Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot het gedragstoezicht op financiële ondernemingen (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)
- 1°. worden uitgegeven of gegarandeerd door een centrale, regionale of plaatselijke overheid, de centrale bank van een lidstaat, de Europese Centrale Bank, de Europese Unie of de Europese Investeringsbank, een staat die geen lidstaat is, een deelstaat van een federale staat of een internationale publiekrechtelijke instelling waarin een of meer lidstaten deelnemen;
- 2°. worden uitgegeven door een onderneming waarvan effecten worden verhandeld op een gereglementeerde markt, een multilaterale handelsfaciliteit of een met een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is;
- 3°. worden uitgegeven of gegarandeerd door een instelling die in een lidstaat aan prudentieel toezicht is onderworpen of door een instelling die onderworpen is aan prudentieel toezicht dat in ieder geval gelijkwaardig is aan het ingevolge het gemeenschapsrecht geldende prudentieel toezicht; of
- 4°. worden uitgegeven door andere instellingen waarvoor een gelijkwaardige bescherming van de belegger geldt als is vastgelegd in dit onderdeel, aanhef en onder 1°, 2° en 3°, indien de uitgevende instelling een onderneming is waarvan het kapitaal en de reserves in totaal ten minste € 10.000.000 bedragen en die haar jaarrekeningen presenteert en publiceert overeenkomstig de richtlijn jaarrekening, of een rechtspersoon is die binnen een groep waartoe een of meer ondernemingen waarvan de aandelen zijn toegelaten tot notering aan een gereglementeerde markt, een multilaterale handelsfaciliteit of een met een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is behoren, specifiek gericht is op de financiering van de groep, of een rechtspersoon is specifiek gericht op de financiering van effectiseringsinstrumenten waarvoor een bankliquiditeitenlijn bestaat.
Artikel 131
In afwijking van artikel 130 kan het beheerde vermogen van een icbe:
- a. voor ten hoogste tien procent worden belegd in effecten en geldmarktinstrumenten die niet zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten;
- b. indien het een maatschappij voor collectieve belegging in effecten betreft: worden belegd in zaken die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheid; of
- c. worden aangehouden in accessoir liquide middelen.
In afwijking van artikel 130 kan het beheerd vermogen van een feeder-icbe voor maximaal vijftien procent:
- a. worden belegd in financiële derivaten, bedoeld in artikel 130, onderdelen g en h, die alleen met het doel om risico af te dekken mogen worden gebruikt;
- b. indien het een maatschappij voor collectieve belegging in effecten betreft: worden belegd in zaken die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheid; of
- c. worden aangehouden in accessoir liquide middelen.
Artikel 132
Het beheerde vermogen van een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt niet belegd in edele metalen of in certificaten die deze metalen vertegenwoordigen.
Artikel 133
De icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet doet de Autoriteit Financiële Markten ten minste jaarlijks mededeling van de tot haar activa behorende soorten financiële derivaten, de onderliggende risico’s, de kwantitatieve begrenzingen en de methodes die zijn gekozen om de aan transacties in deze financiële instrumenten verbonden risico’s te ramen.
De Autoriteit Financiële Markten evalueert de regelmatigheid en de volledigheid van de informatie, bedoeld in het eerste lid.
Het totale risico van een icbe wordt dagelijks berekend.
Voor de berekening van het totale risico in financiële derivaten van een feeder-icbe wordt het eigen directe risico in financiële derivaten, bedoeld in artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de feeder-icbe gecombineerd met:
- a. het reële risico in financiële derivaten van de master-icbe naar evenredigheid van de belegging van de feeder-icbe in rechten van deelneming in de master-icbe; of
- b. het potentiële totale maximumrisico in financiële derivaten dat de master-icbe volgens haar fondsreglement of statuten, naar evenredigheid van de belegging van de feeder-icbe in rechten van deelneming in de master-icbe, mag aangaan.
Het totale risico van de icbe bedraagt niet meer dan tweemaal de totale nettowaarde van de activa. Het totale risico van een beleggingsinstelling wordt met niet meer dan tien procent van de totale nettowaarde van haar portefeuille vergroot door het aangaan van kortlopende leningen, in welk geval het totale risico van de icbe niet meer dan 210 procent bedraagt van de totale nettowaarde van haar portefeuille.
Het totale risico van de icbe in financiële derivaten overschrijdt niet de totale nettowaarde van de activa. Voor de berekening van het risico worden de dagwaarde van de onderliggende activa, het tegenpartijrisico, toekomstige marktbewegingen en de voor de liquidatie van de posities beschikbare tijd in aanmerking genomen.
Het beheerde vermogen van de icbe kan in het kader van het beleggingsbeleid en binnen de in artikel 137 gestelde begrenzingen worden belegd in financiële derivaten voorzover het risico met betrekking tot de onderliggende activa in totaal niet de in de artikelen 134, 135, 136, eerste lid, en 137 gestelde begrenzingen overschrijdt. Indien het beheerde vermogen van de icbe in op een index gebaseerde financiële derivaten wordt belegd, worden die beleggingen voor de toepassing van de in de artikelen 134, 135, 136, eerste lid, en 137 gestelde begrenzingen bepaalde bovengrens niet samengeteld.
De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de berekening van het risico, de wijze van vaststelling van de dagwaarde van de onderliggende activa, de soorten verplichtingen die leiden tot een tegenpartijrisico, het meewegen van toekomstige marktbewegingen bij de vaststelling en de methodes die mede afhankelijk van de aard van het financiële instrument waarin wordt belegd, voor berekening van de risico’s kunnen worden gehanteerd.
Artikel 134
Het beheerde vermogen van een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt tot ten hoogste tien procent belegd in effecten en geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven door dezelfde instelling. Een icbe belegt niet meer dan twintig procent van het beheerde vermogen in deposito’s bij één bank.
Het tegenpartijrisico van de icbe bij een transactie in financiële derivaten die niet door een centrale tegenpartij met een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de EMIR-verordening of met een erkenning als bedoeld in artikel 25 van de EMIR-verordening worden gecleard, bedraagt niet meer dan:
- a. tien procent van haar vermogen wanneer de tegenpartij een bank met zetel in een lidstaat is of een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is, mits de Nederlandsche Bank heeft vastgesteld dat het prudentieel toezicht in die staat die geen lidstaat is in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen; of
- b. vijf procent van haar vermogen, in andere gevallen.
