Wijzigingsgeschiedenis

Besluit van 23 november 2000 tot uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (Vreemdelingenbesluit 2000)

100 versions · 2026-01-01
2026-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2025-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2024-06-12
Vreemdelingenbesluit 2000
2024-04-17
Vreemdelingenbesluit 2000
2024-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2023-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2022-09-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2022-08-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2022-01-29
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2022-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2021-12-02
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2021-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2021-06-25
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2021-06-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2020-08-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2020-03-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2019-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2019-05-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2019-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2019-03-14
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2018-09-19
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2018-08-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2018-05-23
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2017-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2017-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2017-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2016-11-29
Vreemdelingenbesluit 2000
2016-11-03
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2016-03-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2016-02-25
Vreemdelingenbesluit 2000
2015-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 39 más
2015-07-20
Vreemdelingenbesluit 2000
2015-07-09
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 25 más
2015-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 11 más
2014-11-28
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 11 más
2014-11-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 25 más
2014-07-17
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 25 más
2014-07-08
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 39 más
2014-06-13
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 39 más
2014-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-03-29
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-03-21
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-03-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-02-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-01-06
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 73 más
2014-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2013-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 35 más
2013-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 35 más
2013-06-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2013-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 33 más
2012-12-29
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 34 más
2012-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2012-08-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2012-07-07
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2012-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2012-04-18
Vreemdelingenbesluit 2000
2012-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2011-12-31
Vreemdelingenbesluit 2000
2011-06-28
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2011-06-19
Vreemdelingenbesluit 2000
2011-06-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2011-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 44 más
2010-07-31
Vreemdelingenbesluit 2000
2010-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2009-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 52 más
2009-05-02
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 52 más
2009-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 52 más
2008-05-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 52 más
2008-04-25
Vreemdelingenbesluit 2000
2008-03-26
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 57 más
2007-12-19
Vreemdelingenbesluit 2000
2007-11-14
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 117 más
2007-10-12
Vreemdelingenbesluit 2000
2007-09-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2007-06-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 119 más
2007-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2006-12-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2006-10-11
Vreemdelingenbesluit 2000
2006-04-29
Vreemdelingenbesluit 2000
2006-03-15
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 153 más
2006-02-24
Vreemdelingenbesluit 2000
2005-12-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2005-02-15
Vreemdelingenbesluit 2000
2004-12-06
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 78 más
2004-11-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 78 más
2004-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2004-09-15
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 84 más
2004-09-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 85 más
2004-08-20
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 85 más
2004-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 94 más
2004-05-15
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 94 más
2004-04-13
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 95 más
2004-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 98 más
2003-09-26
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 101 más
2003-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 105 más
2003-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 104 más
2002-07-17
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 104 más
2001-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 18, 1, 1 y 290 más

Wijzigingen op 2001-04-01

@@ -2597,3649 +2597,3 @@
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.24a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
##### Artikel 3.59a
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2004-10-01&g=2004-10-01) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als kennismigrant als bedoeld in [artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d) worden verleend voor de duur van maximaal vijf jaren.
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
#### Paragraaf 5. Intrekking
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 1. Verlening
#### Paragraaf 2. Afwijzen van de aanvraag
#### Paragraaf 3. Intrekking
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 7. Documenten
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2004-10-01&g=2004-10-01), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.1a
1. Het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) heeft tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft zo lang een besluit als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de richtlijn tijdelijke bescherming van kracht is, indien de vreemdeling:
- a. behoort tot de specifieke groep vreemdelingen zoals omschreven in een besluit van de Raad van de Europese Unie als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de richtlijn tijdelijke bescherming;
- b. de echtgenoot is van de vreemdeling, bedoeld onder a, of de ongehuwde partner met wie die vreemdeling een duurzame relatie onderhoudt, en ten tijde van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het in de aanhef bedoelde besluit met die vreemdeling samenwoonde;
- c. het minderjarige, ongehuwde, al dan niet geadopteerde kind is van de vreemdeling, bedoeld onder a of b;
- d. een ander naast familielid is van de vreemdeling, bedoeld onder a, die ten tijde van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het in de aanhef bedoelde besluit volledig of grotendeels afhankelijk was van die vreemdeling en met het gezin samenwoonde, en wiens achterlating een schrijnende situatie zou vormen; of
- e. behoort tot de bij regeling van Onze Minister aan te wijzen groep vreemdelingen uit hetzelfde land of dezelfde regio als de vreemdeling, bedoeld onder a, die om dezelfde reden ontheemd zijn en die niet reeds bescherming genieten in een ander land dat partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
2. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister bepalen dat uitzetting niet achterwege blijft, indien:
- a. de aanvraag met toepassing van [artikel 30, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30) wordt afgewezen;
- b. de vreemdeling reeds tijdelijke bescherming geniet in een ander land dat partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- c. de vreemdeling met toepassing van de richtlijn tijdelijke bescherming wordt overgebracht naar een ander land dat partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- d. de vreemdeling naar het land of regio van herkomst is teruggekeerd;
- e. ernstige redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat de vreemdeling:
- 1°. een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf, of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan als omschreven in de internationale instrumenten die bepalingen inzake dergelijke misdrijven bevatten;
- 2°. buiten Nederland een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan alvorens hij tijdelijke bescherming verkreeg;
- 3°. zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties;
- f. de vreemdeling ingevolge een onherroepelijk geworden veroordeling wegens een bijzonder ernstig misdrijf een gevaar vormt voor de Nederlandse samenleving; of
- g. er redelijke gronden aanwezig zijn om de vreemdeling als gevaar voor de nationale veiligheid te beschouwen.
3. Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel e, onder 2°, wordt de ernst van de verwachte vervolging afgewogen tegen de aard van het misdrijf waarvan de vreemdeling wordt verdacht, en kunnen bijzonder wrede handelingen, ook indien deze met een vermeend politiek oogmerk zijn verricht, worden aangemerkt als ernstige, niet-politieke misdrijven. Dit geldt voor alle deelnemers aan het misdrijf, met inbegrip van hen die het misdrijf hebben uitgelokt.
4. Een besluit op grond van het tweede lid, onder e tot en met g, wordt met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel gebaseerd op het persoonlijke gedrag van de vreemdeling.
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
#### Paragraaf 5. Intrekking
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Afwijzen van de aanvraag
#### Paragraaf 3. Intrekking
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2005-02-15&g=2005-02-15), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.31a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan onder een beperking, verband houdend met werkzaamheid in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening als bedoeld in [artikel 1e, eerste lid, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e), worden verleend indien de daar bedoelde melding is gedaan, onder verstrekking van de in het tweede lid van dat artikel voorgeschreven gegevens en bescheiden.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt niet afgewezen op de gronden, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, onder c of e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16).
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
##### Artikel 3.59b
1. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2005-12-01&g=2005-12-01) kan de verblijfsvergunning met het oog op werkzaamheid in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, als bedoeld in [artikel 1e van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e), worden verleend voor de duur van de werkzaamheden als vermeld in de krachtens [artikel 1e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e), door de dienstverrichter verstrekte verklaring, met een maximum van twee jaren.
2. De geldigheidsduur van de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning wordt na twee jaren niet verlengd.
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
#### Paragraaf 5. Intrekking
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Afwijzen van de aanvraag
#### Paragraaf 3. Intrekking
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2005-12-01&g=2005-12-01), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.71a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 3. Intrekking
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
##### Artikel 3.98a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.98b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.98c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.98d
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2006-02-24&g=2006-02-24), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
- 1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het Internationaal Gezondheidsreglement no. 2 van 25 mei 1951 van de Wereldgezondheidsorganisatie;
- 2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
- 3. syfilis;
- 4. andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten, voor zover zij in het ontvangende land onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
- 1. verslaafdheid aan vergiften;
- 2. ernstige geestelijke afwijkingen; duidelijke toestand van psychose gepaard gaande met opwinding, delirium, hallucinaties of verwardheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 8.16
1. Onverminderd de [artikelen 8.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.22&z=2006-04-29&g=2006-04-29) en [8.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.23&z=2006-04-29&g=2006-04-29) eindigt het rechtmatige verblijf niet zolang de vreemdeling aan de in de [artikelen 8.12 tot en met 8.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.12&z=2006-04-29&g=2006-04-29) genoemde voorwaarden voldoet. In specifieke gevallen van redelijke twijfel kan Onze Minister onderzoeken of aan de voorwaarden wordt voldaan. Het onderzoek geschiedt niet stelselmatig. Een beroep op de algemene middelen leidt niet zonder meer tot beëindiging van het rechtmatige verblijf.
2. Onverminderd de [artikelen 8.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.22&z=2006-04-29&g=2006-04-29) en [8.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.23&z=2006-04-29&g=2006-04-29), eindigt het rechtmatige verblijf niet zolang de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2006-04-29&g=2006-04-29):
- a. werknemer of zelfstandige is; of
- b. naar Nederland is gekomen om werk te zoeken en hij kan bewijzen dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans op werk heeft.
##### Artikel 8.17
1. Duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft:
- a. de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2006-04-29&g=2006-04-29), die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad;
- b. de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2006-04-29&g=2006-04-29), die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad bij een vreemdeling als bedoeld onder a, waarbij mede wordt betrokken de periode waarin hij voldeed aan de voorwaarden van [artikel 8.15, vijfde lid, onder a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.15&z=2006-04-29&g=2006-04-29).
2. Voor de berekening van het ononderbroken verblijf, bedoeld in het eerste lid, vormt geen onderbreking een afwezigheid uit Nederland:
- a. van ten hoogste zes maanden per jaar;
- b. om belangrijke redenen gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden;
- c. voor de vervulling van militaire verplichtingen; of
- d. wegens uitzending voor het verrichten van werkzaamheden.
3. De periode van vijf jaar, bedoeld in eerste lid, geldt niet voor:
- a. de werknemer of zelfstandige die langer dan drie jaar ononderbroken in Nederland heeft gewoond, die gedurende de laatste twaalf maanden in Nederland werkzaamheden heeft verricht en die op het tijdstip waarop hij zijn werkzaamheid staakt, de 65-jarige leeftijd heeft bereikt;
- b. de werknemer die langer dan drie jaar ononderbroken in Nederland heeft gewoond, die gedurende de laatste twaalf maanden in Nederland werkzaamheden heeft verricht en die zijn werkzaamheden staakt ten gevolge van vervroegde uittreding;
- c. de werknemer of zelfstandige die zijn werkzaamheden na meer dan twee jaar ononderbroken verblijf in Nederland staakt als gevolg van blijvende arbeidsongeschiktheid;
- d. de werknemer of zelfstandige die in Nederland zijn werkzaamheden staakt wegens blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsongeval of een beroepsziekte waardoor recht is ontstaan op een uitkering die geheel of ten dele ten laste komt van een Nederlandse instelling;
- e. de werknemer of zelfstandige die, na drie jaar ononderbroken in Nederland werkzaam te zijn geweest en in Nederland te hebben verbleven, werkzaam is in een andere lidstaat, zijn woning in Nederland aanhoudt en daar ten minste eenmaal per week naar terugkeert.
4. Bij de toepassing van het derde lid worden als arbeidsperioden mede in aanmerking genomen:
- a. het naar behoren door de Centrale Organisatie Werk en Inkomen vastgestelde tijdvak van onvrijwillige werkloosheid waarin de vreemdeling wegens een niet-toerekenbare reden niet heeft gewerkt;
- b. de periode van afwezigheid of arbeidsonderbreking wegens ziekte of ongeval.
5. Bij de toepassing van het derde lid, onder a tot en met d, worden de tijdvakken van werkzaamheid in de lidstaat waarin de betrokkene werkzaam is, aangemerkt als in Nederland vervulde tijdvakken van werkzaamheid.
6. De in het derde lid, onder a en b, gestelde voorwaarden inzake de duur van het verblijf en van de werkzaamheid, en de in het derde lid, onder c en d, gestelde voorwaarde inzake de duur van het verblijf, zijn niet van toepassing indien de echtgenoot of de geregistreerde partner van de werknemer of zelfstandige Nederlander is of de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het huwelijk met die werknemer of zelfstandige.
7. De bij hem in Nederland verblijvende familieleden van de werknemer of zelfstandige hebben duurzaam verblijfsrecht, indien de werknemer of zelfstandige een nationaliteit als bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2006-04-29&g=2006-04-29), bezit en:
- a. op grond van het derde tot en met het zesde lid duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft verkregen; of
- b. tijdens zijn werkzame leven is overleden, voordat hij op grond van het derde tot en met het zesde lid duurzaam verblijfsrecht in Nederland verkreeg, en:
- 1°. hij op het tijdstip van zijn overlijden gedurende twee jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven;
- 2°. zijn overlijden het gevolg was van een arbeidsongeval of beroepsziekte; of
- 3°. zijn echtgenoot de Nederlandse nationaliteit als gevolg van hun huwelijk heeft verloren.
##### Artikel 8.18
Duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden beëindigd:
- a. bij afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit Nederland;
- b. indien ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid daartoe nopen.
##### Artikel 8.19
Onze Minister verstrekt de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2006-04-29&g=2006-04-29), met duurzaam verblijfsrecht op aanvraag en na verificatie van de verblijfsduur een verblijfsdocument, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Het verblijfsdocument wordt zo spoedig mogelijk verstrekt. [Artikel 25 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) is niet van toepassing.
##### Artikel 8.20
1. Onze Minister verstrekt de vreemdeling, bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2006-04-29&g=2006-04-29), met duurzaam verblijfsrecht en die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, op aanvraag een verblijfsdocument, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. [Artikel 25, tweede en derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) is niet van toepassing.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het verblijfsdocument, bedoeld in [artikel 8.13, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.13&z=2006-04-29&g=2006-04-29).
##### Artikel 8.21
Beëindiging van het rechtmatige verblijf van de vreemdeling vormt een onderbreking vanaf het tijdstip waarop de vreemdeling Nederland heeft verlaten.
##### Artikel 8.22
1. Onze Minister kan het rechtmatige verblijf ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
2. Onze Minister kan bij de afgifte van de verklaring van inschrijving of het verblijfsdocument aan de lidstaat van oorsprong of andere lidstaten verzoeken om inlichtingen omtrent de gerechtelijke antecedenten.
3. Tenzij dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, wordt het rechtmatig verblijf niet beëindigd, indien de vreemdeling:
- a. in de voorafgaande tien jaar in Nederland heeft gewoond; of
- b. minderjarig is, tenzij verwijdering noodzakelijk is in het belang van het kind.
4. De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring kan slechts worden gedaan nadat sinds de verwijdering om redenen van openbare orde of openbare veiligheid een redelijke termijn is verstreken of indien die verwijdering tenminste drie jaren voorafgaand aan de aanvraag heeft plaatsgevonden.
5. Binnen zes maanden wordt een beschikking gegeven op de in het vierde lid bedoelde aanvraag.
6. Indien de verwijdering niet binnen twee jaren na de ontzegging of beëindiging, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden, onderzoekt Onze Minister of de bedreiging, bedoeld in het eerste lid, nog werkelijk en actueel is, waarbij Onze Minister sinds die ontzegging of beëindiging eventueel opgetreden wijzigingen in materiële zin in de omstandigheden beoordeelt.
##### Artikel 8.23
1. Onze Minister kan het rechtmatige verblijf op grond van de volksgezondheid ontzeggen of beëindigen in het geval van potentieel epidemische ziekten als gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel in geval van andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden getroffen.
2. Rechtmatig verblijf wordt niet op grond van de volksgezondheid beëindigd, indien de ziekte langer dan drie maanden na inreis van de vreemdeling is opgetreden.
3. Onze Minister kan de vreemdeling binnen drie maanden na inreis onderwerpen aan een kosteloos medisch onderzoek indien ernstige aanwijzingen daartoe aanleiding geven.
##### Artikel 8.24
1. De uitzetting van de vreemdeling, ten aanzien van wie het rechtmatige verblijf om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid is geweigerd of beëindigd, blijft, indien de vreemdeling de voorzieningenrechter heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, achterwege tot op dat verzoek is beslist, tenzij het besluit:
- a. met toepassing van [artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) is genomen;
- b. reeds door de rechtbank of de voorzieningenrechter is beoordeeld; of
- c. gebaseerd is op dwingende redenen van openbare veiligheid.
