in eerste studiejaar
@@ -819,7 +825,7 @@
##### Artikel 5.15. Arbeidsongeschiktheid
Indien een student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van [hoofdstuk 3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&hoofdstuk=3) bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Indien een student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van [hoofdstuk 3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&hoofdstuk=3) bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
##### Artikel 5.16. Bijzondere omstandigheden
@@ -827,7 +833,7 @@
2. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
3. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
3. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
4. Indien een student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
@@ -837,19 +843,31 @@
##### Artikel 5.17. Tenietgaan rente
Bij omzetting van een prestatiebeurs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.
Bij omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
##### Artikel 6.1. Lening
In dit hoofdstuk wordt onder lening mede verstaan de prestatiebeurs.
##### Artikel 6.1. Begripsbepalingen hoofdstuk 6
1. In dit hoofdstuk wordt onder lening mede verstaan de prestatiebeurs.
2. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- **lening beroepsonderwijs:** lening die uitsluitend is aangegaan voor het volgen van beroepsonderwijs;
- **lening hoger onderwijs:** lening die is aangegaan voor het volgen van hoger onderwijs.
3. Vanaf de dag waarop een studerende met een lening beroepsonderwijs tevens een lening hoger onderwijs aangaat, wordt de lening beroepsonderwijs aangemerkt als een lening hoger onderwijs.
4. Dit lid is nog niet in werking getreden.
5. Indien de debiteur tevens een schuld uit een lening heeft als bedoeld in [hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=4), wordt die schuld voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als een schuld in de zin van dit hoofdstuk.
##### Artikel 6.2. Verplichting debiteur terugbetaling studieschuld
1. Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in [artikel 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.17&z=2015-08-01&g=2015-08-01), verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.
2. De vanaf de zesde maand waarvoor na het studiejaar 2000–2001 aanspraak op studiefinanciering bestaat ingevolge [hoofdstukken 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2015-08-01&g=2015-08-01) toegekende en niet in gift om te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.
1. Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in [artikel 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.17&z=2015-09-01&g=2015-09-01), verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.
2. De vanaf de zesde maand waarvoor na het studiejaar 2000–2001 aanspraak op studiefinanciering bestaat ingevolge [hoofdstukken 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2015-09-01&g=2015-09-01) toegekende en niet in gift om te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:
@@ -861,11 +879,9 @@
4. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat op het tijdstip van kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, teniet.
5. Bij kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, zijn de [artikelen 6.10, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01), van overeenkomstige toepassing, en is [artikel 6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01) niet van toepassing.
6. Indien de debiteur tevens een schuld uit een lening heeft als bedoeld in [hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=4), wordt die schuld voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als een schuld in de zin van dit hoofdstuk.
7. Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
5. Bij kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, zijn de [artikelen 6.10, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01), van overeenkomstige toepassing, en is [artikel 6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-09-01&g=2015-09-01) niet van toepassing.
6. Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
##### Artikel 6.3. Vaststelling rentepercentage
@@ -873,17 +889,15 @@
##### Artikel 6.4. Renteberekening
1. Over de aangegane leningen is, voor zover het niet betreft achterstallige schuld als bedoeld in [artikel 6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), rente verschuldigd overeenkomstig het tweede en derde lid. De renteberekening gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het bedrag aan lening bij de verstrekker van die lening is afgeschreven.
1. Over de aangegane leningen is, voor zover het niet betreft achterstallige schuld als bedoeld in [artikel 6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01), rente verschuldigd overeenkomstig het tweede en derde lid. De renteberekening gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het bedrag aan lening bij de verstrekker van die lening is afgeschreven.
2. De rente over de door de studerende in een studiefinancieringstijdvak opgenomen lening wordt berekend per dag op basis van samengestelde interest. Indien de terugbetaling niet binnen 2 weken na de vervaldatum is ontvangen, wordt de op voet van deze bepaling berekende rente bijgeschreven bij de hoofdsom.
3. In de periode die aan de terugbetalingsperiode voorafgaat, wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elk kalenderjaar het rentepercentage gehanteerd dat op grond van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01) uiterlijk in december van het aan dat jaar voorafgaande jaar is vastgesteld. In de terugbetalingsperiode wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elke periode van 5 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode, het rentepercentage gehanteerd dat op grond van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01) uiterlijk in december van het aan die periode voorafgaande jaar is vastgesteld.
3. In de periode die aan de terugbetalingsperiode voorafgaat, wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elk kalenderjaar het rentepercentage gehanteerd dat op grond van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01) uiterlijk in december van het aan dat jaar voorafgaande jaar is vastgesteld. In de terugbetalingsperiode wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elke periode van 5 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode, het rentepercentage gehanteerd dat op grond van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01) uiterlijk in december van het aan die periode voorafgaande jaar is vastgesteld.
4. Voor de berekening van de rente op de voet van het tweede lid wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen.
5. Indien op grond van [artikel 10.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), de over een studiejaar toegekende studiefinanciering lening wordt, gaat de renteberekening in op 1 januari van het kalenderjaar volgend op de datum waarop de vorm van de aan een studerende toegekende studiefinanciering onvoorwaardelijk is vastgesteld.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met het vijfde lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met het vierde lid.
##### Artikel 6.5. Terugbetalingsperiode
@@ -891,9 +905,19 @@
2. De terugbetalingsperiode bestaat uit een aanloopfase en een aflosfase.
3. Indien de debiteur gedurende de voor hem geldende diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel diplomatermijn hoger onderwijs opnieuw studiefinanciering geniet, of op aanvraag van de debiteur indien hij binnen bovengenoemde termijn opnieuw studerende wordt zonder hiervoor studiefinanciering te genieten, wordt de terugbetalingsperiode geschorst. Voor debiteuren die niet op grond van onderscheidenlijk [artikel 4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [artikel 5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01) onder een diplomatermijn vallen geldt, in afwijking van de eerste volzin, dat de terugbetaling wordt geschorst zolang de debiteur opnieuw studiefinanciering geniet, of op aanvraag van de debiteur indien hij binnen bovengenoemde termijn opnieuw studerende wordt zonder hiervoor studiefinanciering te genieten.
4. De schorsing, bedoeld in het derde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister of de debiteur nog studerende is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield studerende te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel de diplomatermijn hoger onderwijs.
3. Gedurende de voor de debiteur geldende diplomatermijn wordt de terugbetalingsperiode geschorst:
- a. van rechtswege indien de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in [artikel 3.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), geniet; of
- b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw studerende is en levenlanglerenkrediet geniet of geen studiefinanciering geniet.
4. Voor debiteuren voor wie nooit een diplomatermijn heeft gegolden op grond van [artikel 4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01) onderscheidenlijk [artikel 5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01) geldt, in afwijking van het derde lid, dat de terugbetaling wordt geschorst:
- a. van rechtswege zolang de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in [artikel 3.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), geniet; of
- b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw studerende is en levenlanglerenkrediet of geen studiefinanciering geniet.
5. De schorsing, bedoeld in het derde of vierde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister of de debiteur nog studerende is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield studerende te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel de diplomatermijn hoger onderwijs.
##### Artikel 6.6. Aanloopfase
@@ -903,7 +927,13 @@
##### Artikel 6.7. Aflosfase
1. De aflosfase beslaat behoudens toepassing van [artikel 6.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het tweede lid.
1. De aflosfase volgt op de aanloopfase en beslaat behoudens toepassing van [artikel 6.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01):
- a. 15 kalenderjaren voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs;
- b. 35 kalenderjaren voor de terugbetaling van een lening hoger onderwijs.
Deze periode wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het tweede lid.
2. Op aanvraag van de debiteur wordt de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opgeschort.
@@ -911,13 +941,13 @@
##### Artikel 6.8. Achterstallige schuld
1. Onder achterstallige schuld wordt verstaan het bedrag van de verplichte terugbetaling uit hoofde van dit hoofdstuk of uit hoofde van [artikel 7.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01) dat 2 weken na de vervaldatum nog niet is ontvangen.
1. Onder achterstallige schuld wordt verstaan het bedrag van de verplichte terugbetaling uit hoofde van dit hoofdstuk of uit hoofde van [artikel 7.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01) dat 2 weken na de vervaldatum nog niet is ontvangen.
2. Over de achterstallige schuld is rente verschuldigd. Als rentepercentage wordt het percentage van de wettelijke rente gehanteerd. Deze rente wordt berekend per dag op basis van samengesteld interest, waarbij een maand wordt gesteld op 30 dagen en een jaar wordt gesteld op 360 dagen.
3. Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in [artikel 6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), bij de vaststelling van de maandelijkse termijn, bedoeld in [artikel 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [6.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.15&z=2015-08-01&g=2015-08-01), alsmede bij het tenietgaan van de schuld, bedoeld in [artikel 6.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.16&z=2015-08-01&g=2015-08-01), geen rekening gehouden.
4. [Artikel 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01) is niet van toepassing.
3. Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in [artikel 6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), bij de vaststelling van de maandelijkse termijn, bedoeld in [artikel 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [6.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.15&z=2015-09-01&g=2015-09-01), alsmede bij het tenietgaan van de schuld, bedoeld in [artikel 6.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.16&z=2015-09-01&g=2015-09-01), geen rekening gehouden.
4. [Artikel 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01) is niet van toepassing.
##### Artikel 6.9. Vaststelling en betaling terugbetalingstermijnen
@@ -931,33 +961,33 @@
- c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.
3. Onverminderd toepassing van [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnen ten minste € 545,–. Bij ministeriële regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden herzien.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat betaling geschiedt door middel van een daartoe verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een bank- of postbankrekening.
3. Onverminderd toepassing van [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01) bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnen voor de terugbetaling van de lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk lening hoger onderwijs ten minste € 545 onderscheidenlijk € 60. Bij ministeriële regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden herzien.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat betaling geschiedt door middel van een daartoe verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een bankrekening.
##### Artikel 6.10. Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis
1. Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is het totaal van zijn toetsingsinkomen en dat van zijn partner in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.
2. Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan:
- a. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met partner,
- b. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur die ouder zonder partner is als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2), of
- c. 84% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner.
3. De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 12% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet.
4. Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het bedrag van de vastgestelde termijn, berekend op grond van [artikel 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), betaalt de debiteur, in afwijking van dat artikel, het bedrag van zijn draagkracht.
5. Voor de toepassing van dit artikel, wordt indien het toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen benadert.
1. Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is het totaal van zijn toetsingsinkomen en dat van zijn partner in het peiljaar. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.
2. Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk een lening hoger onderwijs gelijk aan:
- a. 120% onderscheidenlijk 143% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met partner;
- b. 120% onderscheidenlijk 143% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur die in het peiljaar een ouder zonder partner is als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2); of
- c. 84% onderscheidenlijk 100% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner.
3. De draagkracht van de debiteur uit inkomen is voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk een lening hoger onderwijs 12% onderscheidenlijk 4% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet.
4. Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het bedrag van de vastgestelde termijn, berekend op grond van [artikel 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), betaalt de debiteur, in afwijking van dat artikel, het bedrag van zijn draagkracht.
5. Voor de toepassing van dit artikel, wordt indien het toetsingsinkomen in het peiljaar nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen benadert.
6. Het vierde lid is niet van toepassing indien het voor Onze Minister niet mogelijk is op grond van het vijfde lid bij benadering een bedrag vast te stellen.
##### Artikel 6.11. Draagkracht niet binnenlands belastingplichtige debiteur; op aanvraag
1. Voor een debiteur die in het peiljaar niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en die niet op grond van [artikel 2.5, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.5) als zodanig is aangemerkt, kan [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) slechts toepassing vinden als de debiteur daartoe bij Onze Minister een aanvraag indient.
1. Voor een debiteur die in het peiljaar niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en die niet op grond van [artikel 2.5, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.5) als zodanig is aangemerkt, kan [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01) slechts toepassing vinden als de debiteur daartoe bij Onze Minister een aanvraag indient.
2. Indien de debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353).
@@ -965,7 +995,7 @@
##### Artikel 6.12. Terugval in inkomen
1. Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien:
1. Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01) uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen in het peiljaar, indien:
- a. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of
@@ -977,7 +1007,7 @@
- b. aannemelijk wordt gemaakt dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de aanhef alsmede in onderdeel a.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon in het peiljaar, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert.
##### Artikel 6.13. Draagkracht ouder zonder partner
@@ -985,19 +1015,21 @@
##### Artikel 6.14. Partner van debiteur ook debiteur
1. Indien de partner van de debiteur ook een debiteur op wie dit hoofdstuk van toepassing is is, wordt:
- a. [artikel 6.10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01), slechts eenmaal toegepast op het totaal van het toetsingsinkomen voor beide partners samen;
1. Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is op wie dit hoofdstuk van toepassing is, wordt:
- a. [artikel 6.10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01), slechts eenmaal toegepast op het totaal van het toetsingsinkomen voor beide partners samen;
- b. de draagkracht per debiteur vastgesteld op basis van de verhouding tussen de hoogte van het toetsingsinkomen van beide debiteuren afzonderlijk;
- c. de draagkracht van de debiteur eerst aangewend voor de betaling van de eigen termijn op grond van [artikel 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01). Het bedrag aan resterende draagkracht van de debiteur wordt toegevoegd aan de draagkracht van de partner van wie de draagkracht zonder deze toevoeging lager is dan de voor hem op grond van [artikel 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01) vastgestelde termijn.
2. Indien de debiteur een partner heeft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt het op grond van [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) berekende bedrag van de draagkracht van de debiteur verminderd met de op grond van [artikel 10a.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01) voor zijn partner vastgestelde terugbetalingstermijn, danwel de op grond van [artikel 10a.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01) berekende draagkracht van zijn partner. Indien de uitkomst negatief is wordt de draagkracht van de debiteur op nihil vastgesteld.
