Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES

Type Wet Bes
Publication 2015-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 772
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Het beslag op vorderingen die de geëxecuteerde op derden heeft of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, en op hem toebehorende roerende zaken die onder derden berusten en geen registergoederen zijn, geschiedt bij een exploot van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

  • a. een bevel aan de derde om het verschuldigde of de zaken onder zich te houden op straffe van onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte;
  • b. een vermelding van de naam, voornamen en woonplaats van de executant en de naam, en zonodig de voornamen, en woonplaats van de geëxecuteerde;
  • c. een vermelding van de titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, en een opgave van hetgeen de geëxecuteerde krachtens deze titel aan de executant verschuldigd is;
  • d. een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder.
2.

De deurwaarder laat aan de derde-beslagene afschrift van het beslagexploot en van de executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, alsmede een formulier in tweevoud volgens een door de Minister van Justitie vast te stellen model, waarop de verklaring, bedoeld in artikel 476b, kan worden gedaan.

Artikel 475a
1.

Het beslag strekt zich niet uit tot vorderingen of zaken die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn, noch tot vorderingen die recht geven op een volgens de wet of naar haar aard niet voor beslag vatbare prestatie.

2.

Het beslag is niet geldig op het gedeelte van een vordering dat daarop wordt ingehouden krachtens de wet of uit hoofde van een ziektekostenverzekering, een pensioenspaarregeling of een ondernemingsspaarregeling voor een oudedagsvoorziening. Indien een in een breuk of percentage uitgedrukt gedeelte van de vordering niet voor beslag vatbaar is, wordt dit gedeelte berekend over het bedrag van de vordering, verminderd met de verplichte inhoudingen.

3.

Vorderingen die recht geven op iets anders dan betaling van een geldsom of dan levering van roerende zaken die geen registergoederen zijn, of van rechten aan toonder of order, vallen slechts onder het beslag, voor zover zij in het beslagexploot uitdrukkelijk zijn omschreven.

4.

Het beslag op een vordering tot levensonderhoud of tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige, verschuldigd krachtens de wet of een overeenkomst ter nadere vaststelling van deze vordering of ter versterking van een desbetreffende natuurlijke verbintenis, dan wel een ter voldoening van een zodanige verbintenis gemaakt legaat, is niet geldig, tenzij het beslag voor een vordering van dezelfde aard wordt gelegd.

Artikel 475h
1.

Een vervreemding, bezwaring, afstand of onderbewindstelling van een door het beslag getroffen vordering, totstandgekomen nadat het beslag is gelegd, kan niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen. Hetzelfde geldt voor een in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte, tenzij de derde heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om de betaling of afgifte te voorkomen.

2.

Op door het beslag getroffen zaken is artikel 453a van overeenkomstige toepassing.

Artikel 475i

De executant is verplicht om binnen acht dagen na het leggen van het beslag het beslagexploot aan de geëxecuteerde te doen betekenen, bij gebreke waarvan de rechter in eerste aanleg het beslag op vordering van de geëxecuteerde kan opheffen.

Artikel 476
1.

Een schorsing van de executie werkt tegen de derde-beslagene pas nadat deze schorsing hem, met de grond waarop zij berust, schriftelijk is meegedeeld.

2.

De executie wordt mede geschorst door betekening aan de derde-beslagene van een oproeping met een door de deurwaarder voor eensluidend getekend afschrift van het verzoekschrift waarbij de geëxecuteerde in kort geding schorsing van de executie of opheffing van het beslag vordert, indien dit verzoekschrift niet later is ingediend dan twee weken na de in artikel 475i bedoelde betekening van het beslag aan de geëxecuteerde en in het exploot van betekening aan de derde tevens mededeling van deze schorsende werking wordt gedaan.

Artikel 476a
1.

Zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag, is de derde verplicht verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. Is de executie geschorst op grond van een tegen de executoriale titel gericht rechtsmiddel of een tegen de executie gericht verzet, dan loopt de termijn vanaf de betekening van de uitspraak waarbij het rechtsmiddel is verworpen of het verzet is afgewezen, dan wel de schorsing is opgeheven of geweigerd.

2.

De verklaring wordt door de derde-beslagene gedagtekend en ondertekend en bevat:

  • a. de met redenen omklede opgave of hij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden, dan wel of hij al dan niet iets voor deze onder zich heeft;
  • b. de aard en het beloop van de door het beslag getroffen vorderingen en eventueel de tijdsbepalingen of voorwaarden die daaraan zijn verbonden;
  • c. een gespecificeerde opgave van de door het beslag getroffen zaken;
  • d. een opgave van eventuele andere, onder de derde-beslagene ten laste van de geëxecuteerde liggende beslagen, met vermelding van de deurwaarders die ze hebben gelegd, en de tijdstippen waarop ze zijn gelegd;
  • e. een opgave van de aan de derde-beslagene bekende pandrechten die op door het beslag getroffen goederen rusten, met vermelding van de pandhouders;
  • f. de verdere gegevens die voor het vaststellen van de rechten van partijen dienstig zijn.
Artikel 476b
1.