2. De toegang van de vreemdeling die voor de behandeling van een bezwaarschrift, beroepschrift, dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen beëindiging van het rechtmatige verblijf, geen gemachtigde heeft gesteld, wordt niet geweigerd, tenzij:
- a. zijn aanwezigheid de openbare orde of de openbare veiligheid ernstig zal verstoren; of
- b. het bezwaar of beroep is gericht tegen de weigering van toegang.
3. Onze Minister kan de vertrektermijn, bedoeld in [artikel 62, vierde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) slechts in naar behoren aangetoonde dringende gevallen verkorten tot minder dan vier weken.
##### Artikel 8.25
Onze Minister kan het rechtmatige verblijf beëindigen, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf.
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
##### Artikel 8.26
Onze Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen ontlenen aan de volgende verdragen:
- a. het Europees Vestigingsverdrag (Trb. 1957, 20);
- b. het Vluchtelingenverdrag (Trb. 1954, 88);
- c. het Verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42);
- d. de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (PB EG 1964, L 217) en het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
- e. het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag (Stb. 1906, 279);
- f. het Nederlands-Zwitsers Tractaat (Stb. 1878, nr. 137);
- g. het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag (Trb. 1956, 40);
- h. de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijde onderdanen (1975) (Trb. 1975, 133);
- i. de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen met bijlage en protocol inzake verkregen rechten (1981) (Trb. 1981, 35);
- j. de Associatieverdragen EG met Hongarije (PbEG 1993, L 347), Polen (PbEG 1993, L 348), Roemenië (PbEG 1994, L 357), Bulgarije (PbEG 1994, L 358), Slowakije (PbEG 1994, L 359) en Tsjechië (PbEG 1994, L 360);
- k. de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86).
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.41a
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het volgen van studie als bedoeld in [artikel 3.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.41&z=2006-10-11&g=2006-10-11).
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 3. Intrekking
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
#### Paragraaf 7. Documenten
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 2.1a
De toegang wordt niet geweigerd, indien de vreemdeling naar Nederland terugkeert als gezinslid van een langdurig ingezetene, die houder is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) en die na verblijfsbeëindiging door een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap uit die staat naar Nederland terugkeert.
### Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding
### Afdeling 3. Openbare orde
### Afdeling 4. Middelen voor kosten van verblijf
### Hoofdstuk 3. Verblijf
### Afdeling 1. Rechtmatig verblijf
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
##### Artikel 3.23a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2006-12-01&g=2006-12-01), wordt verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, aan de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of langdurig ingezetene, indien dat kind, die echtgenoot of partner:
- a. in een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is toegelaten als gezinslid van de langdurig ingezetene;
- b. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;
- c. al dan niet tezamen met de langdurig ingezetene duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2006-12-01&g=2006-12-01);
- d. geen gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2006-12-01&g=2006-12-01) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2006-12-01&g=2006-12-01); en
- e. geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
2. De verblijfsvergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, aan het ongehuwde meerderjarige kind van de langdurig ingezetene, de echtgenoot of partner, bedoeld in het eerste lid, indien de achterlating van dat kind naar het oordeel van Onze Minister een onevenredige hardheid zou betekenen. De onderdelen a tot en met e van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de verblijfsvergunning niet verleend aan de ongehuwde partner of het kind van die partner, indien de relatie van die partner met de langdurig ingezetene niet duurzaam is of niet naar behoren is geattesteerd.
##### Artikel 3.29a
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene aan de langdurig ingezetene, die:
- a. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;
- b. duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2006-12-01&g=2006-12-01);
- c. geen gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2006-12-01&g=2006-12-01) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2006-12-01&g=2006-12-01); en
- d. geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 4. Verlenging
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
##### Artikel 3.103a
1. Indien Onze Minister een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) verleent aan of verlengt van een vreemdeling die houder is van een door een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ter uitvoering van artikel 8 van de [Richtlijn nr. 2003/109/EG](32003L0109) van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16) afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die staat. Indien Onze Minister aan die houder ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van deze richtlijn een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen verleent, doet hij daarvan eveneens mededeling aan die autoriteiten.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien Onze Minister besluit de verblijfsvergunning van de in het eerste lid bedoelde houder in te trekken of niet te verlengen.
3. Indien Onze Minister overweegt een vreemdeling, die houder is als bedoeld in het eerste lid, uit te zetten naar een staat die geen partij is bij het Verdrag, bedoeld in het eerste lid, raadpleegt hij de autoriteiten van de andere staat, bedoeld in het eerste lid. Indien Onze Minister dienovereenkomstig besluit uit te zetten, verstrekt hij die autoriteiten alle nodige informatie met betrekking tot de uitzetting.
4. Onze Minister vormt het contactpunt dat door een staat als bedoeld in het eerste lid kan worden geraadpleegd, ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde richtlijn, en is verantwoordelijk voor het ontvangen en toezenden van de informatie, bedoeld in de voorgaande leden.
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.80a
1. Een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf wordt afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling als bedoeld in [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.51&z=2007-01-01&g=2007-01-01), die het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 13 van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13), niet heeft behaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:
- a. jonger dan 16 jaar of 65 jaar of ouder is;
- b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens [artikel 2.6 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6);
- c. beschikt over een document als bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3), dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in [artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5);
- d. op grond van [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), of [artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31) van de inburgeringsplicht is ontheven;
- e. verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld.
3. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, indien de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8) door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
4. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de afwijzing van de aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, en omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d, en derde lid.
#### Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene
#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
##### Artikel 3.96a
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) wordt afgewezen, indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 13 van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13) niet heeft behaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:
- a. 65 jaar of ouder is;
- b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens [artikel 2.6 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6);
- c. beschikt over een document als bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3), dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in [artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5);
- d. op grond van [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), of [artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31) van de inburgeringsplicht is ontheven.
3. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, indien de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8) door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
4. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d, en derde lid.
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
##### Artikel 3.107a
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), wordt afgewezen indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 13 van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13) niet heeft behaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:
- a. 65 jaar of ouder is;
- b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens [artikel 2.6 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6);
- c. beschikt over een document als bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3), dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in [artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5);
- d. op grond van [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), of [artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31) van de inburgeringsplicht is ontheven.
3. Onze Minister kan het eerste lid buiten toepassing, voor zover de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8) door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
4. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d, en derde lid.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
#### Paragraaf 7. Documenten
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 2.2a
1. De vervoerder, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), die passagiers vervoert door de lucht, verzamelt op vordering van een ambtenaar belast met de grensbewaking de in het derde lid van dat artikel bedoelde passagiersgegevens en overhandigt deze voor het eind van de instapcontroles aan een ambtenaar belast met de grensbewaking.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling vanuit een lidstaat van de Europese Unie of een land dat betrokken is bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht.
3. De in [artikel 4, derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), bedoelde passagiersgegevens omvatten:
- a. het nummer en de aard van het gebruikte reisdocument;
- b. de nationaliteit;
- c. de volledige naam;
- d. de geboortedatum;
- e. de grensdoorlaatpost van binnenkomst;
- f. het vervoermiddel;
- g. het tijdstip van vertrek en van aankomst van het vervoermiddel;
- h. het totale aantal met dat vervoermiddel vervoerde passagiers, en
- i. het eerste instappunt.
4. Bij ministeriële regeling kunnen gevallen worden aangewezen waarin vervoerders verplicht zijn de in het derde lid bedoelde passagiersgegevens te verzamelen en te verstrekken zonder vordering daartoe.
5. De vervoerder vernietigt de krachtens het eerste lid verzamelde gegevens binnen 24 uur na aankomst in Nederland.
6. De vervoerder verstrekt de passagier informatie betreffende:
- a. zijn identiteit;
- b. de doeleinden waarvoor de gegevens worden verzameld;
- c. de gegevens die worden verzameld;
- d. de ontvangers van de gegevens, en
- e. het bestaan van het recht om kennis te nemen van zijn gegevens en het recht om om correctie van onjuiste gegevens te verzoeken.
7. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop de gegevens door de vervoerder worden verstrekt.
##### Artikel 2.2b
De ambtenaar belast met de grensbewaking vernietigt de op grond van [artikel 2.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.2a&z=2007-09-01&g=2007-09-01) verkregen passagiersgegevens binnen 24 uur na binnenkomst van de passagiers in Nederland, tenzij deze later nodig zijn voor de uitoefening van diens taken.
##### Artikel 2.2c
Onze Minister zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de toepassing van de [artikelen 2.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.2a&z=2007-09-01&g=2007-09-01) en [2.2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.2b&z=2007-09-01&g=2007-09-01) van dit besluit.
### Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding
### Afdeling 3. Openbare orde
### Hoofdstuk 3. Verblijf
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.56a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan onder een beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG worden verleend aan de vreemdeling:
- a. die onderzoek verricht bij een bij ministeriële regeling aan te wijzen onderzoeksinstelling;
- b. die een met een onderzoeksinstelling gesloten gastovereenkomst overlegt, waaruit blijkt:
- 1°. dat het onderzoeksproject is goedgekeurd, na toetsing van:
- a. het doel en de duur van het onderzoek en de beschikbaarheid van de hiervoor benodigde financiële middelen;
- b. de kwalificaties van de vreemdeling in het licht van het doel van het onderzoek, die gestaafd worden met een gewaarmerkte kopie van een door de vreemdeling behaald passend diploma van hoger onderwijs, dat toegang geeft tot doctoraatprogramma’s; en
- 2°. wat de rechtsbetrekking en de arbeidsvoorwaarden van de vreemdeling zijn, en
- c. die een garantstelling van de onderzoeksinstelling overlegt.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid.
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
##### Artikel 3.89a
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), verleend onder een beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG, wordt, indien de aanwijzing van de onderzoeksinstelling na afgifte van de verblijfsvergunning niet verlengd of ingetrokken wordt, eerst op grond van [artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen nadat de vreemdeling die te goeder trouw is gedurende een termijn van drie maanden in de gelegenheid is geweest om alsnog aan de beperking te voldoen.
##### Artikel 3.91a
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), die is verleend onder een beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker richtlijn 2005/71/EG, wordt eerst ingetrokken op de grond dat de aanwijzing van de onderzoeksinstelling na afgifte van de verblijfsvergunning niet verlengd of ingetrokken wordt, nadat de vreemdeling die te goeder trouw is gedurende drie maanden in de gelegenheid is geweest om alsnog aan de beperking te voldoen.
#### Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.106a
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) wordt slechts afgewezen op grond van [artikel 30, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), of met toepassing van [artikel 31, tweede lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:
- a. het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en
- b. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en
- c. het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en
- d. de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.
2. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) wordt slechts afgewezen op grond van [artikel 30, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), of met toepassing van [artikel 31, tweede lid, onder h, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.
3. Bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.
4. Bij de beoordeling of de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) wordt afgewezen op grond van [artikel 30, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), wordt mede betrokken het beroep van de vreemdeling inhoudende dat hij in het derde land zal worden blootgesteld aan foltering, wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
##### Artikel 3.120a
Bij ministeriele regeling worden voorschriften gesteld omtrent:
- a. het verstrekken van inlichtingen aan de vreemdeling over de te volgen procedure, en
- b. het stellen van aantekeningen in het dossier van de vreemdeling ingeval van intrekking van diens aanvraag.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.105a
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van omstandigheden als bedoeld in [artikel 31, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31).
##### Artikel 3.105b
Aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij verdragsvluchteling als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) is, kan verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) op grond van die toelatingsgrond slechts worden geweigerd, indien:
- a. er goede redenen bestaan om de vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid; of
- b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap.
##### Artikel 3.105c
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), wordt ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen indien sprake is van de situatie, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, onder a dan wel c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32).
2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), kan slechts op grond van [artikel 32, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32) worden ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen, indien:
- a. er goede redenen bestaan om de vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid; of
- b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van de situatie, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 3.105d
Onder folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), wordt mede verstaan:
- a. doodstraf of executie;
- b. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
##### Artikel 3.105e
Aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die de rechtsgrond voor verlening, bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), vormen, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) verleend, tenzij er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:
- a. de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
- b. de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd;
- c. de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
- d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap of de nationale veiligheid; of
- e. de vreemdeling heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c vermelde misdrijven of daden,
in welk geval verlening van evenbedoelde verblijfsvergunning op voormelde grond wordt geweigerd.
##### Artikel 3.105f
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) wordt ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen, indien sprake is van de situatie, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, onder a dan wel c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32).
2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) wordt slechts ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt slechts afgewezen op grond van [artikel 32, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32), indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:
- a. de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
- b. de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd;
- c. de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
- d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap of voor de nationale veiligheid; of
- e. de vreemdeling heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c genoemde misdrijven of daden.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van de situatie, bedoeld in het eerste lid.
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
##### Artikel 3.121
Bij ministeriele regeling worden voorschriften gesteld omtrent:
- a. het verstrekken van inlichtingen aan de vreemdeling over de te volgen procedure, en
- b. het stellen van aantekeningen in het dossier van de vreemdeling ingeval van intrekking van diens aanvraag.
##### Artikel 3.122
1. Aan de vreemdeling aan wie op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) is verleend, wordt zo spoedig mogelijk na verlening van die verblijfsvergunning in een voor hem begrijpelijke taal informatie verschaft over de rechten en plichten die verbonden zijn aan de verblijfsvergunning.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt verschaft.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 7. Documenten
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.118a
1. Indien Onze Minister oordeelt dat een ander land ingevolge een verdrag of een voor dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), en uit dien hoofde het andere land om overname of terugname zal verzoeken, wordt het schriftelijk voornemen om de aanvraag af te wijzen, vooruitlopend op aanvaarding van het verzoek tot overname of terugname door het andere land, aan de vreemdeling uitgereikt.
2. Indien Onze Minister het voornemen, bedoeld in het eerste lid, op de vijfde dag aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze uiterlijk op de zesde dag schriftelijk naar voren. Indien Onze Minister de in [artikel 3.110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2010-07-01&g=2010-07-01), genoemde termijn heeft verlengd en dat voornemen aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze uiterlijk op de dag na de uitreiking van het voornemen naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd.
3. Indien Onze Minister het voornemen, bedoeld in het eerste lid, na ommekomst van de in [artikel 3.110, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2010-07-01&g=2010-07-01), genoemde termijn aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze binnen een week schriftelijk naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt.
4. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.
5. In het geval, bedoeld in het tweede lid, worden het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze door Onze Minister vastgelegd. In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt de ontvangst van de schriftelijke zienswijze door Onze Minister bevestigd.
6. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat niet aan het verzoek om overname in de weg, en evenmin aan het nemen van de beschikking bij aanvaarding van het verzoek tot overname.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.1b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
##### Artikel 3.79a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.87a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.89b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.89c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.91b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.91c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 3.91d
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
##### Artikel 3.108a
1. Op de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
2. De termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd indien naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie nodig is.
3. De [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=43) en [43a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=43a) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
##### Artikel 4.44a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.44b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
##### Artikel 8.2a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 4.17a
1. De bevoegdheid, bedoeld in [artikel 50, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50), om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, wordt uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen:
- a. op luchthavens bij de aankomst van vluchten vanuit het Schengengebied;
- b. in treinen gedurende ten hoogste dertig minuten na het passeren van de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland of, als binnen deze periode het tweede station na het passeren van de grens nog niet is bereikt, tot uiterlijk het tweede station na het passeren van de grens;
- c. op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.
2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.
3. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt ten hoogste zeven keer per week uitgevoerd ten aanzien van vluchten op eenzelfde vliegroute, met een maximum van eenderde van het totale aantal geplande vluchten per maand op die vliegroute. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passagiers op een vlucht staande gehouden.
4. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt per dag in ten hoogste twee treinen per traject en ten hoogste acht treinen in totaal uitgevoerd, en per trein in ten hoogste twee treincoupés.
5. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.
