Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot het gedragstoezicht op financiële ondernemingen (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)

Type AMvB
Publication 2026-07-24
Laatst bijgewerkt 2026-07-29
State In force
Source BWB
artikelen 913
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

5.2. Zakelijk

4.2. De personen zijn in staat met betrekking tot schadeverzekeringen inzake bezit, verkeer, transport, aansprakelijkheid en rechtsbijstand, inkomen en arbeidsongeschiktheid en gezondheid en zorg, hierna te noemen: «de schadeverzekeringen»:

4.3. De personen zijn in staat, met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over de schadeverzekeringen:

4.4. De personen zijn in staat, met betrekking tot beheer en mutatie van de overeenkomst inzake de schadeverzekeringen:

4.5. De personen zijn in staat, met betrekking tot schadeverzekeringen bij een mogelijke aanspraak/vordering:

4.6. De personen beschikken over een grondige kennis van het algemene verzekeringsrecht en zijn in staat om deze kennis toe te passen bij schadeverzekeringen.

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

5.2. De personen zijn in staat:

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

2.3. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs voor de Autoriteit Financiële Markten van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, zoals blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is (geweest) bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten wordt ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs voor de Autoriteit Financiële Markten van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, zoals blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is (geweest) bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten wordt ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.

6.5. De personen beschikken met betrekking tot variaverzekeringen over:

6.6. De personen beschikken met betrekking tot levensverzekeringen over:

6.7. De personen beschikken over:

3.3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Autoriteit Financiële Markten van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5.1. De wijze waarop de beheerder periodiek informatie verschaft.

4.2. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor de Autoriteit Financiële Markten van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel d

7.4. De personen zijn in staat:

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.2. Zakelijk

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs voor de Autoriteit Financiële Markten van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

6. Overige antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel e

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

2.4. Andere feiten of omstandigheden

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Bijlage C. behorend bij artikel 13

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 31a

Het organisatieonderdeel, bedoeld in artikel 30, zesde lid, heeft als taak:

  • a. het vaststellen en uitvoeren van een controleplan om de deugdelijkheid en effectiviteit van de systemen, interne controleprocedures en regels van de financiële onderneming te onderzoeken en te beoordelen;
  • b. het doen van aanbevelingen op basis van de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel a;
  • c. het controleren of aan deze aanbevelingen gevolg wordt gegeven; en
  • d. het ten minste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming inzake aangelegenheden met betrekking tot de interne controle en de genomen maatregelen in geval van gesignaleerde tekortkomingen.
Artikel 31b
1.

Een beleggingsonderneming beschikt over een organisatieonderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliancefunctie uitoefent.

2.

Het organisatieonderdeel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 22 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen.

Artikel 31c
1.

Een beheerder van een icbe beschikt over een organisatieonderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliancefunctie uitoefent.

2.

Het organisatieonderdeel, bedoeld in het eerste lid, heeft als taak:

  • a. het controleren van de naleving van wettelijke regels en van interne regels die de beheerder heeft opgesteld;
  • b. het adviseren van de personen die verantwoordelijk zijn voor het beheren van icbe’s bij de naleving van wettelijke regels en interne regels;
  • c. het toezien op de deugdelijkheid en effectiviteit van de interne regels en procedures;
  • d. het beoordelen van de effectiviteit van de procedures die zijn opgesteld en maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde onvolkomenheden bij de naleving van wettelijke regels en interne regels op te heffen; en
  • e. het ten minste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de beheerder bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beheerder inzake aangelegenheden met betrekking tot de naleving van wettelijke regels en interne regels. In de jaarlijkse rapportage wordt met name vermeld of maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde tekortkomingen.
3.

Het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie uitoefent beschikt over de nodige autoriteit, middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie om haar taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.

§ 5.1. Algemene aspecten van de bedrijfsvoering

Artikel 35a
1.

Een beheerder van een icbe of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen voor het voorkomen van en omgaan met belangenconflicten tussen de beheerder van een icbe of beleggingsonderneming en haar cliënten of tussen haar cliënten onderling.

2.

De procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn erop gericht dat relevante personen die betrokken zijn bij verschillende bedrijfsactiviteiten waarbij het risico bestaat op een belangenconflict als bedoeld in het eerste lid, deze activiteiten verrichten in een mate van onafhankelijkheid die evenredig is aan de omvang en activiteiten van de beheerder van een icbe en de groep waarvan zij deel uitmaakt, en aan de grootte van het risico dat de belangen van een cliënt worden geschaad.

3.

De procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, omvatten, voor zover nodig en passend om de mate van onafhankelijkheid, bedoeld in het tweede lid, te waarborgen:

  • a. procedures ter voorkoming of controle van de uitwisseling van informatie tussen relevante personen die verschillende activiteiten verrichten waarbij het risico bestaat op een belangenconflict wanneer de uitwisseling van deze informatie de belangen van een cliënt kan schaden;
  • b. controle op de activiteiten van relevante personen wier hoofdtaken bestaan in het uitoefenen van activiteiten in naam van, of het verlenen van diensten aan cliënten wier belangen met elkaar in strijd kunnen zijn;
  • c. de uitsluiting van elk direct verband tussen de beloning van relevante personen die hoofdzakelijk betrokken zijn bij de ene activiteit en de beloning van of de inkomsten gegenereerd door andere relevante personen die hoofdzakelijk betrokken zijn bij een andere activiteit, wanneer door deze activiteiten een belangenconflict kan ontstaan;
  • d. maatregelen om te voorkomen of het risico te beperken dat een persoon zodanige invloed uitoefent op de wijze waarop een relevante persoon werkzaamheden in verband met het beheer van een icbe verricht, dat daardoor een belangenconflict ontstaat of kan ontstaan;
  • e. maatregelen ter voorkoming of controle van de gelijktijdige of achtereenvolgende betrokkenheid van een relevante persoon bij verschillende werkzaamheden in verband met het beheer van een icbe wanneer een dergelijke betrokkenheid kan leiden tot het ontstaan van belangenconflicten.
4.

Indien bij vaststelling of toepassing van procedures of maatregelen als bedoeld in het eerste lid niet de in het tweede lid bedoelde mate van onafhankelijkheid kan worden gewaarborgd, draagt de beheerder van een icbe zorg voor alternatieve of aanvullende procedures of maatregelen.

Artikel 35b
1.