De totale waarde van de effecten en de geldmarktinstrumenten die de icbe houdt in uitgevende instellingen waarin zij per instelling voor meer dan vijf procent belegt, bedraagt niet meer dan veertig procent van het beheerde vermogen van de icbe. Deze begrenzing is niet van toepassing op deposito’s en transacties in financiële derivaten die niet door een centrale tegenpartij met een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de EMIR-verordening of met een erkenning als bedoeld in artikel 25 van de EMIR-verordening worden gecleard, bij onderscheidenlijk met instellingen die aan prudentieel toezicht onderworpen zijn.
Onverminderd de in het eerste en tweede lid bepaalde individuele begrenzingen wordt het beheerde vermogen van de icbe tot ten hoogste twintig procent belegd in één instelling in een combinatie van:
- a. effecten en geldmarktinstrumenten die door die instelling zijn uitgegeven;
- b. deposito’s bij die instelling; of
- c. risico’s ten gevolge van transacties in financiële derivaten die niet door een centrale tegenpartij met een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de EMIR-verordening of met een erkenning als bedoeld in artikel 25 van de EMIR-verordening worden gecleard, met betrekking tot die instelling.
Bij de berekening van de door de icbe gelopen risico’s bij beleggingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt het risico bepaald aan de hand van het maximale verlies voor de icbe wanneer een tegenpartij in gebreke blijft. De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van het tegenpartijrisico en de daarbij in aanmerking te nemen zekerheden als beperking van het door de icbe gelopen tegenpartijrisico.
Artikel 135
In afwijking van artikel 134 kan het beheerde vermogen van een icbe tot ten hoogste vijfentwintig procent worden belegd in geregistreerde gedekte obligaties van een bepaalde uitgevende bank.
Indien het beheerde vermogen van een icbe voor meer dan vijf procent wordt belegd in obligaties als bedoeld in het eerste lid die door één instelling zijn uitgegeven, bedraagt de totale waarde van deze beleggingen niet meer dan tachtig procent van de activa van die uitgevende instelling.
Artikel 136
In afwijking van artikel 134, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een icbe tot ten hoogste vijfendertig procent worden belegd in effecten en geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven of gegarandeerd door een lidstaat, een openbaar lichaam met verordenende bevoegdheid in een lidstaat, een staat die geen lidstaat is, of een internationale organisatie waarin een of meer lidstaten deelnemen.
De Autoriteit Financiële Markten kan een icbe op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid indien:
- a. zij effecten en geldmarktinstrumenten van ten minste zes verschillende emissies van een in het eerste lid bedoelde uitgevende staat, openbaar lichaam of internationale organisatie in portefeuille heeft;
- b. de financiële instrumenten van een zelfde emissie niet meer bedragen dan dertig procent van het beheerde vermogen van de icbe;
- c. de uitgevende staat, het openbaar lichaam of de internationale organisatie in de statuten of het fondsreglement van de icbe wordt genoemd; en
- d. de deelnemers in de icbe bescherming genieten die gelijkwaardig is aan de bescherming die voortvloeit uit het eerste lid en de artikelen 134, 135 en 137.
Artikel 137
De in de artikelen 135 en 136, eerste lid, bedoelde financiële instrumenten worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de in artikel 134, derde lid, bedoelde begrenzing van veertig procent.
De overeenkomstig de artikelen 134, 135, en 136, eerste lid, verrichte beleggingen in door één instelling uitgegeven effecten en geldmarktinstrumenten dan wel in deposito’s bij of financiële derivaten van die instelling, bedragen samen in geen geval meer dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen van de icbe.
Voor de berekening van de in de artikelen 134, 135, en 136, eerste lid, gestelde begrenzingen worden ondernemingen die tot een groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen, overeenkomstig de richtlijn geconsolideerde jaarrekening of andere erkende internationale financiële verslagleggingsregels, tezamen als een instelling beschouwd, met dien verstande dat de beleggingen, bedoeld in artikel 134, eerste lid, eerste volzin, in de afzonderlijke ondernemingen die tot die groep behoren ten hoogste twintig procent van het beheerde vermogen van de icbe kunnen bedragen.
De activa van beleggingsinstellingen in wier rechten van deelneming de icbe belegt worden voor het vaststellen van de in artikelen 134, 135, 136, eerste lid, en 137 bedoelde begrenzingen niet opgeteld bij de beleggingen van de icbe.
Artikel 138
In afwijking van artikel 134, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een icbe tot ten hoogste twintig procent worden belegd in aandelen en obligaties van dezelfde uitgevende instelling indien in het fondsreglement of de statuten van de icbe is bepaald dat het beleggingsbeleid van de icbe erop is gericht de samenstelling van een bepaalde aandelen- of obligatie-index te volgen, en deze index voldoet aan de volgende voorwaarden:
- a. de samenstelling van de index is gediversifieerd;
- b. de index is representatief voor de markt waarop hij betrekking heeft; en
- c. de index wordt op passende wijze bekendgemaakt.
Artikel 134, derde lid, is niet van toepassing.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid indien uitzonderlijke marktomstandigheden daartoe aanleiding geven. In dat geval kan het beheerde vermogen van de icbe tot ten hoogste vijfendertig procent worden belegd in aandelen en obligaties van dezelfde uitgevende instelling.
Artikel 139
Het beheerde vermogen van een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt tot ten hoogste twintig procent belegd in rechten van deelneming in beleggingsinstellingen of icbe’s als bedoeld in artikel 130, onderdeel d of e, die zijn uitgegeven door dezelfde beleggingsinstelling of icbe.
De beleggingen in rechten van deelneming in beleggingsinstellingen of icbe’s als bedoeld in artikel 130, onderdeel e, bedragen in totaal niet meer dan dertig procent van het beheerde vermogen van de icbe.
Artikel 140
Een beheerder van een icbe verwerft, voor de door hem beheerde icbe’s als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet gezamenlijk, niet meer dan twintig procent van de aandelen met stemrecht in dezelfde uitgevende instelling.
Het beheerde vermogen van een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt niet belegd in meer dan:
- a. tien procent van de aandelen zonder stemrecht van dezelfde uitgevende instelling;
- b. tien procent van de obligaties van dezelfde uitgevende instelling;
- c. vijfentwintig procent van de rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe’s waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald van dezelfde beleggingsinstelling of icbe’s; of
- d. tien procent van de geldmarktinstrumenten van dezelfde uitgevende instelling.
