Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht)

Type Wet
Publication 2026-08-15
Laatst bijgewerkt 2026-08-31
State In force
Source BWB
artikelen 1863
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • a. waardoor de omvang van deze deelneming boven de 20, 33 of 50 procent stijgt of waardoor de betrokken financiële onderneming een dochtermaatschappij wordt; of
  • b. waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10, 20, 33 of 50 procent daalt of waardoor de betrokken financiële onderneming ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.
3.

Een financiële onderneming als bedoeld in tweede lid, geeft, voor zover haar bekend, de Nederlandsche Bank in de maand juli van elk jaar kennis van de identiteit van iedere persoon die een gekwalificeerde deelneming in de betrokken onderneming houdt.

4.

Een entiteit voor risico-acceptatie of herverzekeraar geeft, zodra zulks haar of hem bekend wordt, de Nederlandsche Bank kennis van iedere afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in haar of hem waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10 procent daalt.

5.

Indien de omvang van een deelneming waarvoor een verklaring van geen bezwaar is afgegeven onder de 10 procent daalt, vervalt de afgegeven verklaring van geen bezwaar van rechtswege.

6.

Voor de toepassing van het eerste en tweede lid geldt voor een betaalinstelling een verplichting tot kennisgeving als de omvang van de deelneming boven de 20, 30 of 50 procent stijgt dan wel onder de 10, 20, 30 of 50 procent daalt.

Artikel 3:103a
1.

Een groepsmaatschappij waaraan op grond van artikel 3:102, tweede lid, een verklaring van geen bezwaar is verleend die geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk, stelt de Nederlandsche Bank in kennis van een voorgenomen wijziging binnen de groep die ertoe leidt dat een groepsmaatschappij een gekwalificeerde deelneming in een financiële onderneming zal houden, verwerven of zodanig zal vergroten dat een bovengrens als bedoeld in artikel 3:102, eerste lid, wordt bereikt of overschreden, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming zal uitoefenen. Gelijke verplichting rust op de overige bij die wijziging betrokken groepsmaatschappijen.

2.

Zodra een groepsmaatschappij aan de ingevolge het eerste lid op haar rustende verplichting heeft voldaan, is de verplichting voor de andere in dat lid bedoelde groepsmaatschappijen opgeheven. Melding op grond van dit artikel geldt tevens als een melding van de groepsmaatschappij en alle bij de wijziging betrokken groepsmaatschappijen ter voldoening aan de verplichting, bedoeld in artikel 3:103, eerste lid.

3.

Aan een voorgenomen wijziging binnen een groep als bedoeld in het eerste lid, wordt door een groepsmaatschappij geen uitvoering gegeven voordat de Nederlandsche Bank of, ten aanzien van banken, niet zijnde houders van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, de Europese Centrale Bank, daarmee heeft ingestemd.

4.

De Nederlandsche Bank, of ten aanzien van banken, niet zijnde houders van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, de Europese Centrale Bank, stemt in met de voorgenomen wijziging, tenzij één van de in artikel 3:100, eerste lid, genoemde gronden zich voordoet met betrekking tot de voorgenomen wijziging.

5.

De artikelen 1:62 en artikel 1:106 tot en met 1:106e zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit als bedoeld in het derde lid, waarbij:

  • a. voor «aanvraag van een verklaring van geen bezwaar» wordt gelezen: een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:103a, eerste lid;
  • b. voor «verklaring van geen bezwaar» wordt gelezen: de instemming, bedoeld in artikel 3:103a, vierde lid;
  • c. voor de toepassing van artikel 1:106b, eerste lid, voor «alle gegevens en bescheiden» wordt gelezen: de gegevens, bedoeld in artikel 3:103a, zesde lid; en
  • d. voor «aanvrager» wordt gelezen: de groepsmaatschappij die de Nederlandsche Bank overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:103a, eerste lid, in kennis stelt van een voorgenomen wijziging binnen de groep.
6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke gegevens worden verstrekt bij een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3:104
1.

Onverminderd de artikelen 1:102, tweede lid, en 1:106a, kan de Nederlandsche Bank aan een door haar verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, 3:96, eerste lid, of 3:97, dan wel een besluit tot instemming als bedoeld in artikel 3:103a, derde lid, beperkingen stellen dan wel voorschriften verbinden met het oog op de belangen die artikel 3:100, onderscheidenlijk 3:101 beoogt te beschermen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 3:95, derde lid.

2.

Indien enige zeggenschap, verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een financiële onderneming als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, is uitgeoefend zonder dat een verklaring van geen bezwaar is verkregen of dat de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, dan wel indien zonder de in artikel 3:103a, derde lid, bedoelde instemming is verkregen of de daaraan gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van de Nederlandsche Bank. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank binnen wier rechtsgebied de financiële onderneming haar zetel heeft, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend anders zou hebben geluid of niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend of de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voorzover nodig de gevolgen van de vernietiging.

3.

De Nederlandsche Bank kan degene die niet voldoet aan artikel 3:95, eerste lid, of artikel 3:103a, derde lid, door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door de Nederlandsche Bank te stellen termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

Artikel 3:105
1.

Van de door haar verleende verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, wordt door de Nederlandsche Bank aan de financiële onderneming waarin de gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verworven of vergroot mededeling gedaan. Indien de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar overeenkomstig artikel 3:95, tweede lid, tweede volzin, is ingediend bij de Autoriteit Financiële Markten, zendt de Nederlandsche Bank de verleende verklaring van geen bezwaar aan de Autoriteit Financiële Markten. De Autoriteit Financiële Markten deelt de verleende verklaring van geen bezwaar mede aan de betrokken financiële onderneming.

