Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 29 juni 2000, houdende intrekking van de Wet op de studiefinanciering en vervanging door de Wet studiefinanciering 2000 (Wet studiefinanciering 2000)

100 versions · 2026-01-01
2026-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — art. 9
2025-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — art. 9
2024-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 9, 9
2024-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 9, 9
2023-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 9, 9
2023-08-01
Wet studiefinanciering 2000
2023-06-09
Wet studiefinanciering 2000
2023-04-07
Wet studiefinanciering 2000 — art. 9
2023-04-01
Wet studiefinanciering 2000 — art. 9
2023-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — art. 9
2022-09-01
Wet studiefinanciering 2000
2022-03-23
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2022-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2021-10-01
Wet studiefinanciering 2000
2021-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2021-07-03
Wet studiefinanciering 2000
2021-06-08
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 3, 9, 9
2021-04-01
Wet studiefinanciering 2000
2021-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 3, 9, 9
2020-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 3, 9, 9
2020-08-01
Wet studiefinanciering 2000

Wijzigingen op 2020-08-01

@@ -14,35 +14,35 @@
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
**achterstallige schuld**: achterstallige schuld als bedoeld in [artikel 6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
**achterstallige schuld**: achterstallige schuld als bedoeld in [artikel 6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**afsluitend examen**:
- a. voor wat betreft [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&z=2020-07-01&g=2020-07-01) het examen, bedoeld in [artikel 7.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.2), alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
- b. voor wat betreft [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2020-07-01&g=2020-07-01) het examen, bedoeld in [artikel 7.10a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.10a), alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
- a. voor wat betreft [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&z=2020-08-01&g=2020-08-01) het examen, bedoeld in [artikel 7.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.2), alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
- b. voor wat betreft [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2020-08-01&g=2020-08-01) het examen, bedoeld in [artikel 7.10a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.10a), alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**associate degree-opleiding**: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), waaraan accreditatie als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) is verleend,
**bacheloropleiding**: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel b, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), die is geaccrediteerd als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan,
**belastbaar minimumloon**: belastbaar minimumloon als bedoeld in [artikel 6.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.1a&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
**beroepsonderwijs**: opleiding als bedoeld in [artikel 7.2.7, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.7) en als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
**belastbaar minimumloon**: belastbaar minimumloon als bedoeld in [artikel 6.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.1a&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**beroepsonderwijs**: opleiding als bedoeld in [artikel 7.2.7, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.7) en als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**collegegeldkrediet**: lening voor betaling van het collegegeld in het hoger onderwijs,
**debiteur**: degene die zich krachtens [artikel 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01) heeft verplicht tot terugbetaling,
**deelnemer**: degene die beroepsonderwijs volgt,
**diplomatermijn beroepsonderwijs**: termijn als bedoeld in [artikel 4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
**diplomatermijn hoger onderwijs**: termijn als bedoeld in [artikel 5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
**debiteur**: degene die zich krachtens [artikel 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01) heeft verplicht tot terugbetaling,
**diplomatermijn beroepsonderwijs**: termijn als bedoeld in [artikel 4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**diplomatermijn hoger onderwijs**: termijn als bedoeld in [artikel 5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**hoger beroepsonderwijs**: hoger beroepsonderwijs in de zin van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682),
**hoger onderwijs**: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en in [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
**hoger onderwijs**: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en in [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**ho-student**: degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde een extraneus,
**lening**: rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift,
@@ -50,6 +50,8 @@
**masteropleiding**: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel c, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), die is geaccrediteerd als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan,
**mbo-student**: degene die beroepsonderwijs volgt,
**onderwijsnummer**: door Onze Minister uitgegeven persoonsgebonden nummer, toegekend aan een persoon aan wie niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt,
**Onze Minister**: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
@@ -58,39 +60,37 @@
- a. entreeopleiding en basisberoepsopleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2), en
- b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2,
- b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2,
**opleiding niveau 3 of 4**:
- a. vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2), en
- b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4,
- b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4,
**ouder**: natuurlijke ouder of adoptiefouder in de zin van de [artikelen 197 tot en met 232 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=197),
**partner**: partner als bedoeld in [artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=3),
**peiljaar**: tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het studiefinancieringstijdvak aanvangt, dan wel het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de draagkracht in de zin van [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2020-07-01&g=2020-07-01) wordt vastgesteld,
**peiljaar**: tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het studiefinancieringstijdvak aanvangt, dan wel het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de draagkracht in de zin van [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2020-08-01&g=2020-08-01) wordt vastgesteld,
**prestatiebeurs**: rentedragende lening die onder voorwaarden kan worden omgezet in een gift, waarbij de rente teniet gaat, niet zijnde de rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift,
**prestatiebeurs beroepsonderwijs**: prestatiebeurs als bedoeld in [artikel 4.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.6a&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
**prestatiebeurs hoger onderwijs**: prestatiebeurs als bedoeld in [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
**reisproduct**: elektronisch product dat studerenden kunnen laden op een OV-chipkaart wanneer zij beschikken over reisrecht,
**reisrecht**: recht om te reizen als bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
**reisvoorziening**: voorziening als bedoeld in [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [paragraaf 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
**RSR**: Regisseur Studenten Reisrecht, de rechtspersoon die in opdracht van de vervoersbedrijven tot taak heeft de digitale administratie van het reisproduct voor studerenden op de OV-chipkaart te voeren,
**prestatiebeurs beroepsonderwijs**: prestatiebeurs als bedoeld in [artikel 4.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.6a&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**prestatiebeurs hoger onderwijs**: prestatiebeurs als bedoeld in [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**reisproduct**: elektronisch product dat studenten kunnen laden op een OV-chipkaart wanneer zij beschikken over reisrecht,
**reisrecht**: recht om te reizen als bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**reisvoorziening**: voorziening als bedoeld in [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [paragraaf 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**RSR**: Regisseur Studenten Reisrecht, de rechtspersoon die in opdracht van de vervoersbedrijven tot taak heeft de digitale administratie van het reisproduct voor studenten op de OV-chipkaart te voeren,
**specialistenopleiding**: specialistenopleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2),
**student**: degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde een extraneus,
**studerende**: deelnemer of student,
**student**: ho-student of mbo-student,
**studiefinanciering**: door Onze Minister verstrekte toekenning in verband met het volgen van een opleiding in het beroepsonderwijs of in het hoger onderwijs waarop uitsluitend op grond van deze wet aanspraak bestaat,
@@ -104,15 +104,15 @@
**studiepunt**: eenheid waarin de studielast, bedoeld in [artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4), wordt uitgedrukt,
**termijnbetaling**: bedrag als bedoeld in [artikel 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), of als het een debiteur betreft op wie [hoofdstuk 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) van toepassing is: bedrag als bedoeld in [artikel 10a.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
**thuiswonende deelnemer**: deelnemer die niet een uitwonende deelnemer is,
**toetsingsinkomen**: inkomen als bedoeld in [artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=8), met dien verstande dat, behoudens bij de toepassing van artikel [3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.17&z=2020-07-01&g=2020-07-01), voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,
**uitwonende deelnemer**: deelnemer die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
**veronderstelde ouderlijke bijdrage**: bedrag dat verondersteld wordt door de ouders bijgedragen te worden waarmee de aanvullende beurs van de studerende wordt verminderd,
**termijnbetaling**: bedrag als bedoeld in [artikel 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), of als het een debiteur betreft op wie [hoofdstuk 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) van toepassing is: bedrag als bedoeld in [artikel 10a.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**thuiswonende deelnemer**: mbo-student die niet een uitwonende mbo-student is,
**toetsingsinkomen**: inkomen als bedoeld in [artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=8), met dien verstande dat, behoudens bij de toepassing van artikel [3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.17&z=2020-08-01&g=2020-08-01), voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,
**uitwonende deelnemer**: mbo-student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
**veronderstelde ouderlijke bijdrage**: bedrag dat verondersteld wordt door de ouders bijgedragen te worden waarmee de aanvullende beurs van de student wordt verminderd,
**vervoerbedrijf**: rechtspersoon die op grond van een overeenkomst met de Staat als partij of als derde verantwoordelijk is voor de uitvoering van het reisrecht,
@@ -142,15 +142,15 @@
Vervallen
##### Artikel 1.5. Verplichtingen uitwonende deelnemer
1. Voor het normbedrag voor een uitwonende deelnemer komt in aanmerking de deelnemer die voldoet aan de volgende verplichtingen:
- a. de deelnemer woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en
- b. het woonadres van de deelnemer is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.
2. Op een deelnemer die ingevolge [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) in aanmerking komt voor studiefinanciering voor een opleiding buiten Nederland is het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing.
##### Artikel 1.5. Verplichtingen uitwonende mbo-student
1. Voor het normbedrag voor een uitwonende mbo-student komt in aanmerking de mbo-student die voldoet aan de volgende verplichtingen:
- a. de mbo-student woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en
- b. het woonadres van de mbo-student is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.
2. Op een mbo-student die ingevolge [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) in aanmerking komt voor studiefinanciering voor een opleiding buiten Nederland is het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing.
##### Artikel 1.6. Inspecteur der rijksbelastingen bepaalt inkomen of loon
@@ -158,17 +158,17 @@
##### Artikel 1.7. Gebruik burgerservicenummer of onderwijsnummer
1. Onze Minister gebruikt het burgerservicenummer of onderwijsnummer van een studerende of debiteur ter zake van de uitvoering van deze wet slechts:
- a. in contacten met die studerende of debiteur,
1. Onze Minister gebruikt het burgerservicenummer of onderwijsnummer van een student of debiteur ter zake van de uitvoering van deze wet slechts:
- a. in contacten met die student of debiteur,
- b. in contacten met personen en instanties voorzover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie,
- c. teneinde de gegevens van die studerende of debiteur te vergelijken met de gegevens die over hem zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in [artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=4), voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet, en
- d. in contacten met de toezichthouders, bedoeld in [artikel 9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.1&artikel=9.1a&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
2. Het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de partner of ouder van een studerende of debiteur kan ter zake van de uitvoering van deze wet slechts worden gebruikt in contacten met die partner of ouder of met de desbetreffende studerende of debiteur, alsmede, voorzover het betreft de controle op de rechtmatigheid, in contacten met personen en instanties voorzover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie.
- c. teneinde de gegevens van die student of debiteur te vergelijken met de gegevens die over hem zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in [artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=4), voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet, en
- d. in contacten met de toezichthouders, bedoeld in [artikel 9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.1&artikel=9.1a&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
2. Het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de partner of ouder van een student of debiteur kan ter zake van de uitvoering van deze wet slechts worden gebruikt in contacten met die partner of ouder of met de desbetreffende student of debiteur, alsmede, voorzover het betreft de controle op de rechtmatigheid, in contacten met personen en instanties voorzover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie.
### Hoofdstuk 2. Werkingssfeer
@@ -176,17 +176,17 @@
##### Artikel 2.1. Reikwijdte en voorwaarden studiefinanciering
Deze wet regelt de studiefinanciering en is van toepassing op studerenden die voldoen aan de voorwaarden inzake:
- a. nationaliteit als bedoeld in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01),
- b. leeftijd als bedoeld in [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01) of [2.3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.3a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en
- c. onderwijssoort als bedoeld in de [paragrafen 2.2 tot en met 2.4.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
Deze wet regelt de studiefinanciering en is van toepassing op studenten die voldoen aan de voorwaarden inzake:
- a. nationaliteit als bedoeld in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01),
- b. leeftijd als bedoeld in [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01) of [2.3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.3a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en
- c. onderwijssoort als bedoeld in de [paragrafen 2.2 tot en met 2.4.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
##### Artikel 2.2. Nationaliteit
1. Voor studiefinanciering kan een studerende in aanmerking komen die:
1. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die:
- a. de Nederlandse nationaliteit bezit,
@@ -198,7 +198,7 @@
##### Artikel 2.3. Leeftijd
1. Een deelnemer kan in aanmerking komen voor:
1. Een mbo-student kan in aanmerking komen voor:
- a. een reisvoorziening met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij beroepsonderwijs is gaan volgen;
@@ -208,17 +208,17 @@
- 2°. de eerste dag van het kwartaal indien hij op die dag de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
2. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij hoger onderwijs is gaan volgen.
3. Voor studiefinanciering kan een studerende in aanmerking komen tot en met de maand waarin hij de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.
4. In afwijking van het derde lid behoudt een studerende bij het bereiken van de leeftijd van 30 jaren zijn aanspraak, zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
2. Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij hoger onderwijs is gaan volgen.
3. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen tot en met de maand waarin hij de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.
4. In afwijking van het derde lid behoudt een student bij het bereiken van de leeftijd van 30 jaren zijn aanspraak, zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
#### Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs
##### Artikel 2.4. Beroepsonderwijs in Nederland
Voor studiefinanciering kan een deelnemer in aanmerking komen die is ingeschreven aan:
Voor studiefinanciering kan een mbo-student in aanmerking komen die is ingeschreven aan:
- a. een instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1, onderdeel b, van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1), voor zover het een uit 's Rijks kas bekostigde beroepsopleiding betreft, of
@@ -226,11 +226,11 @@
##### Artikel 2.5. Aanspraak
1. Een deelnemer heeft geen aanspraak op studiefinanciering indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar.
2. De aanspraak op studiefinanciering van een deelnemer als bedoeld in [artikel 4.1, onderdeel a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken geen lessen of beroepspraktijkvorming heeft gevolgd, vervalt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de instelling de afwezigheid, bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01), aan Onze Minister heeft medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
3. De aanspraak op studiefinanciering vervalt over het tijdvak waarover een deelnemer de gegevens, bedoeld in [artikel 4.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&paragraaf=4.2.2&artikel=4.19&z=2020-07-01&g=2020-07-01), niet verstrekt. Zolang hij deze gegevens over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij ontbrekende gegevens alsnog levert, herleeft de aanspraak.
1. Een mbo-student heeft geen aanspraak op studiefinanciering indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar.
2. De aanspraak op studiefinanciering van een mbo-student als bedoeld in [artikel 4.1, onderdeel a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken geen lessen of beroepspraktijkvorming heeft gevolgd, vervalt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de instelling de afwezigheid, bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01), aan Onze Minister heeft medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
3. De aanspraak op studiefinanciering vervalt over het tijdvak waarover een mbo-student de gegevens, bedoeld in [artikel 4.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&paragraaf=4.2.2&artikel=4.19&z=2020-08-01&g=2020-08-01), niet verstrekt. Zolang hij deze gegevens over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij ontbrekende gegevens alsnog levert, herleeft de aanspraak.
##### Artikel 2.6. Bekendmaking bij niet voldoen aan artikel 2.5, derde lid, en aanspraak op studiefinanciering
@@ -238,17 +238,17 @@
##### Artikel 2.7. Aanspraak bij einde studie beroepsonderwijs
1. De aanspraak op studiefinanciering vervalt met ingang van de maand die volgt op de dag waarop de deelnemer het laatste studiejaar van een opleiding met goed gevolg heeft afgesloten.
2. Indien de deelnemer aansluitend aan het studiejaar dat als laatste studiejaar was aangemerkt, opnieuw dat laatste studiejaar aanvangt, ontstaat aanspraak op studiefinanciering voor het resterende gedeelte van het kalenderjaar.
3. Indien de deelnemer na zijn uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw deze opleiding aanvangt of een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, blijft, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering in de tussen beide opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4 maanden bestaan. Hij wordt in die periode aangemerkt als deelnemer aan de eerste opleiding. In afwijking van [artikel 3.21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.6&artikel=3.21&z=2020-07-01&g=2020-07-01), kan de aanvraag in het daarop volgende studiejaar worden ingediend indien de uitschrijving binnen vier maanden voor het einde van het desbetreffende studiejaar heeft plaatsgevonden.
1. De aanspraak op studiefinanciering vervalt met ingang van de maand die volgt op de dag waarop de mbo-student het laatste studiejaar van een opleiding met goed gevolg heeft afgesloten.
2. Indien de mbo-student aansluitend aan het studiejaar dat als laatste studiejaar was aangemerkt, opnieuw dat laatste studiejaar aanvangt, ontstaat aanspraak op studiefinanciering voor het resterende gedeelte van het kalenderjaar.
3. Indien de mbo-student na zijn uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw deze opleiding aanvangt of een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, blijft, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering in de tussen beide opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4 maanden bestaan. Hij wordt in die periode aangemerkt als mbo-student aan de eerste opleiding. In afwijking van [artikel 3.21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.6&artikel=3.21&z=2020-08-01&g=2020-08-01), kan de aanvraag in het daarop volgende studiejaar worden ingediend indien de uitschrijving binnen vier maanden voor het einde van het desbetreffende studiejaar heeft plaatsgevonden.
#### Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
##### Artikel 2.8. Voltijdse opleidingen hoger onderwijs
1. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een universiteit of hogeschool, opgenomen in de [bijlage van de WHW](onbekend) of aan een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1).
1. Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een universiteit of hogeschool, opgenomen in de [bijlage van de WHW](onbekend) of aan een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1).
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing gedurende de termijn, bedoeld in de [artikelen 5.21, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=5.21), 5.33 en [6.5, tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.5).
@@ -258,17 +258,17 @@
##### Artikel 2.10. Bekostigde voltijdse kerkelijke opleidingen hoger onderwijs
Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse wetenschappelijk theologische opleiding ten behoeve waarvan aan het desbetreffende kerkgenootschap vanwege het Rijk een bijdrage wordt verleend.
Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse wetenschappelijk theologische opleiding ten behoeve waarvan aan het desbetreffende kerkgenootschap vanwege het Rijk een bijdrage wordt verleend.
##### Artikel 2.11. Bij amvb aangewezen hoger onderwijs
Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen hoger onderwijs dat anders dan op grond van de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682), volledig en rechtstreeks uit de openbare kas wordt bekostigd.
Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen hoger onderwijs dat anders dan op grond van de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682), volledig en rechtstreeks uit de openbare kas wordt bekostigd.
##### Artikel 2.12. Opleidingen levenlanglerenkrediet
Een student kan in aanmerking komen voor levenlanglerenkrediet, indien hij is ingeschreven voor het volgen van:
- a. een opleiding als bedoeld in de [artikelen 2.8 tot en met 2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01);
Een ho-student kan in aanmerking komen voor levenlanglerenkrediet, indien hij is ingeschreven voor het volgen van:
- a. een opleiding als bedoeld in de [artikelen 2.8 tot en met 2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01);
- b. een postinitiële masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.3b van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3b);
@@ -284,7 +284,7 @@
##### Artikel 2.13. Geen aanspraak of geen aanspraak meer
1. Een student heeft geen aanspraak op studiefinanciering:
1. Een ho-student heeft geen aanspraak op studiefinanciering:
- a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs hoger onderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten,
@@ -294,11 +294,11 @@
- d. indien hij in het betreffende studiefinancieringstijdvak aanspraak maakt op een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud, die door de voor de verstrekking van deze tegemoetkomingen verantwoordelijke autoriteit van een ander land wordt verstrekt.
2. De aanspraak van een student die een opleiding volgt als bedoeld in [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01) vervalt over het tijdvak waarover hij de inlichtingen, bedoeld in [artikel 9.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.2&artikel=9.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), niet verstrekt. Zolang hij die inlichtingen over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij die inlichtingen alsnog verstrekt, herleeft de aanspraak.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien [artikel 5.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.7&artikel=5.16&z=2020-07-01&g=2020-07-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien [artikel 5.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.7&artikel=5.16&z=2020-07-01&g=2020-07-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met 5 jaren.
2. De aanspraak van een ho-student die een opleiding volgt als bedoeld in [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01) vervalt over het tijdvak waarover hij de inlichtingen, bedoeld in [artikel 9.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.2&artikel=9.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01), niet verstrekt. Zolang hij die inlichtingen over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij die inlichtingen alsnog verstrekt, herleeft de aanspraak.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien [artikel 5.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.7&artikel=5.16&z=2020-08-01&g=2020-08-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien [artikel 5.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.7&artikel=5.16&z=2020-08-01&g=2020-08-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met 5 jaren.
5. Het eerste lid, onderdelen a en b, en het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet.
@@ -306,13 +306,13 @@
##### Artikel 2.14. Buitenlandse opleidingen hoger onderwijs
1. Dit artikel is niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet en op studenten die op grond van [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.
2. Een student die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland, bedoeld in het derde lid, komt in aanmerking voor studiefinanciering indien hij:
1. Dit artikel is niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet en op ho-studenten die op grond van [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01), slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.
2. Een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland, bedoeld in het derde lid, komt in aanmerking voor studiefinanciering indien hij:
- a. gebruik heeft gemaakt van het vrij verkeer bedoeld in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en op grond van bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde criteria een band heeft met Nederland; of
- b. ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan die opleiding in Nederland heeft gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf heeft gehad, waarbij de periode gedurende welke een student is ingeschreven aan een opleiding buiten Nederland als bedoeld in het derde lid, niet meetelt voor de bepaling van deze 6 jaren.
- b. ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan die opleiding in Nederland heeft gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf heeft gehad, waarbij de periode gedurende welke een ho-student is ingeschreven aan een opleiding buiten Nederland als bedoeld in het derde lid, niet meetelt voor de bepaling van deze 6 jaren.
3. Van een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland waarvoor studiefinanciering wordt toegekend is sprake indien:
@@ -328,21 +328,21 @@
5. Het [tweede en derde lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.2) zijn van overeenkomstige toepassing op het tweede lid. Het tweede en derde lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn, voor de toepassing van de eerste volzin, tevens van overeenkomstige toepassing op personen met een andere dan de Nederlandse nationaliteit.
6. Bij ministeriële regeling kan een maximum worden gesteld aan het aantal aanvragen van studenten voor studiefinanciering voor het volgen van onderwijs buiten Nederland.
7. Het zesde lid is niet van toepassing op aanvragen van studenten die in de 12 maanden voorafgaand aan de periode waarvoor studiefinanciering voor het volgen van onderwijs buiten Nederland wordt aangevraagd, reeds studiefinanciering voor het volgen van onderwijs buiten Nederland toegekend hebben gekregen.
6. Bij ministeriële regeling kan een maximum worden gesteld aan het aantal aanvragen van ho-studenten voor studiefinanciering voor het volgen van onderwijs buiten Nederland.
7. Het zesde lid is niet van toepassing op aanvragen van ho-studenten die in de 12 maanden voorafgaand aan de periode waarvoor studiefinanciering voor het volgen van onderwijs buiten Nederland wordt aangevraagd, reeds studiefinanciering voor het volgen van onderwijs buiten Nederland toegekend hebben gekregen.
8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels met betrekking tot de uitvoering van dit artikel worden vastgesteld.
##### Artikel 2.15. Geen aanspraak studiefinanciering als deelnemer bij samenloop beroepsonderwijs en hoger onderwijs
De studerende die lesgeld is verschuldigd op grond van [artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=5) en tevens voor het volgen van hoger onderwijs aanspraak heeft op studiefinanciering, geldt voor de toekenning van studiefinanciering niet als deelnemer.