Een beheerder van een icbe legt de gegevens vast die betrekking hebben op de soorten door of in naam van de beheerder verrichte werkzaamheden in verband met het beheren van beleggingen waarbij een belangenconflict is ontstaan of kan ontstaan dat een wezenlijk risico met zich brengt dat de belangen van een of meer icbe's of van de deelnemers worden geschaad.

2.

De beheerder zorgt ervoor dat de personen die het dagelijks beleid bepalen van de beheerder onmiddellijk in kennis worden gesteld wanneer de getroffen maatregelen voor het voorkomen van en omgaan met belangenconflicten niet volstaan om met redelijke zekerheid te garanderen dat risico’s dat de belangen van de icbe of de deelnemers ervan worden geschaad, zullen worden vermeden, zodat zij alle nodige beslissingen kunnen nemen om te waarborgen dat de beheerder in ieder geval handelt in het belang van de icbe en haar deelnemers.

3.

De beheerder stelt de deelnemers van een door hem beheerde icbe via een duurzame drager op de hoogte van de situaties, bedoeld in het derde lid, met opgave van redenen van de beslissing die de personen die het dagelijks beleid bepalen ter zake hebben genomen.

Artikel 35c
1.

Een beheerder van een icbe als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot persoonlijke transacties.

2.

De procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn er op gericht dat indien een relevante persoon betrokken is bij het verrichten van activiteiten die een belangenconflict kunnen doen ontstaan, of indien een relevante persoon als gevolg van een activiteit die hij in naam van de beheerder verricht toegang heeft tot informatie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de verordening marktmisbruik of tot andere vertrouwelijke informatie over cliënten of transacties met of voor cliënten:

  • a. geen persoonlijke transactie door of in naam van die relevante persoon wordt verricht die in strijd is met artikel 14 of 15 van de verordening marktmisbruik;
  • b. geen persoonlijke transactie door of in naam van die relevante persoon wordt verricht die gepaard gaat met misbruik of ongeoorloofde bekendmaking van de in de aanhef bedoelde vertrouwelijke informatie;
  • c. geen persoonlijke transactie door of in naam van die relevante persoon wordt verricht die anderszins in strijd is of in strijd kan zijn met hetgeen ter uitvoering van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten ingevolge de wet is bepaald;
  • d. de relevante persoon niet, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, een andere persoon adviseert om een transactie in een financieel instrument aan te gaan die, wanneer dit een persoonlijke transactie van de relevante persoon zou zijn, niet zou zijn toegestaan op grond van onderdeel a, b of c; en
  • e. de relevante persoon geen informatie of advies aan een andere persoon bekendmaakt anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, indien de relevante persoon weet of redelijkerwijs behoort te weten dat de andere persoon een transactie in een financieel instrument zal of zou kunnen aangaan die, wanneer dit een persoonlijke transactie van de relevante persoon zou zijn, niet zou zijn toegestaan op grond van onderdeel a, b of c;
  • f. de relevante persoon geen informatie of advies aan een andere persoon bekendmaakt anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf indien de relevante persoon weet of redelijkerwijs behoort te weten dat de andere persoon een derde zal of zou kunnen adviseren een transactie in een financieel instrument aan te gaan die, wanneer het een persoonlijke transactie van de relevante persoon zou zijn, niet zou zijn toegestaan.
Artikel 35d

Een beheerder van een icbe als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet draagt er zorg voor dat relevante personen op de hoogte zijn van de door haar vastgestelde maatregelen en procedures, bedoeld in artikel 35c, eerste lid.

Artikel 35e
1.

De procedures en maatregelen bedoeld in artikel 35c, eerste lid, houden in dat de beheerder van een icbe onverwijld in kennis wordt gesteld van elke persoonlijke transactie.

2.

De beheerder van een icbe houdt gegevens bij van aan haar gemelde of door haar onderkende persoonlijke transacties en vermeldt daarbij in voorkomend geval tevens of de desbetreffende transactie is toegestaan.

3.

Ingeval van uitbesteding draagt de beheerder van een icbe zorg voor registratie door de onderneming waaraan de activiteit wordt uitbesteed van gegevens met betrekking tot persoonlijke transacties. Deze gegevens worden desgevraagd onverwijld aan de beheerder van een icbe verstrekt.

4.

Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op achtereenvolgende persoonlijke transacties, met uitzondering van de eerste persoonlijke transactie, die worden uitgevoerd namens een relevante persoon overeenkomstig vooraf door de relevante persoon gegeven instructies, wanneer de instructies ongewijzigd van kracht blijven.

Artikel 35f

Een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, niet zijnde een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 32, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, voldoet aan het bepaalde in artikel 52, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, met inachtneming van het bepaalde in het tweede en het bepaalde ingevolge het derde lid van dat artikel.

Artikel 35g
1.

Een schadeverzekeraar met zetel in Nederland die zich bezighoudt met de afhandeling van letselschade beschikt over adequate procedures en maatregelen die ten minste waarborgen dat de schadeverzekeraar van degene die de schade heeft veroorzaakt, zijn schaderegelaar of het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen:

  • a. de ontvangst van de aansprakelijkstelling schriftelijk bevestigt aan de benadeelde of diens belangenbehartiger, uiterlijk twee weken na de datum van de ontvangst;
  • b. direct na de aansprakelijkstelling een onderzoek start naar de aansprakelijkheid van haar verzekerde;
  • c. binnen zes weken reageert op inhoudelijke correspondentie van de benadeelde en diens belangenbehartiger;
  • d. binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de aansprakelijkstelling een onderbouwd standpunt over de aansprakelijkheid inneemt;
  • e. ten minste eenmaal per jaar persoonlijk contact heeft met de benadeelde en diens belangenbehartiger om zich op de hoogte te stellen van diens letsel en de situatie, tenzij de benadeelde aangeeft op dat contact geen prijs te stellen;
  • f. de schade die door de schadeverzekeraar is erkend of tussen partijen definitief is vastgesteld uitkeert binnen 14 dagen na deze erkenning of definitieve vaststelling; en
  • g. indien de schadebehandeling langer duurt dan twee jaar na de schademelding, het initiatief neemt om met de benadeelde of diens belangenbehartiger na te gaan wat daarvan de oorzaak is.
2.