2.

Van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar wordt door de Nederlandsche Bank mededeling gedaan in de Staatscourant, tenzij de publicatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van belanghebbenden.

3.

Onverminderd de artikelen 1:104, 1:105, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 1:106a, kan de Nederlandsche Bank de verklaring van geen bezwaar geheel of gedeeltelijk intrekken:

  • a. indien aan de houder een nieuwe verklaring van geen bezwaar wordt verleend die betrekking heeft of mede betrekking heeft op handelingen waarvoor de in te trekken verklaring van geen bezwaar was verleend;
  • b. indien de houder van een verklaring van geen bezwaar niet de gedragslijn volgt die de Nederlandsche Bank op grond van artikel 1:75 aan die houder heeft voorgeschreven; of
  • c. indien de aanvrager de verwerving of vergroting niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 1:106e, heeft voltooid.
4.

Onverminderd de artikelen 1:104, 1:105, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 1:106a, kan de Nederlandsche Bank aan een verklaring van geen bezwaar nadere beperkingen stellen dan wel daaraan nadere voorschriften verbinden of de verklaring van geen bezwaar intrekken indien zich met betrekking tot de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend omstandigheden voordoen of feiten bekend worden die, indien zij zich ten tijde van de verlening van de verklaring van geen bezwaar zouden hebben voorgedaan of bekend zouden zijn geweest, aanleiding zouden hebben gegeven tot het stellen van deze beperkingen, het verbinden van deze voorschriften of het niet verlenen van de verklaring van geen bezwaar.

5.

De Nederlandsche Bank of de Europese Centrale Bank deelt de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar mede aan de betrokken financiële onderneming.

6.

Van de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar wordt door de Nederlandsche Bank mededeling gedaan in de Staatscourant, tenzij de publicatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van belanghebbenden.

7.

Indien een verklaring van geen bezwaar is verleend voor een gekwalificeerde deelneming in een bank, niet zijnde de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, stelt de Nederlandsche Bank in afwijking van het derde en vierde lid geen besluit als bedoeld in het derde en vierde lid, maar een ontwerpbesluit op van die strekking.

8.

Het eerste lid, eerste volzin, en tweede tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot instemming als bedoeld in artikel 3:103a, derde lid, met dien verstande dat voor «verklaring van geen bezwaar» steeds wordt gelezen «besluit tot instemming».

Artikel 3:106
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot houders van een verklaring van geen bezwaar waarvan ten minste een dochtermaatschappij een beleggingsonderneming is die een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 heeft, om te voorkomen dat de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend, zou kunnen leiden of zou leiden tot een invloed op de beleggingsonderneming die in strijd is met de financiële soliditeit van die beleggingsonderneming.

2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op financiële waarborgen, op te verstrekken gegevens en inlichtingen alsmede op de vorm waarin die gegevens en inlichtingen worden verstrekt.

3.

De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing van het eerste lid indien de houder van de verklaring van geen bezwaar aantoont dat aan die regels redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze regels beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 3:107

De Nederlandsche Bank deelt Onze Minister eens per jaar de gegevens mede waarover zij ingevolge artikel 3:103, eerste en tweede lid, beschikt.

Artikel 3:108

De artikelen 3:95 en 3:103 zijn niet van toepassing ten aanzien van gekwalificeerde deelnemingen die beleggingsondernemingen of banken houden als gevolg van het verlenen van een beleggingsdienst als bedoeld in onderdeel e en f van de definitie van het verlenen van een beleggingsdienst, indien de hieruit voortvloeiende stemrechten niet worden uitgeoefend of anderszins gebruikt worden om zeggenschap uit te oefenen in de uitgevende instelling en de betreffende gekwalificeerde deelneming binnen een jaar na verwerving wordt overgedragen.

Artikel 3:108a

Vervallen

§ 3.3.11.2. Banken met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 3:109

De artikelen 3:96, 3:99, 3:101, 3:102, eerste en derde lid, 3:104, eerste lid, 3:105, tweede, derde, vierde lid en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van banken met zetel in een staat die geen lidstaat is die een vergunning als bedoeld in artikel 2:20 hebben.

Hoofdstuk 3.4. Regels voor bepaalde ondernemingen werkzaam op de financiële markten

Afdeling 3.4.1. Ondertoezichtstelling financiële instellingen

§ 3.4.1.1. Financiële instellingen met zetel in Nederland

Artikel 3:110
1.

Een financiële instelling met zetel in Nederland die dochteronderneming is van een of meer banken die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, hebben, en die voornemens is haar bedrijf dat zij in Nederland uitoefent, uit te oefenen vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat, kan een verklaring van ondertoezichtstelling verkrijgen van de Nederlandsche Bank.

2.

De aanvraag geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3.

De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag de verklaring van ondertoezichtstelling, indien:

  • a. het de aanvrager is toegestaan, voorzover op zijn werkzaamheden andere wettelijke voorschriften van toepassing zijn, deze werkzaamheden te verrichten;
  • b. ten minste 90 procent van de stemrechten in de aanvrager worden gehouden door de bank of banken, bedoeld in het eerste lid;
  • c. de verplichtingen van de aanvrager worden gegarandeerd door de bank of banken, bedoeld in het eerste lid, en de Nederlandsche Bank met deze garantie heeft ingestemd;
  • d. de bank of banken, bedoeld in het eerste lid, zorgdragen dat de financiële instelling de bedrijfsvoering zodanig inricht dat deze een beheerste en integere uitoefening van haar bedrijf waarborgt.
4.