#### Paragraaf 8. Administratieplichten
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.23b
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2011-06-19&g=2011-06-19), wordt verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, aan de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van de houder van de door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart, en het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of houder van de Europese blauwe kaart, indien:
- a. dat kind, die echtgenoot of die partner in een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gedurende ten minste achttien maanden is toegelaten als gezinslid van die houder van de Europese blauwe kaart;
- b. dat kind, die echtgenoot of die partner in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding of een gewaarmerkt afschrift daarvan;
- c. dat kind, die echtgenoot of die partner geen gevaar voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-19&g=2011-06-19) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-19&g=2011-06-19) of de nationale veiligheid vormt;
- d. dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
2. De verblijfsvergunning wordt verleend, indien de houder van de Europese blauwe kaart:
- a. direct voorafgaande aan de verlening van die kaart door Onze Minister houder was van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart;
- b. duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2011-06-19&g=2011-06-19).
3. Dit lid is nog niet in werking getreden.
##### Artikel 3.30a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan worden verleend onder een beperking verband houdend met arbeid als kennismigrant aan een vreemdeling als bedoeld in [artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d), tenzij het overeengekomen loon naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sterk afwijkt van het loon dat voor de te verrichten werkzaamheden in overeenkomstige functies gebruikelijk is.
2. Dit lid is nog niet in werking getreden.
##### Artikel 3.30b
1. De Europese blauwe kaart wordt verleend aan een vreemdeling als bedoeld in [artikel 1i van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1i), die:
- a. beschikt over een geldige arbeidsovereenkomst of een bindend aanbod van een hooggekwalificeerde baan in de zin van artikel 2, onder b, van Richtlijn 2009/50/EG voor de duur van ten minste een jaar met een werkgever in Nederland, waarmee een bruto inkomen wordt verworven dat ten minste gelijk is aan het loon, bedoeld in [artikel 1i van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1i);
- b. in Nederland arbeid verricht of gaat verrichten voor een werkgever aan wie in de periode van maximaal vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag geen sanctie is opgelegd wegens overtreding van [artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2) of wegens het niet of onvoldoende afdragen van loonbelasting, premies voor de werknemersverzekeringen of premies voor de volksverzekeringen;
- c. voor zover hij een gereglementeerd beroep in de zin van [artikel 1 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=1) wil uitoefenen, beschikt over een erkenning van de beroepskwalificaties in de zin van [artikel 5 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5), dan wel, voor zover hij geen gereglementeerd beroep wil uitoefenen, beschikt over voor dat beroep of de desbetreffende sector benodigde getuigschriften van hoger onderwijs in de zin van artikel 2, onder h, van richtlijn 2009/50/EG;
- d. in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding;
- e. in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, afgegeven onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van de Europese blauwe kaart, dan wel behoort tot een van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2011-06-19&g=2011-06-19), bedoelde categorieën, en
- f. geen gevaar voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2011-06-19&g=2011-06-19) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2011-06-19&g=2011-06-19) of de nationale veiligheid vormt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de vreemdeling, die:
- a. een aanvraag tot het verlenen van verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) heeft ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist, dan wel houder is van een zodanige verblijfsvergunning;
- b. een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) heeft ingediend als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG, waarop nog niet onherroepelijk is beslist;
- c. gemeenschapsonderdaan of langdurig ingezetene is;
- d. in Nederland verblijft op grond van een verdrag dat de toegang en het tijdelijk verblijf van bepaalde categorieën natuurlijke personen in verband met handel en investeringen gemakkelijker maken;
- e. in Nederland verblijft als seizoensarbeider of als vreemdeling die onder Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PbEU 1997, L 18) valt en in Nederland ter beschikking is gesteld.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), indien de vreemdeling:
- a. houder is van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart, en
- b. ten minste achttien maanden in de staat, bedoeld in onderdeel a, als houder van die Europese blauwe kaart heeft verbleven.
4. Dit lid is nog niet in werking getreden.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste en tweede lid.
##### Artikel 3.59c
1. De Europese blauwe kaart wordt verleend met een geldigheidsduur tot drie maanden na afloop van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in [artikel 3.30b, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.30b&z=2011-06-19&g=2011-06-19), maar niet langer dan vier jaar.
2. De verblijfsvergunning op grond van [artikel 3.23b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.23b&z=2011-06-19&g=2011-06-19) wordt verleend voor de duur van het verblijfsrecht van de houder van de Europese blauwe kaart.
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden
#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Uitzetting
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 2.1b
1. De toegang wordt niet geweigerd indien de vreemdeling van een andere staat als bedoeld in [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31) het bevel heeft gekregen onmiddellijk naar Nederland terug te keren, en hij op dat moment rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) had.
2. De toegang wordt evenmin geweigerd indien Nederland op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling een vreemdeling van een andere staat als bedoeld in [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31) moet terugnemen en die vreemdeling in die andere staat verblijft zonder verblijfstitel of andere toestemming tot verblijf. In dat geval geeft Onze Minister aan die vreemdeling de kennisgeving, bedoeld in [artikel 62a, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62a), tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding
### Afdeling 3. Openbare orde
### Hoofdstuk 3. Verblijf
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Paragraaf 2. Geldigheidsduur
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
##### Artikel 3.103b
1. Indien Onze Minister een inreisverbod uitvaardigt, registreert Onze Minister dit inreisverbod in het Schengen Informatiesysteem.
2. Indien Onze Minister overweegt een vreemdeling die houder is van een verblijfstitel of andere toestemming tot verblijf, afgegeven door een andere staat als bedoeld in [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31), uit te zetten naar de staat waarvan de vreemdeling de nationaliteit bezit of bij het ontbreken van een nationaliteit naar de staat van zijn vroegere verblijfplaats, wint Onze Minister de nodige informatie in bij de autoriteiten van die andere staat. Indien Onze Minister besluit de vreemdeling uit te zetten, verstrekt hij de autoriteiten van die andere staat alle nodige informatie met betrekking tot de uitzetting.
3. Onze Minister vormt het contactpunt ter uitvoering van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PbEU, L 348) en is verantwoordelijk voor het inwinnen en verstrekken van de informatie, bedoeld in het tweede lid.
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
##### Artikel 4.35a
1. De aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt geplaatst, indien de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee vermoedt dat de vreemdeling zal trachten naar Nederland terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. De aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toegang tot een derde land, niet zijnde een andere staat als bedoeld in [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31), daardoor wordt bemoeilijkt.
2. Uit de aantekening blijken de duur van het inreisverbod en de datum waarop het is uitgevaardigd.
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 7. Documenten en het stellen van zekerheid
##### Artikel 4.52a
1. De ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen kan van de vreemdeling die Nederland ingevolge [artikel 62, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten zekerheid verlangen, teneinde het risico te beperken dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht.
2. De zekerheid, bedoeld in het eerste lid, kan ook worden verlangd in geval van uitstel van vertrek of uitzetting:
- a. op grond dat het vertrek of de uitzetting in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement;
- b. zolang de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder h of j, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8); of
- c. wegens technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van het vertrek of de uitzetting wegens onvoldoende identificatie.
3. De zekerheid, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit:
- a. de overlegging van een reis- of identiteitsdocument;
- b. de overlegging van een passagebiljet;
- c. het deponeren van een waarborgsom;
- d. een verklaring van een solvabele derde die zich voor de kosten garant stelt;
- e. de overlegging van bewijs van het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
3. Het model van de garantverklaring wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
##### Artikel 4.52b
1. De waarborgsom, bedoeld in [artikel 4.52a, derde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=7&artikel=4.52a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt door Onze Minister in ieder geval aan de rechthebbende teruggegeven:
- a. zodra de vreemdeling, bedoeld in [artikel 4.52a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=7&artikel=4.52a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), binnen de voor hem geldende vertrektermijn uit eigen beweging Nederland heeft verlaten zonder zich tussentijds aan het toezicht te hebben onttrokken; dan wel
- b. zodra de vreemdeling na uitstel van het vertrek of de uitzetting, bedoeld in [artikel 4.52a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=7&artikel=4.52a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), Nederland heeft verlaten of is uitgezet zonder zich tussentijds aan het toezicht te hebben onttrokken.
2. Onze Minister berekent rente over de waarborgsommen, gedeponeerd krachtens [artikel 4.52a, derde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=7&artikel=4.52a&z=2011-12-31&g=2011-12-31). [Artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.9&z=2011-12-31&g=2011-12-31), en [artikel 3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.10&z=2011-12-31&g=2011-12-31) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De waarborgsom wordt teruggegeven en de rente wordt uitbetaald zo spoedig mogelijk nadat één van de in het eerste lid genoemde gronden zich voordoet.
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
##### Artikel 5.1a
1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien:
- a. een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, of
- b. de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2. De vreemdeling kan eveneens in bewaring worden gesteld op grond dat de het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, indien een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU, L 50).
##### Artikel 5.1b
1. Aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in [artikel 5.1a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.1a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt voldaan indien de vreemdeling:
- a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- b. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&z=2011-12-31&g=2011-12-31) heeft gehouden;
- c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
- e. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
- f. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
- g. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
- h. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
- i. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- j. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
- k. arbeid heeft verricht in strijd met de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149);
- l. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; of
- m. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in [artikel 67 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet.
2. Aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in [artikel 5.1a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.1a&z=2011-12-31&g=2011-12-31), wordt niet voldaan indien slechts één van de feiten of omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, van toepassing is.
### Afdeling 1. Vertrek en uitzetting
##### Artikel 6.1a
1. Onze Minister is bevoegd om, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot uitzetting als bedoeld in [artikel 63, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) alle daartoe benodigde handelingen te verrichten.
2. Bij toepassing van het eerste lid worden de grondrechten, de waardigheid en fysieke integriteit van de vreemdeling geëerbiedigd.
3. In geval van uitzetting door de lucht houdt Onze Minister rekening met de gemeenschappelijke richtsnoeren voor veiligheidsvoorzieningen voor gezamenlijke verwijdering door de lucht, bedoeld in artikel 7 van de beschikking van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004, nr. 2004/573/EG (PbEU, L 261).
##### Artikel 6.1b
1. Ingeval de vreemdeling ingevolge [artikel 62, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) onmiddellijk moet vertrekken of niet is vertrokken binnen de voor hem geldende vertrektermijn, kan de uitzetting worden uitgesteld. Bij het uitstel wordt in ieder geval rekening gehouden met de fysieke of mentale gesteldheid van de vreemdeling en technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van de uitzetting wegens onvoldoende identificatie.
2. Ingeval de uitzetting wordt uitgesteld op grond van het eerste lid, is [artikel 4.52a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=7&artikel=4.52a&z=2011-12-31&g=2011-12-31) van overeenkomstige toepassing, onverminderd het overigens krachtens de [artikelen 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) en [56 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) bepaalde.
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
##### Artikel 6.5a
1. De duur van het inreisverbod bedraagt ten hoogste twee jaren.
2. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste één jaar, indien het betreft de vreemdeling die de vrije termijn, bedoeld in [artikel 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.3&z=2011-12-31&g=2011-12-31), heeft overschreden met meer dan drie dagen maar niet meer dan drie maanden.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste drie jaren, indien het betreft een vreemdeling die is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van minder dan zes maanden.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren, indien het betreft een vreemdeling die:
- a. is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden of langer;
- b. gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel opzettelijk reis- of identiteitspapieren heeft overgelegd die niet op hem betrekking hebben;
- c. reeds het onderwerp is geweest van meer dan één terugkeerbesluit, of
- d. zich op het grondgebied van Nederland heeft begeven terwijl een inreisverbod van kracht was.
5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer:
- a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict;
- b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd;
- c. de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, of
- d. de oplegging van een maatregel als bedoeld in [artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a).
6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twintig jaren, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of indien naar zijn oordeel zwaarwegende belangen nopen tot een duur van meer dan tien jaren.
##### Artikel 6.5b
1. Onze Minister kan op aanvraag het inreisverbod dat is uitgevaardigd met toepassing van [artikel 66a, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), opheffen indien de vreemdeling aantoont Nederland geheel in overeenstemming met de op hem rustende verplichting, bedoeld in [artikel 61, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61), te hebben verlaten.
2. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister op aanvraag het inreisverbod opheffen, indien de vreemdeling aantoont dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na het inreisverbod een ononderbroken periode van ten minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten Nederland heeft verbleven en hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is.
3. De gegevens, bedoeld in [artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2), die de vreemdeling bij de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, verstrekt, zijn in ieder geval:
- a. een schriftelijke verklaring dat hij voldoet aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod;
- b. een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft gehouden;
- c. een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken;
- d. een schriftelijke verklaring, afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten van de staat of staten waar de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging onderworpen is.
4. Het derde lid, onderdeel d, is niet van toepassing op de vreemdeling ten aanzien wie van de duur van het inreisverbod is bepaald met toepassing van [artikel 6.5a, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=6&afdeling=3&artikel=6.5a&z=2011-12-31&g=2011-12-31).
##### Artikel 6.5c
In zeer uitzonderlijke en dringende gevallen kan Onze Minister het inreisverbod tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.59d
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 8. Administratieplichten
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Vertrek en uitzetting
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 4. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
### Hoofdstuk 2. Toegang
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding
### Afdeling 4. Middelen voor kosten van verblijf
### Hoofdstuk 3. Verblijf
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
#### Paragraaf 7. Documenten en het stellen van zekerheid
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Inreisverbod
### Afdeling 4. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.31b
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan onder een beperking verband houdend met het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst in Nederland worden verleend aan de vreemdeling op wie artikel 13 van Associatiebesluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie van toepassing is, indien:
- a. diens huwelijk of geregistreerd partnerschap met een hoofdpersoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht na drie jaar is ontwricht of ontbonden;
- b. de vreemdeling op grond van dat huwelijk of geregistreerd partnerschap was toegelaten, en
- c. de vreemdeling één jaar direct voorafgaande aan ontwrichting van het huwelijk of geregistreerd partnerschap rechtmatig verblijf had als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
##### Artikel 3.89d
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 5. Intrekking
##### Artikel 3.91e
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
#### Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Afdeling 4. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
### Afdeling 3. De referent
#### Paragraaf 1. Algemeen
##### Artikel 1.11
Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG, kan als referent optreden de krachtens [artikel 2c van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2c) als referent erkende onderzoeksinstelling, waarmee de vreemdeling een gastovereenkomst als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 2005/71/EG heeft gesloten, die, voor zover op grond van de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777) vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in [artikel 2 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2), en die:
- a. een publieke onderzoeksinstelling is als bedoeld in [artikel 1d, eerste lid, onder b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d) en die functieprofielen zoals opgenomen in het universitaire systeem van functieordenen onder de functiefamilie «onderzoek en onderwijs» hanteert voor onderzoekers in loondienst;
- b. een publieke onderzoeksinstelling is, die is opgenomen in de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- c. een particuliere onderzoeksinstelling is, die is opgenomen in het National Academic Research and Collaborations Information System;
- d. een particuliere onderzoeksinstelling is, waaraan met betrekking tot het lopende of het vorige kalenderjaar een S&O-verklaring als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel q, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=1) is afgegeven.
##### Artikel 1.12
Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor lerend werken, kan als referent optreden de werkgever, die, voor zover op grond van de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777) vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in [artikel 2 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2), en die ten behoeve van die arbeid in het bezit van een tewerkstellingsvergunning moet zijn, dan wel, indien een tewerkstellingsvergunning niet is vereist, met wie de vreemdeling een leer-werkovereenkomst heeft gesloten.
##### Artikel 1.13
Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor studie, kan als referent optreden de krachtens [artikel 2c van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2c) als referent erkende onderwijsinstelling, waaraan de vreemdeling onderwijs volgt of wil volgen, die, voor zover op grond van de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777) vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in [artikel 2 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2), en die:
- a. geaccrediteerd hoger onderwijs aanbiedt, zoals geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13);
- b. voortgezet onderwijs aanbiedt als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=2);
- c. beroepsonderwijs aanbiedt als bedoeld in [artikel 1.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.2.1);
- d. opleidingen verzorgt in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, of
- e. opleidingsactiviteiten faciliteert in het kader van de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904).