##### Artikel 2.15. Geen aanspraak studiefinanciering als mbo-student bij samenloop beroepsonderwijs en hoger onderwijs
De student die lesgeld is verschuldigd op grond van [artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=5) en tevens voor het volgen van hoger onderwijs aanspraak heeft op studiefinanciering, geldt voor de toekenning van studiefinanciering niet als mbo-student.
##### Artikel 2.16. Geen aanspraak beroepsonderwijs na eerdere aanspraak
1. De deelnemer heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2, indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten.
2. De studerende heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs hoger onderwijs heeft genoten.
1. De mbo-student heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2, indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten.
2. De student heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs hoger onderwijs heeft genoten.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet.
@@ -368,15 +368,15 @@
- c. een lening.
3. Indien een studerende geen aanspraak heeft op studiefinanciering als bedoeld in het eerste of tweede lid bestaat studiefinanciering uit levenlanglerenkrediet.
3. Indien een student geen aanspraak heeft op studiefinanciering als bedoeld in het eerste of tweede lid bestaat studiefinanciering uit levenlanglerenkrediet.
4. De hoogte van de studiefinanciering wordt vastgesteld op basis van een budget voor een kalendermaand.
5. In afwijking van het vierde lid kan de hoogte van de studiefinanciering ook worden vastgesteld op een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs.
##### Artikel 3.2. Samenstelling maandbudget deelnemer
1. Het budget voor een deelnemer voor een kalendermaand is het totaal van:
##### Artikel 3.2. Samenstelling maandbudget mbo-student
1. Het budget voor een mbo-student voor een kalendermaand is het totaal van:
- a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud,
@@ -384,19 +384,19 @@
- c. een reisvoorziening.
2. Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
3. De tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld wordt voor een deelnemer vastgesteld op eentwaalfde deel van het op grond van [artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=5) vastgestelde of herziene bedrag van het lesgeld. Het bedrag van de maximale aanvullende beurs, bedoeld in de [artikelen 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.13&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.16&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01), wordt voor een deelnemer verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming.
4. De tegemoetkoming, bedoeld in het derde lid, wordt niet toegekend voor het studiejaar waarin de deelnemer de leeftijd van 18 jaren bereikt.
5. In afwijking van het eerste lid bestaat het budget voor een deelnemer die in aanmerking komt voor levenlanglerenkrediet alleen uit dat krediet.
6. De bedragen zijn opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
##### Artikel 3.3. Samenstelling maandbudget student
1. Het budget voor een student voor een kalendermaand is het totaal van:
2. Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
3. De tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld wordt voor een mbo-student vastgesteld op eentwaalfde deel van het op grond van [artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=5) vastgestelde of herziene bedrag van het lesgeld. Het bedrag van de maximale aanvullende beurs, bedoeld in de [artikelen 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.13&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.16&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01), wordt voor een mbo-student verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming.
4. De tegemoetkoming, bedoeld in het derde lid, wordt niet toegekend voor het studiejaar waarin de mbo-student de leeftijd van 18 jaren bereikt.
5. In afwijking van het eerste lid bestaat het budget voor een mbo-student die in aanmerking komt voor levenlanglerenkrediet alleen uit dat krediet.
6. De bedragen zijn opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
##### Artikel 3.3. Samenstelling maandbudget ho-student
1. Het budget voor een ho-student voor een kalendermaand is het totaal van:
- a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud;
@@ -404,11 +404,11 @@
- c. een reisvoorziening.
2. Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
3. In afwijking van het eerste lid bestaat het budget voor een student die in aanmerking komt voor levenlanglerenkrediet alleen uit dat krediet.
4. De bedragen zijn opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
2. Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
3. In afwijking van het eerste lid bestaat het budget voor een ho-student die in aanmerking komt voor levenlanglerenkrediet alleen uit dat krediet.
4. De bedragen zijn opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
##### Artikel 3.4. Toeslag partner
@@ -416,31 +416,31 @@
##### Artikel 3.5. Toeslag eenoudergezin
1. Aan een studerende zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) aanspraak op kinderbijslag heeft, wordt een toeslag voor een eenoudergezin toegekend.
2. Het bedrag is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
1. Aan een student zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) aanspraak op kinderbijslag heeft, wordt een toeslag voor een eenoudergezin toegekend.
2. Het bedrag is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
##### Artikel 3.6. Basisbeurs beroepsonderwijs
1. De hoogte van de basisbeurs is verschillend voor uit- en thuiswonende deelnemers. De bedragen zijn opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
1. De hoogte van de basisbeurs is verschillend voor uit- en thuiswonende mbo-studenten. De bedragen zijn opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
2. Voor een opleiding niveau 1 of 2 maakt een reisvoorziening deel uit van de basisbeurs.
3. Voor een opleiding niveau 1 of 2 kan de toeslag, bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01), onderdeel uitmaken van de basisbeurs.
3. Voor een opleiding niveau 1 of 2 kan de toeslag, bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01), onderdeel uitmaken van de basisbeurs.
##### Artikel 3.7. Vorm toekenning reisvoorziening
1. Voor studerenden aan een opleiding binnen Nederland bestaat de reisvoorziening uit een reisrecht gedurende een bepaald deel van de week waarvoor de studerende geen bedrag of een lager bedrag verschuldigd is aan de vervoersbedrijven.
2. Voor studerenden die aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in [artikel 4.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01), onderscheidenlijk [artikel 5.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
In afwijking van de eerste volzin kan een studerende als bedoeld in de eerste volzin op aanvraag als reisvoorziening een reisrecht ontvangen.
3. Voor studerenden aan een opleiding binnen Nederland die een deel van deze opleiding buiten Nederland volgen is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
4. Voor studerenden voor wie geen burgerservicenummer kan worden gebruikt in het contact tussen Onze Minister en RSR, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in [artikel 4.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01), onderscheidenlijk [artikel 5.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
1. Voor studenten aan een opleiding binnen Nederland bestaat de reisvoorziening uit een reisrecht gedurende een bepaald deel van de week waarvoor de student geen bedrag of een lager bedrag verschuldigd is aan de vervoersbedrijven.
2. Voor studenten die aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in [artikel 4.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01), onderscheidenlijk [artikel 5.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
In afwijking van de eerste volzin kan een student als bedoeld in de eerste volzin op aanvraag als reisvoorziening een reisrecht ontvangen.
3. Voor studenten aan een opleiding binnen Nederland die een deel van deze opleiding buiten Nederland volgen is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
4. Voor studenten voor wie geen burgerservicenummer kan worden gebruikt in het contact tussen Onze Minister en RSR, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in [artikel 4.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01), onderscheidenlijk [artikel 5.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze van aanvraag en toekenning van de reisvoorziening in geld, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid alsmede regels met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.
@@ -448,21 +448,21 @@
##### Artikel 3.8. Aanvullende beurs
1. De hoogte van de aanvullende beurs is afhankelijk van het ouderlijk inkomen en wordt berekend ingevolge de [artikelen 3.9 tot en met 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
2. Het maximale bedrag van de aanvullende beurs is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
1. De hoogte van de aanvullende beurs is afhankelijk van het ouderlijk inkomen en wordt berekend ingevolge de [artikelen 3.9 tot en met 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
2. Het maximale bedrag van de aanvullende beurs is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
##### Artikel 3.9. Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage beroepsonderwijs
1. Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het toetsingsinkomen van de afzonderlijke ouders van de deelnemer in het peiljaar.
2. Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2020: € 18.288,73. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een deelnemer die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01) toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2020: € 23.170,86.
1. Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het toetsingsinkomen van de afzonderlijke ouders van de mbo-student in het peiljaar.
2. Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2020: € 18.288,73. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een mbo-student die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01) toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2020: € 23.170,86.
3. Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar.
4. Op het bruto kortingsbedrag, bedoeld in het derde lid, worden in mindering gebracht:
- a. de ingevolge [paragraaf 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01) vastgestelde termijnbetalingen over een jaar of, indien dit minder is, de berekende draagkracht indien de ouder tevens debiteur is; en
- a. de ingevolge [paragraaf 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01) vastgestelde termijnbetalingen over een jaar of, indien dit minder is, de berekende draagkracht indien de ouder tevens debiteur is; en
- b. € 363 voor ieder kind dat in het studiejaar dat aanvangt in het jaar voorafgaand aan het studiefinancieringstijdvak, onder de werking van [hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=4) en schoolkosten of van [artikel 2, derde tot en met vijfde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) valt.
@@ -470,35 +470,35 @@
6. Indien een kind waarvoor de aftrek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, heeft plaatsgevonden, onder de werking van deze wet gaat vallen, wordt met ingang van het tijdstip waarop dit kind onder de werking van deze wet gaat vallen, de veronderstelde ouderlijke bijdrage, bedoeld in het vijfde lid, opnieuw berekend.
7. Het zesde lid is niet van toepassing op een deelnemer die uitsluitend een reisvoorziening bedoeld in [artikel 4.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.6b&z=2020-07-01&g=2020-07-01) toegekend heeft gekregen.
7. Het zesde lid is niet van toepassing op een mbo-student die uitsluitend een reisvoorziening bedoeld in [artikel 4.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.6b&z=2020-08-01&g=2020-08-01) toegekend heeft gekregen.
##### Artikel 3.10. Peiljaarverlegging bij terugval in inkomen
1. Op aanvraag van de ouders of een van hen of op aanvraag van de studerende wordt bij toepassing van de [artikelen 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [3.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), indien sprake is van een terugval in inkomen over het eerste of het tweede jaar na het peiljaar, uitgegaan van het toetsingsinkomen in dat jaar.
1. Op aanvraag van de ouders of een van hen of op aanvraag van de student wordt bij toepassing van de [artikelen 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [3.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), indien sprake is van een terugval in inkomen over het eerste of het tweede jaar na het peiljaar, uitgegaan van het toetsingsinkomen in dat jaar.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan: een vermindering van de som van de toetsingsinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.
##### Artikel 3.11. Nog niet vastgesteld of nog niet bekend inkomen
Voor de toepassing van de [artikelen 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01) wordt zolang het toetsingsinkomen over het peiljaar, het eerste of het tweede jaar na het peiljaar nog niet kan worden bepaald, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het desbetreffende toetsingsinkomen zo goed mogelijk benadert.
Voor de toepassing van de [artikelen 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01) wordt zolang het toetsingsinkomen over het peiljaar, het eerste of het tweede jaar na het peiljaar nog niet kan worden bepaald, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het desbetreffende toetsingsinkomen zo goed mogelijk benadert.
##### Artikel 3.12. Ouder zonder partner
Indien het na het peiljaar een ouder zonder partner betreft als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2), wordt op aanvraag van die ouder of de studerende de hoogte van de vrije voet, bedoeld in [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), onderscheidenlijk [artikel 3.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), dienovereenkomstig aangepast.
Indien het na het peiljaar een ouder zonder partner betreft als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2), wordt op aanvraag van die ouder of de student de hoogte van de vrije voet, bedoeld in [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), onderscheidenlijk [artikel 3.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), dienovereenkomstig aangepast.
##### Artikel 3.13. Veronderstelde ouderlijke bijdrage
1. De veronderstelde ouderlijke bijdrage is voor een deelnemer de som van de maandbedragen, bedoeld in [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en voor een student de som van de maandbedragen die zijn bepaald door toepassing van[artikel 3.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9a&z=2020-07-01&g=2020-07-01). De veronderstelde ouderlijke bijdrage kan nooit meer bedragen dan de maximale aanvullende beurs voor een studerende.
2. De aanvullende beurs van een studerende wordt verminderd met de in het eerste lid bedoelde veronderstelde ouderlijke bijdrage. De vermindering is nihil, indien de veronderstelde ouderlijke bijdrage negatief is.
3. Indien een ouder meer dan één kind heeft dat recht heeft op studiefinanciering, met uitzondering van het kind dat tevens valt onder[artikel 3.9, vierde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en dat kind met betrekking tot de desbetreffende maand een aanvullende beurs heeft aangevraagd, wordt het maandbedrag, bedoeld in het eerste lid, gedeeld door dat aantal kinderen.
1. De veronderstelde ouderlijke bijdrage is voor een mbo-student de som van de maandbedragen, bedoeld in [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en voor een ho-student de som van de maandbedragen die zijn bepaald door toepassing van[artikel 3.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9a&z=2020-08-01&g=2020-08-01). De veronderstelde ouderlijke bijdrage kan nooit meer bedragen dan de maximale aanvullende beurs voor een student.
2. De aanvullende beurs van een student wordt verminderd met de in het eerste lid bedoelde veronderstelde ouderlijke bijdrage. De vermindering is nihil, indien de veronderstelde ouderlijke bijdrage negatief is.
3. Indien een ouder meer dan één kind heeft dat recht heeft op studiefinanciering, met uitzondering van het kind dat tevens valt onder[artikel 3.9, vierde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en dat kind met betrekking tot de desbetreffende maand een aanvullende beurs heeft aangevraagd, wordt het maandbedrag, bedoeld in het eerste lid, gedeeld door dat aantal kinderen.
##### Artikel 3.14. Weigerachtige of onvindbare ouders
1. Op aanvraag van een studerende kan de aan hem toegekende aanvullende lening worden verstrekt in de vorm van een aanvullende beurs, indien er sprake is van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en studerende of van onvindbaarheid van de ouder. Onder een langdurig ernstig verstoorde verhouding wordt in ieder geval niet begrepen een conflict van financiële aard dat verband houdt met de studie.
2. Indien het eerste lid toepassing vindt, is voor de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de andere ouder aan de studerende bedoeld in het eerste lid, [artikel 3.9, tweede lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), van overeenkomstige toepassing. De hoogte van de aanvullende beurs van andere kinderen van beide ouders verandert hierdoor niet.
1. Op aanvraag van een student kan de aan hem toegekende aanvullende lening worden verstrekt in de vorm van een aanvullende beurs, indien er sprake is van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en student of van onvindbaarheid van de ouder. Onder een langdurig ernstig verstoorde verhouding wordt in ieder geval niet begrepen een conflict van financiële aard dat verband houdt met de studie.
2. Indien het eerste lid toepassing vindt, is voor de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de andere ouder aan de student bedoeld in het eerste lid, [artikel 3.9, tweede lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), van overeenkomstige toepassing. De hoogte van de aanvullende beurs van andere kinderen van beide ouders verandert hierdoor niet.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden in ieder geval criteria gegeven ter beoordeling van de vraag of sprake is van:
@@ -510,15 +510,15 @@
##### Artikel 3.15. Basislening
Op aanvraag wordt een basislening toegekend. De maximale hoogte van de basislening is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01), waarbij verschillende bedragen zijn vastgesteld voor deelnemers en studenten.
Op aanvraag wordt een basislening toegekend. De maximale hoogte van de basislening is opgenomen in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01), waarbij verschillende bedragen zijn vastgesteld voor mbo-studenten en ho-studenten.
##### Artikel 3.16. Aanvullende lening
Het verschil tussen het maximale bedrag van de aanvullende beurs en de voor een studerende berekende aanvullende beurs wordt aan hem op aanvraag als een aanvullende lening toegekend.
##### Artikel 3.17. Vordering wegens eigen inkomsten deelnemer
1. Indien een deelnemer in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de deelnemer. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2020: € 15.003,05.
Het verschil tussen het maximale bedrag van de aanvullende beurs en de voor een student berekende aanvullende beurs wordt aan hem op aanvraag als een aanvullende lening toegekend.
##### Artikel 3.17. Vordering wegens eigen inkomsten mbo-student
1. Indien een mbo-student in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de mbo-student. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2020: € 15.003,05.
2. Vervallen.
@@ -528,17 +528,17 @@
- b. de studiefinanciering verstrekt op grond van deze wet en voor zover in deze inkomsten begrepen, en
- c. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in [artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.1), die in het kalenderjaar waarin de deelnemer zijn afsluitend examen behaalt, is verworven, met dien verstande dat een deelnemer hier slechts eenmaal voor in aanmerking komt.
4. Voor iedere maand dat een deelnemer een uitkering ontvangt in de zin van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), blijft daarvan naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag ter grootte van € 324,10 per 1 januari 2020: € 348,62 buiten beschouwing.
5. Bij de berekening van het meerinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de deelnemer aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen deelnemer was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode betreffen:
- c. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in [artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.1), die in het kalenderjaar waarin de mbo-student zijn afsluitend examen behaalt, is verworven, met dien verstande dat een mbo-student hier slechts eenmaal voor in aanmerking komt.
4. Voor iedere maand dat een mbo-student een uitkering ontvangt in de zin van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), blijft daarvan naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag ter grootte van € 324,10 per 1 januari 2020: € 348,62 buiten beschouwing.
5. Bij de berekening van het meerinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de mbo-student aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen mbo-student was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode betreffen:
- a. die begint bij de aanvang van het kalenderjaar, of
- b. die eindigt bij het einde van het kalenderjaar.
6. Voor de toepassing van het vijfde lid worden de volgende onderdelen van het toetsingsinkomen op verzoek van de deelnemer herleid tot maandbedragen door de desbetreffende bedragen te delen door 12:
6. Voor de toepassing van het vijfde lid worden de volgende onderdelen van het toetsingsinkomen op verzoek van de mbo-student herleid tot maandbedragen door de desbetreffende bedragen te delen door 12:
- a. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in [artikel 3.1, tweede lid, onder a van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.1),
@@ -550,7 +550,7 @@
- e. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in [hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=5), verminderd met daarin begrepen te conserveren inkomen.
7. Indien een deelnemer in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die deelnemer aan Onze Minister een bedrag ter grootte van het meerinkomen verschuldigd, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan de som van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die deelnemer toegekende bedragen aan:
7. Indien een mbo-student in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die mbo-student aan Onze Minister een bedrag ter grootte van het meerinkomen verschuldigd, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan de som van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die mbo-student toegekende bedragen aan:
- a. basisbeurs,
@@ -558,15 +558,15 @@
- c. toeslag eenoudergezin, en
- d. voor iedere maand waarin de deelnemer op enig moment beschikte over de reisvoorziening, een bedrag gelijk aan een twaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in [artikel 4.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01), vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.
8. Over de verschuldigde bedragen, bedoeld in het zevende lid, wordt rente berekend op de voet van de [artikelen 6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en [6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01), met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dag waarop de beschikking terzake is gegeven.
9. Indien een deelnemer voor 1 juni van een kalenderjaar aan Onze Minister schriftelijk opgave doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze deelnemer niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem is betaald.
10. De vordering die ontstaat door toepassing van het zevende lid, wordt in mindering gebracht op de met betrekking tot dat kalenderjaar aan de deelnemer toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs. Voor zover de prestatiebeurs over dat kalenderjaar niet is uitbetaald, wordt de vordering verrekend met die prestatiebeurs. De opgebouwde rente over het in mindering gebrachte bedrag gaat teniet.
11. Een aanvraag van de deelnemer aan Onze Minister om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking indien dat verzoek is ingediend voor 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar.
- d. voor iedere maand waarin de mbo-student op enig moment beschikte over de reisvoorziening, een bedrag gelijk aan een twaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in [artikel 4.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01), vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.
8. Over de verschuldigde bedragen, bedoeld in het zevende lid, wordt rente berekend op de voet van de [artikelen 6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en [6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01), met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dag waarop de beschikking terzake is gegeven.
9. Indien een mbo-student voor 1 juni van een kalenderjaar aan Onze Minister schriftelijk opgave doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze mbo-student niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem is betaald.
10. De vordering die ontstaat door toepassing van het zevende lid, wordt in mindering gebracht op de met betrekking tot dat kalenderjaar aan de mbo-student toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs. Voor zover de prestatiebeurs over dat kalenderjaar niet is uitbetaald, wordt de vordering verrekend met die prestatiebeurs. De opgebouwde rente over het in mindering gebrachte bedrag gaat teniet.
11. Een aanvraag van de mbo-student aan Onze Minister om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking indien dat verzoek is ingediend voor 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar.
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
@@ -625,7 +625,7 @@
4. De reisvoorziening of het levenlanglerenkrediet wordt niet toegekend voor een periode voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag.
5. Op aanvraag van de studerende onderbreekt of beëindigt Onze Minister de studiefinanciering met ingang van de kalendermaand die de studerende in zijn aanvraag aangeeft, met dien verstande dat de onderbreking of beëindiging niet plaatsvindt voor een periode voorafgaand aan de datum van de indiening van de aanvraag. De onderbreking omvat ten minste 1 maand.
5. Op aanvraag van de student onderbreekt of beëindigt Onze Minister de studiefinanciering met ingang van de kalendermaand die de student in zijn aanvraag aangeeft, met dien verstande dat de onderbreking of beëindiging niet plaatsvindt voor een periode voorafgaand aan de datum van de indiening van de aanvraag. De onderbreking omvat ten minste 1 maand.
##### Artikel 3.22. Onderbreken opleiding wegens ziekte
@@ -635,15 +635,15 @@
##### Artikel 3.23. Gebruik burgerservicenummer
1. In afwijking van [artikel 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01) gebruikt Onze Minister in contacten met RSR het burgerservicenummer van:
- a. een studerende voor de toekenning en beëindiging van diens reisrecht; en
- b. de persoon die een reisrecht toegekend heeft gekregen en van wie nadat sprake was van één van de situaties genoemd in [artikel 3.27, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-07-01&g=2020-07-01), het reisproduct niet tijdig is stopgezet, voor de uitvoering van artikel 3.27, tweede lid.
2. RSR gebruikt het burgerservicenummer van een studerende slechts:
- a. ter vaststelling van de identiteit van een studerende wanneer deze zich tot de vervoersbedrijven wendt om zijn gegevens te laten koppelen aan een daarvoor bestemde OV-chipkaart als bedoeld in [artikel 3.26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.26&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en
1. In afwijking van [artikel 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01) gebruikt Onze Minister in contacten met RSR het burgerservicenummer van:
- a. een student voor de toekenning en beëindiging van diens reisrecht; en
- b. de persoon die een reisrecht toegekend heeft gekregen en van wie nadat sprake was van één van de situaties genoemd in [artikel 3.27, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-08-01&g=2020-08-01), het reisproduct niet tijdig is stopgezet, voor de uitvoering van artikel 3.27, tweede lid.
2. RSR gebruikt het burgerservicenummer van een student slechts:
- a. ter vaststelling van de identiteit van een student wanneer deze zich tot de vervoersbedrijven wendt om zijn gegevens te laten koppelen aan een daarvoor bestemde OV-chipkaart als bedoeld in [artikel 3.26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.26&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en
- b. in contacten met Onze Minister.
@@ -657,11 +657,11 @@
##### Artikel 3.26. Aanvang reisrecht; omvang van rechten
1. Het reisrecht vangt aan op het moment dat de studerende het reisproduct heeft geladen op een daarvoor bestemde OV-chipkaart.
2. Het reisrecht wordt naar keuze van de studerende toegekend als weekreisrecht of weekendreisrecht.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van verkrijgen van het reisrecht en de omvang van de aan de soorten reisrecht, bedoeld in het tweede lid, verbonden rechten. Daarbij worden tevens voorschriften vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop en de termijn waarbinnen de studerende de keuze tussen soorten reisrecht dient te maken en met betrekking tot de aanvraag tot herziening door de studerende van een gemaakte keuze in soorten reisrecht.