De begrenzingen, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdelen b, c en d, hoeven niet in acht te worden genomen indien de bruto waarde van de obligaties of geldmarktinstrumenten of de nettowaarde van de rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe’s op het tijdstip van verwerving niet kan worden berekend.
Artikel 141
Artikel 140, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op het verwerven van onderscheidenlijk het beleggen in:
- a. effecten en geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven of worden gegarandeerd door een lidstaat, een openbaar lichaam met verordenende bevoegdheid in een lidstaat, een staat die geen lidstaat is of een internationale organisatie waarin een of meer lidstaten deelnemen;
- b. aandelen in het kapitaal van een rechtspersoon, gevestigd in een staat die geen lidstaat is, die met inachtneming van de begrenzingen, bedoeld in de artikelen 134, 135, 136, eerste lid, 137, 139 en 140 zijn vermogen in hoofdzaak belegt in effecten van uitgevende instellingen, gevestigd in die staat, wanneer krachtens de wet van die staat een dergelijke deelneming voor de icbe de enige mogelijkheid is om in effecten van uitgevende instellingen in die staat te beleggen; of
- c. aandelen in het kapitaal van een dochteronderneming van de maatschappij voor collectieve belegging in effecten die uitsluitend ten behoeve van de maatschappij voor collectieve belegging in effecten bepaalde beheers-, advies- of verhandelingswerkzaamheden verricht in de staat waar de dochteronderneming is gevestigd, met het oog op de inkoop van rechten van deelneming op verzoek van deelnemers.
Artikel 142
De artikelen 134 tot en met 139 zijn gedurende zes maanden na het eerste aanbod van de rechten van deelneming in een icbe niet van toepassing. De icbe neemt gedurende die periode de beginselen van risicospreiding in haar beleggingen in acht.
De artikelen 134 tot en met 139 zijn gedurende zes maanden na een fusie niet van toepassing op een verkrijgende icbe. De verkrijgende icbe neemt gedurende die periode de beginselen van risicospreiding in haar beleggingen in acht.
Artikel 143
De in deze paragraaf gestelde begrenzingen gelden niet bij de uitoefening van voorkeurrechten die zijn verbonden aan effecten en geldmarktinstrumenten die deel uitmaken van de activa van de icbe.
Wanneer de in deze paragraaf gestelde begrenzingen buiten de wil van de icbe of ten gevolge van de uitoefening van voorkeurrechten worden overschreden, treft de icbe, met inachtneming van de belangen van de deelnemers, de nodige maatregelen opdat deze overschrijding zo snel mogelijk ongedaan wordt gemaakt.
Indien een beheerder van een icbe sidepockets als bedoeld in punt 9 van bijlage IIbis van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten activeert door scheiding van activa, mogen deze activa worden uitgesloten van de berekening van de in deze paragraaf gestelde begrenzingen.
Artikel 144
Het is een beheerder van een icbe of bewaarder van een icbe niet toegestaan om financiële instrumenten vanuit een ongedekte positie te verkopen.
Artikel 145
Gelijktijdig met de verkrijgbaarstelling van het prospectus, bedoeld in artikel 4:50, tweede lid, van de wet, zendt de beheerder een afschrift van het prospectus en van het essentiële-informatiedocument respectievelijk de essentiële beleggersinformatie van de icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet aan de Autoriteit Financiële Markten.
De beheerder van een icbe zendt wijzigingen in het essentiële-informatiedocument respectievelijk de essentiële beleggersinformatie aan de Autoriteit Financiële markten.
Artikel 146
De balans en winst- en verliesrekening van een icbe of de toelichtingen daarop bevatten de volgende gegevens:
- a. tegoeden bij banken;
- b. een onderscheid in de overzichten van de beleggingen, bedoeld in artikel 122, eerste lid, onderdelen a en b, naar:
- 1°. financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de notering op een gereglementeerde markt;
- 2°. financiële instrumenten die op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten worden verhandeld;
- 3°. effecten als bedoeld in artikel 130, onderdeel c; en
- 4°. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 131, onderdeel a;
- c. een sluitend overzicht van de gesaldeerde mutaties in de verslagperiode in het eigen vermogen van de maatschappij voor collectieve belegging in effecten of het beheerde vermogen van het fonds voor collectieve belegging in effecten ten gevolge van en uitgesplitst naar:
- 1°. inkomsten uit beleggingen;
- 2°. overige inkomsten;
- 3°. belastingen;
- 4°. de bestemming, of voorgestelde bestemming, van het nettoresultaat;
- 5°. de vermeerdering of vermindering van het eigen vermogen van de maatschappij voor collectieve belegging in effecten of van het beheerde vermogen van het fonds voor collectieve belegging in effecten;
- 6°. meer- en minderwaarde op beleggingen; en
- 7°. overige mutaties van de activa en passiva; en
- d. het bedrag van de verplichtingen onderscheiden naar soort aan het einde van het boekjaar die voortvloeien uit verrichtingen met betrekking tot financiële derivaten en voorzover deze niet reeds in de balans en de winst- en verliesrekening zijn opgenomen.
Onverminderd artikel 125, eerste lid, neemt een icbe in de halfjaarcijfers de gegevens op, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zoals deze luidden aan het einde van de eerste helft van het boekjaar.
Artikel 147
Een icbe publiceert telkens wanneer zij of haar beheerder rechten van deelneming aanbiedt, verkoopt, inkoopt of daarop terugbetaalt de koers, de verkoop- onderscheidenlijk inkoopprijs en het bedrag van de terugbetaling op de website van haar beheerder.
De Autoriteit Financiële Markten kan op verzoek toestaan dat de icbe eenmaal per maand de informatie, bedoeld in het eerste lid, publiceert indien de belangen van de deelnemers daardoor niet worden geschaad.
Een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet verschaft desgevraagd aan een deelnemer gegevens betreffende kwantitatieve begrenzingen die van toepassing zijn op het risicobeheer, de daartoe gekozen methodes en de recente ontwikkeling van de risico’s en rendementen van de voornaamste categorie financiële instrumenten.
Afdeling 10.4. Verzekeringen
Artikel 148
De aanstelling van een schade-afhandelaar als bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdeel e, van de wet wordt niet beëindigd, tenzij de beëindiging gepaard gaat met de aanstelling van een opvolger.
De schadeverzekeraar meldt de beëindiging van de aanstelling van de schade-afhandelaar binnen twee weken aan de Autoriteit Financiële Markten, onder overlegging van de akte van aanstelling van de opvolger van de schade-afhandelaar, waaruit diens naam, adres en bevoegdheden blijken.