##### Artikel 1.14
Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling, kan als referent optreden de krachtens [artikel 2c van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2c) als referent erkende uitwisselingsorganisatie, die:
- a. een culturele doelstelling nastreeft;
- b. ten behoeve van die vreemdeling een door Onze Minister goedgekeurd uitwisselingsprogramma als bedoeld in [artikel 3.43, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.43&z=2013-06-01&g=2013-06-01), uitvoert, en
- c. voor zover op grond van de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777) vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in [artikel 2 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2).
##### Artikel 1.15
Onverminderd de [artikelen 1.8 tot en met 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.8&z=2013-06-01&g=2013-06-01) kan een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie slechts als referent optreden, indien zij, voor zover dit op grond van de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777) is vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in [artikel 2 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2), en haar solvabiliteit, continuïteit en betrouwbaarheid voldoende is gewaarborgd.
##### Artikel 1.16
1. De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft in het kader van uitwisseling, draagt zorg voor de juiste uitvoering van het uitwisselingsprogramma, bedoeld in [artikel 3.43, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.43&z=2013-06-01&g=2013-06-01).
2. De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft voor het verrichten van arbeid als geestelijk bedienaar in de zin van [artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=1) en de daarop berustende bepalingen, bevordert dat die vreemdeling:
- a. zich meldt voor de inburgeringsplicht ten behoeve van de oproep, bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid, onder b, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=5.1);
- b. aan de oproep gehoor geeft en medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in [artikel 25, vierde lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=25), en
- c. de aangeboden inburgeringsvoorziening aanvaardt, de inburgeringsvoorziening volgt overeenkomstig [artikel 23, eerste lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=23), en het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13), aflegt.
3. De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling, voor arbeid als kennismigrant of voor studie, draagt zorg voor een zorgvuldige selectie en werving van de vreemdeling.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over de voorgaande leden.
##### Artikel 1.17
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent deze paragraaf. Daarbij kan in ieder geval:
- a. worden voorzien in nadere concretisering van de zorgplichten, bedoeld in [artikel 1.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.16&z=2013-06-01&g=2013-06-01);
- b. worden bepaald in welke gevallen de referent rechtspersoonlijkheid moet hebben, en
- c. worden voorzien in nadere regels omtrent de beëindiging van het referentschap.
#### Paragraaf 2. Erkenning als referent
##### Artikel 1.18
1. Bij de beoordeling van de aanvraag om erkenning als referent worden in ieder geval gegevens uit het handelsregister, bedoeld in [artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2), betrokken met betrekking tot de continuïteit en solvabiliteit van de aanvrager.
2. De aanvraag om erkenning als referent kan in ieder geval worden afgewezen, indien de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend.
##### Artikel 1.19
1. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager worden in ieder geval betrokken:
- a. uitgesproken strafrechtelijke veroordelingen, aanvaarde transacties en uitgevaardigde strafbeschikkingen ter zake van een misdrijf, strafbaar is gesteld in de [titels I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=I), [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=V), [VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=VII), [VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=VIII), [IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=IX), [X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=X), [XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XI), [XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XII), [XIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII), [XIV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIV), [XVIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XVIII), [XXIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XXIII), [XXIV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XXIV), [XXV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XXV), [XXVI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XXVI), [XXVIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XXVIII), [XXX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XXX) en [XXXA van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XXXA), de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=68) en [69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=69), de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) en de [Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804);
- b. opgelegde boetes terzake van een op grond van de [artikelen 67d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67d), [67e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67e) en [67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67f), [artikel 55a van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55a), [artikel 18 van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=18) en [artikel 18b van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18b) beboetbaar feit;
- c. op grond van [artikel 28 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28) opgelegde verplichtingen tot het doen van een eerstedagsmelding.
2. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager wordt tevens betrokken dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid van een vreemdeling voor wie als referent werd opgetreden.
##### Artikel 1.20
Als referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor studie aan het hoger onderwijs, kan slechts worden erkend de instelling voor hoger onderwijs, die aangesloten is bij de Gedragscode internationale student hoger onderwijs.
##### Artikel 1.21
De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven als familie- of gezinslid, wordt niet als zodanig erkend.
##### Artikel 1.22
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de erkenning als referent, de schorsing en de intrekking van die erkenning en de indiening en behandeling van de aanvraag. Daarbij worden in ieder geval nadere regels gesteld omtrent:
- a. de continuïteit en solvabiliteit van de aanvrager, en
- b. de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke antecedenten, die bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager worden betrokken.
### Hoofdstuk 1a. Visa
#### § 1. Algemene bepalingen
##### Artikel 1.23
1. Bij een besluit betreffende de machtiging tot voorlopig verblijf is het belang van de internationale betrekkingen in ieder geval betrokken, indien de aanvraag tot het verlenen van de machtiging tot voorlopig verblijf is ingediend door of ten behoeve van een vreemdeling:
- a. op wie krachtens verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie rechtstreeks of indirect sancties van toepassing zijn;
- b. die in het Schengen Informatiesysteem gesignaleerd staat ter fine van weigering van de toegang in geval met de signalerende lidstaat geen overeenstemming kon worden bereikt over de opheffing van de signalering;
- c. ter deelname aan in Nederland te voeren vredesbesprekingen;
- d. die behoort tot de hoge bestuursfunctionarissen van een vreemde mogendheid;
- e. met het oog op het functioneren van een in Nederland zetelende internationale instantie.
2. In het eerste lid, onder b, wordt verstaan onder lidstaat: staat waartoe de werkingssfeer van een door Onze Minister verleend visum zich krachtens een voor Nederland verbindend verdrag, EU-verordening, -richtlijn of -besluit uitstrekt.
#### § 2. Procedurele bepalingen
##### Artikel 1.24
1. De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een machtiging tot voorlopig verblijf of een terugkeervisum wordt gedaan door het indienen van een formulier, waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld.
2. De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een terugkeervisum wordt ingediend op een door Onze Minister aan te wijzen plaats.
##### Artikel 1.25
Indien de vreemdeling, hangende de besluitvorming op een eerdere aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf, wijziging van het gevraagde verblijfsdoel wenst, dient hij een nieuwe aanvraag in.
##### Artikel 1.26
1. De vreemdeling legt bij de in persoon ingediende aanvraag, bedoeld in [artikel 1.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1a&paragraaf=2&artikel=1.24&z=2013-06-01&g=2013-06-01), in ieder geval over een geldig document voor grensoverschrijding, alsmede, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening of wijziging.
2. Bij de niet in persoon door de referent ingediende aanvraag legt hij afschriften over van de in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden en legt hij, of in voorkomend geval de vreemdeling, op verzoek van Onze Minister de originelen over.
3. In afwijking van het eerste lid legt de vreemdeling die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval legt hij tevens aanvullende gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit.
##### Artikel 1.27
De aanvraag, bedoeld in [artikel 1.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1a&paragraaf=2&artikel=1.24&z=2013-06-01&g=2013-06-01), wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.
##### Artikel 1.28
Een terugkeervisum wordt niet geweigerd op de in [artikel 2x, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2x) bedoelde grond aan:
- a. de vreemdeling die naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij voor zakelijke doeleinden moet reizen of wegens dwingende of dringende familieomstandigheden Nederland tijdelijk moet verlaten;
- b. de hier te lande geboren vreemdeling, bedoeld in [artikel 3.23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.23&z=2013-06-01&g=2013-06-01), ten behoeve van wie een aanvraag is gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), ingeval beide ouders rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of als Nederlander;
- c. de vreemdeling die een positieve beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen, het verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van een verblijfsvergunning heeft ontvangen, maar nog in afwachting is van afgifte van het bijbehorende verblijfsdocument;
- d. de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), en de aanvraag tijdig of naar het oordeel van Onze Minister binnen een redelijke termijn als bedoeld in [artikel 3.82, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.82&z=2013-06-01&g=2013-06-01), is ontvangen.
##### Artikel 1.29
1. De vreemdeling of referent die, hangende de besluitvorming op de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1a&paragraaf=2&artikel=1.24&z=2013-06-01&g=2013-06-01), verandert van adres, woon- of verblijfplaats, meldt de verandering onmiddellijk bij de instantie waar de aanvraag is ingediend.
2. De in het eerste lid omschreven verplichting rust ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren op de wettelijk vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaren en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
##### Artikel 1.30
1. De vreemdeling die na binnenkomst in Nederland niet langer voldoet aan de beperking waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf is verleend of een voorschrift dat aan de machtiging is verbonden, deelt dit binnen vier weken mee aan Onze Minister.
2. De vreemdeling wiens geldig document voor grensoverschrijding of machtiging tot voorlopig verblijf na binnenkomst in Nederland vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon aangifte bij de korpschef. De korpschef stelt Onze Minister hiervan in kennis.
3. [Artikel 1.29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1a&paragraaf=3&artikel=1.29&z=2013-06-01&g=2013-06-01), is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste en tweede lid omschreven verplichtingen.
##### Artikel 1.31
De medewerking, bedoeld in [artikel 54, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) bestaat voor de toepassing van dit hoofdstuk uit:
- a. het op vordering van Onze Minister beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto;
- b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken, indien daartoe naar het oordeel van Onze Minister gegronde reden bestaat.
##### Artikel 1.32
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van indiening en de behandeling van een aanvraag tot verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel een terugkeervisum, daaronder begrepen de wijze waarop beschikkingen, kennisgevingen, mededelingen of berichten ingevolge dit hoofdstuk aan de vreemdeling of de referent bekend worden gemaakt.
### Hoofdstuk 2. Toegang
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding
### Afdeling 3. Openbare orde
### Afdeling 4. Middelen voor kosten van verblijf
### Hoofdstuk 3. Verblijf
### Afdeling 1. Rechtmatig verblijf
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Subparagraaf 1. Beperkingen
#### Subparagraaf 2. Verblijfsrecht van tijdelijke aard
#### Subparagraaf 3. Ambtshalve verlening, verlenging en wijziging
#### Subparagraaf 4. Voorschriften
#### Subparagraaf 5. Verlening onder beperking
##### Artikel 3.22a
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.13&z=2013-06-01&g=2013-06-01), wordt verleend, indien de hoofdpersoon ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling een verklaring heeft afgelegd als bedoeld in [artikel 2a, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2a).
2. In afwijking van het eerste lid, wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien:
- a. wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in hoofdstuk IV en artikel 16 van Richtlijn nr. 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEU L 251), in welk geval Onze Minister de hoofdpersoon als referent aanwijst;
- b. de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling als gezinslid wil verblijven een Turkse werknemer is als bedoeld in artikelen 6 en 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, in welk geval deze hoofdpersoon niet als referent wordt aangewezen.
##### Artikel 3.30c
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt onder een beperking verband houdend met seizoenarbeid verleend aan de vreemdeling die:
- a. in Nederland seizoenarbeid verricht of wil verrichten voor een werkgever aan wie ten behoeve van die arbeid met toepassing van [artikel 11, derde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=11) een tewerkstellingsvergunning voor maximaal 24 weken is verleend, en
- b. direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 14 weken buiten Nederland heeft verbleven.
2. De in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning wordt verleend, indien:
- a. de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven, of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2013-06-01&g=2013-06-01), bedoelde categorieën;
- b. de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld;
- c. de vreemdeling met de arbeid in loondienst duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2013-06-01&g=2013-06-01), verwerft;
- d. de vreemdeling bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen;
- e. de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2013-06-01&g=2013-06-01) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2013-06-01&g=2013-06-01) of de nationale veiligheid, en
- f. de werkgever ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling een verklaring heeft afgelegd als bedoeld in [artikel 2a, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2a).
3. De aanvraag die is ingediend door of ten behoeve van een langdurig ingezetene wordt niet afgewezen op de gronden, bedoeld in het tweede lid, onder a of d.
4. Indien de werkgever geen verklaring als bedoeld in het tweede lid, onder f, heeft afgelegd, wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien:
- a. wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004/L 16), in welk geval Onze Minister de hoofdpersoon als referent aanwijst;
- b. de vreemdeling de Turkse nationaliteit heeft, in welk geval de werkgever niet als referent wordt aangewezen.
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
##### Artikel 3.102a
De medewerking van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 24, eerste lid, onderdeel c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24), bestaat uit:
- a. het op vordering van Onze Minister beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto, en
- b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken, indien daartoe naar het oordeel van Onze Minister gegronde reden bestaat.
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
##### Artikel 4.53
1. De referent voert overeenkomstig bij regeling van Onze Minister gestelde regels een administratie met gegevens met betrekking tot:
- a. de vreemdeling wiens referent hij is of was;
- b. de nakoming van zijn verplichtingen als referent, en
- c. zijn positie als referent.
2. In de administratie, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval opgenomen:
- a. een kopie van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, tenzij Onze Minister overeenkomstig [artikel 3.72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.72&z=2013-06-01&g=2013-06-01) heeft geoordeeld dat die vreemdeling niet in het bezit kan worden gesteld van een dergelijk document;
- b. gegevens waaruit blijkt dat de referent tijdig en volledig heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de [artikelen 2a, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2a), [24a, eerste lid, onder a en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24a), en [54, tweede lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54);
- c. de bij regeling van Onze Minister genoemde gegevens.
3. Voor zover zulks noodzakelijk is voor de naleving van diens informatieplicht en administratieplicht, en de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor niet onevenredig wordt geschaad, verlangt de referent van de vreemdeling opgave van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en verstrekt de vreemdeling die gegevens.
4. De referent verstrekt Onze Minister of de ambtenaar belast met het toezicht op referenten overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels gegevens uit de administratie. Gedurende vijf jaar na beëindiging van het referentschap bewaart de gewezen referent de administratie en verstrekt hij op verzoek van de ambtenaar belast met het toezicht op referenten daaruit de gegevens en bescheiden, welke van belang zijn voor het toezicht op referenten.
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Vertrek en uitzetting
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Inreisverbod
### Afdeling 4. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.118b
1. Indien de vreemdeling reeds eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) heeft ingediend welke is afgewezen, wordt een volgende aanvraag niet ingediend dan nadat de vreemdeling schriftelijk, op een door Onze Minister te bepalen wijze, te kennen heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, zijn de [artikelen 3.109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.109&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [3.113, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.113&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en [3.114, eerste, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.114&z=2014-01-01&g=2014-01-01), niet van toepassing. In plaats daarvan:
- a. wordt de vreemdeling op de eerste dag door Onze Minister aan een nader gehoor onderworpen;
- b. wordt het afschrift van het verslag van het nader gehoor op de eerste dag aan de vreemdeling ter kennis gebracht;
- c. wordt, indien Onze Minister voornemens is de aanvraag af te wijzen binnen drie dagen, het schriftelijk voornemen daartoe op de eerste dag aan de vreemdeling toegezonden of uitgereikt;
- d. brengt de vreemdeling zijn zienswijze op het voornemen uiterlijk op de tweede dag naar voren, waarbij hij tevens nadere gegevens kan verstrekken;
- e. maakt Onze Minister de beschikking uiterlijk op de derde dag bekend door uitreiking of toezending ervan.
3. Het tweede lid, onder c tot en met e, is niet van toepassing, indien zulks schriftelijk door Onze Minister aan de vreemdeling wordt meegedeeld. Bij de mededeling wordt aangegeven of het onderzoek naar de aanvraag al dan niet wordt voortgezet in een Aanmeldcentrum.
4. Bij voortzetting van het onderzoek in een Aanmeldcentrum:
- a. zijn, in afwijking van [artikel 3.110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2014-01-01&g=2014-01-01), voor het onderzoek zes dagen beschikbaar;
- b. kan de vreemdeling uit eigen beweging of desgevraagd nadere gegevens verstrekken uiterlijk op de tweede dag;
- c. wordt het schriftelijk voornemen tot afwijzing van de aanvraag toegezonden op de derde dag of uitgereikt op de vierde dag;
- d. brengt de vreemdeling zijn zienswijze op het voornemen uiterlijk op de vierde dag naar voren;
- e. maakt Onze Minister zijn beschikking uiterlijk op de zesde dag bekend door uitreiking of toezending ervan.
5. Onze Minister kan de in het vierde lid, onder a, bedoelde termijn verlengen. In dat geval zijn, in afwijking van [artikel 3.110, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2014-01-01&g=2014-01-01), voor het onderzoek in een Aanmeldcentrum ten hoogste twaalf dagen beschikbaar.
