Wijzigingsgeschiedenis

Besluit van 23 november 2000 tot uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (Vreemdelingenbesluit 2000)

100 versions · 2026-01-01
2026-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2025-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2024-06-12
Vreemdelingenbesluit 2000
2024-04-17
Vreemdelingenbesluit 2000
2024-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2023-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2022-09-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2022-08-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2022-01-29
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2022-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2021-12-02
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2021-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2021-06-25
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2021-06-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2020-08-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2020-03-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2019-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2019-05-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2019-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2019-03-14
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 9 más
2018-09-19
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2018-08-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2018-05-23
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2017-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2017-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2017-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2016-11-29
Vreemdelingenbesluit 2000
2016-11-03
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 21 más
2016-03-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2016-02-25
Vreemdelingenbesluit 2000
2015-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 39 más
2015-07-20
Vreemdelingenbesluit 2000
2015-07-09
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 25 más
2015-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 11 más
2014-11-28
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 11 más
2014-11-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 25 más
2014-07-17
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 25 más
2014-07-08
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 39 más
2014-06-13
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 39 más
2014-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-03-29
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-03-21
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-03-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-02-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2014-01-06
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 73 más
2014-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2013-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 35 más
2013-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 35 más
2013-06-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2013-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 33 más
2012-12-29
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 34 más
2012-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2012-08-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2012-07-07
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2012-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2012-04-18
Vreemdelingenbesluit 2000
2012-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2011-12-31
Vreemdelingenbesluit 2000
2011-06-28
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2011-06-19
Vreemdelingenbesluit 2000
2011-06-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2011-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 44 más
2010-07-31
Vreemdelingenbesluit 2000
2010-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2009-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 52 más
2009-05-02
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 52 más
2009-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 52 más
2008-05-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 52 más
2008-04-25
Vreemdelingenbesluit 2000
2008-03-26
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 57 más
2007-12-19
Vreemdelingenbesluit 2000
2007-11-14
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 117 más
2007-10-12
Vreemdelingenbesluit 2000
2007-09-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2007-06-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 3, 3, 3 y 119 más
2007-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2006-12-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2006-10-11
Vreemdelingenbesluit 2000
2006-04-29
Vreemdelingenbesluit 2000
2006-03-15
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 153 más
2006-02-24
Vreemdelingenbesluit 2000
2005-12-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2005-02-15
Vreemdelingenbesluit 2000
2004-12-06
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 78 más
2004-11-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 78 más
2004-10-01
Vreemdelingenbesluit 2000
2004-09-15
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 84 más
2004-09-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 85 más
2004-08-20
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 85 más
2004-07-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 94 más
2004-05-15
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 94 más
2004-04-13
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 95 más
2004-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 98 más
2003-09-26
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 101 más

Wijzigingen op 2003-09-26

@@ -70,7 +70,7 @@
##### Artikel 1.3
Ter uitvoering van een verdrag waarbij de grenscontrole is verlegd naar buitengrenzen, wordt in [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=2&artikel=2.8&z=2003-04-01&g=2003-04-01), [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&z=2003-04-01&g=2003-04-01), afdeling 1, alsmede in [artikel 4.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2003-04-01&g=2003-04-01) onder «Nederland» mede verstaan het grondgebied van andere bij dat verdrag aangesloten landen waarover de werking van dat verdrag zich uitstrekt.
Ter uitvoering van een verdrag waarbij de grenscontrole is verlegd naar buitengrenzen, wordt in [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=2&artikel=2.8&z=2003-09-26&g=2003-09-26), [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&z=2003-09-26&g=2003-09-26), afdeling 1, alsmede in [artikel 4.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2003-09-26&g=2003-09-26) onder «Nederland» mede verstaan het grondgebied van andere bij dat verdrag aangesloten landen waarover de werking van dat verdrag zich uitstrekt.
##### Artikel 1.4
@@ -104,13 +104,13 @@
##### Artikel 1.8
1. Indien de commissie optreedt als adviescommissie in de zin van [artikel 7:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:19), is [artikel 7:13, vijfde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13) van overeenkomstige toepassing op de in [artikel 1.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.9&z=2003-04-01&g=2003-04-01), bedoelde vertegenwoordiger van Onze Minister.
1. Indien de commissie optreedt als adviescommissie in de zin van [artikel 7:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:19), is [artikel 7:13, vijfde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13) van overeenkomstige toepassing op de in [artikel 1.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.9&z=2003-09-26&g=2003-09-26), bedoelde vertegenwoordiger van Onze Minister.
2. Indien de commissie optreedt als adviescommissie in de zin van [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13), beslist Onze Minister over de toepassing van [artikel 7:3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:3).
##### Artikel 1.9
1. In de gevallen waarin overeenkomstig [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2003-04-01&g=2003-04-01) advies van de commissie wordt ingewonnen, deelt de commissie de vreemdeling mee dat de zaak aan haar is voorgelegd. Bij deze kennisgeving wordt vermeld dat de commissie de vreemdeling in de gelegenheid zal stellen zijn belangen bij haar te bepleiten en dat hij, indien hij van deze gelegenheid gebruik wil maken, dit binnen een in de kennisgeving te stellen termijn aan de commissie dient te berichten.
1. In de gevallen waarin overeenkomstig [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2003-09-26&g=2003-09-26) advies van de commissie wordt ingewonnen, deelt de commissie de vreemdeling mee dat de zaak aan haar is voorgelegd. Bij deze kennisgeving wordt vermeld dat de commissie de vreemdeling in de gelegenheid zal stellen zijn belangen bij haar te bepleiten en dat hij, indien hij van deze gelegenheid gebruik wil maken, dit binnen een in de kennisgeving te stellen termijn aan de commissie dient te berichten.
2. De in het eerste lid bedoelde kennisgeving vermeldt voorts dat de vreemdeling en, zo hij die heeft, zijn raadsman de commissie kunnen verzoeken, bepaalde personen uit te nodigen als getuige of deskundige verklaringen voor haar af te leggen dan wel als tolk op te treden.
@@ -118,11 +118,11 @@
##### Artikel 1.10
1. De commissie stelt subcommissies in die namens de commissie kunnen optreden bij de vervulling van haar taak, bedoeld in [artikel 2, vierde lid, onderdeel b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2). Adviezen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2003-04-01&g=2003-04-01), worden door een zodanige subcommissie vastgesteld, tenzij de voorzitter van de commissie of de subcommissie beslist dat een advies wordt vastgesteld door de commissie.
1. De commissie stelt subcommissies in die namens de commissie kunnen optreden bij de vervulling van haar taak, bedoeld in [artikel 2, vierde lid, onderdeel b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2). Adviezen, bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2003-09-26&g=2003-09-26), worden door een zodanige subcommissie vastgesteld, tenzij de voorzitter van de commissie of de subcommissie beslist dat een advies wordt vastgesteld door de commissie.
2. Een overeenkomstig het eerste lid ingestelde subcommissie bestaat uit drie leden. De commissie bepaalt welke leden der subcommissie als voorzitter onderscheidenlijk ondervoorzitter optreden en wijst uit haar midden voor elke subcommissie een aantal plaatsvervangende leden aan.
3. De [artikelen 1.7 tot en met 1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn ten aanzien van subcommissies van overeenkomstige toepassing.
3. De [artikelen 1.7 tot en met 1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2003-09-26&g=2003-09-26) zijn ten aanzien van subcommissies van overeenkomstige toepassing.
4. Voor de geldigheid van een beslissing van een overeenkomstig het eerste lid ingestelde subcommissie is vereist, dat door de voltallige subcommissie aan de besluitvorming is deelgenomen.
@@ -246,7 +246,7 @@
##### Artikel 2.6
1. Aan de vreemdeling in wiens document voor grensoverschrijding een voor toegang in het Beneluxgebied vereist reisvisum of doorreisvisum met oponthoud ontbreekt, kan toegang worden verleend, indien de vreemdeling als transitpassagier van een zeeschip één van de in [artikel 4.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=4.2&z=2003-04-01&g=2003-04-01), bedoelde havens aandoet, dan wel een daartoe aangewezen haven in België.
1. Aan de vreemdeling in wiens document voor grensoverschrijding een voor toegang in het Beneluxgebied vereist reisvisum of doorreisvisum met oponthoud ontbreekt, kan toegang worden verleend, indien de vreemdeling als transitpassagier van een zeeschip één van de in [artikel 4.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=4.2&z=2003-09-26&g=2003-09-26), bedoelde havens aandoet, dan wel een daartoe aangewezen haven in België.
2. Toegang wordt slechts verleend, indien de vreemdeling:
@@ -256,7 +256,7 @@
3. Toegang tot het Beneluxgebied wordt verleend voor de duur dat het schip in deze haven ligplaats heeft, maar ten hoogste voor tweeënzeventig uren.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de vreemdeling die behoort tot één van de in [artikel 2.4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=2&artikel=2.4&z=2003-04-01&g=2003-04-01), genoemde categorieën.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de vreemdeling die behoort tot één van de in [artikel 2.4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=2&artikel=2.4&z=2003-09-26&g=2003-09-26), genoemde categorieën.
5. Indien toegang wordt verleend, stelt de ambtenaar belast met de grensbewaking ter plaatse in het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling een aantekening waaruit het verlenen van de toegang blijkt.
@@ -270,7 +270,7 @@
3. Indien toegang wordt verleend, stelt de ambtenaar belast met de grensbewaking ter plaatse in het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling een aantekening waaruit het verlenen van de toegang blijkt.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die behoort tot één van de in [artikel 2.4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=2&artikel=2.4&z=2003-04-01&g=2003-04-01), genoemde categorieën.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die behoort tot één van de in [artikel 2.4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=2&artikel=2.4&z=2003-09-26&g=2003-09-26), genoemde categorieën.
5. Het model van de aantekening, bedoeld in het derde lid, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
@@ -294,7 +294,7 @@
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien Onze Minister op grond van humanitaire overwegingen, om redenen van nationaal belang of wegens internationale verplichtingen een afwijking noodzakelijk acht.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). Op deze vreemdeling is [artikel 8.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2003-04-01&g=2003-04-01) van toepassing.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). Op deze vreemdeling is [artikel 8.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2003-09-26&g=2003-09-26) van toepassing.
### Afdeling 4. Middelen voor kosten van verblijf
@@ -334,7 +334,7 @@
##### Artikel 3.2
Voor de toepassing van [artikel 12, eerste lid, onder b en d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) zijn de [artikelen 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=3&artikel=2.9&z=2003-04-01&g=2003-04-01), [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=4&artikel=2.10&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=4&artikel=2.11&z=2003-04-01&g=2003-04-01) van overeenkomstige toepassing.
