Besluit van 18 mei 2009, houdende de vaststelling van kerndoelen voor het speciaal onderwijs (Besluit kerndoelen WEC)
Kenmerkend is dat de leerlingen op een praktische manier ervaringen opdoen waar ze in hun dagelijks leven, nu en in de toekomst, gebruik van kunnen maken. Ze verwerven kennis over en leren te zorgen voor zichzelf en andere mensen (kerndoelen 26, 27 en 28) planten en dieren (kerndoel 29) duurzaamheid en het milieu (kerndoel 30) en zij leren om te gaan met technische producten en processen (kerndoelen 31 t/m 34). In kerndoel 28 is ook de seksuele ontwikkeling en gezondheid opgenomen als onderdeel van het onderwijs in het leergebied Mens, natuur en techniek. Het accent ligt hier op «seksuele voorlichting» dat voor deze groep kwetsbare leerlingen belangrijk is en is niet te verwarren met het aspect omgaan met seksuele diversiteit in kerndoel 40.
Kerndoelen
Mens, natuur en techniek
Karakteristiek
Bij leerlingen met een fysieke beperking of langdurig zieke leerlingen zal het uitvoeren van praktisch onderzoek en van praktische opdrachten vaak om maatwerk vragen. Dit zal soms ook het geval zijn bij leerlingen met een beperking in de visuele waarneming. Met een duidelijke, gestructureerde aanpak en gerichte ondersteuning kan ook een brailleleerling praktische opdrachten leren uitvoeren, maar het goed om kunnen gaan met bepaalde meetgereedschappen zal lastig blijven.
Het brede spectrum van onderwerpen in dit leergebied en de daarmee samenhangende begrippen veronderstellen een bepaald niveau van (vak)taal- en woordenschatontwikkeling. Voor leerlingen in dit uitstroomprofiel zal de uitwerking van de kerndoelen zo praktisch en concreet mogelijk moeten zijn en afgestemd op de taal- en woordenschatontwikkeling van de leerlingen.
Het kerndoel gericht op veiligheidsaspecten, zal voor leerlingen met een auditieve en visuele beperking specifiek uitgewerkt worden. Het leren waarnemen en herkennen van onveilige situaties is echter ook voor hen uiterst belangrijk.
De kerndoelen gericht op kennis van lichamelijke en psychische gezondheid en zorg voor zichzelf en anderen zijn bij uitstek van belang voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs. De ondersteuning, apparatuur en/of handicapspecifieke aanpassingen waarmee de leerlingen zelf dagelijks omgaan kunnen hierbij worden betrokken. De invulling van deze kerndoelen kan worden aangepast aan de doelgroepen in de school en zal vaak ook per leerling variëren.
Algemeen geldt voor leerlingen met een beperking het belang dat zij ICT, technologische hulpmiddelen en aanpassingen steeds beter leren benutten om de eigen redzaamheid te vergroten. In het leergebied Mens, natuur en techniek wordt er tevens naar gestreefd dat leerlingen de mogelijkheden van ICT benutten bij het omgaan met werkgerelateerde informatie, zoals urenverantwoording en/of digitale uitlezing van machines en apparatuur.
Bij leerlingen met een fysieke beperking of langdurig zieke leerlingen zal het uitvoeren van praktisch onderzoek en van praktische opdrachten vaak om maatwerk vragen. Dit zal soms ook het geval zijn bij leerlingen met een beperking in de visuele waarneming. Met een duidelijke, gestructureerde aanpak en gerichte ondersteuning kan ook een brailleleerling praktische opdrachten leren uitvoeren, maar het goed om kunnen gaan met bepaalde meetgereedschappen zal lastig blijven.
Het brede spectrum van onderwerpen in dit leergebied en de daarmee samenhangende begrippen veronderstellen een bepaald niveau van (vak)taal- en woordenschatontwikkeling. Voor leerlingen in dit uitstroomprofiel zal de uitwerking van de kerndoelen zo praktisch en concreet mogelijk moeten zijn en afgestemd op de taal- en woordenschatontwikkeling van de leerlingen.
In dit leergebied staat de toerusting van leerlingen voor hun rol als burger in de Nederlandse maatschappij centraal. Door middel van praktische ervaringen en reflectie daarop leren de leerlingen deze rol in verschillende situaties in te vullen: op school, op stage, op de arbeidsplaats en in de bredere maatschappij.
Het leergebied Mens en maatschappij in het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht is gericht op de zelfredzaamheid en de participatie van leerlingen in het private en publieke domein en op de participatie in arbeidsorganisaties en de (toekomstige) rol als werknemer. Tot het private en het publieke domein behoren zaken als consumeren, budgetteren, mobiliteit, wonen, vrije tijdsbesteding en burgerschap.
Kerndoelen
Mens en maatschappij
Karakteristiek
In dit leergebied is het van belang dat leerlingen leren omgaan met voor hen van toepassing zijnde maatschappelijke ondersteuning, zorg- en/of hulpverlening. Ook leren de leerlingen wat de betekenis is van het hebben van een beperking voor de samenleving.
Bij leerlingen met een fysieke beperking of langdurig zieke leerlingen zal het uitvoeren van praktisch onderzoek en het doen van praktische opdrachten vaak om maatwerk vragen. Dit zal soms ook het geval zijn bij leerlingen met een beperking in de visuele waarneming. Voor deze laatste groep leerlingen is vooral het werken met complex samengestelde bronnen problematisch.
Bij kerndoel 37, het verwerven van een eigentijds beeld van de ruimtelijke omgeving ten behoeve van het reizen, kan het gebruik van kaarten, luchtfoto's en satellietbeelden problemen opleveren.
Voor leerlingen met een auditieve beperking en taalontwikkelingsstoornissen is het «verbanden zien en inzicht verkrijgen» soms lastig. Dit veronderstelt een taalabstractieniveau dat niet alle leerlingen kunnen ontwikkelen. Voor leerlingen met problemen op het gebied van communiceren en/of sociaal gedrag zal het innemen en verdedigen van een beargumenteerd standpunt en daarbij respectvol met kritiek omgaan speciale aandacht vergen. Voor leerlingen met een autisme spectrum stoornis geldt dit in het bijzonder voor kerndoel 40, met name als het gaat om het begrijpen en respectvol hanteren van verschillen in leefwijzen en opvattingen en om het zich verplaatsen in zienswijzen en standpunten van anderen.
In het leergebied Mens en maatschappij wordt ernaar gestreefd dat leerlingen tevens de mogelijkheden van ICT benutten bij het zoeken en gebruiken van informatie.
In dit leergebied is het van belang dat leerlingen leren omgaan met voor hen van toepassing zijnde maatschappelijke ondersteuning, zorg- en/of hulpverlening. Ook leren de leerlingen wat de betekenis is van het hebben van een beperking voor de samenleving.
Bij leerlingen met een fysieke beperking of langdurig zieke leerlingen zal het uitvoeren van praktisch onderzoek en het doen van praktische opdrachten vaak om maatwerk vragen. Dit zal soms ook het geval zijn bij leerlingen met een beperking in de visuele waarneming. Voor deze laatste groep leerlingen is vooral het werken met complex samengestelde bronnen problematisch.
In het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht staat de voorbereiding op (toekomstig) werken, wonen, vrijetijdsbesteding en burgerschap centraal. Het leergebied «culturele oriëntatie en creatieve expressie» draagt daaraan bij door het stimuleren van de persoonlijke, creatieve en kunstzinnige ontwikkeling van leerlingen, de ontwikkeling van de verbeeldingskracht en de ontwikkeling van competenties om de vrije tijd op een passende en bevredigende manier vorm te geven. Het richt zich op situaties, nu en in de toekomst, van dagelijks leven in de privésfeer (wonen, vrije tijd) en op het stimuleren van deelname aan sociaal-culturele activiteiten. Leerlingen verdiepen en verbreden hun kennismaking met culturele activiteiten en kunstzinnige en creatieve uitingen, voortbouwend op de kunstzinnige oriëntatie in het primair onderwijs of het speciaal onderwijs. Als vormingsgebied is culturele oriëntatie en creatieve expressie uitermate geschikt voor het ontwikkelen van competenties voor, en bewustwording van, een zinvolle en bevredigende besteding van vrije tijd.
Binnen de culturele oriëntatie ligt het accent op de verkenning van een passend sociaal-cultureel aanbod in de omgeving van de leerling. Ook is er aandacht voor erfgoededucatie, kunsteducatie en media-educatie, met nadruk op het verkennen van de diversiteit van het aanbod in de omgeving van de leerling en het deelnemen aan verschillende culturele en kunstzinnige activiteiten.
Kerndoelen
Culturele oriëntatie en creatieve expressie
Karakteristiek
Het leren uitdrukken van eigen gevoelens en ervaringen en hierover communiceren door middel van beeld, geluid en (lichaams)taal biedt leerlingen met sociaal-emotionele problematiek en/of communicatieve problemen de kans om gekanaliseerd uiting te geven aan hun gevoelens en fantasie. Maar er zijn ook beperkingen.