De verklaring wordt op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze gericht tot de deurwaarder die het beslag heeft gelegd, of tot de advocaat die voor de beslaglegger optreedt, zo deze in het exploot is vermeld.

2.

De verklaring gaat zo veel mogelijk vergezeld van afschrift van tot staving dienende bescheiden.

3.

De deurwaarder of advocaat die een verklaring heeft ontvangen, zendt binnen drie dagen afschrift daarvan aan de geëxecuteerde.

Artikel 477
1.

De derde-beslagene die overeenkomstig artikel 476b verklaring heeft gedaan, is verplicht de volgens zijn verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen en de verschuldigde goederen of af te geven zaken tot zijn beschikking te stellen.

2.

Verschuldigde geldsommen worden uitbetaald tot het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, verminderd met de kosten van de in artikel 476b, tweede lid, bedoelde afschriften, en vermeerderd met de door de deurwaarder aan de derde-beslagene op te geven kosten van executie, die door de deurwaarder uit het betaalde worden voldaan. Verschuldigde goederen of af te geven zaken mogen onder de derde worden gelaten, totdat zij voor de verdere afwikkeling van de executie nodig blijken.

3.

Is een door het beslag getroffen vordering of een verplichting tot afgifte van een door het beslag getroffen zaak er een onder tijdsbepaling of voorwaarde, dan kan slechts betaling of afgifte na het verschijnen van het aangewezen tijdstip of de vervulling van de voorwaarde worden gevorderd.

4.

De beslaglegger is bevoegd tot opzegging, indien de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar gemaakt kan worden. Hij is jegens de geëxecuteerde gehouden niet onnodig van deze bevoegdheid gebruik te maken.

5.

Hetgeen in handen van de deurwaarder is gesteld, wordt verder geëxecuteerd overeenkomstig de gewone regels die voor de executie daarvan gelden.

Artikel 477a
1.

Indien de derde-beslagene in gebreke blijft verklaring te doen, wordt hij op vordering van de executant veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, als ware hij daarvan zelf schuldenaar, onverminderd zijn verplichting tot vergoeding van de schade, zo daartoe gronden zijn. De derde-beslagene tegen wie deze vordering wordt ingesteld, wordt toegelaten alsnog een gerechtelijke verklaring te doen. De kosten die in dat geval nodeloos zijn veroorzaakt, worden voor zijn rekening gebracht.

2.

Indien de derde-beslagene wel een verklaring heeft afgelegd, is de executant bevoegd deze geheel of ten dele te betwisten, dan wel aanvulling daarvan te eisen door de derde binnen twee maanden na zijn verklaring te doen oproepen tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executant zal blijken toe te komen. Overschrijding van deze termijn doet deze bevoegdheid vervallen. De rechter kan op verlangen van de derde-beslagene, te uiten vóór alle weren, bepalen dat de executant, op straffe van niet-ontvankelijkheid, zekerheid moet stellen voor de proceskosten waarin hij jegens de derde-beslagene kan worden veroordeeld.

3.

De executant of de advocaat van de executant, die een gerechtelijke verklaring ontvangt, zendt binnen drie dagen afschrift daarvan aan de geëxecuteerde.

4.

Indien de derde-beslagene die overeenkomstig artikel 476b verklaring heeft gedaan, zijn in artikel 477 bedoelde verplichting tot betaling of afgifte niet nakomt, wordt hij op vordering van de executant veroordeeld tot nakoming van deze verplichting, alsmede tot de vervangende schadevergoeding die hij in geval van niet-nakoming daarvan verschuldigd zal zijn.

Artikel 477b
1.

Betaling of afgifte door de derde-beslagene overeenkomstig zijn buitengerechtelijke verklaring of krachtens een veroordeling als bedoeld in artikel 477a, geldt als betaling of afgifte aan de geëxecuteerde.

2.

Levering uit hoofde van de executoriale verkoop van een goed dat de derde aan de geëxecuteerde verschuldigd was en ter beschikking van de deurwaarder heeft gesteld, geldt tevens als levering van dit goed door de derde aan de geëxecuteerde. Indien het niet gaat om een roerende zaak die geen registergoed is, of een recht aan toonder of order, dient de terbeschikkingstelling schriftelijk te zijn geschied.

3.

De derde-beslagene en de geëxecuteerde worden overigens niet gebonden door hetgeen in een vonnis ingevolge artikel 477a omtrent hun onderlinge rechtsverhouding is beslist, tenzij de derde-beslagene de geëxecuteerde tijdig in het geding heeft geroepen.

Artikel 478
1.