Voor de toepassing van [artikel 12, eerste lid, onder b en d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) zijn de [artikelen 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=3&artikel=2.9&z=2003-09-26&g=2003-09-26), [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=4&artikel=2.10&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=4&artikel=2.11&z=2003-09-26&g=2003-09-26) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.3
@@ -348,7 +348,7 @@
- d. voor gemeenschapsonderdanen en onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte: zes maanden;
- e. voor vreemdelingen aan wie op grond van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&z=2003-04-01&g=2003-04-01), afdeling 2, toegang is verleend voor ten hoogste tweeënzeventig uren: ten hoogste tweeënzeventig uren;
- e. voor vreemdelingen aan wie op grond van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&z=2003-09-26&g=2003-09-26), afdeling 2, toegang is verleend voor ten hoogste tweeënzeventig uren: ten hoogste tweeënzeventig uren;
- f. voor andere vreemdelingen: acht dagen.
@@ -410,9 +410,7 @@
- w. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken;
- x. het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, of
- y. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.
- x. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.
2. De beperkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning.
@@ -492,11 +490,11 @@
##### Artikel 3.8
De waarborgsom, bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt gedeponeerd bij de korpschef, dan wel bij een bij ministeriële regeling aangewezen instantie.
De waarborgsom, bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt gedeponeerd bij de korpschef, dan wel bij een bij ministeriële regeling aangewezen instantie.
##### Artikel 3.9
1. De waarborgsom, bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt in ieder geval door Onze Minister aan de rechthebbende teruggegeven:
1. De waarborgsom, bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt in ieder geval door Onze Minister aan de rechthebbende teruggegeven:
- a. zodra de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), of het desbetreffende voorschrift, is ingetrokken, dan wel de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is verstreken;
@@ -512,17 +510,17 @@
##### Artikel 3.10
1. Onze Minister berekent rente over waarborgsommen, gedeponeerd krachtens [artikel 3.7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2003-04-01&g=2003-04-01).
1. Onze Minister berekent rente over waarborgsommen, gedeponeerd krachtens [artikel 3.7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2003-09-26&g=2003-09-26).
2. De rente wordt berekend vanaf het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de waarborgsom is gestort. Over het kalenderjaar waarin de waarborgsom is gedeponeerd, wordt geen rente vergoed. Bij de berekening van de termijn waarover rente wordt vergoed, wordt het kalenderjaar waarin de waarborgsom wordt terugbetaald als vol jaar meegeteld.
##### Artikel 3.11
De waarborgsom wordt teruggegeven en de rente wordt uitbetaald zo spoedig mogelijk nadat één van de in [artikel 3.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.9&z=2003-04-01&g=2003-04-01), genoemde gronden zich voordoet.
De waarborgsom wordt teruggegeven en de rente wordt uitbetaald zo spoedig mogelijk nadat één van de in [artikel 3.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.9&z=2003-09-26&g=2003-09-26), genoemde gronden zich voordoet.
##### Artikel 3.12
1. Verplichtingen, voortvloeiende uit een garantstelling overeenkomstig [artikel 3.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2003-04-01&g=2003-04-01), of het stellen van zakelijke zekerheid overeenkomstig [artikel 3.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2003-04-01&g=2003-04-01), hebben uitsluitend betrekking op kosten, veroorzaakt binnen vijf jaren, nadat de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), is verleend.
1. Verplichtingen, voortvloeiende uit een garantstelling overeenkomstig [artikel 3.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2003-09-26&g=2003-09-26), of het stellen van zakelijke zekerheid overeenkomstig [artikel 3.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2003-09-26&g=2003-09-26), hebben uitsluitend betrekking op kosten, veroorzaakt binnen vijf jaren, nadat de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), is verleend.
2. Onze Minister kan bepalen dat de in het eerste lid genoemde termijn korter is dan vijf jaren, indien:
@@ -538,13 +536,13 @@
##### Artikel 3.13
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2003-04-01&g=2003-04-01) genoemde gezinslid van de in [artikel 3.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.15&z=2003-04-01&g=2003-04-01) bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de [artikelen 3.16 tot en met 3.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.16&z=2003-04-01&g=2003-04-01) genoemde voorwaarden.
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2003-09-26&g=2003-09-26) genoemde gezinslid van de in [artikel 3.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.15&z=2003-09-26&g=2003-09-26) bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de [artikelen 3.16 tot en met 3.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.16&z=2003-09-26&g=2003-09-26) genoemde voorwaarden.
2. In de overige gevallen kan de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning worden verleend.
##### Artikel 3.14
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt verleend aan:
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt verleend aan:
- a. de vreemdeling van achttien jaar of ouder die met de hoofdpersoon een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan;
@@ -558,21 +556,21 @@
##### Artikel 3.15
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt verleend aan het in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2003-04-01&g=2003-04-01) bedoelde gezinslid van:
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt verleend aan het in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2003-09-26&g=2003-09-26) bedoelde gezinslid van:
- a. een Nederlander van achttien jaar of ouder, of
- b. een vreemdeling van achttien jaar of ouder met rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dat niet-tijdelijk is in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2003-04-01&g=2003-04-01).
- b. een vreemdeling van achttien jaar of ouder met rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dat niet-tijdelijk is in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2003-09-26&g=2003-09-26).
2. Indien de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling als gezinslid in Nederland wil verblijven, zelf als minderjarig kind houder is geweest van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, wordt de verblijfsvergunning eerst verleend, nadat deze hoofdpersoon drie jaren rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), of als Nederlander.
##### Artikel 3.16
Zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-04-01&g=2003-04-01), slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen.
Zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-09-26&g=2003-09-26), slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen.
##### Artikel 3.17
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt verleend, indien:
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt verleend, indien:
- a. de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren, en
@@ -580,17 +578,17 @@
##### Artikel 3.18
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2003-04-01&g=2003-04-01), bedoelde categorieën.
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2003-09-26&g=2003-09-26), bedoelde categorieën.
##### Artikel 3.19
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
##### Artikel 3.20
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt verleend, indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn van toepassing.
2. Indien de vreemdeling als gezinslid van een Nederlander of van een houder van de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) en [33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), in Nederland wil verblijven, kan de aanvraag slechts met toepassing van [artikel 3.77, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-04-01&g=2003-04-01), worden afgewezen, indien de vreemdeling:
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt verleend, indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-09-26&g=2003-09-26) zijn van toepassing.
2. Indien de vreemdeling als gezinslid van een Nederlander of van een houder van de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) en [33 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), in Nederland wil verblijven, kan de aanvraag slechts met toepassing van [artikel 3.77, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-09-26&g=2003-09-26), worden afgewezen, indien de vreemdeling:
- a. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis wegens een misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren is bedreigd, is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf of hem een langdurige vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd;
@@ -600,13 +598,13 @@
##### Artikel 3.21
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt verleend, indien de vreemdeling bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, dan wel de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen.
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt verleend, indien de vreemdeling bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, dan wel de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen.
##### Artikel 3.22
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt verleend, indien de hoofdpersoon:
- a. duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-04-01&g=2003-04-01), en
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt verleend, indien de hoofdpersoon:
- a. duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-09-26&g=2003-09-26), en
- b. een garantstelling heeft ondertekend, voorzover de vreemdeling als partner van die persoon wil verblijven.
@@ -620,7 +618,7 @@
##### Artikel 3.23
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt verleend aan de in Nederland geboren vreemdeling, die het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het in Nederland gevestigde gezin van de ouder, die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en die sedert de geboorte van de vreemdeling het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst.
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.13&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt verleend aan de in Nederland geboren vreemdeling, die het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het in Nederland gevestigde gezin van de ouder, die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), en die sedert de geboorte van de vreemdeling het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst.
2. Indien de aanvraag is ontvangen voordat de vreemdeling de leeftijd van negen maanden heeft bereikt, wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend aan de buiten Nederland geboren vreemdeling, die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het gezin van beide ouders, die sedert de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), hebben en het hoofdverblijf niet buiten Nederland hebben verplaatst.
@@ -628,7 +626,7 @@
4. De verblijfsvergunning wordt verleend, indien de vreemdeling:
- a. beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2003-04-01&g=2003-04-01), bedoelde categorieën;
- a. beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2003-09-26&g=2003-09-26), bedoelde categorieën;
- b. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld;
@@ -636,7 +634,7 @@
- d. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
5. Bij de toepassing van het vierde lid, onder d, zijn de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-04-01&g=2003-04-01) van toepassing.
5. Bij de toepassing van het vierde lid, onder d, zijn de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-09-26&g=2003-09-26) van toepassing.
##### Artikel 3.24
@@ -654,7 +652,7 @@
- b. er in het land van herkomst geen kind van de vreemdeling woont dat naar het oordeel van Onze Minister geacht kan worden in de opvang van de vreemdeling te kunnen voorzien.
2. In afwijking van [artikel 3.74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn middelen van bestaan voldoende, indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde kinderen gezamenlijk duurzaam en zelfstandig beschikken over een netto-inkomen gelijk aan de som van de bestaansminima, bedoeld in de [Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333), voor de desbetreffende categorie, aangevuld met het bestaansminimum voor alleenstaanden.
2. In afwijking van [artikel 3.74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-09-26&g=2003-09-26) zijn middelen van bestaan voldoende, indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde kinderen gezamenlijk duurzaam en zelfstandig beschikken over een netto-inkomen gelijk aan de som van de bestaansminima, bedoeld in de [Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333), voor de desbetreffende categorie, aangevuld met het bestaansminimum voor alleenstaanden.
##### Artikel 3.26
@@ -702,7 +700,7 @@
- b. wiens terugkeer naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd.
2. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling beschikbaar zijn.
2. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-09-26&g=2003-09-26) zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling beschikbaar zijn.
3. Indien het verblijf van de vreemdeling wordt bekostigd door een in Nederland gevestigd familielid of andere relatie, wordt onder voldoende middelen van bestaan verstaan een netto-inkomen, gelijk aan het bestaansminimum, bedoeld in de [Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333), voor de desbetreffende categorie, aangevuld met het bestaansminimum voor alleenstaanden van 21 jaar of ouder. Het familielid ondertekent een garantstelling. Het model van de garantstelling wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
@@ -732,21 +730,21 @@
##### Artikel 3.31
1. Met inachtneming van het tweede lid en de [artikelen 3.33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.33&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.99 tot en met 3.104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.99&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend aan de vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten en waarvoor na toetsing aan proriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in [artikel 1, onder e, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=1) is afgegeven.