Het leergebied nodigt leerlingen uit iets van zichzelf te laten zien, wat vaak moeilijk voor hen is. Daar komt bij dat sommige leerlingen, zoals leerlingen met een autisme spectrum stoornis, vaak een beperkte verbeeldingskracht hebben.
Voor leerlingen met een fysieke beperking geldt dat zij hun eigen productieve mogelijkheden zullen verkennen en exploreren. Technologie kan worden ingezet als hulpmiddel.
Voor leerlingen met beperkte (fijn-)motorische vaardigheden kan het leren omgaan met verschillende materialen een waardevolle ervaring zijn, mede voor het stimuleren van de senso-motorische ontwikkeling.
Ook leerlingen met een auditieve, communicatieve en/of visuele beperking worden in hun ontwikkeling gestimuleerd door het opdoen van een grote verscheidenheid aan ervaringen door te handelen, dingen mee te maken en bewust gebruik te maken van de allerlei zintuiglijke waarnemingen. Afhankelijk van de beperking zullen de kerndoelen op een passende wijze worden ingevuld.
Voor blinde leerlingen zal het «kijken naar kunst» vervangen worden door andere zintuiglijke ervaringen. Voor dove en slechthorende leerlingen geldt dit voor activiteiten die een beroep doen op het gehoor. Voor dove leerlingen is het aansluiten bij sociaal culturele activiteiten voor doven gewenst om zaken met andere doven te kunnen delen. Maar onder andere door grotere afstanden kan het aanbod minder bereikbaar zijn.
Compensatie kan worden gezocht in ervaringen en uitingen die andere zintuigen aanspreken.
Voor leerlingen met een fysieke beperking geldt dat zij hun eigen productieve mogelijkheden zullen verkennen en exploreren. Technologie kan worden ingezet als hulpmiddel.
Voor leerlingen met beperkte (fijn-)motorische vaardigheden kan het leren omgaan met verschillende materialen een waardevolle ervaring zijn, mede voor het stimuleren van de senso-motorische ontwikkeling.
Ook leerlingen met een auditieve, communicatieve en/of visuele beperking worden in hun ontwikkeling gestimuleerd door het opdoen van een grote verscheidenheid aan ervaringen door te handelen, dingen mee te maken en bewust gebruik te maken van de allerlei zintuiglijke waarnemingen. Afhankelijk van de beperking zullen de kerndoelen op een passende wijze worden ingevuld.
Blijvende en verantwoorde deelname aan bewegen en sport is voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs belangrijk. Leerlingen worden zich in sterke mate bewust van hun (fysieke) mogelijkheden en onmogelijkheden. Het verkennen en accepteren van de eigen mogelijkheden en het ontwikkelen van zelfvertrouwen zijn daarbij essentieel.
Het ontwikkelen en behouden van een actieve leefstijl en de voorbereiding op een zinvolle en gezonde vrije tijdsbesteding vormen belangrijke doelstellingen van het leergebied bewegen en sport in het vso uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht. Om dat doel te bereiken leren leerlingen deel te nemen aan een breed scala van actuele bewegingsactiviteiten. Leerlingen leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en spelvormen ervaren in aansprekende bewegingssituaties. Het gaat daarbij om bewegingsvormen als balanceren, springen, zwaaien, klimmen, duikelen, hardlopen en bewegen op muziek. En om spelvormen als tik- en afgooispelen, doelspelen en terugslagspelen en spelactiviteiten waarbij het gaat om mikken en jongleren en zelfverdediging.
Kerndoelen
Bewegen en sport
Karakteristiek
Ter voorbereiding op arbeid zitten in veel bewegingsactiviteiten aspecten die van belang zijn voor lichamelijke arbeid, zoals tillen, kracht zetten en op hoogte werken. Deze aspecten zullen gekoppeld aan passende activiteiten aan de orde komen.
Veiligheid in bewegingssituaties en fitheid in relatie tot bewegen is ook een thema dat samen met verschillende activiteiten aan de orde komt.
De motorische ontwikkeling bij leerlingen met een fysieke of zintuiglijke beperking is veelal achter vergeleken met leeftijdsgenoten. Bewegen in de ruimte kan voor deze leerlingen omgeven zijn met onzekerheid en angst. De uiteenlopende lichamelijke beperkingen kunnen een motorisch actieve deelname aan activiteiten voor sommige leerlingen moeilijk of zelfs onmogelijk maken. Voor zover mogelijk zullen voor deze leerlingen alternatieven worden aangeboden waarin ze op een andere en passende manier actief betrokken kunnen zijn bij een bewegingsactiviteit.
Voor blinde leerlingen zijn balspelen slechts beperkt mogelijk. Activiteiten als zwemmen, skiën, schaatsen, klimmen, fitness en kanoën zijn wel mogelijk. Met aangepast sportmateriaal kan veel worden bereikt. Slechtziende leerlingen kunnen bijna alle spelvormen op een eenvoudig niveau beoefenen.
Ook bij leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking kan sprake zijn van een achterstand in de motorische ontwikkeling, veroorzaakt door beperktere ervaring in verschillende vormen van bewegen en spelen. Ook komen stoornissen in de coördinatie en de planning van bewegingen voor. Door de stoornis van het gehoor kunnen dove en slechthorende leerlingen problemen met hun evenwicht hebben. Spelactiviteiten met andere leerlingen kunnen lastig zijn door problemen in de onderlinge communicatie.
Ter voorbereiding op arbeid zitten in veel bewegingsactiviteiten aspecten die van belang zijn voor lichamelijke arbeid, zoals tillen, kracht zetten en op hoogte werken. Deze aspecten zullen gekoppeld aan passende activiteiten aan de orde komen.
Veiligheid in bewegingssituaties en fitheid in relatie tot bewegen is ook een thema dat samen met verschillende activiteiten aan de orde komt.
De motorische ontwikkeling bij leerlingen met een fysieke of zintuiglijke beperking is veelal achter vergeleken met leeftijdsgenoten. Bewegen in de ruimte kan voor deze leerlingen omgeven zijn met onzekerheid en angst. De uiteenlopende lichamelijke beperkingen kunnen een motorisch actieve deelname aan activiteiten voor sommige leerlingen moeilijk of zelfs onmogelijk maken. Voor zover mogelijk zullen voor deze leerlingen alternatieven worden aangeboden waarin ze op een andere en passende manier actief betrokken kunnen zijn bij een bewegingsactiviteit.
Over de Friese taal geeft de Wet op de expertisecentra aan dat op scholen in de provincie Fryslân het onderwijs in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel mede onderwijs in de Friese taal kan omvatten.
In Fryslân spelen zowel de Nederlandse als de Friese taal een belangrijke rol en veel leerlingen ervaren de tweetalige cultuur dagelijks. Het onderwijs in het Fries draagt eraan bij dat leerlingen kunnen participeren in deze sociale en culturele omgeving. In scholen waar Fries aangeboden wordt, staat dit onderwijs niet los van het onderwijs in het Nederlands. Er is bij het werken aan de doelen Nederlands en Fries een transfer mogelijk tussen aspecten die in beide talen aan de orde zijn.
Kerndoelen
Friese taal
Karakteristiek
De overige drie kerndoelen omschrijven de taaldomeinen waarin de leerlingen hun vaardigheden en kennis verder ontwikkelen: begrijpen van gesproken Fries, zich in het Fries uitdrukken, informatie verwerven uit voor de doelgroep geschikte teksten en schrijven van eenvoudige teksten in het Fries.
Het verwerven van woordenschat maakt integraal onderdeel uit van het werken aan deze doelen in voor de doelgroep passende praktische contexten, en evenzo het leren van strategieën om in luisteren, spreken en schriftelijke taal de betekenis te begrijpen.
De kerndoelen bieden de mogelijkheid voort te bouwen op het onderwijs Friese taal in het (speciaal) basisonderwijs. Het is belangrijk dat het onderwijs in het Fries aansluit op de eigen taalsituatie van de leerlingen en de onderwijsachtergrond in Fries en zich richt op het vergroten van de taalvaardigheid van leerlingen met het oog op hun te verwachten leef- en werksituatie. Daarbij is in dit uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht uiteraard ook te denken aan werksituaties waar in het Fries wordt gecommuniceerd.
Het leren van Fries in dit uitstroomprofiel zal vooral gericht zijn op praktisch gebruik in de eigen omgeving, op school en in sociale situaties zoals in het openbaar en in werksituaties. Hoofdzakelijk wordt dus gestreefd naar het leren van praktische taalvaardigheden, vooral receptief en communicatief. Belangrijk is de mondelinge taalvaardigheid, luisteren, begrijpen en spreken op voor betrokken leerlingen haalbaar niveau en aansluitend op het Fries thuis en op deelname van de leerling in de Friese samenleving. Voor leerlingen in dit uitstroomprofiel houdt het Fries ook enige schriftelijke taalvaardigheid in, zoals het lezen van voor de doelgroep geschikte teksten tot het schrijven van heel eenvoudige berichten, briefjes en korte berichtjes op nieuwe media als smartphones en tablets.
