Wijzigingsgeschiedenis

Besluit van 23 november 2000 tot uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (Vreemdelingenbesluit 2000)

100 versions · 2026-01-01
2026-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2025-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2024-06-12
Vreemdelingenbesluit 2000
2024-04-17
Vreemdelingenbesluit 2000
2024-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2023-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2022-09-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2022-08-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2022-01-29
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2022-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2021-12-02
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2021-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2021-06-25
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2021-06-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2020-08-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2020-03-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2019-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2019-05-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2019-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2019-03-14
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2018-09-19
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2018-08-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2018-05-23
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2017-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2017-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2017-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2016-11-29
Vreemdelingenbesluit 2000
2016-11-03
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2016-03-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2016-02-25
Vreemdelingenbesluit 2000
2015-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 39 más
2015-07-20
Vreemdelingenbesluit 2000
2015-07-09
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 25 más
2015-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 11 más
2014-11-28
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 11 más
2014-11-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 25 más
2014-07-17
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 25 más
2014-07-08
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 39 más
2014-06-13
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 39 más
2014-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-03-29
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-03-21
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-03-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-02-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-01-06
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 73 más
2014-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2013-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 35 más
2013-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 35 más
2013-06-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2013-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 33 más
2012-12-29
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 34 más
2012-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2012-08-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2012-07-07
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2012-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2012-04-18
Vreemdelingenbesluit 2000
2012-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2011-12-31
Vreemdelingenbesluit 2000

Wijzigingen op 2011-12-31

@@ -32,7 +32,7 @@
- f. vervallen;
- g. Schengengebied: het grondgebied van de landen waarop de Schengengrenscode en de Schengen Uitvoeringsovereenkomst van toepassing zijn;
- g. Schengengebied: het grondgebied van de staten waarop de Schengengrenscode en de Schengen Uitvoeringsovereenkomst van toepassing zijn;
- h. Schengen Informatiesysteem: het in titel IV van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst bedoelde gemeenschappelijke informatiesysteem;
@@ -66,21 +66,15 @@
##### Artikel 1.2
1. In dit besluit wordt verstaan onder reisvisum:
- a. een visum, verleend door de bevoegde autoriteiten van één van de staten, die partij zijn bij een verdrag waarbij de grenscontrole is verlegd naar buitengrenzen, geldig voor het gehele of een gedeelte van het grondgebied van de bij dat verdrag aangesloten staten waarover de werking van dat verdrag zich uitstrekt, hetwelk krachtens dat verdrag kan worden afgegeven voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, en
- b. voorzover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald; een visumverklaring, afgegeven krachtens het onder a bedoelde verdrag.
2. In dit besluit wordt verstaan onder doorreisvisum:
- a. een visum, verleend door de bevoegde autoriteiten van één van de staten, die partij zijn bij een verdrag waarbij de grenscontrole is verlegd naar buitengrenzen, hetwelk overeenkomstig het bepaalde onder «reisvisum» kan worden afgegeven voor een doorreis al dan niet met een oponthoud van ten hoogste vijf dagen, en
- b. voorzover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald: doorreisvisumverklaring, afgegeven krachtens het onder «reisvisum» bedoelde verdrag.
In dit besluit wordt verstaan onder:
- a. **reisvisum:** het visum, bedoeld in artikel 2, punt 2, onder a, van de Verordening nr. 810/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke Visumcode (Visumcode) (PbEU, L 243);
- b. **doorreisvisum:** het visum, bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b, van de Visumcode.
##### Artikel 1.3
Ter uitvoering van een verdrag waarbij de grenscontrole is verlegd naar buitengrenzen, wordt in [hoofdstuk 4, afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&z=2011-06-28&g=2011-06-28), de [artikelen 4.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [4.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.25&z=2011-06-28&g=2011-06-28), alsmede in [artikel 4.29, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-06-28&g=2011-06-28), onder «Nederland» mede verstaan het grondgebied van andere bij dat verdrag aangesloten landen waarover de werking van dat verdrag zich uitstrekt.
Ter uitvoering van een verdrag of een EU-verordening, -richtlijn of -besluit, op grond waarvan de grenscontrole plaatsvindt aan de buitengrenzen van het Schengengebied, wordt in [hoofdstuk 4, afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&z=2011-12-31&g=2011-12-31), alsmede in de [artikelen 4.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [4.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.25&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [artikel 4.29, eerste lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [artikel 4.35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.35a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [artikel 4.52a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=7&artikel=4.52a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [artikel 4.52b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=7&artikel=4.52b&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [artikel 6.5a, vierde lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=6&afdeling=3&artikel=6.5a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en [artikel 6.5b, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=6&afdeling=3&artikel=6.5b&z=2011-12-31&g=2011-12-31), onder «Nederland» mede verstaan: de tot het Schengengebied behorende grondgebieden van andere staten.
##### Artikel 1.4
@@ -238,7 +232,7 @@
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien Onze Minister op grond van humanitaire overwegingen, om redenen van nationaal belang of wegens internationale verplichtingen een afwijking noodzakelijk acht.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en het familielid, bedoeld in [artikel 8.7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28). Op deze vreemdelingen is [artikel 8.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.8&z=2011-06-28&g=2011-06-28) van toepassing.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en het familielid, bedoeld in [artikel 8.7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31). Op deze vreemdelingen is [artikel 8.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.8&z=2011-12-31&g=2011-12-31) van toepassing.
### Afdeling 4. Middelen voor kosten van verblijf
@@ -248,7 +242,7 @@
2. Onder middelen worden in ieder geval verstaan geldelijke middelen alsmede vervoersbewijzen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), het familielid, bedoeld in [artikel 8.7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), het familielid, bedoeld in [artikel 8.7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
##### Artikel 2.11
@@ -264,7 +258,7 @@
3. Het model van de garantverklaring wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), het familielid, bedoeld in [artikel 8.7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), het familielid, bedoeld in [artikel 8.7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
5. De in het eerste lid bedoeld voorwaarde om zekerheid te stellen voor de kosten van verblijf in Nederland en voor de kosten van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd, kan, op grond van artikel 5, derde lid, van de Schengengrenscode, ook worden gesteld ten aanzien van een onderdaan van een derde land die toegang vraagt voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden.
@@ -280,7 +274,7 @@
##### Artikel 3.2
Voor de toepassing van [artikel 12, eerste lid, onder b en d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) zijn de [artikelen 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=3&artikel=2.9&z=2011-06-28&g=2011-06-28), [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=4&artikel=2.10&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=4&artikel=2.11&z=2011-06-28&g=2011-06-28) van overeenkomstige toepassing.
Voor de toepassing van [artikel 12, eerste lid, onder b en d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) zijn de [artikelen 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=3&artikel=2.9&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=4&artikel=2.10&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=4&artikel=2.11&z=2011-12-31&g=2011-12-31) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.3
@@ -292,9 +286,11 @@
- c. voor vreemdelingen die voor een verblijf van niet langer dan drie maanden naar Nederland zijn gekomen: drie maanden of, in geval van verlenging door Onze Minister van de termijn wegens bijzondere omstandigheden, zes maanden;
- d. voor de houder van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dan wel voor de echtgenoot of het minderjarig kind van die houder in geval het gezin reeds was gevormd in die staat: drie maanden;
- e. voor andere vreemdelingen: acht dagen.
- d. voor houders van een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfstitel als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 21, eerste lid, van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst: drie maanden of, in geval van verlenging door Onze Minister van de termijn wegens bijzondere omstandigheden, zes maanden;
- e. voor de houder van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dan wel voor de echtgenoot of het minderjarig kind van die houder in geval het gezin reeds was gevormd in die staat: drie maanden;
- f. voor andere vreemdelingen: acht dagen.
2. De in het eerste lid, onder b en c, bedoelde termijn verstrijkt in geen geval later dan op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden in Nederland te verblijven.
@@ -454,11 +450,11 @@
##### Artikel 3.8
De waarborgsom, bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt gedeponeerd bij Onze Minister.
De waarborgsom, bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt gedeponeerd bij Onze Minister.
##### Artikel 3.9
1. De waarborgsom, bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt in ieder geval door Onze Minister aan de rechthebbende teruggegeven:
1. De waarborgsom, bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt in ieder geval door Onze Minister aan de rechthebbende teruggegeven:
- a. zodra de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), of het desbetreffende voorschrift, is ingetrokken, dan wel de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is verstreken;
@@ -474,17 +470,17 @@
##### Artikel 3.10
1. Onze Minister berekent rente over waarborgsommen, gedeponeerd krachtens [artikel 3.7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
1. Onze Minister berekent rente over waarborgsommen, gedeponeerd krachtens [artikel 3.7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
2. De rente wordt berekend vanaf het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de waarborgsom is gestort. Over het kalenderjaar waarin de waarborgsom is gedeponeerd, wordt geen rente vergoed. Bij de berekening van de termijn waarover rente wordt vergoed, wordt het kalenderjaar waarin de waarborgsom wordt terugbetaald als vol jaar meegeteld.
##### Artikel 3.11
De waarborgsom wordt teruggegeven en de rente wordt uitbetaald zo spoedig mogelijk nadat één van de in [artikel 3.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.9&z=2011-06-28&g=2011-06-28), genoemde gronden zich voordoet.
De waarborgsom wordt teruggegeven en de rente wordt uitbetaald zo spoedig mogelijk nadat één van de in [artikel 3.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.9&z=2011-12-31&g=2011-12-31), genoemde gronden zich voordoet.
##### Artikel 3.12
1. Verplichtingen, voortvloeiende uit een garantstelling overeenkomstig [artikel 3.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), of het stellen van zakelijke zekerheid overeenkomstig [artikel 3.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), hebben uitsluitend betrekking op kosten, veroorzaakt binnen vijf jaren, nadat de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), is verleend.
1. Verplichtingen, voortvloeiende uit een garantstelling overeenkomstig [artikel 3.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), of het stellen van zakelijke zekerheid overeenkomstig [artikel 3.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), hebben uitsluitend betrekking op kosten, veroorzaakt binnen vijf jaren, nadat de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), is verleend.
2. Onze Minister kan bepalen dat de in het eerste lid genoemde termijn korter is dan vijf jaren, indien:
@@ -500,13 +496,13 @@
##### Artikel 3.13
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2011-06-28&g=2011-06-28) genoemde gezinslid van de in [artikel 3.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.15&z=2011-06-28&g=2011-06-28) bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de [artikelen 3.16 tot en met 3.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.16&z=2011-06-28&g=2011-06-28) genoemde voorwaarden.
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2011-12-31&g=2011-12-31) genoemde gezinslid van de in [artikel 3.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.15&z=2011-12-31&g=2011-12-31) bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de [artikelen 3.16 tot en met 3.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.16&z=2011-12-31&g=2011-12-31) genoemde voorwaarden.
2. In de overige gevallen kan de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning worden verleend.
##### Artikel 3.14
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt verleend aan:
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt verleend aan:
- a. de vreemdeling van 21 jaar of ouder die met de hoofdpersoon een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan;
@@ -520,43 +516,43 @@
##### Artikel 3.15
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt verleend aan het in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2011-06-28&g=2011-06-28) bedoelde gezinslid van:
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt verleend aan het in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2011-12-31&g=2011-12-31) bedoelde gezinslid van:
- a. een Nederlander van 21 jaar of ouder, of
- b. een vreemdeling van 21 jaar of ouder met rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dat niet-tijdelijk is in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
- b. een vreemdeling van 21 jaar of ouder met rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dat niet-tijdelijk is in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
2. Indien de vreemdeling als gezinslid in Nederland wil verblijven bij een hoofdpersoon die houder is van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het doorbrengen van verlof in Nederland en die hoofdpersoon werkzaam is op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, wordt de verblijfsvergunning eerst verleend, nadat deze hoofdpersoon een arbeidsverleden op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat heeft van ten minste zeven jaar.
##### Artikel 3.16
Zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen.
Zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen.
##### Artikel 3.17
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt verleend, indien de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt verleend, indien de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.
##### Artikel 3.18
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bedoelde categorieën.
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bedoelde categorieën.
##### Artikel 3.19
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
##### Artikel 3.20
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt verleend, indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-28&g=2011-06-28) zijn van toepassing.
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt verleend, indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-12-31&g=2011-12-31) zijn van toepassing.
##### Artikel 3.21
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt verleend, indien de vreemdeling bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, dan wel de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen.
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt verleend, indien de vreemdeling bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, dan wel de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen.
##### Artikel 3.22
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt verleend, indien de hoofdpersoon:
- a. duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt verleend, indien de hoofdpersoon:
- a. duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en
- b. een garantstelling heeft ondertekend, voorzover de vreemdeling als partner van die persoon wil verblijven.
@@ -566,7 +562,7 @@
##### Artikel 3.23
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt verleend aan de in Nederland geboren vreemdeling, die het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het in Nederland gevestigde gezin van de ouder, die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en die sedert de geboorte van de vreemdeling het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst.
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt verleend aan de in Nederland geboren vreemdeling, die het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het in Nederland gevestigde gezin van de ouder, die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en die sedert de geboorte van de vreemdeling het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst.
2. Indien de aanvraag is ontvangen voordat de vreemdeling de leeftijd van negen maanden heeft bereikt, wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend aan de buiten Nederland geboren vreemdeling, die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het gezin van beide ouders, die sedert de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), hebben en het hoofdverblijf niet buiten Nederland hebben verplaatst.
@@ -574,7 +570,7 @@
4. De verblijfsvergunning wordt verleend, indien de vreemdeling:
- a. beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bedoelde categorieën;
- a. beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bedoelde categorieën;
- b. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld;
@@ -582,7 +578,7 @@
- d. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
5. Bij de toepassing van het vierde lid, onder d, zijn de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-28&g=2011-06-28) van toepassing.
5. Bij de toepassing van het vierde lid, onder d, zijn de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-12-31&g=2011-12-31) van toepassing.
##### Artikel 3.24
@@ -640,9 +636,9 @@
- b. wiens terugkeer naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd.
2. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-06-28&g=2011-06-28) zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling beschikbaar zijn.
3. Indien het verblijf van de vreemdeling wordt bekostigd door een in Nederland gevestigd familielid of andere relatie, wordt onder voldoende middelen van bestaan verstaan een inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-06-28&g=2011-06-28). Het familielid ondertekent een garantstelling. Het model van de garantstelling wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
2. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-12-31&g=2011-12-31) zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling beschikbaar zijn.
3. Indien het verblijf van de vreemdeling wordt bekostigd door een in Nederland gevestigd familielid of andere relatie, wordt onder voldoende middelen van bestaan verstaan een inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-12-31&g=2011-12-31). Het familielid ondertekent een garantstelling. Het model van de garantstelling wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
##### Artikel 3.30
@@ -672,21 +668,21 @@
##### Artikel 3.31
1. Met inachtneming van het tweede lid en de [artikelen 3.33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.33&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.99 tot en met 3.104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.99&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend aan de vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten en waarvoor na toetsing aan prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in [artikel 1, onder e, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=1) is afgegeven.
1. Met inachtneming van het tweede lid en de [artikelen 3.33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.33&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.99 tot en met 3.104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.99&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend aan de vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten en waarvoor na toetsing aan prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in [artikel 1, onder e, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=1) is afgegeven.
2. De in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning wordt verleend, indien de vreemdeling:
- a. beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bedoelde categorieën;
- a. beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bedoelde categorieën;
- b. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld;
- c. met de arbeid in loondienst duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-06-28&g=2011-06-28), verwerft;
- c. met de arbeid in loondienst duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-12-31&g=2011-12-31), verwerft;
- d. bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen, en
- e. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
3. Indien de tewerkstellingsvergunning is afgegeven met een geldigheidsduur korter dan één jaar, zijn de middelen van bestaan in afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-06-28&g=2011-06-28) duurzaam, indien de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van de tewerkstellingsvergunning zelfstandig zal beschikken over voldoende middelen van bestaan uit die arbeid.
- e. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
3. Indien de tewerkstellingsvergunning is afgegeven met een geldigheidsduur korter dan één jaar, zijn de middelen van bestaan in afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-12-31&g=2011-12-31) duurzaam, indien de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van de tewerkstellingsvergunning zelfstandig zal beschikken over voldoende middelen van bestaan uit die arbeid.
4. In andere gevallen kan de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning worden verleend.
@@ -698,7 +694,7 @@
##### Artikel 3.33
1. Onverminderd [artikel 3.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.31&z=2011-06-28&g=2011-06-28) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar slechts worden verleend, indien de vreemdeling tevens schriftelijk verklaart ermee bekend te zijn dat:
1. Onverminderd [artikel 3.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.31&z=2011-12-31&g=2011-12-31) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar slechts worden verleend, indien de vreemdeling tevens schriftelijk verklaart ermee bekend te zijn dat:
- a. slechts verblijf wordt toegestaan voor het verrichten van werkzaamheden als geestelijk voorganger of godsdienstleraar ten behoeve van de met name te noemen groepering;
@@ -810,11 +806,11 @@
##### Artikel 3.42
1. Indien de studie en het verblijf middels periodieke betalingen worden bekostigd, zijn middelen van bestaan in afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-06-28&g=2011-06-28) slechts duurzaam, indien naar het oordeel van Onze Minister voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom.
2. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-06-28&g=2011-06-28) zijn middelen van bestaan duurzaam, indien deze op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar of zoveel korter als de voorgenomen studie in Nederland zal duren, beschikbaar zijn.
3. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-06-28&g=2011-06-28) zijn middelen van bestaan eveneens duurzaam, indien op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland een bedrag beschikbaar is, gelijk aan het maandelijkse normbedrag, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met twaalf of zoveel minder als het aantal maanden dat de voorgenomen studie in Nederland zal duren.
1. Indien de studie en het verblijf middels periodieke betalingen worden bekostigd, zijn middelen van bestaan in afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-12-31&g=2011-12-31) slechts duurzaam, indien naar het oordeel van Onze Minister voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom.
2. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-12-31&g=2011-12-31) zijn middelen van bestaan duurzaam, indien deze op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar of zoveel korter als de voorgenomen studie in Nederland zal duren, beschikbaar zijn.
3. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-12-31&g=2011-12-31) zijn middelen van bestaan eveneens duurzaam, indien op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland een bedrag beschikbaar is, gelijk aan het maandelijkse normbedrag, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met twaalf of zoveel minder als het aantal maanden dat de voorgenomen studie in Nederland zal duren.
##### Artikel 3.43
@@ -832,7 +828,7 @@
- f. wiens vertrek uit Nederland naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd.
2. De verblijfsvergunning kan worden verleend, indien het gastgezin duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en een garantverklaring heeft ondertekend. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-06-28&g=2011-06-28), zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor ten minste één jaar beschikbaar zijn.
2. De verblijfsvergunning kan worden verleend, indien het gastgezin duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en een garantverklaring heeft ondertekend. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-12-31&g=2011-12-31), zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor ten minste één jaar beschikbaar zijn.
3. Bij de aanvraag wordt door de vreemdeling en het gastgezin een schriftelijke verklaring ondertekend, waarin zij onder meer verklaren dat de vreemdeling als au pair tijdelijk in het gastgezin verblijft.
@@ -866,7 +862,7 @@
- c. wiens vertrek uit Nederland naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd.
2. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-06-28&g=2011-06-28) zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor een periode van zes weken beschikbaar zijn.
2. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2011-12-31&g=2011-12-31) zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor een periode van zes weken beschikbaar zijn.
##### Artikel 3.46
@@ -878,7 +874,7 @@
##### Artikel 3.47
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.46&z=2011-06-28&g=2011-06-28), kan worden verleend aan de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, indien voortzetting van de medische behandeling in Nederland zes maanden na zijn inreis medisch noodzakelijk is en de financiering daarvan naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.46&z=2011-12-31&g=2011-12-31), kan worden verleend aan de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, indien voortzetting van de medische behandeling in Nederland zes maanden na zijn inreis medisch noodzakelijk is en de financiering daarvan naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.
2. Bij de aanvraag ondertekent de vreemdeling een medische verklaring, ertoe strekkende dat hij toestemming verleent voor medisch onderzoek, voor zover dat onderzoek noodzakelijk is voor de toepassing van het eerste lid.
@@ -908,9 +904,9 @@
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf verleend aan de vreemdeling die:
- a. als minderjarige houder is geweest van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, verblijf ter adoptie of verblijf als pleegkind, bij een Nederlander of een vreemdeling met niet-tijdelijk verblijfsrecht in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en
- b. langer dan een jaar houder is geweest van de in onderdeel a bedoelde verblijfsvergunning, dan wel in Nederland is geboren uit ouders met niet-tijdelijk verblijfsrecht in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
- a. als minderjarige houder is geweest van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, verblijf ter adoptie of verblijf als pleegkind, bij een Nederlander of een vreemdeling met niet-tijdelijk verblijfsrecht in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en
- b. langer dan een jaar houder is geweest van de in onderdeel a bedoelde verblijfsvergunning, dan wel in Nederland is geboren uit ouders met niet-tijdelijk verblijfsrecht in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht niet verstaan de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28).
@@ -920,7 +916,7 @@
- b. de vreemdeling een gevaar voor de nationale veiligheid vormt;
- c. de aanvraag met toepassing van de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-06-28&g=2011-06-28) of [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2011-06-28&g=2011-06-28) kan worden afgewezen, of
- c. de aanvraag met toepassing van de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-12-31&g=2011-12-31) of [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2011-12-31&g=2011-12-31) kan worden afgewezen, of
- d. de vreemdeling het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
@@ -942,7 +938,7 @@
3. De verblijfsvergunning kan eveneens worden verleend, indien de relatie tussen de vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinsvorming of gezinshereniging, of verblijf ter adoptie of als pleegkind is verleend en de persoon met het niet-tijdelijke verblijfsrecht door het overlijden van die persoon is verbroken.
4. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). [Artikel 3.80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.80a&z=2011-06-28&g=2011-06-28) is van toepassing
4. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). [Artikel 3.80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.80a&z=2011-12-31&g=2011-12-31) is van toepassing
5. Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, en het derde lid, wordt onder persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht niet verstaan de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28).
@@ -954,7 +950,7 @@
##### Artikel 3.52
In andere gevallen dan genoemd in de [artikelen 3.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.50&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.51&z=2011-06-28&g=2011-06-28), kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.
In andere gevallen dan genoemd in de [artikelen 3.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.50&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.51&z=2011-12-31&g=2011-12-31), kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.
##### Artikel 3.53
@@ -978,7 +974,7 @@
2. Het eerste lid, onder b, is alleen van toepassing voorzover Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor de vreemdeling.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). De [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-28&g=2011-06-28) zijn niet van toepassing. De [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2011-06-28&g=2011-06-28) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). De [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-12-31&g=2011-12-31) zijn niet van toepassing. De [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2011-12-31&g=2011-12-31) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.55
@@ -990,7 +986,7 @@
- c. als het minderjarige kind van een Nederlander of van een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), zelf rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, c, e dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) had, ongeacht de duur daarvan, die binnen een jaar na remigratie meerderjarig is geworden en die zelfstandig om verblijf verzoekt.
2. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). De[artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-28&g=2011-06-28) zijn niet van toepassing. De [artikelen 3. 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2011-06-28&g=2011-06-28) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). De[artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-12-31&g=2011-12-31) zijn niet van toepassing. De [artikelen 3. 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2011-12-31&g=2011-12-31) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.56
@@ -1012,15 +1008,15 @@
##### Artikel 3.58
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) kan de verblijfsvergunning worden verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging als minderjarige of verblijf ter adoptie of als pleegkind, voor de duur van het verblijfsrecht op grond van [artikel 8, onder a, c, e, of l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), van de ouder, adoptiefouder of pleegouder, dan wel, indien deze rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in [artikel 8, onder b of d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of als Nederlander voor vijf jaren.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) kan de verblijfsvergunning worden verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging als minderjarige of verblijf ter adoptie of als pleegkind, voor de duur van het verblijfsrecht op grond van [artikel 8, onder a, c, e, of l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), van de ouder, adoptiefouder of pleegouder, dan wel, indien deze rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in [artikel 8, onder b of d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of als Nederlander voor vijf jaren.
##### Artikel 3.59
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst worden verleend voor de duur waarvoor de tewerkstellingsvergunning ten behoeve van die arbeid is verleend. Indien ten behoeve van die arbeid op grond van [artikel 1, eerste lid, onder j of l, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1) geen tewerkstellingvergunning is vereist, kan de verblijfsvergunning worden verleend voor de duur van maximaal vijf jaren.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst worden verleend voor de duur waarvoor de tewerkstellingsvergunning ten behoeve van die arbeid is verleend. Indien ten behoeve van die arbeid op grond van [artikel 1, eerste lid, onder j of l, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1) geen tewerkstellingvergunning is vereist, kan de verblijfsvergunning worden verleend voor de duur van maximaal vijf jaren.
##### Artikel 3.60
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling worden verleend voor vijf jaren, indien de medische behandeling naar verwachting van Onze Minister blijvend aan Nederland is gebonden.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling worden verleend voor vijf jaren, indien de medische behandeling naar verwachting van Onze Minister blijvend aan Nederland is gebonden.
##### Artikel 3.61
@@ -1028,49 +1024,49 @@
##### Artikel 3.62
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met wedertoelating worden verleend voor vijf jaren.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met wedertoelating worden verleend voor vijf jaren.
##### Artikel 3.63
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel worden verleend voor drie jaren, maar niet langer dan de duur van de tewerkstelling van de vreemdeling of het verblijfsrecht van de persoon bij wie verblijf als gezinslid is toegestaan.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel worden verleend voor drie jaren, maar niet langer dan de duur van de tewerkstelling van de vreemdeling of het verblijfsrecht van de persoon bij wie verblijf als gezinslid is toegestaan.
##### Artikel 3.64
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend voor de duur van vijf jaren.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend voor de duur van vijf jaren.
##### Artikel 3.65
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als au pair worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is ingereisd.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als au pair worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is ingereisd.
##### Artikel 3.66
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf in het kader van uitwisseling worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is ingereisd.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf in het kader van uitwisseling worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is ingereisd.
##### Artikel 3.67
1. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28), kan de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden verlengd met vijf jaren, indien de houder van de verblijfsvergunning op het moment waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven:
- a. gedurende een jaar rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft op grond van een huwelijk, een geregistreerd partnerschap of een relatie als bedoeld in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en het verblijfsrecht niet-tijdelijk in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2011-06-28&g=2011-06-28) is, of
- b. gedurende vijf jaren aaneengesloten rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft en het verblijfsrecht niet-tijdelijk in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2011-06-28&g=2011-06-28) is.
2. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28), kan de verblijfsvergunning worden verleend of verlengd met een langere geldigheidsduur, indien de geldigheidsduur van de te verlenen of te verlengen verblijfsvergunning op het moment waarop deze wordt verstrekt ingevolge [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) alweer zou zijn geëindigd.
3. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) wordt de verblijfsvergunning aan de echtgenoot van een langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en het minderjarige kind van die echtgenoot of die langdurig ingezetene, verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de verblijfsvergunning van die langdurig ingezetene.
1. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31), kan de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden verlengd met vijf jaren, indien de houder van de verblijfsvergunning op het moment waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven:
- a. gedurende een jaar rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft op grond van een huwelijk, een geregistreerd partnerschap of een relatie als bedoeld in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en het verblijfsrecht niet-tijdelijk in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2011-12-31&g=2011-12-31) is, of
- b. gedurende vijf jaren aaneengesloten rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft en het verblijfsrecht niet-tijdelijk in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2011-12-31&g=2011-12-31) is.
2. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31), kan de verblijfsvergunning worden verleend of verlengd met een langere geldigheidsduur, indien de geldigheidsduur van de te verlenen of te verlengen verblijfsvergunning op het moment waarop deze wordt verstrekt ingevolge [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) alweer zou zijn geëindigd.
3. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) wordt de verblijfsvergunning aan de echtgenoot van een langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en het minderjarige kind van die echtgenoot of die langdurig ingezetene, verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de verblijfsvergunning van die langdurig ingezetene.
##### Artikel 3.68
1. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) wordt de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG verleend voor de duur van het onderzoek als omschreven in de gastovereenkomst met een maximum van vijf jaren.
2. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) wordt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning verlengd voor de duur van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, telkens met een maximum van vijf jaren.
1. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) wordt de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG verleend voor de duur van het onderzoek als omschreven in de gastovereenkomst met een maximum van vijf jaren.
2. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) wordt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning verlengd voor de duur van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, telkens met een maximum van vijf jaren.
##### Artikel 3.69
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op een studie, verblijf als au pair of verblijf in het kader van uitwisseling ten hoogste voor één jaar verleend en wordt de geldigheidsduur ervan na één jaar niet verlengd.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op een studie, verblijf als au pair of verblijf in het kader van uitwisseling ten hoogste voor één jaar verleend en wordt de geldigheidsduur ervan na één jaar niet verlengd.
##### Artikel 3.70
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met familiebezoek, verleend voor ten hoogste zes maanden en wordt de geldigheidsduur ervan na zes maanden niet verlengd.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met familiebezoek, verleend voor ten hoogste zes maanden en wordt de geldigheidsduur ervan na zes maanden niet verlengd.
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
@@ -1098,7 +1094,7 @@
- g. die in Nederland verblijft, bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek heeft ingediend tot vaststelling van zijn Nederlanderschap dat naar het oordeel van Onze Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is;
- h. die tijdelijke bescherming heeft en in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking als bedoeld in [artikel 3.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.30&z=2011-06-28&g=2011-06-28) of [3.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.31&z=2011-06-28&g=2011-06-28);
- h. die tijdelijke bescherming heeft en in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking als bedoeld in [artikel 3.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.30&z=2011-12-31&g=2011-12-31) of [3.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.31&z=2011-12-31&g=2011-12-31);
- i. die houder is van een verblijfsvergunning voor onderzoekers in de zin van richtlijn 2005/71/EG afgegeven door een andere staat die Partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dan wel de echtgenoot, partner of het minderjarig kind is van die houder, tenzij sprake is van gezinsvorming;
@@ -1182,7 +1178,7 @@
##### Artikel 3.78
Buiten de gevallen, bedoeld in [artikel 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28), kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), slechts op grond van [artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien zwaarwegende belangen naar het oordeel van Onze Minister daartoe nopen.
Buiten de gevallen, bedoeld in [artikel 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31), kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), slechts op grond van [artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien zwaarwegende belangen naar het oordeel van Onze Minister daartoe nopen.
##### Artikel 3.79
@@ -1200,11 +1196,11 @@
##### Artikel 3.81
Onverminderd [artikel 3.80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.80a&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de [artikelen 3.71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-06-28&g=2011-06-28), [3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28), [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.79&z=2011-06-28&g=2011-06-28) niet van toepassing zijn en de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2011-06-28&g=2011-06-28) van overeenkomstige toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.
Onverminderd [artikel 3.80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.80a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de [artikelen 3.71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.79&z=2011-12-31&g=2011-12-31) niet van toepassing zijn en de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2011-12-31&g=2011-12-31) van overeenkomstige toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.
##### Artikel 3.82
1. Indien de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), naar het oordeel van Onze Minister is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), of als Nederlander, is geëindigd, zijn de [artikelen 3.71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-06-28&g=2011-06-28), [3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28), [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.79&z=2011-06-28&g=2011-06-28) niet van toepassing en zijn de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2011-06-28&g=2011-06-28) van overeenkomstige toepassing.
1. Indien de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), naar het oordeel van Onze Minister is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), of als Nederlander, is geëindigd, zijn de [artikelen 3.71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.79&z=2011-12-31&g=2011-12-31) niet van toepassing en zijn de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2011-12-31&g=2011-12-31) van overeenkomstige toepassing.
2. Het eerste is niet van toepassing, indien de vreemdeling:
@@ -1226,7 +1222,7 @@
##### Artikel 3.85
1. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt niet op grond van [artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen, indien de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
1. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt niet op grond van [artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen, indien de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
2. De aanvraag wordt evenmin op grond van [artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen, indien de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid verblijft 65 jaar of ouder is of naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.
@@ -1326,7 +1322,7 @@
##### Artikel 3.87
Buiten de gevallen, bedoeld in [artikel 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-06-28&g=2011-06-28), kan de aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), slechts op grond van [artikel 18, eerste lid, onder e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien zwaarwegende belangen naar het oordeel van Onze Minister daartoe nopen.