- c. de draagkracht van de debiteur eerst aangewend voor de betaling van de eigen termijn op grond van [artikel 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01). Het bedrag aan resterende draagkracht van de debiteur wordt toegevoegd aan de draagkracht van de partner van wie de draagkracht zonder deze toevoeging lager is dan de voor hem op grond van [artikel 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01) vastgestelde termijn.
2. Indien een van de partners een lening beroepsonderwijs en de andere partner een lening hoger onderwijs terugbetaalt, wordt onverminderd het eerste lid voor beide partners [artikel 6.10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01), afzonderlijk toegepast volgens de percentages die van toepassing zijn op de terugbetaling van de desbetreffende lening.
3. Indien de debiteur een partner heeft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt het op grond van [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01) berekende bedrag van de draagkracht van de debiteur verminderd met de op grond van [artikel 10a.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2015-09-01&g=2015-09-01) voor zijn partner vastgestelde terugbetalingstermijn, danwel de op grond van [artikel 10a.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01) berekende draagkracht van zijn partner. Indien de uitkomst negatief is wordt de draagkracht van de debiteur op nihil vastgesteld.
##### Artikel 6.15. Wijziging maandelijkse termijn
Indien een debiteur gedurende een kalenderjaar op grond van zijn draagkracht minder heeft betaald dan de termijn, bedoeld in [artikel 6.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), wordt zijn termijn opnieuw vastgesteld per 1 januari van het jaar daaropvolgend. De gewijzigde termijn wordt vastgesteld op basis van het resterende aantal maanden van de aflosfase.
Indien een debiteur gedurende een kalenderjaar op grond van zijn draagkracht minder heeft betaald dan de termijn, bedoeld in [artikel 6.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt zijn termijn opnieuw vastgesteld per 1 januari van het jaar daaropvolgend. De gewijzigde termijn wordt vastgesteld op basis van het resterende aantal maanden van de aflosfase.
##### Artikel 6.16. Garantiebepalingen
@@ -1009,9 +1041,9 @@
1. Op het ogenblik van beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende wordt zijn schuld, ontstaan in het kader van de toepassing van deze wet, van rechtswege omgezet in een lening.
2. Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende door een beschikking op grond van [artikel 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01) een vordering ontstaat van Onze Minister, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de studerende is opgehouden studerende te zijn. Indien de omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de studerende ophoudt studerende te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari van dat kalenderjaar. [Artikel 6.4, derde lid, laatste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), is bij de berekening van rente van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een schuld uit een lening en een schuld, ontstaan door de toepassing van [artikel 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.27&z=2015-08-01&g=2015-08-01), niet omgezet.
2. Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende door een beschikking op grond van [artikel 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01) een vordering ontstaat van Onze Minister, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de studerende is opgehouden studerende te zijn. Indien de omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de studerende ophoudt studerende te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari van dat kalenderjaar. [Artikel 6.4, derde lid, laatste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), is bij de berekening van rente van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een schuld uit een lening en een schuld, ontstaan door de toepassing van [artikel 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.27&z=2015-09-01&g=2015-09-01), niet omgezet.
4. De in het eerste of tweede lid bedoelde lening wordt rentedragend met ingang van het tijdstip van de daar bedoelde omzetting.
@@ -1049,36 +1081,34 @@
- f. de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt vastgesteld of gewijzigd,
- g. de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in [artikel 6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), wordt vastgesteld of gewijzigd,
- g. de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in [artikel 6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt vastgesteld of gewijzigd,
- h. de hoogte van het collegegeldkrediet wordt vastgesteld of gewijzigd,
- i. een herziening van de keuze in een soort reisvoorziening is geweigerd,
- j. een bedrag is vastgesteld dat de studerende verschuldigd is omdat hij het reisvoorziening niet tijdig heeft beëindigd, of
- k. de aanvraag van een studerende, bedoeld in [artikel 3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), om als reisvoorziening een reisrecht te ontvangen, is toegekend of geweigerd.
- j. een bedrag is vastgesteld dat de studerende verschuldigd is omdat hij het reisproduct niet tijdig heeft stopgezet, of
- k. de aanvraag van een studerende, bedoeld in [artikel 3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), om als reisvoorziening een reisrecht te ontvangen, is toegekend of geweigerd.
2. Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:
- a. een beschikking genomen is waarvan de studerende of de debiteur onderscheidenlijk zijn ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was,
- b. de situatie van langdurige afwezigheid, bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), zich niet heeft voorgedaan,
- c. te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de vorm van de studiefinanciering op grond van [artikel 10.6, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01), opnieuw wordt vastgesteld, de termijn te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in [artikel 6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot het reisvoorziening is genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
- b. de situatie van langdurige afwezigheid, bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zich niet heeft voorgedaan,
- c. te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de termijn te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in [artikel 6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot de reisvoorziening is genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
- d. betrokkene heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet,
- e. geen gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van [artikel 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) of de aanvraag van de debiteur op grond van [artikel 6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01), omdat niet kon worden voldaan aan de voorwaarde genoemd in [artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en is gebleken dat gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in [artikel 3.10, tweede lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk [artikel 6.12, tweede lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01) alsmede de onderdelen a en b,
- f. gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van [artikel 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) of de aanvraag van de debiteur op grond van [artikel 6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en is gebleken dat niet gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in [artikel 3.10, tweede lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk [artikel 6.12, tweede lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01) alsmede de onderdelen a en b, of
- e. geen gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van [artikel 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01) of de aanvraag van de debiteur op grond van [artikel 6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-09-01&g=2015-09-01), omdat niet kon worden voldaan aan de voorwaarde genoemd in [artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en is gebleken dat gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in [artikel 3.10, tweede lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01) alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk [artikel 6.12, tweede lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-09-01&g=2015-09-01) alsmede de onderdelen a en b,
- f. gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van [artikel 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01) of de aanvraag van de debiteur op grond van [artikel 6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en is gebleken dat niet gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in [artikel 3.10, tweede lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01) alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk [artikel 6.12, tweede lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-09-01&g=2015-09-01) alsmede de onderdelen a en b, of
- g. andere, nader gebleken feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere beschikking zouden hebben geleid.
3. Een herziening als bedoeld in het tweede lid de onderdelen a, b, c, voor zover het betreft de vorm van de studiefinanciering, e of f, kan, behoudens het geval van bedrog, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening als bedoeld in het tweede lid onder c, voor zover het betreft de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, slechts geschieden binnen 3 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening anders dan bedoeld in de eerste en tweede volzin, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een beschikking waarbij de vorm van de studiefinanciering op grond van [artikel 10.7, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), onvoorwaardelijk is vastgesteld.
##### Artikel 7.2. Herziening door verstrekker van de kaart
Vervallen
@@ -1089,17 +1119,17 @@
##### Artikel 7.4. Verrekening teveel toegekende en uitbetaalde studiefinanciering
1. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in [artikel 7.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01), of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. Tevens vindt verrekening plaats van de bedragen, bedoeld in de [artikelen 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.27&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en [3.29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.29&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
2. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in [artikel 7.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01), of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt voor zover het bedrag waarvoor het recht om een lening af te sluiten te hoog is toegekend, het deel dat te hoog is toegekend en uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
1. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in [artikel 7.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. Tevens vindt verrekening plaats van de bedragen, bedoeld in de [artikelen 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.27&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en [3.29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.29&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
2. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in [artikel 7.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt voor zover het bedrag waarvoor het recht om een lening af te sluiten te hoog is toegekend, het deel dat te hoog is toegekend en uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
3. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in [artikel 7.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=7.1), of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag aan tegemoetkoming dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
4. Indien na een voorlopige voorziening als bedoeld in [titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=8.3), de beslissing in hoofdzaak daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag dat op grond van de voorlopige voorziening teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
5. De in het eerste tot en met vierde lid bedoelde terugbetaling, voor zover [artikel 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.17&z=2015-08-01&g=2015-08-01) niet van toepassing is, en verrekening geschieden overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen redelijke terugbetalingsregels.
7. [Artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:93) is niet van toepassing op deze wet.
5. De in het eerste tot en met vierde lid bedoelde terugbetaling, voor zover [artikel 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.17&z=2015-09-01&g=2015-09-01) niet van toepassing is, en verrekening geschieden overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen redelijke terugbetalingsregels.
6. [Artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:93) is niet van toepassing op deze wet.
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
@@ -1113,7 +1143,7 @@
##### Artikel 8.2. Onderwijsbijdrage
In het studiejaar waarin een deelnemer de leeftijd van 18 jaren bereikt, wordt de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage, bedoeld in [artikel 3.2, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), voor dat studiejaar niet toegekend. De eerste volzin is tevens van toepassing op een deelnemer die in de periode na 1 juli voorafgaand aan het betreffende studiejaar de leeftijd van 18 jaren bereikt.
Vervallen
##### Artikel 8.3. Invordering en dwangbevel
@@ -1125,7 +1155,7 @@
##### Artikel 9.1. Toezicht door onderwijsinspectie
Het toezicht door de inspectie, bedoeld in de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800), heeft mede betrekking op de vraag of de instelling of de opleiding voldoet aan de van toepassing zijnde voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 2.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=2.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [2.13, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.13&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en [4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
Het toezicht door de inspectie, bedoeld in de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800), heeft mede betrekking op de vraag of de instelling of de opleiding voldoet aan de van toepassing zijnde voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 2.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=2.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [2.13, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.13&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en [4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
@@ -1153,15 +1183,9 @@
##### Artikel 9.5. Verstrekken van inlichtingen door instellingen
1. De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling als bedoeld in de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=2.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.11&z=2015-08-01&g=2015-08-01), uitgaat, is verplicht op een bij ministeriële regeling aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet.
2. De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat als bedoeld in [artikel 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01), alsmede als bedoeld in de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, stelt aan het einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste en tweede lid, van iedere aan de instelling ingeschreven student vast en stelt betrokkene voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van deze voortgang in kennis.
3. Voorts stelt de natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het tweede lid, na het einde van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend Onze Minister in kennis welke studenten de norm van 30 of 20 studiepunten niet hebben behaald.
4. De natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het tweede lid, stuurt gelijktijdig een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de betrokkene aan Onze Minister verstrekt en geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.
5. Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waarop [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d) niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan Onze Minister en gelijktijdig de student van die mededeling in kennis stelt.
1. De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling als bedoeld in de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=2.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.11&z=2015-09-01&g=2015-09-01), uitgaat, is verplicht op een bij ministeriële regeling aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet.
2. Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waarop [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d) niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan Onze Minister en gelijktijdig de student van die mededeling in kennis stelt.
##### Artikel 9.6. Verstrekken van inlichtingen door organen met een publiekrechtelijke taak
@@ -1175,17 +1199,17 @@
##### Artikel 9.7. Niet verstrekken inlichtingen door instelling over studievoortgang
Indien een instelling als bedoeld in de [artikelen 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.11&z=2015-08-01&g=2015-08-01), niet uiterlijk 1 november volgend op het einde van het studiejaar aan Onze Minister de gegevens, bedoeld in [artikel 7.9a van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9a), of in de [artikelen 9.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=9.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01), of [10.6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01), heeft verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze Minister op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag aan onvoorwaardelijk als gift vastgestelde studiefinanciering, bedoeld in de [artikelen 10a.3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), of [10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), dat aan de studenten aan die instelling is toegekend.
Vervallen
##### Artikel 9.8. Niet verstrekken inlichtingen door instelling over langdurige afwezigheid deelnemers
Indien een instelling als bedoeld in [artikel 2.4, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=2.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), op enig moment in een studiejaar niet een administratie als bedoeld in [artikel 4.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01), voert of niet na afloop van de in de [artikelen 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01) bedoelde periodes van onafgebroken afwezigheid zonder geldige reden aan Onze Minister de vereiste gegevens verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze Minister op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag van als gift vastgestelde studiefinanciering dat aan de deelnemers aan die instelling in het studiejaar waarin deze in gebreke was, is toegekend.
##### Artikel 9.9. Niet voldoen aan verplichtingen [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01) door studerende
1. Indien een studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01), kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
2. De herziening vindt plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de studerende of een van hen na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de studerende, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
Indien een instelling als bedoeld in [artikel 2.4, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=2.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), op enig moment in een studiejaar niet een administratie als bedoeld in [artikel 4.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01), voert of niet na afloop van de in de [artikelen 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.1&artikel=4.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01) bedoelde periodes van onafgebroken afwezigheid zonder geldige reden aan Onze Minister de vereiste gegevens verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze Minister op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag van als gift vastgestelde studiefinanciering dat aan de deelnemers aan die instelling in het studiejaar waarin deze in gebreke was, is toegekend.
##### Artikel 9.9. Niet voldoen aan verplichtingen [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01) door deelnemer
1. Indien een deelnemer het normbedrag voor een uitwonende deelnemer toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01), kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de deelnemer in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
2. De herziening vindt plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de deelnemer in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de deelnemer of een van hen na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de deelnemer, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
3. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
@@ -1193,7 +1217,7 @@
##### Artikel 9.10. Niet verstrekken van inlichtingen
Hij die niet voldoet aan een van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=9.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01), wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 6 maanden of geldboete van de derde categorie.
Hij die niet voldoet aan een van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=9.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 6 maanden of geldboete van de derde categorie.