Het eerste kerndoel is gericht op het ontwikkelen van een positieve en actieve attitude ten opzichte van de Friese taal. Dat omvat mede het bewustzijn van de tweetaligheid in Fryslân en bijvoorbeeld zich kunnen instellen op situaties waarin het Fries aan de orde is.
In het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht worden leerlingen voorbereid op participatie op de arbeidsmarkt. Allereerst wordt bij «arbeidsmarkt» in relatie tot schoolverlaters van het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht gedacht aan passende werkgelegenheid in de regio waar de leerling woont.
«Passende werkgelegenheid» moet hier individueel bekeken worden: passend voor de individuele leerling, met zijn of haar wensen, mogelijkheden en beperkingen.
Kerndoelen
Loopbaansturing
Karakteristiek
De leerling leert om zijn eigen affiniteit met en motivatie voor verschillende werkvelden en branches te onderzoeken, ook in relatie tot de behoeften en mogelijkheden van de regionale arbeidsmarkt, en stapsgewijs tot conclusies te komen met betrekking tot de eigen loopbaan. Hierop kan de leerling bij de start van zijn loopbaan als werknemer zijn keuzes baseren.
De leerling leert loopbaanvaardigheden als effectief werk te zoeken, een sollicitatieprocedure te doorlopen en zijn rechten en plichten als werknemer naar behoren uit te oefenen. Het leren vinden en behouden van werk, en het (zo nodig) leren veranderen van baan is tevens onderdeel van de voorbereiding op de arbeidsmarkt.
De kerndoelen ter voorbereiding op arbeid zijn erop gericht dat leerlingen zich oriënteren op geschikte werkvelden en beroepen en hun loopbaan-, arbeidsmarkt- en beroepsvaardigheden maximaal kunnen ontwikkelen, rekening houdend met hun mogelijkheden en beperkingen. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met het arbeidsmarktperspectief in de regio.
Loopbaansturing
Een integrale benadering is belangrijk. Tegelijkertijd met het leren uitvoeren van praktische taken, oriënteert de leerling zich ook op een concrete en praktische manier wat die arbeid in de betreffende sector of branche voor hem betekent. De leerling oriënteert zich daarnaast actief op het werk- en beroepenveld, bijvoorbeeld door middel van bedrijfsexcursies en oriënterende stages in meerdere branches of sectoren.
Voor leerlingen met uiteenlopende beperkingen of stoornissen zal de voorbereiding op arbeid maatwerk zijn. Dit onderdeel moet duidelijk gekoppeld worden aan de eigen keuzes en het verwachte en gewenste niveau van uitstroom en daarmee evenredig zijn. Bij uitstroom naar bijvoorbeeld de beschermde arbeidsmarkt zal het accent op andere kerndoelen liggen als bij uitstroom naar een reguliere baan. Veel leerlingen zullen wellicht altijd begeleiding of ondersteuning nodig hebben om te kunnen werken.
De leerling leert loopbaanvaardigheden als effectief werk te zoeken, een sollicitatieprocedure te doorlopen en zijn rechten en plichten als werknemer naar behoren uit te oefenen. Het leren vinden en behouden van werk, en het (zo nodig) leren veranderen van baan is tevens onderdeel van de voorbereiding op de arbeidsmarkt.
Hoofdstuk 3. Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding
De leerling ontwikkelt algemene competenties voor de arbeidsmarkt (kerndoel 61) en specifieke beroepscompetenties (kerndoel 62). De beschrijvingswijze van de kerndoelen is ontleend aan de beroepsgerichte kwalificatiestructuur van het mbo, omdat deze beschrijvingswijze herkend wordt door bedrijven en roc’s. Hierdoor kunnen doorgaande ontwikkelingslijnen voor leerlingen ontstaan van vso naar bedrijven en, indien mogelijk, naar vervolgtrajecten met een combinatie van werk en opleiding.
Nederlandse taal en communicatie
Voor leerlingen met uiteenlopende beperkingen of stoornissen zal de voorbereiding op arbeid maatwerk zijn. Dit onderdeel moet duidelijk gekoppeld worden aan de eigen keuzes en het verwachte en gewenste niveau van uitstroom en daarmee evenredig zijn. Bij uitstroom naar bijvoorbeeld de beschermde arbeidsmarkt zal het accent op andere kerndoelen liggen als bij uitstroom naar een reguliere baan. Veel leerlingen zullen wellicht altijd begeleiding of ondersteuning nodig hebben om te kunnen werken.
Kerndoelen
Hoofdstuk 3. Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding
Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding
Nederlandse taal en communicatie
Kerndoelen
Beheersing van de taal maakt het leerlingen mogelijk te functioneren in allerlei communicatieve situaties, nu en in de toekomst. Leerlingen dienen zich begrijpelijk te kunnen uitdrukken en ze moeten kunnen verstaan en begrijpen wat anderen willen meedelen. Het taalonderwijs vso dagbesteding is gericht op praktisch en functioneel taalgebruik. Het bevorderen van redzaamheid en zelfstandigheid staat centraal.
Taalverwerving en taalonderwijs verlopen concentrisch: dezelfde soort inhoud komt in toenemende complexiteit en in toenemende mate van beheersing aan de orde. Het taalbeheersingsniveau dat de leerling in het (speciaal) basisonderwijs heeft bereikt en de leefwereld van de leerling zijn belangrijke uitgangspunten in het onderwijs in de Nederlandse taal. De leerlingen leren op de voor hen meest geëigende manier(en) communiceren en ze bewegen zich in een omgeving waar verschillende manieren van communiceren voorkomen. Leerlingen worden uitgedaagd tot taalactiviteiten. Ze ontwikkelen een positieve houding ten opzichte van verschillende vormen van taalgebruik.
Algemeen doel van het reken- en wiskundeonderwijs in het hele vso is het bijdragen aan de redzaamheid van leerlingen in situaties die reken- of wiskundige kennis, vaardigheden of inzichten vereisen. Dat zijn situaties, nu en in de toekomst, waar reken- en wiskundige vaardigheden ingezet worden: in het dagelijks leven in de privésfeer (wonen en vrije tijd), in het publieke domein (burgerschap), in de werkpraktijk (van werk of activiteiten in dagbesteding), in het (vervolg)onderwijs in rekenen en wiskunde en/of andere leergebieden. Wiskunde wordt hier algemeen en in brede zin bedoeld, niet beperkt tot specifieke wiskundige gebieden.
De relatie met andere leergebieden is tweezijdig. Ten eerste gaat het om het gebruik van relevante situaties uit andere leergebieden en ten tweede om het in andere leergebieden bewust werken aan aspecten van rekenen en wiskunde.
Kerndoelen
Rekenen en wiskunde
Karakteristiek
Leerlingen verwerven kennis, vaardigheden en inzichten op het gebied van getallen, meten, tijd en geld.
De relatie met andere leergebieden is tweezijdig. Ten eerste gaat het om het gebruik van relevante situaties uit andere leergebieden en ten tweede om het in andere leergebieden bewust werken aan aspecten van rekenen en wiskunde.
In dit uitstroomprofiel ligt het accent op rekenen en wiskunde die nodig is ter voorbereiding op werk- en dagactiviteiten, wonen, vrije tijd en burgerschap, het is gericht op voor zover mogelijk zelfstandig en met hulp functioneren daarin.
Binnen de contexten van (toekomstige) woon- en leefsituaties ontwikkelen leerlingen hun reken- en wiskundevaardigheden verder en ze ontwikkelen tot zover als mogelijk hun vermogens om rekenen en wiskunde in (praktische) situaties te herkennen, te interpreteren en te gebruiken. Daarbij kunnen hulpmiddelen worden ingezet, zoals de computer en/of rekenmachine, zodat er ook gestreefd wordt naar het verwerven van de vaardigheden die nodig zijn om dat te kunnen.
Het brede leergebied «Mens natuur en techniek» biedt leerlingen een oriëntatie op levende en niet-levende natuur en op techniek in de eigen omgeving, op school, in eigen leef- en woonomgeving en (toekomstige) werk- en dagactiviteiten. Het leren zorgen voor zichzelf en anderen is een centraal thema in dit leergebied. Dit leergebied is gericht op een zo groot mogelijke zelfredzaamheid en participatie van leerlingen op het gebied van (zelf)zorg, wonen, dagelijkse werkzaamheden of activiteiten, vrije tijdsbesteding en burgerschap.
Kenmerkend is dat de leerlingen op een praktische manier ervaringen opdoen waar ze in hun dagelijks leven, nu en in de toekomst, gebruik van kunnen maken. Ze komen in aanraking met organismen, materialen, voorwerpen en verschijnselen. Ook leren leerlingen om te gaan met eigen lichaam, andere mensen, planten, dieren, het milieu en technische producten en processen. In kerndoel 16 is ook de seksuele gezondheid opgenomen als onderdeel van het onderwijs in het leergebied Mens, natuur en techniek. Het accent ligt hier op «seksuele voorlichting» dat voor deze groep kwetsbare leerlingen belangrijk is en is niet te verwarren met het aspect omgaan met seksuele diversiteit in kerndoel 27.