1. Het reisrecht vangt aan op het moment dat de student het reisproduct heeft geladen op een daarvoor bestemde OV-chipkaart.
2. Het reisrecht wordt naar keuze van de student toegekend als weekreisrecht of weekendreisrecht.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van verkrijgen van het reisrecht en de omvang van de aan de soorten reisrecht, bedoeld in het tweede lid, verbonden rechten. Daarbij worden tevens voorschriften vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop en de termijn waarbinnen de student de keuze tussen soorten reisrecht dient te maken en met betrekking tot de aanvraag tot herziening door de student van een gemaakte keuze in soorten reisrecht.
##### Artikel 3.27. Beëindiging reisrecht
@@ -669,7 +669,7 @@
- a. zijn aanspraak op reisrecht is beëindigd; of
- b. zijn reisproduct op grond van [artikel 3.7, tweede of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), is vervangen door een reisvoorziening in de vorm van geld.
- b. zijn reisproduct op grond van [artikel 3.7, tweede of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), is vervangen door een reisvoorziening in de vorm van geld.
2. Indien het reisproduct niet is stopgezet na de termijn, genoemd in het eerste lid, aanhef, en er gebruik van is gemaakt, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister per halve kalendermaand een bedrag verschuldigd van, naar de maatstaf van 1 januari 2019:
@@ -683,7 +683,7 @@
5. Er is geen bedrag verschuldigd over de halve kalendermaanden waarin geen gebruik gemaakt is van het reisproduct.
6. Indien een studerende na het beëindigen van zijn aanspraak op het reisrecht opnieuw een reisrecht toegekend heeft gekregen, is na het beëindigen van het laatst toegekende reisrecht wederom sprake van een eerste halve kalendermaand, als bedoeld in het tweede lid, onder a.
6. Indien een student na het beëindigen van zijn aanspraak op het reisrecht opnieuw een reisrecht toegekend heeft gekregen, is na het beëindigen van het laatst toegekende reisrecht wederom sprake van een eerste halve kalendermaand, als bedoeld in het tweede lid, onder a.
7. Het tweede lid is niet van toepassing op een periode waarin het degene aan wie het reisrecht is toegekend, aantoonbaar niet kan worden toegerekend dat het reisproduct niet tijdig is stopgezet.
@@ -695,19 +695,19 @@
##### Artikel 3.29. Vergoeding bij geen reisrecht
1. Wanneer een studerende door toedoen van Onze Minister over een periode ten onrechte niet over een geladen reisproduct beschikt, heeft hij over die periode jegens Onze Minister aanspraak op een vergoeding ter grootte van het bedrag, bedoeld in [artikel 3.27, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-07-01&g=2020-07-01), mits hij meer dan 8 weken vóór het begin van de desbetreffende kalendermaand, zowel de studiefinanciering heeft aangevraagd als alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft verstrekt. Indien het betreft een reisvoorziening als bedoeld in [artikel 3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), heeft hij slechts aanspraak op een vergoeding als bedoeld in de vorige volzin, indien hij tevens binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn, een aanvraag om deze reisvoorziening heeft ingediend.
2. De studerende vraagt de vergoeding aan binnen 2 weken na de dag waarop hij op de aanvraag voor het eerst studiefinanciering heeft toegekend gekregen of, indien dit later is, binnen 2 weken na de dag waarop voor het eerst zijn recht op studiefinanciering inging.
3. De studerende heeft geen recht op enige vergoeding:
1. Wanneer een student door toedoen van Onze Minister over een periode ten onrechte niet over een geladen reisproduct beschikt, heeft hij over die periode jegens Onze Minister aanspraak op een vergoeding ter grootte van het bedrag, bedoeld in [artikel 3.27, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-08-01&g=2020-08-01), mits hij meer dan 8 weken vóór het begin van de desbetreffende kalendermaand, zowel de studiefinanciering heeft aangevraagd als alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft verstrekt. Indien het betreft een reisvoorziening als bedoeld in [artikel 3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), heeft hij slechts aanspraak op een vergoeding als bedoeld in de vorige volzin, indien hij tevens binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn, een aanvraag om deze reisvoorziening heeft ingediend.
2. De student vraagt de vergoeding aan binnen 2 weken na de dag waarop hij op de aanvraag voor het eerst studiefinanciering heeft toegekend gekregen of, indien dit later is, binnen 2 weken na de dag waarop voor het eerst zijn recht op studiefinanciering inging.
3. De student heeft geen recht op enige vergoeding:
- a. wegens het geen of slechts gedeeltelijk gebruik maken van het reisrecht, of
- b. in geval van inname, verlies, diefstal, beschadiging of een defect van de OV-chipkaart, bedoeld in [artikel 3.26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.26&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
- b. in geval van inname, verlies, diefstal, beschadiging of een defect van de OV-chipkaart, bedoeld in [artikel 3.26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.26&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
##### Artikel 3.30. Nadere regels voor reizen van en naar Waddeneilanden
Ten behoeve van het reizen tussen Waddeneilanden en het vaste land kan Onze Minister met de gemeenten van deze eilanden een overeenkomst sluiten over een aanvullende voorziening die deze gemeenten aan bepaalde groepen studerenden verstrekken.
Ten behoeve van het reizen tussen Waddeneilanden en het vaste land kan Onze Minister met de gemeenten van deze eilanden een overeenkomst sluiten over een aanvullende voorziening die deze gemeenten aan bepaalde groepen studenten verstrekken.
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
@@ -715,9 +715,9 @@
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing:
- a. op deelnemers die in Nederland een opleiding niveau 1 of 2 volgen, en
- b. op deelnemers die in Nederland een beroepsopleiding volgen en die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontvingen.
- a. op mbo-studenten die in Nederland een opleiding niveau 1 of 2 volgen, en
- b. op mbo-studenten die in Nederland een beroepsopleiding volgen en die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontvingen.
##### Artikel 4.2. Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt
@@ -725,33 +725,33 @@
##### Artikel 4.3. Langdurige afwezigheid in het beroepsonderwijs
1. De studiefinanciering van de deelnemer die zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken, bestaat met uitzondering van de reisvoorziening geheel uit een lening met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de afwezigheid zonder geldige reden aanving. De periode van 5 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
2. In afwijking van het eerste lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat voor soorten van beroepsonderwijs het eerste lid van overeenkomstige toepassing is, indien een deelnemer in een of meer onderwijseenheden zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen.
3. Onder afwezigheid met geldige reden wordt uitsluitend verstaan afwezigheid wegens ziekte van de deelnemer, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van een arts, of afwezigheid wegens bijzondere familieomstandigheden.
1. De studiefinanciering van de mbo-student die zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken, bestaat met uitzondering van de reisvoorziening geheel uit een lening met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de afwezigheid zonder geldige reden aanving. De periode van 5 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
2. In afwijking van het eerste lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat voor soorten van beroepsonderwijs het eerste lid van overeenkomstige toepassing is, indien een mbo-student in een of meer onderwijseenheden zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen.
3. Uitsluitend de in [artikel 8.1.7, negende lid, van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.1.7) genoemde redenen voor afwezigheid zijn geldige redenen.
##### Artikel 4.4. Weer aanwezig binnen 8 weken
[Artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is niet van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de deelnemer weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, voor zover die studiefinanciering niet reeds mede op grond van een andere bepaling dan dit artikel, de vorm van een lening had. Voorwaarde voor de toepassing van de vorige volzin is dat de deelnemer aan het onderwijs is gaan deelnemen binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
[Artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01) is niet van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de mbo-student weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, voor zover die studiefinanciering niet reeds mede op grond van een andere bepaling dan dit artikel, de vorm van een lening had. Voorwaarde voor de toepassing van de vorige volzin is dat de mbo-student aan het onderwijs is gaan deelnemen binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
##### Artikel 4.5. Langdurige afwezigheid in het niet bekostigd beroepsonderwijs
1. Het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling, bedoeld in [artikel 2.4, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01), uitgaat of de natuurlijke persoon die deze instelling in stand houdt, stelt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van 4 weken de deelnemer in kennis dat daarvan in de administratie van de instelling een aantekening is gemaakt en verzoekt de deelnemer om opgaaf van de reden van de afwezigheid.
1. Het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling, bedoeld in [artikel 2.4, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01), uitgaat of de natuurlijke persoon die deze instelling in stand houdt, stelt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van 4 weken de mbo-student in kennis dat daarvan in de administratie van de instelling een aantekening is gemaakt en verzoekt de mbo-student om opgaaf van de reden van de afwezigheid.
2. Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon vast:
- a. of de reden die de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is, of
- b. dat de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid.
3. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de deelnemer voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.
4. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan Onze Minister dat de deelnemer gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt hij, indien die deelnemer voor het einde van die periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, de datum daarvan.
- a. of de reden die de mbo-student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige reden als bedoeld in [artikel 8.1.7, negende lid, van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.1.7), is, of
- b. dat de mbo-student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid.
3. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de mbo-student voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.
4. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan Onze Minister dat de mbo-student gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt hij, indien die mbo-student voor het einde van die periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, de datum daarvan.
5. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
6. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokkene aan Onze Minister zijn verstrekt, aan deze betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01), gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid.
6. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokkene aan Onze Minister zijn verstrekt, aan deze betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01), gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid.
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
@@ -759,7 +759,7 @@
##### Artikel 5.1. Prestatiebeurs hoger onderwijs
Een student komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
Een ho-student komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
- a. een aanvullende beurs;
@@ -769,25 +769,25 @@
##### Artikel 5.2. Vorm en duur studiefinanciering
1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt eenmalig aan een student verstrekt gedurende 4 jaar, vermeerderd met:
- a. eenmalig een jaar indien een student is ingeschreven aan een masteropleiding, bedoeld in [artikel 7.4b, derde tot met achtste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b);
- b. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in [artikel 7.4a, derde tot en met zevende lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a), minus zestig en gedeeld door vijf, indien een student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde opleiding.
1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt eenmalig aan een ho-student verstrekt gedurende 4 jaar, vermeerderd met:
- a. eenmalig een jaar indien een ho-student is ingeschreven aan een masteropleiding, bedoeld in [artikel 7.4b, derde tot met achtste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b);
- b. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in [artikel 7.4a, derde tot en met zevende lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a), minus zestig en gedeeld door vijf, indien een ho-student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde opleiding.
2. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat, verstrekt in de vorm van een gift.
3. De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
4. Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de [artikelen 3.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.13&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01) naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2020: € 963,59. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
5. Op aanvraag kan een student als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01) gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
4. Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de [artikelen 3.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.13&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01) naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2020: € 963,59. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
5. Op aanvraag kan een ho-student als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01) gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
##### Artikel 5.3. Waarde van de reisvoorziening
1. Het deel van de prestatiebeurs hoger onderwijs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan een twaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs hoger onderwijs wordt niet uitbetaald of verrekend.
2. Indien de prestatiebeurs hoger onderwijs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.26&z=2020-07-01&g=2020-07-01) of is stopgezet als bedoeld in [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-07-01&g=2020-07-01). In afwijking van [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in [artikel 3.7, tweede of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), is toegekend.
1. Het deel van de prestatiebeurs hoger onderwijs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan een twaalfde deel van de waarde die daarvoor per student door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs hoger onderwijs wordt niet uitbetaald of verrekend.
2. Indien de prestatiebeurs hoger onderwijs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.26&z=2020-08-01&g=2020-08-01) of is stopgezet als bedoeld in [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-08-01&g=2020-08-01). In afwijking van [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01) is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in [artikel 3.7, tweede of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), is toegekend.
##### Artikel 5.4. Lening in EER-landen
@@ -805,17 +805,17 @@
##### Artikel 5.7. Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn hoger onderwijs
1. Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een associate degree-opleiding afrondt, wordt de toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt de toegekende reisvoorziening volledig omgezet in een gift.
2. Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het eerste lid afrondt, wordt de resterende periode van de prestatiebeurs hoger onderwijs die ingevolge het eerste lid had kunnen worden omgezet in een gift verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.3b van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3b) die is geaccrediteerd als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) aanvangt.
3. Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afrondt, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt van de toegekende reisvoorziening één jaar extra omgezet in een gift.
4. Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het derde lid afrondt, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs hoger onderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse postinitiële masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.3b van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a) aanvangt waaraan accreditatie als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) is verleend.
1. Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een associate degree-opleiding afrondt, wordt de toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt de toegekende reisvoorziening volledig omgezet in een gift.
2. Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het eerste lid afrondt, wordt de resterende periode van de prestatiebeurs hoger onderwijs die ingevolge het eerste lid had kunnen worden omgezet in een gift verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.3b van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3b) die is geaccrediteerd als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) aanvangt.
3. Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afrondt, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt van de toegekende reisvoorziening één jaar extra omgezet in een gift.
4. Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het derde lid afrondt, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs hoger onderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse postinitiële masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.3b van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a) aanvangt waaraan accreditatie als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) is verleend.
5. Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het eerste of derde lid wordt gelijkgesteld het afronden van een deeltijdse opleiding of een opleiding van de Open Universiteit, voor zover deze opleiding krachtens de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) daarmee gelijk wordt gesteld.
6. Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het derde lid wordt eveneens gelijkgesteld het afronden van een wo-bacheloropleiding, voor zover de student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling.
6. Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het derde lid wordt eveneens gelijkgesteld het afronden van een wo-bacheloropleiding, voor zover de ho-student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling.
##### Artikel 5.8. Omzetting in gift bij opleiding van minder dan 4 jaren
@@ -823,23 +823,23 @@
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
##### Artikel 5.9. Berichtenstroom tussen instelling, Minister en student
1. De omzetting, bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d), of de mededeling, bedoeld in [artikel 9.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.2&artikel=9.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01). Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de student daarvan in kennis.
2. Een student die het examen, bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d) niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs ingevolge [artikel 5.7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
##### Artikel 5.9. Berichtenstroom tussen instelling, Minister en ho-student
1. De omzetting, bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d), of de mededeling, bedoeld in [artikel 9.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.2&artikel=9.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01). Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de ho-student daarvan in kennis.
2. Een ho-student die het examen, bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d) niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs ingevolge [artikel 5.7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari in eerste studiejaar
##### Artikel 5.10. Stoppen voor 1 februari
Indien een student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat studiejaar de in dat studiejaar toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
Indien een ho-student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat studiejaar de in dat studiejaar toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
##### Artikel 5.11. Stoppen voor 1 september
Indien een student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment na 31 januari voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 september, en hij niet vóór 1 februari van het daaropvolgende studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het laatstbedoelde studiejaar de in het eerste studiejaar toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
Indien een ho-student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment na 31 januari voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 september, en hij niet vóór 1 februari van het daaropvolgende studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het laatstbedoelde studiejaar de in het eerste studiejaar toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
#### Paragraaf 4.1.2. Prestatiebeurs beroepsonderwijs
@@ -861,19 +861,19 @@
##### Artikel 5.15. Arbeidsongeschiktheid
Indien een student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van [hoofdstuk 3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&hoofdstuk=3) bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
Indien een ho-student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van [hoofdstuk 3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&hoofdstuk=3) bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
##### Artikel 5.16. Bijzondere omstandigheden
1. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
2. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
3. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
4. Indien een student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
5. Onze Minister stelt op aanvraag van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven.
1. Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
2. Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
3. Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
4. Indien een ho-student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de ho-student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
5. Onze Minister stelt op aanvraag van de ho-student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de ho-student is ingeschreven.
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
@@ -893,7 +893,7 @@
- **lening hoger onderwijs:** lening die is aangegaan voor het volgen van hoger onderwijs.
3. Vanaf de dag waarop een studerende met een lening beroepsonderwijs tevens een lening hoger onderwijs aangaat, wordt de lening beroepsonderwijs aangemerkt als een lening hoger onderwijs.
3. Vanaf de dag waarop een student met een lening beroepsonderwijs tevens een lening hoger onderwijs aangaat, wordt de lening beroepsonderwijs aangemerkt als een lening hoger onderwijs.
4. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder debiteur uitsluitend verstaan degene die een lening heeft opgebouwd anders dan door de toekenning van het levenlanglerenkrediet.
@@ -901,21 +901,21 @@
##### Artikel 6.2. Verplichting debiteur terugbetaling studieschuld
1. Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in [artikel 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.17&z=2020-07-01&g=2020-07-01), verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.
2. De vanaf de zesde maand waarvoor na het studiejaar 2000–2001 aanspraak op studiefinanciering bestaat ingevolge [hoofdstukken 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2020-07-01&g=2020-07-01) toegekende en niet in gift om te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.
1. Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in [artikel 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.17&z=2020-08-01&g=2020-08-01), verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.
2. De vanaf de zesde maand waarvoor na het studiejaar 2000–2001 aanspraak op studiefinanciering bestaat ingevolge [hoofdstukken 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2020-08-01&g=2020-08-01) toegekende en niet in gift om te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:
- a. tot welk toetsingsinkomen van de debiteur en zijn partner geheel of gedeeltelijk kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, mogelijk is,
- b. of daarbij onderscheid gemaakt wordt voor een debiteur met partner en een debiteur zonder partner die al dan niet studerende is in de zin van deze wet, en
- b. of daarbij onderscheid gemaakt wordt voor een debiteur met partner en een debiteur zonder partner die al dan niet student is in de zin van deze wet, en
- c. tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend.
4. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat op het tijdstip van kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, teniet.
5. Bij kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, zijn de [artikelen 6.10, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01), van overeenkomstige toepassing, en is [artikel 6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.12&z=2020-07-01&g=2020-07-01) niet van toepassing.
5. Bij kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, zijn de [artikelen 6.10, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01), van overeenkomstige toepassing, en is [artikel 6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.12&z=2020-08-01&g=2020-08-01) niet van toepassing.
6. Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
@@ -929,9 +929,9 @@
1. Over de aangegane leningen is, voor zover het niet betreft achterstallige schuld, rente verschuldigd overeenkomstig het tweede en derde lid. De renteberekening gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het bedrag aan lening bij de verstrekker van die lening is afgeschreven.
2. De rente over de door de studerende in een studiefinancieringstijdvak opgenomen lening wordt berekend per dag op basis van samengestelde interest. Indien de terugbetaling niet binnen 2 weken na de vervaldatum is ontvangen, wordt de op voet van deze bepaling berekende rente bijgeschreven bij de hoofdsom.
3. In de periode die aan de terugbetalingsperiode voorafgaat, wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elk kalenderjaar het rentepercentage gehanteerd dat op grond van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01) uiterlijk in december van het aan dat jaar voorafgaande jaar is vastgesteld. In de terugbetalingsperiode wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elke periode van 5 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode, het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan die periode voorafgaande jaar is vastgesteld.
2. De rente over de door de student in een studiefinancieringstijdvak opgenomen lening wordt berekend per dag op basis van samengestelde interest. Indien de terugbetaling niet binnen 2 weken na de vervaldatum is ontvangen, wordt de op voet van deze bepaling berekende rente bijgeschreven bij de hoofdsom.
3. In de periode die aan de terugbetalingsperiode voorafgaat, wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elk kalenderjaar het rentepercentage gehanteerd dat op grond van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01) uiterlijk in december van het aan dat jaar voorafgaande jaar is vastgesteld. In de terugbetalingsperiode wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elke periode van 5 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode, het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan die periode voorafgaande jaar is vastgesteld.
4. Voor de berekening van de rente op de voet van het tweede lid wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen.
@@ -945,17 +945,17 @@
3. Gedurende de voor de debiteur geldende diplomatermijn wordt de terugbetalingsperiode geschorst:
- a. van rechtswege indien de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in [artikel 3.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), geniet; of
- b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw studerende is en levenlanglerenkrediet geniet of geen studiefinanciering geniet.
- a. van rechtswege indien de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in [artikel 3.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), geniet; of
- b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw student is en levenlanglerenkrediet geniet of geen studiefinanciering geniet.
4. Voor debiteuren voor wie nooit een diplomatermijn beroepsonderwijs of diplomatermijn hoger onderwijs heeft gegolden geldt, in afwijking van het derde lid, dat de terugbetaling wordt geschorst:
- a. van rechtswege zolang de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in [artikel 3.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), geniet; of
- b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw studerende is en levenlanglerenkrediet of geen studiefinanciering geniet.
5. De schorsing, bedoeld in het derde of vierde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister of de debiteur nog studerende is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield studerende te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel de diplomatermijn hoger onderwijs.
- a. van rechtswege zolang de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in [artikel 3.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), geniet; of
- b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw student is en levenlanglerenkrediet of geen studiefinanciering geniet.
5. De schorsing, bedoeld in het derde of vierde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister of de debiteur nog student is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield student te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel de diplomatermijn hoger onderwijs.
##### Artikel 6.6. Aanloopfase
@@ -965,7 +965,7 @@
##### Artikel 6.7. Aflosfase
1. De aflosfase volgt op de aanloopfase en beslaat behoudens toepassing van [artikel 6.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01):
1. De aflosfase volgt op de aanloopfase en beslaat behoudens toepassing van [artikel 6.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01):
- a. 15 kalenderjaren voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs;
@@ -979,13 +979,13 @@
##### Artikel 6.8. Achterstallige schuld
1. Onder achterstallige schuld wordt verstaan het bedrag van de verplichte terugbetaling uit hoofde van dit hoofdstuk of uit hoofde van [artikel 7.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01) dat 2 weken na de vervaldatum nog niet is ontvangen.
1. Onder achterstallige schuld wordt verstaan het bedrag van de verplichte terugbetaling uit hoofde van dit hoofdstuk of uit hoofde van [artikel 7.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01) dat 2 weken na de vervaldatum nog niet is ontvangen.
2. Over de achterstallige schuld is rente verschuldigd. Als rentepercentage wordt het percentage van de wettelijke rente gehanteerd. Deze rente wordt berekend per dag op basis van samengesteld interest, waarbij een maand wordt gesteld op 30 dagen en een jaar wordt gesteld op 360 dagen.
3. Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in [artikel 6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), bij de vaststelling van de termijnbetaling en de gewijzigde termijnbetaling, bedoeld in [artikel 6.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.15&z=2020-07-01&g=2020-07-01), alsmede bij het tenietgaan van de schuld, bedoeld in [artikel 6.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.16&z=2020-07-01&g=2020-07-01), geen rekening gehouden.
4. [Artikel 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is niet van toepassing.
3. Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in [artikel 6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), bij de vaststelling van de termijnbetaling en de gewijzigde termijnbetaling, bedoeld in [artikel 6.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.15&z=2020-08-01&g=2020-08-01), alsmede bij het tenietgaan van de schuld, bedoeld in [artikel 6.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.16&z=2020-08-01&g=2020-08-01), geen rekening gehouden.
4. [Artikel 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01) is niet van toepassing.
##### Artikel 6.9. Vaststelling en aflossing termijnbetalingen
@@ -999,7 +999,7 @@
- c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.