Artikel 149
De schade-afhandelaar houdt van rechtswege op schade-afhandelaar te zijn vanaf de dag van het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer goederen, bedoeld in Titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling.
De schadeverzekeraar meldt het overlijden, het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in Titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling van de schade-afhandelaar binnen twee weken aan de Autoriteit Financiële Markten, onder overlegging van de akte van aanstelling van de opvolger van de schade-afhandelaar met ingang van de dag van het overlijden, het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in Titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling. Uit de akte van aanstelling blijken de naam, het adres en de bevoegdheden van de opvolger van de schade-afhandelaar.
Hoofdstuk 11. Aanvullende regels betreffende bemiddelen
Afdeling 11.1. Algemeen
Artikel 150
Vervallen
Artikel 151
Vervallen
Afdeling 11.2. Krediet
Artikel 152
Artikel 4:74, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op:
- a. overeenkomsten inzake krediet waarvoor bij het aangaan hypothecaire zekerheid wordt verleend of inzake krediet waarvoor reeds hypothecaire zekerheid bestaat, indien het krediet wordt verleend tegen een voor hypothecaire kredieten van de betrokken aanbieder gebruikelijk jaarlijks kostenpercentage;
- b. overeenkomsten inzake krediet, voorzover het krediet wordt aangeboden tegen onderpand van effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, die tot zekerheid dienen voor de terugbetaling van het krediet aan een consument die reeds op het moment van aangaan van de overeenkomst inzake krediet bezitter is van de te verpanden effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, van welk krediet het totale kredietbedrag gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan zeventig procent van de waarde van de te verpanden effecten, indien het effecten betreffen als bedoeld in onderdeel a van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, dan wel niet hoger is dan tachtig procent van de waarde van de te verpanden effecten, indien het effecten betreffen als bedoeld in onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, en:
- 1°. die effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt; of
- 2°. de waarde van die effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.
Artikel 153
De artikelen 154 tot en met 158 zijn uitsluitend van toepassing op het verlenen van financiële diensten met betrekking tot consumptief krediet.
Het in deze afdeling bepaalde met betrekking tot de verhouding tussen een aanbieder en een bemiddelaar is van overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen een bemiddelaar en een onderbemiddelaar.
Artikel 154
Een bemiddelaar heeft slechts aanspraak op provisie ter zake van tot stand gekomen overeenkomsten.
Artikel 155
Een bemiddelaar heeft alleen per maand gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet welke door zijn bemiddeling tot stand is gekomen aanspraak op provisie ten bedrage van een percentage van het uitstaand saldo ter zake van die overeenkomst, zoals dat saldo luidt op de laatste dag van de desbetreffende maand.
De aanbieder en bemiddelaar kunnen het ter zake van de bemiddeling overeengekomen provisiepercentage, met uitzondering van het provisiepercentage voor reeds tot stand gekomen overeenkomsten inzake krediet, niet zijnde doorlopend krediet, wijzigen, met dien verstande dat:
- a. een percentage telkens voor een aaneengesloten tijdvak van ten minste een maand wordt overeengekomen; en
- b. ten aanzien van reeds tot stand gekomen overeenkomsten het percentage telkens eerst na 24 maanden kan worden gewijzigd uitsluitend in het percentage dat tussen de aanbieder en de bemiddelaar voor nieuw af te sluiten overeenkomsten geldt op het tijdstip waarop de wijziging plaatsvindt.
Artikel 156
Een bemiddelaar heeft over de periode waarin een consument ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, geen aanspraak op provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst.
Artikel 157
Met ingang van het tijdstip waarop een aanbieder het door een consument verschuldigde vervroegd opeist in een geval als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, heeft de bemiddelaar geen aanspraak meer op provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst.
Met ingang van het tijdstip waarop een overeenkomst van rechtswege wordt ontbonden op grond van artikel 90, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, heeft de bemiddelaar geen aanspraak meer op provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst, met dien verstande dat indien de ontbinding ongedaan wordt gemaakt op grond van artikel 95, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, hij weer aanspraak heeft opprovisie over de periode gerekend vanaf het tijdstip waarop de ontbinding ongedaan is gemaakt.
Artikel 158
Een bemiddelaar krijgt geen provisie uitbetaald indien hij uit hoofde van dit besluit geen aanspraak heeft op provisie.
Provisie wordt uitsluitend betaald in giraal geld.
Afdeling 8.2. Overige bepalingen met betrekking tot zorgvuldige dienstverlening
Artikel 159
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering, bedoeld in de artikelen 4:75, eerste lid, en 4:74b, eerste lid, van de wet, dekt de aansprakelijkheid van de bemiddelaar wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van diens beroep en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt gesloten bij:
- a. een financiële onderneming die voor het uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft voor de branche Algemene aansprakelijkheid; of
- b. een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat die als schadeverzekeraar haar bedrijf mag uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering van een bemiddelaar in verzekeringen dekt ten minste de bedragen, genoemd in artikel 10, vierde lid, van de richtlijn verzekeringsdistributie.
Artikel 160
Onder een vergelijkbare voorziening als bedoeld in de artikelen 4:75, eerste lid, en 4:74b, eerste lid, van de wet wordt verstaan een onvoorwaardelijke garantstelling voor alle verplichtingen voortvloeiend uit aansprakelijkheid van de bemiddelaar wegens fouten, verzuimen of nalatigheden, begaan in de uitoefening van diens beroep en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is.
De onvoorwaardelijke garantstelling wordt verstrekt door:
- a. een financiële onderneming die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft;
- b. een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat die als bank haar bedrijf mag uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland; of
- c. een bank met zetel in de Verenigde Staten van Amerika, Japan, Australië, Canada of Zwitserland die in de staat van haar zetel onder toezicht staat.
De vergelijkbare voorziening, bedoeld in artikel 4:75 van de wet, dekt ten minste de bedragen, genoemd in artikel 10, vierde lid, van de richtlijn verzekeringsdistributie.
Hoofdstuk 12. Aanvullende regels betreffende herverzekeringsbemiddelen
Artikel 161
De artikelen 159 en 160 zijn van overeenkomstige toepassing op de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en de vergelijkbare voorziening, bedoeld in artikel 4:76, eerste lid, van de wet.