Het eerste lid is van toepassing op een schadeverzekeraar die zich bezighoudt met aansprakelijkheid bij bedrijfsongevallen en beroepsziekte, voor zover dekking bestaat krachtens de polis en de aansprakelijkheid gedeeltelijk of geheel is vastgesteld. Het eerste lid is niet van toepassing op een schadeverzekeraar voor zover deze zich bezighoudt met medische aansprakelijkheidszaken.

3.

Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op een schadeverzekeraar die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent.

Artikel 35h

Vervallen

Hoofdstuk 6. Uitbesteden van werkzaamheden

Artikel 38a
1.

Indien een beheerder van een icbe voornemens is de werkzaamheden, bedoeld in bijlage II van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten of artikel 2:69c, eerste en tweede lid, van de wet uit te besteden, stelt hij de Autoriteit Financiële Markten daarvan in kennis. De Autoriteit Financiële Markten geeft deze informatie onverwijld door aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat van de zetel van de icbe.

2.

Een beheerder van een icbe die het beheer van een icbe uitbesteedt draagt er zorg voor dat:

  • a. uitbesteding van het beheer van beleggingsinstellingen geschiedt aan een derde waaraan voor het beheren van beleggingsinstellingen, het beheren van icbe’s of het beheren van individuele vermogens een vergunning of erkenning is verleend en die aan prudentieel toezicht is onderworpen;
  • b. bij uitbesteding van het beheer van beleggingen aan een derde met zetel in een staat die geen lidstaat of aangewezen staat is, de samenwerking van de toezichthouders met de toezichthoudende instanties van de staat van de zetel van de derde op grond van een overeenkomst is gewaarborgd;
  • c. de belangen van de derde niet strijdig zijn met die van de beheerder zelf, de bewaarder of de deelnemers in de icbe;
  • d. de uitbesteding niet verhindert dat wordt gehandeld in het beste belang van de deelnemers; en
  • e. hij de nodige deskundigheid behoudt om een doeltreffende controle op de uitbestede werkzaamheden uit te oefenen;
  • f. hij voldoende middelen en deskundigheid behoudt ten behoeve van de doeltreffende integratie van duurzaamheidsrisico’s; en
  • g. hij over de nodige deskundigheid beschikt en de nodige zorgvuldigheid en waakzaamheid in acht neemt bij het aangaan, beheren of beëindigen van overeenkomsten met derden.
3.

De beheerder draagt er zorg voor dat de betrokken derde over de nodige deskundigheid en capaciteit beschikt om de uitbestede werkzaamheden op betrouwbare, professionele en doeltreffende wijze uit te oefenen. De beheerder stelt methoden vast voor de doorlopende beoordeling van het prestatieniveau van de desbetreffende derde.

Artikel 38b

Vervallen

Artikel 38c

Vervallen

Artikel 38d

Vervallen

Artikel 38e

Vervallen

Hoofdstuk 7. Klachtenafhandeling

§ 5.2. Gedragsaspecten van de bedrijfsvoering

Hoofdstuk 8. Zorgvuldige dienstverlening

Afdeling 8.1. Informatieverstrekking

§ 7.1. Interne klachtenprocedure

Artikel 49a
1.

Een verzekeraar, adviseur, bemiddelaar in verzekeringen, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent verstrekt de ingevolge deze afdeling en de artikelen 4:20, eerste en derde lid, 4:22, eerste lid, en 4:25b, eerste en tweede lid, van de wet aan de cliënt te verstrekken informatie schriftelijk en kosteloos, tenzij in deze afdeling of die artikelen anders wordt bepaald.

2.

De financiëledienstverlener kan na uitdrukkelijke toestemming van de cliënt en indien dit past in de context waarin hij met de cliënt zaken doet, de informatie op een andere duurzame drager verstrekken.

3.

De financiëledienstverlener verstrekt de informatie, bedoeld in het eerste lid, in de Nederlandse taal of in de taal waar het risico is gelegen of in elke andere taal die door partijen is overeengekomen.

4.

De financiëledienstverlener kan, na toestemming van de cliënt, de ingevolge deze afdeling en de artikelen 4:20, eerste en derde lid, 4:22, eerste lid, en 4:25b, eerste en tweede lid, van de wet te verschaffen informatie die niet persoonlijk tot de cliënt is gericht via haar website verstrekken indien:

  • a. het gebruik van de website past in de context waarin hij met de cliënt zaken doet;
  • b. de cliënt elektronisch op de hoogte wordt gesteld van het adres van de website en de plaats op de website waar de informatie kan worden verkregen;
  • c. de informatie actueel is en, zolang dat voor de cliënt van belang is, op de website toegankelijk blijft.
5.

De verstrekking van informatie door de financiëledienstverlener aan de cliënt via een andere duurzame drager dan papier of via een website past in de context waarin de financiëledienstverlener met de cliënt zaken doet, indien is bewezen dat de cliënt regelmatig toegang heeft tot internet. Het gegeven dat de cliënt een e-mailadres opgeeft om zaken te kunnen doen geldt in ieder geval als bewijs hiervan.

6.

Een financiëledienstverlener verstrekt informatie die aan de cliënt via een andere duurzame drager dan papier of via een website is verstrekt op verzoek schriftelijk en kosteloos aan de cliënt.

Artikel 49b

Een cliënt die als niet-professionele belegger is gekwalificeerd, kan door een beleggingsonderneming of beheerder van een beleggingsinstelling op schriftelijk verzoek als professionele belegger worden behandeld indien is voldaan aan het in artikel 4:18c van de wet bepaalde, en:

  • a. de beleggingsonderneming of beheerder van een beleggingsinstelling de cliënt schriftelijk waarschuwt voor het lagere beschermingsniveau en het niet van toepassing zijn van het beleggerscompensatiestelsel; en
  • b. de cliënt in een afzonderlijk document bevestigt dat hij zich bewust is van de gevolgen die aan het lagere beschermingsniveau verbonden zijn.

§ 7.2. Erkende geschilleninstantie

§ 8.1.1a. Cliëntenclassificatie

Artikel 51a
1.

Een beleggingsonderneming verleent geen beleggingsdienst aan een cliënt dan nadat de desbetreffende cliënt ervan in kennis is gesteld dat telefoongesprekken, elektronische communicatie of gesprekken tussen de beleggingsonderneming en de cliënt die gericht zijn op het verrichten van transacties, zullen worden opgenomen of vastgelegd.

2.

De beleggingsonderneming verstrekt op verzoek aan een cliënt de opnames of verslagen van de gesprekken, bedoeld in het eerste lid.