6. Indien Onze Minister de in het vierde lid, onder a, bedoelde termijn heeft verlengd:
- a. brengt de vreemdeling, in afwijking van het vierde lid, onder d, zijn zienswijze uiterlijk op de dag na de toezending van het voornemen of op de dag van de uitreiking ervan naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd;
- b. maakt Onze Minister, in afwijking van het vierde lid, onder e, zijn beschikking uiterlijk op de twaalfde dag bekend door uitreiking of toezending ervan.
7. Het eerste tot en met het zesde lid is van overeenkomstige toepassing, indien reeds eerder een aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) is ingetrokken of reeds eerder een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een dergelijke verblijfsvergunning is afgewezen.
8. Dit artikel blijft buiten toepassing ten aanzien van de bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën vreemdelingen.
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 1. Grensbewaking
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Vertrek, uitzetting en overdracht
##### Artikel 6.1c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 6.1d
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 6.1e
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 6.1f
[Artikel 6.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=6.1a&z=2014-01-01&g=2014-01-01) is van overeenkomstige toepassing op de overdracht, bedoeld in [artikel 63a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63).
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 4. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 8.27
De bevoegdheid om vingerafdrukken af te nemen en te verwerken als bedoeld in [artikel 106a, eerste en tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=106a), geldt niet ten aanzien van:
- a. vreemdelingen die nog niet de leeftijd van zes jaar hebben bereikt, en
- b. vreemdelingen bij wie het afnemen van alle vingerafdrukken blijvend fysiek onmogelijk is.
##### Artikel 8.28
Voor het vaststellen van de identiteit of de verificatie van de identiteit, op grond van [artikel 106a, eerste en tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=106a), worden digitaal platte vingerafdrukken afgenomen.
##### Artikel 8.29
1. De vingerafdrukken die zijn afgenomen voor het vaststellen van de identiteit worden opgeslagen in een daartoe door Onze Minister aangewezen bestand in de vreemdelingenadministratie.
2. Het wijzigen en vernietigen van de vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie vindt plaats vanuit het bestand, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij het verifiëren van de authenticiteit van het document, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), of de verificatie van de identiteit van de vreemdeling worden de vingerafdrukken slechts opgeslagen en verwerkt voor de duur van de verificatie.
4. Van de vingerafdrukken kunnen in andere bestanden in de vreemdelingenadministratie dan het bestand, bedoeld in het eerste lid, slechts kopieën worden opgenomen.
##### Artikel 8.30
1. Indien naar het oordeel van de ambtenaar die de vingerafdrukken afneemt, het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om van de vreemdeling te verlangen dat bij hem vingerafdrukken worden afgenomen, worden in ieder geval de vingerafdrukken afgenomen en opgeslagen van de vingers waarbij dit volgens de ambtenaar wel mogelijk is. Van de vingers waarvan geen vingerafdrukken zijn afgenomen, wordt met opgave van reden een aantekening gemaakt in de vreemdelingenadministratie.
2. De vreemdeling van wie de vingers niet blijvend fysiek beschadigd zijn, wordt uitgenodigd om op een bij regeling van Onze Minister bepaald moment opnieuw zijn vingerafdrukken af te laten nemen.
##### Artikel 8.31
1. Een gezichtsopname als bedoeld in [artikel 106a, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=106a) wordt in ieder geval opnieuw gemaakt en opgeslagen en tien vingerafdrukken worden in ieder geval opnieuw afgenomen en opgeslagen van vreemdelingen die de leeftijd van twaalf jaar en van vreemdelingen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.
2. Een gezichtsopname kan opnieuw worden gemaakt en opgeslagen en vingerafdrukken kunnen opnieuw worden afgenomen en opgeslagen in het geval een gezichtsopname onvoldoende gelijkenis toont of een gezichtsopname of vingerafdrukken van onvoldoende kwaliteit zijn.
##### Artikel 8.32
1. Bij regeling van Onze Minister kunnen, onverminderd het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PbEU L 157), documenten als bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) worden aangewezen, waarop de vingerafdrukken van de linker- en rechterwijsvinger worden opgenomen.
2. Indien de kwaliteit van de afdrukken van de wijsvingers ontoereikend is voor opname op het document, worden vingerafdrukken van de middelvingers, ringvingers of duimen opgenomen.
3. Indien van slechts één vinger een afdruk van voldoende kwaliteit kan worden afgenomen, wordt uitsluitend de afdruk van die vinger opgenomen in het document.
##### Artikel 8.33
In het geval dat bij de identiteitsvaststelling, het verifiëren van de authenticiteit van het document of de verificatie van de identiteit onduidelijkheid bestaat over de juistheid van vingerafdrukken wordt, indien dat noodzakelijk is voor de identiteitsvaststelling, het verifiëren van de authenticiteit van het document of de verificatie van de identiteit, een onderzoek door een dactyloscopisch deskundige uitgevoerd.
##### Artikel 8.34
1. De ambtenaren die het beheer voeren over de vreemdelingenadministratie, hebben rechtstreekse toegang tot de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie, voor zover zij die toegang nodig hebben voor een goede vervulling van hun taak en Onze Minister hen daartoe heeft gemachtigd.
2. Van de beschikbaarstelling van gezichtsopnames en vingerafdrukken aan derden wordt een aantekening gemaakt van de datum waarop en de organisatie waaraan de gegevens zijn verstrekt. Deze aantekening wordt bewaard voor de duur van vijf jaar.
3. De ambtenaren die met de uitvoering van de Wet zijn belast, kunnen de gezichtsopnames en vingerafdrukken rechtstreeks langs geautomatiseerde weg raadplegen, voor zover zij die gegevens nodig hebben voor een goede vervulling van hun taak en Onze Minister hen daartoe heeft gemachtigd.
##### Artikel 8.35
De in de vreemdelingenadministratie opgenomen gezichtsopnames en vingerafdrukken worden niet langer bewaard dan:
- a. vijf jaar nadat de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf is afgewezen;
- b. in geval van rechtmatig verblijf: vijf jaar nadat de betrokken vreemdeling, wiens rechtmatig verblijf is geëindigd, Nederland aantoonbaar heeft verlaten; of
- c. indien tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd of de vreemdeling ongewenst is verklaard: vijf jaar na afloop van de geldigheidsduur van het inreisverbod onderscheidenlijk de ongewenstverklaring.
##### Artikel 8.36
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over:
- a. het bewaken van de juistheid en volledigheid van de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie en op de documenten, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9);
- b. de beveiliging van de gezichtsopnames en vingerafdrukken tegen verlies of onrechtmatige verwerking;
- c. de wijze waarop de gezichtsopnames en vingerafdrukken, op grond van [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) beschikbaar worden gesteld;
- d. de vernietiging van de gezichtsopnames en vingerafdrukken na afloop van de bewaartermijn, bedoeld in [artikel 8.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=3&artikel=8.35&z=2014-03-01&g=2014-03-01), en
- e. de verwijdering en vernietiging van de gezichtsopname en vingerafdrukken op verzoek van de vreemdeling, op grond dat deze de hoedanigheid heeft verkregen van gemeenschapsonderdaan anders dan door verkrijging van het Nederlanderschap.
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.123
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Vertrek, uitzetting en overdracht
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Inreisverbod
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
#### Paragraaf 3. Intrekking
##### Artikel 3.103aa
1. Indien Onze Minister besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) of afwijzing van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan van een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, met de aantekening dat die staat de vreemdeling internationale bescherming heeft verleend, verzoekt Onze Minister die staat te bevestigen of de vreemdeling aldaar nog steeds internationale bescherming geniet. In het bevestigend geval zet Onze Minister de vreemdeling uit naar die staat, onverminderd het toepasselijke Unierecht en het beginsel van de eenheid van het gezin.
2. In afwijking van het eerste lid en onverminderd de voor Nederland geldende internationale verplichtingen, kan Onze Minister de langdurig ingezetene uitzetten naar een andere staat dan de lidstaat die de internationale bescherming heeft verleend, indien is voldaan aan [artikel 3.105c, tweede lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=3.105c&z=2014-03-29&g=2014-03-29).
3. Indien de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), van een vreemdeling die houder is van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die de aantekening bevat dat die staat verantwoordelijk is voor de internationale bescherming van de vreemdeling, is ingetrokken of de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur ervan is afgewezen, op grond dat de vreemdeling een bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid vormt, kan de vreemdeling, onverminderd de terugnameverplichting van de andere lidstaat en onverminderd de voor Nederland geldende internationale verplichtingen slechts van het grondgebied van de Europese Unie worden verwijderd, indien:
- a. de internationale bescherming inmiddels is ingetrokken, of
- b. is voldaan aan [artikel 3.105c, tweede lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=3.105c&z=2014-03-29&g=2014-03-29).
##### Artikel 3.124
1. De aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in [artikel 45a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a) wordt niet op grond van [artikel 45b, tweede lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45b) afgewezen om reden dat het rechtmatig verblijf, bedoeld in [artikel 8 onder a tot en met e of l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) niet vijf jaren aaneensluitend is geweest, indien:
- a. de aanvraag is ingediend door een meerderjarige vreemdeling die:
- 1°. voor het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a toe en met e of l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), heeft gehad en wiens aanvraag is ontvangen voor het negenentwintigste levensjaar, of
- 2°. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e of l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is;
- b. de vreemdeling niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
2. De aanvraag wordt niet op grond van [artikel 45b, tweede lid, onder a of b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45b) afgewezen, indien de vreemdeling:
- a. buiten Nederland heeft verbleven in verband met beroepsmatige detachering in een andere lidstaat van de Europese Unie;
- b. als langdurig ingezetene houder is geweest van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in [artikel 45a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a) en die vergunning heeft verloren wegens:
- 1°. verblijf voor studie of beroepsopleiding in een andere lidstaat van de Europese Unie, zonder in die staat de status van EU-langdurig ingezetene te hebben verworven, indien de aanvraag wordt gedaan binnen zes maanden na beëindiging van die studie of opleiding, dan wel de verblijfstitel in die staat,
- 2°. verblijf buiten het grondgebied van de Europese Unie gedurende een aaneengesloten periode van tenminste twaalf maanden, indien de aanvraag wordt gedaan binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies, of
- 3°. verwerving van de status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Europese Unie, indien de aanvraag wordt gedaan binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies;
- c. vijf jaar legaal en ononderbroken op het grondgebied van de Europese Unie verblijft als houder van een Europese blauwe kaart, onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van de aanvraag ten minste achttien achtereenvolgende maanden als houder van een Europese blauwe kaart in een andere lidstaat van de Europese Unie en ten minste twee achtereenvolgende jaren direct voorafgaande aan de aanvraag als houder van een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart in Nederland heeft verbleven, waarbij perioden van afwezigheid van het grondgebied van de Europese Unie geen onderbreking vormen van de termijn van vijf jaar, indien zij minder dan twaalf achtereenvolgende maanden beslaan en niet langer dan achttien maanden hebben geduurd;
- d. als houder van een Europese blauwe kaart in de periode van vijf jaar niet langer dan twaalf achtereenvolgende maanden en in totaal niet langer dan achttien maanden buiten Nederland heeft verbleven.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de berekening van het tijdvak van vijf jaar buiten beschouwing gelaten het gedeelte van het verblijf buiten Nederland, dat tien maanden in totaal of bij aaneengesloten verblijf buiten Nederland zes maanden te boven gaat.
##### Artikel 3.125
1. Voor de toepassing van [artikel 45b, tweede lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45b), zijn de [artikelen 3.73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.73&z=2014-03-29&g=2014-03-29), [3.74, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2014-03-29&g=2014-03-29), en [3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2014-03-29&g=2014-03-29) van overeenkomstige toepassing.
2. Behoudens overeenkomstige toepassing van [artikel 3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2014-03-29&g=2014-03-29), kan de aanvraag slechts op grond van [artikel 45b, tweede lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45b) worden afgewezen, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de normen, bedoeld in [artikel 3.86, tweede, derde dan wel vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2014-03-29&g=2014-03-29). Artikel 3.86 is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij de toepassing van het tweede lid houdt Onze Minister mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de vreemdeling op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling uitgaat en het bestaan van banden met Nederland.
##### Artikel 3.126
Op de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in [artikel 45a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a) is [artikel 3.96a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=3.96a&z=2014-03-29&g=2014-03-29) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.127
1. De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in [artikel 45a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a), wordt niet met toepassing van [artikel 45d, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45d) ingetrokken, indien de vreemdeling:
- a. niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst;
- b. aantoont dat hij langer dan zes jaar voor studie verblijft in een andere lidstaat van de Europese Unie; of
- c. aantoont dat hij, in geval van verblijf gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of meer buiten het grondgebied van de Europese Unie, gedurende die periode in het Schengengebied heeft verbleven, tenzij hij langer dan zes jaar afwezig is geweest van het Nederlands grondgebied;
- d. voormalig houder van een Europese blauwe kaart is, dan wel het gezinslid van een voormalig houder van een Europese blauwe kaart is, en niet langer dan een aaneengesloten periode van 24 maanden heeft verbleven buiten het Schengengebied.
2. Indien de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in [artikel 45a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a), op frauduleuze wijze is verkregen, wordt de vergunning ingetrokken op de in [artikel 45d, derde lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45d) genoemde grond. Indien sedert de verkrijging een periode van twaalf jaren is verstreken kan, onder intrekking van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, ingeval:
- a. op het document, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), van de vreemdeling aan wie een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, geen aantekening krachtens [artikel 45c, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45c) is geplaatst, ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) worden verleend, en,
- b. op het document, bedoeld onder a, van de vreemdeling aan wie de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend wel een aantekening krachtens [artikel 45c, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45c) is geplaatst, ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33) worden verleend.
3. De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in [artikel 45a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a), kan met toepassing van [artikel 45d, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45d) worden ingetrokken op grond dat de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de toepasselijke norm, bedoeld in [artikel 3.86, tweede, derde dan wel vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2014-03-29&g=2014-03-29). De artikelen 3.86 en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2014-03-29&g=2014-03-29) zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Indien de intrekking van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in [artikel 45a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a), overeenkomstig het derde lid, niet leidt tot uitzetting, kan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) worden verleend ingeval op het document, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), van de vreemdeling aan wie de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, geen aantekening krachtens [artikel 45c, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45c) is geplaatst.
5. Indien de intrekking van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in [artikel 45a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a), overeenkomstig het derde lid, niet leidt tot uitzetting, kan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33) worden verleend ingeval op het document, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), van de vreemdeling aan wie de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, wel een aantekening krachtens [artikel 45c, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45c) is geplaatst.
##### Artikel 3.128
1. Ingeval bij de toepassing van [artikel 45d, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45d) een andere lidstaat van de Europese Unie heeft bevestigd dat de vreemdeling nog steeds in die staat internationale bescherming geniet, zet Onze Minister de vreemdeling uit naar die staat.
2. In afwijking van het eerste lid en met inachtneming van de voor Nederland geldende internationale verplichtingen kan Onze Minister de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, uitzetten naar een andere staat dan de staat die de internationale bescherming heeft verleend, indien is voldaan aan [artikel 3.105c, tweede lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=3.105c&z=2014-03-29&g=2014-03-29).
3. Bij de verwijdering in de gevallen, bedoeld in het tweede lid en [artikel 3.103aa, derde lid, onder a dan wel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=3.103aa&z=2014-03-29&g=2014-03-29), wordt het beginsel geëerbiedigd van non-refoulement, met inachtneming van de voor Nederland geldende internationale verplichtingen.
##### Artikel 3.129
1. Voordat Onze Minister een aantekening krachtens [artikel 45c, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45c) plaatst, vraagt Onze Minister aan de eerste lidstaat van verblijf van de langdurig ingezetene of de vreemdeling nog steeds internationale bescherming geniet.
2. Onze Minister beantwoordt binnen één maand de vraag van een andere lidstaat van de Europese Unie of een houder van een door Onze Minister verschaft document als bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) waaruit de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen blijkt met de aantekening krachtens [artikel 45c, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45c) nog steeds internationale bescherming geniet.