1. Met inachtneming van het tweede lid en de [artikelen 3.33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.33&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.99 tot en met 3.104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.99&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend aan de vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten en waarvoor na toetsing aan proriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in [artikel 1, onder e, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=1) is afgegeven.
2. De in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning wordt verleend, indien de vreemdeling:
- a. beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2003-04-01&g=2003-04-01), bedoelde categorieën;
- a. beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in [artikel 17 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of in [artikel 3.71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2003-09-26&g=2003-09-26), bedoelde categorieën;
- b. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld;
- c. met de arbeid in loondienst duurzaam en zelfstandig een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-04-01&g=2003-04-01), verwerft;
- c. met de arbeid in loondienst duurzaam en zelfstandig een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-09-26&g=2003-09-26), verwerft;
- d. bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen, en
- e. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-04-01&g=2003-04-01).
3. Indien de tewerkstellingsvergunning is afgegeven met een geldigheidsduur korter dan één jaar, zijn de middelen van bestaan in afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-04-01&g=2003-04-01) duurzaam, indien de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van de tewerkstellingsvergunning zelfstandig zal beschikken over voldoende middelen van bestaan uit die arbeid.
- e. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-09-26&g=2003-09-26).
3. Indien de tewerkstellingsvergunning is afgegeven met een geldigheidsduur korter dan één jaar, zijn de middelen van bestaan in afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-09-26&g=2003-09-26) duurzaam, indien de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van de tewerkstellingsvergunning zelfstandig zal beschikken over voldoende middelen van bestaan uit die arbeid.
4. In andere gevallen kan de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning worden verleend.
@@ -756,7 +754,7 @@
##### Artikel 3.33
1. Onverminderd [artikel 3.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.31&z=2003-04-01&g=2003-04-01) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar slechts worden verleend, indien de vreemdeling tevens schriftelijk verklaart ermee bekend te zijn dat:
1. Onverminderd [artikel 3.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.31&z=2003-09-26&g=2003-09-26) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar slechts worden verleend, indien de vreemdeling tevens schriftelijk verklaart ermee bekend te zijn dat:
- a. slechts verblijf wordt toegestaan voor het verrichten van werkzaamheden als geestelijk voorganger of godsdienstleraar ten behoeve van de met name te noemen groepering;
@@ -864,17 +862,17 @@
##### Artikel 3.42
1. Voor de toepassing van [artikel 3.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.41&z=2003-04-01&g=2003-04-01) wordt onder voldoende middelen van bestaan verstaan:
- a. indien de vreemdeling of een buiten Nederland gevestigde persoon of rechtspersoon de studie en het verblijf bekostigt: een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74 onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-04-01&g=2003-04-01), of
- b. indien een in Nederland gevestigde persoon of rechtspersoon de studie en het verblijf van de vreemdeling bekostigt: een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-04-01&g=2003-04-01), aangevuld met het in onderdeel a bedoelde bedrag; de in Nederland gevestigde persoon ondertekent een garantstelling.
2. Indien de studie en het verblijf middels periodieke betalingen worden bekostigd, zijn middelen van bestaan in afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-04-01&g=2003-04-01) slechts duurzaam, indien naar het oordeel van Onze Minister voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom.
3. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn middelen van bestaan duurzaam, indien deze op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar of zoveel korter als de voorgenomen studie in Nederland zal duren, beschikbaar zijn.
4. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn middelen van bestaan eveneens duurzaam, indien op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland een bedrag beschikbaar is, gelijk aan het maandelijkse normbedrag, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met twaalf of zoveel minder als het aantal maanden dat de voorgenomen studie in Nederland zal duren.
1. Voor de toepassing van [artikel 3.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.41&z=2003-09-26&g=2003-09-26) wordt onder voldoende middelen van bestaan verstaan:
- a. indien de vreemdeling of een buiten Nederland gevestigde persoon of rechtspersoon de studie en het verblijf bekostigt: een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74 onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-09-26&g=2003-09-26), of
- b. indien een in Nederland gevestigde persoon of rechtspersoon de studie en het verblijf van de vreemdeling bekostigt: een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-09-26&g=2003-09-26), aangevuld met het in onderdeel a bedoelde bedrag; de in Nederland gevestigde persoon ondertekent een garantstelling.
2. Indien de studie en het verblijf middels periodieke betalingen worden bekostigd, zijn middelen van bestaan in afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-09-26&g=2003-09-26) slechts duurzaam, indien naar het oordeel van Onze Minister voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom.
3. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-09-26&g=2003-09-26) zijn middelen van bestaan duurzaam, indien deze op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar of zoveel korter als de voorgenomen studie in Nederland zal duren, beschikbaar zijn.
4. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-09-26&g=2003-09-26) zijn middelen van bestaan eveneens duurzaam, indien op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland een bedrag beschikbaar is, gelijk aan het maandelijkse normbedrag, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met twaalf of zoveel minder als het aantal maanden dat de voorgenomen studie in Nederland zal duren.
##### Artikel 3.43
@@ -892,7 +890,7 @@
- f. wiens vertrek uit Nederland naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd.
2. De verblijfsvergunning kan worden verleend, indien het gastgezin duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan en een garantverklaring heeft ondertekend. Middelen van bestaan zijn voldoende, indien het gastgezin beschikt over een inkomen gelijk aan het bestaansminimum, bedoeld in de [Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333), voor de desbetreffende categorie, aangevuld met het bestaansminimum voor alleenstaanden van eenentwintig jaar en ouder. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-04-01&g=2003-04-01), zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor ten minste één jaar beschikbaar zijn.
2. De verblijfsvergunning kan worden verleend, indien het gastgezin duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan en een garantverklaring heeft ondertekend. Middelen van bestaan zijn voldoende, indien het gastgezin beschikt over een inkomen gelijk aan het bestaansminimum, bedoeld in de [Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333), voor de desbetreffende categorie, aangevuld met het bestaansminimum voor alleenstaanden van eenentwintig jaar en ouder. In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-09-26&g=2003-09-26), zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor ten minste één jaar beschikbaar zijn.
3. Bij de aanvraag wordt door de vreemdeling en het gastgezin een schriftelijke verklaring ondertekend, waarin zij onder meer verklaren dat de vreemdeling als au pair tijdelijk in het gastgezin verblijft.
@@ -924,7 +922,7 @@
- c. wiens vertrek uit Nederland naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd.
2. Onder voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-04-01&g=2003-04-01). In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor een periode van zes weken beschikbaar zijn.
2. Onder voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-09-26&g=2003-09-26). In afwijking van [artikel 3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.75&z=2003-09-26&g=2003-09-26) zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor een periode van zes weken beschikbaar zijn.
##### Artikel 3.46
@@ -934,7 +932,7 @@
##### Artikel 3.47
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.46&z=2003-04-01&g=2003-04-01), kan worden verleend aan de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, indien voortzetting van de medische behandeling in Nederland zes maanden na zijn inreis medisch noodzakelijk is en de financiering daarvan naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.46&z=2003-09-26&g=2003-09-26), kan worden verleend aan de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, indien voortzetting van de medische behandeling in Nederland zes maanden na zijn inreis medisch noodzakelijk is en de financiering daarvan naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.
2. Bij de aanvraag ondertekent de vreemdeling een medische verklaring, ertoe strekkende dat hij toestemming verleent voor medisch onderzoek, voor zover dat onderzoek noodzakelijk is voor de toepassing van het eerste lid.
@@ -958,9 +956,9 @@
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf verleend aan de vreemdeling die:
- a. als minderjarige houder is geweest van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, verblijf ter adoptie of verblijf als pleegkind, bij een Nederlander of een vreemdeling met niet-tijdelijk verblijfsrecht in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2003-04-01&g=2003-04-01), en
- b. langer dan een jaar houder is geweest van de in onderdeel a bedoelde verblijfsvergunning, dan wel in Nederland is geboren uit ouders met niet-tijdelijk verblijfsrecht in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2003-04-01&g=2003-04-01).
- a. als minderjarige houder is geweest van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, verblijf ter adoptie of verblijf als pleegkind, bij een Nederlander of een vreemdeling met niet-tijdelijk verblijfsrecht in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2003-09-26&g=2003-09-26), en
- b. langer dan een jaar houder is geweest van de in onderdeel a bedoelde verblijfsvergunning, dan wel in Nederland is geboren uit ouders met niet-tijdelijk verblijfsrecht in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2003-09-26&g=2003-09-26).
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht niet verstaan de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28).
@@ -970,7 +968,7 @@
- b. de vreemdeling een gevaar voor de nationale veiligheid vormt;
- c. de aanvraag met toepassing van de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-04-01&g=2003-04-01) of [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2003-04-01&g=2003-04-01) kan worden afgewezen, of
- c. de aanvraag met toepassing van de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-09-26&g=2003-09-26) of [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2003-09-26&g=2003-09-26) kan worden afgewezen, of
- d. de vreemdeling het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
@@ -998,7 +996,7 @@
##### Artikel 3.52
In andere gevallen dan genoemd in de [artikelen 3.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.50&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.51&z=2003-04-01&g=2003-04-01), kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.
In andere gevallen dan genoemd in de [artikelen 3.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.50&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.51&z=2003-09-26&g=2003-09-26), kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.
##### Artikel 3.53
@@ -1022,7 +1020,7 @@
2. Het eerste lid, onder b, is alleen van toepassing voorzover Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor de vreemdeling.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). De [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn niet van toepassing. De [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). De [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-09-26&g=2003-09-26) zijn niet van toepassing. De [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2003-09-26&g=2003-09-26) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.55
@@ -1034,7 +1032,7 @@
- c. als het minderjarige kind van een Nederlander of van een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), zelf rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, c, e dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) had, ongeacht de duur daarvan, die binnen een jaar na remigratie meerderjarig is geworden en die zelfstandig om verblijf verzoekt.
2. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). De[artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn niet van toepassing. De [artikelen 3. 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). De[artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-09-26&g=2003-09-26) zijn niet van toepassing. De [artikelen 3. 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2003-09-26&g=2003-09-26) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.56
@@ -1052,65 +1050,65 @@
##### Artikel 3.57
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt, behoudens [artikel 3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.68&z=2003-04-01&g=2003-04-01), verleend voor ten hoogste één jaar en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt, behoudens [artikel 3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.68&z=2003-09-26&g=2003-09-26), verleend voor ten hoogste één jaar en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
##### Artikel 3.58
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) kan de verblijfsvergunning worden verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging als minderjarige of verblijf ter adoptie of als pleegkind, voor de duur van het verblijfsrecht op grond van [artikel 8, onder a, c, e, of l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), van de ouder, adoptiefouder of pleegouder, dan wel, indien deze rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in [artikel 8, onder b of d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of als Nederlander voor vijf jaren.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) kan de verblijfsvergunning worden verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging als minderjarige of verblijf ter adoptie of als pleegkind, voor de duur van het verblijfsrecht op grond van [artikel 8, onder a, c, e, of l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), van de ouder, adoptiefouder of pleegouder, dan wel, indien deze rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in [artikel 8, onder b of d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of als Nederlander voor vijf jaren.