Kerndoelen
Mens, natuur en techniek
Karakteristiek
In het leergebied Mens, natuur en techniekwordt er tevens naar gestreefd dat leerlingen de mogelijkheden van ICT benutten bij het vinden, verwerken en verstrekken van informatie en bij de communicatie.
Kenmerkend is dat de leerlingen op een praktische manier ervaringen opdoen waar ze in hun dagelijks leven, nu en in de toekomst, gebruik van kunnen maken. Ze komen in aanraking met organismen, materialen, voorwerpen en verschijnselen. Ook leren leerlingen om te gaan met eigen lichaam, andere mensen, planten, dieren, het milieu en technische producten en processen. In kerndoel 16 is ook de seksuele gezondheid opgenomen als onderdeel van het onderwijs in het leergebied Mens, natuur en techniek. Het accent ligt hier op «seksuele voorlichting» dat voor deze groep kwetsbare leerlingen belangrijk is en is niet te verwarren met het aspect omgaan met seksuele diversiteit in kerndoel 27.
Het leergebied Mens, natuur en techniek in het uitstroomprofiel Dagbesteding kent verschillende thema’s:
In het leren over de onderwerpen in dit brede leergebied komen veel begrippen aan de orde, en het hangt daardoor samen met het niveau van taal- en woordenschatontwikkeling dat bereikt kan worden. Het leren zal voornamelijk met concrete situaties, taken en routines verbonden zijn.
In dit leergebied staat centraal de toerusting van leerlingen voor hun functioneren in sociale en maatschappelijke verbanden en rol als burger in de Nederlandse maatschappij. Door middel van praktische ervaringen en reflectie daarop leren de leerlingen deze rol op verschillende manieren in te vullen: eerst op school, later ook op stages in voor hen passende situaties met betrekking tot wonen, werken/dagactiviteiten en vrijetijdsbesteding en in de bredere maatschappij.
Het leergebied Mens en maatschappij in het vso-uitstroomprofiel Dagbesteding is gericht op zo groot mogelijke zelfredzaamheid en participatie van leerlingen in het private en publieke domein op de gebieden consumeren/budgetteren, mobiliteit, wonen, vrije tijdsbesteding en burgerschap, en op de participatie in werkverbanden in (arbeidsmatige) dagbesteding of activiteiten.
Kerndoelen
Mens en maatschappij
Karakteristiek
Hierin ligt ook een relatie met de competenties die in de leergebiedoverstijgende doelen worden aangegeven.
Het leergebied Mens en maatschappij in het vso-uitstroomprofiel Dagbesteding is gericht op zo groot mogelijke zelfredzaamheid en participatie van leerlingen in het private en publieke domein op de gebieden consumeren/budgetteren, mobiliteit, wonen, vrije tijdsbesteding en burgerschap, en op de participatie in werkverbanden in (arbeidsmatige) dagbesteding of activiteiten.
Voor het functioneren op deze gebieden is belangrijk voor leerlingen met een beperking dat zij onder andere technologische hulpmiddelen en aanpassingen leren gebruiken om de eigen redzaamheid te vergroten.
In het leergebied Mens en maatschappij wordt tevens ernaar gestreefd dat leerlingen de mogelijkheden van ICT benutten bij het zoeken en gebruiken van informatie.
In het voortgezet speciaal onderwijs staat in het uitstroomprofiel Dagbesteding de voorbereiding op participatie in dagbesteding, wonen, vrijetijdsbesteding en burgerschap centraal. Het leergebied «culturele oriëntatie en creatieve expressie» draagt daaraan bij door het stimuleren van de persoonlijke, creatieve en kunstzinnige ontwikkeling van leerlingen, de ontwikkeling van de verbeeldingskracht en de ontwikkeling van competenties om de vrije tijd op een passende en bevredigende manier vorm te geven. Het richt zich op situaties, nu en in de toekomst, van dagelijks leven in de privésfeer (wonen, vrije tijd) en op het stimuleren van deelname aan sociaal-culturele activiteiten. Daarmee is culturele oriëntatie en creatieve expressie niet alleen een leergebied, maar ook een vormingsgebied, waarin leerlingen hun kennismaking met culturele activiteiten en kunstzinnige en creatieve uitingen verbreden en verdiepen, voortbouwend op de kunstzinnige oriëntatie in het speciaal onderwijs. Als vormingsgebied is culturele oriëntatie en creatieve expressie uitermate geschikt voor het ontwikkelen van competenties voor, en bewustwording van, een zinvolle en bevredigende besteding van vrije tijd.
Binnen de culturele oriëntatie ligt het accent op de verkenning van het cultureel aanbod in de omgeving van de leerling. De leerling maakt kennis met instellingen of organisaties met een voor de leerling(en) passend cultureel aanbod. Kunst-, media- en erfgoededucatie hebben betrekking op het verkennen van de diversiteit van het aanbod in de omgeving van de leerling en het deelnemen aan verschillende culturele en kunstzinnige activiteiten.
Kerndoelen
Culturele oriëntatie en creatieve expressie
Kerndoelen
In het voortgezet speciaal onderwijs staat in het uitstroomprofiel Dagbesteding de voorbereiding op participatie in dagbesteding, wonen, vrijetijdsbesteding en burgerschap centraal. Het leergebied «culturele oriëntatie en creatieve expressie» draagt daaraan bij door het stimuleren van de persoonlijke, creatieve en kunstzinnige ontwikkeling van leerlingen, de ontwikkeling van de verbeeldingskracht en de ontwikkeling van competenties om de vrije tijd op een passende en bevredigende manier vorm te geven. Het richt zich op situaties, nu en in de toekomst, van dagelijks leven in de privésfeer (wonen, vrije tijd) en op het stimuleren van deelname aan sociaal-culturele activiteiten. Daarmee is culturele oriëntatie en creatieve expressie niet alleen een leergebied, maar ook een vormingsgebied, waarin leerlingen hun kennismaking met culturele activiteiten en kunstzinnige en creatieve uitingen verbreden en verdiepen, voortbouwend op de kunstzinnige oriëntatie in het speciaal onderwijs. Als vormingsgebied is culturele oriëntatie en creatieve expressie uitermate geschikt voor het ontwikkelen van competenties voor, en bewustwording van, een zinvolle en bevredigende besteding van vrije tijd.
Binnen de culturele oriëntatie ligt het accent op de verkenning van het cultureel aanbod in de omgeving van de leerling. De leerling maakt kennis met instellingen of organisaties met een voor de leerling(en) passend cultureel aanbod. Kunst-, media- en erfgoededucatie hebben betrekking op het verkennen van de diversiteit van het aanbod in de omgeving van de leerling en het deelnemen aan verschillende culturele en kunstzinnige activiteiten.
Bewegingsonderwijs is erop gericht dat de leerlingen deel leren nemen aan bewegingsactiviteiten, waardoor zij een uitgangspositie verwerven om deel te nemen aan bewegingsactieve vrijetijdsbesteding, nu en later.
De ontwikkeling van het eigen motorisch vermogen, het kunnen omgaan met de eigen motorische (on)mogelijkheden, staat centraal bij het leren deelnemen aan activiteiten uit de bewegingsgebieden. Leerlingen leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en spelvormen ervaren in aansprekende bewegingssituaties. Het gaat daarbij om bewegingsvormen als balanceren, springen, zwaaien, klimmen, duikelen, hardlopen en bewegen op muziek. En om spelvormen als tik- en afgooispelen, doelspelen en terugslagspelen en spelactiviteiten waarbij het gaat om mikken en jongleren en zelfverdediging.
Kerndoelen
Bewegen en sport
Karakteristiek
Bewegingsonderwijs is erop gericht dat de leerlingen deel leren nemen aan bewegingsactiviteiten, waardoor zij een uitgangspositie verwerven om deel te nemen aan bewegingsactieve vrijetijdsbesteding, nu en later.
De ontwikkeling van het eigen motorisch vermogen, het kunnen omgaan met de eigen motorische (on)mogelijkheden, staat centraal bij het leren deelnemen aan activiteiten uit de bewegingsgebieden. Leerlingen leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en spelvormen ervaren in aansprekende bewegingssituaties. Het gaat daarbij om bewegingsvormen als balanceren, springen, zwaaien, klimmen, duikelen, hardlopen en bewegen op muziek. En om spelvormen als tik- en afgooispelen, doelspelen en terugslagspelen en spelactiviteiten waarbij het gaat om mikken en jongleren en zelfverdediging.
Veel spelvormen en sportactiviteiten worden gezamenlijk ondernomen. Daarbij is het van belang dat leerlingen leren af te spreken wat de regels zijn en hoe die na te leven, elkaar helpen, op veiligheid letten, elkaars mogelijkheden respecteren en eigen mogelijkheden verkennen. Hierdoor leren de leerlingen het bewegen te reguleren.