Hoofdstuk 13. Aanvullende regels betreffende optreden als clearinginstelling
Artikel 162
Een clearinginstelling stelt een cliënt na afloop van elke handelsdag schriftelijk of langs elektronische weg in kennis van de aantallen en waarden van de financiële instrumenten die op zijn naam staan.
Indien de waarde van de verplichtingen worden berekend overeenkomstig tussen de clearinginstelling en een cliënt overeengekomen parameters en de waarde van de financiële instrumenten van de cliënt onvoldoende dekking bieden ten opzichte van de door de cliënt aangegane verplichtingen, stelt de clearinginstelling de cliënt daar onverwijld van in kennis.
Hoofdstuk 10. Aanvullende regels betreffende aanbieden
Artikel 163
Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland verstrekt de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, van de wet, wat de indeling en inhoud betreft in de vorm waarin deze zijn opgemaakt krachtens Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.
Een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is verstrekt de jaarrekening en het bestuursverslag, bedoeld in artikel 4:85, vierde lid, wat de indeling en inhoud betreft in de vorm waarin deze zijn opgemaakt ingevolge het recht van de staat waar de beleggingsonderneming haar zetel heeft of de internationale jaarrekeningstandaarden.
Artikel 164
Een bijkantoor van een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 2:99a van de wet verstrekt de Autoriteit Financiële Markten jaarlijks de gegevens bedoeld in artikel 41, derde lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, met inachtneming van het zesde lid van dat artikel.
Artikel 165
Een beleggingsonderneming:
- a. houdt alle gegevens en rekeningen bij die noodzakelijk zijn om haar op elk moment onmiddellijk in staat te stellen de financiële instrumenten en gelden die voor een cliënt worden aangehouden, te onderscheiden van voor andere cliënten aangehouden financiële instrumenten en gelden en hun eigen financiële instrumenten en gelden;
- b. houdt de onder a bedoelde gegevens en rekeningen op zodanige wijze bij dat deze altijd accuraat zijn en in elk geval de voor cliënten aangehouden financiële instrumenten en gelden weerspiegelen;
- c. gaat regelmatig na of de onder a bedoelde gegevens en rekeningen overeenstemmen met die van eventuele derden door wie deze financiële instrumenten en gelden worden aangehouden;
- d. draagt er zorg voor dat financiële instrumenten van cliënten die overeenkomstig artikel 165a bij een derde worden aangehouden, door middel van verschillend getitelde rekeningen in de boeken van de derde of door middel van andere vergelijkbare maatregelen waarmee hetzelfde beschermingsniveau wordt bereikt, kunnen worden onderscheiden van de financiële instrumenten die aan de beleggingsonderneming zelf toebehoren, en van de financiële instrumenten die aan de derde toebehoren;
- e. draagt er zorg voor dat de gelden van cliënten die overeenkomstig artikel 165b worden aangehouden op een rekening of rekeningen die kan of kunnen worden onderscheiden van alle rekeningen die worden gebruikt voor het aanhouden van gelden die aan de beleggingsonderneming zelf toebehoren;
- f. treft passende organisatorische maatregelen om het risico van verlies of vermindering van de financiële instrumenten en gelden van cliënten, dan wel van hun rechten daarop, als gevolg van misbruik van financiële instrumenten en gelden, fraude, wanbeheer, het bijhouden van ontoereikende gegevens of nalatigheid tot een minimum te beperken.
De Autoriteit Financiële Markten stelt regels met betrekking tot de maatregelen ter bescherming van de rechten van de cliënt en ter voorkoming van het gebruik van financiële instrumenten of gelden van de cliënt, bedoeld in artikel 4:87, eerste en tweede lid, van de wet.
Artikel 166
Een vermogensbeheerder die tevens beheerder van een icbe met zetel in Nederland is, belegt in het kader van het beheer van een individueel vermogen de gelden van de cliënt niet geheel of gedeeltelijk in door hem beheerde beleggingsinstellingen of icbe’s zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de cliënt.
Artikel 167
Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:88, tweede lid, van de wet, brengt de cliënt, indien een belangenconflict onvermijdelijk blijkt te zijn, hiervan door middel van een duurzame drager op de hoogte. De beleggingsonderneming vermeldt daarbij, met inachtneming van de kenmerken van de cliënt, voldoende bijzonderheden om deze in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te nemen ten aanzien van de beleggingsdienst, beleggingsactiviteit of nevendienst in verband waarmee het belangenconflict zich voordoet.
Artikel 168
In een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:89, tweede lid, van de wet zijn ten minste bepaald:
- a. de naar soort onderscheiden diensten die de beleggingsonderneming in het kader van de overeenkomst voor de cliënt zal verrichten;
- b. een specificatie van de eventuele beperkingen met betrekking tot de markten waarop transacties in financiële instrumenten ten behoeve van de cliënt zullen worden afgewikkeld;
- c. de naar soort onderscheiden kosten, anders dan de kosten ter zake van een aanbieding van effecten als bedoeld in de prospectusverordening, die aan de cliënt in rekening worden gebracht alsmede de aan die kosten ten grondslag liggende berekening;
- d. de wijze waarop instructies van de cliënt en berichten van de beleggingsonderneming worden verstrekt en geadministreerd;
- e. de wijze waarop gelden of financiële instrumenten van de cliënt worden verrekend, gedeponeerd en geadministreerd;
- f. de wijze waarop over de rekeningen van de cliënt kan worden beschikt;
- g. de regeling van de aansprakelijkheid van de beleggingsonderneming onderscheidenlijk de cliënt uit hoofde van de overeenkomst;
- h. een verklaring van de cliënt dat hij heeft kennis genomen van de informatie die de beleggingsonderneming krachtens dit besluit aan hem dient te verstrekken en dat hij zich bewust is van de risico’s die aan de belegging zijn verbonden;
- i. het toepasselijke recht en de wijze van beslechting van geschillen; en
- j. de omstandigheden waaronder de overeenkomst tussen de beleggingsonderneming en de cliënt een einde neemt, de omstandigheden waaronder de overeenkomst kan worden ontbonden en de wijze waarop op of na de datum van beëindiging nog lopende transacties worden afgewikkeld.