Buiten de gevallen, bedoeld in [artikel 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-12-31&g=2011-12-31), kan de aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), slechts op grond van [artikel 18, eerste lid, onder e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien zwaarwegende belangen naar het oordeel van Onze Minister daartoe nopen.
##### Artikel 3.88
@@ -1354,7 +1350,7 @@
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), die is verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, wordt niet ingetrokken op de enkele grond dat de vreemdeling werkloos is, tenzij:
- a. de verblijfsvergunning is verleend voor een tijdelijk doel als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2011-06-28&g=2011-06-28);
- a. de verblijfsvergunning is verleend voor een tijdelijk doel als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2011-12-31&g=2011-12-31);
- b. de werkloosheid is ingetreden na beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur of uitzendwerk;
@@ -1396,9 +1392,9 @@
- d. de vreemdeling als houder van een Europese blauwe kaart in de periode van vijf jaar niet langer dan twaalf achtereenvolgende maanden en in totaal niet langer dan achttien maanden buiten Nederland heeft verbleven.
4. Voor de toepassing van [artikel 21, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), zijn de [artikelen 3.73 tot en met 3.76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.73&z=2011-06-28&g=2011-06-28) van overeenkomstige toepassing.
5. Behoudens gevallen als bedoeld in [artikel 3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2011-06-28&g=2011-06-28), kan de aanvraag slechts op grond van [artikel 21, eerste lid, onder e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) worden afgewezen, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de normen, bedoeld in [artikel 3.86, eerste dan wel tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-06-28&g=2011-06-28). [Artikel 3.86, derde tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-06-28&g=2011-06-28), is van overeenkomstige toepassing.
4. Voor de toepassing van [artikel 21, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), zijn de [artikelen 3.73 tot en met 3.76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.73&z=2011-12-31&g=2011-12-31) van overeenkomstige toepassing.
5. Behoudens gevallen als bedoeld in [artikel 3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2011-12-31&g=2011-12-31), kan de aanvraag slechts op grond van [artikel 21, eerste lid, onder e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) worden afgewezen, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de normen, bedoeld in [artikel 3.86, eerste dan wel tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-12-31&g=2011-12-31). [Artikel 3.86, derde tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-12-31&g=2011-12-31), is van overeenkomstige toepassing.
6. Bij de toepassing van het vijfde lid houdt Onze Minister mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de vreemdeling op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling uitgaat en het bestaan van banden met Nederland.
@@ -1428,13 +1424,13 @@
3. De aanvraag wordt niet op grond van [artikel 21, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling:
- a. als bedoeld in [artikel 3.92, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.92&z=2011-06-28&g=2011-06-28), of
- a. als bedoeld in [artikel 3.92, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.92&z=2011-12-31&g=2011-12-31), of
- b. die duurzaam beschikt over een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op basis van arbeidsongeschiktheid van ten minste vijfenvijftig procent en op basis van een volledige werkweek, of een vergelijkbare arbeidsongeschiktheidsuitkering.
4. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), wordt niet afgewezen op de in [artikel 21, eerste lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) genoemde grond dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, indien sedert de verlening, de verlenging of de wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken.
5. In afwijking van [artikel 3.92, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.92&z=2011-06-28&g=2011-06-28), zijn de middelen van bestaan van de vreemdeling als bedoeld in het eerste lid duurzaam indien zij nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn.
5. In afwijking van [artikel 3.92, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.92&z=2011-12-31&g=2011-12-31), zijn de middelen van bestaan van de vreemdeling als bedoeld in het eerste lid duurzaam indien zij nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn.
6. Bij de berekening van de in het eerste lid bedoelde periode van tien aaneengesloten jaren van verblijf worden ten aanzien van de vreemdeling als bedoeld in het eerste lid onderdeel b, onder 2°, alsmede zijn afhankelijke gezinslid, bedoeld in onderdeel c, mede in aanmerking genomen perioden waarin die vreemdeling respectievelijk dat afhankelijke gezinslid rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft gehad.
@@ -1442,7 +1438,7 @@
##### Artikel 3.94
De [artikelen 3.92, eerste en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.92&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en [3.93, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=3.93&z=2011-06-28&g=2011-06-28), zijn van overeenkomstige toepassing, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van [artikel 8 van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) en die direct voorafgaande aan de remigratie:
De [artikelen 3.92, eerste en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.92&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en [3.93, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=3.93&z=2011-12-31&g=2011-12-31), zijn van overeenkomstige toepassing, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van [artikel 8 van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) en die direct voorafgaande aan de remigratie:
- a. als Nederlander in Nederland verbleef;
@@ -1464,7 +1460,7 @@
2. Indien de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), op frauduleuze wijze is verkregen, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken op de in [artikel 22, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) genoemde grond, tenzij sedert de verkrijging een periode van twaalf jaren is verstreken, in welk geval de verblijfsvergunning wordt gewijzigd, indien daarop de aantekening «EG-langdurig ingezetene» was gesteld.
3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), kan slechts op grond van [artikel 22, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) worden ingetrokken, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de toepasselijke norm, bedoeld in [artikel 3.86, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-06-28&g=2011-06-28). Artikel 3.86 is van overeenkomstige toepassing.
3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), kan slechts op grond van [artikel 22, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) worden ingetrokken, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de toepasselijke norm, bedoeld in [artikel 3.86, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-12-31&g=2011-12-31). Artikel 3.86 is van overeenkomstige toepassing.
4. Onze Minister houdt bij de toepassing van het derde lid mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort inbreuk dat door de vreemdeling op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling uitgaat.
@@ -1566,2848 +1562,3104 @@
3. Aan de echtgenoot of echtgenote, het minderjarig kind, de partner of het meerderjarig kind, bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder e of f, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, wordt geen verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), verleend, tenzij dit gezinslid aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die zelfstandig een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) vormen.
#### Paragraaf 5. Intrekking
##### Artikel 3.108
1. Het model van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) en [33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
2. De aanvraag wordt door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger in persoon ingediend op een bij ministeriële regeling te bepalen plaats.
3. In afwijking van het tweede lid wordt, indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, de aanvraag ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd.
##### Artikel 3.109
1. De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), wordt door de vreemdeling niet eerder ingediend dan zes dagen nadat hij overeenkomstig door Onze Minister gestelde regels te kennen heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen.
2. Gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om te worden voorgelicht over de asielprocedure en om zich op de asielprocedure voor te bereiden en zich daartoe te laten bijstaan. Aan de vreemdeling die te kennen geeft de in het eerste lid bedoelde aanvraag in te willen dienen wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij een gehoor als bedoeld in de [artikelen 3.112, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.112&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.113, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.113&z=2011-12-31&g=2011-12-31), te doen bijstaan.
3. Gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn worden de vreemdeling van overheidswege geen vragen gesteld naar zijn asielmotieven.
4. Van de vreemdeling die te kennen geeft de in het eerste lid bedoelde aanvraag in te willen dienen, worden door Onze Minister identificatiefoto’s vervaardigd en wordt een dactyloscopisch signalement opgemaakt. De vreemdeling verleent hieraan zijn medewerking.
5. De vreemdeling die te kennen geeft de in het eerste lid bedoelde aanvraag in te willen dienen wordt een medisch onderzoek aangeboden. Voor dit onderzoek is de schriftelijke toestemming van de vreemdeling vereist.
6. In afwijking van het eerste lid wordt geen termijn gesteld indien:
- a. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;
- b. de vreemdeling overlast bezorgt aan vreemdelingen die in een opvangvoorziening verblijven, aan personen die werkzaam zijn in de voorziening of aan anderen;
- c. de vreemdeling reeds eerder een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, heeft ingediend, of
- d. de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59), tenzij de aanvraag wordt ingediend in een Aanmeldcentrum.
7. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde termijn niet van toepassing is indien de aanvraag wordt ingediend in het Aanmeldcentrum Schiphol.
##### Artikel 3.110
1. Voor het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), zijn in een Aanmeldcentrum acht dagen beschikbaar.
2. Onze Minister kan de in het eerste lid genoemde termijn verlengen. In dat geval zijn voor het onderzoek in een Aanmeldcentrum ten hoogste veertien dagen beschikbaar.
3. De termijnen, genoemd in het eerste en tweede lid, vangen aan op de dag waarop de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), wordt ingediend. Voor die termijnen tellen, met uitzondering van het Aanmeldcentrum Schiphol, de dagen gedurende het weekeinde en de dagen die bij of krachtens de [Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen niet mee, tenzij bij ministeriële regeling wordt bepaald dat deze wel meetellen.
##### Artikel 3.111
1. Bij de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), worden door de vreemdeling in persoon alle gegevens verstrekt, waaronder begrepen de relevante documenten, op basis waarvan in samenwerking met de vreemdeling beoordeeld kan worden of er een rechtsgrond voor verlening van de vergunning aanwezig is.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
##### Artikel 3.112
1. Nadat de vreemdeling op de eerste dag de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) heeft ingediend, wordt hij op diezelfde dag door Onze Minister aan een eerste gehoor onderworpen.
2. Het eerste gehoor geschiedt overeenkomstig een bij ministeriële regeling vastgestelde vragenlijst. De vragenlijst bevat geen vragen omtrent de beweegredenen van de aanvraag.
3. Een afschrift van de ingevulde vragenlijst wordt op de eerste dag aan de vreemdeling ter kennis gebracht.
4. In afwijking van het eerste lid kan een eerste gehoor achterwege worden gelaten indien de vreemdeling reeds eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning, als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), heeft ingediend.
##### Artikel 3.113
1. Gedurende de tweede dag wordt de vreemdeling in staat gesteld zich op het nader gehoor voor te bereiden.
2. Op de derde dag wordt de vreemdeling door Onze Minister aan een nader gehoor onderworpen.
3. Van het nader gehoor wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Een afschrift van het verslag van nader gehoor wordt op de derde dag aan de vreemdeling ter kennis gebracht.
4. De vreemdeling kan uit eigen beweging of desgevraagd nadere gegevens verstrekken uiterlijk op de vierde dag. Het verslag van nader gehoor vermeldt deze termijn.
5. In afwijking van het tweede lid blijft een nader gehoor in een Aanmeldcentrum achterwege:
- a. indien de vreemdeling om medische redenen niet aan een nader gehoor kan worden onderworpen, of
- b. ten aanzien van een alleenstaande minderjarige vreemdeling beneden de leeftijd van twaalf jaar.
Bij ministeriële regeling kunnen andere gevallen worden aangewezen waarin een nader gehoor in een Aanmeldcentrum achterwege blijft.
6. Indien een nader gehoor in een Aanmeldcentrum achterwege is gebleven wordt de vreemdeling door Onze Minister zo spoedig mogelijk aan een nader gehoor onderworpen. Van het nader gehoor wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Een afschrift van het verslag van nader gehoor wordt zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling ter kennis gebracht. Het verslag van nader gehoor vermeldt de termijn waarbinnen de vreemdeling uit eigen beweging of desgevraagd nadere gegevens kan verstrekken. Deze termijn bedraagt ten minste twee dagen.
##### Artikel 3.114
1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen binnen acht dagen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt op de vijfde dag.
2. De vreemdeling brengt zijn zienswijze op het in het eerste lid bedoelde voornemen schriftelijk naar voren uiterlijk op de zesde dag.
3. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.
4. Het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze worden door Onze Minister vastgelegd.
5. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende schriftelijke zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het geven van de beschikking niet in de weg.
6. Onze Minister maakt de beschikking uiterlijk op de achtste dag bekend door uitreiking of toezending ervan.
##### Artikel 3.115
1. Onze Minister kan de in [artikel 3.110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2011-12-31&g=2011-12-31), genoemde termijn verlengen:
- a. in geval van overschrijding van de termijnen, bedoeld in de [artikelen 3.112, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.112&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [3.113, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.113&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en [3.114, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.114&z=2011-12-31&g=2011-12-31), tenzij de overschrijding aan Onze Minister kan worden toegerekend;
- b. in geval van overschrijding van de termijnen, bedoeld in de [artikelen 3.113, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.113&z=2011-12-31&g=2011-12-31), of [3.114, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.114&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en de vreemdeling een met redenen omkleed verzoek om verlenging heeft ingediend, tenzij de overschrijding aan de vreemdeling kan worden toegerekend;
- c. indien naar het oordeel van Onze Minister nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling noodzakelijk is, of
- d. indien de vreemdeling zijn eerder tijdens het onderzoek afgelegde verklaringen essentieel wijzigt of aanvult.
2. De vreemdeling wordt van de verlenging schriftelijk in kennis gesteld. Bij de kennisgeving wordt de reden van de verlenging aangegeven alsmede op welk moment de verlengde termijn eindigt.
3. Indien Onze Minister de in [artikel 3.110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2011-12-31&g=2011-12-31), genoemde termijn heeft verlengd en voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen binnen veertien dagen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt.
4. De vreemdeling brengt zijn zienswijze uiterlijk op de dag na de uitreiking van het voornemen naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd.
5. [Artikel 3.114, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.114&z=2011-12-31&g=2011-12-31), is van toepassing.
6. Onze Minister maakt de beschikking uiterlijk op de veertiende dag bekend door uitreiking of toezending ervan.
7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de toepassing van het eerste lid alsmede de wijze waarop het onderzoek naar de aanvraag wordt vervolgd indien de in [artikel 3.110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2011-12-31&g=2011-12-31), genoemde termijn wordt verlengd.
##### Artikel 3.116
1. Het schriftelijke voornemen om:
- a. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen indien de termijnen, bedoeld in de [artikelen 3.112, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.112&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [3.113, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.113&z=2011-12-31&g=2011-12-31), of [3.114, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.114&z=2011-12-31&g=2011-12-31), dan wel de op grond van [artikel 3.115, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.115&z=2011-12-31&g=2011-12-31), verlengde termijn, zijn overschreden;
- b. de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen;
- c. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), af te wijzen, of
- d. de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) en [33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), in te trekken, wordt aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan.
2. De termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren brengt bedraagt, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd:
- a. in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a: vier weken, en
- b. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d: zes weken.
3. De termijn, bedoeld in het tweede lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden.
4. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is de zienswijze tijdig ingediend, indien deze voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits deze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
5. De ontvangst van de schriftelijke zienswijze wordt door Onze Minister bevestigd.
6. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende schriftelijke zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het geven van de beschikking niet in de weg.
##### Artikel 3.117
1. De termijnen, genoemd in de [artikelen 3.112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.112&z=2011-12-31&g=2011-12-31), [3.113, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.113&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en [3.114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.114&z=2011-12-31&g=2011-12-31), zijn niet van toepassing op de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), van de vreemdeling aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) terwijl de vrijheidsontneming voortduurt, tenzij de aanvraag is ingediend in een Aanmeldcentrum.
2. De vreemdeling wordt door Onze Minister zo spoedig mogelijk na de indiening van de aanvraag aan een eerste gehoor onderworpen.
3. De vreemdeling wordt door Onze Minister zo spoedig mogelijk nadat een afschrift van de ingevulde vragenlijst, bedoeld in [artikel 3.112, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.112&z=2011-12-31&g=2011-12-31), aan hem ter kennis is gebracht, aan een nader gehoor onderworpen.
4. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag af te wijzen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe zo spoedig mogelijk uitgereikt of toegezonden.
5. De vreemdeling brengt zijn zienswijze binnen twee weken schriftelijk naar voren.
6. De termijn, bedoeld in het vijfde lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden.
7. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.
8. [Artikel 3.116, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.116&z=2011-12-31&g=2011-12-31), zijn van toepassing.
##### Artikel 3.118
1. Indien Onze Minister voornemens is om:
- a. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen na ommekomst van de in [artikel 3.110, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2011-12-31&g=2011-12-31), genoemde termijn;
- b. de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen, of
- c. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), af te wijzen, terwijl de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) of [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) en de vrijheidsontneming voortduurt, wordt het schriftelijk voornemen daartoe uitgereikt of toegezonden.
2. De [artikelen 3.117, vijfde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.117&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en [3.116, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.116&z=2011-12-31&g=2011-12-31), zijn van toepassing.
##### Artikel 3.119
Wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden:
- a. bekend worden, of
- b. reeds bekend waren maar naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling anders worden beoordeeld of gewogen, die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn en Onze Minister voornemens blijft de aanvraag af te wijzen, wordt dit aan de vreemdeling meegedeeld en wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.
##### Artikel 3.120
Indien de termijn voor het geven van de beschikking op grond van [artikel 42, vierde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=42) wordt verlengd, wordt de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Bij de kennisgeving wordt aangegeven op welk moment de verlengde beslistermijn eindigt.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
##### Artikel 4.1
1. Grensbewaking als bedoeld in [artikel 46 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46) wordt uitgeoefend met het oog op het Nederland in- en uitreizen van personen via een buitengrens.
2. Onder uitreizen wordt begrepen het zich aan boord begeven of bevinden van een schip of luchtvaartuig, dat voor de uitreis uit Nederland bestemd is.
##### Artikel 4.2
1. In het belang van de grensbewaking worden aan de buitengrenzen grensdoorlaatposten ingesteld.
2. Bij ministeriële regeling worden de plaatsen aangewezen waar grensdoorlaatposten, al dan niet tijdelijk, zijn gevestigd.
3. De grensdoorlaatposten worden bediend door ambtenaren van de Koninklijke marechaussee. De in de politieregio Rotterdam-Rijnmond gelegen grensdoorlaatposten worden eveneens bediend door de ambtenaren van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond.
4. Bij ministeriële regeling worden de tijden vastgesteld gedurende welke de grensdoorlaatposten zijn opengesteld.
##### Artikel 4.3
Vervallen
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
##### Artikel 4.4
Benelux-onderdanen behoeven Nederland niet in- of uit te reizen via een grensdoorlaatpost.
##### Artikel 4.5
1. De vreemdeling die Nederland inreist, is verplicht desgevorderd aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking:
- a. het in zijn bezit zijnde document voor grensoverschrijding, de benodigde machtiging tot voorlopig verblijf dan wel het benodigde reisvisum of doorreisvisum te tonen en te overhandigen;
- b. inlichtingen te verstrekken over het doel en de duur van zijn voorgenomen verblijf in Nederland;
- c. aan te tonen over welke middelen hij met het oog op de toegang tot Nederland beschikt of kan beschikken.
2. Het eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die Nederland uitreist via een buitengrens.
3. Het eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), het familielid, bedoeld in [artikel 8.7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
##### Artikel 4.6
Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.
##### Artikel 4.7
De Nederlander die Nederland in- of uitreist, toont en overhandigt, desgevorderd, aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, het in zijn bezit zijnde reis- of identiteitspapier of maakt zo nodig op andere wijze zijn Nederlanderschap aannemelijk.
##### Artikel 4.8
De bestuurder van een voertuig geeft eigener beweging aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, kennis van de aanwezigheid in zijn voertuig van vreemdelingen ten aanzien van wie hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij niet voldoen aan de bij de Schengengrenscode of de bij of krachtens de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vastgestelde verplichtingen waaraan personen bij grensoverschrijding zijn onderworpen.
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
##### Artikel 4.9
De gezagvoerder van een schip verleent, desgevorderd, de medewerking aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, welke nodig is om deze ambtenaar in staat te stellen de door hem op grond van de Schengengrenscode uit te oefenen grenscontrole uit te voeren. Deze medewerking bestaat uit:
- a. het op een daartoe gegeven teken zodanig vaart verminderen en het zodanig op of bijdraaien van zijn schip, dat een dienstvaartuig behoorlijk langszij kan komen;
- b. het toelaten van ambtenaren, belast met de grensbewaking, aan boord van zijn schip;
- c. het op vordering van een ambtenaar, belast met de grensbewaking, tot stilstand brengen of aanleggen van zijn schip.
##### Artikel 4.10
[Artikel 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=4.8&z=2011-12-31&g=2011-12-31) is van overeenkomstige toepassing op gezagvoerders van andere schepen dan zeeschepen.
##### Artikel 4.11
1. De op grond van bijlage VI, onder 3.1.2, van de Schengengrenscode te verstrekken bemanningslijst en passagierslijst, worden bij het binnenvaren van Nederland onmiddellijk verstrekt aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. Bij ministeriële regeling kunnen modellen worden vastgesteld van de in bijlage VI, onder 3.1.2, van de Schengengrenscode bedoelde bemanningslijst en passagierslijst.
2. De in bijlage VI, onder 3.1.2, van de Schengengrenscode bedoelde grensdoorlaatposten waar de kopie van de bemanningslijst of, in voorkomend geval, de passagierslijst kan worden afgegeven, zijn:
- a. de grensdoorlaatpost ter plaatse waar het schip voor het eerst ligplaats neemt;
- b. voor schepen die bestemd zijn om rechtstreeks ligplaats te nemen in een gemeente, waar geen grensdoorlaatpost is gevestigd:
- 1°. één van de doorlaatposten Hoek van Holland-haven, Rotterdam-havens (ambulant), Dordrecht-haven of Moerdijk, indien Nederland over de Nieuwe Waterweg wordt binnengevaren;
- 2°. de Beneluxdoorlaatpost Gent-Terneuzen (ambulant), indien de kanaalzone Gent-Terneuzen wordt bevaren en het schepen betreft die niet, of anders dan rechtstreeks, uit open zee naar België varen;
- 3°. de eerste grensdoorlaatpost na binnenkomst, gelegen aan de waterweg waardoor het schip vaart, in alle overige gevallen.
##### Artikel 4.12
De in bijlage VI, onder 3.1.4, van de Schengengrenscode bedoelde bevoegde autoriteit aan wie onverwijld alle wijzigingen met betrekking tot de samenstelling van de bemanning of de passagiers wordt doorgegeven, is het hoofd van de grensdoorlaatpost in de gemeente waar het schip zich bevindt of, indien in die gemeente geen grensdoorlaatpost is gevestigd, aan het hoofd van de grensdoorlaatpost via welke hij Nederland is binnengekomen.
##### Artikel 4.13
1. De in bijlage VI, onder 3.1.5, van de Schengengrenscode bedoelde kennisgeving van afvaart wordt gedaan aan het hoofd van de grensdoorlaatpost waarlangs hij zal vertrekken. Indien in de gemeente waar het schip ligplaats heeft geen grensdoorlaatpost is gevestigd, wordt de kennisgeving gedaan aan het hoofd van de grensdoorlaatpost waaraan de bemanningslijst overeenkomstig [artikel 4.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=4.11&z=2011-12-31&g=2011-12-31), is afgegeven.
2. De in bijlage VI, onder 3.1.5, van de Schengengrenscode bedoelde kennisgeving wordt gedaan:
- a. ten hoogste zes en ten minste drie uur vóór het daadwerkelijke vertrek van het schip;
- b. indien het schip zich korter dan drie uur bevindt op de plaats waar de kennisgeving moet geschieden, op een zodanig tijdstip dat de met de bediening van de grensdoorlaatpost belaste ambtenaar in staat is de door hem uit te oefenen personencontrole uit te voeren.
##### Artikel 4.14
De [artikelen 4.11 tot en met 4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=4.11&z=2011-12-31&g=2011-12-31), gelden niet voor gezagvoerders van zeeschepen die, zonder ligplaats in een Nederlandse haven te nemen, door de Nederlandse territoriale zee varen.
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
##### Artikel 4.15
1. De gezagvoerder van een vliegtuig verstrekt in tweevoud aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, de in bijlage VI, onder 2.3.1, van de Schengengrenscode bedoelde algemene verklaring en de in bijlage VII, onder 2.1, van de Schengengrenscode bedoelde gegevens over de bemanning.
2. Bij ministeriële regeling wordt het model van de bemannings- en passagierslijst aangewezen.
##### Artikel 4.16
De vordering aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig, bedoeld in [artikel 51, derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=51), wordt gedaan door tussenkomst van de luchtverkeersleiding.
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
##### Artikel 4.17
1. De korpschef verstrekt periodiek ten minste de volgende gegevens aan Onze Minister:
- a. gegevens over de wijze van behandeling van aanvragen betreffende een verblijfsvergunning;
- b. gegevens over het aantal en soort van de verleende verblijfsvergunningen;
- c. gegevens over de uitzetting van vreemdelingen, en
- d. gegevens over de uitvoering van het toezicht op vreemdelingen.
2. De bevelhebber van de Koninklijke marechaussee en, voorzover van toepassing, de korpschef van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond verstrekken periodiek ten minste de volgende inlichtingen aan Onze Minister:
- a. gegevens over de toegangsweigering;
- b. gegevens over de controle op de zorgplicht van vervoerders;
- c. gegevens over de uitzetting van vreemdelingen, en
- d. gegevens over de uitvoering van het toezicht op vreemdelingen.
##### Artikel 4.18
1. Aan de vreemdeling die met toepassing van [artikel 50, tweede of derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) is overgebracht naar een plaats, bestemd voor verhoor, wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het verhoor te doen bijstaan door een raadsman.
2. De in het eerste lid bedoelde vreemdeling wordt niet verder beperkt in de uitoefening van grondrechten, dan wordt gevorderd door het doel van de maatregel en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging.
##### Artikel 4.19
1. Een beslissing van de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee of de korpschef, genomen krachtens [artikel 50, vierde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50), wordt ten uitvoer gelegd in een cel van de Koninklijke marechaussee respectievelijk op een politiebureau. De Regeling politiecellencomplex is van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van de beslissing in een cel van de Koninklijke marechaussee.
2. De [artikelen 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.5&z=2011-12-31&g=2011-12-31) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 4.20
Indien de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee of de korpschef zijn bevoegdheid, bedoeld in [artikel 50, vierde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) mandateert doet hij dat niet dan aan een ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is.
##### Artikel 4.21
1. Als documenten in de zin van [artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50), worden aangewezen:
- a. voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8): een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model is vastgesteld bij ministeriële regeling;
- b. voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in [artikel 8 onder e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8): een geldig nationaal paspoort of geldige identiteitskaart, indien zij de nationaliteit van een staat bezitten als bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), of, indien zij een zodanige nationaliteit niet bezitten:
- 1°. een geldig nationaal paspoort met een voor inreis benodigd visum, indien na inreis nog geen drie maanden zijn verstreken;
- 2°. een geldig nationaal paspoort met een stempel van de inreis, indien voor inreis geen visum benodigd is en na inreis nog geen drie maanden zijn verstreken;
- 3°. een geldig nationaal paspoort met een door de bevoegde autoriteiten afgegeven verklaring als bedoeld in [artikel 8.13, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), indien na afgifte van de verklaring nog geen zes maanden zijn verstreken; of
- 4°. een door de bevoegde autoriteiten afgegeven verblijfsdocument als bedoeld in [artikel 8.13, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), dan wel [artikel 8.20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.20&z=2011-12-31&g=2011-12-31);
- c. voor vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), hebben ingediend: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling;
- d. voor vreemdelingen, anders dan bedoeld onder c, die rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder f, g, h, j, k, of m, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) hebben en die niet beschikken over een ingevolge [de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, dat is voorzien van een inlegvel als bedoeld in [artikel 4.29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-12-31&g=2011-12-31), waarop de verblijfsrechtelijke positie is aangetekend;
- e. voor andere vreemdelingen: een ingevolge de Wet voor het hebben van toegang tot Nederland vereist geldig document voor grensoverschrijding dan wel een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum is aangetekend of waarin een aantekening omtrent de verblijfsrechtelijke positie is geplaatst.
2. Geen document, anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, wordt verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld.
3. Op het ingevolge het eerste lid, onder a tot en met d, afgegeven document wordt aangetekend of het de vreemdeling toegestaan is arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een tewerkstellingsvergunning is vereist.
4. Indien aan het verblijf in Nederland van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde vreemdelingen een beperking als bedoeld in [artikel 3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2011-12-31&g=2011-12-31), is verbonden, wordt op het document de aantekening «beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht» gesteld.
##### Artikel 4.22
1. De documenten, bedoeld in [artikel 4.21, eerste lid, onder a tot en met d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.21&z=2011-12-31&g=2011-12-31), worden door Onze Minister vervangen, indien:
- a. de vreemdeling aan wie het document werd afgegeven, overeenkomstig [artikel 4.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=4.44&z=2011-12-31&g=2011-12-31) aangifte heeft gedaan van vermissing, verlies of het voor identificatie ondeugdelijk worden van dat document, en
- b. Onze Minister heeft vastgesteld dat er gegronde redenen zijn om te veronderstellen dat de aangifte naar waarheid is gedaan.
2. Onverminderd het eerste lid worden de documenten, bedoeld in [artikel 4.21, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.21&z=2011-12-31&g=2011-12-31), telkens vijf jaren na de afgifte ervan, vervangen.
##### Artikel 4.23
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, nemen op grond van [artikel 52, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52) het reis- of identiteitspapier van een persoon tijdelijk in bewaring:
- a. voorzover zulks nodig is voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in [artikel 4.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=4.45&z=2011-12-31&g=2011-12-31), of voor het stellen van een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24 tot en met artikel 4.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2011-12-31&g=2011-12-31);
- b. indien de persoon ter vaststelling van zijn identiteit is staande gehouden en niet aanstonds blijkt dat het hem is toegestaan in Nederland te verblijven, terwijl de gelegenheid ontbreekt hem, met toepassing van [artikel 50, tweede of derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) naar een plaats, bestemd voor verhoor, over te brengen;
- c. gedurende de tijd dat de persoon rechtens zijn vrijheid is ontnomen, of
- d. voorzover zulks nodig is met het oog op de uitzetting of de overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten als bedoeld in [artikel 52, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52).
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt het reis- of identiteitspapier aan de persoon teruggegeven, indien hij aan de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee de gegevens heeft verstrekt die deze in het belang van de toepassing van de Wet vraagt, tenzij er uit anderen hoofde gronden aanwezig zijn om het document in bewaring te houden.
##### Artikel 4.24
1. Naast het plaatsen van de in artikel 10 en bijlage IV van de Schengengrenscode bedoelde inreis- en uitreisstempel, kunnen ambtenaren belast met de grensbewaking, op grond van [artikel 52, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52), in het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling aantekeningen stellen omtrent:
- a. inreis in Nederland;
- b. het doel en de duur van het voorgenomen verblijf in Nederland;
- c. de middelen waarover de vreemdeling met het oog op de toegang tot Nederland beschikt of kan beschikken;
- d. aanmelding bij een korpschef;
- e. de toepassing van [artikel 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=2&artikel=2.4&z=2011-12-31&g=2011-12-31);
- f. het weigeren van toegang tot Nederland;
- g. vertrek of uitzetting uit Nederland, of
- h. uitreis uit Nederland.
2. Elke doorhaling of vervallenverklaring van een in een reis- of identiteitspapier van een vreemdeling gestelde aantekening, wordt door de ambtenaar die de doorhaling of vervallenverklaring verricht, gedateerd en van diens paraaf voorzien.
##### Artikel 4.25
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling die toegang tot Nederland heeft en die Nederland langs een doorlaatpost in- of uitreist een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder a en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2011-12-31&g=2011-12-31), waaruit blijkt langs welke doorlaatpost en op welke datum de in- of uitreis heeft plaatsgevonden.
2. Bij de aantekening, welke ingevolge het eerste lid wordt gesteld in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling die Nederland inreist, wordt vermeld het aantal in gezelschap van de houder van dat document reizende vreemdelingen dat daarin is opgenomen of staat bijgeschreven. Bij inreis in Nederland van een vreemdeling, reizende in groepsverband op een collectief paspoort of op een collectieve lijst, worden de namen van de in het document opgenomen vreemdelingen die zich niet bij het gezelschap bevinden of aan wie de toegang tot Nederland wordt geweigerd, door de ambtenaar, belast met de grensbewaking, doorgehaald.
##### Artikel 4.26
De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2011-12-31&g=2011-12-31), inhoudende dat de vreemdeling zich binnen drie dagen bij de korpschef, onder vermelding van de plaats, moet melden, indien daartoe naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat. Deze aantekening kan ook geplaatst worden in een bijzonder doorlaatbewijs.
##### Artikel 4.27
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2011-12-31&g=2011-12-31), indien zij vermoeden dat de vreemdeling andermaal zal trachten Nederland in te reizen zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang, bedoeld in artikel 5 van de Schengengrenscode of [artikel 3 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3).
2. Uit de aantekening, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de toegang is geweigerd, met vermelding van de datum en zo nodig de grond waarop deze weigering berust.
##### Artikel 4.28
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2011-12-31&g=2011-12-31), indien zij vermoeden dat de vreemdeling zal trachten zich andermaal naar Nederland te begeven zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. Een zodanige aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door of diens toegang tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
2. Uit de aantekening, bedoeld in het eerste lid, blijkt het vertrek of de uitzetting van de vreemdeling, met vermelding van de datum en zo nodig de reden van het vertrek of de uitzetting.