3. Onverminderd toepassing van [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01) bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnbetalingen voor de terugbetaling van de lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk lening hoger onderwijs ten minste € 545 onderscheidenlijk € 60.
3. Onverminderd toepassing van [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01) bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnbetalingen voor de terugbetaling van de lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk lening hoger onderwijs ten minste € 545 onderscheidenlijk € 60.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de termijnbetalingen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat betaling geschiedt door middel van een daartoe verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een bankrekening.
@@ -1025,7 +1025,7 @@
##### Artikel 6.11. Draagkracht niet binnenlands belastingplichtige debiteur; op aanvraag
1. Voor een debiteur die in het peiljaar niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en die niet op grond van [artikel 2.5, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.5) als zodanig is aangemerkt, kan [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01) slechts toepassing vinden als de debiteur daartoe bij Onze Minister een aanvraag indient.
1. Voor een debiteur die in het peiljaar niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en die niet op grond van [artikel 2.5, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.5) als zodanig is aangemerkt, kan [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01) slechts toepassing vinden als de debiteur daartoe bij Onze Minister een aanvraag indient.
2. Indien de debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353).
@@ -1033,7 +1033,7 @@
##### Artikel 6.12. Terugval in inkomen
1. Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01) uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen in het peiljaar, indien:
1. Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01) uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen in het peiljaar, indien:
- a. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of
@@ -1051,15 +1051,15 @@
1. Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is op wie dit hoofdstuk van toepassing is, wordt:
- a. [artikel 6.10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01), slechts eenmaal toegepast op het totaal van het toetsingsinkomen voor beide partners samen;
- a. [artikel 6.10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01), slechts eenmaal toegepast op het totaal van het toetsingsinkomen voor beide partners samen;
- b. de draagkracht per debiteur vastgesteld op basis van de verhouding tussen de hoogte van het toetsingsinkomen van beide debiteuren afzonderlijk;
- c. de draagkracht van de debiteur eerst aangewend voor de eigen termijnbetaling. Het bedrag aan resterende draagkracht van de debiteur wordt toegevoegd aan de draagkracht van de partner van wie de draagkracht zonder deze toevoeging lager is dan diens termijnbetaling.
2. Indien een van de partners een lening beroepsonderwijs en de andere partner een lening hoger onderwijs terugbetaalt, wordt onverminderd het eerste lid voor beide partners [artikel 6.10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01), afzonderlijk toegepast volgens de percentages die van toepassing zijn op de terugbetaling van de desbetreffende lening.
3. Indien de debiteur een partner heeft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt het op grond van [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01) berekende bedrag van de draagkracht van de debiteur verminderd met de op grond van [artikel 10a.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01) voor zijn partner vastgestelde termijnbetaling, dan wel de op grond van [artikel 10a.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01) berekende draagkracht van zijn partner. Indien de uitkomst negatief is wordt de draagkracht van de debiteur op nihil vastgesteld.
2. Indien een van de partners een lening beroepsonderwijs en de andere partner een lening hoger onderwijs terugbetaalt, wordt onverminderd het eerste lid voor beide partners [artikel 6.10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01), afzonderlijk toegepast volgens de percentages die van toepassing zijn op de terugbetaling van de desbetreffende lening.
3. Indien de debiteur een partner heeft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt het op grond van [artikel 6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01) berekende bedrag van de draagkracht van de debiteur verminderd met de op grond van [artikel 10a.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01) voor zijn partner vastgestelde termijnbetaling, dan wel de op grond van [artikel 10a.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01) berekende draagkracht van zijn partner. Indien de uitkomst negatief is wordt de draagkracht van de debiteur op nihil vastgesteld.
##### Artikel 6.15. Wijziging termijnbetaling
@@ -1073,11 +1073,11 @@
##### Artikel 6.17. Omzetting van niet meer verrekenbare schulden in lening
1. Op het ogenblik van beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende wordt zijn schuld, ontstaan in het kader van de toepassing van deze wet, van rechtswege omgezet in een lening.
2. Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende door een beschikking op grond van [artikel 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01) een vordering ontstaat van Onze Minister, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de studerende is opgehouden studerende te zijn. Indien de omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de studerende ophoudt studerende te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari van dat kalenderjaar. [Artikel 6.4, derde lid, laatste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01), is bij de berekening van rente van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een schuld uit een lening en een schuld, ontstaan door de toepassing van [artikel 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-07-01&g=2020-07-01), niet omgezet.
1. Op het ogenblik van beëindiging van het recht op studiefinanciering van een student wordt zijn schuld, ontstaan in het kader van de toepassing van deze wet, van rechtswege omgezet in een lening.
2. Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een student door een beschikking op grond van [artikel 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01) een vordering ontstaat van Onze Minister, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de student is opgehouden student te zijn. Indien de omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de student ophoudt student te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari van dat kalenderjaar. [Artikel 6.4, derde lid, laatste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01), is bij de berekening van rente van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een schuld uit een lening en een schuld, ontstaan door de toepassing van [artikel 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-08-01&g=2020-08-01), niet omgezet.
4. De in het eerste of tweede lid bedoelde lening wordt rentedragend met ingang van het tijdstip van de daar bedoelde omzetting.
@@ -1089,11 +1089,11 @@
##### Artikel 6.19. Terugbetalingsregels
1. Met uitzondering van de [artikelen 6.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [6.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [6.7, eerste lid, tweede volzin, en tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en [6.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is [paragraaf 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01) van overeenkomstige toepassing op de terugbetaling van het levenlanglerenkrediet, waarbij deze lening wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs.
2. In afwijking van het eerste lid wordt bij de toepassing van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01) de lening aangemerkt als een lening hoger onderwijs.
3. In afwijking van het eerste lid wordt bij de toepassing van [artikel 6.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01), de terugbetaling uitsluitend geschorst gedurende de periode waarin de debiteur het levenlanglerenkrediet ontvangt.
1. Met uitzondering van de [artikelen 6.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [6.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [6.7, eerste lid, tweede volzin, en tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en [6.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01) is [paragraaf 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01) van overeenkomstige toepassing op de terugbetaling van het levenlanglerenkrediet, waarbij deze lening wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs.
2. In afwijking van het eerste lid wordt bij de toepassing van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01) de lening aangemerkt als een lening hoger onderwijs.
3. In afwijking van het eerste lid wordt bij de toepassing van [artikel 6.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01), de terugbetaling uitsluitend geschorst gedurende de periode waarin de debiteur het levenlanglerenkrediet ontvangt.
### Hoofdstuk 7. Herziening
@@ -1113,7 +1113,7 @@
- f. de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt vastgesteld of gewijzigd,
- g. de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in [artikel 6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), wordt vastgesteld of gewijzigd,
- g. de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in [artikel 6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01), wordt vastgesteld of gewijzigd,
- h. de hoogte van het collegegeldkrediet wordt vastgesteld of gewijzigd,
@@ -1121,27 +1121,27 @@
- j. een herziening van de keuze in een soort reisvoorziening is geweigerd,
- k. een bedrag is vastgesteld dat de studerende verschuldigd is omdat hij het reisproduct niet tijdig heeft stopgezet,
- l. studiefinanciering ingevolge [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is geweigerd of stopgezet, of
- m. de aanvraag van een studerende, bedoeld in [artikel 3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), om als reisvoorziening een reisrecht te ontvangen, is toegekend of geweigerd.
- k. een bedrag is vastgesteld dat de student verschuldigd is omdat hij het reisproduct niet tijdig heeft stopgezet,
- l. studiefinanciering ingevolge [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) is geweigerd of stopgezet, of
- m. de aanvraag van een student, bedoeld in [artikel 3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), om als reisvoorziening een reisrecht te ontvangen, is toegekend of geweigerd.
2. Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:
- a. een beschikking genomen is waarvan de studerende of de debiteur onderscheidenlijk zijn ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was,
- b. de situatie van langdurige afwezigheid, bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zich niet heeft voorgedaan,
- c. te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de termijnbetaling te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in [artikel 6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot de reisvoorziening is genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
- a. een beschikking genomen is waarvan de student of de debiteur onderscheidenlijk zijn ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was,
- b. de situatie van langdurige afwezigheid, bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zich niet heeft voorgedaan,
- c. te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de termijnbetaling te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in [artikel 6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01), te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot de reisvoorziening is genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
- d. betrokkene heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet,
- e. geen gevolg is gegeven aan de aanvraag tot peiljaarverlegging van de ouders, één van de ouders, of de studerende op grond van [artikel 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01) of aan de aanvraag van de debiteur op grond van [artikel 6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.12&z=2020-07-01&g=2020-07-01), omdat op dat moment niet werd voldaan aan de voorwaarde, genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, maar blijkt dat wel aan die voorwaarde is voldaan,
- f. gevolg is gegeven aan de aanvraag tot peiljaarverlegging van de ouders, één van de ouders, of de studerende op grond van [artikel 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01) of aan de aanvraag van de debiteur op grond van [artikel 6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.12&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarde, genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid,
- g. achteraf is gebleken van feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend geweest, niet tot toepassing van [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) zouden hebben geleid, of
- e. geen gevolg is gegeven aan de aanvraag tot peiljaarverlegging van de ouders, één van de ouders, of de student op grond van [artikel 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01) of aan de aanvraag van de debiteur op grond van [artikel 6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.12&z=2020-08-01&g=2020-08-01), omdat op dat moment niet werd voldaan aan de voorwaarde, genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, maar blijkt dat wel aan die voorwaarde is voldaan,
- f. gevolg is gegeven aan de aanvraag tot peiljaarverlegging van de ouders, één van de ouders, of de student op grond van [artikel 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01) of aan de aanvraag van de debiteur op grond van [artikel 6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.12&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarde, genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid,
- g. achteraf is gebleken van feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend geweest, niet tot toepassing van [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) zouden hebben geleid, of
- h. andere, nader gebleken feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere beschikking zouden hebben geleid.
@@ -1149,7 +1149,7 @@
##### Artikel 7.2. Herziening van rechtswege
Indien een studerende op grond van [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) geen aanspraak meer heeft op studiefinanciering wordt de beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend van rechtswege herzien.
Indien een student op grond van [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) geen aanspraak meer heeft op studiefinanciering wordt de beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend van rechtswege herzien.
##### Artikel 7.3. Bezwaarschriftprocedure
@@ -1157,15 +1157,15 @@
##### Artikel 7.4. Verrekening teveel toegekende en uitbetaalde studiefinanciering
1. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in [artikel 7.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. Tevens vindt verrekening plaats van de bedragen, bedoeld in de [artikelen 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en [3.29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.29&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
2. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in [artikel 7.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt voor zover het bedrag waarvoor het recht om een lening af te sluiten te hoog is toegekend, het deel dat te hoog is toegekend en uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
1. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in [artikel 7.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. Tevens vindt verrekening plaats van de bedragen, bedoeld in de [artikelen 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en [3.29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.29&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
2. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in [artikel 7.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt voor zover het bedrag waarvoor het recht om een lening af te sluiten te hoog is toegekend, het deel dat te hoog is toegekend en uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
3. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in [artikel 7.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=7.1), of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag aan tegemoetkoming dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
4. Indien na een voorlopige voorziening als bedoeld in [titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=8.3), de beslissing in hoofdzaak daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag dat op grond van de voorlopige voorziening teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
5. De in het eerste tot en met vierde lid bedoelde terugbetaling, voor zover [artikel 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.17&z=2020-07-01&g=2020-07-01) niet van toepassing is, en verrekening geschieden overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen redelijke terugbetalingsregels.
5. De in het eerste tot en met vierde lid bedoelde terugbetaling, voor zover [artikel 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.17&z=2020-08-01&g=2020-08-01) niet van toepassing is, en verrekening geschieden overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen redelijke terugbetalingsregels.
6. [Artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:93) is niet van toepassing op deze wet.
@@ -1177,7 +1177,7 @@
2. Indien een toegekend bedrag aan studiefinanciering 12 maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende beschikking is gegeven, niet kan worden uitbetaald als gevolg van nalatigheid van degene aan wie die beschikking is gericht, verrekent Onze Minister het toegekende bedrag aan studiefinanciering met het niet uitbetaalde bedrag.
3. De studerende kan bij Onze Minister een aanvraag indienen een lager maandbedrag aan lening aan hem uit te betalen dan het maandbedrag aan lening dat aan hem is toegekend of hem een bedrag van € 0,00 toe te kennen. De in de vorige volzin bedoelde aanvraag kan geen betrekking hebben op een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. Indien aan de studerende een bedrag van € 0,00 wordt toegekend, geldt hij voor de periode waarop die toekenning betrekking heeft, als studiefinancieringsgenietende.
3. De student kan bij Onze Minister een aanvraag indienen een lager maandbedrag aan lening aan hem uit te betalen dan het maandbedrag aan lening dat aan hem is toegekend of hem een bedrag van € 0,00 toe te kennen. De in de vorige volzin bedoelde aanvraag kan geen betrekking hebben op een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. Indien aan de student een bedrag van € 0,00 wordt toegekend, geldt hij voor de periode waarop die toekenning betrekking heeft, als studiefinancieringsgenietende.
##### Artikel 8.2. Onderwijsbijdrage
@@ -1193,7 +1193,7 @@
##### Artikel 9.1. Toezicht door onderwijsinspectie
Het toezicht door de inspectie, bedoeld in de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800), heeft mede betrekking op de vraag of de instelling of de opleiding voldoet aan de van toepassing zijnde voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 2.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [2.13, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.13&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en [4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
Het toezicht door de inspectie, bedoeld in de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800), heeft mede betrekking op de vraag of de instelling of de opleiding voldoet aan de van toepassing zijnde voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 2.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [2.13, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.13&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en [4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
@@ -1203,13 +1203,13 @@
2. De inlichtingen worden verstrekt binnen een door Onze Minister of door een in het eerste lid bedoelde persoon of instantie te stellen redelijke termijn.
3. Inlichtingen over zichzelf, voor zover zij kunnen leiden tot de toekenning van minder studiefinanciering of tot verhoging van het bedrag van de termijnbetalingen worden steeds ongevraagd en schriftelijk verstrekt door de studerende onderscheidenlijk door de debiteur, onmiddellijk na het bekend worden van die gegevens. De inlichtingen, bedoeld in de eerste volzin, omvatten niet het doorgeven van een wijziging van het adres als bedoeld in de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715).
3. Inlichtingen over zichzelf, voor zover zij kunnen leiden tot de toekenning van minder studiefinanciering of tot verhoging van het bedrag van de termijnbetalingen worden steeds ongevraagd en schriftelijk verstrekt door de student onderscheidenlijk door de debiteur, onmiddellijk na het bekend worden van die gegevens. De inlichtingen, bedoeld in de eerste volzin, omvatten niet het doorgeven van een wijziging van het adres als bedoeld in de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715).
4. Onze Minister kan bepalen dat de inlichtingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, worden verstrekt op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze.
##### Artikel 9.3. Verschoningsrecht studentendecaan
Een studentendecaan aan een op grond van de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) uit 's Rijks kas bekostigde instelling voor hoger onderwijs kan zich verschonen betreffende hetgeen een studerende aan hem heeft toevertrouwd:
Een studentendecaan aan een op grond van de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) uit 's Rijks kas bekostigde instelling voor hoger onderwijs kan zich verschonen betreffende hetgeen een ho-student aan hem heeft toevertrouwd:
- a. in afwijking van [artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:17) bij de verplichting tot inzage van gegevens en bescheiden en het verstrekken van inlichtingen, en
@@ -1221,29 +1221,29 @@
##### Artikel 9.5. Verstrekken van inlichtingen door instellingen
1. De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat die onderwijs aanbiedt als bedoeld in de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.11&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.12&z=2020-07-01&g=2020-07-01), is verplicht op een bij ministeriële regeling aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet.
2. Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waarop [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d) niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan Onze Minister en gelijktijdig de student van die mededeling in kennis stelt.
1. De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat die onderwijs aanbiedt als bedoeld in de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.11&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.12&z=2020-08-01&g=2020-08-01), is verplicht op een bij ministeriële regeling aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet.
2. Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waarop [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d) niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een ho-student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan Onze Minister en gelijktijdig de ho-student van die mededeling in kennis stelt.
##### Artikel 9.6. Verstrekken van inlichtingen door organen met een publiekrechtelijke taak
1. Organen met een publiekrechtelijke taak zijn verplicht op een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet.
2. RSR verstrekt op verzoek van Onze Minister voor de uitvoering van [artikel 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-07-01&g=2020-07-01), het gegeven of een persoon in een bepaalde periode nadat zijn reisproduct op grond van artikel 3.27, eerste lid, zou moeten zijn stopgezet, gebruik heeft gemaakt van het reisproduct.
2. RSR verstrekt op verzoek van Onze Minister voor de uitvoering van [artikel 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-08-01&g=2020-08-01), het gegeven of een persoon in een bepaalde periode nadat zijn reisproduct op grond van artikel 3.27, eerste lid, zou moeten zijn stopgezet, gebruik heeft gemaakt van het reisproduct.
3. Voor de uitvoering van het eerste lid, verstrekt de rechtspersoon die tot taak heeft de uitgifte van OV-chipkaarten en het beheer van de aan de OV-chipkaart gekoppelde reisgegevens, op verzoek van RSR het gegeven of binnen een bepaalde periode gebruik is gemaakt van het reisproduct op een bepaalde OV-chipkaart.
4. Onze Minister verwerkt de persoonsgegevens die hij ontvangt of bezit voor de uitvoering van [artikel 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
##### Artikel 9.6a. Verwerking van gegevens voor de toepassing van [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
1. Onze Minister verwerkt de persoonsgegevens die hij ontvangt of bezit ten behoeve van de toepassing van [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
2. Bij de verwerking van gegevens op grond van het eerste lid kunnen bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&paragraaf=3.1) onderscheidenlijk [paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&paragraaf=3.2) worden verwerkt, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de toepassing van [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
3. Ten behoeve van de toepassing van [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) verstrekt Onze Minister uitsluitend het gegeven of een persoon studiefinanciering heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt.
4. [Artikel 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is voor de gegevensverwerking, bedoeld in dit artikel, van overeenkomstige toepassing voor een persoon die studiefinanciering heeft aangevraagd.
4. Onze Minister verwerkt de persoonsgegevens die hij ontvangt of bezit voor de uitvoering van [artikel 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
##### Artikel 9.6a. Verwerking van gegevens voor de toepassing van [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
1. Onze Minister verwerkt de persoonsgegevens die hij ontvangt of bezit ten behoeve van de toepassing van [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
2. Bij de verwerking van gegevens op grond van het eerste lid kunnen bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&paragraaf=3.1) onderscheidenlijk [paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&paragraaf=3.2) worden verwerkt, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de toepassing van [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
3. Ten behoeve van de toepassing van [artikel 2.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) verstrekt Onze Minister uitsluitend het gegeven of een persoon studiefinanciering heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt.
4. [Artikel 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01) is voor de gegevensverwerking, bedoeld in dit artikel, van overeenkomstige toepassing voor een persoon die studiefinanciering heeft aangevraagd.
5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter waarborging van de persoonlijke levenssfeer. Daarbij worden in ieder geval regels gesteld over:
@@ -1259,15 +1259,15 @@
Vervallen
##### Artikel 9.8. Niet verstrekken inlichtingen door instelling over langdurige afwezigheid deelnemers
Indien een instelling als bedoeld in [artikel 2.4, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01), op enig moment in een studiejaar niet een administratie als bedoeld in [artikel 4.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01), voert of niet na afloop van de in de [artikelen 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01) bedoelde periodes van onafgebroken afwezigheid zonder geldige reden aan Onze Minister de vereiste gegevens verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze Minister op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag van als gift vastgestelde studiefinanciering dat aan de deelnemers aan die instelling in het studiejaar waarin deze in gebreke was, is toegekend.
##### Artikel 9.9. Niet voldoen aan verplichtingen [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01) door deelnemer
1. Indien een deelnemer het normbedrag voor een uitwonende deelnemer toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01), kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de deelnemer in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
2. De herziening vindt plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de deelnemer in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de deelnemer of een van hen na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de deelnemer, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
##### Artikel 9.8. Niet verstrekken inlichtingen door instelling over langdurige afwezigheid mbo-studenten
Indien een instelling als bedoeld in [artikel 2.4, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01), op enig moment in een studiejaar niet een administratie als bedoeld in [artikel 4.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01), voert of niet na afloop van de in de [artikelen 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.1&artikel=4.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01) bedoelde periodes van onafgebroken afwezigheid zonder geldige reden aan Onze Minister de vereiste gegevens verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze Minister op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag van als gift vastgestelde studiefinanciering dat aan de mbo-studenten aan die instelling in het studiejaar waarin deze in gebreke was, is toegekend.
##### Artikel 9.9. Niet voldoen aan verplichtingen [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01) door mbo-student
1. Indien een mbo-student het normbedrag voor een uitwonende mbo-student toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01), kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de mbo-student in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
2. De herziening vindt plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de mbo-student in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de mbo-student of een van hen na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de mbo-student, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
3. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
@@ -1275,7 +1275,7 @@
##### Artikel 9.10. Niet verstrekken van inlichtingen
Hij die niet voldoet aan een van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.2&artikel=9.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01), wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 6 maanden of geldboete van de derde categorie.
Hij die niet voldoet aan een van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.2&artikel=9.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01), wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 6 maanden of geldboete van de derde categorie.
##### Artikel 9.11. Overtreding van een bepaling krachtens deze wet
@@ -1283,7 +1283,7 @@
##### Artikel 9.12. Overtreding
De in de [artikelen 9.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.4&artikel=9.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [9.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.4&artikel=9.11&z=2020-07-01&g=2020-07-01) strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
De in de [artikelen 9.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.4&artikel=9.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [9.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.4&artikel=9.11&z=2020-08-01&g=2020-08-01) strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
@@ -1299,7 +1299,7 @@
Vervallen
##### Artikel 10.4. Afwijking van de [artikelen 2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.13&z=2020-07-01&g=2020-07-01) (voorheen artikel 9, zevende lid) en [2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.16&z=2020-07-01&g=2020-07-01) (voorheen artikel 9, tiende lid); geen aanspraak of geen aanspraak meer
##### Artikel 10.4. Afwijking van de [artikelen 2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.13&z=2020-08-01&g=2020-08-01) (voorheen artikel 9, zevende lid) en [2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.16&z=2020-08-01&g=2020-08-01) (voorheen artikel 9, tiende lid); geen aanspraak of geen aanspraak meer
Vervallen
@@ -1323,9 +1323,9 @@
##### Artikel 11.1. Wijziging van bedragen
1. Per 1 januari van ieder kalenderjaar wijzigt Onze Minister de bedragen, genoemd in de [artikelen 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.17, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.17&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01), met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, [3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&paragraaf=4.2.2&artikel=4.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [6.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon- of prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar.
2. Op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze kunnen bij ministeriële regeling de bedragen, genoemd in de [artikelen 6.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en [10a.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01), gelet op de loonontwikkeling worden gewijzigd.