Indien de overeenkomst betrekking heeft op individueel vermogensbeheer is daarin tevens bepaald:
- a. de samenstelling van het beheerde vermogen naar soort financieel instrument en de waarde van het te beheren vermogen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst;
- b. de doelstellingen van de cliënt ter zake van het vermogensbeheer;
- c. een specificatie van de eventuele kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen ten aanzien van de financiële instrumenten of categorieën van financiële instrumenten waarin mag worden belegd;
- d. de wijze waarop het beheer wordt gevoerd alsmede de betrokkenheid van de cliënt daarbij, daaronder een regeling van de machtiging aan de beleggingsonderneming; en
- e. de frequentie van rapportage aan de cliënt.
Hoofdstuk 15. Slotbepalingen
Artikel 169
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op houders van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet die is verleend voor 15 september 2004.
Artikel 170
Tot 1 oktober 2007 is artikel 6 niet van toepassing op financiëledienstverleners die niet bemiddelen in verzekeringen, optreden als gevolmachtigde agent of optreden als ondergevolmachtigde agent, voorzover zij op 1 januari 2006 niet voldeden aan artikel 17 van het Besluit financiële dienstverlening en aannemelijk kunnen maken dat zij vanaf 1 oktober 2007 wel zullen voldoen aan artikel 6.
Artikel 171
Een financiëledienstverlener die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, van het Wijzigingsbesluit financiële markten 2013, over een vergunning beschikte en op dat moment voldeed aan artikel 4:9, tweede lid, van de wet, behoeft gedurende een termijn van 36 maanden, gerekend vanaf de dag waarop genoemd artikel I, onderdeel E, in werking treedt, niet te voldoen aan artikel 6, eerste lid, onderdeel b.
Een financiëledienstverlener die binnen zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop artikel I, onderdeel E, van het Wijzigingsbesluit, in werking treedt, een vergunning heeft aangevraagd, behoeft gedurende die zes maanden niet te voldoen aan artikel 6, eerste lid, onderdeel b.
Een financiëledienstverlener als bedoeld in het tweede lid die werknemers en andere natuurlijke personen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, in dienst heeft, behoeft gedurende een termijn van 36 maanden, gerekend vanaf de dag waarop artikel I, onderdeel E, van het Wijzigingsbesluit financiële markten 2013, in werking treedt, niet te voldoen aan artikel 6, eerste lid, onderdeel b, voor zover die personen op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van genoemd artikel I, onderdeel E, over een geldig diploma of geldige erkenning van beroepskwalificaties beschikten.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gelijkstelling van reeds bestaande diploma’s met diploma’s als bedoeld in artikel 7.
Artikel 172
Artikel 28, tweede lid, is niet van toepassing ten aanzien van personen die zich op 1 januari 2006 reeds onder de verantwoordelijkheid van de financiëledienstverlener, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, rechtstreeks bezighielden met het verlenen van financiële diensten.
Artikel 173
Vervallen
Artikel 174
Vervallen
Artikel 175
De artikelen 153 tot en met 157 zijn niet van toepassing op overeenkomsten inzake krediet, niet zijnde doorlopend krediet, die zijn afgesloten voor 1 januari 1992.
Artikel 176
De artikelen 122, eerste lid, aanhef en onderdeel g, 123, eerste lid, aanhef en onderdeel m, en 124, eerste lid, aanhef en onderdeel j, zijn van toepassing met ingang van het boekjaar dat aanvangt op of na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 177
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 178
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.
Bijlage A. behorend bij artikel 1, onderdeel dd
-
- Bij de berekening van de theoretische looptijd van doorlopend krediet wordt ervan uitgegaan dat:
- a. de overeenkomst inzake krediet overeenkomstig de bij het aangaan van de overeenkomst inzake het krediet vastgestelde hoogte en lengte van het termijnbedrag wordt afgewikkeld;
- b. geen wijzigingen optreden in de kredietvergoeding, tenzij het wijzigingen betreft waarvan de omvang bij het aangaan van de overeenkomst inzake krediet is vastgesteld;
- c. het uitstaand saldo op het tijdstip waarop door de aanbieder van krediet een geldsom ter beschikking wordt gesteld onderscheidenlijk met het verschaffen van het genot van een roerende zaak of een effect of het verlenen van een dienst een aanvang wordt gemaakt, gelijk is aan de kredietlimiet; en
- d. het uitstaand saldo niet toeneemt anders dan uit hoofde van het in rekening brengen van kredietvergoeding.
-
- Bij overeenkomsten inzake doorlopend krediet waarbij het kredietvergoedingspercentage per betalingstermijn, de betalingstermijn en het termijnbedrag, met uitzondering van het laatste termijnbedrag, gelijk blijven, bedraagt de theoretische looptijd n betalingstermijnen, waarbij n de uitkomst is van de volgende formule: (log T – log (T – im.K)) / log (1 + im) In deze formule is:
- T: het termijnbedrag;
- im: het honderdste deel van het kredietvergoedingspercentage per betalingstermijn;
- m: het aantal betalingstermijnen per jaar;
- K: de kredietlimiet.
-
- Bij overeenkomsten inzake doorlopend krediet die niet voldoen aan de in het tweede lid genoemde kenmerken wordt de theoretische looptijd berekend als de som van de lengten van de betalingstermijnen die verstrijken alvorens het uitstaand saldo tot nihil is teruggebracht.
-
- Bij de bepaling van de theoretische looptijd wordt het aantal betalingstermijnen op een geheel getal naar boven afgerond.
Bijlage B. behorend bij artikel 5
1. Basismodule vakbekwaamheid
1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden de eindtermen genoemd in de onderdelen 1.2 tot en met 1.7.
1.2. De personen zijn in staat:
1.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het aanbieden van:
1.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in financiële producten:
1.5. De personen zijn in staat de schakels tussen uitgevende instellingen en eindbelegger in het kader van het verlenen van beleggingsdiensten te beschrijven.
1.6. De personen zijn in staat met betrekking tot het verlenen van financiële diensten inzake:
1.7. De personen zijn in staat met betrekking tot:
2. Hypothecair krediet
2.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden, met betrekking tot hypothecair krediet, de eindtermen genoemd in de onderdelen 2.2 tot en met 2.4.
2.2. De personen zijn in staat met betrekking tot hypothecair krediet:
2.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over hypothecair krediet:
2.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake hypothecair krediet:
2.5. De personen zijn in staat met betrekking tot financiële instrumenten:
2.6. De personen zijn in staat met betrekking tot de totstandkoming van transacties van financiële instrumenten:
2.7. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake financiële instrumenten:
3. Consumptief krediet
3.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden met betrekking tot consumptief krediet de eindtermen genoemd in de onderdelen 3.2 tot en met 3.4.