##### Artikel 3.59
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst worden verleend voor de duur waarvoor de tewerkstellingsvergunning ten behoeve van die arbeid is verleend.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst worden verleend voor de duur waarvoor de tewerkstellingsvergunning ten behoeve van die arbeid is verleend.
##### Artikel 3.60
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling worden verleend voor vijf jaren, indien de medische behandeling naar verwachting van Onze Minister blijvend aan Nederland is gebonden.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling worden verleend voor vijf jaren, indien de medische behandeling naar verwachting van Onze Minister blijvend aan Nederland is gebonden.
##### Artikel 3.61
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, worden verleend voor vijf jaren.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, worden verleend voor vijf jaren.
##### Artikel 3.62
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met wedertoelating worden verleend voor vijf jaren.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met wedertoelating worden verleend voor vijf jaren.
##### Artikel 3.63
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel worden verleend voor drie jaren, maar niet langer dan de duur van de tewerkstelling van de vreemdeling of het verblijfsrecht van de persoon bij wie verblijf als gezinslid is toegestaan.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel worden verleend voor drie jaren, maar niet langer dan de duur van de tewerkstelling van de vreemdeling of het verblijfsrecht van de persoon bij wie verblijf als gezinslid is toegestaan.
##### Artikel 3.64
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend voor de duur van vijf jaren.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend voor de duur van vijf jaren.
##### Artikel 3.65
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als au pair worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is ingereisd.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als au pair worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is ingereisd.
##### Artikel 3.66
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf in het kader van uitwisseling worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is ingereisd.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf in het kader van uitwisseling worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is ingereisd.
##### Artikel 3.67
1. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01), kan de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden verlengd met vijf jaren, indien de houder van de verblijfsvergunning op het moment waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven:
- a. gedurende een jaar rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft op grond van een huwelijk, een geregistreerd partnerschap of een relatie als bedoeld in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2003-04-01&g=2003-04-01), en het verblijfsrecht niet-tijdelijk in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2003-04-01&g=2003-04-01) is, of
- b. gedurende vijf jaren aaneengesloten rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft en het verblijfsrecht niet-tijdelijk in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2003-04-01&g=2003-04-01) is.
2. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01), kan de verblijfsvergunning worden verleend of verlengd met een langere geldigheidsduur, indien de geldigheidsduur van de te verlenen of te verlengen verblijfsvergunning op het moment waarop deze wordt verstrekt ingevolge [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) alweer zou zijn geëindigd.
1. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26), kan de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden verlengd met vijf jaren, indien de houder van de verblijfsvergunning op het moment waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven:
- a. gedurende een jaar rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft op grond van een huwelijk, een geregistreerd partnerschap of een relatie als bedoeld in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2003-09-26&g=2003-09-26), en het verblijfsrecht niet-tijdelijk in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2003-09-26&g=2003-09-26) is, of
- b. gedurende vijf jaren aaneengesloten rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft en het verblijfsrecht niet-tijdelijk in de zin van [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2003-09-26&g=2003-09-26) is.
2. In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26), kan de verblijfsvergunning worden verleend of verlengd met een langere geldigheidsduur, indien de geldigheidsduur van de te verlenen of te verlengen verblijfsvergunning op het moment waarop deze wordt verstrekt ingevolge [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) alweer zou zijn geëindigd.
##### Artikel 3.68
In afwijking van de [artikelen 3.57 tot en met 3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), verleend met een geldigheidsduur die één maand korter is dan de termijn gedurende welke de vreemdeling op grond van een geldig document voor grensoverschrijding kan terugkeren naar het land door welks autoriteiten het is afgegeven.
In afwijking van de [artikelen 3.57 tot en met 3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), verleend met een geldigheidsduur die één maand korter is dan de termijn gedurende welke de vreemdeling op grond van een geldig document voor grensoverschrijding kan terugkeren naar het land door welks autoriteiten het is afgegeven.
##### Artikel 3.69
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op een studie, verblijf als au pair of verblijf in het kader van uitwisseling ten hoogste voor één jaar verleend en wordt de geldigheidsduur ervan na één jaar niet verlengd.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op een studie, verblijf als au pair of verblijf in het kader van uitwisseling ten hoogste voor één jaar verleend en wordt de geldigheidsduur ervan na één jaar niet verlengd.
##### Artikel 3.70
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-04-01&g=2003-04-01) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met familiebezoek, verleend voor ten hoogste zes maanden en wordt de geldigheidsduur ervan na zes maanden niet verlengd.
In afwijking van [artikel 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.57&z=2003-09-26&g=2003-09-26) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met familiebezoek, verleend voor ten hoogste zes maanden en wordt de geldigheidsduur ervan na zes maanden niet verlengd.
#### Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
@@ -1122,23 +1120,21 @@
- a. die voor het bereiken van het negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of als Nederlander en in die periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst;
- b. die in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), op grond van het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een aanvraag;
- c. van twaalf jaar of jonger, die in Nederland is geboren en naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het gezin van een ouder die
- b. van twaalf jaar of jonger, die in Nederland is geboren en naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het gezin van een ouder die
- 1°. sedert het moment van geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of als Nederlander, of
- 2°. op het moment van de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland had op grond van [artikel 8, onder f tot en met k, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en die sedertdien aansluitend rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft, voor zover geen van beiden het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst;
- d. die in Nederland verblijft op grond van een geprivilegieerde status als gezinslid van een in Nederland geaccrediteerd personeelslid van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post die zelf in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 21 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21);
- e. die ten minste zeven jaren werkzaam is of is geweest op een Nederlands zeeschip of een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat;
- f. die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
- g. die in aanmerking komt voor terugkeer naar Nederland op grond van [artikel 8 van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8), of
- h. die in Nederland verblijft, bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek heeft ingediend tot vaststelling van zijn Nederlanderschap dat naar het oordeel van Onze Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is.
- c. die in Nederland verblijft op grond van een geprivilegieerde status als gezinslid van een in Nederland geaccrediteerd personeelslid van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post die zelf in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 21 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21);
- d. die ten minste zeven jaren werkzaam is of is geweest op een Nederlands zeeschip of een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat;
- e. die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
- f. die in aanmerking komt voor terugkeer naar Nederland op grond van [artikel 8 van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8), of
- g. die in Nederland verblijft, bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek heeft ingediend tot vaststelling van zijn Nederlanderschap dat naar het oordeel van Onze Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op de vreemdeling die als geestelijk voorganger of godsdienstleraar wil verblijven.
@@ -1202,11 +1198,9 @@
4. Bij de indiening van de aanvraag ondertekent de vreemdeling van twaalf jaar of ouder een antecedentenverklaring. Het model van de verklaring wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
5. Bij de toepassing van het eerste lid, onder c, volstaat een verdenking, indien de aanvraag strekt tot het verlenen van de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een aanvraag.
##### Artikel 3.78
Buiten de gevallen, bedoeld in [artikel 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-04-01&g=2003-04-01), kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), slechts op grond van [artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien zwaarwegende belangen naar het oordeel van Onze Minister daartoe nopen.
Buiten de gevallen, bedoeld in [artikel 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-09-26&g=2003-09-26), kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), slechts op grond van [artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien zwaarwegende belangen naar het oordeel van Onze Minister daartoe nopen.
##### Artikel 3.79
@@ -1224,11 +1218,11 @@
##### Artikel 3.81
Een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de [artikelen 3.71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2003-04-01&g=2003-04-01), [3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-04-01&g=2003-04-01), [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.79&z=2003-04-01&g=2003-04-01) niet van toepassing zijn en de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2003-04-01&g=2003-04-01) van overeenkomstige toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.
Een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de [artikelen 3.71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2003-09-26&g=2003-09-26), [3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-09-26&g=2003-09-26), [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.79&z=2003-09-26&g=2003-09-26) niet van toepassing zijn en de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2003-09-26&g=2003-09-26) van overeenkomstige toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.
##### Artikel 3.82
1. Indien de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), naar het oordeel van Onze Minister is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), of als Nederlander, is geëindigd, zijn de [artikelen 3.71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2003-04-01&g=2003-04-01), [3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-04-01&g=2003-04-01), [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.79&z=2003-04-01&g=2003-04-01) niet van toepassing en zijn de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2003-04-01&g=2003-04-01) van overeenkomstige toepassing.
1. Indien de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), naar het oordeel van Onze Minister is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), of als Nederlander, is geëindigd, zijn de [artikelen 3.71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.71&z=2003-09-26&g=2003-09-26), [3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-09-26&g=2003-09-26), [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.78&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.79&z=2003-09-26&g=2003-09-26) niet van toepassing en zijn de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2003-09-26&g=2003-09-26) van overeenkomstige toepassing.
2. Het eerste is niet van toepassing, indien de vreemdeling:
@@ -1248,7 +1242,7 @@
##### Artikel 3.85
1. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt niet op grond van [artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen, indien de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-04-01&g=2003-04-01).
1. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt niet op grond van [artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen, indien de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een netto-inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.74&z=2003-09-26&g=2003-09-26).
2. De aanvraag wordt evenmin op grond van [artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen afgewezen, indien de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid verblijft:
@@ -1326,7 +1320,7 @@
##### Artikel 3.87
Buiten de gevallen, bedoeld in [artikel 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-04-01&g=2003-04-01), kan de aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), slechts op grond van artikel [artikel 18, eerste lid, onder e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien zwaarwegende belangen naar het oordeel van Onze Minister daartoe nopen.
Buiten de gevallen, bedoeld in [artikel 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-09-26&g=2003-09-26), kan de aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), slechts op grond van artikel [artikel 18, eerste lid, onder e, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien zwaarwegende belangen naar het oordeel van Onze Minister daartoe nopen.
##### Artikel 3.88
@@ -1354,7 +1348,7 @@
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), die is verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, wordt niet ingetrokken op de enkele grond dat de vreemdeling werkloos is, tenzij:
- a. de verblijfsvergunning is verleend voor een tijdelijk doel als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2003-04-01&g=2003-04-01);
- a. de verblijfsvergunning is verleend voor een tijdelijk doel als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2003-09-26&g=2003-09-26);
- b. de werkloosheid is ingetreden na beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur of uitzendwerk;
@@ -1392,21 +1386,21 @@
- b. op grond van een bijzondere geprivilegieerde status als geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel dan wel als particulier bediende, in dienst van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post, of
- c. als afhankelijk gezinslid van een vreemdeling, bedoeld onder a of b. 2. In afwijking van [artikel 3.94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=3.94&z=2003-04-01&g=2003-04-01), zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn.