1. Per 1 januari van ieder kalenderjaar wijzigt Onze Minister de bedragen, genoemd in de [artikelen 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.17, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.17&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01), met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, [3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&paragraaf=4.2.2&artikel=4.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [6.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon- of prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar.
2. Op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze kunnen bij ministeriële regeling de bedragen, genoemd in de [artikelen 6.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en [10a.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), gelet op de loonontwikkeling worden gewijzigd.
##### Artikel 11.2. Titel 4.2 Awb niet van toepassing
@@ -1353,7 +1353,7 @@
- c. het begrip vreemdeling, en
- d. [artikel 1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
- d. [artikel 1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
##### Artikel 11.6. Bewaartermijn
@@ -1365,7 +1365,7 @@
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
##### Artikel 12.1. Afwijking van [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
##### Artikel 12.1. Afwijking van [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
1. Vervallen.
@@ -1377,27 +1377,27 @@
5. Vervallen.
6. Onder de begripsbepaling van «bacheloropleiding» in [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), en ten aanzien waarvan [artikel 18.18 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.18) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is.
7. Onder de begripsbepaling van «masteropleiding» in [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), en ten aanzien waarvan [artikel 18.18 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.18) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is.
##### Artikel 12.1a. Afwijking van [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
Voor deelnemers die vóór 1 augustus 2002 onderscheidenlijk voor studenten die vóór 1 september 2002 studiefinanciering op grond van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) of van deze wet ontvingen, geldt in afwijking van [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat artikel luidde op 31 december 2011, dat waar de studerende woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld.
##### Artikel 12.1b. Afwijking van [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
1. In afwijking van [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01) komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in de [artikelen 18.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.14) of [18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010, of [18.16 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.16) voor zover aan die opleiding accreditatie als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) is verleend.
2. In afwijking van [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01) komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in [artikel VII van de wet van 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009524&artikel=VII) (Stb. 1998, 216) voor zover aan die opleiding accreditatie als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) is verleend.
3. In aanvulling op [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01) kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling als bedoeld in de [artikelen 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9) of [16.10 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=16.10), zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010.
##### Artikel 12.2. Afwijking van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01) voor het jaar 2006 vanwege nieuw zorgverzekeringsstelsel
Vervallen
##### Artikel 12.3. Afwijking van [artikel 3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.6&artikel=3.21&z=2020-07-01&g=2020-07-01) in het studiejaar 2007–2008
6. Onder de begripsbepaling van «bacheloropleiding» in [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), en ten aanzien waarvan [artikel 18.18 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.18) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is.
7. Onder de begripsbepaling van «masteropleiding» in [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), en ten aanzien waarvan [artikel 18.18 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.18) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is.
##### Artikel 12.1a. Afwijking van [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
Voor mbo-studenten die vóór 1 augustus 2002 onderscheidenlijk voor ho-studenten die vóór 1 september 2002 studiefinanciering op grond van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) of van deze wet ontvingen, geldt in afwijking van [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat artikel luidde op 31 december 2011, dat waar de student woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld.
##### Artikel 12.1b. Afwijking van [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
1. In afwijking van [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01) komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in de [artikelen 18.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.14) of [18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010, of [18.16 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.16) voor zover aan die opleiding accreditatie als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) is verleend.
2. In afwijking van [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01) komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in [artikel VII van de wet van 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009524&artikel=VII) (Stb. 1998, 216) voor zover aan die opleiding accreditatie als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) is verleend.
3. In aanvulling op [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01) kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een ho-student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling als bedoeld in de [artikelen 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9) of [16.10 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=16.10), zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010.
##### Artikel 12.2. Afwijking van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01) voor het jaar 2006 vanwege nieuw zorgverzekeringsstelsel
Vervallen
##### Artikel 12.3. Afwijking van [artikel 3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.6&artikel=3.21&z=2020-08-01&g=2020-08-01) in het studiejaar 2007–2008
Vervallen
@@ -1421,13 +1421,13 @@
Vervallen
##### Artikel 12.9. Afwijking van de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
Op de student die vóór 1 september 2010 voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontving, blijven de [artikelen 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en [6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), van toepassing, zoals die artikelen op 31 augustus 2010 luidden.
##### Artikel 12.10. Afwijking van voormalig [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
1. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 5 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding:
##### Artikel 12.9. Afwijking van de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
Op de ho-student die vóór 1 september 2010 voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontving, blijven de [artikelen 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en [6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01), van toepassing, zoals die artikelen op 31 augustus 2010 luidden.
##### Artikel 12.10. Afwijking van voormalig [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
1. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 5 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding:
- a. genoemd in [artikel 7.4, derde lid, eerste volzin, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4), zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde,
@@ -1435,19 +1435,19 @@
- c. genoemd in [artikel 18.20 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.20).
2. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding, genoemd in [artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4), zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde. Het aantal om te zetten maanden wordt verminderd met het verschil tussen 360 studiepunten en de studielast die is gebaseerd op een geringer aantal maanden, indien een student:
2. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding, genoemd in [artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4), zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde. Het aantal om te zetten maanden wordt verminderd met het verschil tussen 360 studiepunten en de studielast die is gebaseerd op een geringer aantal maanden, indien een ho-student:
- a. met goed gevolg een examen heeft afgelegd van een deel van een opleiding, en
- b. dat deel ten minste 240 studiepunten bedraagt.
3. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 6,5 jaar verstrekt, indien het betreft:
3. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 6,5 jaar verstrekt, indien het betreft:
- a. een opleiding als bedoeld in [artikel 18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en
- b. een opleiding als bedoeld in [artikel 18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een opleiding in de zin van [artikel 18.15 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een op grond van [artikel 6.9 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, aangewezen instelling.
4. In afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2015, wordt de prestatiebeurs gedurende 6,5 jaar verstrekt aan een student die vóór 1 september 2010 studiefinanciering ontving voor:
4. In afwijking van [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2015, wordt de prestatiebeurs gedurende 6,5 jaar verstrekt aan een ho-student die vóór 1 september 2010 studiefinanciering ontving voor:
- a. het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een openbare of bijzondere universiteit dat, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, of
@@ -1473,50 +1473,62 @@
3. Verplichtingen die op grond van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) bestaan, worden van rechtswege omgezet in verplichtingen op grond van deze wet.
##### Artikel 12.14. Cohortgarantie studievoorschot voor studenten aan een bacheloropleiding, masteropleiding, ongedeelde opleiding of opleiding duplex ordo
1. Op een student die vóór 1 september 2015 stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding of die onderwijs volgde volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in [artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a), en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden op 31 augustus 2015, voor de nominale duur van die opleiding van toepassing:
- a. van [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01);
- b. van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), de [artikelen 2.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.13&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [2.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.16&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en [2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17&z=2020-07-01&g=2020-07-01);
- c. van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&z=2020-07-01&g=2020-07-01), de [artikelen 3.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01), met uitzondering van [artikel 3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01); en
- d. [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2020-07-01&g=2020-07-01), met uitzondering van [artikel 5.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.3&artikel=5.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en [artikel 5.16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.7&artikel=5.16&z=2020-07-01&g=2020-07-01), waarbij voor «prestatiebeurs hoger onderwijs» wordt gelezen: prestatiebeurs;
- e. van [hoofdstuk 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2020-07-01&g=2020-07-01), de [artikelen 9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.1&artikel=9.1b&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [9.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.3&artikel=9.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [9.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.3&artikel=9.9a&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
2. In afwijking van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01) gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitwonende student die overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen de volgende bedragen per maand, naar de maatstaf van 1 januari 2014:
##### Artikel 12.14. Cohortgarantie studievoorschot voor ho-studenten aan een bacheloropleiding, masteropleiding, ongedeelde opleiding of opleiding duplex ordo
1. Op een ho-student die vóór 1 september 2015 stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding of die onderwijs volgde volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in [artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a), en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden op 31 augustus 2015, voor de nominale duur van die opleiding van toepassing:
- a. van [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01);
- b. van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&z=2020-08-01&g=2020-08-01), de [artikelen 2.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.13&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [2.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.16&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en [2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17&z=2020-08-01&g=2020-08-01);
- c. van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&z=2020-08-01&g=2020-08-01), de [artikelen 3.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01), met uitzondering van [artikel 3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01); en
- d. [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2020-08-01&g=2020-08-01), met uitzondering van [artikel 5.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.3&artikel=5.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en [artikel 5.16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.7&artikel=5.16&z=2020-08-01&g=2020-08-01), waarbij voor «prestatiebeurs hoger onderwijs» wordt gelezen: prestatiebeurs;
- e. van [hoofdstuk 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), de [artikelen 9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.1&artikel=9.1b&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [9.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.3&artikel=9.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [9.9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.3&artikel=9.9a&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
2. In afwijking van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01) gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitwonende ho-student die overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen de volgende bedragen per maand, naar de maatstaf van 1 januari 2014:
| | **thuiswonende** | **uitwonende** |
| --- | --- | --- |
| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01) | € 633,44 per 1 januari 2020: € 682,34 | € 833,22 per 1 januari 2020: € 897,56 |
| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01) | € 100,25 per 1 januari 2020: € 108,00 | € 279,14 per 1 januari 2020: € 300,69 |
| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01) | € 237,46 per 1 januari 2020: € 265,42 | € 258,35 per 1 januari 2020: € 287,95 |
| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01) | € 295,73 per 1 januari 2020: € 308,92 | € 295,73 per 1 januari 2020: € 308,92 |
3. [Artikel 6.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen.
4. Voor de debiteur met een schuld uit een lening die is ontstaan door verstrekking van studiefinanciering overeenkomstig het eerste lid, wordt de lening aangemerkt als een lening beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), tenzij [artikel 10a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01) van toepassing is.
5. Indien een debiteur als bedoeld in het vierde lid ingevolge de [Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261) geen basisbeurs toegekend heeft gekregen voor een masteropleiding of voor onderwijs volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in [artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a), kan de lening worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 6.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), indien de debiteur vóór aanvang van de aflosfase, maar na 31 december 2016, daartoe een aanvraag indient.
| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01) | € 633,44 per 1 januari 2020: € 682,34 | € 833,22 per 1 januari 2020: € 897,56 |
| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01) | € 100,25 per 1 januari 2020: € 108,00 | € 279,14 per 1 januari 2020: € 300,69 |
| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01) | € 237,46 per 1 januari 2020: € 265,42 | € 258,35 per 1 januari 2020: € 287,95 |
| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01) | € 295,73 per 1 januari 2020: € 308,92 | € 295,73 per 1 januari 2020: € 308,92 |
3. [Artikel 6.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen.
4. Voor de debiteur met een schuld uit een lening die is ontstaan door verstrekking van studiefinanciering overeenkomstig het eerste lid, wordt de lening aangemerkt als een lening beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), tenzij [artikel 10a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01) van toepassing is.
5. Indien een debiteur als bedoeld in het vierde lid ingevolge de [Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261) geen basisbeurs toegekend heeft gekregen voor een masteropleiding of voor onderwijs volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in [artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a), kan de lening worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 6.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), indien de debiteur vóór aanvang van de aflosfase, maar na 31 december 2016, daartoe een aanvraag indient.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
##### Artikel 13.1. Horizonbepaling [artikel 11.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
Vervallen
##### Artikel 13.2. Horizonbepaling [artikel 12.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=12&paragraaf=12.2&artikel=12.17&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
Vervallen
##### Artikel 13.3. [Derde tranche Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008120)
Wijzigt de wet van 20 juni 1996 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht.
##### Artikel 13.1. Aanspraak op tegemoetkoming
1. Een student in de laatste fase van diens opleiding die in verband met de uitbraak van COVID-19 studievertraging heeft opgelopen, komt in aanmerking voor een tegemoetkoming, niet zijnde studiefinanciering in de zin van [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
2. Bij ministeriële regeling wordt in ieder geval vastgesteld:
- a. wat wordt verstaan onder laatste fase als bedoeld in het eerste lid;
- b. welke opleidingen aanspraak geven;
- c. wat wordt verstaan onder studievertraging in verband met de uitbraak van COVID-19 als bedoeld in het eerste lid;
- d. in welke gevallen de tegemoetkoming op aanvraag dan wel ambtshalve wordt toegekend; en
- e. welke gegevens bij een aanvraag worden verstrekt.
##### Artikel 13.2. Omvang tegemoetkoming
De omvang van de tegemoetkoming, bedoeld in [artikel 13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=13&artikel=13.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Daarbij kan in ieder geval aan de hand van het aantal maanden studievertraging onderscheid worden gemaakt tussen verschillende groepen studenten.
##### Artikel 13.3. Horizonbepaling
Dit hoofdstuk vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
##### Artikel 13.4. [Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718)
@@ -1612,7 +1624,7 @@
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.1c. Afwijking van [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
##### Artikel 12.1c. Afwijking van [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
Vervallen
@@ -1636,17 +1648,17 @@
##### Artikel 10a.1. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op debiteuren die voor het studiejaar 2009–2010 voor het eerst studiefinanciering ontvingen, tenzij zij een aanvraag hebben ingediend als bedoeld in [artikel 10a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op debiteuren die voor het studiejaar 2009–2010 voor het eerst studiefinanciering ontvingen, tenzij zij een aanvraag hebben ingediend als bedoeld in [artikel 10a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
#### Paragraaf 10a.2. Omzettingsprocedure bij overstappen voor 1 februari in eerste studiejaar (voorheen paragraaf 5.4)
##### Artikel 10a.2. Overstappen
1. Een debiteur die voor het studiejaar 2009–2010 voor het eerst studiefinanciering ontving en voor wie op 31 december 2011 nog geen aflosfase is aangevangen, kan, op aanvraag, zijn schuld aflossen op grond van [paragraaf 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), waarbij de debiteur verzoekt dat de schuld wordt aangemerkt als:
- a. een lening beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 6.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), of;
- b. een lening hoger onderwijs als bedoeld in[artikel 6.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), uitsluitend voor zover het een debiteur betreft als bedoeld in[artikel 12.14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=12&paragraaf=12.2&artikel=12.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
1. Een debiteur die voor het studiejaar 2009–2010 voor het eerst studiefinanciering ontving en voor wie op 31 december 2011 nog geen aflosfase is aangevangen, kan, op aanvraag, zijn schuld aflossen op grond van [paragraaf 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), waarbij de debiteur verzoekt dat de schuld wordt aangemerkt als:
- a. een lening beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 6.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), of;
- b. een lening hoger onderwijs als bedoeld in[artikel 6.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), uitsluitend voor zover het een debiteur betreft als bedoeld in[artikel 12.14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=12&paragraaf=12.2&artikel=12.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
2. Een debiteur dient een aanvraag als bedoeld in het eerste lid uitsluitend voor de aanvang van zijn aflosfase in.
@@ -1654,19 +1666,19 @@
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
##### Artikel 10a.3. Toepassing artikelen [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
De [artikelen 6.1 tot en met 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.12&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en [6.14 tot en met 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op debiteuren die onder dit hoofdstuk vallen, waarbij de lening van de debiteur wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs.
##### Artikel 10a.3. Toepassing artikelen [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
De [artikelen 6.1 tot en met 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.12&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en [6.14 tot en met 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01) zijn van overeenkomstige toepassing op debiteuren die onder dit hoofdstuk vallen, waarbij de lening van de debiteur wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs.
##### Artikel 10a.4. Aflosfase
De aflosfase beslaat behoudens toepassing van [artikel 10a.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01), 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd indien [artikel 10a.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.11&z=2020-07-01&g=2020-07-01), van toepassing is.
De aflosfase beslaat behoudens toepassing van [artikel 10a.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd indien [artikel 10a.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.11&z=2020-08-01&g=2020-08-01), van toepassing is.
#### Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet
##### Artikel 10a.5. Opschorten terugbetaling
1. In afwijking van [artikel 10a.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01) kan een debiteur met ingang van 1 januari 2012 op aanvraag de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opschorten.
1. In afwijking van [artikel 10a.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01) kan een debiteur met ingang van 1 januari 2012 op aanvraag de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opschorten.
2. De aflosfase wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het eerste lid.
@@ -1684,15 +1696,15 @@
##### Artikel 2.7a. Geen aanspraak meer
Een deelnemer aan een opleiding niveau 3 of 4 heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs:
Een mbo-student aan een opleiding niveau 3 of 4 heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs:
- a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs beroepsonderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of
- b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering in de zin van de [paragrafen 4.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01) of [4.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&paragraaf=4.2.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs of op grond van de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393) is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs aan een opleiding niveau 3 of 4.
- c. In afwijking van onderdeel b wordt, indien [artikel 4.14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden.
- d. In afwijking van onderdeel b wordt, indien [artikel 4.14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met 5 jaren.
- b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering in de zin van de [paragrafen 4.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01) of [4.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&paragraaf=4.2.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01) is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs of op grond van de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393) is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs aan een opleiding niveau 3 of 4.
- c. In afwijking van onderdeel b wordt, indien [artikel 4.14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden.
- d. In afwijking van onderdeel b wordt, indien [artikel 4.14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01), toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met 5 jaren.
#### Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
@@ -1700,7 +1712,7 @@
##### Artikel 2.13a. Buitenlandse opleidingen beroepsonderwijs
1. Voor studiefinanciering, met uitzondering van het levenlanglerenkrediet, kan een deelnemer in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland:
1. Voor studiefinanciering, met uitzondering van het levenlanglerenkrediet, kan een mbo-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland:
- a. waarvan het niveau en de kwaliteit vergelijkbaar is met overeenkomstige Nederlandse opleidingen in de zin van de [WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) en waarvan het afsluitend examen vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor een opleiding in de zin van de WEB, en
@@ -1708,17 +1720,17 @@
2. Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister stelt tevens vast of de opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 of een opleiding niveau 3 of 4. De opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4 indien deze vergelijkbaar is met een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4.
3. Dit artikel is niet van toepassing op deelnemers die op grond van [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.
3. Dit artikel is niet van toepassing op mbo-studenten die op grond van [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01), slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.
##### Artikel 2.15a. Geen aanspraak op gift bij samenloop
1. De deelnemer die aanspraak heeft op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.
2. De deelnemer die aanspraak heeft op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 in Nederland.
3. De deelnemer die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een opleiding op niveau 3 of 4 buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.
4. De deelnemer die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een beroepsopleiding buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 3 of 4 in Nederland.
1. De mbo-student die aanspraak heeft op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.
2. De mbo-student die aanspraak heeft op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 in Nederland.
3. De mbo-student die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een opleiding op niveau 3 of 4 buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.
4. De mbo-student die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een beroepsopleiding buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 3 of 4 in Nederland.
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
@@ -1730,1072 +1742,1076 @@
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage student
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
#### Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
#### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
#### Paragraaf 6.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
#### Paragraaf 6.1. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
#### Paragraaf 10a.4. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.6)
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
##### Artikel 12.1aa. Afwijking van [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
Vervallen
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 1.8. Awir van toepassing
Van de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) is [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=6) op deze wet van toepassing en zijn de [artikelen 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=9), en [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=10), van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 2. Werkingssfeer
#### Paragraaf 2.1. Algemeen
#### Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs
#### Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
#### Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
#### Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
##### Artikel 4.6. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die in Nederland een opleiding niveau 3 of 4 volgen.
##### Artikel 4.7. Vorm en duur studiefinanciering
1. Prestatiebeurs beroepsonderwijs wordt voor een opleiding niveau 3 of 4 binnen en buiten Nederland tezamen gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift.
2. Indien een mbo-student een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten, wordt aan hem voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt.
3. Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de [artikelen 3.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.13&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01), naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02 per 1 januari 2020: € 963,59. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van [artikel 4.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.6b&z=2020-08-01&g=2020-08-01) reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden.
4. Op aanvraag kan een mbo-student als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01), gedurende de periode bedoeld in het derde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
##### Artikel 4.8. Waarde van de reisvoorziening
1. Het deel van de prestatiebeurs beroepsonderwijs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan een twaalfde deel van de waarde die daarvoor per student door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs beroepsonderwijs wordt niet uitbetaald of verrekend.
2. Indien de prestatiebeurs beroepsonderwijs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.26&z=2020-08-01&g=2020-08-01) of is stopgezet als bedoeld in [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-08-01&g=2020-08-01). In afwijking van [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01) is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in [artikel 3.7, tweede of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), is toegekend.
##### Artikel 4.9. Diplomatermijn beroepsonderwijs
De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs is toegekend.
##### Artikel 4.10. Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn
1. Indien een mbo-student binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge [artikel 4.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
2. Indien een mbo-student binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een specialistenopleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge [artikel 4.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
3. Indien een mbo-student binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding niveau 3 of 4 aanvangt.
4. Met een afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 of een afsluitend examen van een specialistenopleiding wordt gelijkgesteld het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs.
5. Omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin Onze Minister heeft vastgesteld dat een mbo-student heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste of tweede lid.
##### Artikel 4.11. Stoppen voor 1 februari
Indien een mbo-student in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs geniet en hij in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4 dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
##### Artikel 4.12. Eenmalige verlenging duur prestatiebeurs beroepsonderwijs
Onze Minister verlengt op aanvraag van de mbo-student de duur van de prestatiebeurs beroepsonderwijs eenmalig met 1 jaar indien de mbo-student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs.
##### Artikel 4.13. Arbeidsongeschiktheid
Indien een mbo-student op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van [hoofdstuk 3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&hoofdstuk=3) bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
##### Artikel 4.14. Bijzondere omstandigheden
1. Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
2. Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
3. Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
4. Indien een mbo-student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de mbo-student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
5. Onze Minister stelt op aanvraag van de mbo-student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de mbo-student is ingeschreven.
##### Artikel 4.15. Tenietgaan rente
Bij omzetting van de prestatiebeurs beroepsonderwijs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
##### Artikel 4.16. Reikwijdte beroepsonderwijs buiten Nederland
Deze afdeling is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschreven voor het volgen van beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
##### Artikel 4.17. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2.
##### Artikel 4.18. Studiefinanciering
1. Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift.
2. Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de [artikelen 3.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.13&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01), naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53 per 1 januari 2020: € 963,59. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift.
3. Op aanvraag kan een mbo-student als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01), gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
##### Artikel 4.19. Studievoortgang
1. Een mbo-student verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van het bewijs waaruit blijkt voor welke maanden van het desbetreffende studiejaar hij is ingeschreven voor de opleiding waarvoor hij studiefinanciering heeft aangevraagd.
2. Een mbo-student verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van een overzicht van in het desbetreffende studiejaar behaalde studieresultaten.
##### Artikel 4.20. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4.
##### Artikel 4.21. Studiefinanciering
1. De [artikelen 4.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.6b&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.7, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.10, eerste, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.11&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.12&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.13&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [4.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.15&z=2020-08-01&g=2020-08-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 4.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&paragraaf=4.2.2&artikel=4.19&z=2020-08-01&g=2020-08-01) is van overeenkomstige toepassing voorzover de studiefinanciering in de vorm van een gift is toegekend.
##### Artikel 4.22. Berichtenstroom tussen mbo-student en Minister
1. De mbo-student zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn beroepsonderwijs, een gewaarmerkt bewijs van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van de opleiding aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs beroepsonderwijs. Op het gewaarmerkt bewijs vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten.