##### Artikel 9.11. Overtreding van een bepaling krachtens deze wet
@@ -1201,139 +1225,49 @@
##### Artikel 9.12. Overtreding
De in de [artikelen 9.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.4&artikel=9.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [9.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.4&artikel=9.11&z=2015-08-01&g=2015-08-01) strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
De in de [artikelen 9.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.4&artikel=9.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [9.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.4&artikel=9.11&z=2015-09-01&g=2015-09-01) strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
##### Artikel 10.1. Tempobeurs
In dit hoofdstuk wordt onder tempobeurs verstaan een voorwaardelijke gift die onder voorwaarden kan worden omgezet in een lening. De tempobeurs omvat niet de reisvoorziening.
Vervallen
##### Artikel 10.2. Reikwijdte; hoofdstuk uitsluitend van toepassing op cohorten 1991–1996
1. Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 juli 1991 en voor 1 september 1996 voor het eerst voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955).
2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op studenten die onderwijs volgen aan een opleiding als bedoeld in de [artikelen 2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.11&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01). De studiefinanciering aan deze studenten wordt op grond van artikel VI van de wet van 28 maart 1996 (Stb. 226) gedurende 6 jaren verstrekt in de vorm van een gift. Indien Onze Minister heeft bepaald dat het een langere opleiding betreft, wordt het aantal van 6 jaren verhoogd met het meerdere.
Vervallen
##### Artikel 10.3. Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt
1. In afwijking van [artikel 3.1, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01), kan studiefinanciering worden toegekend in de vorm van tempobeurs.
2. Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 5 jaren of het aantal jaren genoemd in [artikel 10.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01), verstrekt in de vorm van een tempobeurs. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift.
3. Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 2 jaren na de periode, bedoeld in het tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift. Het bedrag dat per maand gedurende deze periode kan worden geleend, bedraagt, in afwijking van de [artikelen 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), naar de maatstaf van 1 januari 2007 € 809,93 per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. De [artikelen 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.13&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01) zijn niet van toepassing.
##### Artikel 10.4. Afwijking van de [artikelen 2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.13&z=2015-08-01&g=2015-08-01) (voorheen artikel 9, zevende lid) en [2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.16&z=2015-08-01&g=2015-08-01) (voorheen artikel 9, tiende lid); geen aanspraak of geen aanspraak meer
In afwijking van de [artikelen 2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.13&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.16&z=2015-08-01&g=2015-08-01) geldt dat:
- a. een student geen aanspraak op studiefinanciering heeft:
- 1°. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op de tempobeurs gedurende 24 maanden een lening heeft genoten,
- 2°. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op de tempobeurs ingevolge [artikel 10.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of
- 3°. indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar, en
- b. de studerende geen aanspraak op studiefinanciering heeft voor het volgen van een opleiding in het beroepsonderwijs, indien hij reeds 5 jaren studiefinanciering heeft genoten voor het volgen van een opleiding in het hoger onderwijs.
Vervallen
##### Artikel 10.4. Afwijking van de [artikelen 2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.13&z=2015-09-01&g=2015-09-01) (voorheen artikel 9, zevende lid) en [2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.16&z=2015-09-01&g=2015-09-01) (voorheen artikel 9, tiende lid); geen aanspraak of geen aanspraak meer
Vervallen
##### Artikel 10.5. Duur van de tempobeurs (voorheen artikel 17a, tweede, derde, vierde en achtste lid)
1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die een opleiding volgen aan een onderwijsinstelling als bedoeld in de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
2. De tempobeurs wordt gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft:
- a. een opleiding, genoemd in [artikel 7.4, derde lid, eerste volzin, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4), zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, of
- b. het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) en een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, derde lid, eerste volzin, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a).
3. De tempobeurs wordt gedurende 7 jaren verstrekt, indien het betreft:
- a. een opleiding, genoemd in [artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4), zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde,
- b. het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) en een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, zesde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a), of
- c. het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) en een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, derde lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a).
4. De tempobeurs wordt gedurende 7,5 jaren verstrekt, indien het betreft:
- a. een opleiding als bedoeld in [artikel 18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die dan wel het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een openbare of bijzondere universiteit dat, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap,
- b. het geheel van een bacheloropleiding en masteropleiding met een gezamenlijke studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs,
- c. een opleiding als bedoeld in [artikel 18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs,
- d. het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling als bedoeld in [artikel 6.9 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), of
- e. een opleiding in de zin van [artikel 18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) in de godgeleerdheid aan een aangewezen instelling als bedoeld in [artikel 6.9 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
5. De periode van 5 jaren, genoemd in [artikel 10.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), wordt met 1 jaar verlengd, indien de student een opleiding volgt als bedoeld in:
- a. [artikel 7.4b, tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b),
- b. [artikel 18.16 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.16), of
- c. [artikel 18.20 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.20).
6. Onze Minister verlengt op aanvraag van de student het aantal jaren tempobeurs, bedoeld in dit artikel, eenmalig met 12 maanden, indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren tempobeurs.
7. Indien een student gelijktijdig staat ingeschreven voor meer dan een studie, waaronder een studie als bedoeld in het derde, vierde of vijfde lid, wordt de periode van 5 jaren, genoemd in [artikel 10.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), slechts verlengd nadat hij aan Onze Minister een verklaring van het instellingsbestuur verstrekt waaruit blijkt dat de student 240 studiepunten heeft behaald van een studie die moet leiden tot verlenging. De verklaring, bedoeld in de eerste volzin, dient eveneens te worden verstrekt, indien de gelijktijdige inschrijving voor meer dan een studie aanvangt nadat reeds een verlenging is verleend op grond van het tweede, derde of vierde lid, en de inschrijving voor de studie op grond waarvan die verlenging is verleend niet wordt gestaakt.
Vervallen
##### Artikel 10.6. Toelage na korting wegens gebrek aan studievoortgang uitsluitend lening (voorheen artikel 17b)
1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die een opleiding volgen aan een onderwijsinstelling als bedoeld in de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
2. De tempobeurs bestaat geheel uit lening in het studiejaar waarin de student niet ten minste 30 studiepunten heeft behaald. De vorige volzin is niet van toepassing op opleidingen als bedoeld in [artikel 7.4, vierde lid, eerste volzin, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002, en in [artikel 7.4a, derde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) en [artikel 7.4b, achtste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b). Voor een student die zich als student in het onderwijs, bedoeld in de eerste volzin, inschrijft na 31 januari van een studiejaar, geldt, in afwijking van de eerste volzin een norm van 20 studiepunten.
3. In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister naar aanleiding van een door een instelling als bedoeld in [artikel 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01), alsmede als bedoeld in de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, in te dienen aanvraag, toestaan dat in plaats van studiepunten een andere norm voor de beoordeling van studievoortgang wordt gehanteerd. Deze andere norm dient gelijkwaardig te zijn aan de norm uitgedrukt in studiepunten. De opleiding dient zodanig te worden ingericht dat een student in redelijkheid kan voldoen aan de in de vorige volzin bedoelde norm.
4. De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat als bedoeld in [artikel 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01), alsmede als bedoeld in [de artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, stelt aan het einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste en tweede lid, van iedere aan de instelling ingeschreven student vast en stelt betrokkene voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van deze voortgang in kennis.
5. Voorts stelt de natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, na het einde van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend Onze Minister in kennis welke studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in het tweede of derde lid, niet hebben behaald. Op de verstrekking van die gegevens zijn de krachtens [artikel 9.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=9.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01), vastgestelde regels van toepassing.
6. De natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, stuurt gelijktijdig een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de betrokkene aan Onze Minister verstrekt en geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de mogelijkheid om studiepunten, behaald in een voorafgaand studiejaar mee te laten tellen bij de beoordeling van de vraag of aan de norm, bedoeld in het tweede lid, is voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder studiepunten die in enig jaar zijn behaald, leiden tot herziening van een beschikking, inhoudende de onvoorwaardelijke vorm van de aan de student toegekende studiefinanciering op grond van [artikel 10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
Vervallen
##### Artikel 10.7. Voorwaardelijke toekenning studiefinanciering en latere vaststelling onvoorwaardelijke vorm (voorheen artikel 31a)
1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die een opleiding volgen aan een onderwijsinstelling als bedoeld in de[artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
2. Ten aanzien van een student wordt de tempobeurs toegekend onder de voorwaarde dat de student over een studiejaar het in [artikel 10.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01), of het krachtens [artikel 10.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01), vastgestelde resultaat behaalt.
3. Over het studiejaar waarin de student blijkens de mededeling aan Onze Minister, bedoeld in [artikel 10.6, vierde lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01), of de mededeling, bedoeld in [artikel 7.9a, tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9a), de norm van de studievoortgang niet heeft behaald, wordt met ingang van 31 december van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, de tempobeurs van rechtswege omgezet in lening. Onze Minister maakt de omzetting zo spoedig mogelijk aan de student bekend. De tempobeurs van de studenten voor wie Onze Minister niet een mededeling als bedoeld in de eerste volzin, heeft ontvangen, wordt op 31 december van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van rechtswege onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
4. Bij de beoordeling van de studievoortgang tellen de studiepunten mee die zijn behaald in opleidingen waarop [artikel 10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01) van toepassing is. Bij de beoordeling van de studievoortgang tellen niet mee de studiepunten die zijn behaald als gevolg van een vrijstelling als bedoeld in [artikel 7.13, tweede lid, onderdeel r, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.13).
5. Indien een student als bedoeld in het tweede lid, in het eerste studiejaar van inschrijving in het hoger onderwijs waarvoor hij op enig moment studiefinanciering geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering in de zin van dit hoofdstuk voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt aan het einde van dat studiejaar de tempobeurs voor dat studiejaar onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
6. In het studiejaar waarin de student, bedoeld in het tweede lid, een opleiding waarvoor de student staat ingeschreven, met goed gevolg afrondt, wordt de tempobeurs voor dat studiejaar onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
7. Indien een onderwijsinstelling als bedoeld in [artikel 10.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01), niet na het einde van elk studiejaar voor 1 november daaropvolgend aan Onze Minister de gegevens, bedoeld in [artikel 7.9a van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9a), of [artikel 10.6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01), heeft verstrekt, wordt de tempobeurs onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
Vervallen
##### Artikel 10.8. Omzetting van integrale lening in gemengde toelage (voorheen artikel 31b)
1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die:
- a. na 31 augustus 1995 en voor 1 september 1996 voor het eerst voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955), en
- b. een voltijdse opleiding volgen als bedoeld in [artikel 7.4, zesde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4) , zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002, of het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) en een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a).
2. Indien aan een student na de periode van 5 jaren, genoemd in [artikel 10.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), op grond van [artikel 10.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), studiefinanciering in de vorm van lening is verstrekt voor een periode van 2 jaren, vermeerderd met 1 jaar, en hij een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte kopie van het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd hebben van het afsluitend examen van een zodanige opleiding aan Onze Minister overlegt, wordt zijn studiefinanciering over die leenperiode opnieuw vastgesteld alsof [artikel 10.3, derde lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), over die periode niet van toepassing was geweest. Indien die leenperiode langer is dan 12 maanden, wordt de werking van de vorige volzin beperkt tot de eerste 12 maanden van die leenperiode.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op maanden die deel uitmaken van een studiejaar waarin de student niet het in [artikel 10.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01), genoemde aantal studiepunten heeft behaald. De eerste volzin is niet van toepassing op maanden van het studiejaar waarin de student de opleiding waarvoor hij staat ingeschreven, met goed gevolg afrondt.
4. Het tweede lid is niet van toepassing, indien de daar bedoelde gewaarmerkte kopie van het getuigschrift niet binnen 2 jaren na het einde van de leenperiode waarop het tweede lid, laatste volzin, betrekking heeft, of wanneer dat eerder is, binnen 6 maanden na de uitreiking van dat getuigschrift, aan Onze Minister is overgelegd.
5. Bij het in het tweede lid bedoelde opnieuw vaststellen van de studiefinanciering wordt de per maand in aanmerking te nemen aanvullende beurs vastgesteld op het gemiddelde van de maandbedragen aan aanvullende beurs die aan de aanvrager voorwaardelijk zijn toegekend over de laatste 12 maanden van de in het tweede lid bedoelde periode van 5 jaren. De toekenning van gift op grond van het tweede lid is een onvoorwaardelijke.
Vervallen
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
##### Artikel 11.1. Aanpassing van bedragen
1. Per 1 januari van ieder kalenderjaar past Onze Minister de bedragen, genoemd in de [artikelen 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [3.17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.4&artikel=3.17&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01), met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, [4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [4.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2¶graaf=4.2.2&artikel=4.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [10.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10&artikel=10.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), aan op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon- of prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar.
2. De bedragen maximale aanvullende beurs/lening in de kolom hoger onderwijs, genoemd in overzicht 2 van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01), worden voor de studiejaren 2009–2010 tot en met 2018–2019 jaarlijks op 1 september verhoogd met een bedrag van € 1,84. Het bedrag basislening in de kolom hoger onderwijs, genoemd in overzicht 2 van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01), wordt gelijktijdig met hetzelfde bedrag verlaagd.
1. Per 1 januari van ieder kalenderjaar past Onze Minister de bedragen, genoemd in de [artikelen 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [3.17, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.4&artikel=3.17&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01), met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, [4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [4.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2¶graaf=4.2.2&artikel=4.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [6.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.2a&z=2015-09-01&g=2015-09-01), aan op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon- of prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar.
2. Het bedrag van de maximale aanvullende beurs, genoemd in [artikel 3.18, overzicht 2, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt voor de studiejaren 2009–2010 tot en met 2018–2019 jaarlijks op 1 september verhoogd met een bedrag van € 1,84. Het bedrag van de basislening, genoemd in [artikel 3.18, overzicht 2, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt gelijktijdig met hetzelfde bedrag verlaagd.