- c. als afhankelijk gezinslid van een vreemdeling, bedoeld onder a of b. 2. In afwijking van [artikel 3.94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=3.94&z=2003-09-26&g=2003-09-26), zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn.
#### Paragraaf 2. Afwijzen van de aanvraag
##### Artikel 3.94
1. Voor de toepassing van [artikel 21, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), zijn de [artikelen 3.73 tot en met 3.76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.73&z=2003-04-01&g=2003-04-01) van overeenkomstige toepassing.
1. Voor de toepassing van [artikel 21, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), zijn de [artikelen 3.73 tot en met 3.76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.73&z=2003-09-26&g=2003-09-26) van overeenkomstige toepassing.
2. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), wordt niet afgewezen op grond van [artikel 21, eerste lid, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), indien de vreemdeling duurzaam beschikt over een uitkering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) op basis van arbeidsongeschiktheid van ten minste vijfenvijftig procent en op basis van een volledige werkweek, of een vergelijkbare arbeidsongeschiktheidsuitkering.
##### Artikel 3.95
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), kan op grond van [artikel 21, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) worden afgewezen, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in [artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a), dan wel het buitenlandse equivalent daarvan, is opgelegd, en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in [artikel 3.86, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-04-01&g=2003-04-01).
2. [Artikel 3.86, derde tot en met het negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-04-01&g=2003-04-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), kan op grond van [artikel 21, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) worden afgewezen, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in [artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a), dan wel het buitenlandse equivalent daarvan, is opgelegd, en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in [artikel 3.86, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-09-26&g=2003-09-26).
2. [Artikel 3.86, derde tot en met het negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-09-26&g=2003-09-26), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.96
@@ -1420,9 +1414,9 @@
##### Artikel 3.98
1. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), kan op grond van [artikel 22, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) worden ingetrokken, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in [artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a), dan wel het buitenlandse equivalent daarvan, is opgelegd, en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in [artikel 3.86, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-04-01&g=2003-04-01).
2. [Artikel 3.86, derde tot en met het achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-04-01&g=2003-04-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), kan op grond van [artikel 22, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) worden ingetrokken, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in [artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a), dan wel het buitenlandse equivalent daarvan, is opgelegd, en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in [artikel 3.86, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-09-26&g=2003-09-26).
2. [Artikel 3.86, derde tot en met het achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-09-26&g=2003-09-26), is van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. Procedurele bepalingen
@@ -1444,7 +1438,7 @@
- a. door een niet-geprivilegieerd militair of lid van het niet-geprivilegieerd burgerpersoneel ingediend bij de korpschef van de politieregio waarbinnen het NAVO-hoofdkwartier is gevestigd, of
- b. door een voormalig geprivilegieerde vreemdeling als bedoeld in [artikel 3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.93&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en diens afhankelijke gezinsleden ingediend bij de korpschef van de regiopolitie Haaglanden.
- b. door een voormalig geprivilegieerde vreemdeling als bedoeld in [artikel 3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.93&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en diens afhankelijke gezinsleden ingediend bij de korpschef van de regiopolitie Haaglanden.
3. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), tevens worden ingediend bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Australië, Nieuw Zeeland of Canada, indien de vreemdeling de Australische, Nieuw Zeelandse of Canadese nationaliteit bezit en in Nederland wil verblijven in het kader van een uitwisselingsprogramma tussen Nederland en die landen.
@@ -1528,19 +1522,19 @@
##### Artikel 3.112
1. De termijnen, genoemd in [artikel 3.111, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.111&z=2003-04-01&g=2003-04-01), zijn niet van toepassing op de aanvraag van de vreemdeling:
1. De termijnen, genoemd in [artikel 3.111, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.111&z=2003-09-26&g=2003-09-26), zijn niet van toepassing op de aanvraag van de vreemdeling:
- a. aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
- b. ten aanzien van wie Onze Minister naar aanleiding van het in [artikel 3.110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2003-04-01&g=2003-04-01) bedoelde eerste gehoor overweegt de aanvraag binnen 48 proces-uren af te wijzen, of
- c. ten aanzien van wie Onze Minister naar aanleiding van het in [artikel 3.110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2003-04-01&g=2003-04-01) bedoelde eerste gehoor overweegt de aanvraag af te wijzen op grond van [artikel 30, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30).
2. De in het eerste lid bedoelde vreemdeling wordt door Onze Minister zo spoedig mogelijk nadat aan [artikel 3.110, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2003-04-01&g=2003-04-01), is voldaan, aan een nader gehoor onderworpen.
- b. ten aanzien van wie Onze Minister naar aanleiding van het in [artikel 3.110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2003-09-26&g=2003-09-26) bedoelde eerste gehoor overweegt de aanvraag binnen 48 proces-uren af te wijzen, of
- c. ten aanzien van wie Onze Minister naar aanleiding van het in [artikel 3.110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2003-09-26&g=2003-09-26) bedoelde eerste gehoor overweegt de aanvraag af te wijzen op grond van [artikel 30, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30).
2. De in het eerste lid bedoelde vreemdeling wordt door Onze Minister zo spoedig mogelijk nadat aan [artikel 3.110, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2003-09-26&g=2003-09-26), is voldaan, aan een nader gehoor onderworpen.
##### Artikel 3.113
Aan de vreemdeling wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij een gehoor als bedoeld in de [artikelen 3.110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2003-04-01&g=2003-04-01), [3.111, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.111&z=2003-04-01&g=2003-04-01), en [3.112, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.112&z=2003-04-01&g=2003-04-01), te doen bijstaan.
Aan de vreemdeling wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij een gehoor als bedoeld in de [artikelen 3.110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.110&z=2003-09-26&g=2003-09-26), [3.111, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.111&z=2003-09-26&g=2003-09-26), en [3.112, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.112&z=2003-09-26&g=2003-09-26), te doen bijstaan.
##### Artikel 3.114
@@ -1574,9 +1568,9 @@
##### Artikel 3.116
1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag, bedoeld in [artikel 3.115, eerste lid, onder a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.115&z=2003-04-01&g=2003-04-01), van een vreemdeling aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) of [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59), af te wijzen terwijl de vrijheidsontneming voortduurt, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt. [Artikel 3.115, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.115&z=2003-04-01&g=2003-04-01), is niet van toepassing.
2. De vreemdeling brengt zijn zienswijze binnen twee weken schriftelijk naar voren, tenzij onze Minister voornemens is de aanvraag af te wijzen binnen 48 proces-uren, in welk geval [artikel 3.117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.117&z=2003-04-01&g=2003-04-01) van toepassing is.
1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag, bedoeld in [artikel 3.115, eerste lid, onder a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.115&z=2003-09-26&g=2003-09-26), van een vreemdeling aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) of [artikel 59 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59), af te wijzen terwijl de vrijheidsontneming voortduurt, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt. [Artikel 3.115, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.115&z=2003-09-26&g=2003-09-26), is niet van toepassing.
2. De vreemdeling brengt zijn zienswijze binnen twee weken schriftelijk naar voren, tenzij onze Minister voornemens is de aanvraag af te wijzen binnen 48 proces-uren, in welk geval [artikel 3.117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.117&z=2003-09-26&g=2003-09-26) van toepassing is.
3. De termijn, bedoeld in het tweede lid, vangt aan direct na de uitreiking van het voornemen.
@@ -1584,7 +1578,7 @@
##### Artikel 3.117
1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen binnen 48 proces-uren, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt. [Artikel 3.115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.115&z=2003-04-01&g=2003-04-01) is niet van toepassing.
1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), af te wijzen binnen 48 proces-uren, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt. [Artikel 3.115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.115&z=2003-09-26&g=2003-09-26) is niet van toepassing.
2. De vreemdeling brengt zijn zienswijze binnen drie proces-uren schriftelijk naar voren.
@@ -1596,7 +1590,7 @@
##### Artikel 3.118
1. Indien Onze Minister oordeelt dat een ander land ingevolge een verdrag of een voor dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), en uit dien hoofde het andere land om overname zal verzoeken, wordt het schriftelijk voornemen om de aanvraag af te wijzen, vooruitlopend op aanvaarding van het verzoek tot overname door het andere land, aan de vreemdeling uitgereikt. [Artikel 3.115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.115&z=2003-04-01&g=2003-04-01) is niet van toepassing.
1. Indien Onze Minister oordeelt dat een ander land ingevolge een verdrag of een voor dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), en uit dien hoofde het andere land om overname zal verzoeken, wordt het schriftelijk voornemen om de aanvraag af te wijzen, vooruitlopend op aanvaarding van het verzoek tot overname door het andere land, aan de vreemdeling uitgereikt. [Artikel 3.115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=3.115&z=2003-09-26&g=2003-09-26) is niet van toepassing.
2. Indien Onze Minister het voornemen, bedoeld in het eerste lid, binnen 48 proces-uren aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze binnen drie procesuren schriftelijk naar voren.
@@ -1644,9 +1638,9 @@
##### Artikel 4.3
1. In afwijking van [artikel 4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=4.2&z=2003-04-01&g=2003-04-01), kan ook aan andere grenzen dan de buitengrenzen personencontrole worden uitgeoefend overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst indien de openbare orde of de nationale veiligheid daartoe noopt.
2. Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid, blijft [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.3&z=2003-04-01&g=2003-04-01) buiten toepassing en wordt voor de toepassing van deze afdeling onder buitengrens mede andere grenzen verstaan.
1. In afwijking van [artikel 4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=4.2&z=2003-09-26&g=2003-09-26), kan ook aan andere grenzen dan de buitengrenzen personencontrole worden uitgeoefend overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst indien de openbare orde of de nationale veiligheid daartoe noopt.
2. Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid, blijft [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.3&z=2003-09-26&g=2003-09-26) buiten toepassing en wordt voor de toepassing van deze afdeling onder buitengrens mede andere grenzen verstaan.
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
@@ -1696,7 +1690,7 @@
##### Artikel 4.10
[Artikel 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=4.8&z=2003-04-01&g=2003-04-01) is van overeenkomstige toepassing op gezagvoerders van andere schepen dan zeeschepen.
[Artikel 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=4.8&z=2003-09-26&g=2003-09-26) is van overeenkomstige toepassing op gezagvoerders van andere schepen dan zeeschepen.