§ 8.1.2. Algemene informatie over beheerders, beleggingsinstellingen, bewaarders, beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

§ 7.2. Erkende geschilleninstantie

Artikel 58a
1.

De beleggingsonderneming informeert de cliënt voorafgaand aan het advies over financiële instrumenten of:

  • a. het advies op afhankelijke of onafhankelijke basis wordt verstrekt;
  • b. of het advies op een brede dan wel beperktere analyse van verschillende soorten financiële instrumenten is gebaseerd;
  • c. de cliënt een periodieke beoordeling ontvangt van de geschiktheid van de financiële instrumenten die de beleggingsonderneming aan de cliënt heeft geadviseerd.
2.

Indien een beleggingsonderneming aan een niet-professionele belegger meedeelt dat hij een periodieke beoordeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ontvangt, verstrekt de beleggingsonderneming een bijgewerkte geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4:23, vierde lid, van de wet.

3.

Indien een beleggingsonderneming onafhankelijk adviseert over financiële instrumenten:

  • a. beoordeelt zij een toereikend aantal op de markt verkrijgbare financiële instrumenten die voldoende divers zijn wat type, uitgevende instelling of aanbieder betreft zodat aan de beleggingsdoelstelling van de cliënt kan worden voldaan;
  • b. worden de financiële instrumenten niet uitsluitend aangeboden door de beleggingsonderneming zelf of door entiteiten die nauwe banden met de beleggingsonderneming hebben of andere entiteiten waarmee de beleggingsonderneming in een zodanig nauw juridisch of economisch verband staat dat het risico bestaat dat dit afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van het verstrekte advies;
  • c. voldoet zij aan de artikelen 52, tweede lid, en 53, eerste en tweede lid, van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen; en
  • d. geeft zij de ontvangen provisies in zijn geheel door aan de professionele belegger indien zij advies geeft aan een professionele belegger.
Artikel 58b

Vervallen

Artikel 58c

Vervallen

Artikel 58d

Vervallen

Artikel 58e

Vervallen

Artikel 58f

Vervallen

§ 8.1.5. Financiële bijsluiter

§ 8.1.2. Algemene informatie over financiële ondernemingen

Artikel 71a

Vervallen

§ 7.2. Aangewezen geschilleninstantie

Afdeling 8.2. Overige bepalingen met betrekking tot zorgvuldige dienstverlening

§ 7.1. Interne klachtenprocedure

Artikel 80a

Vervallen

Artikel 80b

Vervallen

Artikel 80c

Vervallen

Artikel 80d

Als financieel instrument in de zin van artikel 4:24, vijfde lid, aanhef en onderdeel f, van de wet worden aangewezen financiële instrumenten die voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 57 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen.

§ 8.1.4. Verplichte precontractuele informatie

Hoofdstuk 8. Zorgvuldige dienstverlening

Afdeling 8.1. Informatieverstrekking

§ 8.1.1. Inleidende bepalingen

§ 8.1.1a. Cliëntenclassificatie

§ 8.1.2. Algemene informatie over financiële ondernemingen

§ 8.1.2a. Informatieverstrekking door beleggingsondernemingen en aanbieders van hypothecair krediet

Afdeling 9.2. Meldingsplicht accountant

Hoofdstuk 10. Aanvullende regels betreffende aanbieden

Afdeling 10.1. Beleggingsobjecten

Afdeling 10.2. Krediet

§ 8.1.7. Informatieverstrekking in het kader van een overeenkomst op afstand

§ 8.1.7. Informatieverstrekking in het kader van een overeenkomst op afstand

Afdeling 10.3. Rechten van deelneming in een beleggingsinstelling

§ 9.1.2. Beleggingsondernemingen

§ 8.1.6. Informatie gedurende de looptijd van een overeenkomst

Afdeling 9.1. Melding wijzigingen door financiële ondernemingen

Hoofdstuk 11. Aanvullende regels betreffende bemiddelen

Afdeling 8.2. Overige bepalingen met betrekking tot zorgvuldige dienstverlening

Afdeling 9.1. Melding wijzigingen door financiële ondernemingen

Afdeling 8.2. Overige bepalingen met betrekking tot zorgvuldige dienstverlening

Hoofdstuk 9. Meldingsplichten

Hoofdstuk 13. Aanvullende regels betreffende optreden als clearinginstelling

Hoofdstuk 14. Aanvullende regels betreffende verlenen van beleggingsdiensten en verrichten van beleggingsactiviteiten

§ 8.2.2. Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 4:25, eerste lid, 4:25a, eerste lid, en 4:25b van de wet

Artikel 164a

De beleggingsonderneming stelt een werknemer aan die over voldoende vaardigheden en gezag beschikt en specifiek is belast met het toezicht op de naleving van de regels betreffende het beschermen van de rechten van cliënten op aan hen toebehorende financiële instrumenten en gelden door de beleggingsonderneming.

Artikel 164b

Vervallen

Artikel 165a
1.

Een beleggingsonderneming die financiële instrumenten voor een cliënt aanhoudt op een rekening bij een derde, past de nodige bekwaamheid, zorgvuldigheid en waakzaamheid toe bij de selectie, aanwijzing en periodieke beoordeling van de derde en van de regelingen voor het aanhouden en bewaren van de betrokken financiële instrumenten. De beleggingsonderneming houdt daarbij rekening met de deskundigheid en marktreputatie van de betrokken derde, evenals met alle op het aanhouden van deze financiële instrumenten betrekking hebbende wettelijke verplichtingen of marktpraktijken die de rechten van de cliënt nadelig kunnen beïnvloeden.

2.

Indien het bewaren van financiële instrumenten voor rekening van een andere persoon onderworpen is aan specifieke regelgeving in een rechtsgebied waar een beleggingsonderneming deze financiële instrumenten van cliënten bij een derde wil aanhouden, houdt de beleggingsonderneming deze financiële instrumenten niet aan in dat rechtsgebied bij een derde die niet aan het toezicht op de naleving van deze regels onderworpen is.

3.

Een beleggingsonderneming houdt financiële instrumenten niet voor een cliënt aan bij een derde in een staat die geen lidstaat is waar het aanhouden en bewaren van financiële instrumenten voor rekening van een andere persoon niet aan regels is gebonden, tenzij:

  • a. de aard van de financiële instrumenten of van de met deze instrumenten verband houdende beleggingsdiensten vereist dat ze worden aangehouden bij een derde in die staat; of
  • b. indien het financiële instrumenten betreft die voor een professionele belegger worden aangehouden, deze aan de beleggingsonderneming schriftelijk heeft verzocht om ze in die staat bij een derde aan te houden.
Artikel 165b
1.