Onverminderd het derde lid verleent de Nederlandsche Bank op aanvraag een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:

  • a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
  • b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
  • d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
  • e. artikel 3:16 met betrekking tot de zeggenschapstructuur;
  • f. artikel 3:33c met betrekking tot de administratie van het derivatenvermogen;
5.

Onverminderd het derde en vierde lid verleent de Nederlandsche Bank op aanvraag een verklaring van ondertoezichtstelling aan een financiële instelling die voornemens is tevens beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:

  • b. artikel 4:87 met betrekking tot het treffen van adequate maatregelen ter bescherming van de rechten van cliënten; en
  • c. artikel 4:91a met betrekking tot de regels die gelden voor het handelsproces en de afhandeling van transacties in een multilaterale handelsfaciliteit indien de aanvrager voornemens is een multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren.
6.

De artikelen 3:8, 3:9, 3:10, 3:15, 3:16, 3:17, 3:18, 3:33, 3:53, 3:57, 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel a, tweede lid, eerste volzin, 3:99, 3:100, 3:102, eerste en tweede lid, 3:103, 3:105 en 3:108a, zijn van overeenkomstige toepassing op financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling hebben.

7.

Artikel 1:48 is van overeenkomstige toepassing.

8.

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het derde lid, aanhef en onderdeel d, of van het vierde lid, aanhef en onderdelen c, f, of h, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die die onderdelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt. Artikel 2:2 is van overeenkomstige toepassing.

9.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op dochterondernemingen van financiële instellingen als bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 3.4.2. Regime voor banken aangesloten bij een centrale kredietinstelling

Artikel 3:111
1.

Bij ministeriële regeling kan een groep banken die blijvend is aangesloten bij een centrale kredietinstelling die controle uitoefent op de bedrijfsvoering, uitbesteding, solvabiliteit en liquiditeit van die banken, worden vrijgesteld van het toezicht door de Nederlandsche Bank op de naleving van het ingevolge hoofdstuk 1.7 en de artikelen 3:10, 3:17, 3:17b, 3:17c, 3:18, 3:18a, 3:57, 3:62a, 3:62b en 3:63 van deze wet bepaalde, alsmede, op grond van artikel 10 van de verordening kapitaalvereisten, van het bepaalde ingevolge de delen 2 tot en met 8 van die verordening en hoofdstuk 2 van de securitisatieverordening, indien:

  • a. de centrale kredietinstelling en de aangesloten banken hoofdelijk instaan voor elkaars verplichtingen dan wel de verplichtingen van de aangesloten banken door de centrale kredietinstelling worden gegarandeerd;
  • b. de centrale kredietinstelling in voldoende mate bevoegd is voor de naleving van deze wet noodzakelijke instructies te geven aan de aangesloten banken; en
  • c. het ingevolge de artikelen 3:57 en 3:63 uitgeoefende toezicht op de centrale kredietinstelling en de aangesloten banken op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.
2.

De Nederlandsche Bank kan ten aanzien van een bank die behoort tot een groep die is vrijgesteld ingevolge het eerste lid bepalen dat de artikelen 1:75, 1:104, 1:125, tweede lid, 2:12, eerste lid, 2:13, eerste en tweede lid, 3:8, 3:9, 3:15, 3:16, 3:19, 3:29 , 3:33c, 3:53, 3:71, 3:72, 3:88, 4:14, 4:87 en 4:91a geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven.

3.

De centrale kredietinstelling oefent controle uit op de aangesloten banken krachtens haar statuten en de statuten van de aangesloten banken of krachtens een overeenkomst met de bij haar aangesloten banken. Deze controle behelst:

  • a. het geven van instructies die naar inhoud en strekking overeenkomen met de regels die ingevolge hoofdstuk 1.7 en de artikelen 3:10, 3:17, 3:17b, 3:17c, 3:18, 3:18a, 3:57, 3:62a, 3:62b en 3:63 van deze wet, alsmede ingevolge de delen 2 tot en met 8 van die verordening en hoofdstuk 2 van de securitisatieverordening kapitaalvereisten, zijn gesteld aan de aangesloten banken;
  • b. het toetsen of de aangesloten banken voldoen aan de instructies, bedoeld in onderdeel a;
  • c. het bepalen voor de aangesloten banken van de vorm, waarin de staten, bedoeld in artikel 3:72 worden opgemaakt, de benaming en omschrijving van de posten die deze staten bevatten, de achtereenvolgende tijdstippen waarop deze staten betrekking hebben, de termijnen waarbinnen deze staten worden ingediend en de te hanteren grondslagen van de waardering van de posten;
  • d. het indienen door de aangesloten banken van de staten, bedoeld in artikel 3:72, bij de centrale kredietinstelling; en
  • e. het inwinnen van inlichtingen bij de aangesloten banken ten behoeve van de controle op de naleving van de op grond van dit artikel door de centrale kredietinstelling gegeven instructies.

Hoofdstuk 3.5. Bijzondere regels en maatregelen ten aanzien van financiële ondernemingen werkzaam op de financiële markten

Afdeling 3.5.1. Bijzondere maatregelen ten aanzien van banken, beleggingsondernemingen, betaalinstellingen, elektronischgeldinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings

Artikel 3:111a
1.