##### Artikel 4.29
1. De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, stellen in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling aantekeningen omtrent:
- a. aanmelding of vervoeging bij een korpschef;
- b. de woon- of verblijfplaats binnen Nederland en vertrek naar het buitenland;
- c. het verlenen, het verlengen van de geldigheidsduur of het intrekken van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd;
- d. het verlenen of het intrekken van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;
- e. het opleggen van een individuele verplichting tot periodieke aanmelding overeenkomstig [artikel 54, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54);
- f. het beperken van de vrijheid van beweging overeenkomstig [artikel 56 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56);
- g. vertrek of uitzetting uit Nederland;
- h. ongewenstverklaring;
- i. de datum en plaats van inreis in Nederland, en
- j. het inreisverbod.
2. Elke doorhaling of vervallenverklaring van een in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling gestelde aantekening wordt door de ambtenaar die de doorhaling of vervallenverklaring verricht, gedateerd en van diens paraaf voorzien.
3. In afwijking van het eerste lid, wordt een aantekening op een aan de vreemdeling te verstrekken afzonderlijk inlegblad gesteld, indien:
- a. het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling zich niet voor het stellen van een zodanige aantekening leent;
- b. de vreemdeling houder is van een buitenlands vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort;
- c. de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder f, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) of [20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) heeft ingediend en, naar het oordeel van de korpschef, termen aanwezig zijn de aanvraag af te wijzen;
- d. de vreemdeling geen geldig document voor grensoverschrijding heeft, of
- e. de vreemdeling houder is van een document als bedoeld in [artikel 4.21, eerste lid, onder a, b, c of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.21&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding.
##### Artikel 4.30
1. De aantekeningen, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-12-31&g=2011-12-31), hebben betrekking op de aanmelding ingevolge de [artikelen 4.47 tot en met 4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=5&artikel=4.47&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
2. Uit de aantekening blijkt de datum van aanmelding.
3. Uit de aantekening blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een tewerkstellingsvergunning vereist is.
4. Indien het betreft een vreemdeling die naar Nederland is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip kan de aantekening worden aangevuld met een zinsnede waaruit zulks blijkt en wordt een uiterlijke datum van verblijf opgenomen.
##### Artikel 4.31
1. De aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt gesteld indien op grond van [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1&z=2011-12-31&g=2011-12-31) uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft. De datum waarop de aanvraag is ontvangen wordt eveneens aangetekend. Indien de aanvraag wordt afgewezen, wordt «vervallen» aangetekend.
2. Uit de aantekening blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een tewerkstellingsvergunning vereist is.
##### Artikel 4.32
1. Uit de aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-12-31&g=2011-12-31), blijkt op welke datum de vreemdeling is veranderd van woon- of verblijfplaats binnen Nederland.
2. De aantekening, bedoeld in het eerste lid, wordt door de korpschef van het regionale politiekorps waarin de nieuwe woon- of verblijfplaats is gelegen, gesteld.
##### Artikel 4.33
1. Uit de aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-12-31&g=2011-12-31), blijkt de verplichte periode van aanmelding overeenkomstig [artikel 54, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) alsmede eventuele verdere bijzonderheden.
2. Nadat de vreemdeling voor de eerste maal heeft voldaan aan de verplichting tot periodieke aanmelding ingevolge [artikel 4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=6&artikel=4.51&z=2011-12-31&g=2011-12-31), kunnen de daarop volgende aanmeldingen worden aangetekend door in het reis- of identiteitspapier de datum van de aanmelding te stellen.
3. Uit de aantekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een tewerkstellingsvergunning vereist is.
##### Artikel 4.34
1. De aantekeningen, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-12-31&g=2011-12-31), betreffen:
- a. een aantekening waaruit de uiterlijke datum van vertrek blijkt, indien aan de vreemdeling overeenkomstig [artikel 62 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) een termijn is gegund waarbinnen hij Nederland uit eigen beweging dient te verlaten;
- b. een aantekening waaruit blijkt tot welke datum uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft ingevolge [artikel 64 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64);
- c. een aantekening waaruit de datum van indienen van een bezwaarschrift blijkt, indien de uitzetting achterwege blijft hangende een beslissing op een door de vreemdeling ingediend bezwaar, eventueel met doorhaling van de aantekening, bedoeld onder a;
- d. een aantekening omtrent uitzetting, indien naar het oordeel van de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal trachten naar Nederland terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland.
2. Bij een aantekening als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt tevens gesteld dat arbeid niet is toegestaan.
3. De aantekening, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt niet gesteld, indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
##### Artikel 4.35
1. De aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt geplaatst, indien de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee vermoedt dat de vreemdeling zal trachten naar Nederland terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. De aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
2. Uit de aantekening blijkt de datum waarop de vreemdeling ongewenst is verklaard.
##### Artikel 4.36
Bij ministeriële regeling kunnen modellen van de aantekeningen, bedoeld in deze afdeling, worden vastgesteld.
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
##### Artikel 4.37
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), is verplicht om in geval van:
- a. verandering van adres binnen de gemeente waar de vreemdeling woont of verblijft, hiervan binnen vijf dagen kennis te geven aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen;
- b. verandering van woon- of verblijfplaats binnen Nederland, zo mogelijk onder opgave van het nieuwe adres, hiervan vóór het vertrek kennis te geven aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen van waaruit de vreemdeling vertrekt;
- c. verandering van woon- of verblijfplaats binnen Nederland, onder opgave van het nieuwe adres, hiervan binnen vijf dagen na aankomst in de nieuwe woon- of verblijfplaats in persoon kennis te geven aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de nieuwe woon- of verblijfsplaats is gelegen;
- d. vertrek naar het buitenland, zo mogelijk onder opgave van het nieuwe adres, hiervan vóór het vertrek kennis te geven aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waaruit de vreemdeling vertrekt is gelegen.
2. De in het eerste lid, onder a en c, bedoelde kennisgeving blijft achterwege indien de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de nieuwe woonplaats.
3. De vreemdeling die niet rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), geeft kennis van verandering van woon- of verblijfplaats binnen Nederland als bedoeld in het eerste lid, onder b, indien Onze Minister dat vordert.
4. De in het eerste en derde lid omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar op de wettelijke vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijke vertegenwoordiger.
5. De in het eerste en derde lid omschreven verplichtingen rusten niet op de onderdaan van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de onderdaan van Zwitserland met verblijfsrecht van maximaal drie maanden als bedoeld in [artikel 8.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
6. Van vertrek naar het buitenland wordt geen kennis gegeven door de vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet naar het buitenland verplaatst.
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
##### Artikel 4.38
1. De vreemdeling verstrekt op vordering van Onze Minister de gegevens, bedoeld in de [artikelen 4.39 tot en met 4.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=4.39&z=2011-12-31&g=2011-12-31), binnen de in de vordering aangegeven tijd.
2. Indien daartoe in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat kan de in het voorgaande lid bedoelde vordering inhouden dat de vreemdeling de gegevens in persoon verstrekt.
3. In het belang van de vreemdelingenregistratie kan een vordering als bedoeld in het eerste lid bij algemene bekendmaking worden gedaan.
4. Indien de vreemdeling jonger is dan twaalf jaar, dan kan de vordering, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden gericht tot de wettelijke vertegenwoordiger.
##### Artikel 4.39
De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, doet onmiddellijk van zijn aanwezigheid in persoon mededeling aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij verblijft is gelegen.
##### Artikel 4.40
Personen die nachtverblijf verschaffen aan een vreemdeling, van wie zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat deze vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in [artikel 8 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), doen daarvan onmiddellijk mededeling aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar de vreemdeling verblijft is gelegen.
##### Artikel 4.41
Werkgevers, van wie bij Onze Minister bekend is dat zij een vreemdeling in dienst hebben gehad die niet rechtmatig verbleef of aan wie het niet was toegestaan arbeid te verrichten, verstrekken aan Onze Minister, op diens vordering, onmiddellijk de gegevens omtrent de vreemdeling die bij hen tewerkgesteld wordt, in dienst is of in dienst is geweest. Onze Minister kan een termijn stellen waarbinnen de gegevens worden verstrekt.
##### Artikel 4.42
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder i, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en die arbeid gaat zoeken of arbeid gaat verrichten, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef van het regionale politiekorps, waarin de gemeente waar de vreemdeling verblijft is gelegen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die:
- a. houder is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf afgegeven voor een verblijfsdoel waarbij het verrichten van arbeid is toegestaan;
- b. kan aantonen dat hij naar Nederland is gekomen voor het verrichten van arbeid gedurende ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van zijn binnenkomst, of
- c. naar Nederland is gekomen om aan te monsteren of als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip.
3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van seksuele diensten aan derden, tenzij de vreemdeling gemeenschapsonderdaan is.
##### Artikel 4.43
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en die niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar de vreemdeling verblijft is gelegen.
2. Onverminderd het eerste lid, stelt de houder van de door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart, voor zover deze nog geen drie jaar als houder van die kaart in Nederland verblijft, Onze Minister vooraf in kennis van zijn voornemen om een arbeidsovereenkomst te sluiten met een andere werkgever. Hij stelt Onze Minister zo mogelijk vooraf in kennis van zijn werkloosheid en van andere wijzigingen die van belang kunnen zijn voor de intrekking van de Europese blauwe kaart.
##### Artikel 4.44
De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en wiens document, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon aangifte bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft is gelegen.
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
##### Artikel 4.45
De medewerking van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 54, eerste lid, onderdeel c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54), bestaat uit:
- a. het op vordering van een ambtenaar belast met de grensbewaking of een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto, en
- b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken, indien daartoe naar het oordeel van de ambtenaar, belast met de grensbewaking of een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, gegronde reden bestaat.
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
##### Artikel 4.46
1. De vreemdeling die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden, werkt op grond van [artikel 54, eerste lid, onderdeel d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) mee aan een onderzoek naar tuberculose.
2. Het eerste lid geldt niet voor onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, onderdanen van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland.
Het eerste lid is evenmin van toepassing op familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), die voor hun komst naar Nederland reeds rechtmatig verblijf hebben verkregen in een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte dan wel Zwitserland en die zich vanuit die staat dan wel Zwitserland naar Nederland verplaatsen.
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
##### Artikel 4.47
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder i, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats heeft.
2. Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde termijn van drie maanden wordt eerder verblijf in Nederland binnen een tijdvak van zes maanden, onmiddellijk voorafgaande aan de binnenkomst, mede in aanmerking genomen.
3. Indien de vreemdeling jonger is dan twaalf jaar, doet degene bij wie de vreemdeling woont of verblijft de melding.
##### Artikel 4.48
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder i, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats heeft.
2. Een verplichting tot aanmelding krachtens het voorgaande lid rust ten aanzien van de vreemdeling beneden de leeftijd van twaalf jaar op degene bij wie de vreemdeling woont of verblijft.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of krachtens gemeentelijke verordening verplicht is aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen.
##### Artikel 4.49
1. De vreemdeling die houder is van een visum of een document voor grensoverschrijding waarin door de daartoe bevoegde autoriteit een aantekening is gesteld omtrent aanmelding bij een vreemdelingendienst in Nederland, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de in deze aantekening vermelde gemeente is gelegen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van Zwitserland.
##### Artikel 4.50
1. De vreemdeling die naar Nederland is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij werk zoekt is gelegen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van Zwitserland.
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
##### Artikel 4.51
1. Tot periodieke aanmelding als bedoeld in [artikel 54, eerste lid, onder f, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54), bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente van verblijf is gelegen, is verplicht de vreemdeling die:
- a. geen rechtmatig verblijf heeft en in afwachting is van de feitelijke mogelijkheid tot vertrek of uitzetting, of
- b. rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder f, g of h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, meldt zich wekelijks, tenzij Onze Minister een andere termijn stelt, dan wel ontheffing verleent.
3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van Zwitserland.
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
##### Artikel 4.52
1. De vreemdeling levert het document, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), in ieder geval in persoon in bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente van verblijf is gelegen:
- a. zodra hij niet meer rechtmatig verblijft, doch uiterlijk op het moment waarop de vertrektermijn, bedoeld in [artikel 62 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62), verstrijkt, en
- b. vóór zijn vertrek naar het buitenland, indien hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland verplaatst.
2. De persoon die het Nederlanderschap heeft verkregen levert het document, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), in bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij zijn woon- of verblijfsplaats heeft is gelegen.
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
##### Artikel 5.1
1. De maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in [artikel 56, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) kan bestaan uit:
- a. een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of
- b. een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van Nederland te bevinden.
2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt niet opgelegd aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onderdeel a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie anders dan om redenen van veiligheid.
3. De maatregel wordt evenmin opgelegd aan een houder van een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart anders dan om redenen van veiligheid.
#### Paragraaf 7. Documenten
##### Artikel 5.2
1. Voordat de vreemdeling op grond van [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) in bewaring wordt gesteld, wordt hij gehoord.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:
- a. de vreemdeling reeds op een andere grond in bewaring gesteld is, of
- b. het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht.
3. Slechts in het geval bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring gehoord.
4. Van het gehoor wordt proces-verbaal opgemaakt.
5. Aan de vreemdeling wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het gehoor te doen bijstaan door zijn raadsman.
##### Artikel 5.3
1. De maatregel waarbij de bewaring op grond van [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) wordt opgelegd wordt gedagtekend en ondertekend; de maatregel wordt met redenen omkleed. Aan de vreemdeling op wie de maatregel betrekking heeft, wordt onmiddellijk een afschrift daarvan uitgereikt.
2. Op de voortzetting van de bewaring op een andere grond is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 5.4
1. De bewaring op grond van [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) wordt ten uitvoer gelegd op een politiebureau, een cel van de Koninklijke marechaussee, in een huis van bewaring of een ruimte of plaats als bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), of [artikel 58, eerste lid van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58). Bij de tenuitvoerlegging van de bewaring wordt de vreemdeling niet verder beperkt in de uitoefening van grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van deze maatregel en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging.
2. Indien de tenuitvoerlegging van de bewaring een aanvang neemt op een politiebureau of in een cel van de Koninklijke marechaussee, wordt zodra dit redelijkerwijs mogelijk is de tenuitvoerlegging voortgezet in een huis van bewaring of een ruimte of plaats als bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) of [artikel 58, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58).
3. De bewaring wordt opgeheven zodra er geen grond meer aanwezig is.
##### Artikel 5.5
1. Gedurende de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel ingevolge de [artikelen 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [58, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58), of [59, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59), kan de vreemdeling voor korte duur naar elders worden gebracht, wanneer dit redelijkerwijs nodig is voor de toepassing van de Wet.
2. Van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek van de vreemdeling zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan diens naaste verwanten of aan een in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan is.
3. In geval de vrijheidsontnemende maatregel een minderjarige betreft wordt daarvan, zo daartoe de gelegenheid bestaat, ambtshalve zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over die minderjarige uitoefenen.
##### Artikel 5.6
Overeenkomstig door Onze Minister te geven algemene en bijzondere aanwijzingen stelt de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee Onze Minister tijdig vóór het verstrijken van de in [artikel 94, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94) genoemde termijn in kennis van de bewaring dan wel het voortduren daarvan.
##### Artikel 5.7
1. De aanwijzing bedoeld in de [artikelen 57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57), en [58, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) wordt zoveel mogelijk gegeven bij de beschikking waarbij de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), is afgewezen. De aanwijzing wordt met redenen omkleed.
2. [Artikel 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31) is van overeenkomstige toepassing indien de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gegeven wordt bij afzonderlijke beschikking.
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
##### Artikel 6.1
1. Een risico als bedoeld in [artikel 62, tweede lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) kan worden aangenomen indien feiten of omstandigheden als bedoeld in [artikel 5.1b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.1b&z=2011-12-31&g=2011-12-31), op de vreemdeling van toepassing zijn.
2. [Artikel 5.1b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.1b&z=2011-12-31&g=2011-12-31), is van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 1. Uitzetting
##### Artikel 6.2
Onze Minister is bevoegd de kosten van uitzetting, bedoeld in de [artikelen 65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65), en [66 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66) te verhalen op de vreemdeling of op een vervoersonderneming.
##### Artikel 6.3
1. De kosten van uitzetting van een vreemdeling welke ingevolge [artikel 65, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) op een vervoersonderneming kunnen worden verhaald, zijn verschuldigd aan het openbaar lichaam te welks laste die kosten zijn gekomen.
2. De in het voorgaande lid bedoelde kosten van uitzetting omvatten in ieder geval de kosten verbonden aan:
- a. het vervoer van de uit te zetten vreemdeling per eerste gelegenheid, doch op de wijze die, gelet op de omstandigheden, de goedkoopste is, naar een plaats buiten Nederland;
- b. de begeleiding van de vreemdeling naar een plaats van vertrek uit Nederland alsmede zijn begeleiding naar een plaats buiten Nederland, voorzover deze noodzakelijk is, en
- c. het verblijf van de vreemdeling in Nederland in de periode nadat de vervoersonderneming van een ambtenaar belast met de grensbewaking de aanwijzing heeft gekregen de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland.
##### Artikel 6.4
1. De noodzakelijke kosten van uitzetting die ten laste komen van de Staat of van andere openbare lichamen kunnen door de Staat, of door het andere openbare lichaam te welks laste zij zijn gekomen, worden verhaald op de vreemdeling en, indien hij minderjarig is, op degenen die het wettig gezag over hem uitoefenen.
2. De in het voorgaande lid bedoelde kosten van uitzetting omvatten de kosten, genoemd in [artikel 6.3, tweede lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=6.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
##### Artikel 6.5
1. Tegen een vreemdeling wordt geen inreisverbod uitgevaardigd, indien een redelijke termijn als bedoeld in [artikel 3.82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.82&z=2011-12-31&g=2011-12-31) nog niet is verstreken na afloop van het rechtmatig verblijf, bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), of als Nederlander.
2. Tegen een vreemdeling wordt geen inreisverbod uitgevaardigd, indien deze:
- a. als slachtoffer of getuige in aanmerking komt voor bedenktijd voor de aangifte van mensenhandel of mensensmokkel;
- b. als slachtoffer- of getuige-aangever in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14);
- c. als slachtoffer van huiselijk geweld van de persoon bij wie eerder verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, c dan wel e of l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) was toegestaan of als slachtoffer van eergerelateerd geweld in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14);
- d. als echtgenoot of minderjarig kind in het land van herkomst is achtergelaten door de persoon bij wie eerder rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, c dan wel e, of l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) was toegestaan, en op die grond in aanmerking komt voor de verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14);
- e. in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) op grond dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken;
- f. minderjarig is; of
- g. in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, of niet wordt uitgezet om reden dat diens uitzetting in strijd zou zijn met de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70) of genoemd Besluit nr. 1/80.
3. Het inreisverbod wordt opgeheven, indien zich een van de gevallen, bedoeld in het tweede lid, voordoet.
4. Van het eerste tot en met derde lid kan worden afgeweken ingeval de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen andere gevallen worden aangewezen waarin het inreisverbod om humanitaire of andere redenen achterwege wordt gelaten dan wel wordt opgeheven.
##### Artikel 6.6
1. De aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=68), wordt ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging terzake van enig misdrijf is onderworpen, en deze vreemdeling:
- a. indien hij ongewenst is verklaard wegens een geweldsdelict, een opiumdelict of een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd, na de ongewenstverklaring ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven;
- b. indien hij ongewenst is verklaard wegens andere misdrijven dan bedoeld in onderdeel a, na de ongewenstverklaring tenminste vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven;
- c. indien hij ongewenst is verklaard op grond van [artikel 67, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67), na de ongewenstverklaring tenminste één jaar buiten Nederland heeft verbleven.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt de aanvraag ingewilligd nadat de daar bedoelde vreemdeling tenminste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven, indien zwaarwegende belangen zich naar het oordeel van Onze Minister verzetten tegen opheffing van de ongewenstverklaring na vijf jaren.
3. De in het eerste lid genoemde termijnen vangen opnieuw aan, indien de vreemdeling tijdens de ongewenstverklaring:
- a. een als misdrijf strafbaar gestelde inbreuk op de openbare orde heeft gepleegd die tot ongewenstverklaring zou kunnen leiden, of
- b. zonder voorafgaande tijdelijke opheffing of in strijd met de aan die tijdelijke opheffing verbonden voorwaarden in Nederland heeft verbleven.
4. De gegevens, bedoeld in [artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2), die de vreemdeling verstrekt zijn in ieder geval:
- a. een schriftelijke verklaring van de vreemdeling dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na de ongewenstverklaring tien, onderscheidenlijk vijf achtereenvolgende jaren of één jaar buiten Nederland heeft verbleven en dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is;
- b. een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft gehouden;
- c. een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken, en
- d. een schriftelijke verklaring, afgegeven door de terzake bevoegde autoriteiten van het land of de landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging onderworpen is.
##### Artikel 6.7
In zeer uitzonderlijke en dringende gevallen kan Onze Minister de ongewenstverklaring tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
##### Artikel 7.1
Vervallen
##### Artikel 7.2
1. De uitzetting van de vreemdeling blijft, in afwijking van [artikel 73, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73) achterwege, indien het betreft een vreemdeling, die:
- a. onderdaan is van een land dat partij is bij het Europees Vestigingsverdrag;
- b. onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop het rechtmatig verblijf, bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) is geëindigd, gedurende twee aaneengesloten jaren dit rechtmatig verblijf heeft gehad;
- c. zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd, en
- d. tijdig bezwaar heeft gemaakt dan wel administratief beroep heeft ingesteld tegen een beschikking waarbij het rechtmatig verblijf is beëindigd.
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien de uitzetting van de vreemdeling wegens dwingende redenen van nationale veiligheid gerechtvaardigd is.
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
##### Artikel 8.1
1. Onze Minister onderscheidenlijk de korpschef verstrekt op de wijze als beschreven in dit artikel de gegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling die een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) nodig hebben voor de toekenning van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen of vergunningen.
2. De basisgegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen worden door Onze Minister onderscheidenlijk de korpschef verstrekt aan de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, met het oog op de verstrekking daarvan ingevolge de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723) aan een orgaan als bedoeld in het eerste lid. De basisgegevens zijn de gegevens betreffende het verblijfsrecht van de vreemdeling, bedoeld in [bedoeld in bijlage 1a van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006933&bijlage=1a).
3. Een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) vraagt Onze Minister onmiddellijk nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling, indien bij het bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), na raadpleging van de basisgegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens onduidelijkheid bestaat omtrent de verblijfsrechtelijke positie van die vreemdeling, omdat:
- a. de vreemdeling niet voorkomt in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, maar wel beschikt over het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9);
- b. de verblijfsrechtelijke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens afwijken van de gegevens omtrent het verblijf van die vreemdeling op het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), of
- c. de verblijfsrechtelijke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) afwijken van andere bescheiden, waarover het bestuursorgaan beschikt, waardoor gerede twijfel over de juistheid van de gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling is ontstaan.
4. Onze Minister verstrekt het bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), in de gevallen, bedoeld in het derde lid, desgevraagd onmiddellijk de nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling.
5. Indien een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), in een individueel geval aanwijzingen heeft dat op korte termijn een wijziging in de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling optreedt of recent een wijziging in de verblijfsrechtelijke positie is opgetreden en het bestuursorgaan heeft met redenen omkleed aannemelijk gemaakt dat vanwege het spoedeisende karakter bij het toekennen van een verstrekking, voorziening, uitkering, ontheffing of vergunning niet gewacht kan worden op de aanpassing van de basisgegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, verstrekt Onze Minister desgevraagd onmiddellijk nadere gegevens over een desbetreffende wijziging in de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan.
6. De korpschef, bedoeld in het eerste en tweede lid, is de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar de vreemdeling is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens dan wel waar hij tijdelijke woon- of verblijfplaats heeft. Indien de vreemdeling geen woon- of verblijfplaats heeft, verstrekt de korpschef van het regionale politiekorps waarin het bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), waarbij de vreemdeling zich meldt, is gelegen, de gegevens.
##### Artikel 8.2
1. Een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) verstrekt Onze Minister of de korpschef desgevraagd de gegevens omtrent de toekenning of de beëindiging van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen of vergunningen aan een vreemdeling, die nodig zijn voor:
- a. de verlening, de verlenging van de geldigheidsduur van, de wijziging van het verblijfsdoel van of intrekking van een verblijfsvergunning als bedoeld in de [artikel 8, onder a tot en met d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8);
- b. de beoordeling of aan de voorwaarden en beperkingen waaronder die verblijfsvergunning is verleend, wordt voldaan, of
- c. de beoordeling of een vreemdeling als gemeenschapsonderdaan rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
2. Indien uit de verblijfsrechtelijke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de beperking dat een beroep op publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, bedoeld in het eerste lid, die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt voldaan.
3. Indien uit de verblijfsrechtelijke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de beperking dat arbeid niet is toegestaan, dan wel arbeid uitsluitend is toegestaan bij een bepaalde werkgever, dan wel arbeid slechts is toegestaan indien de werkgever beschikt over een tewerkstellingsvergunning, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), belast met de verstrekking van ontheffingen of vergunningen als bedoeld in de [artikelen 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=1&artikel=8.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=1&artikel=8.4&z=2011-12-31&g=2011-12-31), uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, bedoeld in het eerste lid die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt voldaan.
4. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, bepalen dat de gegevens, bedoeld in dit artikel, periodiek of in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.
5. Het bestuursorgaan verstrekt de gegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, aan Onze Minister.
##### Artikel 8.3
1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) kan geen aanspraak maken op een beschikking als bedoeld in:
- a. de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002130&artikel=4), en [15 van de Vestigingswet Bedrijven 1954](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002130&artikel=15);
- b. de [artikelen 30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30b) en [30h van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30h);
- c. [artikel 3 van de Drank- en Horecawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=3);
- d. de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=2), en [7 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=7);
- e. [artikel 4, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=4).
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, kan geen aanspraak maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van gemeenten, provincies, waterschappen en met toepassing van de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) ingestelde openbare lichamen of gemeenschappelijke regelingen, voorzover die vergunningen of ontheffingen betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten.
##### Artikel 8.4
De vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf heeft op de gronden, genoemd in [artikel 8, onder f tot en met j, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), kan geen aanspraak maken op een beschikking als bedoeld in [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=1&artikel=8.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
### Afdeling 1. Uitzetting
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
##### Artikel 8.5
1. Aan een vreemdeling die onderdaan is van België of Luxemburg en die het vereiste document voor grensoverschrijding bezit, kan, in afwijking van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&z=2011-12-31&g=2011-12-31), de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd, indien hij een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt.
2. De ambtenaren belast met de grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, weigeren niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van Onze Minister de toegang tot Nederland aan een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid. De weigering geschiedt schriftelijk.
##### Artikel 8.6
1. De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), ingediend door een vreemdeling die onderdaan is van België of Luxemburg die geen gemeenschapsonderdaan is, kan slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling:
- a. een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; of
- b. niet over voldoende middelen van bestaan beschikt.
2. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), ingediend door de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, wordt niet afgewezen, en de verblijfsvergunning wordt niet ingetrokken, op grond van de omstandigheid dat de vreemdeling niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt.
3. In afwijking van [artikel 21, eerste en tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), ingediend door een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid die nog niet gedurende een tijdvak van vijf jaren rechtmatig verblijf heeft gehad, slechts afgewezen, indien hij:
- a. een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; of
- b. niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. In afwijking van [artikel 21 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), die is verleend aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, slechts worden ingetrokken op de in het derde lid, onder a, bedoelde grond.
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
##### Artikel 8.7
1. Deze paragraaf is van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.
2. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft:
- a. de echtgenoot;
- b. de partner, waarmee de vreemdeling een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan;
- c. de rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn, van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, of van diens echtgenoot of geregistreerd partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 21 jaar of ten laste is van die echtgenoot of geregistreerd partner; of
- d. de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn die ten laste is van de vreemdeling of van het gezinslid, bedoeld onder a of b.
3. Deze paragraaf is voorts van toepassing op andere familieleden dan bedoeld in het tweede lid, die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, in geval zij:
- a. in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij die vreemdeling; of
- b. vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door die vreemdeling strikt behoeven.
4. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft, en op de rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn van een zodanige partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 18 jaar en die partner vergezelt of zich bij die partner in Nederland voegt.
##### Artikel 8.8
1. Aan een vreemdeling als bedoeld in [artikel 8.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), die in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, kan de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, dan wel volksgezondheid:
- a. indien de vreemdeling op grond van zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt;
- b. in het geval van potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden getroffen;
- c. indien hij om redenen van de openbare orde of openbare veiligheid uit Nederland is verwijderd en sinds de verwijdering nog geen redelijke termijn is verstreken.
2. De ambtenaren, belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, weigeren niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van Onze Minister de toegang tot Nederland aan een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid. De weigering geschiedt schriftelijk.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de onderdaan van België of Luxemburg die geen gemeenschapsonderdaan is. Op deze vreemdeling is [artikel 8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=8.5&z=2011-12-31&g=2011-12-31) van toepassing.
4. Een vreemdeling die niet beschikt over het vereiste document voor grensoverschrijding, wordt niet uitgezet dan nadat hem gedurende een redelijke termijn de gelegenheid is gegeven dat document te verkrijgen of op andere wijze te laten vaststellen of bewijzen dat hij het recht op vrij verkeer en verblijf geniet.
##### Artikel 8.9
Aan een vreemdeling als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en die beschikt over een geldige verblijfskaart, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een staat als bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), waaruit het verblijfsrecht als familielid blijkt, wordt de toegang niet geweigerd wegens het ontbreken van een geldig visum. In het paspoort wordt geen aantekening gesteld omtrent inreis in Nederland of uitreis uit Nederland.
##### Artikel 8.10
De toegang van een persoon die in het bezit is van een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven Nederlands paspoort of Nederlandse identiteitskaart, en die om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid uit een andere lidstaat is verwijderd, wordt de toegang, ook indien het document is vervallen of de Nederlandse nationaliteit van de houder wordt betwist, niet geweigerd, indien deze persoon naar Nederland terugkeert uit een staat waar hem verblijf was toegestaan ingevolge het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of ingevolge de Overeenkomst van 21 juni 1999 van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86).
##### Artikel 8.11
1. De vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), heeft rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis, indien hij:
- a. beschikt over een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort; of
- b. het bewijs van zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen levert.
2. De vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het [eerste lid van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en beschikt over een geldig paspoort, heeft rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis.
##### Artikel 8.12
1. De vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:
- a. in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft;
- b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt;
- c. is ingeschreven voor een opleiding die is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13), of in het Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in [artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.4.1), om als hoofdbezigheid een studie of beroepsopleiding te volgen, beschikt over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt, en hij met een verklaring of een gelijkwaardig middel naar zijn keuze de zekerheid verschaft dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan voor zichzelf en zijn familieleden;
- d. een familielid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), is van een vreemdeling als bedoeld onder a of b;
- e. de echtgenoot, de geregistreerde partner of een kind is dat ten laste is van een vreemdeling als bedoeld onder c;
- f. familielid is als bedoeld in [artikel 8.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en hij in het land van herkomst ten laste is van of inwoont bij een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c;
- g. familielid is als bedoeld in [artikel 8.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en hij vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, strikt behoeft; of
- h. partner is als bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en hij een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft met een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, dan wel rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn, jonger dan 18 jaar, is van een zodanige partner.
2. Het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, eindigt niet om de enkele reden dat die vreemdeling niet langer werknemer of zelfstandige is:
- a. in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval;
- b. indien hij na werkzaamheden als werknemer of zelfstandige van ten minste een jaar onvrijwillig werkloos is en als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is ingeschreven;
- c. gedurende een periode van ten minste zes maanden, nadat hij onvrijwillige werkloos is geworden door de afloop van een arbeidsovereenkomst korter dan een jaar, dan wel nadat hij gedurende de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden is, indien hij als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is ingeschreven;
- d. indien hij een beroepsopleiding gaat volgen, die, behoudens ingeval van onvrijwillige werkloosheid, verband houdt met de voorafgaande beroepsactiviteit.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onder b, beschikt de vreemdeling met een inkomen ter hoogte van het normbedrag dat in [artikel 3.74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-12-31&g=2011-12-31) of ingevolge de [Wet investeren in jongeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026054) voor de desbetreffende categorie is vastgesteld, in ieder geval over voldoende middelen van bestaan.
4. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, meldt zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de in [artikel 8.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bedoelde periode aan bij Onze Minister ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie in geval hij beoogt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de gegevens en bescheiden die de vreemdeling bij de in het vorige lid bedoelde melding moet verstrekken of overleggen.
6. Onze Minister verstrekt na de in het vierde lid bedoelde inschrijving onmiddellijk een verklaring van inschrijving, waarin naam en adres van de ingeschreven vreemdeling en de datum van inschrijving worden vermeld.
7. De in het vierde en vijfde lid omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar op de wettelijk vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
##### Artikel 8.13
1. De vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het [eerste lid van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, voor zover hij in Nederland verblijft bij een vreemdeling als bedoeld in [artikel 8.12, eerste lid, onder a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.12&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, meldt zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de in [artikel 8.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bedoelde periode aan bij Onze Minister, in geval hij beoogt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven, en dient daarbij een aanvraag in tot afgifte van een verblijfsdocument.
3. Bij de indiening van de aanvraag legt de vreemdeling over:
- a. een geldig paspoort;
- b. de verklaring van inschrijving van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bij wie hij in Nederland verblijft;
- c. een document waaruit de familierechtelijke relatie of duurzame relatie blijkt met de vreemdeling, bedoeld onder b; en
- d. voor zover hij in Nederland verblijft als familielid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede lid, onder c of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31): bewijs dat hij een dergelijk familielid is;
- e. voor zover hij in Nederland verblijft als familielid als bedoeld in [artikel 8.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31): een door de bevoegde instantie van het land van herkomst afgegeven verklaring dat hij ten laste komt van of inwoont bij de vreemdeling, bedoeld onder b, onderscheidenlijk bewijs van ernstige gezondheidsredenen die de persoonlijke zorg door die vreemdeling noodzakelijk maken;
- f. voor zover hij in Nederland verblijft als partner als bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31): een bij regeling van Onze Minister vast te stellen relatieverklaring;
- g. voor zover hij in Nederland verblijft als rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn, jonger dan 18 jaar, van een partner als bedoeld onder f: bewijs dat is voldaan aan de [artikelen 3.13 tot en met 3.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
4. Onze Minister verstrekt onmiddellijk na de ontvangst van de aanvraag een verklaring dat de aanvraag is ingediend.
5. Onze Minister verstrekt de verblijfsgerechtigde vreemdeling binnen zes maanden na de ontvangst van de aanvraag een verblijfsdocument waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. [Artikel 25, tweede en derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) is niet van toepassing.
6. Het verblijfsdocument wordt afgegeven met een geldigheidsduur:
- a. die gelijk is aan de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bij wie de vreemdeling in Nederland verblijft, indien die duur korter is dan vijf jaar;
- b. van vijf jaar in de overige gevallen.
7. De in het tweede en derde lid omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar op de wettelijk vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
##### Artikel 8.14
Het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), die de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het [eerste lid van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), eindigt niet door het overlijden of het vertrek van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bij wie hij in Nederland verbleef. Het eindigt evenmin door de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerde partnerschap.
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
##### Artikel 8.15
1. Het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, eindigt niet door afwezigheid uit Nederland:
- a. van ten hoogste zes maanden per jaar;
- b. om belangrijke redenen gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf maanden;
- c. voor de vervulling van militaire verplichtingen;
- d. wegens uitzending voor het verrichten van werkzaamheden.
2. Onverminderd het vijfde lid eindigt het rechtmatig verblijf evenmin door het overlijden van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bij wie hij in Nederland verbleef:
- a. indien hij ten minste een jaar voor het overlijden van die vreemdeling in Nederland verbleef;
- b. voor voltooiing van de studie, indien hij in Nederland verbleef als het kind van die vreemdeling en voor studie is ingeschreven bij een onderwijsinstelling, dan wel indien hij de verzorgende ouder is van een zodanig kind.
3. Het tweede lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing bij het vertrek van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bij wie de vreemdeling in Nederland verbleef.
4. Onverminderd het vijfde lid eindigt het rechtmatig verblijf evenmin door de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerde partnerschap:
- a. indien het huwelijk voor het begin van de gerechtelijke procedure tot scheiding of nietigverklaring, onderscheidenlijk het partnerschap voor beëindiging daarvan, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan de vreemdeling ten minste één jaar in Nederland heeft verbleven;
- b. indien het gezag over de kinderen bij overeenkomst tussen de voormalige echtgenoten of partners, dan wel bij rechterlijke beslissing aan de vreemdeling is toegewezen;
- c. voor de duur waarvoor de omgang is voorgeschreven, indien de vreemdeling op grond van een overeenkomst of gerechtelijke beslissing het omgangsrecht met betrekking tot een minderjarig kind heeft en de omgang ingevolge een rechterlijke beslissing in Nederland moet plaatsvinden, of
- d. indien klemmende redenen van humanitaire aard tot aanvaarding van voortgezet verblijf nopen.
5. In afwijking van het tweede lid, onder a, en het vierde lid, kan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), die niet de nationaliteit van een staat bezit als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, worden beëindigd indien hij een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel vormt, tenzij hij het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in [artikel 8.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.17&z=2011-12-31&g=2011-12-31) heeft verkregen, of hij:
- a. werknemer of zelfstandige is;
- b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf in Nederland ten laste komen van de algemene middelen, en beschikt over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt; of
- c. gezinslid is van het reeds in Nederland gevormde gezin van een persoon die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld onder a of b.
6. Voor de toepassing van het vijfde lid, onder b, beschikt de vreemdeling met een inkomen ter hoogte van het normbedrag dat in [artikel 3.74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-12-31&g=2011-12-31) of ingevolge de [Wet investeren in jongeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026054) voor de desbetreffende categorie is vastgesteld, in ieder geval over voldoende middelen van bestaan.
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
##### Artikel 9.1
Vervallen
##### Artikel 9.2
Vervallen
##### Artikel 9.3
Vervallen
##### Artikel 9.4
Vervallen
##### Artikel 9.5
Vervallen
##### Artikel 9.6
Vervallen
##### Artikel 9.7
Vervallen
##### Artikel 9.8
Vervallen
##### Artikel 9.9
1. Bij de toepassing van de [artikelen 3.86, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-12-31&g=2011-12-31),[3.95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=3.95&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=3.98&z=2011-12-31&g=2011-12-31) blijft buiten beschouwing de periode van de terbeschikkingstelling, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet reeds was beëindigd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling na beëindiging van de maatregel wederom een misdrijf heeft gepleegd, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.
##### Artikel 9.10
Vervallen
##### Artikel 9.11
Vervallen
##### Artikel 9.12
Indien het bij koninklijke boodschap van 16 september 1999 ingediende voorstel van wet tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000) (Kamerstukken I 1999–2000, nr. 26 732, nr. 263) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.
##### Artikel 9.13
Dit besluit wordt aangehaald als: Vreemdelingenbesluit 2000.
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2004-09-15&g=2004-09-15), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.24a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt onder een beperking verband houdend met gezinshereniging verleend aan de bloedverwant in rechtstreekse opgaande lijn van de alleenstaande minderjarige houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die niet daadwerkelijk onder de hoede staat van een krachtens wettelijk voorschrift of gewoonterecht voor hem verantwoordelijke volwassene, indien die bloedverwant:
- a. beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bedoelde categorieën;
- b. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld;
- c. bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen, en
- d. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
2. Indien gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de alleenstaande minderjarige of de bloedverwant, bedoeld in het eerste lid, bijzondere banden heeft of indien de aanvraag niet is ingediend binnen drie maanden nadat aan de alleenstaande minderjarige, bedoeld in het eerste lid, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), is verleend, wordt de vergunning eerst verleend, nadat de alleenstaande minderjarige heeft aangetoond duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
##### Artikel 3.59a
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als kennismigrant als bedoeld in [artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d) worden verleend voor de duur van maximaal vijf jaren.
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 5. Intrekking
#### Paragraaf 4. Verlenging
#### Paragraaf 2. Afwijzen van de aanvraag
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2004-12-06&g=2004-12-06), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.1a
1. Het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) heeft tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft zo lang een besluit als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de richtlijn tijdelijke bescherming van kracht is, indien de vreemdeling:
- a. behoort tot de specifieke groep vreemdelingen zoals omschreven in een besluit van de Raad van de Europese Unie als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de richtlijn tijdelijke bescherming;
- b. de echtgenoot is van de vreemdeling, bedoeld onder a, of de ongehuwde partner met wie die vreemdeling een duurzame relatie onderhoudt, en ten tijde van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het in de aanhef bedoelde besluit met die vreemdeling samenwoonde;
- c. het minderjarige, ongehuwde, al dan niet geadopteerde kind is van de vreemdeling, bedoeld onder a of b;
- d. een ander naast familielid is van de vreemdeling, bedoeld onder a, die ten tijde van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het in de aanhef bedoelde besluit volledig of grotendeels afhankelijk was van die vreemdeling en met het gezin samenwoonde, en wiens achterlating een schrijnende situatie zou vormen; of
- e. behoort tot de bij regeling van Onze Minister aan te wijzen groep vreemdelingen uit hetzelfde land of dezelfde regio als de vreemdeling, bedoeld onder a, die om dezelfde reden ontheemd zijn en die niet reeds bescherming genieten in een ander land dat partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
2. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister bepalen dat uitzetting niet achterwege blijft, indien:
- a. de aanvraag met toepassing van [artikel 30, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30) wordt afgewezen;
- b. de vreemdeling reeds tijdelijke bescherming geniet in een ander land dat partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- c. de vreemdeling met toepassing van de richtlijn tijdelijke bescherming wordt overgebracht naar een ander land dat partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- d. de vreemdeling naar het land of regio van herkomst is teruggekeerd;
- e. ernstige redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat de vreemdeling:
- 1°. een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf, of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan als omschreven in de internationale instrumenten die bepalingen inzake dergelijke misdrijven bevatten;
- 2°. buiten Nederland een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan alvorens hij tijdelijke bescherming verkreeg;
- 3°. zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties;
- f. de vreemdeling ingevolge een onherroepelijk geworden veroordeling wegens een bijzonder ernstig misdrijf een gevaar vormt voor de Nederlandse samenleving; of
- g. er redelijke gronden aanwezig zijn om de vreemdeling als gevaar voor de nationale veiligheid te beschouwen.
3. Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel e, onder 2°, wordt de ernst van de verwachte vervolging afgewogen tegen de aard van het misdrijf waarvan de vreemdeling wordt verdacht, en kunnen bijzonder wrede handelingen, ook indien deze met een vermeend politiek oogmerk zijn verricht, worden aangemerkt als ernstige, niet-politieke misdrijven. Dit geldt voor alle deelnemers aan het misdrijf, met inbegrip van hen die het misdrijf hebben uitgelokt.
4. Een besluit op grond van het tweede lid, onder e tot en met g, wordt met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel gebaseerd op het persoonlijke gedrag van de vreemdeling.
### Afdeling 1. Rechtmatig verblijf
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 4. Verlenging
#### Paragraaf 5. Intrekking
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 5. Intrekking
#### Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
### Afdeling 1. Uitzetting
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 8. Administratieplichten
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2005-02-15&g=2005-02-15), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.31a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan onder een beperking, verband houdend met werkzaamheid in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening als bedoeld in [artikel 1e, eerste lid, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e), worden verleend indien de daar bedoelde melding is gedaan, onder verstrekking van de in het tweede lid van dat artikel voorgeschreven gegevens en bescheiden.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt niet afgewezen op de gronden, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, onder c of e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16).
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
##### Artikel 3.59b
1. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-12-31&g=2011-12-31) kan de verblijfsvergunning met het oog op werkzaamheid in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, als bedoeld in [artikel 1e van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e), worden verleend voor de duur van de werkzaamheden als vermeld in de krachtens [artikel 1e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e), door de dienstverrichter verstrekte verklaring, met een maximum van twee jaren.
2. De geldigheidsduur van de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning wordt na twee jaren niet verlengd.
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Afwijzen van de aanvraag
#### Paragraaf 5. Intrekking
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 1. Uitzetting
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2005-12-01&g=2005-12-01), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.71a
1. Een vreemdeling beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en van de Nederlandse maatschappij als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), indien hij binnen één jaar direct voorafgaand aan de aanvraag om de machtiging tot voorlopig verblijf het basisexamen inburgering, bedoeld in [artikel 3.98a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.98a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), met goed gevolg heeft afgelegd.
2. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), indien de vreemdeling:
- a. in Nederland wil verblijven als gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) of [33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33);
- b. ingevolge de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte heeft voldaan aan een inburgeringsvereiste om de status van langdurig ingezetene in de zin van [richtlijn 2003/109/EG](32003L0109) van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 16) te verkrijgen;
- c. ten genoegen van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie heeft aangetoond door een geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn het basisexamen inburgering, bedoeld in [artikel 3.98a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.98a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), af te leggen;
- d. het basisexamen inburgering, bedoeld in [artikel 3.98a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.98a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), niet met goed gevolg heeft afgelegd en afwijzing van die aanvraag naar het oordeel van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onderdelen a en b, en bij regeling van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onderdelen c en d.
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
##### Artikel 3.98a
1. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie stelt het basisexamen inburgering ter beoordeling van de kennis van de Nederlandse taal en van de Nederlandse maatschappij als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), vast door middel van een geautomatiseerd systeem.
2. Het basisexamen inburgering omvat een onderzoek naar de Nederlandse lees-, luister- en spreekvaardigheid van de vreemdeling.
3. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie stelt een examenprogramma vast voor de vereiste lees-, luister- en spreekvaardigheid. Dit examenprogramma strekt tot waarborg dat de vreemdeling die het basisexamen inburgering met goed gevolg heeft afgelegd, beschikt over de volgende vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen:
- a. leesvaardigheid;
- b. luistervaardigheid, en
- c. spreekvaardigheid.
4. De normering van de onderdelen lees-, luister- en spreekvaardigheid van het basisexamen inburgering wordt gerelateerd aan een van de niveaus van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
5. Het basisexamen inburgering omvat tevens een onderzoek naar de kennis van de Nederlandse samenleving.
6. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie stelt een examenprogramma vast voor de vereiste kennis van de Nederlandse samenleving. Dit examenprogramma waarborgt dat de vreemdeling die het basisexamen inburgering met goed gevolg heeft afgelegd, beschikt over elementaire praktische kennis van:
- a. Nederland, waaronder topografie, geschiedenis en staatsinrichting;
- b. huisvesting, onderwijs, arbeid, gezondheidszorg en inburgering in Nederland;
- c. zijn rechten en zijn verplichtingen na aankomst in Nederland;
- d. rechten en verplichtingen van anderen in Nederland, en
- e. in Nederland gangbare omgangsregels.
7. Het basisexamen inburgering wordt afgelegd in de Nederlandse taal op een niveau dat niet hoger is dan het niveau, bedoeld in het derde lid.
8. De examenprogramma’s, bedoeld in het derde en zesde lid, worden overeenkomstig door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie te stellen regels en tegen een door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie te stellen bedrag beschikbaar gesteld.
##### Artikel 3.98b
1. Tot het basisexamen inburgering wordt niet toegelaten de vreemdeling die:
- a. niet overeenkomstig door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie te stellen regels de aan het basisexamen verbonden kosten heeft voldaan, of
- b. geen medewerking heeft verleend aan het vastleggen van gegevens met het oog op zijn identificatie.
2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onder a, bedragen € 350,00.
3. De medewerking, bedoeld in het eerste lid, onder b, bestaat uit het zich digitaal laten fotograferen, het laten nemen van digitale vingerafdrukken en het laten maken van een scan of kopie van het paspoort of, indien de vreemdeling door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet in het bezit kan worden gesteld van een paspoort, een ander identiteitsbewijs.
4. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie stelt een examenreglement vast. Het examenreglement bevat in elk geval bepalingen omtrent:
- a. de gang van zaken tijdens het basisexamen inburgering;
- b. de maatregelen om onregelmatigheden en ordeverstoring tijdens het basisexamen inburgering te voorkomen, en
- c. de maatregelen die in geval van onregelmatigheden of ordeverstoring kunnen worden getroffen.
##### Artikel 3.98c
1. Het basisexamen inburgering wordt onder toezicht van een door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan te wijzen ambtenaar, medewerker, autoriteit of instelling afgelegd op een door dat hoofd vast te stellen tijdstip en in een door dat hoofd aan te wijzen ruimte.
2. Het basisexamen inburgering wordt afgelegd door middel van een telefonische of digitale verbinding met een geautomatiseerd systeem, dat door een door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie aan te wijzen instantie volgens door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie te stellen regels wordt beheerd.
3. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie beoordeelt de resultaten van het basisexamen inburgering door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het tweede lid.
4. Het resultaat van het basisexamen inburgering wordt in de gevallen waarin Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie niet door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het tweede lid, tot een beoordeling daarvan heeft kunnen komen, beoordeeld door examinatoren.
##### Artikel 3.98d
1. De resultaten van het basisexamen inburgering worden niet heroverwogen.
2. Onverminderd [artikel 3.98b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.98b&z=2011-12-31&g=2011-12-31), kan de vreemdeling die het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft afgelegd, het examen te allen tijde opnieuw afleggen.
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
#### Paragraaf 7. Documenten
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2006-03-15&g=2006-03-15), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 8.16
1. Onverminderd de [artikelen 8.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.22&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [8.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.23&z=2011-12-31&g=2011-12-31) eindigt het rechtmatig verblijf niet zolang de vreemdeling aan de in de [artikelen 8.12 tot en met 8.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.12&z=2011-12-31&g=2011-12-31) genoemde voorwaarden voldoet. In specifieke gevallen van redelijke twijfel kan Onze Minister onderzoeken of aan de voorwaarden wordt voldaan. Het onderzoek geschiedt niet stelselmatig. Een beroep op de algemene middelen leidt niet zonder meer tot beëindiging van het rechtmatig verblijf.
2. Onverminderd de [artikelen 8.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.22&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [8.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.23&z=2011-12-31&g=2011-12-31), eindigt het rechtmatig verblijf niet zolang de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31):
- a. werknemer of zelfstandige is; of
- b. naar Nederland is gekomen om werk te zoeken en hij kan bewijzen dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans op werk heeft.
##### Artikel 8.17
1. Duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft:
- a. de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad;
- b. de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad bij een vreemdeling als bedoeld onder a, waarbij mede wordt betrokken de periode waarin hij voldeed aan de voorwaarden van [artikel 8.15, vijfde lid, onder a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.15&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
2. Voor de berekening van het ononderbroken verblijf, bedoeld in het eerste lid, vormt geen onderbreking een afwezigheid uit Nederland:
- a. van ten hoogste zes maanden per jaar;
- b. om belangrijke redenen gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden;
- c. voor de vervulling van militaire verplichtingen; of
- d. wegens uitzending voor het verrichten van werkzaamheden.
3. De periode van vijf jaar, bedoeld in eerste lid, geldt niet voor:
- a. de werknemer of zelfstandige die langer dan drie jaar ononderbroken in Nederland heeft gewoond, die gedurende de laatste twaalf maanden in Nederland werkzaamheden heeft verricht en die op het tijdstip waarop hij zijn werkzaamheid staakt, de 65-jarige leeftijd heeft bereikt;
- b. de werknemer die langer dan drie jaar ononderbroken in Nederland heeft gewoond, die gedurende de laatste twaalf maanden in Nederland werkzaamheden heeft verricht en die zijn werkzaamheden staakt ten gevolge van vervroegde uittreding;
- c. de werknemer of zelfstandige die zijn werkzaamheden na meer dan twee jaar ononderbroken verblijf in Nederland staakt als gevolg van blijvende arbeidsongeschiktheid;
- d. de werknemer of zelfstandige die in Nederland zijn werkzaamheden staakt wegens blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsongeval of een beroepsziekte waardoor recht is ontstaan op een uitkering die geheel of ten dele ten laste komt van een Nederlandse instelling;
- e. de werknemer of zelfstandige die, na drie jaar ononderbroken in Nederland werkzaam te zijn geweest en in Nederland te hebben verbleven, werkzaam is in een andere lidstaat, zijn woning in Nederland aanhoudt en daar ten minste eenmaal per week naar terugkeert.
4. Bij de toepassing van het derde lid worden als arbeidsperioden mede in aanmerking genomen:
- a. het naar behoren door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde tijdvak van onvrijwillige werkloosheid waarin de vreemdeling wegens een niet-toerekenbare reden niet heeft gewerkt;
- b. de periode van afwezigheid of arbeidsonderbreking wegens ziekte of ongeval.
5. Bij de toepassing van het derde lid, onder a tot en met d, worden de tijdvakken van werkzaamheid in de lidstaat waarin de betrokkene werkzaam is, aangemerkt als in Nederland vervulde tijdvakken van werkzaamheid.
6. De in het derde lid, onder a en b, gestelde voorwaarden inzake de duur van het verblijf en van de werkzaamheid, en de in het derde lid, onder c en d, gestelde voorwaarde inzake de duur van het verblijf, zijn niet van toepassing indien de echtgenoot of de geregistreerde partner van de werknemer of zelfstandige Nederlander is of de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het huwelijk met die werknemer of zelfstandige.
7. De bij hem in Nederland verblijvende familieleden van de werknemer of zelfstandige hebben duurzaam verblijfsrecht, indien de werknemer of zelfstandige een nationaliteit als bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bezit en:
- a. op grond van het derde tot en met het zesde lid duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft verkregen; of
- b. tijdens zijn werkzame leven is overleden, voordat hij op grond van het derde tot en met het zesde lid duurzaam verblijfsrecht in Nederland verkreeg, en:
- 1°. hij op het tijdstip van zijn overlijden gedurende twee jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven;
- 2°. zijn overlijden het gevolg was van een arbeidsongeval of beroepsziekte; of
- 3°. zijn echtgenoot de Nederlandse nationaliteit als gevolg van hun huwelijk heeft verloren.
##### Artikel 8.18
Duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden beëindigd:
- a. bij afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit Nederland;
- b. indien ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid daartoe nopen.
##### Artikel 8.19
Onze Minister verstrekt de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), met duurzaam verblijfsrecht op aanvraag en na verificatie van de verblijfsduur een verblijfsdocument, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Het verblijfsdocument wordt zo spoedig mogelijk verstrekt. [Artikel 25 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) is niet van toepassing.
##### Artikel 8.20
1. Onze Minister verstrekt de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-12-31&g=2011-12-31), met duurzaam verblijfsrecht en die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, op aanvraag een verblijfsdocument, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. [Artikel 25, tweede en derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) is niet van toepassing.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het verblijfsdocument, bedoeld in [artikel 8.13, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
##### Artikel 8.21
Beëindiging van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling vormt een onderbreking vanaf het tijdstip waarop de vreemdeling Nederland heeft verlaten.
##### Artikel 8.22
1. Onze Minister kan het rechtmatig verblijf ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
2. Onze Minister kan bij de afgifte van de verklaring van inschrijving of het verblijfsdocument aan de lidstaat van oorsprong of andere lidstaten verzoeken om inlichtingen omtrent de gerechtelijke antecedenten.
3. Tenzij dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, wordt het rechtmatig verblijf niet beëindigd, indien de vreemdeling:
- a. in de voorafgaande tien jaar in Nederland heeft gewoond; of
- b. minderjarig is, tenzij verwijdering noodzakelijk is in het belang van het kind.
4. De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring kan slechts worden gedaan nadat sinds de verwijdering om redenen van openbare orde of openbare veiligheid een redelijke termijn is verstreken of indien die verwijdering tenminste drie jaren voorafgaand aan de aanvraag heeft plaatsgevonden.
5. Binnen zes maanden wordt een beschikking gegeven op de in het vierde lid bedoelde aanvraag.
6. Indien de verwijdering niet binnen twee jaren na de ontzegging of beëindiging, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden, onderzoekt Onze Minister of de bedreiging, bedoeld in het eerste lid, nog werkelijk en actueel is, waarbij Onze Minister sinds die ontzegging of beëindiging eventueel opgetreden wijzigingen in materiële zin in de omstandigheden beoordeelt.
##### Artikel 8.23
1. Onze Minister kan het rechtmatig verblijf op grond van de volksgezondheid ontzeggen of beëindigen in het geval van potentieel epidemische ziekten als gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel in geval van andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden getroffen.
2. Rechtmatig verblijf wordt niet op grond van de volksgezondheid beëindigd, indien de ziekte langer dan drie maanden na inreis van de vreemdeling is opgetreden.
3. Onze Minister kan de vreemdeling binnen drie maanden na inreis onderwerpen aan een kosteloos medisch onderzoek indien ernstige aanwijzingen daartoe aanleiding geven.
##### Artikel 8.24
1. De uitzetting van de vreemdeling, ten aanzien van wie het rechtmatig verblijf om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid is geweigerd of beëindigd, blijft, indien de vreemdeling de voorzieningenrechter heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, achterwege tot op dat verzoek is beslist, tenzij het besluit:
- a. met toepassing van [artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) is genomen;
- b. reeds door de rechtbank of de voorzieningenrechter is beoordeeld; of
- c. gebaseerd is op dwingende redenen van openbare veiligheid.
2. De toegang van de vreemdeling die voor de behandeling van een bezwaarschrift, beroepschrift, dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen beëindiging van het rechtmatig verblijf, geen gemachtigde heeft gesteld, wordt niet geweigerd, tenzij:
- a. zijn aanwezigheid de openbare orde of de openbare veiligheid ernstig zal verstoren; of
- b. het bezwaar of beroep is gericht tegen de weigering van toegang.
3. Onze Minister kan de vertrektermijn, bedoeld in [artikel 62, vierde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) slechts in naar behoren aangetoonde dringende gevallen verkorten tot minder dan vier weken.
##### Artikel 8.25
Onze Minister kan het rechtmatig verblijf beëindigen, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf.
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
##### Artikel 8.26
Onze Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen ontlenen aan de volgende verdragen:
- a. het Europees Vestigingsverdrag (Trb. 1957, 20);
- b. het Vluchtelingenverdrag (Trb. 1954, 88);
- c. het Verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42);
- d. de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70), Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie;
- e. het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag (Stb. 1906, 279);
- f. het Nederlands-Zwitsers Tractaat (Stb. 1878, nr. 137);
- g. het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag (Trb. 1956, 40);
- h. de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijde onderdanen (1975) (Trb. 1975, 133);
- i. de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen met bijlage en protocol inzake verkregen rechten (1981) (Trb. 1981, 35);
- j. de Associatieverdragen EG met Roemenië (PbEG 1994, L 357) en Bulgarije (PbEG 1994, L 358);
- k. de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86).
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.41a
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het volgen van studie als bedoeld in [artikel 3.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.41&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 1. Benelux
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 2.1a
1. De toegang wordt niet geweigerd, indien de vreemdeling naar Nederland terugkeert als gezinslid van een langdurig ingezetene, die houder is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) en die na verblijfsbeëindiging door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie uit die staat naar Nederland terugkeert.
2. De toegang wordt evenmin geweigerd, indien de vreemdeling uit een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie naar Nederland terugkeert als:
- a. houder of voormalig houder van een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart;
- b. gezinslid van een vreemdeling als bedoeld in onderdeel a, voor zover dat gezinslid houder is of is geweest van een door Onze Minister afgegeven verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met die vreemdeling.
### Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding
### Afdeling 3. Openbare orde
### Afdeling 4. Middelen voor kosten van verblijf
### Hoofdstuk 3. Verblijf
### Afdeling 4. Middelen voor kosten van verblijf
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
##### Artikel 3.23a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, aan de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of langdurig ingezetene, indien dat kind, die echtgenoot of partner:
- a. in een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is toegelaten als gezinslid van de langdurig ingezetene;
- b. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;
- c. al dan niet tezamen met de langdurig ingezetene duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-12-31&g=2011-12-31);
- d. geen gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-12-31&g=2011-12-31); en
- e. geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
2. De verblijfsvergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, aan het ongehuwde meerderjarige kind van de langdurig ingezetene, de echtgenoot of partner, bedoeld in het eerste lid, indien de achterlating van dat kind naar het oordeel van Onze Minister een onevenredige hardheid zou betekenen. De onderdelen a tot en met e van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de verblijfsvergunning niet verleend aan de ongehuwde partner of het kind van die partner, indien de relatie van die partner met de langdurig ingezetene niet duurzaam is of niet naar behoren is geattesteerd.
##### Artikel 3.29a
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene aan de langdurig ingezetene, die:
- a. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;
- b. duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-12-31&g=2011-12-31);
- c. geen gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-12-31&g=2011-12-31); en
- d. geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
##### Artikel 3.108
1. Het model van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) en [33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
2. De aanvraag wordt door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger in persoon ingediend op een bij ministeriële regeling te bepalen plaats.
3. In afwijking van het tweede lid wordt, indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, de aanvraag ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd.
##### Artikel 3.109
1. De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), wordt door de vreemdeling niet eerder ingediend dan zes dagen nadat hij overeenkomstig door Onze Minister gestelde regels te kennen heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen.
2. Gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om te worden voorgelicht over de asielprocedure en om zich op de asielprocedure voor te bereiden en zich daartoe te laten bijstaan. Aan de vreemdeling die te kennen geeft de in het eerste lid bedoelde aanvraag in te willen dienen wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij een gehoor als bedoeld in de [artikelen 3.112, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.112&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.113, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.113&z=2011-06-28&g=2011-06-28), te doen bijstaan.
3. Gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn worden de vreemdeling van overheidswege geen vragen gesteld naar zijn asielmotieven.
4. Van de vreemdeling die te kennen geeft de in het eerste lid bedoelde aanvraag in te willen dienen, worden door Onze Minister identificatiefoto’s vervaardigd en wordt een dactyloscopisch signalement opgemaakt. De vreemdeling verleent hieraan zijn medewerking.
5. De vreemdeling die te kennen geeft de in het eerste lid bedoelde aanvraag in te willen dienen wordt een medisch onderzoek aangeboden. Voor dit onderzoek is de schriftelijke toestemming van de vreemdeling vereist.
6. In afwijking van het eerste lid wordt geen termijn gesteld indien:
- a. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;
- b. de vreemdeling overlast bezorgt aan vreemdelingen die in een opvangvoorziening verblijven, aan personen die werkzaam zijn in de voorziening of aan anderen;
- c. de vreemdeling reeds eerder een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, heeft ingediend, of
- d. de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59), tenzij de aanvraag wordt ingediend in een Aanmeldcentrum.
7. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde termijn niet van toepassing is indien de aanvraag wordt ingediend in het Aanmeldcentrum Schiphol.
##### Artikel 3.110
1. Voor het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), zijn in een Aanmeldcentrum acht dagen beschikbaar.
2. Onze Minister kan de in het eerste lid genoemde termijn verlengen. In dat geval zijn voor het onderzoek in een Aanmeldcentrum ten hoogste veertien dagen beschikbaar.
3. De termijnen, genoemd in het eerste en tweede lid, vangen aan op de dag waarop de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), wordt ingediend. Voor die termijnen tellen, met uitzondering van het Aanmeldcentrum Schiphol, de dagen gedurende het weekeinde en de dagen die bij of krachtens de [Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen niet mee, tenzij bij ministeriële regeling wordt bepaald dat deze wel meetellen.
##### Artikel 3.111
1. Bij de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), worden door de vreemdeling in persoon alle gegevens verstrekt, waaronder begrepen de relevante documenten, op basis waarvan in samenwerking met de vreemdeling beoordeeld kan worden of er een rechtsgrond voor verlening van de vergunning aanwezig is.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
##### Artikel 3.112
1. Nadat de vreemdeling op de eerste dag de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) heeft ingediend, wordt hij op diezelfde dag door Onze Minister aan een eerste gehoor onderworpen.
2. Het eerste gehoor geschiedt overeenkomstig een bij ministeriële regeling vastgestelde vragenlijst. De vragenlijst bevat geen vragen omtrent de beweegredenen van de aanvraag.
3. Een afschrift van de ingevulde vragenlijst wordt op de eerste dag aan de vreemdeling ter kennis gebracht.
4. In afwijking van het eerste lid kan een eerste gehoor achterwege worden gelaten indien de vreemdeling reeds eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning, als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), heeft ingediend.
##### Artikel 3.113
1. Gedurende de tweede dag wordt de vreemdeling in staat gesteld zich op het nader gehoor voor te bereiden.
2. Op de derde dag wordt de vreemdeling door Onze Minister aan een nader gehoor onderworpen.
3. Van het nader gehoor wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Een afschrift van het verslag van nader gehoor wordt op de derde dag aan de vreemdeling ter kennis gebracht.