Een beleggingsonderneming die gelden van een cliënt ontvangt stort deze gelden onmiddellijk op een of meer rekeningen bij:

  • a. een centrale bank;
  • b. een bank waaraan een vergunning als bedoeld in de richtlijn kapitaalvereisten is verleend;
  • c. een bank waaraan in een staat die geen lidstaat is vergunning is verleend voor het uitoefenen van het bedrijf van bank;
  • d. een erkend geldmarktfonds indien de cliënt daarmee uitdrukkelijk heeft ingestemd.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend voor het uitoefenen van het bedrijf van bank.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel d, wordt onder een erkend geldmarktfonds verstaan een erkend geldmarktfonds in de zin van artikel 1, vierde lid, van de gedelegeerde uitvoeringsrichtlijn markten voor financiële instrumenten 2014.

4.

Indien de beleggingsonderneming gelden niet bij een centrale bank aanhoudt, past zij de nodige bekwaamheid, zorgvuldigheid en waakzaamheid toe bij de selectie, aanwijzing en periodieke beoordeling van de bank of het geldmarktfonds waar de gelden worden gestort, en van de regelingen voor het aanhouden van de desbetreffende gelden en de beoordeling van de behoefte aan diversificatie van deze gelden. De beleggingsonderneming houdt in elk geval rekening met de deskundigheid en de marktreputatie van de bank of het geldmarktfonds om de rechten van cliënten te beschermen, evenals met alle op het aanhouden van gelden van cliënten betrekking hebbende wettelijke verplichtingen of marktpraktijken die de rechten van de cliënt nadelig kunnen beïnvloeden.

5.

De beleggingsonderneming stort niet meer dan 20 procent van alle gelden bij een bank die of erkend geldmarktfonds dat deel uitmaakt van dezelfde groep als de beleggingsonderneming tenzij de beleggingsonderneming beoordeelt en kan aantonen dat gelet op de aard, omvang en complexiteit van de beleggingsonderneming, het geringe bedrag aan gelden die de beleggingsonderneming aanhoudt en de bescherming die de bank of het erkend geldmarktfonds biedt, dit voorschrift onevenredig is. De beleggingsonderneming stelt de Autoriteit Financiële Markten in kennis van deze beoordeling.

6.

De beleggingsonderneming evalueert periodiek de uitkomst van de beoordeling, bedoeld in het vijfde lid, en meldt wijzigingen aan de Autoriteit Financiële Markten.

Artikel 165c
1.

Een beleggingsonderneming gaat geen overeenkomsten inzake effectenfinancieringstransacties aan met betrekking tot financiële instrumenten die zij voor een cliënt aanhoudt, en maakt ook niet anderszins gebruik van dergelijke financiële instrumenten voor eigen rekening of voor rekening van een andere cliënt van de onderneming, tenzij:

  • a. de cliënt vooraf uitdrukkelijk heeft ingestemd met het gebruik van de financiële instrumenten onder daarbij gespecificeerde voorwaarden, hetgeen wordt aangetoond door zijn handtekening; en
  • b. de financiële instrumenten van deze cliënt uitsluitend worden gebruikt onder de gespecificeerde voorwaarden waarmee de cliënt heeft ingestemd.
2.

Een beleggingsonderneming gaat geen overeenkomsten inzake effectenfinancieringstransacties aan met betrekking tot financiële instrumenten die zij voor een cliënt op een omnibusrekening bij een derde aanhoudt, en maakt ook niet anderszins gebruik van dergelijke financiële instrumenten voor eigen rekening of voor rekening van een andere cliënt, tenzij, onverminderd het eerste lid:

  • a. de cliënt vooraf uitdrukkelijk zijn instemming heeft verleend; of
  • b. de beleggingsonderneming beschikt over systemen en controlemiddelen die waarborgen dat de betrokken financiële instrumenten toebehoren aan cliënten die vooraf uitdrukkelijk hun instemming hebben verleend. Op het verlenen van instemming is het eerste lid, onderdeel a, van overeenkomstige toepassing.
3.

De gegevens van de beleggingsonderneming omvatten bijzonderheden over de cliënt met wiens toestemming de financiële instrumenten zijn gebruikt, alsook het aantal gebruikte financiële instrumenten dat toebehoort aan elke cliënt die zijn instemming heeft verleend, teneinde eventuele verliezen op correcte wijze te kunnen toewijzen.

4.

De beleggingsonderneming neemt de volgende maatregelen om ongeoorloofd gebruik van financiële instrumenten voor eigen rekening of voor rekening van een andere cliënt van de onderneming te voorkomen:

  • a. het sluiten van een overeenkomst met de cliënt waarin is opgenomen welke maatregelen de beleggingsonderneming kan nemen indien de cliënt op de datum van afwikkeling onvoldoende voorzieningen op zijn rekening heeft;
  • b. het nauwlettend monitoren dat op de datum van afwikkeling daadwerkelijk kan worden geleverd en indien dit niet mogelijk is compenserende maatregelen te treffen;
  • c. het nauwlettend monitoren en onverwijld opvragen van uitstaande effecten op de datum van afwikkeling en daarna.
5.

De beleggingsonderneming treft maatregelen zodat de zekerheden die worden verschaft door degene aan wie financiële instrumenten van de cliënt worden uitgeleend passend zijn en ziet toe op de voortdurende passendheid van deze zekerheden en neemt indien nodig maatregelen om de zekerheden in evenwicht te houden met de waarde van de financiële instrumenten van de cliënt.

6.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een effectenfinancieringstransactie verstaan een effectenfinancieringstransactie als bedoeld in artikel 3, onder 11, van de Verordening (EU) nr. 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2015, L 337).

Artikel 165d

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:87, eerste en tweede lid, van de wet die financiële instrumenten en gelden voor een cliënt onder zich houdt legt eenmaal per jaar aan de Autoriteit Financiële Markten een verslag over van een externe accountant over de deugdelijkheid van de in haar bedrijfsvoering getroffen maatregelen om te voldoen aan de artikelen 165 tot en met 165f.