3. De aangepaste bedragen treden in de plaats van de in het eerste en tweede lid bedoelde, aan te passen bedragen.
@@ -1363,9 +1297,9 @@
- c. het begrip vreemdeling,
- d. [artikel 1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en
- e. [artikel 3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
- d. [artikel 1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en
- e. [artikel 3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
##### Artikel 11.6. Bewaartermijn
@@ -1377,7 +1311,7 @@
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
##### Artikel 12.1. Afwijking van [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
##### Artikel 12.1. Afwijking van [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
1. Vervallen.
@@ -1389,33 +1323,31 @@
5. Vervallen.
6. Onder de begripsbepaling van «bacheloropleiding» in [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01), wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), en ten aanzien waarvan [artikel 18.18 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.18) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is.
7. Onder de begripsbepaling van «masteropleiding» in [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01), wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), en ten aanzien waarvan [artikel 18.18 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.18) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is.
##### Artikel 12.1a. Afwijking van artikel 1.5
Voor deelnemers die voor 1 augustus onderscheidenlijk voor studenten die voor 1 september volgend op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel XII van de wet van 13 december 2000 tot wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene, Stb. 2001, 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011964&artikel=VII), studiefinanciering op grond van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) of van deze wet ontvingen, geldt in afwijking van [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01), zoals dat artikel luidde op 31 december 2011, dat waar de studerende woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld.
##### Artikel 12.1b. Afwijking van de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
1. In afwijking van de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01) komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in de [artikelen 18.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.14) of [18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15) zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), of [18.16 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.16), voorzover die opleiding is geaccrediteerd als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel s, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) of de toets nieuwe opleiding, bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel t, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), met positief gevolg heeft ondergaan.
2. In afwijking van de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01) komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in [artikel VII van de wet van 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009524&artikel=VII) (Stb. 1998, 216), voorzover die opleiding is geaccrediteerd als bedoeld in [artikel 5a.9 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=5a.9).
3. In afwijking van [artikel 2.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in plaats van ‘[6.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.5)’: [6.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.5).
4. In aanvulling op [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01) kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling als bedoeld in de [artikelen 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9) of [16.10 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=16.10), zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
##### Artikel 12.2. Afwijking van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01) voor het jaar 2006 vanwege nieuw zorgverzekeringsstelsel
1. In afwijking van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01) wordt het normbedrag maximale aanvullende beurs/lening (of veronderstelde ouderlijke bijdrage) voor zowel thuiswonend als uitwonend en voor zowel hoger onderwijs als beroepsonderwijs voor het kalenderjaar 2006 eenmalig verhoogd met € 5,84.
2. In afwijking van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01) wordt het normbedrag basislening voor zowel hoger onderwijs als beroepsonderwijs voor het kalenderjaar 2006 eenmalig verlaagd met € 5,84.
##### Artikel 12.3. Afwijking van [artikel 3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.6&artikel=3.21&z=2015-08-01&g=2015-08-01) in het studiejaar 2007–2008
In afwijking van [artikel 3.21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.6&artikel=3.21&z=2015-08-01&g=2015-08-01), kan een student die voor 1 september 2007, zonder aanspraak op studiefinanciering of visiebeurs, reeds ingeschreven stond voor het volgen van hoger onderwijs buiten Nederland, met terugwerkende kracht tot uiterlijk 1 september 2007 aanspraak maken op studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs buiten Nederland, indien hij uiterlijk 31 augustus 2008 hiertoe een aanvraag indient.
6. Onder de begripsbepaling van «bacheloropleiding» in [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), en ten aanzien waarvan [artikel 18.18 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.18) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is.
7. Onder de begripsbepaling van «masteropleiding» in [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), en ten aanzien waarvan [artikel 18.18 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.18) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is.
##### Artikel 12.1a. Afwijking van [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
Voor deelnemers die vóór 1 augustus 2002 onderscheidenlijk voor studenten die vóór 1 september 2002 studiefinanciering op grond van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) of van deze wet ontvingen, geldt in afwijking van [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zoals dat artikel luidde op 31 december 2011, dat waar de studerende woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld.
##### Artikel 12.1b. Afwijking van de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
1. In afwijking van de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01) komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in de [artikelen 18.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.14) of [18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010, of [18.16 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.16), voorzover die opleiding is geaccrediteerd als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel s, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) of de toets nieuwe opleiding, bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel t, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), met positief gevolg heeft ondergaan.
2. In afwijking van de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01) komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in [artikel VII van de wet van 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009524&artikel=VII) (Stb. 1998, 216), voorzover die opleiding is geaccrediteerd als bedoeld in [artikel 5a.9 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=5a.9).
3. In afwijking van [artikel 2.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01), geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in plaats van ‘[6.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.5)’: [6.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.5).
4. In aanvulling op [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01) kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling als bedoeld in de [artikelen 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9) of [16.10 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=16.10), zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010.
##### Artikel 12.2. Afwijking van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01) voor het jaar 2006 vanwege nieuw zorgverzekeringsstelsel
Vervallen
##### Artikel 12.3. Afwijking van [artikel 3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.6&artikel=3.21&z=2015-09-01&g=2015-09-01) in het studiejaar 2007–2008
Vervallen
##### Artikel 12.4. Afwijking van artikel 3.11
@@ -1437,13 +1369,13 @@
Vervallen
##### Artikel 12.9. Afwijking van de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
Op de student die vóór 1 september 2010 voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontving, blijven de [artikelen 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en [6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), van toepassing, zoals die artikelen op 31 augustus 2010 luidden.
##### Artikel 12.10. Afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
1. In afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01) wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de prestatiebeurs mede gedurende 5 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding:
##### Artikel 12.9. Afwijking van de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
Op de student die vóór 1 september 2010 voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontving, blijven de [artikelen 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en [6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), van toepassing, zoals die artikelen op 31 augustus 2010 luidden.
##### Artikel 12.10. Afwijking van voormalig [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.6&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
1. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.6&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel AZ, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261&artikel=I), de prestatiebeurs mede gedurende 5 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding:
- a. genoemd in [artikel 7.4, derde lid, eerste volzin, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4), zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde,
@@ -1451,23 +1383,23 @@
- c. genoemd in [artikel 18.20 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.20).
2. In afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01) wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de prestatiebeurs mede gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding, genoemd in [artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4), zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde. Het aantal om te zetten maanden wordt verminderd met het verschil tussen 360 studiepunten en de studielast die is gebaseerd op een geringer aantal maanden, indien een student:
2. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.6&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel AZ, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261&artikel=I), de prestatiebeurs mede gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding, genoemd in [artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4), zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde. Het aantal om te zetten maanden wordt verminderd met het verschil tussen 360 studiepunten en de studielast die is gebaseerd op een geringer aantal maanden, indien een student:
- a. met goed gevolg een examen heeft afgelegd van een deel van een opleiding, en
- b. dat deel ten minste 240 studiepunten bedraagt.
3. In afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01) wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de prestatiebeurs mede gedurende 6,5 jaar verstrekt, indien het betreft:
- a. een opleiding als bedoeld in [artikel 18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en
- b. een opleiding als bedoeld in [artikel 18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een opleiding in de zin van [artikel 18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) in de godgeleerdheid aan een op grond van [artikel 6.9 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) aangewezen instelling.
4. In afwijking van [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01) wordt de prestatiebeurs gedurende 6,5 jaar verstrekt aan een student die voor inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) studiefinanciering ontving voor:
3. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.6&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel AZ, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261&artikel=I), de prestatiebeurs mede gedurende 6,5 jaar verstrekt, indien het betreft:
- a. een opleiding als bedoeld in [artikel 18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en
- b. een opleiding als bedoeld in [artikel 18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een opleiding in de zin van [artikel 18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een op grond van [artikel 6.9 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, aangewezen instelling.
4. In afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.6&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel AZ, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261&artikel=I), wordt de prestatiebeurs gedurende 6,5 jaar verstrekt aan een student die vóór 1 september 2010 studiefinanciering ontving voor:
- a. het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een openbare of bijzondere universiteit dat, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, of
- b. een opleiding met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling als bedoeld in [artikel 6.9 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9), zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
- b. een opleiding met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling als bedoeld in [artikel 6.9 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010.
##### Artikel 12.11. Afwijking in verband met de [Aanpassingswet AWIR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018471)
@@ -1489,19 +1421,46 @@
3. Verplichtingen die op grond van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) bestaan, worden van rechtswege omgezet in verplichtingen op grond van deze wet.
##### Artikel 12.14. Overgangsbepaling bezwaar en beroep
Vervallen
##### Artikel 12.14. Cohortgarantie studievoorschot voor studenten aan een bacheloropleiding, masteropleiding, ongedeelde opleiding of opleiding duplex ordo
1. Op een student die vóór 1 september van het jaar waarin de [Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261) in werking treedt stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding of die onderwijs volgde volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in [artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a), en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel AX, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261&artikel=I), voor de nominale duur van die opleiding van toepassing:
- a. van [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01);
- b. van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), de [artikelen 2.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.13&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [2.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.16&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en [2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.17&z=2015-09-01&g=2015-09-01);
- c. van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&z=2015-09-01&g=2015-09-01), de [artikelen 3.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.6&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01), met uitzondering van [artikel 3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01); en
- d. [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2015-09-01&g=2015-09-01), met uitzondering van [artikel 5.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.3&artikel=5.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en [artikel 5.16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.7&artikel=5.16&z=2015-09-01&g=2015-09-01), waarbij voor «prestatiebeurs hoger onderwijs» wordt gelezen: prestatiebeurs;
- e. van [hoofdstuk 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-09-01&g=2015-09-01), de [artikelen 9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=9.1b&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [9.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.3&artikel=9.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [9.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.3&artikel=9.9a&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
2. In afwijking van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01) gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitwonende student die overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen de volgende bedragen per maand, naar de maatstaf van 1 januari 2014:
| | **thuiswonende** | **uitwonende** |
| --- | --- | --- |
| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 649,34 | € 833,22 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 854,13 |
| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 102,77 | € 279,14 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 286,15 |
| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 245,30 | € 258,35 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 266,71 |
| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 301,27 | € 295,73 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 301,27 |
3. [Artikel 6.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.2a&z=2015-09-01&g=2015-09-01) is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen.
4. Voor de debiteur met een schuld uit een lening die is ontstaan door verstrekking van studiefinanciering overeenkomstig het eerste lid, wordt de lening aangemerkt als een lening beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), tenzij [artikel 10a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01) van toepassing is.
5. Indien een debiteur als bedoeld in het vierde lid ingevolge de [Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261) geen basisbeurs toegekend heeft gekregen voor een masteropleiding of voor onderwijs volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in [artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a), kan de lening worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 6.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), indien de debiteur vóór aanvang van de aflosfase, maar na 31 december 2016, daartoe een aanvraag indient.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
##### Artikel 13.1. [Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333)
Wijzigt de Algemene bijstandswet.
##### Artikel 13.2. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368)
Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet.
##### Artikel 13.1. Horizonbepaling [artikel 11.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
Met ingang van 1 september 2019 vervalt [artikel 11.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), onder vernummering van het derde lid tot tweede lid en vervalt in het tweede lid (nieuw): en tweede.
##### Artikel 13.2. Horizonbepaling [artikel 12.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=12¶graaf=12.2&artikel=12.17&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
[Artikel 12.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=12¶graaf=12.2&artikel=12.17&z=2015-09-01&g=2015-09-01) vervalt met ingang van 1 januari van het jaar volgend op het jaar van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel CV, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261&artikel=I).
##### Artikel 13.3. [Derde tranche Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008120)
@@ -1589,11 +1548,11 @@
Deze wet treedt in werking op 1 september 2000, met uitzondering van:
- a. [artikel 13.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=13&artikel=13.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01) dat voor wat betreft de onderdelen B en C in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 augustus 2000,
- b. [artikel 13.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=13&artikel=13.13&z=2015-08-01&g=2015-08-01) dat voor wat betreft onderdeel A in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 september 1996, en
- c. [artikel 13.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=13&artikel=13.13&z=2015-08-01&g=2015-08-01) dat voor wat betreft onderdeel B in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
- a. artikel 13.6 dat voor wat betreft de onderdelen B en C in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 augustus 2000,
- b. artikel 13.13 dat voor wat betreft onderdeel A in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 september 1996, en
- c. artikel 13.13 dat voor wat betreft onderdeel B in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
##### Artikel 14.3. Citeertitel
@@ -1601,13 +1560,13 @@
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.1c. Afwijking van [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die voor 1 september 2007 zonder aanspraak op prestatiebeurs of visiebeurs buiten Nederland ingeschreven stonden voor het volgen van een hoger onderwijsopleiding en om deze reden niet kunnen voldoen aan de verblijfsvoorwaarde, genoemd in [artikel 2.14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
2. In afwijking van [artikel 2.14, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01), kan de student, bedoeld in het eerste lid, voor studiefinanciering voor het volgen van een opleiding die voldoet aan de criteria, bedoeld in [artikel 2.14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01), in aanmerking komen als hij ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan de inschrijving aan de opleiding, bedoeld in het eerste lid, in Nederland heeft gewoond.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder hoger onderwijsopleiding tevens verstaan een opleiding als bedoeld in [artikel 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2007.