4. De vreemdeling kan uit eigen beweging of desgevraagd nadere gegevens verstrekken uiterlijk op de vierde dag. Het verslag van nader gehoor vermeldt deze termijn.
5. In afwijking van het tweede lid blijft een nader gehoor in een Aanmeldcentrum achterwege:
- a. indien de vreemdeling om medische redenen niet aan een nader gehoor kan worden onderworpen, of
- b. ten aanzien van een alleenstaande minderjarige vreemdeling beneden de leeftijd van twaalf jaar.
Bij ministeriële regeling kunnen andere gevallen worden aangewezen waarin een nader gehoor in een Aanmeldcentrum achterwege blijft.
6. Indien een nader gehoor in een Aanmeldcentrum achterwege is gebleven wordt de vreemdeling door Onze Minister zo spoedig mogelijk aan een nader gehoor onderworpen. Van het nader gehoor wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Een afschrift van het verslag van nader gehoor wordt zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling ter kennis gebracht. Het verslag van nader gehoor vermeldt de termijn waarbinnen de vreemdeling uit eigen beweging of desgevraagd nadere gegevens kan verstrekken. Deze termijn bedraagt ten minste twee dagen.
##### Artikel 3.114
1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen binnen acht dagen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt op de vijfde dag.
2. De vreemdeling brengt zijn zienswijze op het in het eerste lid bedoelde voornemen schriftelijk naar voren uiterlijk op de zesde dag.
3. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.
4. Het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze worden door Onze Minister vastgelegd.
5. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende schriftelijke zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het geven van de beschikking niet in de weg.
6. Onze Minister maakt de beschikking uiterlijk op de achtste dag bekend door uitreiking of toezending ervan.
##### Artikel 3.115
1. Onze Minister kan de in [artikel 3.110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2011-06-28&g=2011-06-28), genoemde termijn verlengen:
- a. in geval van overschrijding van de termijnen, bedoeld in de [artikelen 3.112, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.112&z=2011-06-28&g=2011-06-28), [3.113, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.113&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en [3.114, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.114&z=2011-06-28&g=2011-06-28), tenzij de overschrijding aan Onze Minister kan worden toegerekend;
- b. in geval van overschrijding van de termijnen, bedoeld in de [artikelen 3.113, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.113&z=2011-06-28&g=2011-06-28), of [3.114, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.114&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en de vreemdeling een met redenen omkleed verzoek om verlenging heeft ingediend, tenzij de overschrijding aan de vreemdeling kan worden toegerekend;
- c. indien naar het oordeel van Onze Minister nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling noodzakelijk is, of
- d. indien de vreemdeling zijn eerder tijdens het onderzoek afgelegde verklaringen essentieel wijzigt of aanvult.
2. De vreemdeling wordt van de verlenging schriftelijk in kennis gesteld. Bij de kennisgeving wordt de reden van de verlenging aangegeven alsmede op welk moment de verlengde termijn eindigt.
3. Indien Onze Minister de in [artikel 3.110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2011-06-28&g=2011-06-28), genoemde termijn heeft verlengd en voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen binnen veertien dagen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt.
4. De vreemdeling brengt zijn zienswijze uiterlijk op de dag na de uitreiking van het voornemen naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd.
5. [Artikel 3.114, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.114&z=2011-06-28&g=2011-06-28), is van toepassing.
6. Onze Minister maakt de beschikking uiterlijk op de veertiende dag bekend door uitreiking of toezending ervan.
7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de toepassing van het eerste lid alsmede de wijze waarop het onderzoek naar de aanvraag wordt vervolgd indien de in [artikel 3.110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2011-06-28&g=2011-06-28), genoemde termijn wordt verlengd.
##### Artikel 3.116
1. Het schriftelijke voornemen om:
- a. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen indien de termijnen, bedoeld in de [artikelen 3.112, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.112&z=2011-06-28&g=2011-06-28), [3.113, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.113&z=2011-06-28&g=2011-06-28), of [3.114, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.114&z=2011-06-28&g=2011-06-28), dan wel de op grond van [artikel 3.115, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.115&z=2011-06-28&g=2011-06-28), verlengde termijn, zijn overschreden;
- b. de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen;
- c. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), af te wijzen, of
- d. de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) en [33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), in te trekken, wordt aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan.
2. De termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren brengt bedraagt, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd:
- a. in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a: vier weken, en
- b. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d: zes weken.
3. De termijn, bedoeld in het tweede lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden.
4. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is de zienswijze tijdig ingediend, indien deze voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits deze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
5. De ontvangst van de schriftelijke zienswijze wordt door Onze Minister bevestigd.
6. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende schriftelijke zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het geven van de beschikking niet in de weg.
##### Artikel 3.117
1. De termijnen, genoemd in de [artikelen 3.112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.112&z=2011-06-28&g=2011-06-28), [3.113, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.113&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en [3.114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.114&z=2011-06-28&g=2011-06-28), zijn niet van toepassing op de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), van de vreemdeling aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) terwijl de vrijheidsontneming voortduurt, tenzij de aanvraag is ingediend in een Aanmeldcentrum.
2. De vreemdeling wordt door Onze Minister zo spoedig mogelijk na de indiening van de aanvraag aan een eerste gehoor onderworpen.
3. De vreemdeling wordt door Onze Minister zo spoedig mogelijk nadat een afschrift van de ingevulde vragenlijst, bedoeld in [artikel 3.112, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.112&z=2011-06-28&g=2011-06-28), aan hem ter kennis is gebracht, aan een nader gehoor onderworpen.
4. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag af te wijzen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe zo spoedig mogelijk uitgereikt of toegezonden.
5. De vreemdeling brengt zijn zienswijze binnen twee weken schriftelijk naar voren.
6. De termijn, bedoeld in het vijfde lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden.
7. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.
8. [Artikel 3.116, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.116&z=2011-06-28&g=2011-06-28), zijn van toepassing.
##### Artikel 3.118
1. Indien Onze Minister voornemens is om:
- a. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen na ommekomst van de in [artikel 3.110, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2011-06-28&g=2011-06-28), genoemde termijn;
- b. de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen, of
- c. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), af te wijzen, terwijl de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) of [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) en de vrijheidsontneming voortduurt, wordt het schriftelijk voornemen daartoe uitgereikt of toegezonden.
2. De [artikelen 3.117, vijfde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.117&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en [3.116, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.116&z=2011-06-28&g=2011-06-28), zijn van toepassing.
##### Artikel 3.119
Wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden:
- a. bekend worden, of
- b. reeds bekend waren maar naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling anders worden beoordeeld of gewogen, die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn en Onze Minister voornemens blijft de aanvraag af te wijzen, wordt dit aan de vreemdeling meegedeeld en wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.
##### Artikel 3.120
Indien de termijn voor het geven van de beschikking op grond van [artikel 42, vierde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=42) wordt verlengd, wordt de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Bij de kennisgeving wordt aangegeven op welk moment de verlengde beslistermijn eindigt.
##### Artikel 3.103a
1. Indien Onze Minister een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) verleent aan of verlengt van een vreemdeling die houder is van een door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, ter uitvoering van artikel 8 van de [Richtlijn nr. 2003/109/EG](32003L0109) van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16) afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die staat. Indien Onze Minister aan die houder ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van deze richtlijn een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen verleent, doet hij daarvan eveneens mededeling aan die autoriteiten.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien Onze Minister besluit de verblijfsvergunning van de in het eerste lid bedoelde houder in te trekken of niet te verlengen.
3. Indien Onze Minister overweegt een vreemdeling, die houder is als bedoeld in het eerste lid, uit te zetten naar een staat die geen partij is bij het Verdrag, bedoeld in het eerste lid, raadpleegt hij de autoriteiten van de andere staat, bedoeld in het eerste lid. Indien Onze Minister dienovereenkomstig besluit uit te zetten, verstrekt hij die autoriteiten alle nodige informatie met betrekking tot de uitzetting.
4. Indien Onze Minister beslist op een aanvraag tot het verlenen van een Europese blauwe kaart ten behoeve van een vreemdeling die door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie reeds in het bezit is gesteld van een Europese blauwe kaart, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die andere staat.
5. Onze Minister vormt het contactpunt dat door een staat als bedoeld in het eerste en vierde lid kan worden geraadpleegd, ter uitvoering van de in het eerste en vierde lid bedoelde richtlijn, en is verantwoordelijk voor het ontvangen en toezenden van de informatie, bedoeld in de voorgaande leden.
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
##### Artikel 4.1
1. Grensbewaking als bedoeld in [artikel 46 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46) wordt uitgeoefend met het oog op het Nederland in- en uitreizen van personen via een buitengrens.
2. Onder uitreizen wordt begrepen het zich aan boord begeven of bevinden van een schip of luchtvaartuig, dat voor de uitreis uit Nederland bestemd is.
##### Artikel 4.2
1. In het belang van de grensbewaking worden aan de buitengrenzen grensdoorlaatposten ingesteld.
2. Bij ministeriële regeling worden de plaatsen aangewezen waar grensdoorlaatposten, al dan niet tijdelijk, zijn gevestigd.
3. De grensdoorlaatposten worden bediend door ambtenaren van de Koninklijke marechaussee. De in de politieregio Rotterdam-Rijnmond gelegen grensdoorlaatposten worden eveneens bediend door de ambtenaren van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond.
4. Bij ministeriële regeling worden de tijden vastgesteld gedurende welke de grensdoorlaatposten zijn opengesteld.
##### Artikel 4.3
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 1. Uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Uitzetting
#### Paragraaf 7. Documenten
#### Paragraaf 2. EG/EER
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.80a
1. Een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf wordt afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling als bedoeld in [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.51&z=2011-12-31&g=2011-12-31), die het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 13 van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13), niet heeft behaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:
- a. jonger dan 16 jaar of 65 jaar of ouder is;
- b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens [artikel 2.6 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6);
- c. beschikt over een document als bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3), dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in [artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5);
- d. op grond van [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), of [artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31) van de inburgeringsplicht is ontheven;
- e. verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld.
3. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, indien de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8) door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
4. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de afwijzing van de aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, en omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d, en derde lid.
#### Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene
#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden
##### Artikel 3.96a
1. De aanvraag tot het verlenen of het wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) wordt afgewezen, indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 13 van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13) niet heeft behaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:
- a. 65 jaar of ouder is;
- b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens [artikel 2.6 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6);
- c. beschikt over een document als bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3), dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in [artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5);
- d. op grond van [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), of [artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31) van de inburgeringsplicht is ontheven;
- e. meerderjarig is en:
- 1°. voor het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in [artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), voor zover diens aanvraag is ontvangen voor het negenentwintigste levensjaar, of
- 2°. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in [artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is;
- f. oud-Nederlander is, die het Nederlanderschap heeft verloren door het afleggen van een verklaring van afstand, dan wel door intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend op de grond dat hij heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, en die voorafgaand aan de naturalisatie ten minste vijf jaren rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft gehad;
- g. meerderjarig is, in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van [artikel 8 van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) en voorafgaand aan de remigratie ten minste vijf jaren rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft gehad.
3. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, indien de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8) door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
4. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d, en derde lid.
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
##### Artikel 4.4
Benelux-onderdanen behoeven Nederland niet in- of uit te reizen via een grensdoorlaatpost.
##### Artikel 4.5
1. De vreemdeling die Nederland inreist, is verplicht desgevorderd aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking:
- a. het in zijn bezit zijnde document voor grensoverschrijding, de benodigde machtiging tot voorlopig verblijf dan wel het benodigde reisvisum of doorreisvisum te tonen en te overhandigen;
- b. inlichtingen te verstrekken over het doel en de duur van zijn voorgenomen verblijf in Nederland;
- c. aan te tonen over welke middelen hij met het oog op de toegang tot Nederland beschikt of kan beschikken.
2. Het eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die Nederland uitreist via een buitengrens.
3. Het eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), het familielid, bedoeld in [artikel 8.7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
##### Artikel 4.6
Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.
##### Artikel 4.7
De Nederlander die Nederland in- of uitreist, toont en overhandigt, desgevorderd, aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, het in zijn bezit zijnde reis- of identiteitspapier of maakt zo nodig op andere wijze zijn Nederlanderschap aannemelijk.
##### Artikel 4.8
De bestuurder van een voertuig geeft eigener beweging aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, kennis van de aanwezigheid in zijn voertuig van vreemdelingen ten aanzien van wie hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij niet voldoen aan de bij de Schengengrenscode of de bij of krachtens de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vastgestelde verplichtingen waaraan personen bij grensoverschrijding zijn onderworpen.
##### Artikel 3.107a
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), wordt afgewezen indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 13 van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13) niet heeft behaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:
- a. 65 jaar of ouder is;
- b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens [artikel 2.6 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6);
- c. beschikt over een document als bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3), dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in [artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5);
- d. op grond van [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), of [artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31) van de inburgeringsplicht is ontheven.
3. Onze Minister kan het eerste lid buiten toepassing, voor zover de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8) door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
4. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d, en derde lid.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
#### Paragraaf 7. Documenten
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 7. Documenten
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 2.2a
1. De vervoerder, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), die passagiers vervoert door de lucht, verzamelt op vordering van een ambtenaar belast met de grensbewaking de in het derde lid van dat artikel bedoelde passagiersgegevens en overhandigt deze voor het eind van de instapcontroles aan een ambtenaar belast met de grensbewaking.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling vanuit een lidstaat van de Europese Unie of een land dat betrokken is bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht.
3. De in [artikel 4, derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), bedoelde passagiersgegevens omvatten:
- a. het nummer en de aard van het gebruikte reisdocument;
- b. de nationaliteit;
- c. de volledige naam;
- d. de geboortedatum;
- e. de grensdoorlaatpost van binnenkomst;
- f. het vervoermiddel;
- g. het tijdstip van vertrek en van aankomst van het vervoermiddel;
- h. het totale aantal met dat vervoermiddel vervoerde passagiers, en
- i. het eerste instappunt.
4. Bij ministeriële regeling kunnen gevallen worden aangewezen waarin vervoerders verplicht zijn de in het derde lid bedoelde passagiersgegevens te verzamelen en te verstrekken zonder vordering daartoe.
5. De vervoerder vernietigt de krachtens het eerste lid verzamelde gegevens binnen 24 uur na aankomst in Nederland.
6. De vervoerder verstrekt de passagier informatie betreffende:
- a. zijn identiteit;
- b. de doeleinden waarvoor de gegevens worden verzameld;
- c. de gegevens die worden verzameld;
- d. de ontvangers van de gegevens, en
- e. het bestaan van het recht om kennis te nemen van zijn gegevens en het recht om om correctie van onjuiste gegevens te verzoeken.
7. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop de gegevens door de vervoerder worden verstrekt.
##### Artikel 2.2b
De ambtenaar belast met de grensbewaking vernietigt de op grond van [artikel 2.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.2a&z=2011-12-31&g=2011-12-31) verkregen passagiersgegevens binnen 24 uur na binnenkomst van de passagiers in Nederland, tenzij deze later nodig zijn voor de uitoefening van diens taken.
##### Artikel 2.2c
Onze Minister zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de toepassing van de [artikelen 2.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.2a&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [2.2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.2b&z=2011-12-31&g=2011-12-31) van dit besluit.
### Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding
### Afdeling 3. Openbare orde
### Hoofdstuk 3. Verblijf
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
#### Paragraaf 8. Administratieplichten
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.56a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan onder een beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG worden verleend aan de vreemdeling:
- a. die onderzoek verricht bij een bij ministeriële regeling aan te wijzen onderzoeksinstelling;
- b. die een met een onderzoeksinstelling gesloten gastovereenkomst overlegt, waaruit blijkt:
- 1°. dat het onderzoeksproject is goedgekeurd, na toetsing van:
- a. het doel en de duur van het onderzoek en de beschikbaarheid van de hiervoor benodigde financiële middelen;
- b. de kwalificaties van de vreemdeling in het licht van het doel van het onderzoek, die gestaafd worden met een gewaarmerkte kopie van een door de vreemdeling behaald passend diploma van hoger onderwijs, dat toegang geeft tot doctoraatprogramma’s; en
- 2°. wat de rechtsbetrekking en de arbeidsvoorwaarden van de vreemdeling zijn, en
- c. die een garantstelling van de onderzoeksinstelling overlegt.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid.
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
##### Artikel 3.89a
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), verleend onder een beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG, wordt, indien de aanwijzing van de onderzoeksinstelling na afgifte van de verblijfsvergunning niet verlengd of ingetrokken wordt, eerst op grond van [artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen nadat de vreemdeling die te goeder trouw is gedurende een termijn van drie maanden in de gelegenheid is geweest om alsnog aan de beperking te voldoen.
##### Artikel 3.91a
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), die is verleend onder een beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG, wordt eerst ingetrokken op de grond dat de aanwijzing van de onderzoeksinstelling na afgifte van de verblijfsvergunning niet verlengd of ingetrokken wordt, nadat de vreemdeling die te goeder trouw is gedurende drie maanden in de gelegenheid is geweest om alsnog aan de beperking te voldoen.
#### Paragraaf 5. Intrekking
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 1. Benelux
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.106a
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) wordt slechts afgewezen op grond van [artikel 30, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), of met toepassing van [artikel 31, tweede lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:
- a. het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en
- b. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en
- c. het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en
- d. de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.
2. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) wordt slechts afgewezen op grond van [artikel 30, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), of met toepassing van [artikel 31, tweede lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.
3. Bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.
4. Bij de beoordeling of de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) wordt afgewezen op grond van [artikel 30, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), wordt mede betrokken het beroep van de vreemdeling inhoudende dat hij in het derde land zal worden blootgesteld aan foltering, wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
##### Artikel 3.120a
Bij ministeriele regeling worden voorschriften gesteld omtrent:
- a. het verstrekken van inlichtingen aan de vreemdeling over de te volgen procedure, en
- b. het stellen van aantekeningen in het dossier van de vreemdeling ingeval van intrekking van diens aanvraag.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
### Afdeling 1. Grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.105a
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van omstandigheden als bedoeld in [artikel 31, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31).
##### Artikel 3.105b
Aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij verdragsvluchteling als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) is, kan verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) op grond van die toelatingsgrond slechts worden geweigerd, indien:
- a. er goede redenen bestaan om de vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid; of
- b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap.
##### Artikel 3.105c
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), wordt ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen indien sprake is van de situatie, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, onder a dan wel c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32).
2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), kan slechts op grond van [artikel 32, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32) worden ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen, indien:
- a. er goede redenen bestaan om de vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid; of
- b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van de situatie, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 3.105d
Vervallen
##### Artikel 3.105e
Aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die de rechtsgrond voor verlening, bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), vormen, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) verleend, tenzij er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:
- a. de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
- b. de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd;
- c. de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
- d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap of de nationale veiligheid; of
- e. de vreemdeling heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c vermelde misdrijven of daden,
in welk geval verlening van evenbedoelde verblijfsvergunning op voormelde grond wordt geweigerd.
##### Artikel 3.105f
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) wordt ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen, indien sprake is van de situatie, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, onder a dan wel c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32).
2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) wordt slechts ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt slechts afgewezen op grond van [artikel 32, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32), indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:
- a. de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
- b. de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd;
- c. de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
- d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap of voor de nationale veiligheid; of
- e. de vreemdeling heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c genoemde misdrijven of daden.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van de situatie, bedoeld in het eerste lid.
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
##### Artikel 4.9
De gezagvoerder van een schip verleent, desgevorderd, de medewerking aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, welke nodig is om deze ambtenaar in staat te stellen de door hem op grond van de Schengengrenscode uit te oefenen grenscontrole uit te voeren. Deze medewerking bestaat uit:
- a. het op een daartoe gegeven teken zodanig vaart verminderen en het zodanig op of bijdraaien van zijn schip, dat een dienstvaartuig behoorlijk langszij kan komen;
- b. het toelaten van ambtenaren, belast met de grensbewaking, aan boord van zijn schip;
- c. het op vordering van een ambtenaar, belast met de grensbewaking, tot stilstand brengen of aanleggen van zijn schip.
##### Artikel 4.10
[Artikel 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=4.8&z=2011-06-28&g=2011-06-28) is van overeenkomstige toepassing op gezagvoerders van andere schepen dan zeeschepen.
##### Artikel 4.11
1. De op grond van bijlage VI, onder 3.1.2, van de Schengengrenscode te verstrekken bemanningslijst en passagierslijst, worden bij het binnenvaren van Nederland onmiddellijk verstrekt aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. Bij ministeriële regeling kunnen modellen worden vastgesteld van de in bijlage VI, onder 3.1.2, van de Schengengrenscode bedoelde bemanningslijst en passagierslijst.
2. De in bijlage VI, onder 3.1.2, van de Schengengrenscode bedoelde grensdoorlaatposten waar de kopie van de bemanningslijst of, in voorkomend geval, de passagierslijst kan worden afgegeven, zijn:
- a. de grensdoorlaatpost ter plaatse waar het schip voor het eerst ligplaats neemt;
- b. voor schepen die bestemd zijn om rechtstreeks ligplaats te nemen in een gemeente, waar geen grensdoorlaatpost is gevestigd:
- 1°. één van de doorlaatposten Hoek van Holland-haven, Rotterdam-havens (ambulant), Dordrecht-haven of Moerdijk, indien Nederland over de Nieuwe Waterweg wordt binnengevaren;
- 2°. de Beneluxdoorlaatpost Gent-Terneuzen (ambulant), indien de kanaalzone Gent-Terneuzen wordt bevaren en het schepen betreft die niet, of anders dan rechtstreeks, uit open zee naar België varen;
- 3°. de eerste grensdoorlaatpost na binnenkomst, gelegen aan de waterweg waardoor het schip vaart, in alle overige gevallen.
##### Artikel 4.12
De in bijlage VI, onder 3.1.4, van de Schengengrenscode bedoelde bevoegde autoriteit aan wie onverwijld alle wijzigingen met betrekking tot de samenstelling van de bemanning of de passagiers wordt doorgegeven, is het hoofd van de grensdoorlaatpost in de gemeente waar het schip zich bevindt of, indien in die gemeente geen grensdoorlaatpost is gevestigd, aan het hoofd van de grensdoorlaatpost via welke hij Nederland is binnengekomen.
##### Artikel 4.13
1. De in bijlage VI, onder 3.1.5, van de Schengengrenscode bedoelde kennisgeving van afvaart wordt gedaan aan het hoofd van de grensdoorlaatpost waarlangs hij zal vertrekken. Indien in de gemeente waar het schip ligplaats heeft geen grensdoorlaatpost is gevestigd, wordt de kennisgeving gedaan aan het hoofd van de grensdoorlaatpost waaraan de bemanningslijst overeenkomstig [artikel 4.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=4.11&z=2011-06-28&g=2011-06-28), is afgegeven.
2. De in bijlage VI, onder 3.1.5, van de Schengengrenscode bedoelde kennisgeving wordt gedaan:
- a. ten hoogste zes en ten minste drie uur vóór het daadwerkelijke vertrek van het schip;
- b. indien het schip zich korter dan drie uur bevindt op de plaats waar de kennisgeving moet geschieden, op een zodanig tijdstip dat de met de bediening van de grensdoorlaatpost belaste ambtenaar in staat is de door hem uit te oefenen personencontrole uit te voeren.
##### Artikel 4.14
De [artikelen 4.11 tot en met 4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=4.11&z=2011-06-28&g=2011-06-28), gelden niet voor gezagvoerders van zeeschepen die, zonder ligplaats in een Nederlandse haven te nemen, door de Nederlandse territoriale zee varen.
##### Artikel 3.121
Bij ministeriele regeling worden voorschriften gesteld omtrent:
- a. het verstrekken van inlichtingen aan de vreemdeling over de te volgen procedure, en
- b. het stellen van aantekeningen in het dossier van de vreemdeling ingeval van intrekking van diens aanvraag.
##### Artikel 3.122
1. Aan de vreemdeling aan wie op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) is verleend, wordt zo spoedig mogelijk na verlening van die verblijfsvergunning in een voor hem begrijpelijke taal informatie verschaft over de rechten en plichten die verbonden zijn aan de verblijfsvergunning.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt verschaft.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
##### Artikel 4.15
1. De gezagvoerder van een vliegtuig verstrekt in tweevoud aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, de in bijlage VI, onder 2.3.1, van de Schengengrenscode bedoelde algemene verklaring en de in bijlage VII, onder 2.1, van de Schengengrenscode bedoelde gegevens over de bemanning.
2. Bij ministeriële regeling wordt het model van de bemannings- en passagierslijst aangewezen.
##### Artikel 4.16
De vordering aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig, bedoeld in [artikel 51, derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=51), wordt gedaan door tussenkomst van de luchtverkeersleiding.
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
##### Artikel 4.17
1. De korpschef verstrekt periodiek ten minste de volgende gegevens aan Onze Minister:
- a. gegevens over de wijze van behandeling van aanvragen betreffende een verblijfsvergunning;
- b. gegevens over het aantal en soort van de verleende verblijfsvergunningen;
- c. gegevens over de uitzetting van vreemdelingen, en
- d. gegevens over de uitvoering van het toezicht op vreemdelingen.
2. De bevelhebber van de Koninklijke marechaussee en, voorzover van toepassing, de korpschef van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond verstrekken periodiek ten minste de volgende inlichtingen aan Onze Minister:
- a. gegevens over de toegangsweigering;
- b. gegevens over de controle op de zorgplicht van vervoerders;
- c. gegevens over de uitzetting van vreemdelingen, en
- d. gegevens over de uitvoering van het toezicht op vreemdelingen.
##### Artikel 4.18
1. Aan de vreemdeling die met toepassing van [artikel 50, tweede of derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) is overgebracht naar een plaats, bestemd voor verhoor, wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het verhoor te doen bijstaan door een raadsman.
2. De in het eerste lid bedoelde vreemdeling wordt niet verder beperkt in de uitoefening van grondrechten, dan wordt gevorderd door het doel van de maatregel en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging.
##### Artikel 4.19
1. Een beslissing van de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee of de korpschef, genomen krachtens [artikel 50, vierde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50), wordt ten uitvoer gelegd in een cel van de Koninklijke marechaussee respectievelijk op een politiebureau. De Regeling politiecellencomplex is van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van de beslissing in een cel van de Koninklijke marechaussee.
2. De [artikelen 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.3&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.5&z=2011-06-28&g=2011-06-28) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 4.20
Indien de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee of de korpschef zijn bevoegdheid, bedoeld in [artikel 50, vierde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) mandateert doet hij dat niet dan aan een ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is.
##### Artikel 4.21
1. Als documenten in de zin van [artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50), worden aangewezen:
- a. voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8): een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model is vastgesteld bij ministeriële regeling;
- b. voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in [artikel 8 onder e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8): een geldig nationaal paspoort of geldige identiteitskaart, indien zij de nationaliteit van een staat bezitten als bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), of, indien zij een zodanige nationaliteit niet bezitten:
- 1°. een geldig nationaal paspoort met een voor inreis benodigd visum, indien na inreis nog geen drie maanden zijn verstreken;
- 2°. een geldig nationaal paspoort met een stempel van de inreis, indien voor inreis geen visum benodigd is en na inreis nog geen drie maanden zijn verstreken;
- 3°. een geldig nationaal paspoort met een door de bevoegde autoriteiten afgegeven verklaring als bedoeld in [artikel 8.13, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), indien na afgifte van de verklaring nog geen zes maanden zijn verstreken; of
- 4°. een door de bevoegde autoriteiten afgegeven verblijfsdocument als bedoeld in [artikel 8.13, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), dan wel [artikel 8.20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.20&z=2011-06-28&g=2011-06-28);
- c. voor vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), hebben ingediend: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling;
- d. voor vreemdelingen, anders dan bedoeld onder c, die rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder f, g, h, j, k, of m, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) hebben en die niet beschikken over een ingevolge [de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, dat is voorzien van een inlegvel als bedoeld in [artikel 4.29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-06-28&g=2011-06-28), waarop de verblijfsrechtelijke positie is aangetekend;
- e. voor andere vreemdelingen: een ingevolge de Wet voor het hebben van toegang tot Nederland vereist geldig document voor grensoverschrijding dan wel een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum is aangetekend of waarin een aantekening omtrent de verblijfsrechtelijke positie is geplaatst.
2. Geen document, anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, wordt verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld.
3. Op het ingevolge het eerste lid, onder a tot en met d, afgegeven document wordt aangetekend of het de vreemdeling toegestaan is arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een tewerkstellingsvergunning is vereist.
4. Indien aan het verblijf in Nederland van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde vreemdelingen een beperking als bedoeld in [artikel 3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2011-06-28&g=2011-06-28), is verbonden, wordt op het document de aantekening «beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht» gesteld.
##### Artikel 4.22
1. De documenten, bedoeld in [artikel 4.21, eerste lid, onder a tot en met d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.21&z=2011-06-28&g=2011-06-28), worden door Onze Minister vervangen, indien:
- a. de vreemdeling aan wie het document werd afgegeven, overeenkomstig [artikel 4.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=4.44&z=2011-06-28&g=2011-06-28) aangifte heeft gedaan van vermissing, verlies of het voor identificatie ondeugdelijk worden van dat document, en
- b. Onze Minister heeft vastgesteld dat er gegronde redenen zijn om te veronderstellen dat de aangifte naar waarheid is gedaan.
2. Onverminderd het eerste lid worden de documenten, bedoeld in [artikel 4.21, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.21&z=2011-06-28&g=2011-06-28), telkens vijf jaren na de afgifte ervan, vervangen.
##### Artikel 4.23
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, nemen op grond van [artikel 52, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52) het reis- of identiteitspapier van een persoon tijdelijk in bewaring:
- a. voorzover zulks nodig is voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in [artikel 4.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=4.45&z=2011-06-28&g=2011-06-28), of voor het stellen van een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24 tot en met artikel 4.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2011-06-28&g=2011-06-28);
- b. indien de persoon ter vaststelling van zijn identiteit is staande gehouden en niet aanstonds blijkt dat het hem is toegestaan in Nederland te verblijven, terwijl de gelegenheid ontbreekt hem, met toepassing van [artikel 50, tweede of derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) naar een plaats, bestemd voor verhoor, over te brengen;
- c. gedurende de tijd dat de persoon rechtens zijn vrijheid is ontnomen, of
- d. voorzover zulks nodig is met het oog op de uitzetting of de overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten als bedoeld in [artikel 52, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52).
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt het reis- of identiteitspapier aan de persoon teruggegeven, indien hij aan de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee de gegevens heeft verstrekt die deze in het belang van de toepassing van de Wet vraagt, tenzij er uit anderen hoofde gronden aanwezig zijn om het document in bewaring te houden.
##### Artikel 4.24
1. Naast het plaatsen van de in artikel 10 en bijlage IV van de Schengengrenscode bedoelde inreis- en uitreisstempel, kunnen ambtenaren belast met de grensbewaking, op grond van [artikel 52, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52), in het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling aantekeningen stellen omtrent:
- a. inreis in Nederland;
- b. het doel en de duur van het voorgenomen verblijf in Nederland;
- c. de middelen waarover de vreemdeling met het oog op de toegang tot Nederland beschikt of kan beschikken;
- d. aanmelding bij een korpschef;
- e. de toepassing van [artikel 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=2&artikel=2.4&z=2011-06-28&g=2011-06-28);
- f. het weigeren van toegang tot Nederland;
- g. vertrek of uitzetting uit Nederland, of
- h. uitreis uit Nederland.
2. Elke doorhaling of vervallenverklaring van een in een reis- of identiteitspapier van een vreemdeling gestelde aantekening, wordt door de ambtenaar die de doorhaling of vervallenverklaring verricht, gedateerd en van diens paraaf voorzien.
##### Artikel 4.25
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling die toegang tot Nederland heeft en die Nederland langs een doorlaatpost in- of uitreist een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder a en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2011-06-28&g=2011-06-28), waaruit blijkt langs welke doorlaatpost en op welke datum de in- of uitreis heeft plaatsgevonden.