De Nederlandsche Bank kan aan een bank met zetel in Nederland of aan beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, maatregelen opleggen indien:

  • a. de bank of beleggingsonderneming niet voldoet aan het bepaalde ingevolge dit deel of de verordening kapitaalvereisten;
  • b. er aanwijzingen zijn dat de bank of beleggingsonderneming binnen twaalf maanden waarschijnlijk niet zal voldoen aan het bepaalde ingevolge dit deel of de verordening kapitaalvereisten; of
  • c. uit de evaluatie, bedoeld in artikel 3:18a, en de toetsing krachtens artikel 3:57, tweede lid, van de wijze waarop de bedrijfsvoering is ingericht, van de aangehouden liquiditeit en van het toetsingsvermogen van de bank of beleggingsonderneming, blijkt dat een degelijk beheer en een solide dekking van de risico’s onvoldoende is gewaarborgd.
2.

De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende:

  • a. met inachtneming van artikel 104 bis van de richtlijn kapitaalvereisten voorschrijven dat zij over een hogere solvabiliteit of liquiditeit beschikt dan ingevolge de artikelen 3:57 en 3:63 van deze wet of ingevolge de verordening kapitaalvereisten is vereist;
  • b. voorschrijven dat ingevolge artikel 3:17 ingevoerde strategieën, maatregelen en procedures worden aangescherpt;
  • c. voorschrijven dat de bank of beleggingsonderneming een plan opstelt ten einde duurzaam te kunnen voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen en een datum vaststelt waarop het plan zal zijn uitgevoerd;
  • d. wijzigingen aanbrengen aan het plan, bedoeld in onderdeel c, voor wat betreft de reikwijdte daarvan en de datum waarop het plan zal zijn uitgevoerd;
  • e. voorschrijven dat in verband met de liquiditeitseisen of de solvabiliteitseisen een specifiek voorzieningenbeleid wordt gevoerd of de liquiditeitsposten of de activa op een specifieke wijze worden behandeld;
  • f. beperkingen opleggen aan bedrijfsactiviteiten en transacties van of netwerkrelaties tussen banken of beleggingsondernemingen;
  • g. voorschrijven dat activiteiten, waaronder de uitbestede activiteiten, die een buitensporig risico met zich meebrengen voor de soliditeit van de bank of beleggingsonderneming worden beperkt of beëindigd;
  • h. voorschrijven dat de door de bank of beleggingsonderneming gelopen risico’s worden beperkt;
  • i. voorschrijven dat de bank of beleggingsonderneming het variabele deel van de beloning tot een bepaald percentage van de totale netto-inkomsten beperkt, indien deze beloning niet met het in stand houden van de soliditeit van de bank of beleggingsonderneming te verenigen is;
  • j. voorschrijven dat de bank of beleggingsonderneming haar nettowinsten gebruikt om de solvabiliteit te versterken;
  • k. beperkingen of een verbod opleggen ten aanzien van het doen van uitkeringen aan aandeelhouders of vennoten dan wel het doen van betalingen op aanvullende kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 52 van de verordening kapitaalvereisten, voor zover dat niet leidt tot een tekortkoming in de nakoming van een betalingsverplichting;
  • l. met inachtneming van artikel 104, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten voorschrijven dat de staten, bedoeld in artikel 3:72, en de rapportages ingevolge de verordening kapitaalvereisten frequenter worden verstrekt of dat daarin aanvullende informatie wordt opgenomen, onder meer met betrekking tot de solvabiliteit, liquiditeitspositie en de hefboomwerking;
  • m. bepaalde liquiditeitsvereisten opleggen, waaronder beperkingen met betrekking tot verschillen in looptijd tussen bepaalde activa en passiva;
  • n. voorschrijven dat de bank of beleggingsonderneming bij de toepassing van deel 8 van de verordening kapitaalvereisten aanvullende informatie openbaar maakt; of
  • o. haar voortdurende aanwezigheid instellen bij de bank of beleggingsonderneming.
3.

De Nederlandsche Bank treft in elk geval de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde maatregel indien:

  • a. de bank of beleggingsonderneming is blootgesteld aan risico's of aspecten van risico's die niet of niet voldoende worden gedekt als bedoeld in artikel 104 bis, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten door de vereisten, bedoeld in de delen drie, vier en zeven van de verordening kapitaalvereisten en in hoofdstuk 2 van de securitisatieverordening;
  • b. de bank of beleggingsonderneming niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3:17 of aan artikel 393 van de verordening kapitaalvereisten en naar het oordeel van de Nederlandsche Bank andere toezichtsmaatregelen onvoldoende waarborgen dat binnen een passende termijn aan die vereisten kan worden voldaan;
  • c. op grond van de evaluatie, bedoeld in artikel 3:18a, eerste lid, blijkt dat de in artikel 105 van de verordening kapitaalvereisten bedoelde waarderingsaanpassingen naar het oordeel van de Nederlandsche Bank ontoereikend zijn om de bank of beleggingsonderneming in staat te stellen haar posities binnen een korte termijn te verkopen of af te dekken zonder wezenlijke verliezen te lijden in normale marktomstandigheden;
  • d. op grond van de toetsing krachtens artikel 3:57, tweede lid, blijkt dat het niet voldoen aan de eisen voor het gebruik van een intern model naar het oordeel van de Nederlandsche Bank heeft geleid tot een vaststelling van de vereiste solvabiliteit op een te laag niveau;
  • e. de bank of beleggingsonderneming herhaaldelijk nalaat een toereikend niveau van hogere solvabiliteit of liquiditeit vast te stellen of te handhaven om te voldoen aan het richtsnoer, bedoeld in artikel 3:111aa, eerste lid; of
  • f. andere omstandigheden bij de bank of beleggingsonderneming naar het oordeel van de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot wezenlijke toezichtsproblemen.
4.