##### Artikel 4.11
@@ -1740,7 +1734,7 @@
##### Artikel 4.13
1. De gezagvoerder van een zeeschip geeft tijdig kennis van het voorgenomen vertrek van zijn schip uit Nederland aan het hoofd van de grensdoorlaatpost waarlangs hij zal vertrekken. Indien in de gemeente waar het schip ligplaats heeft geen grensdoorlaatpost is gevestigd, wordt de kennisgeving gedaan aan het hoofd van de grensdoorlaatpost waaraan de bemanningslijst overeenkomstig [artikel 4.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=4.11&z=2003-04-01&g=2003-04-01), is afgegeven.
1. De gezagvoerder van een zeeschip geeft tijdig kennis van het voorgenomen vertrek van zijn schip uit Nederland aan het hoofd van de grensdoorlaatpost waarlangs hij zal vertrekken. Indien in de gemeente waar het schip ligplaats heeft geen grensdoorlaatpost is gevestigd, wordt de kennisgeving gedaan aan het hoofd van de grensdoorlaatpost waaraan de bemanningslijst overeenkomstig [artikel 4.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=4.11&z=2003-09-26&g=2003-09-26), is afgegeven.
2. In afwijking van het eerste lid behoeft de gezagvoerder van een cruiseschip, dat meerdere havens in Nederland aandoet, slechts aan het eerste lid te voldoen in de laatste haven van vertrek, tenzij zich wijzigingen in de reisomstandigheden hebben voorgedaan.
@@ -1752,9 +1746,9 @@
##### Artikel 4.14
1. De [artikelen 4.11 tot en met 4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=4.11&z=2003-04-01&g=2003-04-01), gelden niet voor gezagvoerders van zeeschepen die, zonder ligplaats in een Nederlandse haven te nemen, door de Nederlandse territoriale zee varen.
2. Onze Minister kan ten behoeve van gezagvoerders van zeeschepen die regelmatig Nederlandse havens aandoen, onder door hem te stellen voorwaarden, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de [artikelen 4.11 tot en met 4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=4.11&z=2003-04-01&g=2003-04-01).
1. De [artikelen 4.11 tot en met 4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=4.11&z=2003-09-26&g=2003-09-26), gelden niet voor gezagvoerders van zeeschepen die, zonder ligplaats in een Nederlandse haven te nemen, door de Nederlandse territoriale zee varen.
2. Onze Minister kan ten behoeve van gezagvoerders van zeeschepen die regelmatig Nederlandse havens aandoen, onder door hem te stellen voorwaarden, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de [artikelen 4.11 tot en met 4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=4.11&z=2003-09-26&g=2003-09-26).
#### Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
@@ -1804,7 +1798,7 @@
1. Een beslissing van de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee of de korpschef, genomen krachtens [artikel 50, vierde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50), wordt ten uitvoer gelegd in een cel van de Koninklijke marechaussee respectievelijk op een politiebureau. De Regeling politiecellencomplex is van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van de beslissing in een cel van de Koninklijke marechaussee.
2. De [artikelen 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.3&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.5&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De [artikelen 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.3&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.5&z=2003-09-26&g=2003-09-26) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 4.20
@@ -1820,31 +1814,31 @@
- c. voor vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), hebben ingediend: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling;
- d. voor andere vreemdelingen: een ingevolge de Wet voor het hebben van toegang tot Nederland vereist geldig document voor grensoverschrijding dan wel een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum is aangetekend.
2. Geen document wordt verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld.
3. Voor kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar die bij één hunner ouders inwonen, kan in het aan deze ouder verstrekte document worden aangetekend dat de door hem aangevraagde verblijfsvergunning of de hem verleende verblijfsvergunning mede voor deze kinderen geldt, mits ouder en kind beide houder zijn van dezelfde verblijfsvergunning, dan wel dezelfde verblijfsvergunning hebben aangevraagd.
4. Op het ingevolge het eerste lid, onder a tot en met c, afgegeven document wordt aangetekend of het de vreemdeling toegestaan is arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een tewerkstellingsvergunning is vereist.
5. Indien aan het verblijf in Nederland van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde vreemdelingen een beperking als bedoeld in [artikel 3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2003-04-01&g=2003-04-01), is verbonden, wordt op het document de aantekening «beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht» gesteld.
- d. voor vreemdelingen die rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) hebben of dat op grond van [artikel 45, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45) geacht worden te hebben, en die niet beschikken over een ingevolge [de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, dat is voorzien van een inlegvel als bedoeld in [artikel 4.29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-09-26&g=2003-09-26), waarop de verblijfsrechtelijke positie is aangetekend;
- e. voor andere vreemdelingen: een ingevolge de Wet voor het hebben van toegang tot Nederland vereist geldig document voor grensoverschrijding dan wel een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum is aangetekend of waarin een aantekening omtrent de verblijfsrechtelijke positie is geplaatst.
2. Geen document, anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, wordt verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld.
3. Op het ingevolge het eerste lid, onder a tot en met d, afgegeven document wordt aangetekend of het de vreemdeling toegestaan is arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een tewerkstellingsvergunning is vereist.
4. Indien aan het verblijf in Nederland van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde vreemdelingen een beperking als bedoeld in [artikel 3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2003-09-26&g=2003-09-26), is verbonden, wordt op het document de aantekening «beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht» gesteld.
##### Artikel 4.22
1. De documenten, bedoeld in [artikel 4.21, eerste lid, onder a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.21&z=2003-04-01&g=2003-04-01), worden door Onze Minister vervangen, indien:
- a. de vreemdeling aan wie het document werd afgegeven, overeenkomstig [artikel 4.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=4.44&z=2003-04-01&g=2003-04-01) aangifte heeft gedaan van vermissing, verlies of het voor identificatie ondeugdelijk worden van dat document, en
1. De documenten, bedoeld in [artikel 4.21, eerste lid, onder a tot en met d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.21&z=2003-09-26&g=2003-09-26), worden door Onze Minister vervangen, indien:
- a. de vreemdeling aan wie het document werd afgegeven, overeenkomstig [artikel 4.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=4.44&z=2003-09-26&g=2003-09-26) aangifte heeft gedaan van vermissing, verlies of het voor identificatie ondeugdelijk worden van dat document, en
- b. Onze Minister heeft vastgesteld dat er gegronde redenen zijn om te veronderstellen dat de aangifte naar waarheid is gedaan.
2. Onverminderd het eerste lid worden de documenten, bedoeld in [artikel 4.21, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.21&z=2003-04-01&g=2003-04-01), telkens vijf jaren na de afgifte ervan, vervangen.
2. Onverminderd het eerste lid worden de documenten, bedoeld in [artikel 4.21, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.21&z=2003-09-26&g=2003-09-26), telkens vijf jaren na de afgifte ervan, vervangen.
##### Artikel 4.23
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, nemen op grond van [artikel 52, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52) het reis- of identiteitspapier van een persoon tijdelijk in bewaring:
- a. voorzover zulks nodig is voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in [artikel 4.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=4.45&z=2003-04-01&g=2003-04-01), of voor het stellen van een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24 tot en met artikel 4.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2003-04-01&g=2003-04-01);
- a. voorzover zulks nodig is voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in [artikel 4.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=4.45&z=2003-09-26&g=2003-09-26), of voor het stellen van een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24 tot en met artikel 4.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2003-09-26&g=2003-09-26);
- b. indien de persoon ter vaststelling van zijn identiteit is staande gehouden en niet aanstonds blijkt dat het hem is toegestaan in Nederland te verblijven, terwijl de gelegenheid ontbreekt hem, met toepassing van [artikel 50, tweede of derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) naar een plaats, bestemd voor verhoor, over te brengen;
@@ -1866,7 +1860,7 @@
- d. aanmelding bij een korpschef;
- e. de toepassing van de [artikelen 2.4 tot en met 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=2&artikel=2.4&z=2003-04-01&g=2003-04-01);
- e. de toepassing van de [artikelen 2.4 tot en met 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&afdeling=2&artikel=2.4&z=2003-09-26&g=2003-09-26);
- f. het weigeren van toegang tot Nederland;
@@ -1878,7 +1872,7 @@
##### Artikel 4.25
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling die toegang tot Nederland heeft en die Nederland langs een doorlaatpost in- of uitreist een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder a en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2003-04-01&g=2003-04-01), waaruit blijkt langs welke doorlaatpost en op welke datum de in- of uitreis heeft plaatsgevonden.
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling die toegang tot Nederland heeft en die Nederland langs een doorlaatpost in- of uitreist een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder a en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2003-09-26&g=2003-09-26), waaruit blijkt langs welke doorlaatpost en op welke datum de in- of uitreis heeft plaatsgevonden.
2. De in het eerste lid bedoelde aantekening wordt bij inreis niet gesteld in het reis- of identiteitspapier van:
@@ -1898,17 +1892,17 @@
##### Artikel 4.26
De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2003-04-01&g=2003-04-01), inhoudende dat de vreemdeling zich binnen drie dagen bij de korpschef, onder vermelding van de plaats, moet melden, indien daartoe naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat. Deze aantekening kan ook geplaatst worden in een bijzonder doorlaatbewijs.
De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2003-09-26&g=2003-09-26), inhoudende dat de vreemdeling zich binnen drie dagen bij de korpschef, onder vermelding van de plaats, moet melden, indien daartoe naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat. Deze aantekening kan ook geplaatst worden in een bijzonder doorlaatbewijs.
##### Artikel 4.27
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2003-04-01&g=2003-04-01), indien zij vermoeden dat de vreemdeling andermaal zal trachten Nederland in te reizen zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland.
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2003-09-26&g=2003-09-26), indien zij vermoeden dat de vreemdeling andermaal zal trachten Nederland in te reizen zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland.
2. Uit de aantekening, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de toegang is geweigerd, met vermelding van de datum en zo nodig de grond waarop deze weigering berust.
##### Artikel 4.28
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2003-04-01&g=2003-04-01), indien zij vermoeden dat de vreemdeling zal trachten zich andermaal naar Nederland te begeven zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. Een zodanige aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door of diens toegang tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in [artikel 4.24, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.24&z=2003-09-26&g=2003-09-26), indien zij vermoeden dat de vreemdeling zal trachten zich andermaal naar Nederland te begeven zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. Een zodanige aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door of diens toegang tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
2. Uit de aantekening, bedoeld in het eerste lid, blijkt het vertrek of de uitzetting van de vreemdeling, met vermelding van de datum en zo nodig de reden van het vertrek of de uitzetting.