2. Bij de aantekening, welke ingevolge het eerste lid wordt gesteld in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling die Nederland inreist, wordt vermeld het aantal in gezelschap van de houder van dat document reizende vreemdelingen dat daarin is opgenomen of staat bijgeschreven. Bij inreis in Nederland van een vreemdeling, reizende in groepsverband op een collectief paspoort of op een collectieve lijst, worden de namen van de in het document opgenomen vreemdelingen die zich niet bij het gezelschap bevinden of aan wie de toegang tot Nederland wordt geweigerd, door de ambtenaar, belast met de grensbewaking, doorgehaald.
##### Artikel 4.26
De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2011-06-28&g=2011-06-28), inhoudende dat de vreemdeling zich binnen drie dagen bij de korpschef, onder vermelding van de plaats, moet melden, indien daartoe naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat. Deze aantekening kan ook geplaatst worden in een bijzonder doorlaatbewijs.
##### Artikel 4.27
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2011-06-28&g=2011-06-28), indien zij vermoeden dat de vreemdeling andermaal zal trachten Nederland in te reizen zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang, bedoeld in artikel 5 van de Schengengrenscode of [artikel 3 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3).
2. Uit de aantekening, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de toegang is geweigerd, met vermelding van de datum en zo nodig de grond waarop deze weigering berust.
##### Artikel 4.28
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2011-06-28&g=2011-06-28), indien zij vermoeden dat de vreemdeling zal trachten zich andermaal naar Nederland te begeven zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. Een zodanige aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door of diens toegang tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
2. Uit de aantekening, bedoeld in het eerste lid, blijkt het vertrek of de uitzetting van de vreemdeling, met vermelding van de datum en zo nodig de reden van het vertrek of de uitzetting.
##### Artikel 4.29
1. De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, stellen in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling aantekeningen omtrent:
- a. aanmelding of vervoeging bij een korpschef;
- b. de woon- of verblijfplaats binnen Nederland en vertrek naar het buitenland;
- c. het verlenen, het verlengen van de geldigheidsduur of het intrekken van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd;
- d. het verlenen of het intrekken van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;
- e. het opleggen van een individuele verplichting tot periodieke aanmelding overeenkomstig [artikel 54, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54);
- f. het beperken van de vrijheid van beweging overeenkomstig [artikel 56 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56);
- g. vertrek of uitzetting uit Nederland;
- h. ongewenstverklaring, en
- i. de datum en plaats van inreis in Nederland.
2. Elke doorhaling of vervallenverklaring van een in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling gestelde aantekening wordt door de ambtenaar die de doorhaling of vervallenverklaring verricht, gedateerd en van diens paraaf voorzien.
3. In afwijking van het eerste lid, wordt een aantekening op een aan de vreemdeling te verstrekken afzonderlijk inlegblad gesteld, indien:
- a. het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling zich niet voor het stellen van een zodanige aantekening leent;
- b. de vreemdeling houder is van een buitenlands vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort;
- c. de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder f, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) of [20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) heeft ingediend en, naar het oordeel van de korpschef, termen aanwezig zijn de aanvraag af te wijzen;
- d. de vreemdeling geen geldig document voor grensoverschrijding heeft, of
- e. de vreemdeling houder is van een document als bedoeld in [artikel 4.21, eerste lid, onder a, b, c of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.21&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding.
##### Artikel 4.30
1. De aantekeningen, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-06-28&g=2011-06-28), hebben betrekking op de aanmelding ingevolge de [artikelen 4.47 tot en met 4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=5&artikel=4.47&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
2. Uit de aantekening blijkt de datum van aanmelding.
3. Uit de aantekening blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een tewerkstellingsvergunning vereist is.
4. Indien het betreft een vreemdeling die naar Nederland is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip kan de aantekening worden aangevuld met een zinsnede waaruit zulks blijkt en wordt een uiterlijke datum van verblijf opgenomen.
##### Artikel 4.31
1. De aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt gesteld indien op grond van [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1&z=2011-06-28&g=2011-06-28) uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft. De datum waarop de aanvraag is ontvangen wordt eveneens aangetekend. Indien de aanvraag wordt afgewezen, wordt «vervallen» aangetekend.
2. Uit de aantekening blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een tewerkstellingsvergunning vereist is.
##### Artikel 4.32
1. Uit de aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-06-28&g=2011-06-28), blijkt op welke datum de vreemdeling is veranderd van woon- of verblijfplaats binnen Nederland.
2. De aantekening, bedoeld in het eerste lid, wordt door de korpschef van het regionale politiekorps waarin de nieuwe woon- of verblijfplaats is gelegen, gesteld.
##### Artikel 4.33
1. Uit de aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-06-28&g=2011-06-28), blijkt de verplichte periode van aanmelding overeenkomstig [artikel 54, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) alsmede eventuele verdere bijzonderheden.
2. Nadat de vreemdeling voor de eerste maal heeft voldaan aan de verplichting tot periodieke aanmelding ingevolge [artikel 4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=6&artikel=4.51&z=2011-06-28&g=2011-06-28), kunnen de daarop volgende aanmeldingen worden aangetekend door in het reis- of identiteitspapier de datum van de aanmelding te stellen.
3. Uit de aantekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een tewerkstellingsvergunning vereist is.
##### Artikel 4.34
1. De aantekeningen, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-06-28&g=2011-06-28), betreffen:
- a. een aantekening waaruit de uiterlijke datum van vertrek blijkt, indien aan de vreemdeling overeenkomstig [artikel 62 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) een termijn is gegund waarbinnen hij Nederland uit eigen beweging dient te verlaten;
- b. een aantekening waaruit blijkt tot welke datum uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft ingevolge [artikel 64 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64);
- c. een aantekening waaruit de datum van indienen van een bezwaarschrift blijkt, indien de uitzetting achterwege blijft hangende een beslissing op een door de vreemdeling ingediend bezwaar, eventueel met doorhaling van de aantekening, bedoeld onder a;
- d. een aantekening omtrent uitzetting, indien naar het oordeel van de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal trachten naar Nederland terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland.
2. Bij een aantekening als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt tevens gesteld dat arbeid niet is toegestaan.
3. De aantekening, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt niet gesteld, indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
##### Artikel 4.35
1. De aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt geplaatst, indien de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee vermoedt dat de vreemdeling zal trachten naar Nederland terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. De aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
2. Uit de aantekening blijkt de datum waarop de vreemdeling ongewenst is verklaard.
##### Artikel 4.36
Bij ministeriële regeling kunnen modellen van de aantekeningen, bedoeld in deze afdeling, worden vastgesteld.
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
##### Artikel 4.37
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), is verplicht om in geval van:
- a. verandering van adres binnen de gemeente waar de vreemdeling woont of verblijft, hiervan binnen vijf dagen kennis te geven aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen;
- b. verandering van woon- of verblijfplaats binnen Nederland, zo mogelijk onder opgave van het nieuwe adres, hiervan vóór het vertrek kennis te geven aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen van waaruit de vreemdeling vertrekt;
- c. verandering van woon- of verblijfplaats binnen Nederland, onder opgave van het nieuwe adres, hiervan binnen vijf dagen na aankomst in de nieuwe woon- of verblijfplaats in persoon kennis te geven aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de nieuwe woon- of verblijfsplaats is gelegen;
- d. vertrek naar het buitenland, zo mogelijk onder opgave van het nieuwe adres, hiervan vóór het vertrek kennis te geven aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waaruit de vreemdeling vertrekt is gelegen.
2. De in het eerste lid, onder a en c, bedoelde kennisgeving blijft achterwege indien de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de nieuwe woonplaats.
3. De vreemdeling die niet rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), geeft kennis van verandering van woon- of verblijfplaats binnen Nederland als bedoeld in het eerste lid, onder b, indien Onze Minister dat vordert.
4. De in het eerste en derde lid omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar op de wettelijke vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijke vertegenwoordiger.
5. De in het eerste en derde lid omschreven verplichtingen rusten niet op de onderdaan van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de onderdaan van Zwitserland met verblijfsrecht van maximaal drie maanden als bedoeld in [artikel 8.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
6. Van vertrek naar het buitenland wordt geen kennis gegeven door de vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet naar het buitenland verplaatst.
#### Paragraaf 7. Documenten
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.118a
1. Indien Onze Minister oordeelt dat een ander land ingevolge een verdrag of een voor dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), en uit dien hoofde het andere land om overname of terugname zal verzoeken, wordt het schriftelijk voornemen om de aanvraag af te wijzen, vooruitlopend op aanvaarding van het verzoek tot overname of terugname door het andere land, aan de vreemdeling uitgereikt.
2. Indien Onze Minister het voornemen, bedoeld in het eerste lid, op de vijfde dag aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze uiterlijk op de zesde dag schriftelijk naar voren. Indien Onze Minister de in [artikel 3.110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2011-12-31&g=2011-12-31), genoemde termijn heeft verlengd en dat voornemen aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze uiterlijk op de dag na de uitreiking van het voornemen naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd.
3. Indien Onze Minister het voornemen, bedoeld in het eerste lid, na ommekomst van de in [artikel 3.110, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2011-12-31&g=2011-12-31), genoemde termijn aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze binnen een week schriftelijk naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt.
4. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.
5. In het geval, bedoeld in het tweede lid, worden het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze door Onze Minister vastgelegd. In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt de ontvangst van de schriftelijke zienswijze door Onze Minister bevestigd.
6. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat niet aan het verzoek om overname in de weg, en evenmin aan het nemen van de beschikking bij aanvaarding van het verzoek tot overname.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.1b
1. Het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een Europese blauwe kaart heeft tot gevolg dat uitzetting achterwege blijft, indien de vreemdeling direct voorafgaande aan de indiening van de aanvraag houder was van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart.
2. Het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), heeft tot gevolg dat uitzetting achterwege blijft, indien:
- a. de vreemdeling de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van een houder van een Europese blauwe kaart is, dan wel het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of houder van de Europese blauwe kaart;
- b. de houder van de Europese blauwe kaart, bedoeld in onderdeel a, direct voorafgaande aan de indiening van de aanvraag houder was van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart, en
- c. geen sprake is van gezinsvorming.
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
##### Artikel 3.79a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.87a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.89b
1. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart kan worden afgewezen, indien de houder niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van die kaart, zoals opgenomen in [artikel 3.30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.30b&z=2011-12-31&g=2011-12-31), met uitzondering van het eerste lid, onder e.
2. In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart niet met toepassing van [artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen op de grond dat de houder werkloos is, tenzij deze:
- a. langer dan drie achtereenvolgende maanden werkloos is;
- b. tijdens de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart eerder werkloos is geweest, of
- c. een uitkering krachtens de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) heeft aangevraagd.
3. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart wordt niet met toepassing van [artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18), afgewezen op grond van werkloosheid als bedoeld in het tweede lid, onder a of b.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste en tweede lid.
##### Artikel 3.89c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.91b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.91c
De Europese blauwe kaart kan worden ingetrokken op de in [artikel 3.89b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.89b&z=2011-12-31&g=2011-12-31), genoemde gronden. Het tweede tot en met vierde lid van dat artikel zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.91d
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
##### Artikel 3.108a
1. Op de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
2. De termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd indien naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie nodig is.
3. De [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=43) en [43a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=43a) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
##### Artikel 4.38
1. De vreemdeling verstrekt op vordering van Onze Minister de gegevens, bedoeld in de [artikelen 4.39 tot en met 4.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=4.39&z=2011-06-28&g=2011-06-28), binnen de in de vordering aangegeven tijd.
2. Indien daartoe in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat kan de in het voorgaande lid bedoelde vordering inhouden dat de vreemdeling de gegevens in persoon verstrekt.
3. In het belang van de vreemdelingenregistratie kan een vordering als bedoeld in het eerste lid bij algemene bekendmaking worden gedaan.
4. Indien de vreemdeling jonger is dan twaalf jaar, dan kan de vordering, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden gericht tot de wettelijke vertegenwoordiger.
##### Artikel 4.39
De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, doet onmiddellijk van zijn aanwezigheid in persoon mededeling aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij verblijft is gelegen.
##### Artikel 4.40
Personen die nachtverblijf verschaffen aan een vreemdeling, van wie zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat deze vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in [artikel 8 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), doen daarvan onmiddellijk mededeling aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar de vreemdeling verblijft is gelegen.
##### Artikel 4.41
Werkgevers, van wie bij Onze Minister bekend is dat zij een vreemdeling in dienst hebben gehad die niet rechtmatig verbleef of aan wie het niet was toegestaan arbeid te verrichten, verstrekken aan Onze Minister, op diens vordering, onmiddellijk de gegevens omtrent de vreemdeling die bij hen tewerkgesteld wordt, in dienst is of in dienst is geweest. Onze Minister kan een termijn stellen waarbinnen de gegevens worden verstrekt.
##### Artikel 4.42
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder i, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en die arbeid gaat zoeken of arbeid gaat verrichten, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef van het regionale politiekorps, waarin de gemeente waar de vreemdeling verblijft is gelegen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die:
- a. houder is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf afgegeven voor een verblijfsdoel waarbij het verrichten van arbeid is toegestaan;
- b. kan aantonen dat hij naar Nederland is gekomen voor het verrichten van arbeid gedurende ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van zijn binnenkomst, of
- c. naar Nederland is gekomen om aan te monsteren of als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip.
3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van seksuele diensten aan derden, tenzij de vreemdeling gemeenschapsonderdaan is.
##### Artikel 4.43
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en die niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar de vreemdeling verblijft is gelegen.
2. Onverminderd het eerste lid, stelt de houder van de door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart, voor zover deze nog geen drie jaar als houder van die kaart in Nederland verblijft, Onze Minister vooraf in kennis van zijn voornemen om een arbeidsovereenkomst te sluiten met een andere werkgever. Hij stelt Onze Minister zo mogelijk vooraf in kennis van zijn werkloosheid en van andere wijzigingen die van belang kunnen zijn voor de intrekking van de Europese blauwe kaart.
##### Artikel 4.44
De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en wiens document, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon aangifte bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft is gelegen.
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
##### Artikel 4.45
De medewerking van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 54, eerste lid, onderdeel c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54), bestaat uit:
- a. het op vordering van een ambtenaar belast met de grensbewaking of een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto, en
- b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken, indien daartoe naar het oordeel van de ambtenaar, belast met de grensbewaking of een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, gegronde reden bestaat.
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
##### Artikel 4.44a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.44b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 1. Uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
##### Artikel 8.2a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 3. Inreisverbod
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 4.17a
1. De bevoegdheid, bedoeld in [artikel 50, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50), om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, wordt uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen:
- a. op luchthavens bij de aankomst van vluchten vanuit het Schengengebied;
- b. in treinen gedurende ten hoogste dertig minuten na het passeren van de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland of, als binnen deze periode het tweede station na het passeren van de grens nog niet is bereikt, tot uiterlijk het tweede station na het passeren van de grens;
- c. op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.
2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.
3. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt ten hoogste zeven keer per week uitgevoerd ten aanzien van vluchten op eenzelfde vliegroute, met een maximum van eenderde van het totale aantal geplande vluchten per maand op die vliegroute. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passagiers op een vlucht staande gehouden.
4. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt per dag in ten hoogste twee treinen per traject en ten hoogste acht treinen in totaal uitgevoerd, en per trein in ten hoogste twee treincoupés.
5. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
#### Paragraaf 8. Administratieplichten
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.23b
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, aan de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van de houder van de door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart, en het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of houder van de Europese blauwe kaart, indien:
- a. dat kind, die echtgenoot of die partner in een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gedurende ten minste achttien maanden is toegelaten als gezinslid van die houder van de Europese blauwe kaart;
- b. dat kind, die echtgenoot of die partner in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding of een gewaarmerkt afschrift daarvan;
- c. dat kind, die echtgenoot of die partner geen gevaar voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-12-31&g=2011-12-31) of de nationale veiligheid vormt;
- d. dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
2. De verblijfsvergunning wordt verleend, indien de houder van de Europese blauwe kaart:
- a. direct voorafgaande aan de verlening van die kaart door Onze Minister houder was van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart;
- b. duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
3. Dit lid is nog niet in werking getreden.
##### Artikel 3.30a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan worden verleend onder een beperking verband houdend met arbeid als kennismigrant aan een vreemdeling als bedoeld in [artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d), tenzij het overeengekomen loon naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sterk afwijkt van het loon dat voor de te verrichten werkzaamheden in overeenkomstige functies gebruikelijk is.
2. Dit lid is nog niet in werking getreden.
##### Artikel 3.30b
1. De Europese blauwe kaart wordt verleend aan een vreemdeling als bedoeld in [artikel 1i van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1i), die:
- a. beschikt over een geldige arbeidsovereenkomst of een bindend aanbod van een hooggekwalificeerde baan in de zin van artikel 2, onder b, van Richtlijn 2009/50/EG voor de duur van ten minste een jaar met een werkgever in Nederland, waarmee een bruto inkomen wordt verworven dat ten minste gelijk is aan het loon, bedoeld in [artikel 1i van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1i);
- b. in Nederland arbeid verricht of gaat verrichten voor een werkgever aan wie in de periode van maximaal vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag geen sanctie is opgelegd wegens overtreding van [artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2) of wegens het niet of onvoldoende afdragen van loonbelasting, premies voor de werknemersverzekeringen of premies voor de volksverzekeringen;
- c. voor zover hij een gereglementeerd beroep in de zin van [artikel 1 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=1) wil uitoefenen, beschikt over een erkenning van de beroepskwalificaties in de zin van [artikel 5 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5), dan wel, voor zover hij geen gereglementeerd beroep wil uitoefenen, beschikt over voor dat beroep of de desbetreffende sector benodigde getuigschriften van hoger onderwijs in de zin van artikel 2, onder h, van richtlijn 2009/50/EG;
- d. in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding;
- e. in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, afgegeven onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van de Europese blauwe kaart, dan wel behoort tot een van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-12-31&g=2011-12-31), bedoelde categorieën, en
- f. geen gevaar voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-12-31&g=2011-12-31) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-12-31&g=2011-12-31) of de nationale veiligheid vormt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de vreemdeling, die:
- a. een aanvraag tot het verlenen van verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) heeft ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist, dan wel houder is van een zodanige verblijfsvergunning;
- b. een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) heeft ingediend als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG, waarop nog niet onherroepelijk is beslist;
- c. gemeenschapsonderdaan of langdurig ingezetene is;
- d. in Nederland verblijft op grond van een verdrag dat de toegang en het tijdelijk verblijf van bepaalde categorieën natuurlijke personen in verband met handel en investeringen gemakkelijker maken;
- e. in Nederland verblijft als seizoensarbeider of als vreemdeling die onder Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PbEU 1997, L 18) valt en in Nederland ter beschikking is gesteld.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), indien de vreemdeling:
- a. houder is van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart, en
- b. ten minste achttien maanden in de staat, bedoeld in onderdeel a, als houder van die Europese blauwe kaart heeft verbleven.
4. Dit lid is nog niet in werking getreden.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste en tweede lid.
##### Artikel 3.59c
1. De Europese blauwe kaart wordt verleend met een geldigheidsduur tot drie maanden na afloop van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in [artikel 3.30b, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.30b&z=2011-12-31&g=2011-12-31), maar niet langer dan vier jaar.
2. De verblijfsvergunning op grond van [artikel 3.23b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.23b&z=2011-12-31&g=2011-12-31) wordt verleend voor de duur van het verblijfsrecht van de houder van de Europese blauwe kaart.
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden
#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 4. Ongewenstverklaring
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 2.1b
1. De toegang wordt niet geweigerd indien de vreemdeling van een andere staat als bedoeld in [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31) het bevel heeft gekregen onmiddellijk naar Nederland terug te keren, en hij op dat moment rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) had.
2. De toegang wordt evenmin geweigerd indien Nederland op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling een vreemdeling van een andere staat als bedoeld in [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31) moet terugnemen en die vreemdeling in die andere staat verblijft zonder verblijfstitel of andere toestemming tot verblijf. In dat geval geeft Onze Minister aan die vreemdeling de kennisgeving, bedoeld in [artikel 62a, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62a), tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding
### Afdeling 3. Openbare orde
### Hoofdstuk 3. Verblijf
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
##### Artikel 3.103b
1. Indien Onze Minister een inreisverbod uitvaardigt, registreert Onze Minister dit inreisverbod in het Schengen Informatiesysteem.
2. Indien Onze Minister overweegt een vreemdeling die houder is van een verblijfstitel of andere toestemming tot verblijf, afgegeven door een andere staat als bedoeld in [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31), uit te zetten naar de staat waarvan de vreemdeling de nationaliteit bezit of bij het ontbreken van een nationaliteit naar de staat van zijn vroegere verblijfplaats, wint Onze Minister de nodige informatie in bij de autoriteiten van die andere staat. Indien Onze Minister besluit de vreemdeling uit te zetten, verstrekt hij de autoriteiten van die andere staat alle nodige informatie met betrekking tot de uitzetting.
3. Onze Minister vormt het contactpunt ter uitvoering van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PbEU, L 348) en is verantwoordelijk voor het inwinnen en verstrekken van de informatie, bedoeld in het tweede lid.
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
##### Artikel 4.46
1. De vreemdeling die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden, werkt op grond van [artikel 54, eerste lid, onderdeel d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) mee aan een onderzoek naar tuberculose.
2. Het eerste lid geldt niet voor onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, onderdanen van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland.
Het eerste lid is evenmin van toepassing op familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), die voor hun komst naar Nederland reeds rechtmatig verblijf hebben verkregen in een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte dan wel Zwitserland en die zich vanuit die staat dan wel Zwitserland naar Nederland verplaatsen.
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
##### Artikel 4.47
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder i, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats heeft.
2. Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde termijn van drie maanden wordt eerder verblijf in Nederland binnen een tijdvak van zes maanden, onmiddellijk voorafgaande aan de binnenkomst, mede in aanmerking genomen.
3. Indien de vreemdeling jonger is dan twaalf jaar, doet degene bij wie de vreemdeling woont of verblijft de melding.
##### Artikel 4.48
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder i, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats heeft.
2. Een verplichting tot aanmelding krachtens het voorgaande lid rust ten aanzien van de vreemdeling beneden de leeftijd van twaalf jaar op degene bij wie de vreemdeling woont of verblijft.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of krachtens gemeentelijke verordening verplicht is aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen.
##### Artikel 4.49
1. De vreemdeling die houder is van een visum of een document voor grensoverschrijding waarin door de daartoe bevoegde autoriteit een aantekening is gesteld omtrent aanmelding bij een vreemdelingendienst in Nederland, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de in deze aantekening vermelde gemeente is gelegen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van Zwitserland.
##### Artikel 4.50
1. De vreemdeling die naar Nederland is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij werk zoekt is gelegen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van Zwitserland.
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
##### Artikel 4.51
1. Tot periodieke aanmelding als bedoeld in [artikel 54, eerste lid, onder f, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54), bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente van verblijf is gelegen, is verplicht de vreemdeling die:
- a. geen rechtmatig verblijf heeft en in afwachting is van de feitelijke mogelijkheid tot vertrek of uitzetting, of
- b. rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder f, g of h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, meldt zich wekelijks, tenzij Onze Minister een andere termijn stelt, dan wel ontheffing verleent.
3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van Zwitserland.
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
##### Artikel 4.52
1. De vreemdeling levert het document, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), in ieder geval in persoon in bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente van verblijf is gelegen:
- a. zodra hij niet meer rechtmatig verblijft, doch uiterlijk op het moment waarop de vertrektermijn, bedoeld in [artikel 62 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62), verstrijkt, en
- b. vóór zijn vertrek naar het buitenland, indien hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland verplaatst.
2. De persoon die het Nederlanderschap heeft verkregen levert het document, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), in bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij zijn woon- of verblijfsplaats heeft is gelegen.
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
##### Artikel 5.1
1. De maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in [artikel 56, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) kan bestaan uit:
- a. een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of
- b. een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van Nederland te bevinden.
2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt niet opgelegd aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onderdeel a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie anders dan om redenen van veiligheid.
3. De maatregel wordt evenmin opgelegd aan een houder van een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart anders dan om redenen van veiligheid.
#### Paragraaf 7. Documenten
##### Artikel 5.2
1. Voordat de vreemdeling op grond van [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) in bewaring wordt gesteld, wordt hij gehoord.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:
- a. de vreemdeling reeds op een andere grond in bewaring gesteld is, of
- b. het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht.
3. Slechts in het geval bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring gehoord.
4. Van het gehoor wordt proces-verbaal opgemaakt.
5. Aan de vreemdeling wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het gehoor te doen bijstaan door zijn raadsman.
##### Artikel 5.3
1. De maatregel waarbij de bewaring op grond van [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) wordt opgelegd wordt gedagtekend en ondertekend; de maatregel wordt met redenen omkleed. Aan de vreemdeling op wie de maatregel betrekking heeft, wordt onmiddellijk een afschrift daarvan uitgereikt.
2. Op de voortzetting van de bewaring op een andere grond is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 5.4
1. De bewaring op grond van [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) wordt ten uitvoer gelegd op een politiebureau, een cel van de Koninklijke marechaussee, in een huis van bewaring of een ruimte of plaats als bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), of [artikel 58, eerste lid van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58). Bij de tenuitvoerlegging van de bewaring wordt de vreemdeling niet verder beperkt in de uitoefening van grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van deze maatregel en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging.
2. Indien de tenuitvoerlegging van de bewaring een aanvang neemt op een politiebureau of in een cel van de Koninklijke marechaussee, wordt zodra dit redelijkerwijs mogelijk is de tenuitvoerlegging voortgezet in een huis van bewaring of een ruimte of plaats als bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) of [artikel 58, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58).
3. De bewaring wordt opgeheven zodra er geen grond meer aanwezig is.
##### Artikel 5.5
1. Gedurende de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel ingevolge de [artikelen 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [58, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58), of [59, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59), kan de vreemdeling voor korte duur naar elders worden gebracht, wanneer dit redelijkerwijs nodig is voor de toepassing van de Wet.
2. Van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek van de vreemdeling zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan diens naaste verwanten of aan een in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan is.
3. In geval de vrijheidsontnemende maatregel een minderjarige betreft wordt daarvan, zo daartoe de gelegenheid bestaat, ambtshalve zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over die minderjarige uitoefenen.
##### Artikel 5.6
Overeenkomstig door Onze Minister te geven algemene en bijzondere aanwijzingen stelt de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee Onze Minister tijdig vóór het verstrijken van de in [artikel 94, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94) genoemde termijn in kennis van de bewaring dan wel het voortduren daarvan.
##### Artikel 5.7
1. De aanwijzing bedoeld in de [artikelen 57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57), en [58, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) wordt zoveel mogelijk gegeven bij de beschikking waarbij de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), is afgewezen. De aanwijzing wordt met redenen omkleed.
2. [Artikel 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.3&z=2011-06-28&g=2011-06-28) is van overeenkomstige toepassing indien de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gegeven wordt bij afzonderlijke beschikking.
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
##### Artikel 6.1
Onze Minister is bevoegd om, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot uitzetting als bedoeld in [artikel 63, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) alle daartoe benodigde handelingen te verrichten.
### Afdeling 1. Uitzetting
##### Artikel 6.2
Onze Minister is bevoegd de kosten van uitzetting, bedoeld in de [artikelen 65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65), en [66 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66) te verhalen op de vreemdeling of op een vervoersonderneming.
##### Artikel 6.3
1. De kosten van uitzetting van een vreemdeling welke ingevolge [artikel 65, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) op een vervoersonderneming kunnen worden verhaald, zijn verschuldigd aan het openbaar lichaam te welks laste die kosten zijn gekomen.
2. De in het voorgaande lid bedoelde kosten van uitzetting omvatten in ieder geval de kosten verbonden aan:
- a. het vervoer van de uit te zetten vreemdeling per eerste gelegenheid, doch op de wijze die, gelet op de omstandigheden, de goedkoopste is, naar een plaats buiten Nederland;
- b. de begeleiding van de vreemdeling naar een plaats van vertrek uit Nederland alsmede zijn begeleiding naar een plaats buiten Nederland, voorzover deze noodzakelijk is, en
- c. het verblijf van de vreemdeling in Nederland in de periode nadat de vervoersonderneming van een ambtenaar belast met de grensbewaking de aanwijzing heeft gekregen de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland.
##### Artikel 6.4
1. De noodzakelijke kosten van uitzetting die ten laste komen van de Staat of van andere openbare lichamen kunnen door de Staat, of door het andere openbare lichaam te welks laste zij zijn gekomen, worden verhaald op de vreemdeling en, indien hij minderjarig is, op degenen die het wettig gezag over hem uitoefenen.
2. De in het voorgaande lid bedoelde kosten van uitzetting omvatten de kosten, genoemd in [artikel 6.3, tweede lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=6.3&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
##### Artikel 6.5
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
##### Artikel 4.35a
1. De aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt geplaatst, indien de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee vermoedt dat de vreemdeling zal trachten naar Nederland terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. De aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toegang tot een derde land, niet zijnde een andere staat als bedoeld in [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31), daardoor wordt bemoeilijkt.
2. Uit de aantekening blijken de duur van het inreisverbod en de datum waarop het is uitgevaardigd.
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 7. Documenten en het stellen van zekerheid
##### Artikel 4.52a
1. De ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen kan van de vreemdeling die Nederland ingevolge [artikel 62, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten zekerheid verlangen, teneinde het risico te beperken dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht.
2. De zekerheid, bedoeld in het eerste lid, kan ook worden verlangd in geval van uitstel van vertrek of uitzetting:
- a. op grond dat het vertrek of de uitzetting in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement;
- b. zolang de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder h of j, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8); of
- c. wegens technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van het vertrek of de uitzetting wegens onvoldoende identificatie.
3. De zekerheid, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit:
- a. de overlegging van een reis- of identiteitsdocument;
- b. de overlegging van een passagebiljet;
- c. het deponeren van een waarborgsom;
- d. een verklaring van een solvabele derde die zich voor de kosten garant stelt;
- e. de overlegging van bewijs van het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
3. Het model van de garantverklaring wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
##### Artikel 4.52b
1. De waarborgsom, bedoeld in [artikel 4.52a, derde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=7&artikel=4.52a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt door Onze Minister in ieder geval aan de rechthebbende teruggegeven:
- a. zodra de vreemdeling, bedoeld in [artikel 4.52a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=7&artikel=4.52a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), binnen de voor hem geldende vertrektermijn uit eigen beweging Nederland heeft verlaten zonder zich tussentijds aan het toezicht te hebben onttrokken; dan wel
- b. zodra de vreemdeling na uitstel van het vertrek of de uitzetting, bedoeld in [artikel 4.52a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=7&artikel=4.52a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), Nederland heeft verlaten of is uitgezet zonder zich tussentijds aan het toezicht te hebben onttrokken.
2. Onze Minister berekent rente over de waarborgsommen, gedeponeerd krachtens [artikel 4.52a, derde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=7&artikel=4.52a&z=2011-12-31&g=2011-12-31). [Artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.9&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en [artikel 3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.10&z=2011-12-31&g=2011-12-31) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De waarborgsom wordt teruggegeven en de rente wordt uitbetaald zo spoedig mogelijk nadat één van de in het eerste lid genoemde gronden zich voordoet.
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
##### Artikel 5.1a
1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien:
- a. een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, of
- b. de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2. De vreemdeling kan eveneens in bewaring worden gesteld op grond dat de het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, indien een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU, L 50).
##### Artikel 5.1b
1. Aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in [artikel 5.1a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.1a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt voldaan indien de vreemdeling:
- a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- b. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&z=2011-12-31&g=2011-12-31) heeft gehouden;
- c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
- e. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
- f. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
- g. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
- h. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
- i. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- j. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
- k. arbeid heeft verricht in strijd met de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149);
- l. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; of
- m. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in [artikel 67 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet.
2. Aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in [artikel 5.1a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.1a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt niet voldaan indien slechts één van de feiten of omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, van toepassing is.
### Afdeling 1. Vertrek en uitzetting
##### Artikel 6.1a
1. Onze Minister is bevoegd om, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot uitzetting als bedoeld in [artikel 63, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) alle daartoe benodigde handelingen te verrichten.
2. Bij toepassing van het eerste lid worden de grondrechten, de waardigheid en fysieke integriteit van de vreemdeling geëerbiedigd.
3. In geval van uitzetting door de lucht houdt Onze Minister rekening met de gemeenschappelijke richtsnoeren voor veiligheidsvoorzieningen voor gezamenlijke verwijdering door de lucht, bedoeld in artikel 7 van de beschikking van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004, nr. 2004/573/EG (PbEU, L 261).