3. Ingeval Onze Minister een verzoek om wijziging ontvangt van een andere lidstaat van de Europese Unie met betrekking tot een door Onze Minister afgegeven document als bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) waaruit de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen blijkt en daarop geen aantekening krachtens [artikel 45c, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45c) is geplaatst, teneinde daarop een aantekening krachtens artikel 45c, tweede lid, van de Wet te plaatsen, wordt uiterlijk drie maanden een nieuw document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet afgegeven, voorzien van die aantekening.
4. Ingeval Onze Minister een verzoek ontvangt van een andere lidstaat van de Europese Unie met betrekking tot een door Onze Minister verschaft document waaruit een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen blijkt waarop een aantekening krachtens [artikel 45c, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45c) is geplaatst, teneinde deze aantekening te wijzigen, wordt binnen drie maanden een nieuw document verschaft, voorzien van een dienovereenkomstig gewijzigde aantekening.
5. Ingeval Onze Minister, nadat hij een document als bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) heeft verschaft waaruit de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen blijkt met daarop een krachtens [artikel 45c, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45c) geplaatste of gewijzigde aantekening, de verantwoordelijkheid voor de internationale bescherming van de houder ervan heeft overgenomen, verschaft hij die houder binnen drie maanden een nieuw document als bedoeld in artikel 9 van de Wet, waaruit de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen blijkt en waarop een aantekening krachtens artikel 45c, eerste lid, van de Wet is geplaatst.
##### Artikel 3.130
1. Bij de bekendmaking van de beschikking, waarbij wordt beslist op de aanvraag om verlening van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in [artikel 45a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a), wordt de aanvrager meegedeeld welke rechten en plichten hij heeft krachtens de richtlijn langdurig ingezetenen.
2. Indien Onze Minister een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen verleent aan een vreemdeling die houder is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die staat.
3. Onze Minister vormt het contactpunt dat door een andere lidstaat van de Europese Unie kan worden geraadpleegd, ter uitvoering van de richtlijn langdurig ingezetenen en de richtlijn 2009/50/EG, en is verantwoordelijk voor het door Nederland ontvangen en toezenden van de informatie, bedoeld in de [artikelen 3.103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=3.103a&z=2014-03-29&g=2014-03-29), [3.103aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=3.103aa&z=2014-03-29&g=2014-03-29), [3.123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.123&z=2014-03-29&g=2014-03-29) en [3.129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=6&paragraaf=3&artikel=3.129&z=2014-03-29&g=2014-03-29).
#### Paragraaf 7. Documenten en het stellen van zekerheid
#### Paragraaf 8. Administratieplichten
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Vertrek, uitzetting en overdracht
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.6a
1. Bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), kan alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden verleend:
- a. aan de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
- b. onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden aan de vreemdeling die slachtoffer-aangever, slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel, bedoeld in [artikel 3.48, eerste lid, onder a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.48&z=2014-04-01&g=2014-04-01); of
- c. onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in [artikel 3.48, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.48&z=2014-04-01&g=2014-04-01).
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien sprake is van afwijzing van de aanvraag ingevolge [artikel 30, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30).
3. Indien de vreemdeling de eerste aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), niet binnen zes maanden na de eerste inreis in Nederland heeft ingediend, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) uitsluitend op grond van het eerste lid, onder b, alsnog ambtshalve worden verleend.
4. De verblijfsvergunning wordt verleend op de in het eerste lid als eerste genoemde van toepassing zijnde grond.
5. Het eerste en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), wordt ingetrokken of de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen.
##### Artikel 3.6b
Onverminderd de [artikelen 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=3&artikel=3.6&z=2014-04-01&g=2014-04-01) en [3.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=3&artikel=3.6a&z=2014-04-01&g=2014-04-01) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), ambtshalve worden verleend:
- a. onder een beperking verband houdend met medische behandeling, tijdelijke humanitaire gronden of niet-tijdelijke humanitaire gronden;
- b. aan de vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder i, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), die behoort tot een van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2014-04-01&g=2014-04-01), bedoelde categorieën en met wiens verblijf in Nederland voor een periode van langer dan drie maanden Onze Minister binnen drie maanden direct voorafgaande aan de aanmelding op grond van [artikel 4.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=5&artikel=4.47&z=2014-04-01&g=2014-04-01) heeft ingestemd;
- c. aan de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
##### Artikel 3.6c
1. Bij ministeriële regeling kunnen andere gevallen dan bedoeld in de [artikelen 3.6 tot en met 3.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=3&artikel=3.6&z=2014-04-01&g=2014-04-01) worden aangewezen waarin de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), ambtshalve kan worden verleend.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de ambtshalve verlenging en wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14).
#### Subparagraaf 4. Voorschriften
#### Subparagraaf 5. Verlening onder beperking
##### Artikel 3.99a
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt niet ingediend dan nadat de vreemdeling schriftelijk, op een door Onze Minister te bepalen wijze, te kennen heeft gegeven een zodanige aanvraag in te willen dienen, indien het een aanvraag betreft tot het verlenen van een verblijfsvergunning:
- a. op grond dat de uitzetting van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
- b. onder een beperking verband houdend met medische behandeling als bedoeld in [artikel 3.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.46&z=2014-04-01&g=2014-04-01); of
- c. onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in [artikel 3.48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.48&z=2014-04-01&g=2014-04-01).
2. Indien een vreemdeling in Nederland is voor een verblijf van langer dan drie maanden en een beroep doet ofwel op vrijstelling van het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf op grond van [artikel 17, eerste lid, onder c of d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of [artikel 3.71, tweede lid, onder l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2014-04-01&g=2014-04-01), ofwel op toepassing van artikel 3.71, derde lid, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) niet ingediend dan nadat de vreemdeling schriftelijk, op een door Onze Minister te bepalen wijze, te kennen heeft gegeven een zodanige aanvraag in te willen dienen.
3. De aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling als bedoeld in [artikel 3.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.46&z=2014-04-01&g=2014-04-01), wordt niet ingediend dan nadat de schriftelijk, op een door Onze Minister te bepalen wijze, te kennen heeft gegeven een zodanige aanvraag in te willen dienen.
4. Op een aanvraag als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid wordt op de dag van indiening een beschikking gegeven, tenzij naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag nader onderzoek nodig is. In dat geval stelt Onze Minister de vreemdeling in kennis van de verlenging van de termijn voor het geven van een beschikking.
5. Dit artikel blijft buiten toepassing ten aanzien van de bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van vreemdelingen.
##### Artikel 3.99b
[Artikel 3.99a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=3.99&z=2014-04-01&g=2014-04-01), is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), die is ingediend door een vreemdeling die niet bij of krachtens [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) is vrijgesteld van het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
##### Artikel 3.101a
1. Indien de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) is afgewezen, wordt iedere daarop volgende aanvraag tot het verlenen van een dergelijke verblijfsvergunning voor hetzelfde verblijfsdoel aangemerkt als een tweede of volgende aanvraag in de zin van [artikel 5b van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=5b).
2. Indien na afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op een van de gronden, bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=3&artikel=3.6&z=2014-04-01&g=2014-04-01), dan wel na toetsing aan de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend, wordt iedere daarop volgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet op een van die gronden aangemerkt als een tweede of volgende aanvraag in de zin van het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018).
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing, indien na intrekking van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onderscheidenlijk bij afwijzing van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan, ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op een van de gronden, bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=3&artikel=3.6&z=2014-04-01&g=2014-04-01), dan wel na toetsing aan de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend.
##### Artikel 3.101b
1. Indien na afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op een van de gronden, bedoeld in [artikel 3.6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=3&artikel=3.6a&z=2014-04-01&g=2014-04-01), dan wel na toetsing aan de gronden, bedoeld in artikel 3.6a, eerste lid, niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend, wordt iedere daarop volgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) op een van die gronden aangemerkt als een tweede of volgende aanvraag in de zin van [artikel 5b van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=5b).
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien na intrekking van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), onderscheidenlijk bij afwijzing van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan, ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op een van de gronden, bedoeld in [artikel 3.6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=3&artikel=3.6a&z=2014-04-01&g=2014-04-01), dan wel na toetsing aan de gronden, bedoeld in artikel 3.6a, eerste lid, niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend.
##### Artikel 3.102b
1. De vreemdeling legt bij de kennisgeving, bedoeld in [artikel 3.99a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=3.99a&z=2014-04-01&g=2014-04-01), ten minste de voor de beslissing van Onze Minister relevante medische gegevens en overige bescheiden over, indien:
- a. het een aanvraag betreft tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) onder een beperking verband houdend met medische behandeling als bedoeld in [artikel 3.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.46&z=2014-04-01&g=2014-04-01);
- b. het een aanvraag betreft tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in [artikel 3.48, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.48&z=2014-04-01&g=2014-04-01), voor zover daarbij medische omstandigheden aan de orde zijn; of
- c. de vreemdeling een beroep doet op medische redenen om vrijgesteld te worden van het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
2. De vreemdeling legt bij de kennisgeving, bedoeld in [artikel 3.99a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=3.99a&z=2014-04-01&g=2014-04-01), ten minste de voor de beslissing van Onze Minister relevante medische gegevens en overige bescheiden over.
3. De vreemdeling legt bij de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) onder een beperking verband houdend met medische behandeling als bedoeld in [artikel 3.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.46&z=2014-04-01&g=2014-04-01), ten minste de voor de beslissing van Onze Minister relevante medische gegevens en overige bescheiden over.
4. De vreemdeling legt bij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in [artikel 3.51, eerste lid, onderdeel a, ten tweede, dan wel onderdeel b of k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.51&z=2014-04-01&g=2014-04-01), ten minste de voor de beslissing van Onze Minister relevante medische gegevens en overige bescheiden over.
5. Indien de vreemdeling zich in verband met de intrekking van zijn verblijfsvergunning of in een bezwaarprocedure kan beroepen op medische gronden, legt hij, indien hij daartoe overgaat, ten minste de voor de beslissing van Onze Minister relevante medische gegevens en overige bescheiden over.
6. Dit artikel blijft buiten toepassing ten aanzien van de bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van vreemdelingen.
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
#### Paragraaf 8. Administratieplichten
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Inreisverbod
### Afdeling 4. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 4.17b
1. Indien er concrete aanwijzingen zijn dat er sprake is van een aanzienlijke toename van illegaal verblijf na grensoverschrijding, dan wel indien er concrete aanwijzingen zijn dat op korte termijn een dergelijke toename kan worden verwacht, kan bij besluit van Onze Minister tijdelijk worden afgeweken van [artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.17a&z=2014-07-08&g=2014-07-08).
2. De geldigheidsduur van het in het eerste lid bedoelde besluit verstrijkt in ieder geval vier weken nadat het is genomen. Onze Minister trekt het besluit onverwijld in indien het niet langer noodzakelijk is.
3. Indien een besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen, wordt het toezicht, bedoeld in [artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.17a&z=2014-07-08&g=2014-07-08), op eenzelfde vliegroute, ten hoogste op de helft van het aantal vluchten per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passagiers op een vlucht staande gehouden.
4. Indien een besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen, wordt het toezicht, bedoeld in [artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.17a&z=2014-07-08&g=2014-07-08), per dag in ten hoogste zes treinen per traject en ten hoogste veertig treinen in totaal uitgevoerd, met dien verstande dat het toezicht slechts mag worden uitgeoefend in een deel van de trein, en per trein in ten hoogste vier treincoupés.
5. Indien een besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen, wordt het toezicht, bedoeld in [artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.17a&z=2014-07-08&g=2014-07-08), op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste 180 uur per maand en ten hoogste 12 uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Vertrek, uitzetting en overdracht
### Afdeling 3. Inreisverbod
### Afdeling 4. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.105ba
1. Bij ministeriële regeling kan een lijst worden opgesteld van veilige landen van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn.
2. De beoordeling of een land een veilig land van herkomst is dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.
3. Onze Minister onderzoekt de situatie in derde landen die zijn aangemerkt als veilige landen van herkomst als bedoeld in het eerste lid regelmatig opnieuw.
##### Artikel 3.106b
1. Een derde land kan voor een vreemdeling alleen als een veilig land van herkomst worden aangemerkt wanneer hij:
- a. ofwel de nationaliteit van dat land heeft, ofwel staatloos is en voorheen in dat land zijn gewone verblijfplaats had; en
- b. niet heeft onderbouwd dat het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig land van herkomst kan worden beschouwd ten aanzien van de vraag of hij voor internationale bescherming in aanmerking komt.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid.
##### Artikel 3.107b
1. Wanneer een vreemdeling een verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 2, onder b, van de Procedurerichtlijn doet bij Onze Minister of bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, vindt de registratie plaats binnen drie werkdagen nadat het verzoek is gedaan.
2. Wanneer het verzoek wordt gedaan bij een andere autoriteit, dient de registratie plaats te vinden binnen zes werkdagen nadat het verzoek is gedaan.
##### Artikel 3.108b
1. Voorafgaand aan of tijdens het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), wordt beoordeeld of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft als bedoeld in artikel 24 van de Procedurerichtlijn.
2. Indien de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft, wordt gedurende het onderzoek passende steun geboden.
##### Artikel 3.108c
1. De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), wordt door de vreemdeling onverwijld ingediend nadat hij op een door Onze Minister te bepalen wijze te kennen heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen.
2. De vreemdeling wordt in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, ingelicht over:
- a. de te volgen procedure;
- b. zijn rechten en verplichtingen tijdens de procedure;
- c. de gevolgen die kunnen ontstaan indien hij zijn verplichtingen niet nakomt of niet met Onze Minister samenwerkt;
- d. de geldende termijnen;
- e. de middelen waarover hij beschikt om te voldoen aan zijn verplichting tot het naar voren brengen van de in [artikel 31, tweede tot en met vierde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) bedoelde elementen, en
- f. de gevolgen van een intrekking van zijn aanvraag.
##### Artikel 3.109a
1. De vreemdeling kan gebruik maken van de diensten van een tolk tijdens de in deze paragraaf bedoelde gehoren en op andere momenten waarop dat noodzakelijk is om zijn zaak voor te leggen, indien een goede communicatie zonder die diensten niet kan worden gewaarborgd.
2. De vreemdeling kan tijdens de procedure, indien gewenst, contact opnemen met de UNHCR of met een andere organisatie die juridisch advies of andere ondersteuning biedt.
3. De vreemdeling en degene die hem vertegenwoordigt hebben toegang tot de informatie in het dossier op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen.
4. Het derde lid is niet van toepassing wanneer de openbaarmaking van informatie of bronnen de nationale veiligheid, de veiligheid van de organisaties of personen die de informatie hebben verstrekt dan wel de veiligheid van de persoon of personen op wie de informatie betrekking heeft, in gevaar zou brengen, of wanneer het belang van het onderzoek in verband met de behandeling van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de internationale betrekkingen van de lidstaten zouden worden geschaad.
##### Artikel 3.109b
1. Indien een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland, aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) te willen indienen, vindt behandeling van de aanvraag in een grensprocedure plaats zolang redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hierop kan worden besloten met toepassing van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), [30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30a) of [30b van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30b).
2. Indien de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), wordt behandeld in een grensprocedure, kan Onze Minister, in afwijking van [artikel 3.109, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.109&z=2015-07-20&g=2015-07-20), het onderzoek na een kortere rust- en voorbereidingstermijn dan zes dagen aanvangen, mits de vreemdeling te kennen heeft gegeven hier prijs op te stellen.
3. Indien naar het oordeel van Onze Minister geen sprake is van een aanvraag waarop vermoedelijk zal worden besloten tot toepassing van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), [30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30a) of [30b van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30b), wordt de behandeling van de aanvraag voortgezet onder opheffing van de maatregel, bedoeld in [artikel 6, derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6).
4. Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, wordt het onderzoek naar de aanvraag opgeschort.
5. Indien het onderzoek naar de aanvraag is opgeschort als bedoeld in het vierde lid, wordt ten minste een dag voor hervatting van het onderzoek daarvan mededeling gedaan aan de vreemdeling.