Over de Friese taal geeft de Wet op de expertisecentra aan dat op scholen in de provincie Fryslân het onderwijs in het uitstroomprofiel dagbesteding mede onderwijs in de Friese taal kan omvatten.
In Fryslân spelen zowel de Nederlandse als de Friese taal een belangrijke rol en veel leerlingen ervaren de tweetalige cultuur dagelijks. Het onderwijs in het Fries draagt eraan bij dat leerlingen kunnen participeren in deze sociale en culturele omgeving. In scholen waar Fries aangeboden wordt staat dit onderwijs niet los van het onderwijs in het Nederlands. Er is bij het werken aan de doelen Nederlands en Fries een transfer mogelijk tussen aspecten die in beide talen aan de orde zijn.
Kerndoelen
Friese taal
Karakteristiek
De overige twee kerndoelen omschrijven de taaldomeinen waarin de leerlingen hun vaardigheden en kennis verder ontwikkelen: begrijpen van gesproken Fries en zich in het Fries uitdrukken.
Het verwerven van woordenschat maakt integraal onderdeel uit van het werken aan deze doelen in voor de doelgroep passende praktische contexten.
De kerndoelen bieden de mogelijkheid voort te bouwen op het onderwijs Friese taal in het speciaal (basis)onderwijs. Het is belangrijk dat het onderwijs in het Fries aansluit op de eigen taalsituatie van de leerlingen en de onderwijsachtergrond in Fries en zich richt op het vergroten van de taalvaardigheid van leerlingen met het oog op hun te verwachten leef- en werksituatie.
Het leren van Fries in dit uitstroomprofiel Dagbesteding is gericht op praktisch gebruik in dagelijkse mondelinge communicatie in de eigen omgeving, op school en in sociale situaties. Hoofdzakelijk wordt gestreefd naar het leren van mondelinge taalvaardigheden: luisteren, begrijpen en spreken op voor betrokken leerlingen haalbaar niveau en aansluitend op het Fries thuis en op deelname in de Friese samenleving.
Het eerste kerndoel is gericht op het ontwikkelen van een positieve en actieve attitude ten opzichte van de Friese taal. Dat omvat mede het besef van de tweetaligheid in Fryslân en bijvoorbeeld zich kunnen instellen op situaties waarin het Fries aan de orde is.
In het vso-uitstroomprofiel dagbesteding worden leerlingen voorbereid op participatie in dagactiviteiten. Daarin bestaan verschillende vormen met te onderscheiden mogelijkheden en niveaus. Het kan gaan om arbeidsmatige, activiteitengerichte of belevingsgerichte dagbesteding, en combinaties daartussen geven weer tussenmogelijkheden. De range van leerlingen en hun mogelijkheden is in dit uitstroomprofiel zeer groot en dat komt tot uiting in de zeer verschillende toekomstsituaties waarop de school hen voorbereiding wil bieden. Er is een groot verschil tussen leerlingen die ondersteund en begeleid werk kunnen verrichten en leerlingen waarbij primair voor een veilige omgeving met stimulerende ervaringen gezorgd moet worden. Uiteindelijk is het de bedoeling dat voor elke leerling de best passende plaats mogelijk wordt. Als er sprake is van werk, wordt hier geen loonvormende arbeid bedoeld.
De kerndoelen ter voorbereiding op dagbesteding zijn erop gericht dat leerlingen hun competenties voor de praktijk van hun dagelijkse activiteiten optimaal kunnen ontwikkelen, rekening houdend met hun mogelijkheden en beperkingen.
Kerndoelen
Exploratie van werk en dagactiviteiten
Karakteristiek
In het vso-uitstroomprofiel dagbesteding worden leerlingen voorbereid op participatie in dagactiviteiten. Daarin bestaan verschillende vormen met te onderscheiden mogelijkheden en niveaus. Het kan gaan om arbeidsmatige, activiteitengerichte of belevingsgerichte dagbesteding, en combinaties daartussen geven weer tussenmogelijkheden. De range van leerlingen en hun mogelijkheden is in dit uitstroomprofiel zeer groot en dat komt tot uiting in de zeer verschillende toekomstsituaties waarop de school hen voorbereiding wil bieden. Er is een groot verschil tussen leerlingen die ondersteund en begeleid werk kunnen verrichten en leerlingen waarbij primair voor een veilige omgeving met stimulerende ervaringen gezorgd moet worden. Uiteindelijk is het de bedoeling dat voor elke leerling de best passende plaats mogelijk wordt. Als er sprake is van werk, wordt hier geen loonvormende arbeid bedoeld.
Een passende plek in werk en dagbesteding staat niet voor altijd vast. In de mogelijkheden van (werk-)activiteiten kunnen nieuwe perspectieven haalbaar worden en ook de jongere kan zijn mogelijkheden verder ontwikkelen of zijn voorkeuren veranderen, waardoor het te verwachten is dat men meer dan eens van situatie zal wisselen. De vaardigheden om hier zoveel mogelijk zelf sturing aan te geven, vormen het onderwerp van het tweede kerndoel. Dit doel zal in het algemeen met de nodige begeleiding en ondersteuning gepaard gaan, tegelijk met het ervaring opdoen in de praktijk. De begeleiding in school krijgt vaak vorm in een individueel transitieplan, als voorbereiding op hun loopbaan. Loopbaan wordt voor deze leerlingen breed en integraal opgevat: hun weg in het leven met betrekking tot wonen, werk- en dagactiviteiten, vrijetijdsbesteding en samenleving.
Het hangt van het niveau van de leerling af in hoeverre hij of zij dat in enigermate zelfstandig kan. Het streven is om de leerling, om wie het uiteindelijk gaat, hierin een zo groot mogelijk betrokkenheid en stem te laten hebben. Doel is om hun vermogens tot loopbaansturing te versterken en hen uit te dagen, zelf (mede)verantwoordelijkheid te leren dragen voor hun (toekomstige) loopbaan in het leven.
Werkcompetenties
Voor leerlingen die arbeidsmatige dagactiviteiten kunnen verrichten gelden de kerndoelen 45 en 46. De leerling ontwikkelt algemene (kerndoel 45) en specifieke (kerndoel 46) competenties voor werk. De beschrijvingswijze van deze kerndoelen is ontleend aan de beroepsgerichte kwalificatiestructuur van het mbo, die ook gebruikt is bij het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht om de afstemming en herkenbaarheid te bevorderen.
Kiezen en loopbaansturing
Het verschil tussen de algemene werkcompetenties (kerndoel 45) en de specifieke vaardigheden (kerndoel 46) is dat de eerste betrekking hebben op het algemene functioneren in een op werken gerichte situatie, en de tweede de concrete vaardigheden bij het uitvoeren van werkhandelingen omvatten. Deze zijn uiteraard per werksituatie zeer verschillend. In de schoolsituatie en/of stage wordt deze uitvoering geleerd of getraind, lettend op de verschillende mogelijkheden van uitvoeringsniveau en/of ondersteuning die daarbij nodig is.
Deze kerndoelen gelden niet voor leerlingen in het uitstroomprofiel Dagbesteding die geen arbeidsmatige activiteiten kunnen verrichten. De voorbereiding op andere vormen van dagbesteding is zo divers dat de school hiervoor een op het perspectief van de leerling passende specifieke invulling van het programma kan ontwikkelen in afstemming met de ontvangende instellingen. Stages om te wennen aan de nieuwe omgeving behoren ook hier tot de mogelijkheden.
Werkcompetenties
Voor leerlingen die arbeidsmatige dagactiviteiten kunnen verrichten gelden de kerndoelen 45 en 46. De leerling ontwikkelt algemene (kerndoel 45) en specifieke (kerndoel 46) competenties voor werk. De beschrijvingswijze van deze kerndoelen is ontleend aan de beroepsgerichte kwalificatiestructuur van het mbo, die ook gebruikt is bij het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht om de afstemming en herkenbaarheid te bevorderen.
Het zijn vrij globale geformuleerde competentiecategorieën en zullen in de praktijk voor deze leerlingen een eigen passende invulling krijgen.
Het verschil tussen de algemene werkcompetenties (kerndoel 45) en de specifieke vaardigheden (kerndoel 46) is dat de eerste betrekking hebben op het algemene functioneren in een op werken gerichte situatie, en de tweede de concrete vaardigheden bij het uitvoeren van werkhandelingen omvatten. Deze zijn uiteraard per werksituatie zeer verschillend. In de schoolsituatie en/of stage wordt deze uitvoering geleerd of getraind, lettend op de verschillende mogelijkheden van uitvoeringsniveau en/of ondersteuning die daarbij nodig is.
Deze kerndoelen gelden niet voor leerlingen in het uitstroomprofiel Dagbesteding die geen arbeidsmatige activiteiten kunnen verrichten. De voorbereiding op andere vormen van dagbesteding is zo divers dat de school hiervoor een op het perspectief van de leerling passende specifieke invulling van het programma kan ontwikkelen in afstemming met de ontvangende instellingen. Stages om te wennen aan de nieuwe omgeving behoren ook hier tot de mogelijkheden.