##### Artikel 12.1c. Afwijking van [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die voor 1 september 2007 zonder aanspraak op prestatiebeurs of visiebeurs buiten Nederland ingeschreven stonden voor het volgen van een hoger onderwijsopleiding en om deze reden niet kunnen voldoen aan de verblijfsvoorwaarde, genoemd in [artikel 2.14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
2. In afwijking van [artikel 2.14, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01), kan de student, bedoeld in het eerste lid, voor studiefinanciering voor het volgen van een opleiding die voldoet aan de criteria, bedoeld in [artikel 2.14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01), in aanmerking komen als hij ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan de inschrijving aan de opleiding, bedoeld in het eerste lid, in Nederland heeft gewoond.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder hoger onderwijsopleiding tevens verstaan een opleiding als bedoeld in [artikel 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.12&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2007.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
@@ -1629,826 +1588,940 @@
##### Artikel 10a.1. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op debiteuren die voor het studiejaar 2009–2010 voor het eerst studiefinanciering ontvingen, tenzij zij een aanvraag hebben ingediend als bedoeld in [artikel 10a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op debiteuren die voor het studiejaar 2009–2010 voor het eerst studiefinanciering ontvingen, tenzij zij een aanvraag hebben ingediend als bedoeld in [artikel 10a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
#### Paragraaf 10a.2. Omzettingsprocedure bij overstappen voor 1 februari in eerste studiejaar (voorheen paragraaf 5.4)
##### Artikel 10a.2. Overstappen
1. Een debiteur die voor het studiejaar 2009-2010 voor het eerst studiefinanciering ontving en voor wie op 31 december 2011 nog geen aflosfase is aangevangen, kan, op aanvraag, zijn schuld aflossen op grond van [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-08-01&g=2015-08-01). Een debiteur dient een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend voor de aanvang van zijn aflosfase in.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de goede uitvoering van het eerste lid.
1. Een debiteur die voor het studiejaar 2009–2010 voor het eerst studiefinanciering ontving en voor wie op 31 december 2011 nog geen aflosfase is aangevangen, kan, op aanvraag, zijn schuld aflossen op grond van [paragraaf 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), waarbij de debiteur verzoekt dat de schuld wordt aangemerkt als:
- a. een lening beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 6.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), of;
- b. een lening hoger onderwijs als bedoeld in[artikel 6.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), uitsluitend voor zover het een debiteur betreft als bedoeld in[artikel 12.14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=12¶graaf=12.2&artikel=12.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
2. Een debiteur dient een aanvraag als bedoeld in het eerste lid uitsluitend voor de aanvang van zijn aflosfase in.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de goede uitvoering van het eerste lid.
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
##### Artikel 10a.3. Toepassing artikelen [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
De [artikelen 6.1 tot en met 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en [6.14 tot en met 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01) zijn van overeenkomstige toepassing op debiteuren die onder dit hoofdstuk vallen.
##### Artikel 10a.3. Toepassing artikelen [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
De [artikelen 6.1 tot en met 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en [6.14 tot en met 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01) zijn van overeenkomstige toepassing op debiteuren die onder dit hoofdstuk vallen, waarbij de lening van de debiteur wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs.
##### Artikel 10a.4. Aflosfase
De aflosfase beslaat behoudens toepassing van [artikel 10a.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01), 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd indien [artikel 10a.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.11&z=2015-08-01&g=2015-08-01), van toepassing is.
De aflosfase beslaat behoudens toepassing van [artikel 10a.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2015-09-01&g=2015-09-01), 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd indien [artikel 10a.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.11&z=2015-09-01&g=2015-09-01), van toepassing is.
#### Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet
##### Artikel 10a.5. Opschorten terugbetaling
1. In afwijking van [artikel 10a.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01) kan een debiteur met ingang van 1 januari 2012 op aanvraag de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opschorten.
1. In afwijking van [artikel 10a.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01) kan een debiteur met ingang van 1 januari 2012 op aanvraag de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opschorten.
2. De aflosfase wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het eerste lid.
3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de opschorting, bedoeld in het eerste lid.
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2.7a. Geen aanspraak meer
Een deelnemer aan een opleiding niveau 3 of 4 die na 31 juli 2005 voor het eerst studiefinanciering ontving voor het volgen van beroepsonderwijs, heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs:
- a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs beroepsonderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of
- b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering in de zin van de [paragrafen 4.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01) of [4.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2¶graaf=4.2.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01) is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs of op grond van de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393) is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs aan een opleiding niveau 3 of 4.
- c. In afwijking van onderdeel b wordt, indien [artikel 4.14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden.
- d. In afwijking van onderdeel b wordt, indien [artikel 4.14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met 5 jaren.
#### Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
#### Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
##### Artikel 2.13a. Buitenlandse opleidingen beroepsonderwijs
1. Voor studiefinanciering kan een deelnemer in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland:
- a. waarvan het niveau en de kwaliteit vergelijkbaar is met overeenkomstige Nederlandse opleidingen in de zin van de [WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) en waarvan het afsluitend examen vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor een opleiding in de zin van de WEB, en
- b. die overigens voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria.
2. Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister stelt tevens vast of de opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 of een opleiding niveau 3 of 4. De opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4 indien deze vergelijkbaar is met een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4.
3. Dit artikel is niet van toepassing op deelnemers die op grond van [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.
##### Artikel 2.15a. Geen aanspraak op gift bij samenloop
1. De deelnemer die na 31 juli 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs voor het eerst studiefinanciering ontving en die aanspraak heeft op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.
2. De deelnemer die aanspraak heeft op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 in Nederland.
3. De deelnemer die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een opleiding op niveau 3 of 4 buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.
4. De deelnemer die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een beroepsopleiding buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 3 of 4 in Nederland.
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
#### Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
#### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
#### Paragraaf 6.1. Algemeen
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
#### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
#### Paragraaf 10a.4. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.6)
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
##### Artikel 12.1aa. Afwijking van [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
Op de deelnemer die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving, blijft [artikel 2.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zoals dat luidde op 31 juli 2005 van toepassing zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 1.8. Awir van toepassing
Van de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) is [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=6) op deze wet van toepassing en zijn de [artikelen 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=9), en [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=10), van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 2. Werkingssfeer
#### Paragraaf 2.1. Algemeen
#### Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs
#### Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
#### Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
#### Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
##### Artikel 4.6. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die in Nederland een opleiding niveau 3 of 4 volgen, en die na 31 juli 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs voor het eerst studiefinanciering ontvingen.
##### Artikel 4.7. Vorm en duur studiefinanciering
1. Prestatiebeurs beroepsonderwijs wordt voor een opleiding niveau 3 of 4 binnen en buiten Nederland tezamen gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift.
2. Indien een deelnemer een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten, wordt aan hem voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt.
3. Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de [artikelen 3.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.13&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01), naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van [artikel 4.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.6b&z=2015-09-01&g=2015-09-01) reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden.
4. Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01), gedurende de periode bedoeld in het derde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
##### Artikel 4.8. Waarde van de reisvoorziening
1. Het deel van de prestatiebeurs beroepsonderwijs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs beroepsonderwijs wordt niet uitbetaald of verrekend.
2. Indien de prestatiebeurs beroepsonderwijs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.26&z=2015-09-01&g=2015-09-01) of is stopgezet als bedoeld in [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.27&z=2015-09-01&g=2015-09-01). In afwijking van [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01) is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in [artikel 3.7, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), is toegekend.
##### Artikel 4.9. Diplomatermijn beroepsonderwijs
De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs is toegekend.
##### Artikel 4.10. Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn
1. Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge [artikel 4.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
2. Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een specialistenopleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge [artikel 4.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
3. Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding niveau 3 of 4 aanvangt.
4. Met een afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 of een afsluitend examen van een specialistenopleiding wordt gelijkgesteld het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs.
5. Omzetting vindt plaats per 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin Onze Minister heeft vastgesteld dat een deelnemer heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste of tweede lid.
##### Artikel 4.11. Stoppen voor 1 februari
Indien een deelnemer in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs geniet en hij in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4 dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op zijn aanvraag per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
##### Artikel 4.12. Eenmalige verlenging duur prestatiebeurs beroepsonderwijs
Onze Minister verlengt op aanvraag van de deelnemer de duur van de prestatiebeurs beroepsonderwijs eenmalig met 1 jaar indien de deelnemer blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs.
##### Artikel 4.13. Arbeidsongeschiktheid
Indien een deelnemer op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van [hoofdstuk 3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&hoofdstuk=3) bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
##### Artikel 4.14. Bijzondere omstandigheden
1. Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
2. Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
3. Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
4. Indien een deelnemer als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de deelnemer bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
5. Onze Minister stelt op aanvraag van de deelnemer vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de deelnemer is ingeschreven.
##### Artikel 4.15. Tenietgaan rente
Bij omzetting van de prestatiebeurs beroepsonderwijs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
##### Artikel 4.16. Reikwijdte beroepsonderwijs buiten Nederland
Deze afdeling is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
##### Artikel 4.17. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2.
##### Artikel 4.18. Studiefinanciering
1. Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift.
2. Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de [artikelen 3.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.13&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01), naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift.
3. Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01), gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
##### Artikel 4.19. Studievoortgang
1. Een deelnemer verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van het bewijs waaruit blijkt voor welke maanden van het desbetreffende studiejaar hij is ingeschreven voor de opleiding waarvoor hij studiefinanciering heeft aangevraagd.
2. Een deelnemer verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van een overzicht van in het desbetreffende studiejaar behaalde studieresultaten.
##### Artikel 4.20. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4.
##### Artikel 4.21. Studiefinanciering
1. De [artikelen 4.7, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [4.10, eerste, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [4.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.11&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [4.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.12&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.13&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [4.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [4.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.15&z=2015-09-01&g=2015-09-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 4.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2¶graaf=4.2.2&artikel=4.19&z=2015-09-01&g=2015-09-01) is van overeenkomstige toepassing voorzover de studiefinanciering in de vorm van een gift is toegekend.
##### Artikel 4.22. Berichtenstroom tussen deelnemer en Minister
1. De deelnemer zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn, een gewaarmerkt bewijs van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van de opleiding aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs beroepsonderwijs. Op het gewaarmerkt bewijs vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten.
2. De omzetting, bedoeld in [artikel 4.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01), vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de deelnemer daarvan in kennis.
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2007-01-01&g=2007-01-01)
##### Artikel 4.23. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
Voorzover deze afdeling daarin niet voorziet, alsmede indien noodzakelijk, kunnen in afwijking van het in deze afdeling bepaalde bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede uitvoering van deze afdeling.
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
#### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
#### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
### Hoofdstuk 10A. Hoger onderwijs; omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 10a.1. Algemeen
#### Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
#### Paragraaf 10a.1. Algemeen
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.1d. Overgangssituatie alleenstaande-ouderkorting
In afwijking van de [artikelen 3.9, tweede lid, vijfde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [3.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.12&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [6.10, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [6.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.13&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [10a.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en [10a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01) wordt bepaald of voor de ouder onderscheidenlijk de debiteur in het desbetreffende jaar de alleenstaande-ouderkorting, bedoeld in [artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.15), zoals dat artikel in dat jaar luidde, van toepassing is, voor zover de [Wet hervorming kindregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035259) in dat jaar nog niet in werking is getreden.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 3.16a. Collegegeldkrediet
1. Het collegegeldkrediet is een lening die aan de student op aanvraag wordt toegekend.
2. Het bedrag dat per maand kan worden geleend bedraagt niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de studerende voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld voor het volgen van hoger onderwijs en in totaal ten hoogste vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45).
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het collegegeldkrediet.
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari in eerste studiejaar
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
##### Artikel 9.6b. Gegevensuitwisseling met landen binnen de Europese Economische Ruimte
1. Onze Minister kan de gegevens die bij hem bekend zijn als gevolg van de uitvoering van zijn wettelijke taken verstrekken aan de voor de verstrekking van een tegemoetkoming in de kosten voor toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud voor studerenden verantwoordelijke autoriteit van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
2. De in het eerste lid bedoelde verantwoordelijke autoriteit toont voor de verstrekking van gegevens aan dat de studerende ten laste van die autoriteit een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt.
3. Onze Minister kan, voor de uitvoering van de wet, inlichtingen over een studerende die studiefinanciering aanvraagt danwel reeds ontvangt, opvragen bij het bevoegd gezag van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte waar de studerende een opleiding wil gaan volgen of volgt met studiefinanciering op grond van [artikel 2.14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
##### Artikel 9.6c. Gegevensuitwisseling met landen buiten de Europese Economische Ruimte
1. Onze Minister kan, overeenkomstig [artikel 9.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=9.6b&z=2015-09-01&g=2015-09-01), gegevens, die bij hem bekend zijn als gevolg van de uitvoering van zijn wettelijke taken, uitwisselen met een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte indien deze staat een passend beschermingsniveau als bedoeld in [artikel 76 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=76) waarborgt.
2. Voor gegevensuitwisseling als bedoeld in [artikel 9.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=9.6b&z=2015-09-01&g=2015-09-01) met een staat die geen passend beschermingsniveau kan waarborgen, kan Onze Minister een vergunning als bedoeld in [artikel 77, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=77) aanvragen bij Onze Minister van Veiligheid en Justitie.
#### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
#### Paragraaf 10a.1. Algemeen
#### Paragraaf 10a.2. Omzettingsprocedure bij overstappen voor 1 februari in eerste studiejaar (voorheen paragraaf 5.4)
#### Paragraaf 10a.4. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.6)
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
##### Artikel 12.1ba. Aanspraken op grond van de [artikelen 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.12&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en afwijking van [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
Op een student die voor 1 september 2007 voor het volgen van hoger onderwijs buiten Nederland studiefinanciering ontving, blijven de [artikelen 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.12&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zoals die luidden op 31 augustus 2007, van toepassing zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2.17. Rechtens ontnomen vrijheid
1. Een deelnemer die voor ten minste één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, heeft, behoudens in de gevallen, bedoeld in de [Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700) en in [artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37) en de gevallen, bedoeld in [hoofdstuk 6 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&hoofdstuk=6), met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming ten minste één maand heeft geduurd slechts aanspraak op studiefinanciering voor een thuiswonende deelnemer.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen van personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
#### Paragraaf 3.6. Toekenning
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.7. Omzetting bij bijzondere omstandigheden
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
#### Paragraaf 10a.3. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.5)
#### Paragraaf 10a.4. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.6)
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
##### Artikel 12.1ca. Afwijking van [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.17&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
Voor een studerende die reeds vóór 1 juli 2009 studiefinanciering ontving en wiens vrijheid op 30 juni 2009 rechtens was ontnomen, wordt voor de toepassing van [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.17&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel P, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261&artikel=I), als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt 1 juli 2009 en eindigt de aanspraak op studiefinanciering voor uitwonenden in afwijking van artikel 2.17, eerste lid, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2.7a. Geen aanspraak meer
Een deelnemer aan een opleiding niveau 3 of 4 die na 31 juli 2005 voor het eerst studiefinanciering ontving voor het volgen van beroepsonderwijs, heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs:
- a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op de prestatiebeurs, bedoeld in [artikel 4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of
- b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering in de zin van de [paragrafen 4.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01) of [4.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2¶graaf=4.2.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01) is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs of op grond van de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393) is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs aan een opleiding niveau 3 of 4.