6. Het onderzoek wordt hervat op het punt waarop het is afgebroken.
7. Aanvragen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen worden niet behandeld in de grensprocedure.
##### Artikel 3.109c
1. Indien de aanvraag vermoedelijk niet in behandeling zal worden genomen op grond van [artikel 30 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), zijn de [artikelen 3.109, eerste, tweede, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.109&z=2015-07-20&g=2015-07-20), en [3.110 tot en met 3.118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2015-07-20&g=2015-07-20) niet van toepassing.
2. Het schriftelijk voornemen om de aanvraag niet in behandeling te nemen wordt meegedeeld door uitreiking of toezending daarvan.
3. De vreemdeling brengt zijn zienswijze op het in het tweede lid bedoelde voornemen schriftelijk naar voren uiterlijk binnen twee weken. Indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen wordt de zienswijze uiterlijk binnen een week schriftelijk naar voren gebracht.
4. De termijn, bedoeld in het derde lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden.
5. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.
6. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het geven van de beschikking niet in de weg.
7. De beschikking wordt bekendgemaakt door uitreiking of toezending ervan.
##### Artikel 3.109d
1. De alleenstaande minderjarige vreemdeling wordt onmiddellijk in kennis gesteld van de aanwijzing van een persoon die hem bijstaat en vertegenwoordigt.
2. Onze Minister kan in het kader van de behandeling van de aanvraag van een alleenstaande minderjarige vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), besluiten om door middel van een medisch onderzoek zijn gestelde minderjarigheid vast te stellen, wanneer Onze Minister, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of andere relevante aanwijzingen zijn, twijfels heeft over diens leeftijd. Voor dit onderzoek is de schriftelijke toestemming van de vreemdeling vereist. Als het onderzoek deze twijfels niet wegneemt, wordt ervan uitgegaan dat de aanvrager minderjarig is.
3. Indien een alleenstaande minderjarige vreemdeling weigert het in het eerste lid bedoelde medisch onderzoek te ondergaan, wordt de beslissing tot afwijzing van de aanvraag niet enkel op die weigering gebaseerd.
4. Indien de aanvraag wordt ingediend door een alleenstaande minderjarige vreemdeling, wordt zijn wettelijk vertegenwoordiger, juridische adviseur of andere raadsman in de gelegenheid gesteld om bij het nader gehoor aanwezig te zijn.
5. De wettelijk vertegenwoordiger, juridische adviseur of andere raadsman is bij het gehoor aanwezig en wordt in de gelegenheid gesteld aan het einde van het nader gehoor vragen te stellen of opmerkingen te maken.
6. De aanvraag van een alleenstaande minderjarige vreemdeling kan uitsluitend met toepassing van [artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30a) niet-ontvankelijk worden verklaard indien dit in het belang van de minderjarige is.
##### Artikel 3.109e
1. Indien Onze Minister het voor de beoordeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), relevant acht, biedt hij ook een medisch onderzoek aan naar aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade. Dit onderzoek wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars. De vreemdeling wordt ervan in kennis gesteld dat hij op eigen initiatief en kosten een dergelijk onderzoek kan regelen.
2. Het medisch onderzoek wordt niet uitgevoerd dan met toestemming van de vreemdeling.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van het medisch onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
4. Indien de vreemdeling op eigen initiatief een medisch onderzoek naar aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade heeft laten verrichten, betrekt Onze Minister de resultaten ervan bij de beoordeling van de aanvraag.
5. De resultaten van de in het eerste en vierde lid bedoelde medische onderzoeken worden door Onze Minister beoordeeld samen met de andere elementen van de aanvraag.
6. Indien de vreemdeling een medisch onderzoek weigert of belemmert, dan wel geen inzage in het medisch onderzoek verleent aan Onze Minister, kan Onze Minister niettemin op de aanvraag beslissen.
##### Artikel 3.121a
1. Indien de aanvraag wordt afgewezen, voor wat betreft de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, wordt dit feitelijk en juridisch gemotiveerd.
2. Indien de aanvraag mede is gedaan namens personen die ten laste van de aanvrager komen en de aanvraag op dezelfde gronden gebaseerd is, kan één beslissing worden genomen die geldt voor alle personen, tenzij dat handelen zou leiden tot de bekendmaking van specifieke omstandigheden van een aanvrager die zijn belangen zou kunnen schaden, met name in gevallen van vervolging op grond van gender, seksuele geaardheid, genderidentiteit of leeftijd.
3. Indien een vreemdeling niet wordt bijgestaan of vertegenwoordigd door een juridisch adviseur of een andere raadsman, wordt hij in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij die begrijpt, in kennis gesteld van de beslissing. Daarbij wordt ook informatie verstrekt over de wijze waarop een negatieve beslissing kan worden aangevochten.
#### Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
#### Paragraaf 7. Documenten en het stellen van zekerheid
#### Paragraaf 8. Administratieplichten
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
##### Artikel 5.1c
1. De grond voor bewaring, bedoeld in [artikel 59b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59b), is aanwezig, indien de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in [artikel 5.1b, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.1b&z=2015-07-20&g=2015-07-20), voordoen.
2. De grond voor bewaring, bedoeld in [artikel 59b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59b), is aanwezig, indien door middel van bewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in [artikel 5.1b, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.1b&z=2015-07-20&g=2015-07-20), voordoen.
3. Bij de beoordeling of sprake is van een aanvraag die louter is ingediend teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen als bedoeld [artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, ten derde, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59b) worden alle omstandigheden van het geval betrokken, waaronder met name:
- a. of de vreemdeling eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) heeft gedaan;
- b. de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;
- c. de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;
- d. of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;
- e. de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van [artikel 30b, eerste lid, onder b van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30b),
- f. de onderbouwing van de aanvraag.
4. De grond voor bewaring, bedoeld in [artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59b), is in ieder geval aanwezig, indien er is sprake van een aanvraagprocedure waarin vermoedelijk artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
##### Artikel 7.3
1. Indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan teneinde uitzetting te voorkomen voordat is beslist op een beroep gericht tegen een besluit dat is genomen naar aanleiding van een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), is het de vreemdeling toegestaan de uitspraak op dit verzoek hier te lande af te wachten.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien uitzetting niet achterwege wordt gelaten op de in [artikel 3.1, tweede lid, onder a en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1&z=2015-07-20&g=2015-07-20) bedoelde gronden.
##### Artikel 7.4
1. Aan een alleenstaande minderjarige vreemdeling wiens beroep geen reële kans van slagen heeft wordt alleen kosteloze rechtsbijstand onthouden, indien de vertegenwoordiger van de minderjarige overeenkomstig het nationale recht over juridische kwalificaties beschikt.
2. Indien een rechterlijke instantie oordeelt over het recht van een alleenstaande minderjarige vreemdeling om in afwachting van de beslissing op beroep in Nederland te blijven, dient de alleenstaande minderjarige vreemdeling tenminste over tolkdiensten en rechtsbijstand te beschikken en minstens een week de tijd te hebben om het daartoe strekkende verzoek op te stellen.
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.109ca
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 6. De status van langdurig ingezetene
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 7. Documenten en het stellen van zekerheid
#### Paragraaf 8. Administratieplichten
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Vertrek, uitzetting en overdracht
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Inreisverbod
### Afdeling 4. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
#### Subparagraaf 1. Besluit omtrent de toepassing van bijzondere procedurele bepalingen
##### Artikel 3.123a
1. Indien sprake is of is geweest van een zodanige toename van het aantal asielaanvragen dat daardoor bij de behandeling van asielaanvragen een aanzienlijke vertraging is opgetreden of naar verwachting zal optreden en een substantieel deel van de asielaanvragen wordt ingediend door vreemdelingen die een bepaalde nationaliteit bezitten of behoren tot een bepaalde groep en op basis van het beschikbare bewijs voorzienbaar is dat deze voor inwilliging in aanmerking komen, kan Onze Minister besluiten dat voor de behandeling van aanvragen van deze vreemdelingen de in deze paragraaf beschreven procedure wordt gevolgd.
2. Het in het eerste lid bedoelde besluit wordt genomen in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en voor een in het besluit vast te stellen periode van ten hoogste één jaar.
3. De geldigheidsduur van het in het eerste lid bedoelde besluit kan, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, steeds met ten hoogste zes maanden worden verlengd voor zover nog steeds wordt voldaan aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden.
4. Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, het in het eerste lid bedoelde besluit op ieder moment intrekken, ook na verlenging van de geldigheidsduur ervan.
5. Voor zover dit voor een goede invoering en beëindiging van de in deze paragraaf opgenomen procedures noodzakelijk is, kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld omtrent de onderwerpen, bedoeld in [artikel 37, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=37), waarbij zo nodig kan worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens dit besluit.
#### Subparagraaf 2. De procedure bij voorzienbare inwilliging
##### Artikel 3.123b
1. Bij de behandeling van een aanvraag van een vreemdeling als bedoeld in [artikel 3.123a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=1&artikel=3.123a&z=2016-03-01&g=2016-03-01), zijn de[artikelen 3.109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.109&z=2016-03-01&g=2016-03-01) en [3.110 tot en met 3.116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2016-03-01&g=2016-03-01) niet van toepassing.
2. Na het indienen van de aanvraag door een vreemdeling als bedoeld in [artikel 3.123a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=1&artikel=3.123a&z=2016-03-01&g=2016-03-01), kan onderzoek plaatsvinden naar de identiteit, vingerafdrukken en nationaliteit van de vreemdeling, naar de bij hem aangetroffen of door hem overgelegde documenten en bescheiden, dan wel naar de mogelijkheid van toepassing van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30) of [30a, eerste lid, onderdeel a, b, c of e van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30a).
3. Van de vreemdeling worden door Onze Minister een gezichtsopname gemaakt en vingerafdrukken afgenomen en opgeslagen. De vreemdeling verleent hieraan zijn medewerking.
4. De vreemdeling wordt zo spoedig mogelijk door Onze Minister aan een gehoor onderworpen. Daarbij worden vragen gesteld omtrent zijn personalia, zijn geboorteplaats en geboortedatum, zijn nationaliteit en etnische afkomst, de datum van zijn vertrek uit het land van herkomst, de datum van zijn aankomst in Nederland, eventueel verblijf in derde landen, het bezit van een paspoort en identiteitsdocumenten en de personalia en verblijfplaats van familieleden. Tevens wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zijn asielmotieven uiteen te zetten.
5. Het afschrift van het in het vierde lid bedoelde gehoor wordt zo spoedig mogelijk ter kennis van de vreemdeling gebracht.
6. Indien het in het vierde lid bedoelde gehoor voldoende grond biedt om de aanvraag in te willigen, wordt de beschikking zo spoedig mogelijk bekendgemaakt door uitreiking of toezending ervan.
7. Indien na het in het vierde lid bedoelde gehoor nog niet kan worden besloten tot inwilliging van de aanvraag, wordt voor de verdere behandeling van de aanvraag alsnog de in [paragraaf 2 van deze Afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&z=2016-03-01&g=2016-03-01) beschreven procedure gevolgd. Bij deze behandeling worden de door de vreemdeling bij het in het vierde lid bedoelde gehoor afgelegde verklaringen over zijn asielmotieven die geen betrekking hebben op daden als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en andere zware strafbare feiten niet betrokken, tenzij de vreemdeling, na overleg met degene die hem in de rust- en voorbereidingstermijn bijstaat, aangeeft dat hij wenst dat dit wel gebeurt of de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde dat vereisen.
8. Het zevende lid is niet van toepassing in de gevallen, bedoeld in [artikel 3.123c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123c&z=2016-03-01&g=2016-03-01).
9. Indien op het moment dat een besluit als bedoeld in het eerste lid van [artikel 3.123a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=1&artikel=3.123a&z=2016-03-01&g=2016-03-01) van kracht wordt, een aanvraag kan worden aangemerkt als een aanvraag van een vreemdeling als bedoeld in die bepaling en het onderzoek naar de aanvraag nog niet is gestart, wordt de in dit artikel beschreven procedure gevolgd.
10. Indien de vreemdeling op het moment dat een besluit als bedoeld in het eerste lid van [artikel 3.123a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=1&artikel=3.123a&z=2016-03-01&g=2016-03-01) wordt ingetrokken, of de geldigheidsduur ervan verstrijkt, reeds is onderworpen aan een gehoor als bedoeld in het vierde lid van dit artikel wordt de behandeling van de aanvraag voortgezet met toepassing van de in dit artikel beschreven procedure.
#### Subparagraaf 3. Bijzondere vervolgprocedure
##### Artikel 3.123c
1. De bepalingen in deze subparagraaf zijn uitsluitend van toepassing in die gevallen waarin na het in [artikel 3.123b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=2&artikel=3.123b&z=2016-03-01&g=2016-03-01), bedoelde gehoor blijkt dat nader onderzoek naar de identiteit, nationaliteit of het behoren tot een bepaalde groep noodzakelijk is.
2. Indien deze subparagraaf van toepassing is wordt het gehoor, bedoeld in [artikel 3.123b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=2&artikel=3.123b&z=2016-03-01&g=2016-03-01), aangemerkt als een eerste gehoor en zijn voor de verdere behandeling van de aanvraag, in afwijking van de [artikelen 3.109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.109&z=2016-03-01&g=2016-03-01) en [3.110 tot en met 3.116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2016-03-01&g=2016-03-01), de in deze subparagraaf opgenomen bepalingen van toepassing.
##### Artikel 3.123d
1. De vreemdeling wordt een rust- en voorbereidingstermijn gegeven van ten minste zes dagen. Het onderzoek, bedoeld in [artikel 3.123e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123e&z=2016-03-01&g=2016-03-01), vangt na de rust- en voorbereidingstermijn aan.
2. Gedurende de rust- en voorbereidingstermijn wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om te worden voorgelicht over de asielprocedure en om zich op de asielprocedure voor te bereiden en zich daartoe te laten bijstaan. De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld correcties en aanvullingen in te dienen op het verslag van het eerste gehoor en hem wordt tijdig mededeling gedaan van de mogelijkheid zich bij een gehoor als bedoeld in [artikel 3.123f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123f&z=2016-03-01&g=2016-03-01), te doen bijstaan.
3. De vreemdeling wordt een medisch onderzoek aangeboden. Voor dit onderzoek is de schriftelijke toestemming van de vreemdeling vereist.
4. [Artikel 3.109, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.109&z=2016-03-01&g=2016-03-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.123e
1. Voor het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zijn in een Aanmeldcentrum zes dagen beschikbaar.
2. Onze Minister kan de in het eerste lid genoemde termijn verlengen. In dat geval zijn voor het onderzoek in een Aanmeldcentrum ten hoogste veertien, zestien of tweeëntwintig dagen beschikbaar.
3. [Artikel 3.110, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2016-03-01&g=2016-03-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Onze Minister bepaalt met inachtneming van [artikel 3.123d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123d&z=2016-03-01&g=2016-03-01), wanneer het onderzoek als bedoeld in het eerste lid aanvangt en deelt de dag van aanvang mede aan de vreemdeling.
##### Artikel 3.123f
1. Op de eerste dag wordt de vreemdeling door Onze Minister aan een nader gehoor onderworpen. Bij het afnemen van het nader gehoor wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van zijn aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.
2. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren op grond van [artikel 30a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30a), wordt de vreemdeling tijdens het nader gehoor in de gelegenheid gesteld zijn standpunt uiteen te zetten over de toepassing van de in artikel 30a, eerste lid, van de Wet bedoelde gronden op zijn specifieke omstandigheden.
3. Van het nader gehoor wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Een afschrift van het verslag van nader gehoor wordt op de eerste dag aan de vreemdeling ter kennis gebracht.
4. De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op de tweede dag opmerkingen te maken of opheldering te verschaffen over verkeerd vertaalde passages of misvattingen in het verslag van het nader gehoor en nadere gegevens te verstrekken. De vreemdeling wordt daartoe volledig geïnformeerd over de inhoud van het verslag, zo nodig met bijstand van een tolk. De vreemdeling wordt verzocht uiterlijk op de tweede dag schriftelijk te bevestigen dat de inhoud van het verslag een correcte afspiegeling is van het nader gehoor. Het verslag van nader gehoor vermeldt deze termijn.