Artikel 167a

Een financiëledienstverlener die verzekeringen met een beleggingscomponent aanbiedt of adviseert over of bemiddelt in verzekeringen met een beleggingscomponent voldoet ter voldoening aan de artikelen 4:88, eerste en tweede lid, en 4:91q van de wet aan de artikelen 3 tot en met 8 van de gedelegeerde verordening (EU) nr. 2017/2359 van de Commissie van 21 september 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2016/97/EU van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van informatievereisten en gedragsregels die van toepassing zijn op de distributie van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PbEU 2017, L 341).

Artikel 167b

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:88, tweede lid, van de wet, brengt de cliënt, indien een belangenconflict onvermijdelijk blijkt te zijn, hiervan door middel van een duurzame drager op de hoogte. De beleggingsonderneming vermeldt daarbij, met inachtneming van de kenmerken van de cliënt, voldoende bijzonderheden om deze in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te nemen ten aanzien van de beleggingsdienst, beleggingsactiviteit of nevendienst in verband waarmee het belangenconflict zich voordoet.

Artikel 168a
1.

Een beleggingsonderneming verschaft of ontvangt, rechtstreeks of middellijk, geen provisie met betrekking tot het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst aan een niet-professionele belegger.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

  • a. provisies die rechtstreeks worden verschaft door de cliënt of degene die namens hem optreedt;
  • b. provisies die noodzakelijk zijn voor het verlenen van de betreffende dienst of de betreffende dienst mogelijk maken;
  • c. provisies voor het verlenen van een beleggingsdienst als bedoeld in de onderdelen e en f van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, indien:
  • 1°. de cliënt op uitvoerige, accurate en begrijpelijke wijze mededeling wordt gedaan van het bestaan, de aard en het bedrag, of indien het bedrag niet kan worden achterhaald, de wijze van berekening daarvan, van de provisie voordat de desbetreffende dienst wordt verleend;
  • 2°. de provisie de kwaliteit van de desbetreffende dienst ten goede komt als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de gedelegeerde uitvoeringsrichtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 en wordt voldaan aan artikel 11, vierde lid, van die gedelegeerde uitvoeringsrichtlijn; en
  • 3°. de provisie niet leidt tot belangenconflicten en geen afbreuk doet aan de verplichting van de beleggingsonderneming om zich in te zetten voor de belangen van de niet-professionele belegger;
  • d. provisies die worden verschaft door een beleggingsonderneming aan een door die beleggingsonderneming met inachtneming van artikel 2:97, vijfde lid, van de wet aangemelde verbonden agent dan wel provisies die door die verbonden agent aan de betrokken beleggingsonderneming worden verschaft;
  • e. kleine niet-geldelijke provisies mits de belegger hierover duidelijk is geïnformeerd voordat de desbetreffende dienst wordt verleend.
3.

Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel e, wordt onder kleine niet-geldelijke provisie verstaan:

  • a. een kleine niet-geldelijke provisie als bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdelen a tot en met d, van de gedelegeerde uitvoeringsrichtlijn markten voor financiële instrumenten 2014;
  • b. een proefperiode met betrekking tot onderzoek op beleggingsgebied indien:
  • 1°. de proefperiode is overeengekomen voordat de beleggingsonderneming heeft aangegeven een overeenkomst met betrekking tot onderzoek op beleggingsgebied te willen aangaan waarvoor een vergoeding in rekening wordt gebracht;
  • 2°. voor aanvang van de proefperiode de reikwijdte en omvang van de onderzoeken op beleggingsgebied tijdens de proefperiode worden overeengekomen;
  • 3°. de duur van de proefperiode vooraf is vastgesteld en maximaal drie maanden bedraagt;
  • 4°. de proefperiode niet binnen twaalf maanden aanvangt na afloop van een eerder afgesloten contract of een eerder overeengekomen proefperiode bij dezelfde aanbieder van onderzoeken op beleggingsgebied; en
  • 5°. geen geldelijke of niet-geldelijke verplichtingen verbonden zijn aan de proefperiode.
4.

Indien onderzoek op beleggingsgebied voldoet aan artikel 13 van de gedelegeerde uitvoeringsrichtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 kwalificeert het onderzoek niet als provisie.

5.

Indien de beleggingsonderneming de niet-professionele belegger mededeling heeft gedaan van de wijze van berekening van de provisie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, onder 1°, deelt de beleggingsonderneming het bedrag van de provisie mede aan de niet-professionele belegger op het moment dat het bedrag van de ontvangen provisie bekend is.

Hoofdstuk 15. Slotbepalingen

Bijlage A. behorend bij artikel 1, onderdeel dd

    1. Bij de berekening van de theoretische looptijd van doorlopend krediet wordt ervan uitgegaan dat:
  • a. de overeenkomst inzake krediet overeenkomstig de bij het aangaan van de overeenkomst inzake het krediet vastgestelde hoogte en lengte van het termijnbedrag wordt afgewikkeld;
  • b. geen wijzigingen optreden in de kredietvergoeding, tenzij het wijzigingen betreft waarvan de omvang bij het aangaan van de overeenkomst inzake krediet is vastgesteld;
  • c. het uitstaand saldo op het tijdstip waarop door de aanbieder van krediet een geldsom ter beschikking wordt gesteld onderscheidenlijk met het verschaffen van het genot van een roerende zaak of een effect of het verlenen van een dienst een aanvang wordt gemaakt, gelijk is aan de kredietlimiet; en
  • d. het uitstaand saldo niet toeneemt anders dan uit hoofde van het in rekening brengen van kredietvergoeding.
    1. Bij overeenkomsten inzake doorlopend krediet waarbij het kredietvergoedingspercentage per betalingstermijn, de betalingstermijn en het termijnbedrag, met uitzondering van het laatste termijnbedrag, gelijk blijven, bedraagt de theoretische looptijd n betalingstermijnen, waarbij n de uitkomst is van de volgende formule: (log T – log (T – im.K)) / log (1 + im) In deze formule is:
  • T: het termijnbedrag;
  • im: het honderdste deel van het kredietvergoedingspercentage per betalingstermijn;
  • m: het aantal betalingstermijnen per jaar;
  • K: de kredietlimiet.
    1. Bij overeenkomsten inzake doorlopend krediet die niet voldoen aan de in het tweede lid genoemde kenmerken wordt de theoretische looptijd berekend als de som van de lengten van de betalingstermijnen die verstrijken alvorens het uitstaand saldo tot nihil is teruggebracht.
    1. Bij de bepaling van de theoretische looptijd wordt het aantal betalingstermijnen op een geheel getal naar boven afgerond.