De Nederlandsche Bank heft de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, op zodra de omstandigheden, bedoeld in het eerste of derde lid, zich niet meer voordoen.

5.

De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, kunnen ter uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis ingevolge deel 1, titel II, van de verordening kapitaalvereisten tevens aan een financiële holding of gemengde financiële holding worden opgelegd.

6.

Indien aan de bank of beleggingsonderneming een maatregel op grond van het tweede lid, onderdeel a, is opgelegd, neemt zij daarbij de voorwaarden in artikel 104 bis, vierde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten in acht. De Nederlandsche Bank kan, met inachtneming van artikel 104 bis, vierde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten striktere voorwaarden stellen.

7.

De Nederlandsche Bank treft in elk geval maatregelen uit het tweede lid, indien uit de evaluatie, bedoeld in artikel 3:18a, volgt dat er een situatie optreedt zoals omschreven in artikel 98, vijfde lid, onderdelen a en b, van de richtlijn kapitaalvereisten, tenzij naar het oordeel van de Nederlandsche Bank de bank of beleggingsonderneming het renterisico voortvloeiend uit activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en de bank of beleggingsonderneming niet overmatig is blootgesteld aan het renterisico dat zij loopt bij activiteiten buiten de handelsportefeuille. De Nederlandsche Bank kan, in de situaties omschreven in artikel 98, vijfde lid, onderdelen a en b, van de richtlijn kapitaalvereisten tevens aannames voor modellering en parameters die banken of beleggingsondernemingen in aanmerking nemen bij de berekening van hun nettorentebaten nader bepalen, met uitzondering van de overeenkomstig artikel 98, vijfde lid bis, onderdeel b, van de richtlijn kapitaalvereisten vastgelegde aannames voor modellering en parameters.

Artikel 3:111a.0
1.

De Nederlandsche Bank kan aan een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, maatregelen opleggen indien:

  • a. de beleggingsonderneming niet voldoet aan het bepaalde ingevolge dit deel of de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen;
  • b. er aanwijzingen zijn dat de beleggingsonderneming binnen twaalf maanden waarschijnlijk niet zal voldoen aan het bepaalde ingevolge dit deel of de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen; of
  • c. uit de evaluatie, bedoeld in artikel 3:18aa, van de wijze waarop de bedrijfsvoering is ingericht, van de aangehouden liquiditeit en van het toetsingsvermogen van de beleggingsonderneming, blijkt dat een degelijk beheer en een solide dekking van de risico’s onvoldoende is gewaarborgd.
2.

De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende:

  • a. met inachtneming van artikel 40 van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen voorschrijven dat de beleggingsonderneming over een hogere solvabiliteit of liquiditeit beschikt dan ingevolge de artikelen 3:57 en 3:63 van deze wet of ingevolge de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen is vereist;
  • b. voorschrijven dat ingevolge de artikelen 3:17 ingevoerde strategieën, maatregelen en procedures worden aangescherpt;
  • c. voorschrijven dat de beleggingsonderneming binnen één jaar een plan opstelt ten einde duurzaam te kunnen voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen en een datum vaststelt waarop het plan zal zijn uitgevoerd;
  • d. wijzigingen aanbrengen aan het plan, bedoeld in onderdeel c, voor wat betreft de reikwijdte daarvan en de datum waarop het plan zal zijn uitgevoerd;
  • e. voorschrijven dat in verband met de liquiditeitseisen of de solvabiliteitseisen een specifiek voorzieningenbeleid wordt gevoerd of de liquiditeitsposten of de activa op een specifieke wijze worden behandeld;
  • f. beperkingen opleggen aan bedrijfsactiviteiten, transacties, of netwerkrelaties van de beleggingsonderneming;
  • g. voorschrijven dat activiteiten, waaronder de uitbestede activiteiten, die een buitensporig risico met zich meebrengen voor de soliditeit van de beleggingsonderneming worden beperkt of beëindigd;
  • h. voorschrijven dat de door de beleggingsonderneming gelopen risico’s worden beperkt;
  • i. voorschrijven dat de beleggingsonderneming het variabele deel van de beloning tot een bepaald percentage van de totale netto-inkomsten beperkt, indien deze beloning niet met het in stand houden van de soliditeit van de beleggingsonderneming te verenigen is;
  • j. voorschrijven dat de beleggingsonderneming haar nettowinsten gebruikt om de solvabiliteit te versterken;
  • k. beperkingen of een verbod opleggen ten aanzien van het doen van uitkeringen aan aandeelhouders of leden dan wel het doen van betalingen op aanvullende kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 52 van de verordening kapitaalvereisten, voor zover dat niet leidt tot een tekortkoming in de nakoming van een betalingsverplichting;
  • l. met inachtneming van artikel 39, derde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen voorschrijven dat de staten, bedoeld in artikel 3:72, en de rapportages ingevolge de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, frequenter worden verstrekt of dat daarin aanvullende informatie wordt opgenomen, onder meer met betrekking tot de solvabiliteit en de liquiditeitspositie;
  • m. met inachtneming van artikel 42 van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen bepaalde liquiditeitsvereisten opleggen;
  • n. voorschrijven dat de beleggingsonderneming bij de toepassing van deel 6 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen aanvullende informatie openbaar maakt; of
  • o. voorschrijven dat de beleggingsonderneming risico’s beperkt die verband houden met de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen die de beleggingsonderneming gebruikt teneinde de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van haar processen, gegevens en activa te waarborgen.
3.