##### Artikel 6.1b
1. Ingeval de vreemdeling ingevolge [artikel 62, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) onmiddellijk moet vertrekken of niet is vertrokken binnen de voor hem geldende vertrektermijn, kan de uitzetting worden uitgesteld. Bij het uitstel wordt in ieder geval rekening gehouden met de fysieke of mentale gesteldheid van de vreemdeling en technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van de uitzetting wegens onvoldoende identificatie.
2. Ingeval de uitzetting wordt uitgesteld op grond van het eerste lid, is [artikel 4.52a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=7&artikel=4.52a&z=2011-12-31&g=2011-12-31) van overeenkomstige toepassing, onverminderd het overigens krachtens de [artikelen 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) en [56 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) bepaalde.
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
##### Artikel 6.5a
1. De duur van het inreisverbod bedraagt ten hoogste twee jaren.
2. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste één jaar, indien het betreft de vreemdeling die de vrije termijn, bedoeld in [artikel 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31), heeft overschreden met meer dan drie dagen maar niet meer dan drie maanden.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste drie jaren, indien het betreft een vreemdeling die is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van minder dan zes maanden.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren, indien het betreft een vreemdeling die:
- a. is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden of langer;
- b. gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel opzettelijk reis- of identiteitspapieren heeft overgelegd die niet op hem betrekking hebben;
- c. reeds het onderwerp is geweest van meer dan één terugkeerbesluit, of
- d. zich op het grondgebied van Nederland heeft begeven terwijl een inreisverbod van kracht was.
5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer:
- a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict;
- b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd;
- c. de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, of
- d. de oplegging van een maatregel als bedoeld in [artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a).
6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twintig jaren, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of indien naar zijn oordeel zwaarwegende belangen nopen tot een duur van meer dan tien jaren.
##### Artikel 6.5b
1. Onze Minister kan op aanvraag het inreisverbod dat is uitgevaardigd met toepassing van [artikel 66a, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), opheffen indien de vreemdeling aantoont Nederland geheel in overeenstemming met de op hem rustende verplichting, bedoeld in [artikel 61, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61), te hebben verlaten.
2. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister op aanvraag het inreisverbod opheffen, indien de vreemdeling aantoont dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na het inreisverbod een ononderbroken periode van ten minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten Nederland heeft verbleven en hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is.
3. De gegevens, bedoeld in [artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2), die de vreemdeling bij de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, verstrekt, zijn in ieder geval:
- a. een schriftelijke verklaring dat hij voldoet aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod;
- b. een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft gehouden;
- c. een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken;
- d. een schriftelijke verklaring, afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten van de staat of staten waar de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging onderworpen is.
4. Het derde lid, onderdeel d, is niet van toepassing op de vreemdeling ten aanzien wie van de duur van het inreisverbod is bepaald met toepassing van [artikel 6.5a, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=6&afdeling=3&artikel=6.5a&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
##### Artikel 6.5c
In zeer uitzonderlijke en dringende gevallen kan Onze Minister het inreisverbod tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
##### Artikel 6.6
1. De aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=68), wordt ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging terzake van enig misdrijf is onderworpen, en deze vreemdeling:
- a. indien hij ongewenst is verklaard wegens een geweldsdelict, een opiumdelict of een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd, na de ongewenstverklaring ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven;
- b. indien hij ongewenst is verklaard wegens andere misdrijven dan bedoeld in onderdeel a, na de ongewenstverklaring tenminste vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven;
- c. indien hij ongewenst is verklaard op grond van [artikel 67, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67), na de ongewenstverklaring tenminste één jaar buiten Nederland heeft verbleven.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt de aanvraag ingewilligd nadat de daar bedoelde vreemdeling tenminste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven, indien zwaarwegende belangen zich naar het oordeel van Onze Minister verzetten tegen opheffing van de ongewenstverklaring na vijf jaren.
3. De in het eerste lid genoemde termijnen vangen opnieuw aan, indien de vreemdeling tijdens de ongewenstverklaring:
- a. een als misdrijf strafbaar gestelde inbreuk op de openbare orde heeft gepleegd die tot ongewenstverklaring zou kunnen leiden, of
- b. zonder voorafgaande tijdelijke opheffing of in strijd met de aan die tijdelijke opheffing verbonden voorwaarden in Nederland heeft verbleven.
4. De gegevens, bedoeld in [artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2), die de vreemdeling verstrekt zijn in ieder geval:
- a. een schriftelijke verklaring van de vreemdeling dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na de ongewenstverklaring tien, onderscheidenlijk vijf achtereenvolgende jaren of één jaar buiten Nederland heeft verbleven en dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is;
- b. een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft gehouden;
- c. een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken, en
- d. een schriftelijke verklaring, afgegeven door de terzake bevoegde autoriteiten van het land of de landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging onderworpen is.
##### Artikel 6.7
In zeer uitzonderlijke en dringende gevallen kan Onze Minister de ongewenstverklaring tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
##### Artikel 7.1
Vervallen
##### Artikel 7.2
1. De uitzetting van de vreemdeling blijft, in afwijking van [artikel 73, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73) achterwege, indien het betreft een vreemdeling, die:
- a. onderdaan is van een land dat partij is bij het Europees Vestigingsverdrag;
- b. onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop het rechtmatig verblijf, bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) is geëindigd, gedurende twee aaneengesloten jaren dit rechtmatig verblijf heeft gehad;
- c. zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd, en
- d. tijdig bezwaar heeft gemaakt dan wel administratief beroep heeft ingesteld tegen een beschikking waarbij het rechtmatig verblijf is beëindigd.
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien de uitzetting van de vreemdeling wegens dwingende redenen van nationale veiligheid gerechtvaardigd is.
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
##### Artikel 8.1
1. Onze Minister onderscheidenlijk de korpschef verstrekt op de wijze als beschreven in dit artikel de gegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling die een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) nodig hebben voor de toekenning van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen of vergunningen.
2. De basisgegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen worden door Onze Minister onderscheidenlijk de korpschef verstrekt aan de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, met het oog op de verstrekking daarvan ingevolge de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723) aan een orgaan als bedoeld in het eerste lid. De basisgegevens zijn de gegevens betreffende het verblijfsrecht van de vreemdeling, bedoeld in [bedoeld in bijlage 1a van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006933&bijlage=1a).
3. Een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) vraagt Onze Minister onmiddellijk nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling, indien bij het bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), na raadpleging van de basisgegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens onduidelijkheid bestaat omtrent de verblijfsrechtelijke positie van die vreemdeling, omdat:
- a. de vreemdeling niet voorkomt in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, maar wel beschikt over het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9);
- b. de verblijfsrechtelijke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens afwijken van de gegevens omtrent het verblijf van die vreemdeling op het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), of
- c. de verblijfsrechtelijke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) afwijken van andere bescheiden, waarover het bestuursorgaan beschikt, waardoor gerede twijfel over de juistheid van de gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling is ontstaan.
4. Onze Minister verstrekt het bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), in de gevallen, bedoeld in het derde lid, desgevraagd onmiddellijk de nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling.
5. Indien een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), in een individueel geval aanwijzingen heeft dat op korte termijn een wijziging in de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling optreedt of recent een wijziging in de verblijfsrechtelijke positie is opgetreden en het bestuursorgaan heeft met redenen omkleed aannemelijk gemaakt dat vanwege het spoedeisende karakter bij het toekennen van een verstrekking, voorziening, uitkering, ontheffing of vergunning niet gewacht kan worden op de aanpassing van de basisgegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, verstrekt Onze Minister desgevraagd onmiddellijk nadere gegevens over een desbetreffende wijziging in de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan.
6. De korpschef, bedoeld in het eerste en tweede lid, is de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar de vreemdeling is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens dan wel waar hij tijdelijke woon- of verblijfplaats heeft. Indien de vreemdeling geen woon- of verblijfplaats heeft, verstrekt de korpschef van het regionale politiekorps waarin het bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), waarbij de vreemdeling zich meldt, is gelegen, de gegevens.
##### Artikel 8.2
1. Een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) verstrekt Onze Minister of de korpschef desgevraagd de gegevens omtrent de toekenning of de beëindiging van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen of vergunningen aan een vreemdeling, die nodig zijn voor:
- a. de verlening, de verlenging van de geldigheidsduur van, de wijziging van het verblijfsdoel van of intrekking van een verblijfsvergunning als bedoeld in de [artikel 8, onder a tot en met d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8);
- b. de beoordeling of aan de voorwaarden en beperkingen waaronder die verblijfsvergunning is verleend, wordt voldaan, of
- c. de beoordeling of een vreemdeling als gemeenschapsonderdaan rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
2. Indien uit de verblijfsrechtelijke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de beperking dat een beroep op publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, bedoeld in het eerste lid, die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt voldaan.
3. Indien uit de verblijfsrechtelijke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de beperking dat arbeid niet is toegestaan, dan wel arbeid uitsluitend is toegestaan bij een bepaalde werkgever, dan wel arbeid slechts is toegestaan indien de werkgever beschikt over een tewerkstellingsvergunning, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), belast met de verstrekking van ontheffingen of vergunningen als bedoeld in de [artikelen 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=1&artikel=8.3&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=1&artikel=8.4&z=2011-06-28&g=2011-06-28), uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, bedoeld in het eerste lid die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt voldaan.
4. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, bepalen dat de gegevens, bedoeld in dit artikel, periodiek of in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.
5. Het bestuursorgaan verstrekt de gegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, aan Onze Minister.
##### Artikel 8.3
1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) kan geen aanspraak maken op een beschikking als bedoeld in:
- a. de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002130&artikel=4), en [15 van de Vestigingswet Bedrijven 1954](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002130&artikel=15);
- b. de [artikelen 30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30b) en [30h van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30h);
- c. [artikel 3 van de Drank- en Horecawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=3);
- d. de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=2), en [7 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=7);
- e. [artikel 4, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=4).
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, kan geen aanspraak maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van gemeenten, provincies, waterschappen en met toepassing van de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) ingestelde openbare lichamen of gemeenschappelijke regelingen, voorzover die vergunningen of ontheffingen betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten.
##### Artikel 8.4
De vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf heeft op de gronden, genoemd in [artikel 8, onder f tot en met j, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), kan geen aanspraak maken op een beschikking als bedoeld in [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=1&artikel=8.3&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
### Afdeling 1. Uitzetting
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
##### Artikel 8.5
1. Aan een vreemdeling die onderdaan is van België of Luxemburg en die het vereiste document voor grensoverschrijding bezit, kan, in afwijking van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&z=2011-06-28&g=2011-06-28), de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd, indien hij een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt.
2. De ambtenaren belast met de grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, weigeren niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van Onze Minister de toegang tot Nederland aan een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid. De weigering geschiedt schriftelijk.
##### Artikel 8.6
1. De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), ingediend door een vreemdeling die onderdaan is van België of Luxemburg die geen gemeenschapsonderdaan is, kan slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling:
- a. een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; of
- b. niet over voldoende middelen van bestaan beschikt.
2. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), ingediend door de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, wordt niet afgewezen, en de verblijfsvergunning wordt niet ingetrokken, op grond van de omstandigheid dat de vreemdeling niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt.
3. In afwijking van [artikel 21, eerste en tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), ingediend door een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid die nog niet gedurende een tijdvak van vijf jaren rechtmatig verblijf heeft gehad, slechts afgewezen, indien hij:
- a. een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; of
- b. niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. In afwijking van [artikel 21 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), die is verleend aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, slechts worden ingetrokken op de in het derde lid, onder a, bedoelde grond.
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
##### Artikel 8.7
1. Deze paragraaf is van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.
2. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft:
- a. de echtgenoot;
- b. de partner, waarmee de vreemdeling een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan;
- c. de rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn, van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, of van diens echtgenoot of geregistreerd partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 21 jaar of ten laste is van die echtgenoot of geregistreerd partner; of
- d. de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn die ten laste is van de vreemdeling of van het gezinslid, bedoeld onder a of b.
3. Deze paragraaf is voorts van toepassing op andere familieleden dan bedoeld in het tweede lid, die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, in geval zij:
- a. in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij die vreemdeling; of
- b. vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door die vreemdeling strikt behoeven.
4. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft, en op de rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn van een zodanige partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 18 jaar en die partner vergezelt of zich bij die partner in Nederland voegt.
##### Artikel 8.8
1. Aan een vreemdeling als bedoeld in [artikel 8.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), die in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, kan de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, dan wel volksgezondheid:
- a. indien de vreemdeling op grond van zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt;
- b. in het geval van potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden getroffen;
- c. indien hij om redenen van de openbare orde of openbare veiligheid uit Nederland is verwijderd en sinds de verwijdering nog geen redelijke termijn is verstreken.
2. De ambtenaren, belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, weigeren niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van Onze Minister de toegang tot Nederland aan een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid. De weigering geschiedt schriftelijk.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de onderdaan van België of Luxemburg die geen gemeenschapsonderdaan is. Op deze vreemdeling is [artikel 8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=8.5&z=2011-06-28&g=2011-06-28) van toepassing.
4. Een vreemdeling die niet beschikt over het vereiste document voor grensoverschrijding, wordt niet uitgezet dan nadat hem gedurende een redelijke termijn de gelegenheid is gegeven dat document te verkrijgen of op andere wijze te laten vaststellen of bewijzen dat hij het recht op vrij verkeer en verblijf geniet.
##### Artikel 8.9
Aan een vreemdeling als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en die beschikt over een geldige verblijfskaart, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een staat als bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), waaruit het verblijfsrecht als familielid blijkt, wordt de toegang niet geweigerd wegens het ontbreken van een geldig visum. In het paspoort wordt geen aantekening gesteld omtrent inreis in Nederland of uitreis uit Nederland.
##### Artikel 8.10
De toegang van een persoon die in het bezit is van een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven Nederlands paspoort of Nederlandse identiteitskaart, en die om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid uit een andere lidstaat is verwijderd, wordt de toegang, ook indien het document is vervallen of de Nederlandse nationaliteit van de houder wordt betwist, niet geweigerd, indien deze persoon naar Nederland terugkeert uit een staat waar hem verblijf was toegestaan ingevolge het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of ingevolge de Overeenkomst van 21 juni 1999 van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86).
##### Artikel 8.11
1. De vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), heeft rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis, indien hij:
- a. beschikt over een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort; of
- b. het bewijs van zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen levert.
2. De vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het [eerste lid van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en beschikt over een geldig paspoort, heeft rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis.
##### Artikel 8.12
1. De vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:
- a. in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft;
- b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt;
- c. is ingeschreven voor een opleiding die is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13), of in het Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in [artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.4.1), om als hoofdbezigheid een studie of beroepsopleiding te volgen, beschikt over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt, en hij met een verklaring of een gelijkwaardig middel naar zijn keuze de zekerheid verschaft dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan voor zichzelf en zijn familieleden;
- d. een familielid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), is van een vreemdeling als bedoeld onder a of b;
- e. de echtgenoot, de geregistreerde partner of een kind is dat ten laste is van een vreemdeling als bedoeld onder c;
- f. familielid is als bedoeld in [artikel 8.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en hij in het land van herkomst ten laste is van of inwoont bij een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c;
- g. familielid is als bedoeld in [artikel 8.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en hij vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, strikt behoeft; of
- h. partner is als bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), en hij een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft met een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, dan wel rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn, jonger dan 18 jaar, is van een zodanige partner.
2. Het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, eindigt niet om de enkele reden dat die vreemdeling niet langer werknemer of zelfstandige is:
- a. in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval;
- b. indien hij na werkzaamheden als werknemer of zelfstandige van ten minste een jaar onvrijwillig werkloos is en als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is ingeschreven;
- c. gedurende een periode van ten minste zes maanden, nadat hij onvrijwillige werkloos is geworden door de afloop van een arbeidsovereenkomst korter dan een jaar, dan wel nadat hij gedurende de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden is, indien hij als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is ingeschreven;
- d. indien hij een beroepsopleiding gaat volgen, die, behoudens ingeval van onvrijwillige werkloosheid, verband houdt met de voorafgaande beroepsactiviteit.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onder b, beschikt de vreemdeling met een inkomen ter hoogte van het normbedrag dat in [artikel 3.74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-06-28&g=2011-06-28) of ingevolge de [Wet investeren in jongeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026054) voor de desbetreffende categorie is vastgesteld, in ieder geval over voldoende middelen van bestaan.
4. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, meldt zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de in [artikel 8.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bedoelde periode aan bij Onze Minister ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie in geval hij beoogt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de gegevens en bescheiden die de vreemdeling bij de in het vorige lid bedoelde melding moet verstrekken of overleggen.
6. Onze Minister verstrekt na de in het vierde lid bedoelde inschrijving onmiddellijk een verklaring van inschrijving, waarin naam en adres van de ingeschreven vreemdeling en de datum van inschrijving worden vermeld.
7. De in het vierde en vijfde lid omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar op de wettelijk vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
##### Artikel 8.13
1. De vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het [eerste lid van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, voor zover hij in Nederland verblijft bij een vreemdeling als bedoeld in [artikel 8.12, eerste lid, onder a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.12&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, meldt zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de in [artikel 8.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bedoelde periode aan bij Onze Minister, in geval hij beoogt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven, en dient daarbij een aanvraag in tot afgifte van een verblijfsdocument.
3. Bij de indiening van de aanvraag legt de vreemdeling over:
- a. een geldig paspoort;
- b. de verklaring van inschrijving van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bij wie hij in Nederland verblijft;
- c. een document waaruit de familierechtelijke relatie of duurzame relatie blijkt met de vreemdeling, bedoeld onder b; en
- d. voor zover hij in Nederland verblijft als familielid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede lid, onder c of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28): bewijs dat hij een dergelijk familielid is;
- e. voor zover hij in Nederland verblijft als familielid als bedoeld in [artikel 8.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28): een door de bevoegde instantie van het land van herkomst afgegeven verklaring dat hij ten laste komt van of inwoont bij de vreemdeling, bedoeld onder b, onderscheidenlijk bewijs van ernstige gezondheidsredenen die de persoonlijke zorg door die vreemdeling noodzakelijk maken;
- f. voor zover hij in Nederland verblijft als partner als bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28): een bij regeling van Onze Minister vast te stellen relatieverklaring;
- g. voor zover hij in Nederland verblijft als rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn, jonger dan 18 jaar, van een partner als bedoeld onder f: bewijs dat is voldaan aan de [artikelen 3.13 tot en met 3.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
4. Onze Minister verstrekt onmiddellijk na de ontvangst van de aanvraag een verklaring dat de aanvraag is ingediend.
5. Onze Minister verstrekt de verblijfsgerechtigde vreemdeling binnen zes maanden na de ontvangst van de aanvraag een verblijfsdocument waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. [Artikel 25, tweede en derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) is niet van toepassing.
6. Het verblijfsdocument wordt afgegeven met een geldigheidsduur:
- a. die gelijk is aan de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bij wie de vreemdeling in Nederland verblijft, indien die duur korter is dan vijf jaar;
- b. van vijf jaar in de overige gevallen.
7. De in het tweede en derde lid omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar op de wettelijk vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
##### Artikel 8.14
Het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), die de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het [eerste lid van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), eindigt niet door het overlijden of het vertrek van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bij wie hij in Nederland verbleef. Het eindigt evenmin door de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerde partnerschap.
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
##### Artikel 8.15
1. Het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, eindigt niet door afwezigheid uit Nederland:
- a. van ten hoogste zes maanden per jaar;
- b. om belangrijke redenen gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf maanden;
- c. voor de vervulling van militaire verplichtingen;
- d. wegens uitzending voor het verrichten van werkzaamheden.
2. Onverminderd het vijfde lid eindigt het rechtmatig verblijf evenmin door het overlijden van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bij wie hij in Nederland verbleef:
- a. indien hij ten minste een jaar voor het overlijden van die vreemdeling in Nederland verbleef;
- b. voor voltooiing van de studie, indien hij in Nederland verbleef als het kind van die vreemdeling en voor studie is ingeschreven bij een onderwijsinstelling, dan wel indien hij de verzorgende ouder is van een zodanig kind.
3. Het tweede lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing bij het vertrek van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bij wie de vreemdeling in Nederland verbleef.
4. Onverminderd het vijfde lid eindigt het rechtmatig verblijf evenmin door de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerde partnerschap:
- a. indien het huwelijk voor het begin van de gerechtelijke procedure tot scheiding of nietigverklaring, onderscheidenlijk het partnerschap voor beëindiging daarvan, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan de vreemdeling ten minste één jaar in Nederland heeft verbleven;
- b. indien het gezag over de kinderen bij overeenkomst tussen de voormalige echtgenoten of partners, dan wel bij rechterlijke beslissing aan de vreemdeling is toegewezen;
- c. voor de duur waarvoor de omgang is voorgeschreven, indien de vreemdeling op grond van een overeenkomst of gerechtelijke beslissing het omgangsrecht met betrekking tot een minderjarig kind heeft en de omgang ingevolge een rechterlijke beslissing in Nederland moet plaatsvinden, of
- d. indien klemmende redenen van humanitaire aard tot aanvaarding van voortgezet verblijf nopen.
5. In afwijking van het tweede lid, onder a, en het vierde lid, kan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), die niet de nationaliteit van een staat bezit als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, worden beëindigd indien hij een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel vormt, tenzij hij het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in [artikel 8.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.17&z=2011-06-28&g=2011-06-28) heeft verkregen, of hij:
- a. werknemer of zelfstandige is;
- b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf in Nederland ten laste komen van de algemene middelen, en beschikt over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt; of
- c. gezinslid is van het reeds in Nederland gevormde gezin van een persoon die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld onder a of b.
6. Voor de toepassing van het vijfde lid, onder b, beschikt de vreemdeling met een inkomen ter hoogte van het normbedrag dat in [artikel 3.74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-06-28&g=2011-06-28) of ingevolge de [Wet investeren in jongeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026054) voor de desbetreffende categorie is vastgesteld, in ieder geval over voldoende middelen van bestaan.
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
##### Artikel 9.1
Vervallen
##### Artikel 9.2
Vervallen
##### Artikel 9.3
Vervallen
##### Artikel 9.4
Vervallen
##### Artikel 9.5
Vervallen
##### Artikel 9.6
Vervallen
##### Artikel 9.7
Vervallen
##### Artikel 9.8
Vervallen
##### Artikel 9.9
1. Bij de toepassing van de [artikelen 3.86, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2011-06-28&g=2011-06-28),[3.95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=3.95&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=3.98&z=2011-06-28&g=2011-06-28) blijft buiten beschouwing de periode van de terbeschikkingstelling, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet reeds was beëindigd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling na beëindiging van de maatregel wederom een misdrijf heeft gepleegd, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.
##### Artikel 9.10
Vervallen
##### Artikel 9.11
Vervallen
##### Artikel 9.12
Indien het bij koninklijke boodschap van 16 september 1999 ingediende voorstel van wet tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000) (Kamerstukken I 1999–2000, nr. 26 732, nr. 263) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.
##### Artikel 9.13
Dit besluit wordt aangehaald als: Vreemdelingenbesluit 2000.
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2004-09-15&g=2004-09-15), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.24a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt onder een beperking verband houdend met gezinshereniging verleend aan de bloedverwant in rechtstreekse opgaande lijn van de alleenstaande minderjarige houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die niet daadwerkelijk onder de hoede staat van een krachtens wettelijk voorschrift of gewoonterecht voor hem verantwoordelijke volwassene, indien die bloedverwant:
- a. beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bedoelde categorieën;
- b. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld;
- c. bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen, en
- d. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
2. Indien gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de alleenstaande minderjarige of de bloedverwant, bedoeld in het eerste lid, bijzondere banden heeft of indien de aanvraag niet is ingediend binnen drie maanden nadat aan de alleenstaande minderjarige, bedoeld in het eerste lid, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), is verleend, wordt de vergunning eerst verleend, nadat de alleenstaande minderjarige heeft aangetoond duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
##### Artikel 3.59a
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als kennismigrant als bedoeld in [artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d) worden verleend voor de duur van maximaal vijf jaren.
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 5. Intrekking
#### Paragraaf 4. Verlenging
#### Paragraaf 2. Afwijzen van de aanvraag
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
#### Paragraaf 7. Documenten
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2004-12-06&g=2004-12-06), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.1a
1. Het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) heeft tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft zo lang een besluit als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de richtlijn tijdelijke bescherming van kracht is, indien de vreemdeling:
- a. behoort tot de specifieke groep vreemdelingen zoals omschreven in een besluit van de Raad van de Europese Unie als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de richtlijn tijdelijke bescherming;
- b. de echtgenoot is van de vreemdeling, bedoeld onder a, of de ongehuwde partner met wie die vreemdeling een duurzame relatie onderhoudt, en ten tijde van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het in de aanhef bedoelde besluit met die vreemdeling samenwoonde;
- c. het minderjarige, ongehuwde, al dan niet geadopteerde kind is van de vreemdeling, bedoeld onder a of b;
- d. een ander naast familielid is van de vreemdeling, bedoeld onder a, die ten tijde van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het in de aanhef bedoelde besluit volledig of grotendeels afhankelijk was van die vreemdeling en met het gezin samenwoonde, en wiens achterlating een schrijnende situatie zou vormen; of
- e. behoort tot de bij regeling van Onze Minister aan te wijzen groep vreemdelingen uit hetzelfde land of dezelfde regio als de vreemdeling, bedoeld onder a, die om dezelfde reden ontheemd zijn en die niet reeds bescherming genieten in een ander land dat partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
2. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister bepalen dat uitzetting niet achterwege blijft, indien:
- a. de aanvraag met toepassing van [artikel 30, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30) wordt afgewezen;
- b. de vreemdeling reeds tijdelijke bescherming geniet in een ander land dat partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- c. de vreemdeling met toepassing van de richtlijn tijdelijke bescherming wordt overgebracht naar een ander land dat partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- d. de vreemdeling naar het land of regio van herkomst is teruggekeerd;
- e. ernstige redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat de vreemdeling:
- 1°. een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf, of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan als omschreven in de internationale instrumenten die bepalingen inzake dergelijke misdrijven bevatten;
- 2°. buiten Nederland een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan alvorens hij tijdelijke bescherming verkreeg;
- 3°. zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties;
- f. de vreemdeling ingevolge een onherroepelijk geworden veroordeling wegens een bijzonder ernstig misdrijf een gevaar vormt voor de Nederlandse samenleving; of
- g. er redelijke gronden aanwezig zijn om de vreemdeling als gevaar voor de nationale veiligheid te beschouwen.
3. Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel e, onder 2°, wordt de ernst van de verwachte vervolging afgewogen tegen de aard van het misdrijf waarvan de vreemdeling wordt verdacht, en kunnen bijzonder wrede handelingen, ook indien deze met een vermeend politiek oogmerk zijn verricht, worden aangemerkt als ernstige, niet-politieke misdrijven. Dit geldt voor alle deelnemers aan het misdrijf, met inbegrip van hen die het misdrijf hebben uitgelokt.
4. Een besluit op grond van het tweede lid, onder e tot en met g, wordt met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel gebaseerd op het persoonlijke gedrag van de vreemdeling.
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 5. Intrekking
#### Paragraaf 5. Intrekking
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 5. Intrekking
#### Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 1. Uitzetting
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 8. Administratieplichten
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2005-02-15&g=2005-02-15), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.31a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan onder een beperking, verband houdend met werkzaamheid in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening als bedoeld in [artikel 1e, eerste lid, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e), worden verleend indien de daar bedoelde melding is gedaan, onder verstrekking van de in het tweede lid van dat artikel voorgeschreven gegevens en bescheiden.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt niet afgewezen op de gronden, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, onder c of e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16).
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
##### Artikel 3.59b
1. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2011-06-28&g=2011-06-28) kan de verblijfsvergunning met het oog op werkzaamheid in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, als bedoeld in [artikel 1e van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e), worden verleend voor de duur van de werkzaamheden als vermeld in de krachtens [artikel 1e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e), door de dienstverrichter verstrekte verklaring, met een maximum van twee jaren.
2. De geldigheidsduur van de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning wordt na twee jaren niet verlengd.
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Afwijzen van de aanvraag
#### Paragraaf 5. Intrekking
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 1. Uitzetting
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2005-12-01&g=2005-12-01), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.71a
1. Een vreemdeling beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en van de Nederlandse maatschappij als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), indien hij binnen één jaar direct voorafgaand aan de aanvraag om de machtiging tot voorlopig verblijf het basisexamen inburgering, bedoeld in [artikel 3.98a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.98a&z=2011-06-28&g=2011-06-28), met goed gevolg heeft afgelegd.
2. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), indien de vreemdeling:
- a. in Nederland wil verblijven als gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) of [33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33);
- b. ingevolge de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte heeft voldaan aan een inburgeringsvereiste om de status van langdurig ingezetene in de zin van [richtlijn 2003/109/EG](32003L0109) van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 16) te verkrijgen;
- c. ten genoegen van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie heeft aangetoond door een geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn het basisexamen inburgering, bedoeld in [artikel 3.98a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.98a&z=2011-06-28&g=2011-06-28), af te leggen;
- d. het basisexamen inburgering, bedoeld in [artikel 3.98a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.98a&z=2011-06-28&g=2011-06-28), niet met goed gevolg heeft afgelegd en afwijzing van die aanvraag naar het oordeel van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onderdelen a en b, en bij regeling van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onderdelen c en d.
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
##### Artikel 3.98a
1. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie stelt het basisexamen inburgering ter beoordeling van de kennis van de Nederlandse taal en van de Nederlandse maatschappij als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), vast door middel van een geautomatiseerd systeem.
2. Het basisexamen inburgering omvat een onderzoek naar de Nederlandse lees-, luister- en spreekvaardigheid van de vreemdeling.
3. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie stelt een examenprogramma vast voor de vereiste lees-, luister- en spreekvaardigheid. Dit examenprogramma strekt tot waarborg dat de vreemdeling die het basisexamen inburgering met goed gevolg heeft afgelegd, beschikt over de volgende vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen:
- a. leesvaardigheid;
- b. luistervaardigheid, en
- c. spreekvaardigheid.
4. De normering van de onderdelen lees-, luister- en spreekvaardigheid van het basisexamen inburgering wordt gerelateerd aan een van de niveaus van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
5. Het basisexamen inburgering omvat tevens een onderzoek naar de kennis van de Nederlandse samenleving.
6. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie stelt een examenprogramma vast voor de vereiste kennis van de Nederlandse samenleving. Dit examenprogramma waarborgt dat de vreemdeling die het basisexamen inburgering met goed gevolg heeft afgelegd, beschikt over elementaire praktische kennis van:
- a. Nederland, waaronder topografie, geschiedenis en staatsinrichting;
- b. huisvesting, onderwijs, arbeid, gezondheidszorg en inburgering in Nederland;
- c. zijn rechten en zijn verplichtingen na aankomst in Nederland;
- d. rechten en verplichtingen van anderen in Nederland, en
- e. in Nederland gangbare omgangsregels.
7. Het basisexamen inburgering wordt afgelegd in de Nederlandse taal op een niveau dat niet hoger is dan het niveau, bedoeld in het derde lid.
8. De examenprogramma’s, bedoeld in het derde en zesde lid, worden overeenkomstig door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie te stellen regels en tegen een door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie te stellen bedrag beschikbaar gesteld.
##### Artikel 3.98b
1. Tot het basisexamen inburgering wordt niet toegelaten de vreemdeling die:
- a. niet overeenkomstig door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie te stellen regels de aan het basisexamen verbonden kosten heeft voldaan, of
- b. geen medewerking heeft verleend aan het vastleggen van gegevens met het oog op zijn identificatie.
2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onder a, bedragen € 350,00.
3. De medewerking, bedoeld in het eerste lid, onder b, bestaat uit het zich digitaal laten fotograferen, het laten nemen van digitale vingerafdrukken en het laten maken van een scan of kopie van het paspoort of, indien de vreemdeling door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet in het bezit kan worden gesteld van een paspoort, een ander identiteitsbewijs.
4. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie stelt een examenreglement vast. Het examenreglement bevat in elk geval bepalingen omtrent:
- a. de gang van zaken tijdens het basisexamen inburgering;
- b. de maatregelen om onregelmatigheden en ordeverstoring tijdens het basisexamen inburgering te voorkomen, en
- c. de maatregelen die in geval van onregelmatigheden of ordeverstoring kunnen worden getroffen.