- c. In afwijking van onderdeel b wordt, indien [artikel 4.14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden.
- d. In afwijking van onderdeel b wordt, indien [artikel 4.14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met 5 jaren.
##### Artikel 12.10a. Afwijking van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
Het rentepercentage voor leningen aangegaan voor 1 januari 1992 is in afwijking van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01), 1,65 procentpunt lager dan het in dat artikel bedoelde rentepercentage, en wordt, indien het rentepercentage, vastgesteld overeenkomstig artikel 6.3, 1,65 procent of lager bedraagt, gesteld op nul.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 10a.6. Vaststelling en betaling terugbetalingstermijnen
1. Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.
2. De hoogte van de maandelijkse termijnen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van:
- a. het eerste jaar van de aflosfase,
- b. het vierde jaar van de aflosfase, en
- c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.
3. Onverminderd [artikel 10a.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnen ten minste € 545,–. Bij ministeriële regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden herzien.
4. Rente en aflossing van de lening van een debiteur die in het buitenland woont, vervallen, in afwijking van het eerste lid, gedurende de aflosfase in jaarlijkse termijnen. Indien die debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die in het buitenland woont. De [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.6&z=2015-09-01&g=2015-09-01) zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing. Op aanvraag van een in de eerste volzin bedoelde debiteur besluit Onze Minister dat de rente en aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen.
##### Artikel 10a.7. Vaststelling draagkracht debiteur
1. Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijn te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.
2. De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag.
4. Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijn, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijn.
##### Artikel 10a.8. Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis
1. Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
2. Op het toetsingsinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het belastbare minimumloon in het peiljaar, indien de debiteur in het peiljaar een ouder zonder partner is als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2), of voor zijn partner voor de inkomstenbelasting de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in [artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.9), van toepassing is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting van toepassing is, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn indien voor de debiteur – naast de algemene heffingskorting – voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn.
3. Het resterende inkomen wordt verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf ter grootte van 260% van het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste en de tweede schijf.
4. Indien de debiteur of zijn partner een toetsingsinkomen heeft dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven dat nog niet is benut, overgeheveld naar de ander. Daarbij wordt het onbenutte deel van een schijf toegevoegd aan de overeenkomstige schijf van de ander en het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet aan de draagkrachtvrije voet van de ander.
5. Indien de debiteur en zijn partner een toetsingsinkomen hebben dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het vierde lid toegepast in die zin dat van de debiteur of zijn partner met het laagste toetsingsinkomen het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven wordt overgeheveld naar de ander.
6. De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 7,9% van de eerste schijf plus 15,8% van de tweede schijf plus 23,7% van de derde schijf plus 30% van het meerdere.
7. In afwijking van het tweede tot en met het zesde lid is de draagkracht uit inkomen van een debiteur met een toetsingsinkomen lager dan een bij ministeriële regeling vast te stellen minimumbedrag nihil. Deze regeling wordt jaarlijks voor 1 januari vastgesteld en kan voor verschillende groepen debiteuren verschillend luiden.
8. Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert.
##### Artikel 10a.9. Andere aanpassing van draagkracht debiteur
Indien het na het peiljaar een debiteur betreft die ouder zonder partner is als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in [artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.9), van toepassing wordt na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast.
##### Artikel 10a.10. Draagkracht partner van debiteur
1. Indien de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen, wordt de draagkracht van de partner berekend overeenkomstig de artikelen [10a.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [10a.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.8&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [6.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.13&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
2. Indien de draagkracht van de debiteur niet voldoende is voor het betalen van de termijn, bedoeld in artikel [10a.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt de draagkracht van de partner aangewend voor het resterende gedeelte.
##### Artikel 10a.11. Aanvraag draagkracht partner niet meetellen
1. Bij de bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner indien een van beiden hiertoe een aanvraag indient.
2. Voor ieder jaar dat op grond van de toepassing van het eerste lid geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur wordt de aflosfase verlengd met een jaar.
##### Artikel 10a.12. Beide partners debiteur hoofdstuk 10a
Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is en op beide debiteuren hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt zijn draagkracht eerst aangewend voor de eigen termijn. Op het bedrag dat aan draagkracht resteert is [artikel 10a.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 10a.13. Partner debiteur [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
1. Indien de partner van de debiteur een debiteur is op wie [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-09-01&g=2015-09-01) van toepassing is, blijft [artikel 10a.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01), buiten toepassing.
2. Bij de toepassing van [artikel 10a.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt de draagkracht van de debiteur op wie [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-09-01&g=2015-09-01) van toepassing is, aangewend, voor zover het bedrag van de draagkracht groter is dan de vastgestelde termijn, bedoeld in [artikel 6.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.10b. Tijdelijke afwijking van [artikel 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
Vervallen
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.5a. Samenloop van terugbetaling
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de samenloop van de verplichting tot terugbetaling uit hoofde van deze wet en de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393) met dien verstande dat de verplichting tot terugbetaling de laagst vastgestelde draagkracht van de debiteur niet mag overschrijden.
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
##### Artikel 12.1a0. Afwijking van [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
1. In afwijking van [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01) regelt dit artikel het langstudeerderskrediet.
2. Het langstudeerderskrediet is een lening die op aanvraag kan worden toegekend voor het studiejaar 2011–2012 en 2012–2013. Het langstudeerderskrediet kan worden toegekend aan iemand die:
- a. voor 1 september 2011 aanspraak op studiefinanciering had;
- b. op het moment van aanvraag geen aanspraak op studiefinanciering heeft; en
- c. het verhoogde wettelijke collegegeld verschuldigd is op grond van [artikel 7.45b van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45b) zoals dat luidde op 1 september 2011.
3. Het langstudeerderskrediet voor het desbetreffende studiejaar wordt in een keer uitgekeerd en bedraagt maximaal de hoogte van de opslag, bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45) zoals dat luidde op 1 september 2011.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het langstudeerderskrediet.
5. [Hoofdstuk 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [paragraaf 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), voor de toepassing waarvan het langstudeerderskrediet wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs, en de [artikelen 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en [12.10a1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=12¶graaf=12.1&artikel=12.10a1&z=2015-09-01&g=2015-09-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 9.1a. Toezicht in verband met [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01)
1. Met het toezicht op de naleving van [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01) zijn belast:
- a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren of andere personen,
- b. de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.
2. Indien de ambtenaren of andere personen, bedoeld in het eerste lid, onder a, die worden aangewezen, ressorteren onder een andere minister, wordt het besluit samen met die minister genomen.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in de [artikelen 5:18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:18) en [5:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19).
##### Artikel 9.1b. Informatie-uitwisseling
1. De toezichthouders, bedoeld in [artikel 9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=9.1a&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en Onze Minister wisselen de persoonsgegevens en inlichtingen uit die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht onder vermelding van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het onderwijsnummer van de deelnemer op wie de persoonsgegevens of inlichtingen betrekking hebben.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van verstrekking van persoonsgegevens en inlichtingen op grond van het eerste lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de persoonsgegevens en inlichtingen die op grond van het eerste lid worden verwerkt.
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
##### Artikel 9.9a. Geen aanspraak meer bij tweede maal niet voldoen aan verplichtingen [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01) door deelnemer
1. Indien Onze Minister de deelnemer een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 9.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.3&artikel=9.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), heeft opgelegd en de deelnemer heeft, nadat voormelde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, voor een tweede maal niet voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-09-01&g=2015-09-01), kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100 procent van het bedrag dat van de deelnemer in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
2. De herziening vindt plaats met ingang van de dag na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in [artikel 9.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.3&artikel=9.9&z=2015-09-01&g=2015-09-01), ziet of, indien dit een latere datum betreft, de dag van de laatste adreswijziging van de deelnemer in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de deelnemer of een van hen na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, ziet of na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de deelnemer, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
3. Indien Onze Minister de deelnemer een boete als bedoeld in het eerste lid heeft opgelegd kan hij tevens beslissen dat elke aanspraak op studiefinanciering vervalt.
4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.9a. Reeds toegekende reisvoorziening
Op een student aan wie vóór 1 september 2012 een reisvoorziening is toegekend, blijft ten aanzien van deze toegekende reisvoorziening [artikel 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2012, van toepassing.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.10a1. langstudeerders geen rente verschuldigd
In afwijking van [artikel 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01) wordt er geen rente berekend over collegegeldkrediet ten behoeve van de opslag, als bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45), zoals dat luidde op 1 september 2011, indien het daarvoor geleende bedrag vóór 1 maart 2013 wordt teruggestort.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2.3a. Leeftijd levenlanglerenkrediet
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs
##### Artikel 2.7b. Uitzondering levenlanglerenkrediet
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
#### Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
##### Artikel 2.13a. Buitenlandse opleidingen beroepsonderwijs
1. Voor studiefinanciering kan een deelnemer in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland:
- a. waarvan het niveau en de kwaliteit vergelijkbaar is met overeenkomstige Nederlandse opleidingen in de zin van de [WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) en waarvan het afsluitend examen vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor een opleiding in de zin van de WEB, en
- b. die overigens voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria.
2. Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister stelt tevens vast of de opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 of een opleiding niveau 3 of 4. De opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4 indien deze vergelijkbaar is met een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4.
3. Dit artikel is niet van toepassing op deelnemers die op grond van [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.
##### Artikel 2.15a. Geen aanspraak op gift bij samenloop
1. De deelnemer die na 31 juli 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs voor het eerst studiefinanciering ontving en die aanspraak heeft op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.
2. De deelnemer die aanspraak heeft op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 in Nederland.
3. De deelnemer die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een opleiding op niveau 3 of 4 buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.
4. De deelnemer die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een beroepsopleiding buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 3 of 4 in Nederland.
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
##### Artikel 3.9a. Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage hoger onderwijs
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.16b. Levenlanglerenkrediet: aanspraak
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.16c. Levenlanglerenkrediet: duur
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.16d. Levenlanglerenkrediet: hoogte
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.16e. Levenlanglerenkrediet: uitvoeringsregels
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 3.6. Toekenning
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
#### Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
#### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
#### Paragraaf 4.1.2. Prestatiebeurs beroepsonderwijs
##### Artikel 4.6a. Prestatiebeurs beroepsonderwijs
Een deelnemer aan een opleiding niveau 3 of 4 komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
- a. een basisbeurs;
- b. een aanvullende beurs;
- c. een reisvoorziening; en
- d. een toeslag eenoudergezin.
##### Artikel 4.6b. Reisvoorziening minderjarige deelnemer
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs
##### Artikel 5.2a. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een lerarenkopopleiding
De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien:
- a. het een student betreft die met goed gevolg het afsluitende examen van een bacheloropleiding heeft behaald, voor zover bij ministeriële regeling aangewezen, of een daarmee gelijkgesteld diploma; en
- b. deze student is ingeschreven voor de hbo-lerarenopleiding, voor een daarbinnen te volgen eenjarig programma, waarvan in de onder a bedoelde ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding verwant is aan de onder a bedoelde opleiding.
##### Artikel 5.2b. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege handicap of chronische ziekte
De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een handicap of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen het aantal jaren waarop de studielast van de opleiding, bedoeld in [artikel 7.3a van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), is gebaseerd.
##### Artikel 5.2c. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een universitaire lerarenopleiding
1. In aanvulling op [artikel 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien:
- a. het een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.30c van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.30c) betreft;
- b. met goed gevolg het afsluitende examen van een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, met uitzondering van het derde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) is behaald en daarna een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, van de WHW wordt gevolgd; of
- c. reeds eerder prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend op grond van [artikel 5.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2a&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, derde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) wordt gevolgd.
2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing, indien reeds eerder op grond van onderdeel b van dat lid prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend.
3. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien reeds eerder:
- a. op grond van het eerste lid, onderdeel a, of [artikel 5.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2a&z=2015-09-01&g=2015-09-01) prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; of
- b. op grond van [artikel 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2a&z=2015-09-01&g=2015-09-01), prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend, voor zover die toekenning betrekking had op een opleiding als bedoeld in [artikel 7.4b, vierde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b).
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Hoofdstuk 7. Herziening
#### Paragraaf 6.1. Algemeen
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
#### Paragraaf 6.1. Algemeen
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
#### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 7. Herziening
#### Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.2a. Kwijtschelding studieschuld voor studenten met handicap of chronische ziekte
1. Aan de debiteur wordt gelijktijdig met de omzetting, bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.2&artikel=5.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), een deel van de lening hoger onderwijs kwijtgescholden indien:
- a. aan de debiteur op grond van [artikel 5.2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2b&z=2015-09-01&g=2015-09-01) voor een opleiding een extra jaar prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; en
- b. de desbetreffende bacheloropleiding of masteropleiding met goed gevolg is afgerond binnen de diplomatermijn hoger onderwijs.