2. De omzetting, bedoeld in [artikel 4.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01), vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de mbo-student daarvan in kennis.
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2007-01-01&g=2007-01-01)
##### Artikel 4.23. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
Voor zover deze afdeling daarin niet voorziet, alsmede indien noodzakelijk, kunnen in afwijking van het in deze afdeling bepaalde bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede uitvoering van deze afdeling.
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
#### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
#### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
### Hoofdstuk 10A. Hoger onderwijs; omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 10a.1. Algemeen
#### Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
#### Paragraaf 10a.1. Algemeen
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.1d. Overgangssituatie alleenstaande-ouderkorting
In afwijking van de [artikelen 3.9, tweede lid, vijfde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [3.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.12&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [6.10, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [6.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.13&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [10a.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en [10a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01) wordt bepaald of voor de ouder onderscheidenlijk de debiteur in het desbetreffende jaar de alleenstaande-ouderkorting, bedoeld in [artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.15), zoals dat artikel in dat jaar luidde, van toepassing is, voor zover de [Wet hervorming kindregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035259) in dat jaar nog niet in werking is getreden.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 3.16a. Collegegeldkrediet
1. Het collegegeldkrediet is een lening die aan de ho-student op aanvraag wordt toegekend.
2. Het bedrag dat per maand kan worden geleend bedraagt niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de ho-student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld voor het volgen van hoger onderwijs en in totaal ten hoogste vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45).
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het collegegeldkrediet.
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari in eerste studiejaar
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
#### Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
#### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
##### Artikel 9.6b. Gegevensuitwisseling met andere staten
1. Onze Minister is bevoegd de persoonsgegevens die bij hem bekend zijn als gevolg van de uitvoering van zijn wettelijke taken te verstrekken aan of uit te wisselen met de voor de verstrekking van een tegemoetkoming in de kosten voor toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud voor studenten verantwoordelijke autoriteit van een andere staat.
2. De in het eerste lid bedoelde verantwoordelijke autoriteit toont voor de verstrekking van persoonsgegevens aan dat de student ten laste van die autoriteit een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt.
3. Onze Minister kan, voor de uitvoering van de wet, inlichtingen over een student die studiefinanciering aanvraagt dan wel reeds ontvangt, opvragen bij het bevoegd gezag van een andere staat waar de student een opleiding wil gaan volgen of volgt met studiefinanciering op grond van [artikel 2.14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
##### Artikel 9.6c. Gegevensuitwisseling met landen buiten de Europese Economische Ruimte
Vervallen
#### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
#### Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
#### Paragraaf 10a.2. Omzettingsprocedure bij overstappen voor 1 februari in eerste studiejaar (voorheen paragraaf 5.4)
#### Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
##### Artikel 12.1ba. Aanspraken op grond van de [artikelen 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.12&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en afwijking van [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
Op een ho-student die voor 1 september 2007 voor het volgen van hoger onderwijs buiten Nederland studiefinanciering ontving, blijven de [artikelen 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.12&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals die luidden op 31 augustus 2007, van toepassing zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2.17. Rechtens ontnomen vrijheid
1. Een mbo-student die voor ten minste één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, heeft, behoudens in de gevallen, bedoeld in de [Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635), in de [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632) en in [artikel 2.3 van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=2.3) en de gevallen, bedoeld in [hoofdstuk 6 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&hoofdstuk=6), met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming ten minste één maand heeft geduurd slechts aanspraak op studiefinanciering voor een thuiswonende mbo-student.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen van personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
#### Paragraaf 3.6. Toekenning
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
#### Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
##### Artikel 12.1ca. Afwijking van [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
Voor een student die reeds vóór 1 juli 2009 studiefinanciering ontving en wiens vrijheid op 30 juni 2009 rechtens was ontnomen, wordt voor de toepassing van [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat luidde op 31 juli 2015, als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt 1 juli 2009 en eindigt de aanspraak op studiefinanciering voor uitwonenden in afwijking van artikel 2.17, eerste lid, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.10a. Afwijking van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
Het rentepercentage voor leningen aangegaan voor 1 januari 1992 is in afwijking van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01), 1,65 procentpunt lager dan het in dat artikel bedoelde rentepercentage, en wordt, indien het rentepercentage, vastgesteld overeenkomstig artikel 6.3, 1,65 procent of lager bedraagt, gesteld op nul.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 10a.6. Vaststelling en aflossing termijnbetalingen
1. Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.
2. De hoogte van de maandelijkse termijnbetalingen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van:
- a. het eerste jaar van de aflosfase,
- b. het vierde jaar van de aflosfase, en
- c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.
3. Onverminderd [artikel 10a.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnbetalingen ten minste € 545,–.
4. Rente en aflossing van de lening van een debiteur die in het buitenland woont, vervallen, in afwijking van het eerste lid, gedurende de aflosfase in jaarlijkse termijnen. Indien die debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die in het buitenland woont. De [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01) zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing. Op aanvraag van een in de eerste volzin bedoelde debiteur besluit Onze Minister dat de rente en aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de termijnbetalingen.
##### Artikel 10a.7. Vaststelling draagkracht debiteur
1. Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijnbetaling te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.
2. De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag.
4. Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling.
##### Artikel 10a.8. Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis
1. Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
2. Op het toetsingsinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het belastbare minimumloon in het peiljaar, indien de debiteur in het peiljaar een ouder zonder partner is als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2), of voor zijn partner voor de inkomstenbelasting de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in [artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.9), van toepassing is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting van toepassing is, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn indien voor de debiteur – naast de algemene heffingskorting – voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn.
3. Het resterende inkomen wordt verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf ter grootte van 260% van het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste en de tweede schijf.
4. Indien de debiteur of zijn partner een toetsingsinkomen heeft dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven dat nog niet is benut, overgeheveld naar de ander. Daarbij wordt het onbenutte deel van een schijf toegevoegd aan de overeenkomstige schijf van de ander en het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet aan de draagkrachtvrije voet van de ander.
5. Indien de debiteur en zijn partner een toetsingsinkomen hebben dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het vierde lid toegepast in die zin dat van de debiteur of zijn partner met het laagste toetsingsinkomen het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven wordt overgeheveld naar de ander.
6. De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 7,9% van de eerste schijf plus 15,8% van de tweede schijf plus 23,7% van de derde schijf plus 30% van het meerdere.
7. In afwijking van het tweede tot en met het zesde lid is de draagkracht uit inkomen van een debiteur met een toetsingsinkomen lager dan een bij ministeriële regeling vast te stellen minimumbedrag nihil. Deze regeling wordt jaarlijks voor 1 januari vastgesteld en kan voor verschillende groepen debiteuren verschillend luiden.
8. Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert.
##### Artikel 10a.9. Andere aanpassing van draagkracht debiteur
Indien het na het peiljaar een debiteur betreft die ouder zonder partner is als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in [artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.9), van toepassing wordt na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast.
##### Artikel 10a.10. Draagkracht partner van debiteur
1. Indien de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijnbetaling te betalen, wordt de draagkracht van de partner berekend overeenkomstig de artikelen [10a.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [10a.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.8&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.12&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [6.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.13&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
2. Indien de draagkracht van de debiteur niet voldoende is voor het betalen van de termijnbetaling wordt de draagkracht van de partner aangewend voor het resterende gedeelte.
##### Artikel 10a.11. Aanvraag draagkracht partner niet meetellen
1. Bij de bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner indien een van beiden hiertoe een aanvraag indient.
2. Voor ieder jaar dat op grond van de toepassing van het eerste lid geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur wordt de aflosfase verlengd met een jaar.
##### Artikel 10a.12. Beide partners debiteur hoofdstuk 10a
Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is en op beide debiteuren hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt zijn draagkracht eerst aangewend voor de eigen termijnbetaling. Op het bedrag dat aan draagkracht resteert is [artikel 10a.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 10a.13. Partner debiteur [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
1. Indien de partner van de debiteur een debiteur is op wie [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2020-08-01&g=2020-08-01) van toepassing is, blijft [artikel 10a.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01), buiten toepassing.
2. Bij de toepassing van [artikel 10a.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01), wordt de draagkracht van de debiteur op wie [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2020-08-01&g=2020-08-01) van toepassing is, aangewend, voor zover het bedrag van de draagkracht groter is dan de vastgestelde termijnbetaling, bedoeld in [artikel 6.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.10b. Tijdelijke afwijking van [artikel 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
Vervallen
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.5a. Samenloop van terugbetaling
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de samenloop van de verplichting tot terugbetaling uit hoofde van deze wet en de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393) met dien verstande dat de verplichting tot terugbetaling de laagst vastgestelde draagkracht van de debiteur niet mag overschrijden.
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
##### Artikel 12.1a0. Afwijking van [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
1. In afwijking van [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01) regelt dit artikel het langstudeerderskrediet.
2. Het langstudeerderskrediet is een lening die op aanvraag kan worden toegekend voor het studiejaar 2011–2012 en 2012–2013. Het langstudeerderskrediet kan worden toegekend aan iemand die:
- a. voor 1 september 2011 aanspraak op studiefinanciering had;
- b. op het moment van aanvraag geen aanspraak op studiefinanciering heeft; en
- c. het verhoogde wettelijke collegegeld verschuldigd is op grond van [artikel 7.45b van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45b) zoals dat luidde op 1 september 2011.
3. Het langstudeerderskrediet voor het desbetreffende studiejaar wordt in een keer uitgekeerd en bedraagt maximaal de hoogte van de opslag, bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45) zoals dat luidde op 1 september 2011.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het langstudeerderskrediet.
5. [Hoofdstuk 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [paragraaf 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), voor de toepassing waarvan het langstudeerderskrediet wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs, en de [artikelen 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [12.10a1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=12&paragraaf=12.1&artikel=12.10a1&z=2020-08-01&g=2020-08-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 9.1a. Toezicht in verband met [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
1. Met het toezicht op de naleving van [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01) zijn belast:
- a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren of andere personen,
- b. de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.
2. Indien de ambtenaren of andere personen, bedoeld in het eerste lid, onder a, die worden aangewezen, ressorteren onder een andere minister, wordt het besluit samen met die minister genomen.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in de [artikelen 5:18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:18) en [5:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19).
##### Artikel 9.1b. Informatie-uitwisseling
1. De toezichthouders, bedoeld in [artikel 9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.1&artikel=9.1a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en Onze Minister wisselen de persoonsgegevens en inlichtingen uit die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht onder vermelding van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het onderwijsnummer van de mbo-student op wie de persoonsgegevens of inlichtingen betrekking hebben.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van verstrekking van persoonsgegevens en inlichtingen op grond van het eerste lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de persoonsgegevens en inlichtingen die op grond van het eerste lid worden verwerkt.
#### Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
##### Artikel 9.9a. Geen aanspraak meer bij tweede maal niet voldoen aan verplichtingen [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01) door mbo-student
1. Indien Onze Minister de mbo-student een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 9.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.3&artikel=9.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), heeft opgelegd en de mbo-student heeft, nadat voormelde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, voor een tweede maal niet voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-08-01&g=2020-08-01), kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100 procent van het bedrag dat van de mbo-student in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
2. De herziening vindt plaats met ingang van de dag na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in [artikel 9.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.3&artikel=9.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), ziet of, indien dit een latere datum betreft, de dag van de laatste adreswijziging van de mbo-student in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de mbo-student of een van hen na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, ziet of na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de mbo-student, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
3. Indien Onze Minister de mbo-student een boete als bedoeld in het eerste lid heeft opgelegd kan hij tevens beslissen dat elke aanspraak op studiefinanciering vervalt.
4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.9a. Reeds toegekende reisvoorziening
Op een ho-student aan wie vóór 1 september 2012 een reisvoorziening is toegekend, blijft ten aanzien van deze toegekende reisvoorziening [artikel 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2012, van toepassing.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.10a1. langstudeerders geen rente verschuldigd
In afwijking van [artikel 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01) wordt er geen rente berekend over collegegeldkrediet ten behoeve van de opslag, als bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45), zoals dat luidde op 1 september 2011, indien het daarvoor geleende bedrag vóór 1 maart 2013 wordt teruggestort.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2.3a. Leeftijd levenlanglerenkrediet
1. In afwijking van [artikel 2.3, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01), kan een mbo-student voor levenlanglerenkrediet in aanmerking komen die 30 jaren of ouder is maar nog niet de leeftijd van 55 jaren heeft bereikt.
2. In afwijking van [artikel 2.3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01), kan een ho-student voor levenlanglerenkrediet in aanmerking komen die nog niet de leeftijd van 55 jaren heeft bereikt.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid behoudt een student bij het bereiken van de leeftijd van 55 jaren zijn aanspraak, zolang hij zonder onderbreking levenlanglerenkrediet geniet.
#### Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs
##### Artikel 2.7b. Uitzondering levenlanglerenkrediet
De [artikelen 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [2.7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.7a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet.
#### Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
#### Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders
##### Artikel 3.9a. Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage hoger onderwijs
[Artikel 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01) is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor ho-studenten, met dien verstande dat:
- a. voor de vrije voet, bedoeld in [artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000 per 1 januari 2020: € 16.391,04; en
- b. voor de vrije voet, bedoeld in [artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004 per 1 januari 2020: € 20.766,37.
##### Artikel 3.16b. Levenlanglerenkrediet: aanspraak
1. Het levenlanglerenkrediet is een lening die aan een student op aanvraag wordt toegekend.
2. Het levenlanglerenkrediet wordt slechts verstrekt:
- a. indien de student niet in aanmerking komt voor studiefinanciering als bedoeld in [artikel 3.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01);
- b. in geval het krediet wordt gevraagd voor een voltijdse of duale opleiding in het hoger onderwijs en de ho-student nog niet de leeftijd van dertig jaren heeft bereikt, die ho-student een hbo-bacheloropleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a) of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, van de WHW met goed gevolg heeft afgesloten; en
- c. voor zover de kosten voor het lesgeld of collegegeld niet door een derde worden vergoed.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gronden worden vastgesteld op basis waarvan een aanvraag gelet op terugbetalingsrisico’s kan worden geweigerd.
4. De [hoofdstukken 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en[5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2020-08-01&g=2020-08-01) zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet.
##### Artikel 3.16c. Levenlanglerenkrediet: duur
1. Het levenlanglerenkrediet kan worden verstrekt gedurende vier jaar.
2. De periode, bedoeld in het eerste lid, kan worden verlengd indien de student in de laatste maand van die periode een opleiding volgt met een langere nominale duur dan vier jaar en die opleiding onafgebroken blijft volgen. Het levenlanglerenkrediet kan ten hoogste zoveel langer worden verstrekt als het verschil tussen 48 maanden en het aantal maanden waarop de studielast is gebaseerd op grond van:
- a. [artikel 7.4a, eerste tot en met zevende lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a); of
- b. [artikel 7.4b, tweede tot en met achtste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b).
3. Indien de ho-student in de laatste maand van de periode, bedoeld in het eerste of tweede lid, een deeltijdse opleiding volgt en deze opleiding onafgebroken blijft volgen, wordt de periode met één jaar verlengd.
##### Artikel 3.16d. Levenlanglerenkrediet: hoogte
1. Het levenlanglerenkrediet bedraagt per maand niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld of lesgeld voor het volgen van de desbetreffende opleiding en in totaal ten hoogste:
- a. vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45), voor een opleiding in het hoger onderwijs;
- b. vijf maal een twaalfde deel van het lesgeld, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=5), voor een opleiding in het beroepsonderwijs; of
- c. een in afwijking van de onderdelen a en b bij algemene maatregel van bestuur te bepalen lager maximum.
2. In afwijking van het eerste lid kan aan bij ministeriële regeling vast te stellen groepen studenten een hoger bedrag per maand worden toegekend, waarbij het totale levenlanglerenkrediet voor een periode van twaalf maanden niet meer bedraagt dan twaalf maal het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, b of c.
##### Artikel 3.16e. Levenlanglerenkrediet: uitvoeringsregels
Voor een goede uitvoering van de [artikelen 3.16b tot en met 3.16d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.16b&z=2020-08-01&g=2020-08-01) worden bij ministeriële regeling regels vastgesteld over de aanvraag, toekenning, berekening, betaling en andere uitvoeringsaspecten.
#### Paragraaf 3.6. Toekenning
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
#### Paragraaf 4.1.2. Prestatiebeurs beroepsonderwijs
##### Artikel 4.6a. Prestatiebeurs beroepsonderwijs
Een mbo-student aan een opleiding niveau 3 of 4 komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
- a. een basisbeurs;
- b. een aanvullende beurs;
- c. een reisvoorziening; en
- d. een toeslag eenoudergezin.
##### Artikel 4.6b. Reisvoorziening minderjarige mbo-student
Onverminderd[artikel 4.7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), komt een mbo-student die jonger is dan 18 jaren in aanmerking voor een reisvoorziening in de vorm van een prestatiebeurs.
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs
##### Artikel 5.2a. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een lerarenkopopleiding
De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien:
- a. het een ho-student betreft die met goed gevolg het afsluitende examen van een bacheloropleiding heeft behaald, voor zover bij ministeriële regeling aangewezen, of een daarmee gelijkgesteld diploma; en
- b. deze ho-student is ingeschreven voor de hbo-lerarenopleiding, voor een daarbinnen te volgen eenjarig programma, waarvan in de onder a bedoelde ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding verwant is aan de onder a bedoelde opleiding.
##### Artikel 5.2b. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege handicap of chronische ziekte
1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt indien de ho-student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een handicap of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen het aantal jaren prestatiebeurs hoger onderwijs dat zonder deze verlenging aan de ho-student kan worden verstrekt.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs eenmalig 6 maanden langer verstrekt aan de ho-student, bedoeld in het eerste lid, die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een associate degree-opleiding.
##### Artikel 5.2c. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een universitaire lerarenopleiding
1. In aanvulling op [artikel 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01), wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien:
- a. het een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.30c van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.30c) betreft;
- b. met goed gevolg het afsluitende examen van een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, met uitzondering van het derde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) is behaald en daarna een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, van de WHW wordt gevolgd; of
- c. reeds eerder prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend op grond van [artikel 5.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, derde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) wordt gevolgd.
2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing, indien reeds eerder op grond van onderdeel b van dat lid prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend.
3. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien reeds eerder:
- a. op grond van het eerste lid, onderdeel a, of [artikel 5.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2a&z=2020-08-01&g=2020-08-01) prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; of
- b. op grond van [artikel 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend, voor zover die toekenning betrekking had op een opleiding als bedoeld in [7.4b, vijfde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b).
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
#### Paragraaf 6.1. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Herziening
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.2a. Kwijtschelding studieschuld voor ho-studenten met handicap of chronische ziekte
1. Aan de debiteur wordt gelijktijdig met de omzetting, bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), een deel van de lening hoger onderwijs kwijtgescholden indien:
- a. aan de debiteur op grond van [artikel 5.2b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2b&z=2020-08-01&g=2020-08-01), voor een opleiding een extra jaar prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; en
- b. de desbetreffende bacheloropleiding of masteropleiding met goed gevolg is afgerond binnen de diplomatermijn hoger onderwijs.
2. Voor de waarde van de kwijtschelding is bepalend het jaar waarin voor het eerst is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. De kwijtschelding bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 1.200 per 1 januari 2020: € 1.292,66.
.
3. Voor een debiteur aan wie op grond van [artikel 5.2b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2b&z=2020-08-01&g=2020-08-01), 6 maanden extra prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend en die binnen de diplomatermijn hoger onderwijs een associate degree-opleiding met goed gevolg heeft afgerond, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de waarde van de kwijtschelding 50% bedraagt van het bedrag, genoemd in het tweede lid.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor een goede uitvoering van dit artikel.
#### Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
#### Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015
#### Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs
##### Artikel 12.15. Vouchers voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs
1. In dit artikel wordt onder voucher begrepen: een vergoeding van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01), voor de kosten van het volgen van hoger onderwijs.
2. Een ieder die voldoet aan de volgende voorwaarden heeft aanspraak op een voucher:
- a. hij heeft in één van de vier studiejaren vanaf 1 september 2015 voor het eerst studiefinanciering ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs;
- b. hij heeft binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afgerond; en
- c. hij heeft zich ingeschreven voor een associate degree- bachelor- of masteropleiding dan wel een geaccrediteerde postinitiële masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.3b van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3b) in Nederland, voor een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland, bedoeld in [artikel 2.14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01), of binnen die opleiding voor één of meer onderwijseenheden als bedoeld in [artikel 7.3, tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3), in het tijdvak van het vijfde tot en met negende studiejaar volgend op de dag waarop Onze Minister de mededeling, bedoeld in [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d), heeft ontvangen.
3. Een voucher wordt uitsluitend op aanvraag verstrekt en is niet overdraagbaar aan derden. De aanspraak vervalt na afloop van het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over onder meer:
- a. de wijze van verstrekking van de voucher;
- b. de waarde van de voucher, die overeenkomstig [artikel 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01) wordt aangepast;
- c. de aanvraag van een voucher;
- d. de aan de voucher verbonden verplichtingen voor de rechthebbende of de instelling;
- e. de wijze waarop de persoonsgegevens, benodigd voor de uitvoering van dit artikel, kunnen worden verwerkt.
5. [Artikel 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01) is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor studerende wordt gelezen: de rechthebbende op een voucher.
##### Artikel 12.16. Verhoogde aanvullende beurs in het eerste jaar na invoering van het studievoorschot
1. In afwijking van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-08-01&g=2020-08-01) geldt in het studiejaar 2015–2016 voor de toepassing van [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&z=2020-08-01&g=2020-08-01) voor een ho-student die ingevolge de [Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261) geen basisbeurs ontvangt, een maximale aanvullende beurs die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 258,35 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 271,19.
2. Voor de ho-student die na de toepassing van het eerste lid een aanvullende beurs ontvangt, wordt de aanvullende beurs in dat studiejaar verhoogd met een bedrag per maand dat naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 106,98 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 110,74.
##### Artikel 12.17. Partnertoeslag in de maanden na inwerkingtreding studievoorschot hoger onderwijs
Vervallen
##### Artikel 12.18. Reeds toegekende partnertoeslag
Op de student die een toeslag als bedoeld in [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.4&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat luidde op 31 december 2015, toegekend heeft gekregen, blijven ten aanzien van de toegekende toeslag de artikelen 3.4, [3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.10&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals die artikelen luidden op 31 juli 2015, van toepassing.
##### Artikel 12.19. Afwijking van [artikel 3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.17&z=2020-08-01&g=2020-08-01) in verband met overgangssituatie afschaffing bijverdiengrens voor hoger onderwijs
1. In afwijking van [artikel 3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.17&z=2020-08-01&g=2020-08-01) blijft dat artikel, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, van toepassing op ho-studenten in de kalenderjaren waarin zij aanspraak hebben op een basisbeurs als bedoeld in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2015.
2. In afwijking van het eerste lid blijft voor de berekening van de bijverdiengrens over het kalenderjaar waarin een ho-student ingevolge de [Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261) voor het eerst geen basisbeurs ontvangt buiten beschouwing het inkomen van een ho-student dat is verworven vanaf de eerste maand waarin geen aanspraak op een basisbeurs bestaat, bedoeld in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2015.