In de praktijk wordt de term «werk» gehanteerd op de wijze waarop dat eveneens in deze karakteristiek wordt gedaan. Aangezien de term «werk» niet past binnen het juridische kader van de kerndoelen, wordt bij de kerndoelen hieronder in plaats van de term «werk» de term «arbeidsmatige dagbesteding» gehanteerd.
Kerndoelen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Over de Friese taal geeft de Wet op de expertisecentra aan dat scholen voor speciaal onderwijs in de provincie Friesland in hun onderwijsaanbod de Friese taal kunnen opnemen.
Kerndoelen
Mondeling taalonderwijs
In de loop van het onderwijs verwerven leerlingen zich – in de context van voor hen betekenisvolle situaties – geleidelijk vertrouwdheid met getallen, maten, vormen, structuren en de daarbij passende relaties en bewerkingen. Ze leren «wiskundetaal» gebruiken en worden «wiskundig geletterd» en gecijferd. De wiskundetaal betreft onder andere reken-wiskundige en meetkundige zegswijzen, formele en informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen, grafieken en opdrachten voor de rekenmachine. «Wiskundig geletterd» en gecijferd betreft onder andere samenhangend inzicht in getallen, maatinzicht en ruimtelijk inzicht, een repertoire van parate kennis, belangrijke referentie-getallen en -maten, karakteristieke voorbeelden en toepassingen en routine in rekenen, meten en meetkunde. Meetkunde betreft ruimtelijke oriëntatie, het beschrijven van verschijnselen in de werkelijkheid en het redeneren op basis van ruimtelijk voorstellingsvermogen in twee en drie dimensies.
De onderwerpen waaraan leerlingen hun «wiskundige geletterdheid» ontwikkelen zijn van verschillende herkomst: het leven van alledag, andere vormingsgebieden en de wiskunde zelf. Bij de selectie en aanbieding van de onderwerpen wordt rekening gehouden met wat leerlingen al weten en kunnen, met hun verdere vorming, hun belangstelling en de actualiteit, zodat leerlingen zich uitgedaagd voelen tot wiskundige activiteit en zodat ze op eigen niveau, met plezier en voldoening, zelfstandig en in de groep uit eigen vermogen wiskunde doen: wiskundige vragen stellen en problemen formuleren en oplossen.
Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)
De sociaal-emotionele problematiek waaronder de leerlingen gebukt gaan, bemoeilijkt het aanbieden van interactief en communicatief onderwijs. De leerlingen hebben moeite met het luisteren naar elkaar en het accepteren van door anderen gevonden oplossingen.
Kerndoelen
Wiskundig inzicht en handelen
In dit leergebied oriënteren leerlingen zich op zichzelf, op hoe mensen met elkaar omgaan, hoe ze problemen oplossen en hoe ze zin en betekenis geven aan hun bestaan. Leerlingen oriënteren zich op de natuurlijke omgeving en op verschijnselen die zich daarin voordoen. Leerlingen oriënteren zich ook op de wereld, dichtbij, veraf, toen en nu en maken daarbij gebruik van cultureel erfgoed.
Belangrijk is dat leerlingen geprikkeld worden tot nieuwsgierigheid. Dat ze op zoek gaan om zichzelf en de wereld te leren kennen en te verkennen. Die ontwikkelingsbehoefte is een aangrijpingspunt voor dit leergebied. Tegelijk stelt de samenleving waarin leerlingen opgroeien haar eisen. Leerlingen vervullen nu en straks taken en rollen, waarop ze via onderwijs worden voorbereid. Het gaat om rollen als consument, als verkeersdeelnemer, als burger in een democratische rechtstaat. Kennis over en inzicht in belangrijke waarden en normen, en weten hoe daarnaar te handelen, zijn voorwaarden voor samenleven. Respect en tolerantie zijn er verschijningsvormen van.
Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
Mens en samenleving
Door middel van kunstzinnige oriëntatie maken leerlingen kennis met kunstzinnige en culturele aspecten in hun leefwereld. Het gaat bij dit domein om kennismaking met dié aspecten van cultureel erfgoed waarmee mensen in de loop van de tijd vorm en betekenis hebben gegeven aan hun bestaan. Het gaat bij kunstzinnige oriëntatie ook om het verwerven van enige kennis van de hedendaagse kunstzinnige en culturele diversiteit. Dit vindt zowel op school plaats, als via regelmatige interactie met de (buiten)wereld. Leerlingen leren zich aan de hand van kunstzinnige oriëntatie open te stellen: ze kijken naar schilderijen en beelden, ze luisteren naar muziek, ze genieten van taal en beweging. Kunstzinnige oriëntatie is er ook op gericht bij te dragen aan de waardering van leerlingen voor culturele en kunstzinnige uitingen in hun leefomgeving. Ze leren daarnaast zichzelf uiten met aan het kunstzinnige domein ontleende middelen:
Waar mogelijk worden daarbij onderwerpen gebruikt die samenhangen met die uit andere leergebieden. Het onderwijs wordt daardoor meer samenhangend en mede daardoor betekenisvoller voor leerlingen. Maar voorop staat de authentieke bijdrage van kunstzinnige oriëntatie aan de ontwikkeling van leerlingen.
Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
Bij een aantal leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking is sprake van beperkte (fijn) motorische vaardigheden. Het leren omgaan met verschillende materialen is een waardevolle ervaring, mede voor het stimuleren van senso-motorische ontwikkeling.
Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Dat betekent dat leerlingen hun ideeën, gevoelens, waarnemingen en ervaringen op persoonlijke wijze leren vormgeven in beeldende werkstukken. Dit gebeurt meestal aan de hand van een concreet onderwerp. Vanuit hun eigen beleving en fantasie maken ze zich een voorstelling van het onderwerp en al werkend ontwikkelen ze vaardigheden om die voorstelling zichtbaar te maken in een tekening of een werkstuk.
Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Vormgeven
Leerlingen groeien op in een maatschappij waarin veel muziek klinkt: muziek uit hun eigen jeugdcultuur, muziek uit niet-westerse culturen, oude en hedendaagse muziek, ontspanningsmuziek. Muziek doet daarbij iets met leerlingen. Ze komen in een bepaalde sfeer, ze bewegen erbij en genieten ervan.
Leerlingen doen ook iets met muziek. Ze zingen enthousiast hun liedjes en spelen op instrumenten. Ze kiezen hun eigen muziek uit om naar te luisteren en ze praten met elkaar over muziek, hun idolen en favoriete groepen.
Muziek maken
Bij «spel» gaat het erom dat de leerlingen de expressieve en communicatieve mogelijkheden van stem, taal, houding, beweging en mimiek leren kennen en toepassen. In spel verbeelden ze gevoelens, ideeën, gebeurtenissen en personages, en verwerven ze vaardigheden als speler van rollen. Ze leren daarbij reflecteren op hun eigen spel en dat van anderen.
Bij «beweging» gaat het om expressieactiviteiten waarbij de leerlingen kennismaken met de betekenis en de beleving van beweging in hun eigen cultuur en enkele andere culturen. Vaak gaat het daarbij om dans. Deze activiteiten dragen bij aan het repertoire van leerlingen om ervaringen, belevingen, ideeën, gevoelens, situaties en gebeurtenissen te uiten en vorm te geven. Alleen, of samen met anderen gebruiken leerlingen de elementen tijd, kracht en ruimte om hun bewegingen inhoud, uitdrukkingskracht en een context te geven. Daarnaast maken ze gebruik van muziek, hulpmiddelen en attributen die de uitdrukkingskracht van hun bewegingen kunnen ondersteunen en versterken.
De leerlingen leren verschillen en overeenkomsten aangeven tussen het eigen spel en dat van anderen. Ze leggen daarbij relaties tussen spel en de dagelijkse werkelijkheid.
Het ontwikkelen en behouden van een actieve leefstijl is een belangrijke doelstelling van dit leergebied. Om dat doel te bereiken leren leerlingen in het bewegingsonderwijs deelnemen aan een breed scala van bewegingsactiviteiten, zodat ze een ruim «bewegingsrepertoire» opbouwen. Dat repertoire bevat motorische aspecten, maar ook sociale vaardigheden.
Leerlingen leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en spelvormen ervaren in aansprekende bewegingssituaties. Het gaat daarbij om bewegingsvormen als balanceren, springen, klimmen, schommelen, duikelen, hardlopen en bewegen op muziek. En om spelvormen als tikspelen, doelspelen, spelactiviteiten waarbij het gaat om mikken en jongleren en stoeispelen.
Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Bijlage 2. bij Besluit kerndoelen WEC
Preambule
Het onderwijs omvat waar mogelijk in samenhang: zintuiglijke oefening, lichamelijke oefening, bevordering van de sociale redzaamheid (waaronder gedrag in het verkeer), bevordering van gezond gedrag, expressieactiviteiten (waarbij in elk geval aandacht wordt besteed aan de bevordering van het taalgebruik, tekenen, muziek, handvaardigheid, spel en beweging) en één of meer kennisgebieden, waarbij in elk geval aandacht wordt besteed aan de natuur. De kerndoelen zijn een operationalisering hiervan. Het geheel van kerndoelen geeft een beeld van het inhoudelijk aanbod van het onderwijs.