De Nederlandsche Bank treft de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde maatregel indien:

  • a. de beleggingsonderneming is blootgesteld aan risico's of aspecten van risico's, of voor anderen risico’s vormt die wezenlijk zijn, die niet of niet voldoende worden gedekt als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen door de vereisten, bedoeld in de delen drie en vier van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen;
  • b. de beleggingsonderneming niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3:17, derde lid, en naar het oordeel van de Nederlandsche Bank andere toezichtsmaatregelen onvoldoende waarborgen dat binnen een passende termijn aan die vereisten kan worden voldaan;
  • c. blijkt dat waarderingsaanpassingen van de handelsportefeuille naar het oordeel van de Nederlandsche Bank ontoereikend zijn om de beleggingsonderneming in staat te stellen haar posities binnen een korte termijn te verkopen of af te dekken zonder wezenlijke verliezen te lijden in normale marktomstandigheden;
  • d. op grond van de toetsing krachtens artikel 3:57, tweede lid, blijkt dat het niet voldoen aan de eisen voor het gebruik van een intern model naar het oordeel van de Nederlandsche Bank wellicht zal leiden tot een vaststelling van de vereiste solvabiliteit op een te laag niveau; of
  • e. de beleggingsonderneming herhaaldelijk nalaat een toereikend niveau van hogere solvabiliteit of liquiditeit vast te stellen of te handhaven om te voldoen aan het richtsnoer, bedoeld in artikel 3:111aa.0, eerste lid.
4.

In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank de maatregel, bedoeld in het tweede lid, onderdeel l, ook treffen indien de Nederlandsche Bank dit nodig acht om de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde aanwijzingen te vergaren.

5.

De Nederlandsche Bank treft de maatregel, bedoeld in het tweede lid, onderdeel m, indien:

  • a. de beleggingsonderneming is blootgesteld aan liquiditeitsrisico’s of wezenlijke aspecten van liquiditeitsrisico's die niet of niet voldoende worden gedekt als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, door de vereisten, bedoeld in deel vijf van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen; of
  • b. de beleggingsonderneming niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3:17 en naar het oordeel van de Nederlandsche Bank andere toezichtmaatregelen onvoldoende waarborgen dat binnen een passende termijn aan die vereisten kan worden voldaan.
6.

De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, kunnen ter uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis ingevolge deel 1, titel II, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen tevens aan een beleggingsholding of een gemengde financiële holding worden opgelegd.

7.

De Nederlandsche Bank heft de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, op zodra de omstandigheden, bedoeld in het eerste, derde of vijfde lid, zich niet meer voordoen.

Artikel 3:111a.1
1.

De Nederlandsche Bank kan aan een klasse 1-bijkantoor of klasse 2-bijkantoor maatregelen opleggen om ervoor te zorgen dat:

  • a. het bijkantoor voldoet aan het bepaalde ingevolge dit deel;
  • b. de wezenlijke risico’s waaraan het bijkantoor is blootgesteld, op solide en toereikende wijze worden gedekt en beheerd en dat het bijkantoor levensvatbaar blijft.
2.

De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende:

  • a. voorschrijven dat zij over een hogere solvabiliteit of liquiditeit beschikt dan ingevolge de artikelen 3:57 en 3:63 van deze wet is vereist;
  • b. voorschrijven dat ingevolge artikel 3:17 ingevoerde strategieën, maatregelen, procedures en ingevolge artikel 3:80a vereiste boekingsvereisten worden aangescherpt;
  • c. beperkingen opleggen aan de reikwijdte van de bedrijfsactiviteiten, aan de activiteiten die zij verrichten, of aan de tegenpartijen bij die activiteiten;
  • d. voorschrijven dat activiteiten, producten en systemen, waaronder de uitbestede activiteiten, die een inherent risico met zich meebrengen worden beperkt of beëindigd;
  • e. voorschrijven dat het bijkantoor voldoet aan aanvullende rapportagevereisten overeenkomstig artikel 3:72 of de frequentie van de periodieke rapportage verhoogd; of
  • f. voorschrijven dat het bijkantoor aanvullende informatie openbaar maakt.
3.

De Nederlandsche Bank heft de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, op zodra het bijkantoor weer voldoet aan het bepaalde ingevolge dit deel of de risico’s weer op solide en toereikende wijze worden gedekt en beheerd en het bijkantoor weer levensvatbaar is.

Artikel 3:111aa
1.

Op grond van de evaluatie, bedoeld in artikel 3:18a, bepaalt de Nederlandsche Bank voor een bank of beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten de hoogte, samenstelling en verdeling van het toetsingsvermogen dat zij passend vindt, en stelt zij, voor zover nodig, met het oog daarop een richtsnoer op en deelt die mede aan de bank of beleggingsonderneming. Ze neemt daarbij artikel 104 ter, derde en vierde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten in acht.

2.