Bijlage A. behorend bij artikel 1, onderdeel dd

    1. Bij de berekening van de theoretische looptijd van doorlopend krediet wordt ervan uitgegaan dat:
  • a. de overeenkomst inzake krediet overeenkomstig de bij het aangaan van de overeenkomst inzake het krediet vastgestelde hoogte en lengte van het termijnbedrag wordt afgewikkeld;
  • b. geen wijzigingen optreden in de kredietvergoeding, tenzij het wijzigingen betreft waarvan de omvang bij het aangaan van de overeenkomst inzake krediet is vastgesteld;
  • c. het uitstaand saldo op het tijdstip waarop door de aanbieder van krediet een geldsom ter beschikking wordt gesteld onderscheidenlijk met het verschaffen van het genot van een roerende zaak of een effect of het verlenen van een dienst een aanvang wordt gemaakt, gelijk is aan de kredietlimiet; en
  • d. het uitstaand saldo niet toeneemt anders dan uit hoofde van het in rekening brengen van kredietvergoeding.
    1. Bij overeenkomsten inzake doorlopend krediet waarbij het kredietvergoedingspercentage per betalingstermijn, de betalingstermijn en het termijnbedrag, met uitzondering van het laatste termijnbedrag, gelijk blijven, bedraagt de theoretische looptijd n betalingstermijnen, waarbij n de uitkomst is van de volgende formule: (log T – log (T – im.K)) / log (1 + im) In deze formule is:
  • T: het termijnbedrag;
  • im: het honderdste deel van het kredietvergoedingspercentage per betalingstermijn;
  • m: het aantal betalingstermijnen per jaar;
  • K: de kredietlimiet.
    1. Bij overeenkomsten inzake doorlopend krediet die niet voldoen aan de in het tweede lid genoemde kenmerken wordt de theoretische looptijd berekend als de som van de lengten van de betalingstermijnen die verstrijken alvorens het uitstaand saldo tot nihil is teruggebracht.
    1. Bij de bepaling van de theoretische looptijd wordt het aantal betalingstermijnen op een geheel getal naar boven afgerond.

1. Basismodule vakbekwaamheid

1.2. De personen zijn in staat:

1.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het aanbieden van:

1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden de eindtermen genoemd in de onderdelen 1.2 tot en met 1.7.

1.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het aanbieden van:

2.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden, met betrekking tot hypothecair krediet, de eindtermen genoemd in de onderdelen 2.2 tot en met 2.4.

2.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over hypothecair krediet:

3. Consumptief krediet

2.6. De personen zijn in staat met betrekking tot de totstandkoming van transacties van financiële instrumenten:

3.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over consumptief krediet:

3.2. De personen zijn in staat met betrekking tot consumptief krediet:

3.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over consumptief krediet:

4.3. De personen zijn in staat, met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over de schadeverzekeringen:

4.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden met betrekking tot schadeverzekeringen de eindtermen genoemd in de onderdelen 4.2 tot en met 4.5.

1.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het aanbieden van:

1.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in financiële producten:

1.6. De personen zijn in staat met betrekking tot het verlenen van financiële diensten inzake:

1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden de eindtermen genoemd in de onderdelen 1.2 tot en met 1.7.

1.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in financiële producten:

1.5. De personen zijn in staat de schakels tussen uitgevende instellingen en eindbelegger in het kader van het verlenen van beleggingsdiensten te beschrijven.

1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden de eindtermen genoemd in de onderdelen 1.2 tot en met 1.7.

1.2. De personen zijn in staat:

Bijlage A. , inhoudende de basisvergelijking en aanvullende hypothesen, bedoeld in de definitie van jaarlijks kostenpercentage in artikel 1