3.2. De personen zijn in staat met betrekking tot consumptief krediet:
3.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over consumptief krediet:
3.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake consumptief krediet:
4. Schadeverzekeringen
4.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden met betrekking tot schadeverzekeringen de eindtermen genoemd in de onderdelen 4.2 tot en met 4.5.
4.2. De personen zijn in staat met betrekking tot schadeverzekeringen inzake bezit, verkeer, transport, aansprakelijkheid en rechtsbijstand, inkomen en arbeidsongeschiktheid en gezondheid en zorg, hierna te noemen: «de schadeverzekeringen»:
4.3. De personen zijn in staat, met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over de schadeverzekeringen:
4.4. De personen zijn in staat, met betrekking tot beheer en mutatie van de overeenkomst inzake de schadeverzekeringen:
4.5. De personen zijn in staat, met betrekking tot schadeverzekeringen bij een mogelijke aanspraak/vordering:
5. Levensverzekeringen
5.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden met betrekking tot levensverzekeringen de eindtermen genoemd in de onderdelen 5.2 tot en met 5.8.
5.2. De personen zijn in staat:
5.3. De personen zijn in staat met betrekking tot bemiddelen in en adviseren over levensverzekeringen:
5.4. De personen zijn in staat met betrekking beheer en mutatie van de overeenkomst inzake levensverzekeringen:
5.5. De personen zijn in staat bij een mogelijke aanspraak/vordering op een bestaande (aanvullende) levensverzekering:
5.6. De personen zijn in staat met betrekking tot financiële instrumenten:
5.7. De personen zijn in staat met betrekking tot de totstandkoming van transacties van financiële instrumenten:
5.8. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake financiële instrumenten:
6. Volmacht
6.1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden voor de personen, werkzaam bij een gevolmachtigde agent inzake schadeverzekeringen de eindtermen genoemd in 6.2 tot en met 6.5 en 6.7 tot en met 6.9.
6.1.2. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden voor de personen, werkzaam bij een gevolmachtigde agent inzake levensverzekeringen de eindtermen genoemd in 6.2, 6.6 en 6.7 tot en met 6.9.
6.2. De personen beschikken over:
6.3. De personen beschikken met betrekking tot brandverzekeringen over:
6.4. De personen beschikken met betrekking tot transportverzekeringen over:
6.5. De personen beschikken met betrekking tot variaverzekeringen over:
6.6. De personen beschikken met betrekking tot levensverzekeringen over:
6.7. De personen beschikken over:
1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden de eindtermen genoemd in de onderdelen 1.2 tot en met 1.7.
1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden de eindtermen genoemd in de onderdelen 1.2 tot en met 1.7.
Bijlage B. behorend bij artikel 5
1. Basismodule vakbekwaamheid
1.1. Veroordelingen
1.2. De personen zijn in staat:
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel a
2. Hypothecair krediet
1.5. De personen zijn in staat de schakels tussen uitgevende instellingen en eindbelegger in het kader van het verlenen van beleggingsdiensten te beschrijven.
1.6. De personen zijn in staat met betrekking tot het verlenen van financiële diensten inzake:
1.7. De personen zijn in staat met betrekking tot:
2.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over hypothecair krediet:
2.2. Transacties met de Officier van Justitie
2.2. De personen zijn in staat met betrekking tot hypothecair krediet:
2.3. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging
2.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake hypothecair krediet:
2.5. De personen zijn in staat met betrekking tot financiële instrumenten:
2.4. Andere feiten of omstandigheden
2.7. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake financiële instrumenten:
3. Consumptief krediet
4. Schadeverzekeringen
4. Schadeverzekeringen
3.3. Andere feiten of omstandigheden
3.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake consumptief krediet:
4. Schadeverzekeringen
1. Basismodule vakbekwaamheid
5. Levensverzekeringen
1.2. De personen zijn in staat:
5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel d
5.1. Persoonlijk
1.5. De personen zijn in staat de schakels tussen uitgevende instellingen en eindbelegger in het kader van het verlenen van beleggingsdiensten te beschrijven.
5.2. Zakelijk
1.7. De personen zijn in staat met betrekking tot:
2. Hypothecair krediet
1.2. De personen zijn in staat:
6. Volmacht
Bijlage A. behorend bij artikel 1, definitie «theoretische looptijd»
-
- Bij de berekening van de theoretische looptijd van doorlopend krediet wordt ervan uitgegaan dat:
- a. de overeenkomst inzake krediet overeenkomstig de bij het aangaan van de overeenkomst inzake het krediet vastgestelde hoogte en lengte van het termijnbedrag wordt afgewikkeld;
- b. geen wijzigingen optreden in de kredietvergoeding, tenzij het wijzigingen betreft waarvan de omvang bij het aangaan van de overeenkomst inzake krediet is vastgesteld;
- c. het uitstaand saldo op het tijdstip waarop door de aanbieder van krediet een geldsom ter beschikking wordt gesteld onderscheidenlijk met het verschaffen van het genot van een roerende zaak of een effect of het verlenen van een dienst een aanvang wordt gemaakt, gelijk is aan de kredietlimiet; en
- d. het uitstaand saldo niet toeneemt anders dan uit hoofde van het in rekening brengen van kredietvergoeding.
-
- Bij overeenkomsten inzake doorlopend krediet waarbij het kredietvergoedingspercentage per betalingstermijn, de betalingstermijn en het termijnbedrag, met uitzondering van het laatste termijnbedrag, gelijk blijven, bedraagt de theoretische looptijd n betalingstermijnen, waarbij n de uitkomst is van de volgende formule: (log T – log (T – im.K)) / log (1 + im) In deze formule is:
- T: het termijnbedrag;
- im: het honderdste deel van het kredietvergoedingspercentage per betalingstermijn;
- m: het aantal betalingstermijnen per jaar;
- K: de kredietlimiet.
-
- Bij overeenkomsten inzake doorlopend krediet die niet voldoen aan de in het tweede lid genoemde kenmerken wordt de theoretische looptijd berekend als de som van de lengten van de betalingstermijnen die verstrijken alvorens het uitstaand saldo tot nihil is teruggebracht.
-
- Bij de bepaling van de theoretische looptijd wordt het aantal betalingstermijnen op een geheel getal naar boven afgerond.