Indien aan een bank of beleggingsonderneming een richtsnoer is medegedeeld op grond van het eerste lid en zij hieraan navolging geeft, neemt zij daarbij de voorwaarden in artikel 104 ter, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten in acht.

Artikel 3:111aa.0
1.

Met inachtneming van artikel 41 van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen kan de Nederlandsche Bank voor een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen de hoogte, samenstelling en verdeling van het toetsingsvermogen bepalen dat zij passend vindt, en stelt zij, voor zover nodig, met het oog daarop een richtsnoer op en deelt die mede aan de beleggingsonderneming.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van beleggingsondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen om als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming aangemerkt te worden.

Artikel 3:111ab

De Nederlandsche Bank kan aan een holding als bedoeld in artikel 3:280a die niet is ontheven van de verplichting in dat artikel op grond van artikel 3:280c de volgende maatregelen opleggen indien de holding niet voldoet aan artikel 3:280a of aan de vereisten bedoeld in artikel 3:280b, eerste lid:

  • a. besluiten tot schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de deelneming in de banken waarvan de holding houder is, waarbij tevens de duur van de schorsing wordt bepaald;
  • b. voorschrijven dat de holding haar deelnemingen in banken overdraagt aan haar aandeelhouders;
  • c. voorschrijven dat de holding haar deelnemingen in banken of andere entiteiten uit de financiële sector afstoot of verminderd; of
  • d. een andere financiële holding of gemengde financiële holding of een bank die deel uitmaakt van dezelfde groep als de holding bedoeld in de aanhef tijdelijk aanwijzen als verantwoordelijk voor de naleving van de vereisten die gelden op geconsolideerde basis.
Artikel 3:111ac

Indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat de consoliderende toezichthouder is van een holding als bedoeld in de aanhef van artikel 3:111ab, kan de Nederlandsche Bank de maatregelen bedoeld in dat atikel en de artikelen 1:75, 1:79, 1:80 en 3:111a, tweede lid, onderdeel c en onderdeel k, met betrekking tot uitkeringen aan aandeelhouders, vanwege een overtreding door die holding van artikel 3:280a of van de vereisten bedoeld in artikel 3:280b, eerste lid, uitsluitend nemen in overeenstemming met de consoliderende toezichthouder van de holding en met inachtneming van artikel 21 bis, achtste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

Artikel 3:111ad
1.

Indien de Nederlandsche Bank de consoliderende toezichthouder is van een holding als bedoeld in artikel 21 bis, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, met zetel in een andere lidstaat, kan zij in overeenstemming met de toezichthoudende instantie van die lidstaat, een maatregel als bedoeld in de artikelen 1:75, 1:79, 1:80, 3:111a, tweede lid, onderdeel c en onderdeel k, met betrekking tot uitkeringen aan aandeelhouders en 3:111ab, nemen vanwege een overtreding van de holding van artikel 3:280a of de vereisten bedoeld in artikel 3:280b, eerste lid, of vanwege een overtreding van de holding van bepalingen van die lidstaat die naar strekking daarmee overeenkomen. De Nederlandsche Bank neemt daarbij artikel 21 bis, achtste lid, van die richtlijn in acht.

2.

Indien de Europese Centrale Bank de consoliderende toezichthouder is van een holding als bedoeld in het eerste lid omdat zij in de plaats is getreden van de Nederlandsche Bank op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van de verordening bankentoezicht, kan zij, de maatregelen bedoeld in het eerste lid, vanwege een overtreding als bedoeld in dat lid, nemen. De Europese Centrale Bank neemt daarbij artikel 21 bis, achtste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten in acht. Indien de holding zijn zetel heeft in een niet-deelnemende lidstaat kan de Europese Centrale Bank de maatregelen uitsluitend nemen in overeenstemming met de toezichthoudende instantie van die lidstaat.

Artikel 3:111ae

De Nederlandsche Bank of de Europese Centrale Bank neemt een maatregel met betrekking tot een gemengde financiële holding als bedoeld in de artikelen 1:75, 1:79, 1:80 en 3:111a, tweede lid, onderdeel c en onderdeel k, met betrekking tot uitkeringen aan aandeelhouders, vanwege een overtreding door die gemengde financiële holding van artikel 3:280a of van de vereisten bedoeld in artikel 3:280b, eerste lid, of een maatregel als bedoeld in artikel 3:111ab met inachtneming van artikel 21 bis, negende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten en houdt daarbij rekening met de effecten op het financieel conglomeraat.

Artikel 3:111b
1.

Een betaalinstelling die voornemens is betaaldiensten te verlenen door tussenkomst van een betaaldienstagent, stelt de Nederlandsche Bank hiervan in kennis onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

2.

Indien de Nederlandsche Bank overeenkomstig het eerste lid de gegevens heeft ontvangen en zij er van overtuigd is dat de gegevens correct zijn, schrijft zij de agent in in het register, bedoeld in artikel 1:107.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland die door tussenkomst van een betaaldienstagent betaaldiensten verlenen.

Afdeling 3.5.1.0. Systeemrelevantie en bankvergunningseis bijkantoren van ondernemingen uit een staat die geen lidstaat is

Artikel 3:111ba. Beoordeling systeemrelevantie bijkantoren
1.