  • I. De basisvergelijking die de gelijkwaardigheid van de kredietopnemingen enerzijds en de aflossingen en kosten anderzijds weergeeft. De basisvergelijking ter bepaling van het jaarlijks kostenpercentage (JKP) geeft op jaarbasis de gelijkheid weer tussen de som van de geactualiseerde waarden van de kredietopnemingen enerzijds, en de som van de geactualiseerde waarden van de aflossingen en kosten anderzijds: waarin: X = het JKP; m = het volgnummer van de laatste kredietopneming; k = het volgnummer van een kredietopneming, waarbij 1 ≤ k ≤ m; Ck = het bedrag van kredietopneming nummer k; tk = het tijdsinterval, uitgedrukt in jaren en fracties van jaren, tussen de datum van de eerste kredietopneming en de datum van elke latere kredietopneming, waarbij t1 = 0; m’ = het volgnummer van de laatste aflossing of betaling; l = het volgnummer van een aflossing of betaling; Dl = het bedrag van een aflossing of betaling; sl = het tijdsinterval, uitgedrukt in jaren en fracties van jaren, tussen de datum van de eerste kredietopneming en de datum van elke aflossing of betaling. Opmerkingen:
  • a). de door beide partijen op diverse tijdstippen betaalde bedragen zijn niet noodzakelijk gelijk en worden niet noodzakelijk met gelijke tussenpozen betaald.
  • b). de aanvangsdatum is die van de eerste kredietopneming.
  • c). het verschil tussen de data die bij de berekeningsmethoden worden gebruikt, wordt uitgedrukt in jaren of fracties van jaren. Een jaar wordt geacht 365 dagen (voor schrikkeljaren 366 dagen), 52 weken of twaalf gelijke maanden te tellen. Een gelijke maand wordt geacht 30,41666 dagen te tellen (dat wil zeggen 365/12), zowel voor gewone jaren als schrikkeljaren.
  • d). de uitkomst van de berekening wordt ten minste tot op de eerste decimaal weergegeven. Als de volgende decimaal groter is dan of gelijk is aan 5, wordt de eerste decimaal met 1 vermeerderd.
  • e). de vergelijking kan met slechts één sommatie worden herschreven aan de hand van het begrip flux (Ak). De flux is positief of negatief, dat wil zeggen wordt gedurende de perioden 1 tot en met k respectievelijk betaald of ontvangen, en wordt uitgedrukt in jaren: S is het saldo van de geactualiseerde flux en bedraagt nul indien de flux gelijkwaardig is.
  • II. Aanvullende hypothesen voor de berekening van het jaarlijks kostenpercentage:
  • a). indien de consument op grond van de overeenkomst inzake krediet vrij kan kiezen hoeveel krediet hij opneemt, wordt verondersteld dat het totale kredietbedrag onmiddellijk volledig wordt opgenomen;
  • b). indien een overeenkomst inzake krediet mogelijkheden van kredietopneming met verschillende kosten of debetrentevoeten biedt, wordt verondersteld dat het totale kredietbedrag tegen de hoogste kosten en debetrentevoet wordt opgenomen, toegepast op het meest gebruikelijke mechanisme voor kredietopneming waarvan in het kader van dat soort overeenkomst inzake krediet wordt gebruikgemaakt;
  • c). indien een overeenkomst inzake krediet de consument in het algemeen de vrijheid biedt om te kiezen hoeveel krediet hij opneemt, maar bij de verschillende wijzen van kredietopneming een beperking oplegt met betrekking tot het bedrag en de termijn, wordt verondersteld dat het kredietbedrag op de vroegste datum waarin de overeenkomst voorziet overeenkomstig deze kredietopnemingsbeperkingen wordt opgenomen;
  • d). indien er geen aflossingsschema is vastgesteld, wordt ervan uitgegaan:
  • i). dat het krediet wordt verleend voor een periode van één jaar, en
  • ii). dat het krediet in twaalf gelijke maandelijkse termijnen wordt afgelost;
  • e). indien er een aflossingsschema is vastgesteld, maar het bedrag van de aflossingen flexibel is, wordt verondersteld dat het bedrag van elke aflossing het laagste is waarin de overeenkomst voorziet;
  • f). indien in de overeenkomst inzake krediet verscheidene aflossingsdata worden vermeld, wordt het krediet, tenzij anders wordt bepaald, ter beschikking gesteld en worden de aflossingen op de eerste van deze data verricht;
  • g). indien het plafond dat van toepassing is op het krediet nog niet is overeengekomen, wordt het geacht 1500 EUR te zijn;
  • h). in geval van een geoorloofde debetstand op een rekening wordt verondersteld dat het totale kredietbedrag volledig en voor de volledige duur van de overeenkomst inzake krediet wordt opgenomen. Indien de duur van de overeenkomst inzake krediet onbekend is, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de hypothese dat de duur van het krediet drie maanden bedraagt;
  • i). indien voor een beperkte termijn of een beperkt bedrag verschillende rentevoeten en kosten worden aangeboden, worden de hoogste rentevoet en de hoogste kosten geacht de rentevoet en de kosten voor de gehele duur van de overeenkomst inzake krediet te zijn;
  • j). met betrekking tot overeenkomsten inzake krediet waarvoor een vaste debetrentevoet voor de eerste periode is overeengekomen en waarvoor aan het eind van deze periode een nieuwe debetrentevoet wordt vastgesteld die vervolgens periodiek wordt aangepast volgens een overeengekomen indicator, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de hypothese dat vanaf het eind van de periode met vaste debetrentevoet de debetrentevoet dezelfde is als op het ogenblik van de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage, gebaseerd op de waarde van de overeengekomen indicator op dat moment.

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel a

1. Basismodule vakbekwaamheid

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel a

1.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in financiële producten:

2. Hypothecair krediet

3. Consumptief krediet

2.5. De personen zijn in staat met betrekking tot financiële instrumenten:

3. Financiële antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel b

3. Consumptief krediet

3. Consumptief krediet

4. Schadeverzekeringen

5. Levensverzekeringen

4. Schadeverzekeringen

4. Schadeverzekeringen

4. Toezichtantecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel c

5. Levensverzekeringen

4.4. De personen zijn in staat, met betrekking tot beheer en mutatie van de overeenkomst inzake de schadeverzekeringen:

6. Volmacht

4.6. De personen beschikken over een grondige kennis van het algemene verzekeringsrecht en zijn in staat om deze kennis toe te passen bij schadeverzekeringen.

5. Levensverzekeringen

5.2. Zakelijk

Bijlage C. behorend bij artikel 13

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel a

5.5. De personen zijn in staat bij een mogelijke aanspraak/vordering op een bestaande (aanvullende) levensverzekering:

6. Overige antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel e

6. Volmacht

6.3. De personen beschikken met betrekking tot brandverzekeringen over:

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel a

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel a

2.1. Veroordelingen

Bijlage E. behorend bij artikel 118, eerste lid

2.2. Transacties

1.7. De personen zijn in staat met betrekking tot:

4. Toezichtantecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel c

4.1. Toezichtantecedenten

4.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden met betrekking tot schadeverzekeringen de eindtermen genoemd in de onderdelen 4.2 tot en met 4.5.

5.2. Zakelijk

2.1. Veroordelingen

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Autoriteit Financiële Markten van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

7.1. De personen baseren hun advisering met betrekking tot pensioenverzekeringen en premiepensioenvorderingen op:

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs voor de Autoriteit Financiële Markten van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

1.6. Indien van toepassing: de naam van de bewaarder die de activa van de beleggingsinstelling bewaart.

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

1.8. Een verklaring dat de bewaarder volgens het recht van de staat waar de beleggingsinstelling haar zetel heeft jegens de beleggingsinstelling en de deelnemers aansprakelijk is voor door hen geleden schade voorzover de schade het gevolg is van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen, ook wanneer de bewaarder de bij hem in bewaring gegeven activa geheel of ten dele aan een derde heeft toevertrouwd.

4. Schadeverzekeringen

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

1.11. De wijze waarop deelnemers klachten over de beleggingsinstelling kunnen indienen bij de beheerder.

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

3.1. De naam en rechtsvorm van de beheerder, de statutaire zetel en plaats van het hoofdkantoor van de beheerder indien deze plaats afwijkt van die van de statutaire zetel alsmede de oprichtingsdatum en de tijd waarvoor de rechtspersoon is opgericht die de functie van beheerder vervult indien deze niet voor onbepaalde tijd is aangegaan.

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

3.6. Indien van toepassing: een beschrijving van de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur waarin iedere bewaarder met andere personen is verbonden.

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel a

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

4.2. Indien beschikbaar: een verklaring van een accountant dat de jaarrekening van de beheerder en iedere bewaarder is onderzocht. Indien de verklaring voorbehouden bevat dan wel een oordeelonthouding worden de redenen daarvan in de tekst van de verklaring vermeld.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)