1. Gegevens over de werkzaamheden van de beheerder
1.6. De personen zijn in staat met betrekking tot het verlenen van financiële diensten inzake:
6. Volmacht
1.2. De personen zijn in staat:
1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden de eindtermen genoemd in de onderdelen 1.2 tot en met 1.7.
3. Algemene gegevens over de beheerder en de bewaarders
1.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het aanbieden van:
1.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in financiële producten:
1.5. De personen zijn in staat de schakels tussen uitgevende instellingen en eindbelegger in het kader van het verlenen van beleggingsdiensten te beschrijven.
1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden de eindtermen genoemd in de onderdelen 1.2 tot en met 1.7.
1.2. De personen zijn in staat:
1.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het aanbieden van:
1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden de eindtermen genoemd in de onderdelen 1.2 tot en met 1.7.
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel a
1.2. De personen zijn in staat:
1.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het aanbieden van:
2. Hypothecair krediet
1.5. De personen zijn in staat de schakels tussen uitgevende instellingen en eindbelegger in het kader van het verlenen van beleggingsdiensten te beschrijven.
1.6. De personen zijn in staat met betrekking tot het verlenen van financiële diensten inzake:
1.7. De personen zijn in staat met betrekking tot:
2.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden, met betrekking tot hypothecair krediet, de eindtermen genoemd in de onderdelen 2.2 tot en met 2.7.
2.3. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging
2.2. De personen zijn in staat met betrekking tot hypothecair krediet:
2.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over hypothecair krediet:
Bijlage E. behorend bij artikel 118, eerste lid
2.3. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging
2.6. De personen zijn in staat met betrekking tot de totstandkoming van transacties in financiële instrumenten:
2.7. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake financiële instrumenten:
3.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden met betrekking tot consumptief krediet de eindtermen genoemd in de onderdelen 3.2 tot en met 3.4.
3.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden met betrekking tot consumptief krediet de eindtermen genoemd in de onderdelen 3.2 tot en met 3.4.
3.2. De personen zijn in staat met betrekking tot consumptief krediet:
3.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over consumptief krediet:
3.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake consumptief krediet:
4.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden met betrekking tot schadeverzekeringen de eindtermen genoemd in de onderdelen 4.2 tot en met 4.5.
4.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden met betrekking tot schadeverzekeringen de eindtermen genoemd in de onderdelen 4.2 tot en met 4.5.
4.2. De personen zijn in staat met betrekking tot schadeverzekeringen inzake bezit, verkeer, transport, aansprakelijkheid en rechtsbijstand, inkomen en arbeidsongeschiktheid en gezondheid en zorg, hierna te noemen: «de schadeverzekeringen»:
4.3. De personen zijn in staat, met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over de schadeverzekeringen:
1.1. Veroordelingen
4.5. De personen zijn in staat, met betrekking tot schadeverzekeringen bij een mogelijke aanspraak/vordering:
5. Levensverzekeringen
5.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden met betrekking tot levensverzekeringen de eindtermen genoemd in de onderdelen 5.2 tot en met 5.8.
5.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden met betrekking tot levensverzekeringen de eindtermen genoemd in de onderdelen 5.2 tot en met 5.8.
5.2. De personen zijn in staat:
5.3. De personen zijn in staat met betrekking tot bemiddelen in en adviseren over levensverzekeringen:
5.4. De personen zijn in staat met betrekking beheer en mutatie van de overeenkomst inzake levensverzekeringen:
6. Volmacht
5.6. De personen zijn in staat met betrekking tot financiële instrumenten:
5.7. De personen zijn in staat met betrekking tot de totstandkoming van transacties in financiële instrumenten:
5.8. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake financiële instrumenten:
6.1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden voor de personen, werkzaam bij een gevolmachtigde agent inzake schadeverzekeringen de eindtermen genoemd in 6.2 tot en met 6.5 en 6.7 tot en met 6.9.
6.1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden voor de personen, werkzaam bij een gevolmachtigde agent inzake schadeverzekeringen de eindtermen genoemd in 6.2 tot en met 6.5 en 6.7 tot en met 6.9.
6.1.2. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden voor de personen, werkzaam bij een gevolmachtigde agent inzake levensverzekeringen de eindtermen genoemd in 6.2, 6.6 en 6.7 tot en met 6.9.
6.2. De personen beschikken over:
1.1. Veroordelingen
6.4. De personen beschikken met betrekking tot transportverzekeringen over:
6.5. De personen beschikken met betrekking tot variaverzekeringen over:
6.6. De personen beschikken met betrekking tot levensverzekeringen over:
6.7. De personen beschikken over:
6.8. De personen beschikken met betrekking tot verzekeringstechniek over:
6.9. De personen beschikken over:
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
5.1. De wijze waarop de beheerder periodiek informatie verschaft.
Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden de eindtermen genoemd in de onderdelen 1.2 tot en met 1.7.
1.2. De personen zijn in staat:
1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden de eindtermen genoemd in de onderdelen 1.2 tot en met 1.7.
1.2. De personen zijn in staat:
1.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het aanbieden van:
1.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in financiële producten:
1.5. De personen zijn in staat de schakels tussen uitgevende instellingen en eindbelegger in het kader van het verlenen van beleggingsdiensten te beschrijven.
1.6. De personen zijn in staat met betrekking tot het verlenen van financiële diensten inzake:
3. Financiële antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel b
2.2. De personen zijn in staat met betrekking tot hypothecair krediet:
2.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden, met betrekking tot hypothecair krediet, de eindtermen genoemd in de onderdelen 2.2 tot en met 2.7.
2.2. De personen zijn in staat met betrekking tot hypothecair krediet:
2.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over hypothecair krediet:
2.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake hypothecair krediet:
2.5. De personen zijn in staat met betrekking tot financiële instrumenten:
2.6. De personen zijn in staat met betrekking tot de totstandkoming van transacties in financiële instrumenten:
2.7. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake financiële instrumenten:
3.2. De personen zijn in staat met betrekking tot consumptief krediet:
3.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden met betrekking tot consumptief krediet de eindtermen genoemd in de onderdelen 3.2 tot en met 3.4.
3.2. De personen zijn in staat met betrekking tot consumptief krediet:
3.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over consumptief krediet:
3.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake consumptief krediet:
4.2. De personen zijn in staat met betrekking tot schadeverzekeringen inzake bezit, verkeer, transport, aansprakelijkheid en rechtsbijstand, inkomen en arbeidsongeschiktheid en gezondheid en zorg, hierna te noemen: «de schadeverzekeringen»:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)