De Nederlandsche Bank beoordeelt, indien een klasse 1-bijkantoor of klasse 2-bijkantoor zich in een groep in de Europese Unie bevindt met een gerapporteerd totaalbedrag aan activa van € 40 miljard of meer bij alle in de Europese Unie gevestigde bijkantoren, of dat bijkantoor systeemrelevant is en aanzienlijke risico’s met zich meebrengt voor de financiële stabiliteit van de Europese Unie of Nederland, overeenkomstig de artikelen 48 decies, tweede lid, tweede alinea, en 48 undecies, eerste tot en met derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

2.

Indien een bijkantoor als bedoeld in het eerste lid als systeemrelevant is aangemerkt, kan de Nederlandsche Bank om de vastgestelde risico’s te adresseren maatregelen nemen waaronder:

  • a. voorschrijven dat het bijkantoor zijn activa of activiteiten zodanig herstructureert dat zij niet langer als systeemrelevant wordt aangemerkt of dat zij niet langer een overmatig risico vormt voor de financiële stabiliteit van de de lidstaten;
  • b. voorschrijven dat het bijkantoor aan aanvullende prudentiële eisen voldoet die de Nederlandsche Bank noodzakelijk acht.
Artikel 3:111bb. Verplichting aanvragen bankvergunning door bijkantoren
1.

De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat een klasse 1-bijkantoor of klasse 2-bijkantoor een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, aanvraagt indien:

  • a. het bijkantoor de activiteiten bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, verricht met cliënten of tegenpartijen in andere lidstaten die niet vallen onder de vrijstellingen uit artikel 48 quater, vierde lid, onderdeel d, van de richtlijn kapitaalvereisten;
  • b. het bijkantoor systeemrelevant wordt geacht op grond van artikel 3:111ba;
  • c. het totaalbedrag van de activa van alle bijkantoren in de lidstaten die tot dezelfde groep als een bank uit een staat die geen lidstaat is behoren, ten minste € 40 miljard bedraagt, of het bedrag van de activa op de balans van het bijkantoor in Nederland in zijn boeken ten minste € 10 miljard bedraagt;
2.

De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat een bijkantoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid behoeft indien de Nederlandsche Bank:

  • a. eerder de maatregelen bedoeld in artikel 3:111a.1, tweede lid, of 3:111ba, tweede lid, heeft genomen; of
  • b. op andere dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, bedoelde gronden van oordeel is dat de maatregelen bedoeld in dit lid, onderdeel a, ontoereikend zouden zijn om de wezenlijke toezichtproblemen weg te nemen.

Afdeling 3.5.1a. Portefeuilleoverdracht

§ 3.5.1a.0. Inleidende bepalingen

Artikel 3:111c

Een levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, kan zijn rechten en verplichtingen uit verzekering uitsluitend overdragen aan een andere verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang. De Nederlandsche Bank kan echter toestaan dat de rechten en verplichtingen uit verzekering worden overgedragen aan een verzekeraar met beperkte risico-omvang, die onder prudentieel toezicht staat.

§ 3.5.1a.1. Verzekeraars met zetel in Nederland

Artikel 3:112
1.

Een levensverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen uit levensverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor de instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:

  • a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een vestiging in een lidstaat, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;
  • b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit de zetel in Nederland, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor;
  • c. de overdracht van rechten en verplichtingen uit een levensverzekering, gesloten vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een lidstaat gelegen bijkantoor.
2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts met de overdracht in indien de betrokken toezichthoudende instanties daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank hebben ingestemd.

3.

In afwijking van het eerste lid behoeven levensverzekeraars met zetel in Nederland niet de instemming van de Nederlandsche Bank voor overdracht van hun rechten en verplichtingen uit een individuele levensverzekering op verzoek van de verzekeringnemer.

Artikel 3:113
1.

Een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor de instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:

  • a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit de zetel in Nederland, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar met vestiging in Nederland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland;
  • b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een buiten Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.
2.

Een levensverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor de instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:

  • a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit de zetel in Nederland, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar met vestiging in Nederland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland;
  • b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een buiten Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.
3.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, stemt de Nederlandsche Bank slechts met de overdracht in indien de betrokken toezichthoudende instantie van die staat, voorzover aanwezig, daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft ingestemd.

4.

In afwijking van het eerste lid kan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland zijn rechten en verplichtingen uit een individuele natura-uitvaartverzekering op verzoek van de verzekeringnemer overdragen.

Artikel 3:114
1.

Een schadeverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering wenst over te dragen, kan die overdracht met instemming van de Nederlandsche Bank doen plaatsvinden zonder medewerking of instemming van degenen die aan die schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen indien het betreft:

  • a. de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit een vestiging in een lidstaat, aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;
  • b. de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit de zetel in Nederland, aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor;
  • c. de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een lidstaat gelegen bijkantoor.
2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts met de overdracht in indien de betrokken toezichthoudende instanties daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank instemmen.

Artikel 3:114a
1.

Een herverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen uit herverzekering wenst over te dragen, kan die overdracht met instemming van de Nederlandsche Bank doen plaatsvinden zonder medewerking of instemming van degenen die aan die herverzekeringen rechten kunnen ontlenen indien het betreft:

  • a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit herverzekering, gesloten vanuit een vestiging in een lidstaat, aan een andere herverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;
  • b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit herverzekering, gesloten vanuit de zetel in Nederland, aan een andere herverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor;
  • c. de overdracht van rechten en verplichtingen uit herverzekering, gesloten vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, aan een andere herverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een lidstaat gelegen bijkantoor.
2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts met de voordracht in indien de betrokken toezichthoudende instanties daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank instemmen.

Artikel 3:115

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)