##### Artikel 12.20. Afwijking van [artikel 3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.6&artikel=3.21&z=2020-08-01&g=2020-08-01) tot 1 januari 2016
1. In afwijking van [artikel 3.21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.6&artikel=3.21&z=2020-08-01&g=2020-08-01), wordt in het studiejaar 2015–2016 geen terugwerkende kracht verleend voor zover de periode waarvoor terugwerkende kracht wordt gevraagd, is gelegen voor 1 januari 2016.
2. Dit artikel is niet van toepassing op de aanspraak, bedoeld in [artikel 2.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01).
##### Artikel 12.21. Indexering
Onze Minister past de bedragen, genoemd in deze paragraaf, overeenkomstig [artikel 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2020-08-01&g=2020-08-01) aan.
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2.17a. Geen aanspraak uitreiziger
1. Een student heeft geen aanspraak op studiefinanciering indien hij een uitreiziger is.
2. Onze Minister kan besluiten dat een student een uitreiziger is indien het betreft een persoon ten aanzien van wie uit een melding van de door de daartoe bevoegde opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan Onze Minister, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat de student zich buiten het land Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie die door Onze Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.
3. In het besluit van Onze Minister dat een student een uitreiziger is, wordt vermeld vanaf welk moment een student als uitreiziger is aangemerkt.
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
#### Paragraaf 3.6. Toekenning
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.7. Omzetting bij bijzondere omstandigheden
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
#### Paragraaf 6.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
#### Paragraaf 6.1. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
#### Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015
#### Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.20. Nadere terugbetalingsregels
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de terugbetaling van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet waarbij tenminste regels worden gesteld over de samenloop met de terugbetaling van de lening die is ontstaan anders dan door toekenning van het levenlanglerenkrediet en over de samenloop met de terugbetaling door een partner van het levenlanglerenkrediet of een andere lening die is toegekend op grond van deze wet.
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
#### Paragraaf 10a.4. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.6)
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
##### Artikel 12.1aa. Afwijking van [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
Vervallen
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
#### Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015
#### Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 1.8. Awir van toepassing
Van de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) is [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=6) op deze wet van toepassing en zijn de [artikelen 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=9), en [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=10), van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 2. Werkingssfeer
#### Paragraaf 2.1. Algemeen
#### Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs
#### Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
#### Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
#### Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
##### Artikel 4.6. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die in Nederland een opleiding niveau 3 of 4 volgen.
##### Artikel 4.7. Vorm en duur studiefinanciering
1. Prestatiebeurs beroepsonderwijs wordt voor een opleiding niveau 3 of 4 binnen en buiten Nederland tezamen gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift.
2. Indien een deelnemer een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten, wordt aan hem voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt.
3. Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de [artikelen 3.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.13&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01), naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02 per 1 januari 2020: € 963,59. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van [artikel 4.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.6b&z=2020-07-01&g=2020-07-01) reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden.
4. Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01), gedurende de periode bedoeld in het derde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
##### Artikel 4.8. Waarde van de reisvoorziening
1. Het deel van de prestatiebeurs beroepsonderwijs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan een twaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs beroepsonderwijs wordt niet uitbetaald of verrekend.
2. Indien de prestatiebeurs beroepsonderwijs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.26&z=2020-07-01&g=2020-07-01) of is stopgezet als bedoeld in [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-07-01&g=2020-07-01). In afwijking van [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in [artikel 3.7, tweede of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), is toegekend.
##### Artikel 4.9. Diplomatermijn beroepsonderwijs
De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs is toegekend.
##### Artikel 4.10. Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn
1. Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge [artikel 4.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
2. Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een specialistenopleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge [artikel 4.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
3. Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding niveau 3 of 4 aanvangt.
4. Met een afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 of een afsluitend examen van een specialistenopleiding wordt gelijkgesteld het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs.
5. Omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin Onze Minister heeft vastgesteld dat een deelnemer heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste of tweede lid.
##### Artikel 4.11. Stoppen voor 1 februari
Indien een deelnemer in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs geniet en hij in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4 dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
##### Artikel 4.12. Eenmalige verlenging duur prestatiebeurs beroepsonderwijs
Onze Minister verlengt op aanvraag van de deelnemer de duur van de prestatiebeurs beroepsonderwijs eenmalig met 1 jaar indien de deelnemer blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs.
##### Artikel 4.13. Arbeidsongeschiktheid
Indien een deelnemer op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van [hoofdstuk 3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&hoofdstuk=3) bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
##### Artikel 4.14. Bijzondere omstandigheden
1. Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
2. Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
3. Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
4. Indien een deelnemer als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de deelnemer bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
5. Onze Minister stelt op aanvraag van de deelnemer vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de deelnemer is ingeschreven.
##### Artikel 4.15. Tenietgaan rente
Bij omzetting van de prestatiebeurs beroepsonderwijs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
##### Artikel 4.16. Reikwijdte beroepsonderwijs buiten Nederland
Deze afdeling is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
##### Artikel 4.17. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2.
##### Artikel 4.18. Studiefinanciering
1. Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift.
2. Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de [artikelen 3.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.13&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01), naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53 per 1 januari 2020: € 963,59. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift.
3. Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01), gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
##### Artikel 4.19. Studievoortgang
1. Een deelnemer verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van het bewijs waaruit blijkt voor welke maanden van het desbetreffende studiejaar hij is ingeschreven voor de opleiding waarvoor hij studiefinanciering heeft aangevraagd.
2. Een deelnemer verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van een overzicht van in het desbetreffende studiejaar behaalde studieresultaten.
##### Artikel 4.20. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4.
##### Artikel 4.21. Studiefinanciering
1. De [artikelen 4.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.6b&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.7, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.10, eerste, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.11&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.12&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.13&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [4.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.15&z=2020-07-01&g=2020-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 4.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&paragraaf=4.2.2&artikel=4.19&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is van overeenkomstige toepassing voorzover de studiefinanciering in de vorm van een gift is toegekend.
##### Artikel 4.22. Berichtenstroom tussen deelnemer en Minister
1. De deelnemer zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn beroepsonderwijs, een gewaarmerkt bewijs van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van de opleiding aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs beroepsonderwijs. Op het gewaarmerkt bewijs vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten.
2. De omzetting, bedoeld in [artikel 4.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01), vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de deelnemer daarvan in kennis.
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2007-01-01&g=2007-01-01)
##### Artikel 4.23. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
Voor zover deze afdeling daarin niet voorziet, alsmede indien noodzakelijk, kunnen in afwijking van het in deze afdeling bepaalde bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede uitvoering van deze afdeling.
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
#### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
#### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
### Hoofdstuk 10A. Hoger onderwijs; omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 10a.1. Algemeen
#### Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
#### Paragraaf 10a.1. Algemeen
#### Paragraaf 12.3. Overgangsbepalingen in verband met de omvorming van Ad-programma tot associate degree-opleiding
##### Artikel 12.22. Aanvraag voor toekenning verlenging prestatiebeurs niet eerder dan in 2019
Een aanvraag voor toekenning van 6 maanden extra prestatiebeurs hoger onderwijs, bedoeld in [artikel 5.2b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2b&z=2020-08-01&g=2020-08-01), kan niet eerder worden gedaan dan op 1 januari 2019.
##### Artikel 12.23. Overgangsbepaling Ad-programma en omzetting prestatiebeurs in gift
Voor de aanspraak op omzetting van prestatiebeurs hoger onderwijs in gift voor een associate degree-programma als bedoeld in [artikel 7.8a van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.8a), zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de [Wet invoering associate degree-opleiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040090), blijft [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding, van toepassing voor de ho-student die een associate degree-programma volgt of heeft gevolgd.
##### Artikel 12.24. Omzetting prestatiebeurs in gift op aanvraag
Tot een bij [koninklijk besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042258) te bepalen tijdstip wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs voor een ho-student die met goed gevolg een associate degree-opleiding heeft afgerond, in afwijking van [artikel 5.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-08-01&g=2020-08-01), uitsluitend omgezet in een gift voor zover de ho-student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling, overeenkomstig artikel 5.7, vierde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip voor inwerkingtreding van de [Wet invoering associate degree-opleiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040090).
##### Artikel 12.25. Kwijtschelding studieschuld voor ho-studenten met handicap of chronische ziekte
Tot een bij [koninklijk besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042258) te bepalen tijdstip wordt de kwijtschelding, bedoeld in [artikel 6.2a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), opgeschort, waarbij de opgebouwde rente als gevolg van de latere kwijtschelding van dat bedrag eveneens wordt kwijtgescholden.
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### Paragraaf 12.4. Overgangsbepaling in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.26. Hoogte collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld
In afwijking van [artikel 3.16a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.16a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), onderscheidenlijk [artikel 3.16d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.16d&z=2020-08-01&g=2020-08-01) kan een ho-student die verlaagd wettelijk collegegeld als bedoeld in [artikel 7.45, vijfde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45) verschuldigd is, tot een bij [koninklijk besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042258) te bepalen tijdstip ten hoogste het bedrag lenen van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de WHW en voor zover van toepassing, gelezen in samenhang met [artikel 6.7 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.7).
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### Paragraaf 12.5. Overgangsbepaling in verband met de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes
##### Artikel 12.27. Overgangsbepaling [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-08-01&g=2020-08-01)
1. [Artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel V, van de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes (Kamerstukken 34 331), blijft van toepassing op de bedragen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de genoemde wet reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd waren.
2. De persoon die voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes (Kamerstukken 34 331) reeds op grond van [artikel 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-08-01&g=2020-08-01), een bedrag verschuldigd was, wordt voor de berekening van de hoogte van het bedrag dat hij vanaf de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de genoemde wet op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd is, gelijkgesteld met de student wiens aanspraak op reisrecht is beëindigd op het moment van inwerkingtreding van dat artikel V, onderdeel A.
#### Paragraaf 12.4. Overgangsbepaling in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.28. Cohortgarantie meeneembare studiefinanciering
Op een student die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor het volgen van een opleiding buiten Nederland op grond van [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-08-01&g=2020-08-01), zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A, van de Wet houdende wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het wijzigen van de criteria voor de toekenning van meeneembare studiefinanciering (Stb. 2019, 20) in werking is getreden, blijft artikel 2.14 van toepassing zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het genoemde tijdstip van inwerkingtreding zolang de student zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.1a. Belastbaar minimumloon
Het belastbaar minimumloon in de zin van deze wet is een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag, afgeleid van het totaal van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7).
##### Artikel 6.9a. Versneld aflossen
1. De debiteur is bevoegd om bovenop de termijnbetalingen, kosteloos extra aflossingen te doen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen over de aflossing, genoemd in het eerste lid, regels worden gesteld met betrekking tot onder meer:
- a. de wijze waarop extra aflossingen kunnen worden gedaan;
- b. de voorwaarden waaronder, in afwijking van [artikel 6.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.9&z=2020-08-01&g=2020-08-01), tot herberekening van de termijnbetalingen kan worden besloten; en
- c. de goede uitvoering van extra aflossingen.
#### Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet
##### Artikel 6.19a. Schorsing terugbetaling levenlanglerenkrediet in eerste vier maanden van de terugbetalingsperiode
De terugbetaling van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet wordt geschorst gedurende de eerste vier maanden van de terugbetalingsperiode.
##### Artikel 6.19b. Schorsing terugbetaling bij samenloop levenlanglerenkrediet en reguliere studieschuld
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
#### Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015
#### Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs
#### Paragraaf 12.3. Overgangsbepalingen in verband met de omvorming van Ad-programma tot associate degree-opleiding
#### Paragraaf 12.5. Overgangsbepaling in verband met de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes
#### Paragraaf 12.6. Overgangsbepaling in verband met een wijziging van de criteria voor de toekenning van meeneembare studiefinanciering
#### Paragraaf 12.7. Overgangsbepaling in verband met de Verzamelwet OCW 2020
##### Artikel 12.29. Cohortgarantie mbo-student opleiding niveau 3 of 4 voor 1 augustus 2005
Op de mbo-student die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving, blijven de [artikelen 2.7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.7a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [2.15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.15a&z=2020-08-01&g=2020-08-01), [4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.6&z=2020-08-01&g=2020-08-01) en [12.1aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=12&paragraaf=12.1&artikel=12.1aa&z=2020-08-01&g=2020-08-01) van toepassing zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel XXX, onderdeel E, van de Wet tot wijziging van de verschillende wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met voornamelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2020)(Stb. 2020, 76) in werking is getreden.
### Hoofdstuk 13. Tegemoetkoming voor studievertraging in verband met uitbraak COVID-19
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.1d. Overgangssituatie alleenstaande-ouderkorting
In afwijking van de [artikelen 3.9, tweede lid, vijfde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [3.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.12&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [6.10, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [6.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.13&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [10a.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en [10a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01) wordt bepaald of voor de ouder onderscheidenlijk de debiteur in het desbetreffende jaar de alleenstaande-ouderkorting, bedoeld in [artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.15), zoals dat artikel in dat jaar luidde, van toepassing is, voor zover de [Wet hervorming kindregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035259) in dat jaar nog niet in werking is getreden.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 3.16a. Collegegeldkrediet
1. Het collegegeldkrediet is een lening die aan de student op aanvraag wordt toegekend.
2. Het bedrag dat per maand kan worden geleend bedraagt niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de studerende voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld voor het volgen van hoger onderwijs en in totaal ten hoogste vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45).
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het collegegeldkrediet.
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari in eerste studiejaar
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
#### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
##### Artikel 9.6b. Gegevensuitwisseling met andere staten
1. Onze Minister is bevoegd de persoonsgegevens die bij hem bekend zijn als gevolg van de uitvoering van zijn wettelijke taken te verstrekken aan of uit te wisselen met de voor de verstrekking van een tegemoetkoming in de kosten voor toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud voor studerenden verantwoordelijke autoriteit van een andere staat.
2. De in het eerste lid bedoelde verantwoordelijke autoriteit toont voor de verstrekking van persoonsgegevens aan dat de studerende ten laste van die autoriteit een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt.
3. Onze Minister kan, voor de uitvoering van de wet, inlichtingen over een studerende die studiefinanciering aanvraagt dan wel reeds ontvangt, opvragen bij het bevoegd gezag van een andere staat waar de studerende een opleiding wil gaan volgen of volgt met studiefinanciering op grond van [artikel 2.14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
##### Artikel 9.6c. Gegevensuitwisseling met landen buiten de Europese Economische Ruimte
Vervallen
#### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
#### Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
#### Paragraaf 10a.2. Omzettingsprocedure bij overstappen voor 1 februari in eerste studiejaar (voorheen paragraaf 5.4)
#### Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
##### Artikel 12.1ba. Aanspraken op grond van de [artikelen 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.12&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en afwijking van [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
Op een student die voor 1 september 2007 voor het volgen van hoger onderwijs buiten Nederland studiefinanciering ontving, blijven de [artikelen 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=2.12&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals die luidden op 31 augustus 2007, van toepassing zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2.17. Rechtens ontnomen vrijheid
1. Een deelnemer die voor ten minste één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, heeft, behoudens in de gevallen, bedoeld in de [Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635), in de [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632) en in [artikel 2.3 van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=2.3) en de gevallen, bedoeld in [hoofdstuk 6 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&hoofdstuk=6), met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming ten minste één maand heeft geduurd slechts aanspraak op studiefinanciering voor een thuiswonende deelnemer.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen van personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
#### Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
#### Paragraaf 3.6. Toekenning
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.1. Algemeen
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
#### Paragraaf 5.1. Algemeen
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
#### Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
##### Artikel 12.1ca. Afwijking van [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
Voor een studerende die reeds vóór 1 juli 2009 studiefinanciering ontving en wiens vrijheid op 30 juni 2009 rechtens was ontnomen, wordt voor de toepassing van [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.17&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat luidde op 31 juli 2015, als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt 1 juli 2009 en eindigt de aanspraak op studiefinanciering voor uitwonenden in afwijking van artikel 2.17, eerste lid, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.10a. Afwijking van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
Het rentepercentage voor leningen aangegaan voor 1 januari 1992 is in afwijking van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01), 1,65 procentpunt lager dan het in dat artikel bedoelde rentepercentage, en wordt, indien het rentepercentage, vastgesteld overeenkomstig artikel 6.3, 1,65 procent of lager bedraagt, gesteld op nul.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 10a.6. Vaststelling en aflossing termijnbetalingen
1. Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.
2. De hoogte van de maandelijkse termijnbetalingen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van:
- a. het eerste jaar van de aflosfase,
- b. het vierde jaar van de aflosfase, en
- c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.
3. Onverminderd [artikel 10a.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnbetalingen ten minste € 545,–.
4. Rente en aflossing van de lening van een debiteur die in het buitenland woont, vervallen, in afwijking van het eerste lid, gedurende de aflosfase in jaarlijkse termijnen. Indien die debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die in het buitenland woont. De [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01) zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing. Op aanvraag van een in de eerste volzin bedoelde debiteur besluit Onze Minister dat de rente en aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de termijnbetalingen.
##### Artikel 10a.7. Vaststelling draagkracht debiteur
1. Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijnbetaling te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.
2. De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag.
4. Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling.
##### Artikel 10a.8. Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis
1. Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
2. Op het toetsingsinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het belastbare minimumloon in het peiljaar, indien de debiteur in het peiljaar een ouder zonder partner is als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2), of voor zijn partner voor de inkomstenbelasting de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in [artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.9), van toepassing is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting van toepassing is, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn indien voor de debiteur – naast de algemene heffingskorting – voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn.
3. Het resterende inkomen wordt verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf ter grootte van 260% van het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste en de tweede schijf.
4. Indien de debiteur of zijn partner een toetsingsinkomen heeft dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven dat nog niet is benut, overgeheveld naar de ander. Daarbij wordt het onbenutte deel van een schijf toegevoegd aan de overeenkomstige schijf van de ander en het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet aan de draagkrachtvrije voet van de ander.
5. Indien de debiteur en zijn partner een toetsingsinkomen hebben dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het vierde lid toegepast in die zin dat van de debiteur of zijn partner met het laagste toetsingsinkomen het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven wordt overgeheveld naar de ander.
6. De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 7,9% van de eerste schijf plus 15,8% van de tweede schijf plus 23,7% van de derde schijf plus 30% van het meerdere.
7. In afwijking van het tweede tot en met het zesde lid is de draagkracht uit inkomen van een debiteur met een toetsingsinkomen lager dan een bij ministeriële regeling vast te stellen minimumbedrag nihil. Deze regeling wordt jaarlijks voor 1 januari vastgesteld en kan voor verschillende groepen debiteuren verschillend luiden.
8. Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert.
##### Artikel 10a.9. Andere aanpassing van draagkracht debiteur
Indien het na het peiljaar een debiteur betreft die ouder zonder partner is als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in [artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.9), van toepassing wordt na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast.
##### Artikel 10a.10. Draagkracht partner van debiteur
1. Indien de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijnbetaling te betalen, wordt de draagkracht van de partner berekend overeenkomstig de artikelen [10a.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [10a.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.8&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.12&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [6.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.13&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
2. Indien de draagkracht van de debiteur niet voldoende is voor het betalen van de termijnbetaling wordt de draagkracht van de partner aangewend voor het resterende gedeelte.
##### Artikel 10a.11. Aanvraag draagkracht partner niet meetellen
1. Bij de bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner indien een van beiden hiertoe een aanvraag indient.
2. Voor ieder jaar dat op grond van de toepassing van het eerste lid geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur wordt de aflosfase verlengd met een jaar.
##### Artikel 10a.12. Beide partners debiteur hoofdstuk 10a
Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is en op beide debiteuren hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt zijn draagkracht eerst aangewend voor de eigen termijnbetaling. Op het bedrag dat aan draagkracht resteert is [artikel 10a.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 10a.13. Partner debiteur [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
1. Indien de partner van de debiteur een debiteur is op wie [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2020-07-01&g=2020-07-01) van toepassing is, blijft [artikel 10a.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01), buiten toepassing.
2. Bij de toepassing van [artikel 10a.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&artikel=10a.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01), wordt de draagkracht van de debiteur op wie [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&z=2020-07-01&g=2020-07-01) van toepassing is, aangewend, voor zover het bedrag van de draagkracht groter is dan de vastgestelde termijnbetaling, bedoeld in [artikel 6.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.10b. Tijdelijke afwijking van [artikel 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
Vervallen
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.5a. Samenloop van terugbetaling
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de samenloop van de verplichting tot terugbetaling uit hoofde van deze wet en de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393) met dien verstande dat de verplichting tot terugbetaling de laagst vastgestelde draagkracht van de debiteur niet mag overschrijden.
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
##### Artikel 12.1a0. Afwijking van [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
1. In afwijking van [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01) regelt dit artikel het langstudeerderskrediet.
2. Het langstudeerderskrediet is een lening die op aanvraag kan worden toegekend voor het studiejaar 2011–2012 en 2012–2013. Het langstudeerderskrediet kan worden toegekend aan iemand die:
- a. voor 1 september 2011 aanspraak op studiefinanciering had;
- b. op het moment van aanvraag geen aanspraak op studiefinanciering heeft; en
- c. het verhoogde wettelijke collegegeld verschuldigd is op grond van [artikel 7.45b van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45b) zoals dat luidde op 1 september 2011.
3. Het langstudeerderskrediet voor het desbetreffende studiejaar wordt in een keer uitgekeerd en bedraagt maximaal de hoogte van de opslag, bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45) zoals dat luidde op 1 september 2011.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het langstudeerderskrediet.
5. [Hoofdstuk 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=10a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [paragraaf 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), voor de toepassing waarvan het langstudeerderskrediet wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs, en de [artikelen 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=7&artikel=7.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [12.10a1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=12&paragraaf=12.1&artikel=12.10a1&z=2020-07-01&g=2020-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 9.1a. Toezicht in verband met [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
1. Met het toezicht op de naleving van [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01) zijn belast:
- a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren of andere personen,
- b. de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.
2. Indien de ambtenaren of andere personen, bedoeld in het eerste lid, onder a, die worden aangewezen, ressorteren onder een andere minister, wordt het besluit samen met die minister genomen.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in de [artikelen 5:18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:18) en [5:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19).
##### Artikel 9.1b. Informatie-uitwisseling
1. De toezichthouders, bedoeld in [artikel 9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.1&artikel=9.1a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en Onze Minister wisselen de persoonsgegevens en inlichtingen uit die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht onder vermelding van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het onderwijsnummer van de deelnemer op wie de persoonsgegevens of inlichtingen betrekking hebben.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van verstrekking van persoonsgegevens en inlichtingen op grond van het eerste lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de persoonsgegevens en inlichtingen die op grond van het eerste lid worden verwerkt.
#### Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
##### Artikel 9.9a. Geen aanspraak meer bij tweede maal niet voldoen aan verplichtingen [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01) door deelnemer
1. Indien Onze Minister de deelnemer een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 9.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.3&artikel=9.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), heeft opgelegd en de deelnemer heeft, nadat voormelde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, voor een tweede maal niet voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.5&z=2020-07-01&g=2020-07-01), kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100 procent van het bedrag dat van de deelnemer in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
2. De herziening vindt plaats met ingang van de dag na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in [artikel 9.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=9&paragraaf=9.3&artikel=9.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), ziet of, indien dit een latere datum betreft, de dag van de laatste adreswijziging van de deelnemer in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de deelnemer of een van hen na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, ziet of na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de deelnemer, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
3. Indien Onze Minister de deelnemer een boete als bedoeld in het eerste lid heeft opgelegd kan hij tevens beslissen dat elke aanspraak op studiefinanciering vervalt.
4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
### Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.9a. Reeds toegekende reisvoorziening
Op een student aan wie vóór 1 september 2012 een reisvoorziening is toegekend, blijft ten aanzien van deze toegekende reisvoorziening [artikel 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2012, van toepassing.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.10a1. langstudeerders geen rente verschuldigd
In afwijking van [artikel 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01) wordt er geen rente berekend over collegegeldkrediet ten behoeve van de opslag, als bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45), zoals dat luidde op 1 september 2011, indien het daarvoor geleende bedrag vóór 1 maart 2013 wordt teruggestort.
### Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2.3a. Leeftijd levenlanglerenkrediet
1. In afwijking van [artikel 2.3, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01), kan een deelnemer voor levenlanglerenkrediet in aanmerking komen die 30 jaren of ouder is maar nog niet de leeftijd van 55 jaren heeft bereikt.
2. In afwijking van [artikel 2.3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01), kan een student voor levenlanglerenkrediet in aanmerking komen die nog niet de leeftijd van 55 jaren heeft bereikt.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid behoudt een studerende bij het bereiken van de leeftijd van 55 jaren zijn aanspraak, zolang hij zonder onderbreking levenlanglerenkrediet geniet.
#### Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs
##### Artikel 2.7b. Uitzondering levenlanglerenkrediet
De [artikelen 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [2.7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.7a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet.
#### Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
#### Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders
##### Artikel 3.9a. Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage hoger onderwijs
[Artikel 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor studenten, met dien verstande dat:
- a. voor de vrije voet, bedoeld in [artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000 per 1 januari 2020: € 16.391,04; en
- b. voor de vrije voet, bedoeld in [artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&artikel=3.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004 per 1 januari 2020: € 20.766,37.
##### Artikel 3.16b. Levenlanglerenkrediet: aanspraak
1. Het levenlanglerenkrediet is een lening die aan een studerende op aanvraag wordt toegekend.
2. Het levenlanglerenkrediet wordt slechts verstrekt:
- a. indien de studerende niet in aanmerking komt voor studiefinanciering als bedoeld in [artikel 3.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01);
- b. in geval het krediet wordt gevraagd voor een voltijdse of duale opleiding in het hoger onderwijs en de student nog niet de leeftijd van dertig jaren heeft bereikt, die student een hbo-bacheloropleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a) of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, van de WHW met goed gevolg heeft afgesloten; en
- c. voor zover de kosten voor het lesgeld of collegegeld niet door een derde worden vergoed.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gronden worden vastgesteld op basis waarvan een aanvraag gelet op terugbetalingsrisico’s kan worden geweigerd.
4. De [hoofdstukken 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en[5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2020-07-01&g=2020-07-01) zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet.
##### Artikel 3.16c. Levenlanglerenkrediet: duur
1. Het levenlanglerenkrediet kan worden verstrekt gedurende vier jaar.
2. De periode, bedoeld in het eerste lid, kan worden verlengd indien de studerende in de laatste maand van die periode een opleiding volgt met een langere nominale duur dan vier jaar en die opleiding onafgebroken blijft volgen. Het levenlanglerenkrediet kan ten hoogste zoveel langer worden verstrekt als het verschil tussen 48 maanden en het aantal maanden waarop de studielast is gebaseerd op grond van:
- a. [artikel 7.4a, eerste tot en met zevende lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a); of
- b. [artikel 7.4b, tweede tot en met achtste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b).
3. Indien de student in de laatste maand van de periode, bedoeld in het eerste of tweede lid, een deeltijdse opleiding volgt en deze opleiding onafgebroken blijft volgen, wordt de periode met één jaar verlengd.
##### Artikel 3.16d. Levenlanglerenkrediet: hoogte
1. Het levenlanglerenkrediet bedraagt per maand niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de studerende voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld of lesgeld voor het volgen van de desbetreffende opleiding en in totaal ten hoogste:
- a. vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in [artikel 7.45, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45), voor een opleiding in het hoger onderwijs;
- b. vijf maal een twaalfde deel van het lesgeld, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=5), voor een opleiding in het beroepsonderwijs; of
- c. een in afwijking van de onderdelen a en b bij algemene maatregel van bestuur te bepalen lager maximum.
2. In afwijking van het eerste lid kan aan bij ministeriële regeling vast te stellen groepen studerenden een hoger bedrag per maand worden toegekend, waarbij het totale levenlanglerenkrediet voor een periode van twaalf maanden niet meer bedraagt dan twaalf maal het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, b of c.
##### Artikel 3.16e. Levenlanglerenkrediet: uitvoeringsregels
Voor een goede uitvoering van de [artikelen 3.16b tot en met 3.16d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.16b&z=2020-07-01&g=2020-07-01) worden bij ministeriële regeling regels vastgesteld over de aanvraag, toekenning, berekening, betaling en andere uitvoeringsaspecten.
#### Paragraaf 3.6. Toekenning
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
#### Paragraaf 4.1.2. Prestatiebeurs beroepsonderwijs
##### Artikel 4.6a. Prestatiebeurs beroepsonderwijs
Een deelnemer aan een opleiding niveau 3 of 4 komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
- a. een basisbeurs;
- b. een aanvullende beurs;
- c. een reisvoorziening; en
- d. een toeslag eenoudergezin.
##### Artikel 4.6b. Reisvoorziening minderjarige deelnemer
Onverminderd[artikel 4.7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), komt een deelnemer die jonger is dan 18 jaren in aanmerking voor een reisvoorziening in de vorm van een prestatiebeurs.
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs
##### Artikel 5.2a. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een lerarenkopopleiding
De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien:
- a. het een student betreft die met goed gevolg het afsluitende examen van een bacheloropleiding heeft behaald, voor zover bij ministeriële regeling aangewezen, of een daarmee gelijkgesteld diploma; en
- b. deze student is ingeschreven voor de hbo-lerarenopleiding, voor een daarbinnen te volgen eenjarig programma, waarvan in de onder a bedoelde ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding verwant is aan de onder a bedoelde opleiding.
##### Artikel 5.2b. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege handicap of chronische ziekte
1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een handicap of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen het aantal jaren prestatiebeurs hoger onderwijs dat zonder deze verlenging aan de student kan worden verstrekt.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs eenmalig 6 maanden langer verstrekt aan de student, bedoeld in het eerste lid, die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een associate degree-opleiding.
##### Artikel 5.2c. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een universitaire lerarenopleiding
1. In aanvulling op [artikel 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien:
- a. het een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.30c van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.30c) betreft;
- b. met goed gevolg het afsluitende examen van een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, met uitzondering van het derde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) is behaald en daarna een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, van de WHW wordt gevolgd; of
- c. reeds eerder prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend op grond van [artikel 5.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en een masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.4a, derde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a) wordt gevolgd.
2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing, indien reeds eerder op grond van onderdeel b van dat lid prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend.
3. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien reeds eerder:
- a. op grond van het eerste lid, onderdeel a, of [artikel 5.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2a&z=2020-07-01&g=2020-07-01) prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; of
- b. op grond van [artikel 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend, voor zover die toekenning betrekking had op een opleiding als bedoeld in [7.4b, vijfde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b).
#### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
#### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
#### Paragraaf 6.1. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Herziening
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.2a. Kwijtschelding studieschuld voor studenten met handicap of chronische ziekte
1. Aan de debiteur wordt gelijktijdig met de omzetting, bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), een deel van de lening hoger onderwijs kwijtgescholden indien:
- a. aan de debiteur op grond van [artikel 5.2b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2b&z=2020-07-01&g=2020-07-01), voor een opleiding een extra jaar prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; en
- b. de desbetreffende bacheloropleiding of masteropleiding met goed gevolg is afgerond binnen de diplomatermijn hoger onderwijs.
2. Voor de waarde van de kwijtschelding is bepalend het jaar waarin voor het eerst is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. De kwijtschelding bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 1.200 per 1 januari 2020: € 1.292,66.
.
3. Voor een debiteur aan wie op grond van [artikel 5.2b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2b&z=2020-07-01&g=2020-07-01), 6 maanden extra prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend en die binnen de diplomatermijn hoger onderwijs een associate degree-opleiding met goed gevolg heeft afgerond, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de waarde van de kwijtschelding 50% bedraagt van het bedrag, genoemd in het tweede lid.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor een goede uitvoering van dit artikel.
#### Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
### Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
#### Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015
#### Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs
##### Artikel 12.15. Vouchers voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs
1. In dit artikel wordt onder voucher begrepen: een vergoeding van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01), voor de kosten van het volgen van hoger onderwijs.
2. Een ieder die voldoet aan de volgende voorwaarden heeft aanspraak op een voucher:
- a. hij heeft in één van de vier studiejaren vanaf 1 september 2015 voor het eerst studiefinanciering ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs;
- b. hij heeft binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afgerond; en
- c. hij heeft zich ingeschreven voor een associate degree- bachelor- of masteropleiding dan wel een geaccrediteerde postinitiële masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.3b van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3b) in Nederland, voor een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland, bedoeld in [artikel 2.14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01), of binnen die opleiding voor één of meer onderwijseenheden als bedoeld in [artikel 7.3, tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3), in het tijdvak van het vijfde tot en met negende studiejaar volgend op de dag waarop Onze Minister de mededeling, bedoeld in [artikel 7.9d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.9d), heeft ontvangen.
3. Een voucher wordt uitsluitend op aanvraag verstrekt en is niet overdraagbaar aan derden. De aanspraak vervalt na afloop van het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over onder meer:
- a. de wijze van verstrekking van de voucher;
- b. de waarde van de voucher, die overeenkomstig [artikel 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01) wordt aangepast;
- c. de aanvraag van een voucher;
- d. de aan de voucher verbonden verplichtingen voor de rechthebbende of de instelling;
- e. de wijze waarop de persoonsgegevens, benodigd voor de uitvoering van dit artikel, kunnen worden verwerkt.
5. [Artikel 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=1&artikel=1.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor studerende wordt gelezen: de rechthebbende op een voucher.
##### Artikel 12.16. Verhoogde aanvullende beurs in het eerste jaar na invoering van het studievoorschot
1. In afwijking van [artikel 3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.5&artikel=3.18&z=2020-07-01&g=2020-07-01) geldt in het studiejaar 2015–2016 voor de toepassing van [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.3&z=2020-07-01&g=2020-07-01) voor een student die ingevolge de [Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261) geen basisbeurs ontvangt, een maximale aanvullende beurs die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 258,35 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 271,19.
2. Voor de student die na de toepassing van het eerste lid een aanvullende beurs ontvangt, wordt de aanvullende beurs in dat studiejaar verhoogd met een bedrag per maand dat naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 106,98 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 110,74.
##### Artikel 12.17. Partnertoeslag in de maanden na inwerkingtreding studievoorschot hoger onderwijs
Vervallen
##### Artikel 12.18. Reeds toegekende partnertoeslag
Op de studerende die een toeslag als bedoeld in [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3.4&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat luidde op 31 december 2015, toegekend heeft gekregen, blijven ten aanzien van de toegekende toeslag de artikelen 3.4, [3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.10&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals die artikelen luidden op 31 juli 2015, van toepassing.
##### Artikel 12.19. Afwijking van [artikel 3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.17&z=2020-07-01&g=2020-07-01) in verband met overgangssituatie afschaffing bijverdiengrens voor hoger onderwijs
1. In afwijking van [artikel 3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.17&z=2020-07-01&g=2020-07-01) blijft dat artikel, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, van toepassing op studenten in de kalenderjaren waarin zij aanspraak hebben op een basisbeurs als bedoeld in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2015.
2. In afwijking van het eerste lid blijft voor de berekening van de bijverdiengrens over het kalenderjaar waarin een student ingevolge de [Wet studievoorschot hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036261) voor het eerst geen basisbeurs ontvangt buiten beschouwing het inkomen van een student dat is verworven vanaf de eerste maand waarin geen aanspraak op een basisbeurs bestaat, bedoeld in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat luidde op 31 augustus 2015.
##### Artikel 12.20. Afwijking van [artikel 3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.6&artikel=3.21&z=2020-07-01&g=2020-07-01) tot 1 januari 2016
1. In afwijking van [artikel 3.21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.6&artikel=3.21&z=2020-07-01&g=2020-07-01), wordt in het studiejaar 2015–2016 geen terugwerkende kracht verleend voor zover de periode waarvoor terugwerkende kracht wordt gevraagd, is gelegen voor 1 januari 2016.
2. Dit artikel is niet van toepassing op de aanspraak, bedoeld in [artikel 2.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
##### Artikel 12.21. Indexering
Onze Minister past de bedragen, genoemd in deze paragraaf, overeenkomstig [artikel 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=11&artikel=11.1&z=2020-07-01&g=2020-07-01) aan.
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2.17a. Geen aanspraak uitreiziger
1. Een studerende heeft geen aanspraak op studiefinanciering indien hij een uitreiziger is.
2. Onze Minister kan besluiten dat een studerende een uitreiziger is indien het betreft een persoon ten aanzien van wie uit een melding van de door de daartoe bevoegde opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan Onze Minister, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat de studerende zich buiten het land Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie die door Onze Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.
3. In het besluit van Onze Minister dat een studerende een uitreiziger is, wordt vermeld vanaf welk moment een studerende als uitreiziger is aangemerkt.
### Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
#### Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
#### Paragraaf 3.5. Normbedragen
#### Paragraaf 3.6. Toekenning
#### Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
### Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
### Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
#### Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
### Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs
#### Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
#### Paragraaf 5.7. Omzetting bij bijzondere omstandigheden
### Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Hoofdstuk 7. Herziening
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
### Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
#### Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
#### Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015
#### Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.20. Nadere terugbetalingsregels
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de terugbetaling van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet waarbij tenminste regels worden gesteld over de samenloop met de terugbetaling van de lening die is ontstaan anders dan door toekenning van het levenlanglerenkrediet en over de samenloop met de terugbetaling door een partner van het levenlanglerenkrediet of een andere lening die is toegekend op grond van deze wet.
### Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
#### Paragraaf 9.1. Toezicht
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
#### Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015
#### Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### Paragraaf 12.3. Overgangsbepalingen in verband met de omvorming van Ad-programma tot associate degree-opleiding
##### Artikel 12.22. Aanvraag voor toekenning verlenging prestatiebeurs niet eerder dan in 2019
Een aanvraag voor toekenning van 6 maanden extra prestatiebeurs hoger onderwijs, bedoeld in [artikel 5.2b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=5.2b&z=2020-07-01&g=2020-07-01), kan niet eerder worden gedaan dan op 1 januari 2019.
##### Artikel 12.23. Overgangsbepaling Ad-programma en omzetting prestatiebeurs in gift
Voor de aanspraak op omzetting van prestatiebeurs hoger onderwijs in gift voor een associate degree-programma als bedoeld in [artikel 7.8a van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.8a), zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de [Wet invoering associate degree-opleiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040090), blijft [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding, van toepassing voor de student die een associate degree-programma volgt of heeft gevolgd.
##### Artikel 12.24. Omzetting prestatiebeurs in gift op aanvraag
Tot een bij [koninklijk besluit](onbekend) te bepalen tijdstip wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs voor een student die met goed gevolg een associate degree-opleiding heeft afgerond, in afwijking van [artikel 5.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&paragraaf=5.2&artikel=5.7&z=2020-07-01&g=2020-07-01), uitsluitend omgezet in een gift voor zover de student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling, overeenkomstig artikel 5.7, vierde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip voor inwerkingtreding van de [Wet invoering associate degree-opleiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040090).
##### Artikel 12.25. Kwijtschelding studieschuld voor studenten met handicap of chronische ziekte
Tot een bij [koninklijk besluit](onbekend) te bepalen tijdstip wordt de kwijtschelding, bedoeld in [artikel 6.2a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), opgeschort, waarbij de opgebouwde rente als gevolg van de latere kwijtschelding van dat bedrag eveneens wordt kwijtgescholden.
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### Paragraaf 12.4. Overgangsbepaling in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.26. Hoogte collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld
In afwijking van [artikel 3.16a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.16a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), onderscheidenlijk [artikel 3.16d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.4&artikel=3.16d&z=2020-07-01&g=2020-07-01) kan een student die verlaagd wettelijk collegegeld als bedoeld in [artikel 7.45, vijfde lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45) verschuldigd is, tot een bij [koninklijk besluit](onbekend) te bepalen tijdstip ten hoogste het bedrag lenen van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de WHW en voor zover van toepassing, gelezen in samenhang met [artikel 6.7 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.7).
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### Paragraaf 12.5. Overgangsbepaling in verband met de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes
##### Artikel 12.27. Overgangsbepaling [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-07-01&g=2020-07-01)
1. [Artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel V, van de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes (Kamerstukken 34 331), blijft van toepassing op de bedragen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de genoemde wet reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd waren.
2. De persoon die voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes (Kamerstukken 34 331) reeds op grond van [artikel 3.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=3&paragraaf=3.7&artikel=3.27&z=2020-07-01&g=2020-07-01), een bedrag verschuldigd was, wordt voor de berekening van de hoogte van het bedrag dat hij vanaf de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de genoemde wet op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd is, gelijkgesteld met de studerende wiens aanspraak op reisrecht is beëindigd op het moment van inwerkingtreding van dat artikel V, onderdeel A.
#### Paragraaf 12.4. Overgangsbepaling in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12.28. Cohortgarantie meeneembare studiefinanciering
Op een student die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor het volgen van een opleiding buiten Nederland op grond van [artikel 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.14&z=2020-07-01&g=2020-07-01), zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A, van de Wet houdende wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het wijzigen van de criteria voor de toekenning van meeneembare studiefinanciering (Stb. 2019, 20) in werking is getreden, blijft artikel 2.14 van toepassing zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het genoemde tijdstip van inwerkingtreding zolang de student zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.1a. Belastbaar minimumloon
Het belastbaar minimumloon in de zin van deze wet is een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag, afgeleid van het totaal van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7).
##### Artikel 6.9a. Versneld aflossen
1. De debiteur is bevoegd om bovenop de termijnbetalingen, kosteloos extra aflossingen te doen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen over de aflossing, genoemd in het eerste lid, regels worden gesteld met betrekking tot onder meer:
- a. de wijze waarop extra aflossingen kunnen worden gedaan;
- b. de voorwaarden waaronder, in afwijking van [artikel 6.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.9&z=2020-07-01&g=2020-07-01), tot herberekening van de termijnbetalingen kan worden besloten; en
- c. de goede uitvoering van extra aflossingen.
#### Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet
##### Artikel 6.19a. Schorsing terugbetaling levenlanglerenkrediet in eerste vier maanden van de terugbetalingsperiode
De terugbetaling van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet wordt geschorst gedurende de eerste vier maanden van de terugbetalingsperiode.
##### Artikel 6.19b. Schorsing terugbetaling bij samenloop levenlanglerenkrediet en reguliere studieschuld
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
#### Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015
#### Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs
#### Paragraaf 12.3. Overgangsbepalingen in verband met de omvorming van Ad-programma tot associate degree-opleiding
#### Paragraaf 12.5. Overgangsbepaling in verband met de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes
#### Paragraaf 12.6. Overgangsbepaling in verband met een wijziging van de criteria voor de toekenning van meeneembare studiefinanciering
#### Paragraaf 12.7. Overgangsbepaling in verband met de Verzamelwet OCW 2020
##### Artikel 12.29. Cohortgarantie deelnemer opleiding niveau 3 of 4 voor 1 augustus 2005
Op de deelnemer die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving, blijven de [artikelen 2.7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.7a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [2.15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.15a&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&afdeling=4.1&paragraaf=4.1.2&artikel=4.6&z=2020-07-01&g=2020-07-01) en [12.1aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=12&paragraaf=12.1&artikel=12.1aa&z=2020-07-01&g=2020-07-01) van toepassing zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel XXX, onderdeel E, van de Wet tot wijziging van de verschillende wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met voornamelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2020)(Stb. 2020, 76) in werking is getreden.
### Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
2020-07-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2020-04-01
Wet studiefinanciering 2000
2020-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2019-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2019-07-24
Wet studiefinanciering 2000
2019-07-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2019-02-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 9
2019-01-01
Wet studiefinanciering 2000
2018-09-01
Wet studiefinanciering 2000
2018-07-28
Wet studiefinanciering 2000
2018-07-06
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 3, 9, 9
2018-05-25
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 3, 3 y 3 más
2018-01-01
Wet studiefinanciering 2000
2017-10-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 3, 3, 3 y 3 más
2017-09-01
Wet studiefinanciering 2000
2017-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 6 más
2017-07-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 3 más
2017-04-21
Wet studiefinanciering 2000
2017-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 6 más
2016-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 6 más
2016-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 6 más
2015-09-01
Wet studiefinanciering 2000
2015-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 3, 3 y 5 más
2015-03-05
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 3, 3 y 5 más
2015-02-11
Wet studiefinanciering 2000
2015-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2014-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2014-01-06
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2014-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2013-07-04
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2013-07-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2013-05-29
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2013-02-28
Wet studiefinanciering 2000
2013-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2012-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 13 más
2012-08-22
Wet studiefinanciering 2000
2012-01-05
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2012-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 29 más
2011-12-10
Wet studiefinanciering 2000
2011-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2011-08-01
Wet studiefinanciering 2000
2011-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2010-12-15
Wet studiefinanciering 2000
2010-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2010-01-01
Wet studiefinanciering 2000
2009-10-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 69 más
2009-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 69 más
2009-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 72 más
2009-07-01
Wet studiefinanciering 2000
2009-03-25
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 75 más
2009-01-15
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 75 más
2009-01-01
Wet studiefinanciering 2000
2008-10-22
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 49 más
2008-04-30
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 81 más
2008-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 117 más
2007-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 90 más
2007-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 59 más
2007-06-13
Wet studiefinanciering 2000
2007-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 63 más
2006-10-11
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 63 más
2006-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 63 más
2006-01-01
Wet studiefinanciering 2000
2005-12-30
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 3 y 35 más
2005-12-29
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 73 más
2005-12-21
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 73 más
2005-09-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 111 más
2005-08-03
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 114 más
2005-08-01
Wet studiefinanciering 2000
2005-03-01
Wet studiefinanciering 2000
2005-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 87 más
2004-09-01
Wet studiefinanciering 2000
2004-07-01
Wet studiefinanciering 2000
2004-02-13
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 95 más
2004-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 47 más
2003-11-21
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 47 más
2003-01-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 48 más
2002-09-01
Wet studiefinanciering 2000
2002-08-01
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 2, 2, 2 y 57 más
2002-02-08
Wet studiefinanciering 2000 — arts. 1, 1, 2 y 167 más
original version Tekst op deze datum