@@ -1944,11 +1938,11 @@
- d. de vreemdeling geen geldig document voor grensoverschrijding heeft, of
- e. de vreemdeling houder is van een document als bedoeld in [artikel 4.21, eerste lid, onder a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.21&z=2003-04-01&g=2003-04-01), en niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding.
- e. de vreemdeling houder is van een document als bedoeld in [artikel 4.21, eerste lid, onder a, b, c of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.21&z=2003-09-26&g=2003-09-26), en niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding.
##### Artikel 4.30
1. De aantekeningen, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-04-01&g=2003-04-01), hebben betrekking op de aanmelding ingevolge de [artikelen 4.47 tot en met 4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=5&artikel=4.47&z=2003-04-01&g=2003-04-01).
1. De aantekeningen, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-09-26&g=2003-09-26), hebben betrekking op de aanmelding ingevolge de [artikelen 4.47 tot en met 4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=5&artikel=4.47&z=2003-09-26&g=2003-09-26).
2. Uit de aantekening blijkt de datum van aanmelding.
@@ -1958,27 +1952,27 @@
##### Artikel 4.31
1. De aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt gesteld indien op grond van [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1&z=2003-04-01&g=2003-04-01) uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft. De datum waarop de aanvraag is ontvangen wordt eveneens aangetekend. Indien de aanvraag wordt afgewezen, wordt «vervallen» aangetekend.
1. De aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt gesteld indien op grond van [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1&z=2003-09-26&g=2003-09-26) uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft. De datum waarop de aanvraag is ontvangen wordt eveneens aangetekend. Indien de aanvraag wordt afgewezen, wordt «vervallen» aangetekend.
2. Uit de aantekening blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een tewerkstellingsvergunning vereist is.
##### Artikel 4.32
1. Uit de aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-04-01&g=2003-04-01), blijkt op welke datum de vreemdeling is veranderd van woon- of verblijfplaats binnen Nederland.
1. Uit de aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-09-26&g=2003-09-26), blijkt op welke datum de vreemdeling is veranderd van woon- of verblijfplaats binnen Nederland.
2. De aantekening, bedoeld in het eerste lid, wordt door de korpschef van het regionale politiekorps waarin de nieuwe woon- of verblijfplaats is gelegen, gesteld.
##### Artikel 4.33
1. Uit de aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-04-01&g=2003-04-01), blijkt de verplichte periode van aanmelding overeenkomstig [artikel 54, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) alsmede eventuele verdere bijzonderheden.
2. Nadat de vreemdeling voor de eerste maal heeft voldaan aan de verplichting tot periodieke aanmelding ingevolge [artikel 4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=6&artikel=4.51&z=2003-04-01&g=2003-04-01), kunnen de daarop volgende aanmeldingen worden aangetekend door in het reis- of identiteitspapier de datum van de aanmelding te stellen.
1. Uit de aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-09-26&g=2003-09-26), blijkt de verplichte periode van aanmelding overeenkomstig [artikel 54, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) alsmede eventuele verdere bijzonderheden.
2. Nadat de vreemdeling voor de eerste maal heeft voldaan aan de verplichting tot periodieke aanmelding ingevolge [artikel 4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=6&artikel=4.51&z=2003-09-26&g=2003-09-26), kunnen de daarop volgende aanmeldingen worden aangetekend door in het reis- of identiteitspapier de datum van de aanmelding te stellen.
3. Uit de aantekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een tewerkstellingsvergunning vereist is.
##### Artikel 4.34
1. De aantekeningen, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-04-01&g=2003-04-01), betreffen:
1. De aantekeningen, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-09-26&g=2003-09-26), betreffen:
- a. een aantekening waaruit de uiterlijke datum van vertrek blijkt, indien aan de vreemdeling overeenkomstig [artikel 62 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) een termijn is gegund waarbinnen hij Nederland uit eigen beweging dient te verlaten;
@@ -1994,7 +1988,7 @@
##### Artikel 4.35
1. De aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt geplaatst, indien de korpschef vermoedt dat de vreemdeling zal trachten naar Nederland terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. De aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
1. De aantekening, bedoeld in [artikel 4.29, eerste lid, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.29&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt geplaatst, indien de korpschef vermoedt dat de vreemdeling zal trachten naar Nederland terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. De aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
2. Uit de aantekening blijkt de datum waarop de vreemdeling ongewenst is verklaard.
@@ -2030,7 +2024,7 @@
##### Artikel 4.38
1. De vreemdeling verstrekt op vordering van Onze Minister de gegevens, bedoeld in de [artikelen 4.39 tot en met 4.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=4.39&z=2003-04-01&g=2003-04-01), binnen de in de vordering aangegeven tijd.
1. De vreemdeling verstrekt op vordering van Onze Minister de gegevens, bedoeld in de [artikelen 4.39 tot en met 4.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=4.39&z=2003-09-26&g=2003-09-26), binnen de in de vordering aangegeven tijd.
2. Indien daartoe in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat kan de in het voorgaande lid bedoelde vordering inhouden dat de vreemdeling de gegevens in persoon verstrekt.
@@ -2212,7 +2206,7 @@
1. De aanwijzing bedoeld in de [artikelen 57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57), en [58, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) wordt zoveel mogelijk gegeven bij de beschikking waarbij de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), is afgewezen. De aanwijzing wordt met redenen omkleed.
2. [Artikel 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.3&z=2003-04-01&g=2003-04-01) is van overeenkomstige toepassing indien de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gegeven wordt bij afzonderlijke beschikking.
2. [Artikel 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=5.3&z=2003-09-26&g=2003-09-26) is van overeenkomstige toepassing indien de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gegeven wordt bij afzonderlijke beschikking.
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
@@ -2242,7 +2236,7 @@
1. De noodzakelijke kosten van uitzetting die ten laste komen van de Staat of van andere openbare lichamen kunnen door de Staat, of door het andere openbare lichaam te welks laste zij zijn gekomen, worden verhaald op de vreemdeling en, indien hij minderjarig is, op degenen die het wettig gezag over hem uitoefenen.
2. De in het voorgaande lid bedoelde kosten van uitzetting omvatten de kosten, genoemd in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=6.3&z=2003-04-01&g=2003-04-01).
2. De in het voorgaande lid bedoelde kosten van uitzetting omvatten de kosten, genoemd in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=6.3&z=2003-09-26&g=2003-09-26).
### Afdeling 3. Ongewenstverklaring
@@ -2250,7 +2244,7 @@
De vreemdeling kan op grond van [artikel 67, eerste lid, onder b of c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) door Onze Minister in ieder geval ongewenst worden verklaard indien:
- a. het rechtmatige verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), met toepassing van [artikel 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-04-01&g=2003-04-01), [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2003-04-01&g=2003-04-01) of [3.98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=3.98&z=2003-04-01&g=2003-04-01) wegens gevaar voor de openbare orde of voor de nationale veiligheid is beëindigd, of
- a. het rechtmatige verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), met toepassing van [artikel 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-09-26&g=2003-09-26), [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.87&z=2003-09-26&g=2003-09-26) of [3.98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=3.98&z=2003-09-26&g=2003-09-26) wegens gevaar voor de openbare orde of voor de nationale veiligheid is beëindigd, of
- b. de vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), wegens een misdrijf bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld tot een of meer vrijheidsontnemende straffen of maatregelen, waarvan de totale duur zes maanden of meer bedraagt, of
@@ -2342,7 +2336,7 @@
2. Indien uit de verblijfsrechtelijke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de beperking dat een beroep op publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, bedoeld in het eerste lid, die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt voldaan.
3. Indien uit de verblijfsrechtelijke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de beperking dat arbeid niet is toegestaan, dan wel arbeid uitsluitend is toegestaan bij een bepaalde werkgever, dan wel arbeid slechts is toegestaan indien de werkgever beschikt over een tewerkstellingsvergunning, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), belast met de verstrekking van ontheffingen of vergunningen als bedoeld in de [artikelen 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=1&artikel=8.3&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=1&artikel=8.4&z=2003-04-01&g=2003-04-01), uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, bedoeld in het eerste lid die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt voldaan.
3. Indien uit de verblijfsrechtelijke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de beperking dat arbeid niet is toegestaan, dan wel arbeid uitsluitend is toegestaan bij een bepaalde werkgever, dan wel arbeid slechts is toegestaan indien de werkgever beschikt over een tewerkstellingsvergunning, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde een orgaan als bedoeld in [artikel 107, vijfde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), belast met de verstrekking van ontheffingen of vergunningen als bedoeld in de [artikelen 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=1&artikel=8.3&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=1&artikel=8.4&z=2003-09-26&g=2003-09-26), uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, bedoeld in het eerste lid die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt voldaan.
4. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, bepalen dat de gegevens, bedoeld in dit artikel, periodiek of in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.
@@ -2362,11 +2356,11 @@
- e. [artikel 4, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=4).
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, kan geen aanspraak maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van gemeenten, provincies, waterschappen en met toepassing van de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) ingestelde openbare lichamen of gemeenschappelijke regelingen, voorzover die vergunningen of ontheffingen betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, of evenementen.
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, kan geen aanspraak maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van gemeenten, provincies, waterschappen en met toepassing van de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) ingestelde openbare lichamen of gemeenschappelijke regelingen, voorzover die vergunningen of ontheffingen betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten.
##### Artikel 8.4
De vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf heeft op de gronden, genoemd in [artikel 8, onder f tot en met j, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), kan geen aanspraak maken op een beschikking als bedoeld in [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=1&artikel=8.3&z=2003-04-01&g=2003-04-01).
De vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf heeft op de gronden, genoemd in [artikel 8, onder f tot en met j, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), kan geen aanspraak maken op een beschikking als bedoeld in [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=1&artikel=8.3&z=2003-09-26&g=2003-09-26).
### Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
@@ -2374,7 +2368,7 @@
##### Artikel 8.5
1. Aan een vreemdeling die onderdaan is van België of Luxemburg en die het vereiste document voor grensoverschrijding bezit, kan, in afwijking van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&z=2003-04-01&g=2003-04-01), de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd, indien hij:
1. Aan een vreemdeling die onderdaan is van België of Luxemburg en die het vereiste document voor grensoverschrijding bezit, kan, in afwijking van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=2&z=2003-09-26&g=2003-09-26), de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd, indien hij:
- a. een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt, of
@@ -2414,11 +2408,11 @@
2. De ambtenaren, belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, weigeren niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van Onze Minister de toegang tot Nederland aan een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid. De weigering geschiedt schriftelijk.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de onderdaan van België of Luxemburg die geen gemeenschapsonderdaan is. Op deze vreemdeling is [artikel 8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=8.5&z=2003-04-01&g=2003-04-01) van toepassing.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de onderdaan van België of Luxemburg die geen gemeenschapsonderdaan is. Op deze vreemdeling is [artikel 8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=8.5&z=2003-09-26&g=2003-09-26) van toepassing.