Leergebiedoverstijgende kerndoelen
Karakteristiek
Het taalonderwijs is erop gericht dat leerlingen nu en later hun taalvaardigheden effectief kunnen en willen gebruiken in situaties waarin ze verkeren. Ze dienen zich in die situaties verstaanbaar en begrijpelijk te kunnen uitdrukken en ze moeten kunnen verstaan en begrijpen wat anderen willen meedelen. In deze zin is het taalonderwijs vooral gericht op praktisch en functioneel taalgebruik, waarbij het bevorderen van redzaamheid en zelfstandigheid centraal staat.
De leerlingen leren op de voor hen meest geëigende manier(en) communiceren en leren zich bewegen in een omgeving waar verschillende manieren van communiceren voorkomen. Voor het leren communiceren wordt gebruik gemaakt van de meest geëigende vormen zoals gesproken en geschreven taal, Nederlandse GebarenTaal (NGT) voor doven, beeldtaal waarbij gebruik gemaakt wordt van picto’s, gebaren, lichaamstaal, communicatie met behulp van technologie of andere hulpmiddelen.
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Leerlingen met taal- en/of spraakproblemen ondervinden veelal belemmeringen bij de communicatie. Dat heeft zijn neerslag op de participatie in gesprekken en in de sociale contacten. Zo vraagt het vertellen meer tijd, is de verstaanbaarheid vaak minder en ligt het spreektempo lager. Leerlingen die niet of nauwelijks kunnen spreken zijn aangewezen op andere communicatievormen en hulpmiddelen.
Kerndoelen
Rekenen en wiskunde
Het perspectief van zeer moeilijk lerende leerlingen en van leerlingen met een meervoudige beperking kan worden samengevat in wonen, werken en recreëren. Vanuit deze drie leefverbanden zijn onderwijslijnen te trekken naar (onderdelen van) de kerndoelen van dit veelomvattende leergebied.
Vanuit hun eigen situatie leren leerlingen deel uit maken van de samenleving. Op hun eigen manier leren ze daar ook aan deelnemen. Ze leren belangstelling krijgen voor aspecten in de samenleving en ze leren er gebruik van maken. Het gaat er om dat leerlingen hun mogelijkheden en interesses leren verkennen: welke activiteiten doen ze graag en liggen binnen hun mogelijkheden, nu en later.
Kerndoelen
Bij de oriëntatie op natuur en techniek gaat het om de confrontatie met de levende en de niet-levende natuur. Natuuronderwijs gebeurt altijd aan de hand van de werkelijkheid: buitenwerk speelt hierbij een belangrijke rol. De eigen activiteit van de leerlingen staat centraal: het zelf ontdekken en het op eigen manier proberen achter de dingen te komen, is hierbij uitgangspunt. In de juiste didactische context kunnen leerlingen hierdoor leren denken met hoofd en hand. Ze leren zelf antwoorden zoeken op vragen die ze aan de werkelijkheid leren stellen. Zodoende komen ze in aanraking met organismen, materialen, voorwerpen en verschijnselen.
Vanuit de betrokkenheid met de dingen om hen heen leren de leerlingen het mooie in en van de natuur ervaren en leren zij de samenhangen zien in de werkelijkheid. Ook leren zij het belang van zorg en verantwoordelijkheid voor de medemens en de omgeving. De zorg voor hun omgeving wordt mede gestimuleerd vanuit de dagelijkse ervaring in contact met anderen en in de natuur. Het gaat hierbij om de wil om verder te kijken dan alleen het eigenbelang en het principe van rechtvaardigheid.
Bij Oriëntatie op ruimte gaat het er in de eerste plaats om dat leerlingen leren zich op hun eigen (leef)omgeving te richten. Ze leren zich oriënteren op de wereld om hen heen en leren zien dat overal mensen hun omgeving hebben ingericht: hun eigen kamer, huis, woonplaats, streek, land.
Daarbij zijn diverse elementen gebruikt: huizen zien er verschillend uit en zijn ook verschillend ingericht, maar hebben tegelijk veelal dezelfde functie. In groter verband worden ook diverse inrichtingselementen gebruikt: huizen, akkers, weilanden, fabrieken, kantoren, winkels, wegen, kanalen, spoorlijnen, gebedshuizen en sportvelden. Ze leren zien dat deze elementen op een bepaalde manier zijn verspreid en leren opmerken dat er sprake is van zowel verschillen als overeenkomsten met de eigen leef- en woonsituatie.
Bij oriëntatie op tijd gaat het er om dat leerlingen leren greep te krijgen op hun eigen levenstijd; dat ze leren zich bewust zijn van hun dagritme en hun tijdsbesteding.
Kunstzinnige oriëntatie
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Muziek
Leerlingen groeien op in een samenleving waarin veel muziek klinkt: muziek uit hun eigen jeugdcultuur, muziek uit niet-westerse culturen, oude en hedendaagse muziek, ontspanningsmuziek, filmmuziek.
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Tot bewegen op een gespeeld ritme wordt ook het rolstoeldansen gerekend.
Kerndoelen
Dramatische vorming
Bewegingsonderwijs
Bewegingsonderwijs is erop gericht dat de leerlingen deel leren nemen aan bewegingsactiviteiten, waardoor zij een uitgangspositie verwerven om deel te nemen aan bewegingsactieve vrijetijdsbesteding, nu en later.
Bijlage 3. bij Besluit kerndoelen WEC
Preambule
Voor het voortgezet speciaal onderwijs zijn in de WEC drie uitstroomprofielen opgenomen: vervolgonderwijs, arbeidsmarktgericht en dagbesteding. Voor alle drie de uitstroomprofielen gelden kerndoelen. Voor het uitstroomprofiel vervolgonderwijs zijn dat de kerndoelen onderbouw voortgezet onderwijs. Voor de overige twee profielen gelden er kerndoelen voor de verschillende leergebieden en zijn er kerndoelen gericht op de voorbereiding op de arbeidsmarkt en de dagbesteding. Voor alle drie profielen zijn er leergebiedoverstijgende kerndoelen, die ook voor het profiel vervolgonderwijs gelden voor de gehele schoolperiode.
Het onderwijs in dit uitstroomprofiel is gericht op het behalen van een regulier vo-diploma. De leerlingen in dit profiel moeten voor een diploma aan dezelfde eisen voldoen als de leerlingen in het regulier onderwijs.
Voor betrokkenen in de samenleving is het van belang goed te kunnen herkennen wat een leerling aan het einde van het vso in het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht kan en weet. Het optimale resultaat van het onderwijs in dit uitstroomprofiel is een voor de leerling en de samenleving succesvolle transitie van school naar werken, wonen, vrijetijdsbesteding en burgerschap. De kerndoelen voor dit uitstroomprofiel zijn op deze gebieden gericht.
Uitstroomprofiel Dagbesteding
Leergebiedoverstijgende kerndoelen
Voor alle uitstroomprofielen gelden gedurende de gehele vso-periode leergebiedoverstijgende kerndoelen. Deze doelen zijn geformuleerd opdat specifiek aandacht besteed wordt aan die domeinen waarbinnen jongeren in het voortgezet speciaal onderwijs in meer of mindere mate geconfronteerd worden met hun beperking. Het betreft de domeinen: leren leren, leren een taak uitvoeren, leren functioneren in verschillende sociale situaties en ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief.
Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs
De leergebiedspecifieke kerndoelen in dit uitstroomprofiel komen overeen met de kerndoelen onderbouw van het regulier voortgezet onderwijs en gelden dienovereenkomstig voor de onderbouw van het vso. Deze kerndoelen zijn onverkort van toepassing, met dien verstande dat de uitwerking die aan de kerndoelen zal worden gegeven, vraagt om maatwerk, passend bij de beperking en mogelijkheden leerlingen. De vo-kerndoelen gelden op grond van de wet kwaliteit (v)so voor het vso en worden in dit besluit derhalve niet vastgesteld.
Uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht
De leergebiedspecifieke kerndoelen voor het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht zijn nieuw. Zij gelden gedurende de gehele periode van het voortgezet speciaal onderwijs. In het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht zijn de kerndoelen geordend in de leergebieden:
Met betrekking tot ordening en inhoud is, waar mogelijk en zinvol, aangesloten bij de leergebieden zoals die worden gehanteerd in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Maar de kerndoelen voor dit uitstroomprofiel zijn inhoudelijk en functioneel sterker dan de kerndoelen onderbouw vo gekoppeld aan de transitiegebieden werken, wonen, vrijetijdsbesteding en burgerschap.
Ruimte voor maatwerk
De kerndoelen zijn globaal geformuleerd. Zij bieden scholen ruimte om in te spelen op individuele mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften van leerlingen. Het gaat daarbij met name om aanpassingen in niveau en tempo, en aanpassingen in het gebruik van leermiddelen, informatiebronnen en ondersteunende materialen.