##### Artikel 3.98c
1. Het basisexamen inburgering wordt onder toezicht van een door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan te wijzen ambtenaar, medewerker, autoriteit of instelling afgelegd op een door dat hoofd vast te stellen tijdstip en in een door dat hoofd aan te wijzen ruimte.
2. Het basisexamen inburgering wordt afgelegd door middel van een telefonische of digitale verbinding met een geautomatiseerd systeem, dat door een door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie aan te wijzen instantie volgens door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie te stellen regels wordt beheerd.
3. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie beoordeelt de resultaten van het basisexamen inburgering door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het tweede lid.
4. Het resultaat van het basisexamen inburgering wordt in de gevallen waarin Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie niet door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het tweede lid, tot een beoordeling daarvan heeft kunnen komen, beoordeeld door examinatoren.
##### Artikel 3.98d
1. De resultaten van het basisexamen inburgering worden niet heroverwogen.
2. Onverminderd [artikel 3.98b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.98b&z=2011-06-28&g=2011-06-28), kan de vreemdeling die het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft afgelegd, het examen te allen tijde opnieuw afleggen.
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 7. Documenten
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2006-03-15&g=2006-03-15), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 8.16
1. Onverminderd de [artikelen 8.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.22&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [8.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.23&z=2011-06-28&g=2011-06-28) eindigt het rechtmatig verblijf niet zolang de vreemdeling aan de in de [artikelen 8.12 tot en met 8.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.12&z=2011-06-28&g=2011-06-28) genoemde voorwaarden voldoet. In specifieke gevallen van redelijke twijfel kan Onze Minister onderzoeken of aan de voorwaarden wordt voldaan. Het onderzoek geschiedt niet stelselmatig. Een beroep op de algemene middelen leidt niet zonder meer tot beëindiging van het rechtmatig verblijf.
2. Onverminderd de [artikelen 8.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.22&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [8.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.23&z=2011-06-28&g=2011-06-28), eindigt het rechtmatig verblijf niet zolang de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28):
- a. werknemer of zelfstandige is; of
- b. naar Nederland is gekomen om werk te zoeken en hij kan bewijzen dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans op werk heeft.
##### Artikel 8.17
1. Duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft:
- a. de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad;
- b. de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad bij een vreemdeling als bedoeld onder a, waarbij mede wordt betrokken de periode waarin hij voldeed aan de voorwaarden van [artikel 8.15, vijfde lid, onder a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.15&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
2. Voor de berekening van het ononderbroken verblijf, bedoeld in het eerste lid, vormt geen onderbreking een afwezigheid uit Nederland:
- a. van ten hoogste zes maanden per jaar;
- b. om belangrijke redenen gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden;
- c. voor de vervulling van militaire verplichtingen; of
- d. wegens uitzending voor het verrichten van werkzaamheden.
3. De periode van vijf jaar, bedoeld in eerste lid, geldt niet voor:
- a. de werknemer of zelfstandige die langer dan drie jaar ononderbroken in Nederland heeft gewoond, die gedurende de laatste twaalf maanden in Nederland werkzaamheden heeft verricht en die op het tijdstip waarop hij zijn werkzaamheid staakt, de 65-jarige leeftijd heeft bereikt;
- b. de werknemer die langer dan drie jaar ononderbroken in Nederland heeft gewoond, die gedurende de laatste twaalf maanden in Nederland werkzaamheden heeft verricht en die zijn werkzaamheden staakt ten gevolge van vervroegde uittreding;
- c. de werknemer of zelfstandige die zijn werkzaamheden na meer dan twee jaar ononderbroken verblijf in Nederland staakt als gevolg van blijvende arbeidsongeschiktheid;
- d. de werknemer of zelfstandige die in Nederland zijn werkzaamheden staakt wegens blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsongeval of een beroepsziekte waardoor recht is ontstaan op een uitkering die geheel of ten dele ten laste komt van een Nederlandse instelling;
- e. de werknemer of zelfstandige die, na drie jaar ononderbroken in Nederland werkzaam te zijn geweest en in Nederland te hebben verbleven, werkzaam is in een andere lidstaat, zijn woning in Nederland aanhoudt en daar ten minste eenmaal per week naar terugkeert.
4. Bij de toepassing van het derde lid worden als arbeidsperioden mede in aanmerking genomen:
- a. het naar behoren door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde tijdvak van onvrijwillige werkloosheid waarin de vreemdeling wegens een niet-toerekenbare reden niet heeft gewerkt;
- b. de periode van afwezigheid of arbeidsonderbreking wegens ziekte of ongeval.
5. Bij de toepassing van het derde lid, onder a tot en met d, worden de tijdvakken van werkzaamheid in de lidstaat waarin de betrokkene werkzaam is, aangemerkt als in Nederland vervulde tijdvakken van werkzaamheid.
6. De in het derde lid, onder a en b, gestelde voorwaarden inzake de duur van het verblijf en van de werkzaamheid, en de in het derde lid, onder c en d, gestelde voorwaarde inzake de duur van het verblijf, zijn niet van toepassing indien de echtgenoot of de geregistreerde partner van de werknemer of zelfstandige Nederlander is of de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het huwelijk met die werknemer of zelfstandige.
7. De bij hem in Nederland verblijvende familieleden van de werknemer of zelfstandige hebben duurzaam verblijfsrecht, indien de werknemer of zelfstandige een nationaliteit als bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bezit en:
- a. op grond van het derde tot en met het zesde lid duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft verkregen; of
- b. tijdens zijn werkzame leven is overleden, voordat hij op grond van het derde tot en met het zesde lid duurzaam verblijfsrecht in Nederland verkreeg, en:
- 1°. hij op het tijdstip van zijn overlijden gedurende twee jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven;
- 2°. zijn overlijden het gevolg was van een arbeidsongeval of beroepsziekte; of
- 3°. zijn echtgenoot de Nederlandse nationaliteit als gevolg van hun huwelijk heeft verloren.
##### Artikel 8.18
Duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden beëindigd:
- a. bij afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit Nederland;
- b. indien ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid daartoe nopen.
##### Artikel 8.19
Onze Minister verstrekt de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), met duurzaam verblijfsrecht op aanvraag en na verificatie van de verblijfsduur een verblijfsdocument, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Het verblijfsdocument wordt zo spoedig mogelijk verstrekt. [Artikel 25 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) is niet van toepassing.
##### Artikel 8.20
1. Onze Minister verstrekt de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2011-06-28&g=2011-06-28), met duurzaam verblijfsrecht en die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, op aanvraag een verblijfsdocument, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. [Artikel 25, tweede en derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) is niet van toepassing.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het verblijfsdocument, bedoeld in [artikel 8.13, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
##### Artikel 8.21
Beëindiging van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling vormt een onderbreking vanaf het tijdstip waarop de vreemdeling Nederland heeft verlaten.
##### Artikel 8.22
1. Onze Minister kan het rechtmatig verblijf ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
2. Onze Minister kan bij de afgifte van de verklaring van inschrijving of het verblijfsdocument aan de lidstaat van oorsprong of andere lidstaten verzoeken om inlichtingen omtrent de gerechtelijke antecedenten.
3. Tenzij dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, wordt het rechtmatig verblijf niet beëindigd, indien de vreemdeling:
- a. in de voorafgaande tien jaar in Nederland heeft gewoond; of
- b. minderjarig is, tenzij verwijdering noodzakelijk is in het belang van het kind.
4. De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring kan slechts worden gedaan nadat sinds de verwijdering om redenen van openbare orde of openbare veiligheid een redelijke termijn is verstreken of indien die verwijdering tenminste drie jaren voorafgaand aan de aanvraag heeft plaatsgevonden.
5. Binnen zes maanden wordt een beschikking gegeven op de in het vierde lid bedoelde aanvraag.
6. Indien de verwijdering niet binnen twee jaren na de ontzegging of beëindiging, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden, onderzoekt Onze Minister of de bedreiging, bedoeld in het eerste lid, nog werkelijk en actueel is, waarbij Onze Minister sinds die ontzegging of beëindiging eventueel opgetreden wijzigingen in materiële zin in de omstandigheden beoordeelt.
##### Artikel 8.23
1. Onze Minister kan het rechtmatig verblijf op grond van de volksgezondheid ontzeggen of beëindigen in het geval van potentieel epidemische ziekten als gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel in geval van andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden getroffen.
2. Rechtmatig verblijf wordt niet op grond van de volksgezondheid beëindigd, indien de ziekte langer dan drie maanden na inreis van de vreemdeling is opgetreden.
3. Onze Minister kan de vreemdeling binnen drie maanden na inreis onderwerpen aan een kosteloos medisch onderzoek indien ernstige aanwijzingen daartoe aanleiding geven.
##### Artikel 8.24
1. De uitzetting van de vreemdeling, ten aanzien van wie het rechtmatig verblijf om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid is geweigerd of beëindigd, blijft, indien de vreemdeling de voorzieningenrechter heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, achterwege tot op dat verzoek is beslist, tenzij het besluit:
- a. met toepassing van [artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) is genomen;
- b. reeds door de rechtbank of de voorzieningenrechter is beoordeeld; of
- c. gebaseerd is op dwingende redenen van openbare veiligheid.
2. De toegang van de vreemdeling die voor de behandeling van een bezwaarschrift, beroepschrift, dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen beëindiging van het rechtmatig verblijf, geen gemachtigde heeft gesteld, wordt niet geweigerd, tenzij:
- a. zijn aanwezigheid de openbare orde of de openbare veiligheid ernstig zal verstoren; of
- b. het bezwaar of beroep is gericht tegen de weigering van toegang.
3. Onze Minister kan de vertrektermijn, bedoeld in [artikel 62, vierde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) slechts in naar behoren aangetoonde dringende gevallen verkorten tot minder dan vier weken.
##### Artikel 8.25
Onze Minister kan het rechtmatig verblijf beëindigen, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf.
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
##### Artikel 8.26
Onze Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen ontlenen aan de volgende verdragen:
- a. het Europees Vestigingsverdrag (Trb. 1957, 20);
- b. het Vluchtelingenverdrag (Trb. 1954, 88);
- c. het Verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42);
- d. de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70), Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie;
- e. het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag (Stb. 1906, 279);
- f. het Nederlands-Zwitsers Tractaat (Stb. 1878, nr. 137);
- g. het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag (Trb. 1956, 40);
- h. de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijde onderdanen (1975) (Trb. 1975, 133);
- i. de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen met bijlage en protocol inzake verkregen rechten (1981) (Trb. 1981, 35);
- j. de Associatieverdragen EG met Roemenië (PbEG 1994, L 357) en Bulgarije (PbEG 1994, L 358);
- k. de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86).
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.41a
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het volgen van studie als bedoeld in [artikel 3.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.41&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 1. Benelux
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 2.1a
1. De toegang wordt niet geweigerd, indien de vreemdeling naar Nederland terugkeert als gezinslid van een langdurig ingezetene, die houder is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) en die na verblijfsbeëindiging door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie uit die staat naar Nederland terugkeert.
2. De toegang wordt evenmin geweigerd, indien de vreemdeling uit een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie naar Nederland terugkeert als:
- a. houder of voormalig houder van een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart;
- b. gezinslid van een vreemdeling als bedoeld in onderdeel a, voor zover dat gezinslid houder is of is geweest van een door Onze Minister afgegeven verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met die vreemdeling.
### Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding
### Afdeling 3. Openbare orde
### Afdeling 4. Middelen voor kosten van verblijf
### Hoofdstuk 3. Verblijf
### Afdeling 1. Rechtmatig verblijf
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
##### Artikel 3.23a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, aan de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of langdurig ingezetene, indien dat kind, die echtgenoot of partner:
- a. in een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is toegelaten als gezinslid van de langdurig ingezetene;
- b. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;
- c. al dan niet tezamen met de langdurig ingezetene duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-06-28&g=2011-06-28);
- d. geen gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-28&g=2011-06-28); en
- e. geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
2. De verblijfsvergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, aan het ongehuwde meerderjarige kind van de langdurig ingezetene, de echtgenoot of partner, bedoeld in het eerste lid, indien de achterlating van dat kind naar het oordeel van Onze Minister een onevenredige hardheid zou betekenen. De onderdelen a tot en met e van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de verblijfsvergunning niet verleend aan de ongehuwde partner of het kind van die partner, indien de relatie van die partner met de langdurig ingezetene niet duurzaam is of niet naar behoren is geattesteerd.
##### Artikel 3.29a
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene aan de langdurig ingezetene, die:
- a. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;
- b. duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-06-28&g=2011-06-28);
- c. geen gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-28&g=2011-06-28); en
- d. geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
##### Artikel 3.103a
1. Indien Onze Minister een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) verleent aan of verlengt van een vreemdeling die houder is van een door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, ter uitvoering van artikel 8 van de [Richtlijn nr. 2003/109/EG](32003L0109) van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16) afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die staat. Indien Onze Minister aan die houder ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van deze richtlijn een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen verleent, doet hij daarvan eveneens mededeling aan die autoriteiten.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien Onze Minister besluit de verblijfsvergunning van de in het eerste lid bedoelde houder in te trekken of niet te verlengen.
3. Indien Onze Minister overweegt een vreemdeling, die houder is als bedoeld in het eerste lid, uit te zetten naar een staat die geen partij is bij het Verdrag, bedoeld in het eerste lid, raadpleegt hij de autoriteiten van de andere staat, bedoeld in het eerste lid. Indien Onze Minister dienovereenkomstig besluit uit te zetten, verstrekt hij die autoriteiten alle nodige informatie met betrekking tot de uitzetting.
4. Indien Onze Minister beslist op een aanvraag tot het verlenen van een Europese blauwe kaart ten behoeve van een vreemdeling die door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie reeds in het bezit is gesteld van een Europese blauwe kaart, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die andere staat.
5. Onze Minister vormt het contactpunt dat door een staat als bedoeld in het eerste en vierde lid kan worden geraadpleegd, ter uitvoering van de in het eerste en vierde lid bedoelde richtlijn, en is verantwoordelijk voor het ontvangen en toezenden van de informatie, bedoeld in de voorgaande leden.
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 1. Uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Uitzetting
#### Paragraaf 7. Documenten
#### Paragraaf 2. EG/EER
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.80a
1. Een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf wordt afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling als bedoeld in [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.51&z=2011-06-28&g=2011-06-28), die het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 13 van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13), niet heeft behaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:
- a. jonger dan 16 jaar of 65 jaar of ouder is;
- b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens [artikel 2.6 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6);
- c. beschikt over een document als bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3), dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in [artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5);
- d. op grond van [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), of [artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31) van de inburgeringsplicht is ontheven;
- e. verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld.
3. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, indien de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8) door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
4. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de afwijzing van de aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, en omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d, en derde lid.
#### Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene
#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden
##### Artikel 3.96a
1. De aanvraag tot het verlenen of het wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) wordt afgewezen, indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 13 van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13) niet heeft behaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:
- a. 65 jaar of ouder is;
- b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens [artikel 2.6 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6);
- c. beschikt over een document als bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3), dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in [artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5);
- d. op grond van [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), of [artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31) van de inburgeringsplicht is ontheven;
- e. meerderjarig is en:
- 1°. voor het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in [artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), voor zover diens aanvraag is ontvangen voor het negenentwintigste levensjaar, of
- 2°. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in [artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is;
- f. oud-Nederlander is, die het Nederlanderschap heeft verloren door het afleggen van een verklaring van afstand, dan wel door intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend op de grond dat hij heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, en die voorafgaand aan de naturalisatie ten minste vijf jaren rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft gehad;
- g. meerderjarig is, in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van [artikel 8 van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) en voorafgaand aan de remigratie ten minste vijf jaren rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft gehad.
3. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, indien de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8) door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
4. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d, en derde lid.
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
##### Artikel 3.107a
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), wordt afgewezen indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 13 van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13) niet heeft behaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:
- a. 65 jaar of ouder is;
- b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens [artikel 2.6 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6);
- c. beschikt over een document als bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3), dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in [artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5);
- d. op grond van [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), of [artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31) van de inburgeringsplicht is ontheven.
3. Onze Minister kan het eerste lid buiten toepassing, voor zover de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8) door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
4. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d, en derde lid.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
#### Paragraaf 7. Documenten
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 7. Documenten
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 2.2a
1. De vervoerder, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), die passagiers vervoert door de lucht, verzamelt op vordering van een ambtenaar belast met de grensbewaking de in het derde lid van dat artikel bedoelde passagiersgegevens en overhandigt deze voor het eind van de instapcontroles aan een ambtenaar belast met de grensbewaking.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling vanuit een lidstaat van de Europese Unie of een land dat betrokken is bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht.
3. De in [artikel 4, derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), bedoelde passagiersgegevens omvatten:
- a. het nummer en de aard van het gebruikte reisdocument;
- b. de nationaliteit;
- c. de volledige naam;
- d. de geboortedatum;
- e. de grensdoorlaatpost van binnenkomst;
- f. het vervoermiddel;
- g. het tijdstip van vertrek en van aankomst van het vervoermiddel;
- h. het totale aantal met dat vervoermiddel vervoerde passagiers, en
- i. het eerste instappunt.
4. Bij ministeriële regeling kunnen gevallen worden aangewezen waarin vervoerders verplicht zijn de in het derde lid bedoelde passagiersgegevens te verzamelen en te verstrekken zonder vordering daartoe.
5. De vervoerder vernietigt de krachtens het eerste lid verzamelde gegevens binnen 24 uur na aankomst in Nederland.
6. De vervoerder verstrekt de passagier informatie betreffende:
- a. zijn identiteit;
- b. de doeleinden waarvoor de gegevens worden verzameld;
- c. de gegevens die worden verzameld;
- d. de ontvangers van de gegevens, en
- e. het bestaan van het recht om kennis te nemen van zijn gegevens en het recht om om correctie van onjuiste gegevens te verzoeken.
7. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop de gegevens door de vervoerder worden verstrekt.
##### Artikel 2.2b
De ambtenaar belast met de grensbewaking vernietigt de op grond van [artikel 2.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.2a&z=2011-06-28&g=2011-06-28) verkregen passagiersgegevens binnen 24 uur na binnenkomst van de passagiers in Nederland, tenzij deze later nodig zijn voor de uitoefening van diens taken.
##### Artikel 2.2c
Onze Minister zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de toepassing van de [artikelen 2.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.2a&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [2.2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.2b&z=2011-06-28&g=2011-06-28) van dit besluit.
### Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding
### Afdeling 3. Openbare orde
### Hoofdstuk 3. Verblijf
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.56a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan onder een beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG worden verleend aan de vreemdeling:
- a. die onderzoek verricht bij een bij ministeriële regeling aan te wijzen onderzoeksinstelling;
- b. die een met een onderzoeksinstelling gesloten gastovereenkomst overlegt, waaruit blijkt:
- 1°. dat het onderzoeksproject is goedgekeurd, na toetsing van:
- a. het doel en de duur van het onderzoek en de beschikbaarheid van de hiervoor benodigde financiële middelen;
- b. de kwalificaties van de vreemdeling in het licht van het doel van het onderzoek, die gestaafd worden met een gewaarmerkte kopie van een door de vreemdeling behaald passend diploma van hoger onderwijs, dat toegang geeft tot doctoraatprogramma’s; en
- 2°. wat de rechtsbetrekking en de arbeidsvoorwaarden van de vreemdeling zijn, en
- c. die een garantstelling van de onderzoeksinstelling overlegt.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid.
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
##### Artikel 3.89a
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), verleend onder een beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG, wordt, indien de aanwijzing van de onderzoeksinstelling na afgifte van de verblijfsvergunning niet verlengd of ingetrokken wordt, eerst op grond van [artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen nadat de vreemdeling die te goeder trouw is gedurende een termijn van drie maanden in de gelegenheid is geweest om alsnog aan de beperking te voldoen.
##### Artikel 3.91a
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), die is verleend onder een beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG, wordt eerst ingetrokken op de grond dat de aanwijzing van de onderzoeksinstelling na afgifte van de verblijfsvergunning niet verlengd of ingetrokken wordt, nadat de vreemdeling die te goeder trouw is gedurende drie maanden in de gelegenheid is geweest om alsnog aan de beperking te voldoen.
#### Paragraaf 5. Intrekking
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 1. Benelux
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.106a
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) wordt slechts afgewezen op grond van [artikel 30, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), of met toepassing van [artikel 31, tweede lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:
- a. het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en
- b. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en
- c. het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en
- d. de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.
2. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) wordt slechts afgewezen op grond van [artikel 30, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), of met toepassing van [artikel 31, tweede lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.
3. Bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.
4. Bij de beoordeling of de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) wordt afgewezen op grond van [artikel 30, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), wordt mede betrokken het beroep van de vreemdeling inhoudende dat hij in het derde land zal worden blootgesteld aan foltering, wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
##### Artikel 3.120a
Bij ministeriele regeling worden voorschriften gesteld omtrent:
- a. het verstrekken van inlichtingen aan de vreemdeling over de te volgen procedure, en
- b. het stellen van aantekeningen in het dossier van de vreemdeling ingeval van intrekking van diens aanvraag.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
### Afdeling 1. Grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.105a
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van omstandigheden als bedoeld in [artikel 31, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31).
##### Artikel 3.105b
Aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij verdragsvluchteling als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) is, kan verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) op grond van die toelatingsgrond slechts worden geweigerd, indien:
- a. er goede redenen bestaan om de vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid; of
- b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap.
##### Artikel 3.105c
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), wordt ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen indien sprake is van de situatie, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, onder a dan wel c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32).
2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), kan slechts op grond van [artikel 32, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32) worden ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen, indien:
- a. er goede redenen bestaan om de vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid; of
- b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van de situatie, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 3.105d
Vervallen
##### Artikel 3.105e
Aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die de rechtsgrond voor verlening, bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), vormen, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) verleend, tenzij er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:
- a. de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
- b. de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd;
- c. de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
- d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap of de nationale veiligheid; of
- e. de vreemdeling heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c vermelde misdrijven of daden,
in welk geval verlening van evenbedoelde verblijfsvergunning op voormelde grond wordt geweigerd.
##### Artikel 3.105f
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) wordt ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen, indien sprake is van de situatie, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, onder a dan wel c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32).
2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) wordt slechts ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt slechts afgewezen op grond van [artikel 32, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32), indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:
- a. de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
- b. de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd;
- c. de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
- d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap of voor de nationale veiligheid; of
- e. de vreemdeling heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c genoemde misdrijven of daden.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van de situatie, bedoeld in het eerste lid.
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
##### Artikel 3.121
Bij ministeriele regeling worden voorschriften gesteld omtrent:
- a. het verstrekken van inlichtingen aan de vreemdeling over de te volgen procedure, en
- b. het stellen van aantekeningen in het dossier van de vreemdeling ingeval van intrekking van diens aanvraag.
##### Artikel 3.122
1. Aan de vreemdeling aan wie op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) is verleend, wordt zo spoedig mogelijk na verlening van die verblijfsvergunning in een voor hem begrijpelijke taal informatie verschaft over de rechten en plichten die verbonden zijn aan de verblijfsvergunning.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt verschaft.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 7. Documenten
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.118a
1. Indien Onze Minister oordeelt dat een ander land ingevolge een verdrag of een voor dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), en uit dien hoofde het andere land om overname of terugname zal verzoeken, wordt het schriftelijk voornemen om de aanvraag af te wijzen, vooruitlopend op aanvaarding van het verzoek tot overname of terugname door het andere land, aan de vreemdeling uitgereikt.
2. Indien Onze Minister het voornemen, bedoeld in het eerste lid, op de vijfde dag aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze uiterlijk op de zesde dag schriftelijk naar voren. Indien Onze Minister de in [artikel 3.110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2011-06-28&g=2011-06-28), genoemde termijn heeft verlengd en dat voornemen aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze uiterlijk op de dag na de uitreiking van het voornemen naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd.
3. Indien Onze Minister het voornemen, bedoeld in het eerste lid, na ommekomst van de in [artikel 3.110, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2011-06-28&g=2011-06-28), genoemde termijn aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze binnen een week schriftelijk naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt.
4. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.
5. In het geval, bedoeld in het tweede lid, worden het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze door Onze Minister vastgelegd. In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt de ontvangst van de schriftelijke zienswijze door Onze Minister bevestigd.
6. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat niet aan het verzoek om overname in de weg, en evenmin aan het nemen van de beschikking bij aanvaarding van het verzoek tot overname.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.1b
1. Het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een Europese blauwe kaart heeft tot gevolg dat uitzetting achterwege blijft, indien de vreemdeling direct voorafgaande aan de indiening van de aanvraag houder was van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart.
2. Het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), heeft tot gevolg dat uitzetting achterwege blijft, indien:
- a. de vreemdeling de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van een houder van een Europese blauwe kaart is, dan wel het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of houder van de Europese blauwe kaart;
- b. de houder van de Europese blauwe kaart, bedoeld in onderdeel a, direct voorafgaande aan de indiening van de aanvraag houder was van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart, en
- c. geen sprake is van gezinsvorming.
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
##### Artikel 3.79a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.87a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.89b
1. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart kan worden afgewezen, indien de houder niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van die kaart, zoals opgenomen in [artikel 3.30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.30b&z=2011-06-28&g=2011-06-28), met uitzondering van het eerste lid, onder e.
2. In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart niet met toepassing van [artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen op de grond dat de houder werkloos is, tenzij deze:
- a. langer dan drie achtereenvolgende maanden werkloos is;
- b. tijdens de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart eerder werkloos is geweest, of
- c. een uitkering krachtens de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) heeft aangevraagd.
3. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart wordt niet met toepassing van [artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18), afgewezen op grond van werkloosheid als bedoeld in het tweede lid, onder a of b.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste en tweede lid.
##### Artikel 3.89c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.91b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.91c
De Europese blauwe kaart kan worden ingetrokken op de in [artikel 3.89b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.89b&z=2011-06-28&g=2011-06-28), genoemde gronden. Het tweede tot en met vierde lid van dat artikel zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.91d
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
##### Artikel 3.108a
1. Op de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
2. De termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd indien naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie nodig is.
3. De [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=43) en [43a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=43a) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
##### Artikel 4.44a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.44b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
##### Artikel 8.2a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 4.17a
1. De bevoegdheid, bedoeld in [artikel 50, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50), om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, wordt uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen:
- a. op luchthavens bij de aankomst van vluchten vanuit het Schengengebied;
- b. in treinen gedurende ten hoogste dertig minuten na het passeren van de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland of, als binnen deze periode het tweede station na het passeren van de grens nog niet is bereikt, tot uiterlijk het tweede station na het passeren van de grens;
- c. op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.
2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.
3. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt ten hoogste zeven keer per week uitgevoerd ten aanzien van vluchten op eenzelfde vliegroute, met een maximum van eenderde van het totale aantal geplande vluchten per maand op die vliegroute. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passagiers op een vlucht staande gehouden.
4. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt per dag in ten hoogste twee treinen per traject en ten hoogste acht treinen in totaal uitgevoerd, en per trein in ten hoogste twee treincoupés.
5. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
#### Paragraaf 8. Administratieplichten
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.23b
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-28&g=2011-06-28), wordt verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, aan de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van de houder van de door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart, en het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of houder van de Europese blauwe kaart, indien:
- a. dat kind, die echtgenoot of die partner in een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gedurende ten minste achttien maanden is toegelaten als gezinslid van die houder van de Europese blauwe kaart;
- b. dat kind, die echtgenoot of die partner in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding of een gewaarmerkt afschrift daarvan;
- c. dat kind, die echtgenoot of die partner geen gevaar voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-28&g=2011-06-28) of de nationale veiligheid vormt;
- d. dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
2. De verblijfsvergunning wordt verleend, indien de houder van de Europese blauwe kaart:
- a. direct voorafgaande aan de verlening van die kaart door Onze Minister houder was van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart;
- b. duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-06-28&g=2011-06-28).
3. Dit lid is nog niet in werking getreden.
##### Artikel 3.30a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan worden verleend onder een beperking verband houdend met arbeid als kennismigrant aan een vreemdeling als bedoeld in [artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d), tenzij het overeengekomen loon naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sterk afwijkt van het loon dat voor de te verrichten werkzaamheden in overeenkomstige functies gebruikelijk is.
2. Dit lid is nog niet in werking getreden.
##### Artikel 3.30b
1. De Europese blauwe kaart wordt verleend aan een vreemdeling als bedoeld in [artikel 1i van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1i), die:
- a. beschikt over een geldige arbeidsovereenkomst of een bindend aanbod van een hooggekwalificeerde baan in de zin van artikel 2, onder b, van Richtlijn 2009/50/EG voor de duur van ten minste een jaar met een werkgever in Nederland, waarmee een bruto inkomen wordt verworven dat ten minste gelijk is aan het loon, bedoeld in [artikel 1i van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1i);
- b. in Nederland arbeid verricht of gaat verrichten voor een werkgever aan wie in de periode van maximaal vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag geen sanctie is opgelegd wegens overtreding van [artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2) of wegens het niet of onvoldoende afdragen van loonbelasting, premies voor de werknemersverzekeringen of premies voor de volksverzekeringen;
- c. voor zover hij een gereglementeerd beroep in de zin van [artikel 1 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=1) wil uitoefenen, beschikt over een erkenning van de beroepskwalificaties in de zin van [artikel 5 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5), dan wel, voor zover hij geen gereglementeerd beroep wil uitoefenen, beschikt over voor dat beroep of de desbetreffende sector benodigde getuigschriften van hoger onderwijs in de zin van artikel 2, onder h, van richtlijn 2009/50/EG;
- d. in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding;
- e. in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, afgegeven onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van de Europese blauwe kaart, dan wel behoort tot een van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-06-28&g=2011-06-28), bedoelde categorieën, en
- f. geen gevaar voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-28&g=2011-06-28) of de nationale veiligheid vormt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de vreemdeling, die:
- a. een aanvraag tot het verlenen van verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) heeft ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist, dan wel houder is van een zodanige verblijfsvergunning;
- b. een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) heeft ingediend als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG, waarop nog niet onherroepelijk is beslist;
- c. gemeenschapsonderdaan of langdurig ingezetene is;
- d. in Nederland verblijft op grond van een verdrag dat de toegang en het tijdelijk verblijf van bepaalde categorieën natuurlijke personen in verband met handel en investeringen gemakkelijker maken;
- e. in Nederland verblijft als seizoensarbeider of als vreemdeling die onder Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PbEU 1997, L 18) valt en in Nederland ter beschikking is gesteld.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), indien de vreemdeling:
- a. houder is van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart, en
- b. ten minste achttien maanden in de staat, bedoeld in onderdeel a, als houder van die Europese blauwe kaart heeft verbleven.
4. Dit lid is nog niet in werking getreden.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste en tweede lid.
##### Artikel 3.59c
1. De Europese blauwe kaart wordt verleend met een geldigheidsduur tot drie maanden na afloop van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in [artikel 3.30b, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.30b&z=2011-06-28&g=2011-06-28), maar niet langer dan vier jaar.
2. De verblijfsvergunning op grond van [artikel 3.23b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.23b&z=2011-06-28&g=2011-06-28) wordt verleend voor de duur van het verblijfsrecht van de houder van de Europese blauwe kaart.
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden
#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
2011-06-28
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2011-06-19
Vreemdelingenbesluit 2000
2011-06-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2011-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 44 más
2010-07-31
Vreemdelingenbesluit 2000
2010-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2009-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 52 más
2009-05-02
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 52 más
2009-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 52 más
2008-05-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 52 más
2008-04-25
Vreemdelingenbesluit 2000
2008-03-26
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 57 más
2007-12-19
Vreemdelingenbesluit 2000
2007-11-14
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 117 más
2007-10-12
Vreemdelingenbesluit 2000
2007-09-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2007-06-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 119 más
2007-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2006-12-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2006-10-11
Vreemdelingenbesluit 2000
2006-04-29
Vreemdelingenbesluit 2000
2006-03-15
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 153 más
2006-02-24
Vreemdelingenbesluit 2000
2005-12-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2005-02-15
Vreemdelingenbesluit 2000
2004-12-06
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 78 más
2004-11-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 78 más
2004-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2004-09-15
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 84 más
2004-09-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 85 más
2004-08-20
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 85 más
2004-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 94 más
2004-05-15
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 94 más
2004-04-13
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 95 más
2004-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 98 más
2003-09-26
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 101 más
2003-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 105 más
2003-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 104 más
2002-07-17
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 104 más
2001-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 18, 1, 1 y 290 más
2001-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000
original version Tekst op deze datum