5. [Artikel 3.113, zesde tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.113&z=2016-03-01&g=2016-03-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.123g
1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af te wijzen binnen zes dagen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling toegezonden op de derde dag of aan de vreemdeling uitgereikt op de vierde dag.
2. De vreemdeling brengt zijn zienswijze op het in het eerste lid bedoelde voornemen schriftelijk naar voren uiterlijk op de vierde dag.
3. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.
4. Het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze worden door Onze Minister vastgelegd.
5. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende schriftelijke zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het geven van de beschikking niet in de weg.
6. Onze Minister maakt de beschikking uiterlijk op de zesde dag bekend door uitreiking of toezending ervan.
##### Artikel 3.123h
1. Onze Minister kan de in [artikel 3.123e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123e&z=2016-03-01&g=2016-03-01), genoemde termijn verlengen:
- a. in geval van overschrijding van de termijnen, bedoeld in de [artikelen 3.123f, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123f&z=2016-03-01&g=2016-03-01), en [3.123g, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123g&z=2016-03-01&g=2016-03-01), tenzij de overschrijding aan Onze Minister kan worden toegerekend;
- b. in geval van overschrijding van de termijnen, bedoeld in de [artikelen 3.123f, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123f&z=2016-03-01&g=2016-03-01), of [3.123g, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123g&z=2016-03-01&g=2016-03-01), en de vreemdeling een met redenen omkleed verzoek om verlenging heeft ingediend, tenzij de overschrijding aan de vreemdeling kan worden toegerekend;
- c. indien naar het oordeel van Onze Minister nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling noodzakelijk is;
- d. indien de vreemdeling zijn eerder tijdens het onderzoek afgelegde verklaringen essentieel wijzigt of aanvult;
- e. indien naar het oordeel van Onze Minister nader onderzoek noodzakelijk is naar omstandigheden die verband houden met de gronden, bedoeld in de artikelen 3.6a, eerste lid, en 6.1e;
- f. indien Onze Minister een medisch onderzoek heeft aangeboden als bedoeld in [artikel 3.109e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.109e&z=2016-03-01&g=2016-03-01); of
- g. indien de vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor, dan wel is verdwenen of vertrokken zonder toestemming van Onze Minister.
2. De vreemdeling wordt van de verlenging schriftelijk in kennis gesteld. Bij de kennisgeving wordt de reden van de verlenging aangegeven alsmede op welk moment de verlengde termijn eindigt.
3. Indien Onze Minister de in [artikel 3.123e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123e&z=2016-03-01&g=2016-03-01), genoemde termijn heeft verlengd en voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af te wijzen binnen veertien, zestien of tweeëntwintig dagen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt of toegezonden.
4. De vreemdeling brengt zijn zienswijze uiterlijk op de dag na de uitreiking of toezending van het voornemen naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd.
5. [Artikel 3.123g, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123g&z=2016-03-01&g=2016-03-01), zijn van toepassing.
6. Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e maakt Onze Minister de beschikking uiterlijk op de veertiende dag bekend door uitreiking of toezending ervan. Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, maakt Onze Minister de beschikking uiterlijk op de zestiende dag bekend door uitreiking of toezending ervan. Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, maakt Onze Minister de beschikking uiterlijk op de tweeëntwintigste dag bekend door uitreiking of toezending ervan.
7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de toepassing van het eerste lid alsmede de wijze waarop het onderzoek naar de aanvraag wordt vervolgd indien de in [artikel 3.123e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123e&z=2016-03-01&g=2016-03-01), genoemde termijn wordt verlengd.
##### Artikel 3.123i
Indien de termijnen, bedoeld in de [artikelen 3.123f, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123f&z=2016-03-01&g=2016-03-01), of [3.123g, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123g&z=2016-03-01&g=2016-03-01), dan wel de op grond van [artikel 3.123h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=3&sub-paragraaf=3&artikel=3.123h&z=2016-03-01&g=2016-03-01), verlengde termijn, zijn overschreden, bedraagt de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren brengt vier weken, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd. [Artikel 3.116, derde tot zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.116&z=2016-03-01&g=2016-03-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
#### Paragraaf 4. Medisch onderzoek
#### Paragraaf 7. Documenten en het stellen van zekerheid
#### Paragraaf 8. Administratieplichten
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Afdeling 4. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.30d
1. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt onder de beperking «overplaatsing binnen een onderneming» verleend aan een vreemdeling, niet zijnde een burger van de Unie, ten behoeve van een tijdelijke overplaatsing voor beroepsactiviteiten of opleiding, naar een gastentiteit in Nederland die behoort tot een buiten het grondgebied van de Europese Unie gevestigde onderneming, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a. de vreemdeling voldoet aan de definitie van leidinggevende, specialist of trainee-werknemer in de zin van artikel 3, onder e, f of g, van [richtlijn 2014/66](32014L0066)/EU;
- b. de gastentiteit, bedoeld in artikel 3, onder d, van [richtlijn 2014/66](32014L0066)/EU, en de in een derde land gevestigde onderneming behoren tot dezelfde onderneming of tot dezelfde groep van ondernemingen, bedoeld in artikel 3, onder l, van die richtlijn;
- c. de vreemdeling is onmiddellijk voorafgaand aan de overplaatsing in dienst bij dezelfde onderneming of groep of ondernemingen voor een ononderbroken periode van drie maanden;
- d. de vreemdeling beschikt over een geldige arbeidsovereenkomst met de buiten de Europese Unie gevestigde onderneming, met daarin onderstaande gegevens, en, indien deze die gegevens niet bevat, een opdrachtbrief van de werkgever, met daarin:
- 1°. nadere bijzonderheden over de duur van de overplaatsing en de vestigingsplaats van de gastentiteit;
- 2°. gegevens die aantonen dat de vreemdeling in de gastentiteit in Nederland een functie zal bekleden als leidinggevende, specialist of trainee-werknemer;
- 3°. de bezoldiging en de overige arbeidsvoorwaarden tijdens de overplaatsing;
- 4°. gegevens die aantonen dat de vreemdeling na het einde van de overplaatsing kan worden overgeplaatst naar een entiteit die tot dezelfde onderneming of groep van ondernemingen behoort en in een derde land is gevestigd;
- e. de vreemdeling bezit de beroepskwalificaties en ervaring die zijn vereist in de gastentiteit waarnaar hij wordt overgeplaatst als leidinggevende of specialist, of, in het geval van een trainee-werknemer, het masterdiploma;
- f. voor zover hij een gereglementeerd beroep in de zin van [artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=1) wil uitoefenen, beschikt over een erkenning van de beroepskwalificaties in de zin van [artikel 5 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5);
- g. van de te vervullen arbeidsplaats liggen de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden ten minste op het niveau dat wettelijk is vereist en in de desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is;
- h. indien de vreemdeling een trainee-werknemer is, legt hij een trainee-overeenkomst over die verband houdt met de voorbereiding voor zijn toekomstige functie binnen de onderneming of groep van ondernemingen, met een beschrijving van het traineeprogramma waaruit blijkt dat het doel van het verblijf is de trainee-werknemer op te leiden voor loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfstechnieken en -methoden, de duur ervan en de wijze waarop tijdens de overplaatsing toezicht zal worden uitgeoefend op de trainee-werknemer;
- i. de gastentiteit is niet opgericht met als belangrijkste doel de binnenkomst van binnen een onderneming overgeplaatste personen te vergemakkelijken;
- j. Nederland is de lidstaat waar over het geheel genomen het langst durende verblijf tijdens de overplaatsing zal plaatsvinden;
- k. de vreemdeling heeft op het tijdstip van de aanvraag zijn hoofdverblijf buiten Nederland;
- l. geen afwijzingsgrond uit [artikel 16, eerste lid, onder a tot en met g, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) is van toepassing.
2. De aanvraag kan worden afgewezen indien:
- a. aan de werkgever of de gastentiteit in de periode van maximaal vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag een sanctie is opgelegd wegens overtreding van [artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2) of wegens het niet of onvoldoende afdragen van loonbelasting, premies voor de werknemersverzekeringen of premies voor de volksverzekeringen;
- b. geen economische activiteit plaatsvindt bij de werkgever of gastentiteit;
- c. de vreemdeling in de periode van zes maanden direct voorafgaande aan de aanvraag in Nederland heeft verbleven voor een eerdere overplaatsing binnen een onderneming in de zin van richtlijn 2014/66/EU.
3. Het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, d, f, g, i, k en l, en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een houder van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning met de vermelding «ICT» die in Nederland wil verblijven voor een overplaatsing binnen een onderneming in het kader van langetermijnmobiliteit in de zin van artikel 22 van richtlijn 2014/66/EU, met dien verstande dat de aanvraag niet wordt afgewezen op [artikel 16, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). De aanvraag wordt afgewezen indien Nederland de lidstaat is waar over het geheel genomen het langst durende verblijf tijdens de overplaatsing zal plaatsvinden. De aanvraag wordt voorts afgewezen indien de gastentiteit gelijktijdig een kennisgeving voor kortetermijnmobiliteit heeft ingediend voor de vreemdeling.
4. Onze Minister besluit niet over de verlening, verlenging of intrekking van de verblijfsvergunning dan nadat hij advies heeft gevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen omtrent de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met i, en de afwijzingsgronden, bedoeld in het tweede lid. Onze Minister is niet verplicht om advies te vragen indien de referent erkend is of indien de verblijfsvergunning wordt geweigerd of ingetrokken op grond van het eerste lid, onder j, k of l.
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
#### Paragraaf 2. Afwijzing van de aanvraag
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
#### Subparagraaf 1. Besluit omtrent de toepassing van bijzondere procedurele bepalingen
#### Subparagraaf 2. De procedure bij voorzienbare inwilliging
#### Subparagraaf 3. Bijzondere vervolgprocedure
### Afdeling 6. De status van langdurig ingezetene
#### Paragraaf 1. Verlening
#### Paragraaf 2. Intrekking
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
#### Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Vertrek, uitzetting en overdracht
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Inreisverbod
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.6ba
1. Tot het moment waarop de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onherroepelijk is geworden, kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend onder een andere beperking dan voorzien in [artikel 3.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=1&artikel=3.4&z=2019-05-01&g=2019-05-01), indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend op grond van [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=3&artikel=3.6&z=2019-05-01&g=2019-05-01), [3.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=3&artikel=3.6a&z=2019-05-01&g=2019-05-01) of [3.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=3&artikel=3.6b&z=2019-05-01&g=2019-05-01).
#### Subparagraaf 4. Voorschriften
#### Subparagraaf 5. Verlening onder beperking
### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
#### Subparagraaf 3. Bijzondere vervolgprocedure
### Afdeling 6. De status van langdurig ingezetene
#### Paragraaf 2. Intrekking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
### Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
#### Paragraaf 7. Documenten en het stellen van zekerheid
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Afdeling 1. Vertrek, uitzetting en overdracht
### Afdeling 4. Ongewenstverklaring
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 1. Benelux
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.108d
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Subparagraaf 3. Bijzondere vervolgprocedure
### Afdeling 6. De status van langdurig ingezetene
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring
### Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
### Afdeling 3. Inreisverbod
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 5.8
1. Niet-begeleide minderjarigen als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn worden alleen in uitzonderlijke omstandigheden in bewaring gehouden. Alles wordt in het werk gesteld om de bewaring zo spoedig mogelijk op te heffen.
2. Niet-begeleide minderjarigen als bedoeld in het eerste lid, worden niet ondergebracht in een inrichting als bedoeld in [artikel 1 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=1).
3. Niet-begeleide minderjarigen als bedoeld in artikel 17 van de Terugkeerrichtlijn worden slechts in laatste instantie en voor een zo kort mogelijke periode in bewaring gesteld.
4. Niet-begeleide minderjarigen verblijven in aan hen toegewezen ruimten waar zij afgescheiden gehuisvest zijn van volwassenen.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.
### Afdeling 3. Inreisverbod
### Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 3.23c
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&sub-paragraaf=5&artikel=3.13&z=2024-06-12&g=2024-06-12), wordt verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, aan de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van de langdurig ingezetene met de aantekening «voormalig houder van een Europese blauwe kaart», en het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of houder van de Europese blauwe kaart, indien:
- a. dat kind, die echtgenoot of die partner in een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is toegelaten als gezinslid van die houder van de Europese blauwe kaart;
- b. dat kind, die echtgenoot of die partner in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding of een gewaarmerkt afschrift daarvan;
- c. dat kind, die echtgenoot of die partner geen gevaar voor de openbare orde als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2024-06-12&g=2024-06-12) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2024-06-12&g=2024-06-12) of de openbare veiligheid vormt; en
- d. de hoofdpersoon ten behoeve van het verblijf van dat kind, die echtgenoot of die partner een verklaring als bedoeld in [artikel 2a, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2a) heeft afgelegd.
2. De verblijfsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt verleend, indien de langdurig ingezetene met de aantekening «voormalig houder van een Europese blauwe kaart»:
- a. zijn verblijfsrecht uitoefent als bedoeld in artikel 14 Richtlijn langdurig ingezetenen; en
- b. duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in de [artikelen 3.73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.73&z=2024-06-12&g=2024-06-12) en [3.74, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2024-06-12&g=2024-06-12).
3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder d, wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien:
- a. wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in [Richtlijn (EU) 2021/1883](32021L1883), in welk geval Onze Minister de hoofdpersoon als referent aanwijst; of
- b. de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling als gezinslid wil verblijven een Turkse werknemer is als bedoeld in artikelen 6 en 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, in welk geval deze hoofdpersoon niet als referent wordt aangewezen.
##### Artikel 3.89ba
1. Indien Onze Minister voornemens is de Europese blauwe kaart in te trekken of de geldigheidsduur ervan niet te verlengen op grond van het niet nakomen door de werkgever van zijn wettelijke verplichtingen inzake sociale zekerheid, belasting, arbeidsrechten of -voorwaarden of op de grond dat de arbeid niet voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgelegd uit hoofde van het toepasselijke recht, in collectieve overeenkomsten of door praktijken in de relevante beroepssectoren voor hooggekwalificeerde banen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling toegezonden of uitgereikt.
2. Na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van drie maanden een nieuwe baan te zoeken.
3. In afwijking van het tweede lid geldt een termijn van zes maanden wanneer de houder van de Europese blauwe kaart al ten minste twee jaar als houder van deze Europese blauwe kaart heeft gewerkt.
#### Paragraaf 2. Afwijzing van de aanvraag
##### Artikel 3.103ab
1. Indien Onze Minister besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van een houder van een Europese blauwe kaart met de aantekening dat de vreemdeling internationale bescherming geniet door een andere lidstaat van de Europese Unie of een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan afwijst, verzoekt Onze Minister die staat te bevestigen of de vreemdeling aldaar nog steeds internationale bescherming geniet. In het bevestigend geval zet Onze Minister de vreemdeling uit naar die staat, onverminderd het toepasselijke Unierecht en het beginsel van de eenheid van het gezin.
2. In afwijking van het eerste lid en onverminderd de voor Nederland geldende internationale verplichtingen, kan Onze Minister de houder van de Europese blauwe kaart uitzetten naar een andere staat dan de lidstaat die de internationale bescherming heeft verleend, indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 21, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn.
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
#### Subparagraaf 2. De procedure bij voorzienbare inwilliging
#### Subparagraaf 3. Bijzondere vervolgprocedure
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
#### Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Afdeling 1. Vertrek, uitzetting en overdracht
### Afdeling 4. Ongewenstverklaring
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 1.33
De nationale Etias-eenheid is ondergebracht bij de Koninklijke marechaussee.
### Hoofdstuk 2. Toegang
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding
### Afdeling 4. Middelen voor kosten van verblijf
### Hoofdstuk 3. Verblijf
### Afdeling 1. Rechtmatig verblijf
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
#### Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften
#### Subparagraaf 4. Voorschriften
#### Subparagraaf 5. Verlening onder beperking
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
#### Subparagraaf 3. Bijzondere vervolgprocedure
### Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
#### Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
### Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
#### Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
### Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
#### Paragraaf 2. EG/EER
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
### Afdeling 3. Biometrische gegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
2001-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000
original version Tekst op deze datum