Hoofdstuk 1. Leergebiedoverstijgende kerndoelen voor het vso
Leren leren
Bij veel leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs vraagt het ontwikkelen van een open en flexibele leerhouding en het leren toepassen van leerstrategieën veel aandacht. Het leren (mede)verantwoordelijkheid nemen voor het leerproces en het actief werken aan de eigen ontwikkeling en met zelfvertrouwen kennis opbouwen is belangrijk.
Leren functioneren in sociale situaties
De beperking en/of problematiek van leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs maakt dat bepaalde competenties, met name op sociaal, emotioneel en communicatief gebied, niet door iedereen als vanzelf worden ontwikkeld of kunnen worden geleerd. De verdere ontwikkeling van deze competenties in allerlei contexten vraagt extra aandacht.
Ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief
Leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs worden zich enerzijds bewust van hun kracht en kwaliteiten en leren anderzijds omgaan met hun beperkingen. Het ontwikkelen van een positief zelfbeeld en een realistische kijk op de eigen toekomstmogelijkheden vormen cruciale doelen. Leerlingen oriënteren zich hierbij:
In het uitstroomprofiel Vervolgonderwijs kunnen eisen aan de leerlingen worden gesteld als het gaat om de planmatigheid bij het leren en handelen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het zelfstandig kiezen en toepassen van leer- en zoekstrategieën en het inzetten van taal-, reken- en ICT-vaardigheden. De eisen die in dit profiel worden gesteld aan het initiatief, het overzicht, het tempo en de nauwkeurigheid van leerlingen bereiden voor op exameneisen en instroomeisen van het vervolgonderwijs. Ook mag in dit profiel van leerlingen worden verwacht dat zij kritisch kunnen reflecteren op leer- en werkprocessen, op sociale interacties en op de eigen rol in diverse sociale situaties. De mate waarin leerlingen zich kunnen inleven en rekening kunnen houden met andermans gevoelens en meningen zal echter ook afhankelijk zijn van de eventuele sociale beperking van de leerling.
In het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgerichtkunnen eisen aan de leerlingen worden gesteld als het gaat om de planmatigheid bij het leren en handelen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het leren toepassen van leer- en zoekstrategieën en het inzetten van taal-, reken- en ICT-vaardigheden. De eisen die in dit profiel worden gesteld aan het initiatief, het overzicht, het tempo en de nauwkeurigheid van leerlingen bereiden voor op de rol van werknemer in arbeidsorganisaties en op zo zelfstandig mogelijk wonen, vrije tijdsbesteding en burgerschap. Ook mag in dit profiel van leerlingen worden verwacht dat zij leren reflecteren op de eigen rol in leer- en werkprocessen en in diverse sociale situaties. De mate waarin leerlingen zich kunnen inleven en rekening kunnen houden met andermans gevoelens en meningen zal echter ook afhankelijk zijn van de eventuele sociale beperking van de leerling.
Kerndoelen
Leren leren
Leren taken uitvoeren
Leren functioneren in sociale situaties
Ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief
Onderwijs in de Nederlandse taal heeft tot doel de taalvaardigheid van leerlingen te vergroten. Beheersing van de taal maakt het leerlingen mogelijk om deel te nemen aan de verschillende aspecten van het maatschappelijk leven, nu en in de toekomst, en is daarnaast onontbeerlijk bij het verwerven van inhoud en vaardigheden in alle leergebieden en voor toekomstige arbeidssituaties. Onderwijs in de Nederlandse taal is daarom van grote betekenis.
De kern van het leergebied bestaat uit het leren communiceren met behulp van de Nederlandse taal. Vaak gaat het om mengvormen van mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid, zoals een mondelinge presentatie die wordt ondersteund door beeldmateriaal. Taalverwerving en taalonderwijs verlopen concentrisch: dezelfde soort inhoud komt in toenemende complexiteit en in toenemende mate van beheersing aan de orde.
Het onderwijs in de Nederlandse taal in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het vso is gebaseerd op hetgeen de leerling in het (speciaal) basisonderwijs heeft bereikt, sluit aan bij het beheersingsniveau en de leefwereld van de leerling en breidt deze uit. Leerlingen worden uitgedaagd tot taalactiviteiten en ontwikkelen een positieve houding ten opzichte van verschillende vormen van taalgebruik. Zij leren teksten te gebruiken in alledaagse en werkgerelateerde contexten, maar ook om te communiceren in deze situaties, zoals bijvoorbeeld het aanvragen van zelfstandige woonruimte of het uitvoeren van instructies in een arbeidssituatie.
Omgaan met de computer als bron van informatie, als hulpmiddel en als communicatiemiddel is onlosmakelijk verbonden met taal. Een ander wezenlijk onderdeel van het taalonderwijs vormen de strategische vaardigheden zoals bijvoorbeeld het gebruik van strategieën voor woordenschatverwerving en reflecteren op eigen taalgebruik. Ook door het leren toepassen van conventies in het mondeling en schriftelijk taalgebruik breiden leerlingen hun taalgereedschap en hun repertoire uit.
Alhoewel de kerndoelen in het algemeen geen niveaubepaling behelzen, zijn de kerndoelen voor het leergebied Nederlandse taal en communicatie zodanig gesteld, dat zij een uitwerking naar het referentieniveau 1 F ondersteunen. Algemeen geldt: er is géén verplichting voor leerlingen om een bepaald niveau te behalen.
Kerndoelen
Engelse taal
Karakteristiek
Uitgangspunt bij het formuleren van de kerndoelen Engels voor het vso vormt het Europees referentiekader (ERK; meer informatie op www.erk.nl). Hierin wordt op zes onderscheidende, opklimmende niveaus (A1-A2-B1-B2-C1-C2) beschreven wat een leerling moet kunnen in de vreemde taal. Ook in het reguliere voortgezet onderwijs zijn de kerndoelen gerelateerd aan het ERK.
Specifiek voor het vso uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht geldt dat het onderwijsaanbod gericht is op de doelen van het A1 niveau (Breakthrough level). Dit houdt in dat leerlingen vertrouwde dagelijkse uitdrukkingen en basiszinnen gericht op de bevrediging van concrete behoeften begrijpen en gebruiken. Dat leerlingen zichzelf aan anderen kunnen voorstellen en vragen kunnen stellen en beantwoorden over persoonlijke gegevens zoals waar hij woont, mensen die hij kent en dingen die hij bezit. En dat leerlingen op een simpele wijze kunnen reageren, aangenomen dat de andere persoon langzaam en duidelijk praat en bereid is om te helpen. De toepassingsgebieden sluiten zoveel mogelijk aan bij de leefwereld van de leerlingen, met name in het dagelijks leven en het publieke domein. De verschillende aspecten van taalvaardigheid (luisteren, lezen, gesprekken voeren, spreken en schrijven) komen zoveel mogelijk in samenhang aan bod.
Gegeven het feit dat leerlingen op het A1 niveau nog erg beperkt zijn in hun taalkennis en -vaardigheden, kunnen zij de hiaten in hun kennis compenseren door het toepassen van strategieën voor luisteren, lezen en woordenschat. Daarom zijn deze strategieën ook opgenomen in de kerndoelen.
Kerndoelen
Rekenen en wiskunde
Karakteristiek
De kerndoelen rekenen en wiskunde voor het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht zijn erop gericht dat leerlingen kennis, vaardigheden en inzichten verwerven op het gebied van getallen, verhoudingen, meten, tijd, geld en verbanden. Het gaat niet om het op een formele wijze aanleren van bewerkingen, maar juist om het leren gebruiken van reken- en wiskundige vaardigheden in praktische situaties binnen de contexten van (toekomstig) werk, wonen, vrije tijd en burgerschap.
Binnen deze situaties ontwikkelen leerlingen hun reken- en wiskundige vaardigheden verder en ze ontwikkelen hun vermogens om reken en wiskunde problemen in (praktische) situaties binnen de genoemde contexten te herkennen en op te lossen. Daarbij leren ze rekenmachine en computer op een verstandige manier in te zetten. Ook ontwikkelen de leerlingen reken- en wiskundetaal. Deze omvat de betekenis en (in)formele notaties van reken- en wiskundige aanduidingen, tekeningen, schema's en tabellen. Het gebruik van passende reken- en wiskundetaal ondersteunt het ordenen van het eigen denken. Het helpt om uitleg van anderen te begrijpen en het helpt bij uitleg aan anderen. Deze taal is tevens voorwaardelijk voor het communiceren en samenwerken bij taken en activiteiten waarbij rekenen en wiskunde wordt ingezet.
De relatie met andere leergebieden is tweezijdig. Enerzijds gaat het om het gebruik van relevante probleemstellingen uit andere leergebieden om reken- en wiskundige vaardigheden te ontwikkelen en anderzijds om het in andere leergebieden bewust werken aan aspecten van rekenen en wiskunde.
Kerndoelen
Mens, natuur en techniek
Karakteristiek
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)