##### Artikel 8.8
De in de [artikelen 4.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=5&artikel=4.48&z=2003-04-01&g=2003-04-01), [4.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=5&artikel=4.49&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=6&artikel=4.51&z=2003-04-01&g=2003-04-01) omschreven verplichtingen tot aanmelding bij de korpschef gelden niet voor de gemeenschapsonderdaan en de onderdaan van een Staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
De in de [artikelen 4.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=5&artikel=4.48&z=2003-09-26&g=2003-09-26), [4.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=5&artikel=4.49&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4&afdeling=3&paragraaf=6&artikel=4.51&z=2003-09-26&g=2003-09-26) omschreven verplichtingen tot aanmelding bij de korpschef gelden niet voor de gemeenschapsonderdaan en de onderdaan van een Staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
##### Artikel 8.9
@@ -2446,11 +2440,11 @@
1. Een gemeenschapsonderdaan ontvangt op aanvraag een bescheid als bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Zonodig kunnen daarop voorschriften of beperkingen die volgen uit het gemeenschapsrecht worden aangetekend.
2. Het bescheid wordt afgegeven voor de duur van vijf jaar en wordt telkens met vijf jaren verlengd, behoudens [artikel 8.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.12&z=2003-04-01&g=2003-04-01). Indien het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan is vervallen, kan het bescheid worden ingenomen.
2. Het bescheid wordt afgegeven voor de duur van vijf jaar en wordt telkens met vijf jaren verlengd, behoudens [artikel 8.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.12&z=2003-09-26&g=2003-09-26). Indien het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan is vervallen, kan het bescheid worden ingenomen.
##### Artikel 8.12
1. In afwijking van [artikel 8.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt de duur van de termijn waarvoor het bescheid, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), wordt afgegeven, gesteld op:
1. In afwijking van [artikel 8.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt de duur van de termijn waarvoor het bescheid, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), wordt afgegeven, gesteld op:
- a. een tijdvak tenminste gelijk aan de duur van de dienstverrichting, indien de vreemdeling diensten verricht of te zijnen behoeve diensten worden verricht;
@@ -2460,11 +2454,11 @@
- d. een tijdvak van zes maanden indien de vreemdeling een werkzoekende is.
2. In afwijking van [artikel 8.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt de verlenging van de geldigheidsduur van het bescheid, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), verleend aan een gemeenschapsonderdaan die op het tijdstip van de verlenging gedurende een jaar onvrijwillig werkloos is, beperkt tot een jaar.
3. In afwijking van [artikel 8.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt de geldigheidsduur van het bescheid, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), verleend overeenkomstig het eerste lid, onder c, telkenmale verlengd met een jaar.
4. In afwijking van [artikel 8.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt de geldigheidsduur van het bescheid, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), verleend overeenkomstig het eerste lid, onder d, telkenmale verlengd met drie maanden, indien de vreemdeling aantoont dat hij nog steeds werkzoekende is en een reële kans maakt om werk te vinden.
2. In afwijking van [artikel 8.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt de verlenging van de geldigheidsduur van het bescheid, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), verleend aan een gemeenschapsonderdaan die op het tijdstip van de verlenging gedurende een jaar onvrijwillig werkloos is, beperkt tot een jaar.
3. In afwijking van [artikel 8.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt de geldigheidsduur van het bescheid, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), verleend overeenkomstig het eerste lid, onder c, telkenmale verlengd met een jaar.
4. In afwijking van [artikel 8.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.11&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt de geldigheidsduur van het bescheid, bedoeld in [artikel 9 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), verleend overeenkomstig het eerste lid, onder d, telkenmale verlengd met drie maanden, indien de vreemdeling aantoont dat hij nog steeds werkzoekende is en een reële kans maakt om werk te vinden.
5. Dit artikel is niet van toepassing op de geldigheidsduur van het bescheid van een gemeenschapsonderdaan die een onderdaan van België of van Luxemburg is.
@@ -2480,7 +2474,7 @@
##### Artikel 8.14
Op beschikkingen gegeven ingevolge de [artikelen 8.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=8.5&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [8.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2003-04-01&g=2003-04-01), is [artikel 8.13, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.13&z=2003-04-01&g=2003-04-01), van overeenkomstige toepassing.
Op beschikkingen gegeven ingevolge de [artikelen 8.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=8.5&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [8.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2003-09-26&g=2003-09-26), is [artikel 8.13, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.13&z=2003-09-26&g=2003-09-26), van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
@@ -2528,7 +2522,7 @@
##### Artikel 9.3
Voor de toepassing van [artikel 3.14, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt met een minderjarig kind gelijk gesteld het biologische of het juridische kind:
Voor de toepassing van [artikel 3.14, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.14&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt met een minderjarig kind gelijk gesteld het biologische of het juridische kind:
- a. dat nog geen twintig jaren oud is en niet gehuwd of geregistreerd is, of is geweest, of met toepassing van [artikel 253ha van Boek I van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha) meerderjarig is verklaard;
@@ -2540,15 +2534,15 @@
##### Artikel 9.4
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, onder u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2003-04-01&g=2003-04-01), worden verleend aan de vreemdeling die inmiddels achttien jaar oud is en aan wie een vergunning tot verblijf onder de beperking verband houdende met verblijf als alleenstaande minderjarige asielzoeker is verleend op grond van een asielaanvraag, welke is ingediend vóór een door Onze Minister te bepalen tijdstip.
2. De aanvraag wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling nog geen drie jaren in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 3.51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.51&z=2003-04-01&g=2003-04-01).
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, onder u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2003-09-26&g=2003-09-26), worden verleend aan de vreemdeling die inmiddels achttien jaar oud is en aan wie een vergunning tot verblijf onder de beperking verband houdende met verblijf als alleenstaande minderjarige asielzoeker is verleend op grond van een asielaanvraag, welke is ingediend vóór een door Onze Minister te bepalen tijdstip.
2. De aanvraag wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling nog geen drie jaren in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 3.51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.51&z=2003-09-26&g=2003-09-26).
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16).
##### Artikel 9.5
1. Gedurende drie jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, onder u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2003-04-01&g=2003-04-01), worden verleend aan de vreemdeling, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deWet:
1. Gedurende drie jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, onder u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2003-09-26&g=2003-09-26), worden verleend aan de vreemdeling, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deWet:
- a. drie jaren in Nederland heeft verbleven als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht, of
@@ -2558,7 +2552,7 @@
##### Artikel 9.6
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan worden verleend onder een beperking verband houdend met het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst, als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2003-04-01&g=2003-04-01), aan de vreemdeling wiens huwelijk met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht na drie jaar is ontwricht of ontbonden, indien de vreemdeling op een door Onze Minister te bepalen tijdstip op grond van dat huwelijk was toegelaten en één jaar direct voorafgaande aan ontwrichting of ontbinding van het huwelijk rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in Nederland had.
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan worden verleend onder een beperking verband houdend met het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst, als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2003-09-26&g=2003-09-26), aan de vreemdeling wiens huwelijk met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht na drie jaar is ontwricht of ontbonden, indien de vreemdeling op een door Onze Minister te bepalen tijdstip op grond van dat huwelijk was toegelaten en één jaar direct voorafgaande aan ontwrichting of ontbinding van het huwelijk rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in Nederland had.
2. De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van ten hoogste één jaar, te berekenen vanaf de datum van verbreking of ontwrichting van het huwelijk, of zoveel langer als de vreemdeling wegens het ontbreken van een verblijfsvergunning geen toegang tot de arbeidsmarkt had.
@@ -2566,15 +2560,15 @@
##### Artikel 9.7
[Artikel 3.41, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.41&z=2003-04-01&g=2003-04-01), blijft buiten toepassing zolang geen onderwijsinstellingen bij ministeriële regeling zijn aangewezen. In plaats daarvan blijft het oude recht van toepassing.
[Artikel 3.41, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.41&z=2003-09-26&g=2003-09-26), blijft buiten toepassing zolang geen onderwijsinstellingen bij ministeriële regeling zijn aangewezen. In plaats daarvan blijft het oude recht van toepassing.
##### Artikel 9.8
Voor de toepassing van de [artikelen 3.20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.20&z=2003-04-01&g=2003-04-01), en [3.77, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-04-01&g=2003-04-01), wordt onder taakstraf mede verstaan de voor inwerkingtreding van de [Wet van 7 september 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de straf van onbetaalde arbeid ten algemene nutte (taakstraffen) (Stb. 2000, 365)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011615) opgelegde straf tot het verrichten van arbeid ten algemene nutte, bedoeld in [artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22b).
Voor de toepassing van de [artikelen 3.20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.20&z=2003-09-26&g=2003-09-26), en [3.77, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=3.77&z=2003-09-26&g=2003-09-26), wordt onder taakstraf mede verstaan de voor inwerkingtreding van de [Wet van 7 september 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de straf van onbetaalde arbeid ten algemene nutte (taakstraffen) (Stb. 2000, 365)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011615) opgelegde straf tot het verrichten van arbeid ten algemene nutte, bedoeld in [artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22b).
##### Artikel 9.9
1. Bij de toepassing van de [artikelen 3.86, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-04-01&g=2003-04-01),[3.95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=3.95&z=2003-04-01&g=2003-04-01) en [3.98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=3.98&z=2003-04-01&g=2003-04-01) blijft buiten beschouwing de periode van de terbeschikkingstelling, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet reeds was beëindigd.
1. Bij de toepassing van de [artikelen 3.86, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=3.86&z=2003-09-26&g=2003-09-26),[3.95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=3.95&z=2003-09-26&g=2003-09-26) en [3.98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=3.98&z=2003-09-26&g=2003-09-26) blijft buiten beschouwing de periode van de terbeschikkingstelling, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet reeds was beëindigd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling na beëindiging van de maatregel wederom een misdrijf heeft gepleegd, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.
@@ -2594,7 +2588,7 @@
Dit besluit wordt aangehaald als: Vreemdelingenbesluit 2000.
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2003-04-01&g=2003-04-01), van het Vreemdelingenbesluit 2000
## Bijlage. bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.7&z=2003-09-26&g=2003-09-26), van het Vreemdelingenbesluit 2000
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
2003-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 105 más
2003-01-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 104 más
2002-07-17
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 1, 1, 1 y 104 más
2001-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000 — arts. 18, 1, 1 y 290 más
2001-04-01
Vreemdelingenbesluit 2000
original version Tekst op deze datum