2. Voor de waarde van de kwijtschelding is bepalend het jaar waarin voor het eerst is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. De kwijtschelding bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 1.200 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 1.230,12.
.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor een goede uitvoering van dit artikel.
#### Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
#### Paragraaf 10a.4. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.6)
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
##### Artikel 12.1aa. Afwijking van [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
Op de deelnemer die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving, blijft [artikel 2.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), zoals dat luidde op 31 juli 2005 van toepassing zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
#### Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015
#### Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs
##### Artikel 12.15. Vouchers voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs
1. In dit artikel wordt onder voucher begrepen: een vergoeding van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01), voor de kosten van het volgen van hoger onderwijs.
2. Een ieder die voldoet aan de volgende voorwaarden heeft aanspraak op een voucher:
- a. hij heeft in één van de vier studiejaren vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet studievoorschot hoger onderwijs voor het eerst studiefinanciering ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs;
- b. hij heeft binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afgerond; en
- c. hij heeft zich ingeschreven voor een geaccrediteerde opleiding in het hoger onderwijs in Nederland als bedoeld in [artikel 7.3a van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), of binnen die opleiding voor één of meer onderwijseenheden als bedoeld in [artikel 7.3, tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3), in het tijdvak van het vijfde tot en met negende studiejaar volgend op de dag waarop Onze Minister de mededeling, bedoeld in [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d), heeft ontvangen.
3. Een voucher wordt uitsluitend op aanvraag verstrekt en is niet overdraagbaar aan derden. De aanspraak vervalt na afloop van het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over onder meer:
- a. de wijze van verstrekking van de voucher;
- b. de waarde van de voucher, die overeenkomstig [artikel 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01) wordt aangepast;
- c. de aanvraag van een voucher;
- d. de aan de voucher verbonden verplichtingen voor de rechthebbende of de instelling.
##### Artikel 12.16. Verhoogde aanvullende beurs in het eerste jaar na invoering van het studievoorschot
1. In afwijking van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-09-01&g=2015-09-01) geldt in het studiejaar 2015–2016 voor de toepassing van [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&z=2015-09-01&g=2015-09-01) voor een student die ingevolge de [Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261) geen basisbeurs ontvangt, een maximale aanvullende beurs die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 258,35 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 266,71.
2. Voor de student die na de toepassing van het eerste lid een aanvullende beurs ontvangt, wordt de aanvullende beurs in dat studiejaar verhoogd met een bedrag per maand dat naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 106,98 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 109,67.
##### Artikel 12.17. Partnertoeslag in de maanden na inwerkingtreding studievoorschot hoger onderwijs
1. Voor de toepassing van[hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&z=2015-09-01&g=2015-09-01) kan de toeslag, bedoeld in [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), onderdeel uitmaken van de basisbeurs.
2. Voor de toepassing van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2015-09-01&g=2015-09-01) kan de toeslag, bedoeld in [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs gedurende de periodes, bedoeld in de [artikelen 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [5.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2a&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [5.2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2b&z=2015-09-01&g=2015-09-01) en[5.2c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2c&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
3. Op aanvraag kan een studerende als bedoeld in [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), gedurende de in [artikel 4.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), onderscheidenlijk [5.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), bedoelde periode tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in het vierde lid.
4. In afwijking van [artikel 3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), bedraagt de partnertoeslag naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 584,28 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 598,95 per maand.
##### Artikel 12.18. Reeds toegekende partnertoeslag
Op de studerende die een toeslag als bedoeld in [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel T, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261&artikel=I), toegekend heeft gekregen, blijven ten aanzien van de toegekende toeslag de artikelen 3.4, [3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.6&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [4.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [4.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.10&z=2015-09-01&g=2015-09-01), [5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.2&z=2015-09-01&g=2015-09-01), en [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.2&artikel=5.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01), zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BA, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs van toepassing.
##### Artikel 12.19. Afwijking van [artikel 3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.4&artikel=3.17&z=2015-09-01&g=2015-09-01) in verband met overgangssituatie afschaffing bijverdiengrens voor hoger onderwijs
1. In afwijking van [artikel 3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.4&artikel=3.17&z=2015-09-01&g=2015-09-01) blijft dat artikel, zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel AG, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261&artikel=I), van toepassing op studenten in de kalenderjaren waarin zij aanspraak hebben op een basisbeurs.
2. In afwijking van het eerste lid blijft voor de berekening van de bijverdiengrens over het kalenderjaar waarin een student ingevolge de [Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261) voor het eerst geen basisbeurs ontvangt buiten beschouwing het inkomen van een student dat is verworven vanaf de eerste maand waarin geen aanspraak op basisbeurs bestaat.
##### Artikel 12.20. Afwijking van [artikel 3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.6&artikel=3.21&z=2015-09-01&g=2015-09-01) tot 1 januari 2016
1. In afwijking van [artikel 3.21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.6&artikel=3.21&z=2015-09-01&g=2015-09-01), wordt in het studiejaar 2015–2016 geen terugwerkende kracht verleend voor zover de periode waarvoor terugwerkende kracht wordt gevraagd, is gelegen voor 1 januari 2016.
2. Dit artikel is niet van toepassing op de aanspraak, bedoeld in [artikel 2.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=2.7&z=2015-09-01&g=2015-09-01).
##### Artikel 12.21. Indexering
Onze Minister past de bedragen, genoemd in deze paragraaf, overeenkomstig [artikel 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2015-09-01&g=2015-09-01) aan.
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 1.8. AWIR van toepassing
Op deze wet zijn van toepassing van de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472):
- a. [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=6),
- b. [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=9), en
- c. [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=10).
### Hoofdstuk 2. Werkingssfeer
#### Paragraaf 2.1. Algemeen
#### Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs
#### Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
#### Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
#### Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
##### Artikel 4.6. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die in Nederland een opleiding niveau 3 of 4 volgen, en die na 31 juli 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs voor het eerst studiefinanciering ontvingen.
##### Artikel 4.7. Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt
1. Studiefinanciering, met uitzondering van de basislening en de aanvullende lening, wordt voor een opleiding niveau 3 of 4 binnen en buiten Nederland tezamen gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift.
2. Indien een deelnemer een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs heeft genoten, wordt aan hem studiefinanciering, met uitzondering van de basislening en de aanvullende lening, voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
3. Indien aan de voorwaarden, bedoeld in deze paragraaf, wordt voldaan wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift.
4. Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de [artikelen 3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.13&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01), naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
5. Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), gedurende de periode, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in [artikel 3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
6. Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01), gedurende de periode bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in [artikel 3.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
##### Artikel 4.8. Vorm waarin reisvoorziening wordt verstrekt
1. In afwijking van [artikel 4.7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), wordt de studiefinanciering in de vorm van een reisvoorziening verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs gedurende het in deze leden bedoelde aantal jaren, vermeerderd met 3 jaren. Indien [artikel 4.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01) is toegepast, wordt de uitkomst van de vorige volzin met 1 jaar vermeerderd.
2. Het deel van de prestatiebeurs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs wordt niet uitbetaald of verrekend.
3. Indien de prestatiebeurs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.26&z=2015-08-01&g=2015-08-01) of is stopgezet als bedoeld in [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.7&artikel=3.27&z=2015-08-01&g=2015-08-01). In afwijking van [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01) is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in [artikel 3.7, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), is toegekend.
##### Artikel 4.9. Diplomatermijn beroepsonderwijs
De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst prestatiebeurs is toegekend voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4.
##### Artikel 4.10. Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn
1. Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge [artikel 4.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
2. Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een specialistenopleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge [artikel 4.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
3. Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding niveau 3 of 4 aanvangt.
4. Met een afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 of een afsluitend examen van een specialistenopleiding wordt gelijkgesteld het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs.
5. Omzetting vindt plaats per 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin Onze Minister heeft vastgesteld dat een deelnemer heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste of tweede lid.
##### Artikel 4.11. Stoppen voor 1 februari
Indien een deelnemer in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs geniet en hij in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4 dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op zijn aanvraag per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
##### Artikel 4.12. Eenmalige verlenging duur prestatiebeurs
Onze Minister verlengt op aanvraag van de deelnemer de duur van de prestatiebeurs eenmalig met 1 jaar indien de deelnemer blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.
##### Artikel 4.13. Arbeidsongeschiktheid
Indien een deelnemer op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van [hoofdstuk 3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&hoofdstuk=3) bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
##### Artikel 4.14. Bijzondere omstandigheden
1. Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
2. Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
3. Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
4. Indien een deelnemer als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de deelnemer bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
5. Onze Minister stelt op aanvraag van de deelnemer vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de deelnemer is ingeschreven.
##### Artikel 4.15. Tenietgaan rente
Bij omzetting van een prestatiebeurs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
##### Artikel 4.16. Reikwijdte beroepsonderwijs buiten Nederland
Deze afdeling is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
##### Artikel 4.17. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2.
##### Artikel 4.18. Studiefinanciering
1. Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift.
2. Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de [artikelen 3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.13&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.5&artikel=3.18&z=2015-08-01&g=2015-08-01), naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
##### Artikel 4.19. Studievoortgang
1. Een deelnemer verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van het bewijs waaruit blijkt voor welke maanden van het desbetreffende studiejaar hij is ingeschreven voor de opleiding waarvoor hij studiefinanciering heeft aangevraagd.
2. Een deelnemer verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van een overzicht van in het desbetreffende studiejaar behaalde studieresultaten.
##### Artikel 4.20. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.13a&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4.
##### Artikel 4.21. Studiefinanciering
1. De [artikelen 4.7, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [4.10, eerste, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [4.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.11&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [4.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.13&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [4.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [4.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.15&z=2015-08-01&g=2015-08-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 4.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2¶graaf=4.2.2&artikel=4.19&z=2015-08-01&g=2015-08-01) is van overeenkomstige toepassing voorzover de studiefinanciering in de vorm van een gift is toegekend.
##### Artikel 4.22. Berichtenstroom tussen deelnemer en Minister
1. De deelnemer zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn, een gewaarmerkt bewijs van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van de opleiding aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs. Op het gewaarmerkt bewijs vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten.
2. De omzetting, bedoeld in [artikel 4.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1¶graaf=4.1.2&artikel=4.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01), vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de deelnemer daarvan in kennis.
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2007-01-01&g=2007-01-01)
##### Artikel 4.23. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
Voorzover deze afdeling daarin niet voorziet, alsmede indien noodzakelijk, kunnen in afwijking van het in deze afdeling bepaalde bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede uitvoering van deze afdeling.
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
#### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
#### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
### Hoofdstuk 10A. Hoger onderwijs; omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 10a.1. Algemeen
#### Paragraaf 10a.2. Omzettingsprocedure bij overstappen voor 1 februari in eerste studiejaar (voorheen paragraaf 5.4)
#### Paragraaf 10a.1. Algemeen
#### Paragraaf 10a.3. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.5)
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.1d. Overgangssituatie alleenstaande-ouderkorting
In afwijking van de [artikelen 3.9, tweede lid, vijfde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [3.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [6.10, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [6.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.13&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [10a.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en [10a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01) wordt bepaald of voor de ouder onderscheidenlijk de debiteur in het desbetreffende jaar de alleenstaande-ouderkorting, bedoeld in [artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.15), zoals dat artikel in dat jaar luidde, van toepassing is, voor zover de [Wet hervorming kindregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035259) in dat jaar nog niet in werking is getreden.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 3.16a. Collegegeldkrediet
1. Het collegegeldkrediet is een lening die aan de student op aanvraag wordt toegekend.
2. Het bedrag dat per maand kan worden geleend bedraagt ten hoogste eentwaalfde deel van het volledige wettelijke collegegeld, bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45). Indien het door de student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag voor het volgen van hoger onderwijs hoger is dan het volledige wettelijke collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, bedraagt het bedrag dat per maand kan worden geleend, in afwijking van de eerste volzin, ten hoogste eentwaalfde deel van het door de student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag voor het volgen van hoger onderwijs.
3. Het collegegeldkrediet bedraagt per maand maximaal vijftwaalfde deel van het volledige wettelijke collegegeld, bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45).
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het collegegeldkrediet.
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari in eerste studiejaar
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
##### Artikel 9.6b. Gegevensuitwisseling met landen binnen de Europese Economische Ruimte
1. Onze Minister kan de gegevens die bij haar bekend zijn als gevolg van de uitvoering van haar wettelijke taken verstrekken aan de voor de verstrekking van een tegemoetkoming in de kosten voor toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud voor studerenden verantwoordelijke autoriteit van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
2. De in het eerste lid bedoelde verantwoordelijke autoriteit toont voor de verstrekking van gegevens aan dat de studerende ten laste van die autoriteit een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt.
3. Onze Minister kan, voor de uitvoering van de wet, inlichtingen over een studerende die studiefinanciering aanvraagt danwel reeds ontvangt, opvragen bij het bevoegd gezag van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte waar de studerende een opleiding wil gaan volgen of volgt met studiefinanciering op grond van [artikel 2.14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
##### Artikel 9.6c. Gegevensuitwisseling met landen buiten de Europese Economische Ruimte
1. Onze Minister kan, overeenkomstig [artikel 9.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=9.6b&z=2015-08-01&g=2015-08-01), gegevens, die bij haar bekend zijn als gevolg van de uitvoering van haar wettelijke taken, uitwisselen met een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte indien deze staat een passend beschermingsniveau als bedoeld in [artikel 76 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=76) waarborgt.
2. Voor gegevensuitwisseling als bedoeld in [artikel 9.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=9.6b&z=2015-08-01&g=2015-08-01) met een staat die geen passend beschermingsniveau kan waarborgen, kan Onze Minister een vergunning als bedoeld in [artikel 77, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=77) aanvragen bij Onze Minister van Veiligheid en Justitie.
#### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
#### Paragraaf 10a.1. Algemeen
#### Paragraaf 10a.2. Omzettingsprocedure bij overstappen voor 1 februari in eerste studiejaar (voorheen paragraaf 5.4)
#### Paragraaf 10a.4. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.6)
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
##### Artikel 12.1ba. Aanspraken op grond van de [artikelen 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en afwijking van [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
Op een student die voor 1 september 2007 voor het volgen van hoger onderwijs buiten Nederland studiefinanciering ontving, blijven de [artikelen 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.14&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), zoals die luidden op 31 augustus 2007, van toepassing zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2.17. Rechtens ontnomen vrijheid
1. Een studerende die voor ten minste één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, heeft, behoudens in de gevallen, bedoeld in de [Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700) en in [artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37) en de gevallen, bedoeld in [hoofdstuk 6 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&hoofdstuk=6), met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming ten minste één maand heeft geduurd slechts aanspraak op studiefinanciering voor een thuiswonende studerende.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen van personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
#### Paragraaf 3.6. Toekenning
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.7. Omzetting bij bijzondere omstandigheden
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
#### Paragraaf 10a.3. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.5)
#### Paragraaf 10a.4. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.6)
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
##### Artikel 12.1ca. Afwijking van [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.17&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
Voor een studerende die reeds voor de inwerkingtreding van [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.17&z=2015-08-01&g=2015-08-01) studiefinanciering ontving en wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.17&z=2015-08-01&g=2015-08-01) rechtens was ontnomen, wordt voor de toepassing van [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.17&z=2015-08-01&g=2015-08-01) als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding van [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.17&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en eindigt de aanspraak op studiefinanciering voor uitwonenden in afwijking van [artikel 2.17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.17&z=2015-08-01&g=2015-08-01), vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.10a. Afwijking van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
Het rentepercentage voor leningen aangegaan voor 1 januari 1992 is in afwijking van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), 1,65 procentpunt lager dan het in dat artikel bedoelde rentepercentage, en wordt, indien het rentepercentage, vastgesteld overeenkomstig artikel 6.3, 1,65 procent of lager bedraagt, gesteld op nul.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 10a.6. Vaststelling en betaling terugbetalingstermijnen
1. Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.
2. De hoogte van de maandelijkse termijnen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van:
- a. het eerste jaar van de aflosfase,
- b. het vierde jaar van de aflosfase, en
- c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.
3. Onverminderd [artikel 10a.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnen ten minste € 545,–. Bij ministeriële regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden herzien.
4. Rente en aflossing van de lening van een debiteur die in het buitenland woont, vervallen, in afwijking van het eerste lid, gedurende de aflosfase in jaarlijkse termijnen. Indien die debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die in het buitenland woont. De [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01) zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing. Op aanvraag van een in de eerste volzin bedoelde debiteur besluit Onze Minister dat de rente en aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen.
##### Artikel 10a.7. Vaststelling draagkracht debiteur
1. Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijn te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.
2. De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag.
4. Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijn, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijn.
##### Artikel 10a.8. Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis
1. Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
2. Op het toetsingsinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het belastbare minimumloon in het peiljaar, indien de debiteur in het peiljaar een ouder zonder partner is als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2), of voor zijn partner voor de inkomstenbelasting de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in [artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.9), van toepassing is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting van toepassing is, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn indien voor de debiteur – naast de algemene heffingskorting – voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn.
3. Het resterende inkomen wordt verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf ter grootte van 260% van het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste en de tweede schijf.
4. Indien de debiteur of zijn partner een toetsingsinkomen heeft dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven dat nog niet is benut, overgeheveld naar de ander. Daarbij wordt het onbenutte deel van een schijf toegevoegd aan de overeenkomstige schijf van de ander en het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet aan de draagkrachtvrije voet van de ander.
5. Indien de debiteur en zijn partner een toetsingsinkomen hebben dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het vierde lid toegepast in die zin dat van de debiteur of zijn partner met het laagste toetsingsinkomen het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven wordt overgeheveld naar de ander.
6. De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 7,9% van de eerste schijf plus 15,8% van de tweede schijf plus 23,7% van de derde schijf plus 30% van het meerdere.
7. In afwijking van het tweede tot en met het zesde lid is de draagkracht uit inkomen van een debiteur met een toetsingsinkomen lager dan een bij ministeriële regeling vast te stellen minimumbedrag nihil. Deze regeling wordt jaarlijks voor 1 januari vastgesteld en kan voor verschillende groepen debiteuren verschillend luiden.
8. Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert.
##### Artikel 10a.9. Andere aanpassing van draagkracht debiteur
Indien het na het peiljaar een debiteur betreft die ouder zonder partner is als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in [artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.9), van toepassing wordt na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast.
##### Artikel 10a.10. Draagkracht partner van debiteur
1. Indien de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen, wordt de draagkracht van de partner berekend overeenkomstig de artikelen [10a.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.7&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [10a.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.8&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.12&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [6.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.13&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
2. Indien de draagkracht van de debiteur niet voldoende is voor het betalen van de termijn, bedoeld in artikel [10a.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2015-08-01&g=2015-08-01), wordt de draagkracht van de partner aangewend voor het resterende gedeelte.
##### Artikel 10a.11. Aanvraag draagkracht partner niet meetellen
1. Bij de bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner indien een van beiden hiertoe een aanvraag indient.
2. Voor ieder jaar dat op grond van de toepassing van het eerste lid geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur wordt de aflosfase verlengd met een jaar.
##### Artikel 10a.12. Beide partners debiteur hoofdstuk 10a
Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is en op beide debiteuren hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt zijn draagkracht eerst aangewend voor de eigen termijn. Op het bedrag dat aan draagkracht resteert is [artikel 10a.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 10a.13. Partner debiteur [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
1. Indien de partner van de debiteur een debiteur is op wie [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-08-01&g=2015-08-01) van toepassing is, blijft [artikel 10a.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01), buiten toepassing.
2. Bij de toepassing van [artikel 10a.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.10&z=2015-08-01&g=2015-08-01), wordt de draagkracht van de debiteur op wie [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-08-01&g=2015-08-01) van toepassing is, aangewend, voor zover het bedrag van de draagkracht groter is dan de vastgestelde termijn, bedoeld in [artikel 6.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.10b. Tijdelijke afwijking van [artikel 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
1. [Artikel 11.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01), is niet van toepassing in het kalenderjaar 2011, met uitzondering van hetgeen in dat artikellid is bepaald ten aanzien van de [artikelen 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en [3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
2. [Artikel 11.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01), is niet van toepassing in het kalenderjaar 2012, met uitzondering van hetgeen in dat artikellid is bepaald ten aanzien van de [artikelen 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.3&artikel=3.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en [3.17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3¶graaf=3.4&artikel=3.17&z=2015-08-01&g=2015-08-01).
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.5a. Samenloop van terugbetaling
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de samenloop van de verplichting tot terugbetaling uit hoofde van deze wet en de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393) met dien verstande dat de verplichting tot terugbetaling de laagst vastgestelde draagkracht van de debiteur niet mag overschrijden.
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
##### Artikel 12.1a0. Afwijking van [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
1. In afwijking van [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01) regelt dit artikel het langstudeerderskrediet.
2. Het langstudeerderskrediet is een lening die op aanvraag kan worden toegekend voor het studiejaar 2011–2012 en 2012–2013. Het langstudeerderskrediet kan worden toegekend aan een iemand die:
- a. voor 1 september 2011 aanspraak op studiefinanciering had;
- b. op het moment van aanvraag geen aanspraak op studiefinanciering heeft; en
- c. het verhoogde wettelijke collegegeld verschuldigd is op grond van [artikel 7.45b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45b) zoals dat luidde op 1 september 2011.
3. Het langstudeerderskrediet voor het desbetreffende studiejaar wordt in een keer uitgekeerd en bedraagt maximaal de hoogte van de opslag, bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45) zoals dat luidde op 1 september 2011.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het langstudeerderskrediet.
5. [Hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en de [artikelen 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2015-08-01&g=2015-08-01), [7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01) en [12.10a1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=12&artikel=12.10a1&z=2015-08-01&g=2015-08-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 9.1a. Toezicht in verband met [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
1. Met het toezicht op de naleving van [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01) zijn belast:
- a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren of andere personen,
- b. de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.
2. Indien de ambtenaren of andere personen, bedoeld in het eerste lid, onder a, die worden aangewezen, ressorteren onder een andere minister, wordt het besluit samen met die minister genomen.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in de [artikelen 5:18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:18) en [5:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19).
##### Artikel 9.1b. Informatie-uitwisseling
1. De toezichthouders, bedoeld in [artikel 9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=9.1a&z=2015-08-01&g=2015-08-01), en Onze Minister wisselen de persoonsgegevens en inlichtingen uit die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht onder vermelding van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het onderwijsnummer van de studerende op wie de persoonsgegevens of inlichtingen betrekking hebben.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van verstrekking van persoonsgegevens en inlichtingen op grond van het eerste lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de persoonsgegevens en inlichtingen die op grond van het eerste lid worden verwerkt.
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
##### Artikel 9.9a. Geen aanspraak meer bij tweede maal niet voldoen aan verplichtingen [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01)
1. Indien Onze Minister de studerende een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 9.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.3&artikel=9.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), heeft opgelegd en de studerende heeft, nadat voormelde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, voor een tweede maal niet voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2015-08-01&g=2015-08-01), kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100 procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
2. De herziening vindt plaats met ingang van de dag na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in [artikel 9.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9¶graaf=9.3&artikel=9.9&z=2015-08-01&g=2015-08-01), ziet of, indien dit een latere datum betreft, de dag van de laatste adreswijziging van de studerende in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de studerende of een van hen na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, ziet of na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de studerende, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
3. Indien Onze Minister de studerende een boete als bedoeld in het eerste lid heeft opgelegd kan hij tevens beslissen dat elke aanspraak op studiefinanciering vervalt.
4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.9a. Reeds toegekende reisvoorziening
Op een student die een reisvoorziening als bedoeld in [artikel 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5¶graaf=5.1&artikel=5.3&z=2015-08-01&g=2015-08-01), zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Y, van de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met het inkorten van het studentenreisrecht, het vervallen van de bijverdiengrens voor ondernemers in hun laatste studiejaar en het herstel van enkele technische onvolkomenheden (Stb. 2012, 368) toegekend heeft gekregen, blijft ten aanzien van deze toegekende reisvoorziening artikel 5.3, zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Y, van deze Wijzigingswet van 12 juli 2012 van toepassing.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.10a1. langstudeerders geen rente verschuldigd
In afwijking van [artikel 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6¶graaf=6.1&artikel=6.4&z=2015-08-01&g=2015-08-01) wordt er geen rente berekend over collegegeldkrediet ten behoeve van de opslag, als bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45), zoals dat luidde op 1 september 2011, indien het daarvoor geleende bedrag vóór 1 maart 2013 wordt teruggestort.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2.3a. Leeftijd levenlanglerenkrediet
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs
##### Artikel 2.7b. Uitzondering levenlanglerenkrediet
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
#### Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders
##### Artikel 3.9a. Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage hoger onderwijs
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.16b. Levenlanglerenkrediet: aanspraak
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.16c. Levenlanglerenkrediet: duur
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.16d. Levenlanglerenkrediet: hoogte
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.16e. Levenlanglerenkrediet: uitvoeringsregels
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 3.6. Toekenning
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
#### Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
##### Artikel 4.6a. Prestatiebeurs beroepsonderwijs
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.6b. Reisvoorziening minderjarige deelnemer
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
##### Artikel 5.2a. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een lerarenkopopleiding
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.2b. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege handicap of chronische ziekte
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.2c. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een universitaire lerarenopleiding
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
#### Paragraaf 6.1. Algemeen
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
#### Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
2015-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 3, 3 y 5 más
2015-03-05
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 3, 3 y 5 más
2015-02-11
Wet studiefinanciering 2000
2015-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2014-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2014-01-06
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2014-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2013-07-04
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2013-07-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2013-05-29
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2013-02-28
Wet studiefinanciering 2000
2013-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2012-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2012-08-22
Wet studiefinanciering 2000
2012-01-05
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2012-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 29 más
2011-12-10
Wet studiefinanciering 2000
2011-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2011-08-01
Wet studiefinanciering 2000
2011-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2010-12-15
Wet studiefinanciering 2000
2010-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2010-01-01
Wet studiefinanciering 2000
2009-10-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 69 más
2009-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 69 más
2009-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 72 más
2009-07-01
Wet studiefinanciering 2000
2009-03-25
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 75 más
2009-01-15
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 75 más
2009-01-01
Wet studiefinanciering 2000
2008-10-22
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 49 más
2008-04-30
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 81 más
2008-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 117 más
2007-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 90 más
2007-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 59 más
2007-06-13
Wet studiefinanciering 2000
2007-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 63 más
2006-10-11
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 63 más
2006-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 63 más
2006-01-01
Wet studiefinanciering 2000
2005-12-30
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 35 más
2005-12-29
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 73 más
2005-12-21
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 73 más
2005-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 111 más
2005-08-03
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 114 más
2005-08-01
Wet studiefinanciering 2000
2005-03-01
Wet studiefinanciering 2000
2005-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 87 más
2004-09-01
Wet studiefinanciering 2000
2004-07-01
Wet studiefinanciering 2000
2004-02-13
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 95 más
2004-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 47 más
2003-11-21
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 47 más
2003-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 48 más
2002-09-01
Wet studiefinanciering 2000
2002-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 57 más
2002-02-08
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 1, 1, 2 y 167 más
original version
Tekst op deze datum