Indien onder de derde-beslagene ten laste van de geëxecuteerde ook andere beslagen zijn gelegd, en niet bij voorbaat vaststaat dat alle beslagleggers uit de door de derde-beslagene verschuldigde geldsommen zullen kunnen worden voldaan, int de deurwaarder die het oudste executoriale beslag heeft gelegd, voor de gezamenlijke beslagleggers hetgeen de derde-beslagene heeft te betalen of af te geven. Wordt de executie door de legger van dit beslag niet voortgezet, dan neemt de deurwaarder die het daaropvolgende executoriale beslag heeft gelegd, de inning over.

2.

Een derde-beslagene die een betaling of afgifte heeft gedaan aan een deurwaarder die een van de andere executoriale beslagen heeft gelegd, is niettemin bevrijd. De deurwaarder die de gelden of goederen heeft ontvangen, draagt deze onverwijld af aan de deurwaarder die ze had behoren te ontvangen.

3.

Ieder van de deurwaarders die beslag hebben gelegd, is verplicht de anderen zodra mogelijk van het door hen gelegde beslag op de hoogte te brengen. De derde is verplicht ieder van hen desgevraagd in te lichten omtrent andere beslagen, de namen en gekozen woonplaatsen van de andere beslagleggers en het beloop van hun vorderingen. Deze verplichtingen gelden ook voor en jegens degene op wiens last beslag is gelegd op de grondslag van het Wetboek van Strafvordering.

4.

Ieder van de beslagleggers kan tussenkomen in een procedure als bedoeld in artikel 477a.

Artikel 479
1.

Derdenbeslag onder het Land, de Staat der Nederlanden of een openbaar lichaam is, onverminderd artikel 436, toegelaten, echter slechts op bepaalde in het exploot of, in geval van het beslag als bedoeld in artikel 479g, in de kennisgeving omschreven vorderingen of zaken.

2.

Om redenen van openbaar belang kan het Land, de Staat der Nederlanden of het openbaar lichaam in kort geding voor de rechter in eerste aanleg onmiddellijke opheffing van het derdenbeslag vorderen.

Artikel 479a
1.

Indien een schuldeiser voor een vordering verhaal zoekt op een schuldenaar die om niet of tegen een onevenredig lage vergoeding geregeld werkzaamheden of diensten voor een derde verricht, waarvan de aard en omvang zodanig zijn dat zij gewoonlijk slechts tegen betaling worden verricht, wordt ten behoeve van die schuldeiser aangenomen dat daarvoor een redelijke vergoeding verschuldigd is.

2.

Bij de beoordeling van de vraag of het in het eerste lid bedoelde geval zich voordoet, en, zo ja, welke vergoeding als redelijk aangenomen moet worden, worden alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in het bijzonder de aard van de verrichte werkzaamheden of diensten, de betrekkingen van verwantschap of van andere aard tussen de schuldenaar en de derde en de financiële draagkracht van deze laatste.

Afdeling 2a. Executoriaal beslag onder derden in zaken betreffende levensonderhoud en uitkering voor de huishouding

Artikel 479b

Het beslag tot verhaal van een uitkering tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of bij wijze van voorlopige voorziening in verband met een scheidingsgeding, daaronder begrepen het verschuldigde voor verzorging en opvoeding van een minderjarige, alsmede het beslag tot verhaal van een uitkering, verschuldigd krachtens artikel 85, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek door een echtgenoot, worden, indien de beslagen gelegd worden op loon of andere periodieke uitkeringen die de geëxecuteerde van een derde te vorderen heeft, gelegd en vervolgd op de wijze en met de gevolgen in de afdeling 2 bepaald, voor zover daarvan in deze afdeling niet is afgeweken.

Artikel 479c

De bepalingen van wetten krachtens welke schuldeisers niet of alleen binnen de daarin aangegeven grenzen of op de daarin bepaalde wijze ten aanzien van loon en andere periodieke uitkeringen rechten kunnen doen gelden, zijn ten deze niet van toepassing.

Artikel 479d

De geëxecuteerde kan te allen tijde overeenkomstig artikel 438 verzet instellen op grond dat de beslissing over de uitkering inmiddels is gewijzigd of ingetrokken, of dat het recht op uitkering niet langer bestaat.

Artikel 479e
1.

Vanaf de dag van het beslag is de derde-beslagene verplicht om, zolang de executant dit verlangt, naar gelang hij loon of andere periodieke uitkeringen aan de geëxecuteerde verschuldigd is, het door de executant aangegeven achterstallig bedrag en de termijnen van de uitkering tot verhaal waarvan het beslag is gelegd, aan de executant te betalen, tenzij onder hem beslag gelegd wordt wegens vorderingen van hogere of gelijke rang.

2.

Verzet tegen het beslag door de geëxecuteerde schorst de verplichting tot betaling, behoudens de bevoegdheid van de rechter in eerste aanleg de voorlopige voortzetting van de betaling te bevelen.

3.

De derde die meer aan de executant heeft betaald dan waarop deze recht heeft, is jegens de geëxecuteerde bevrijd, voor zover dat voortvloeit uit artikel 34 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 479f

De executant vervolgt de derde-beslagene die in gebreke blijft aan zijn verplichting ingevolge artikel 479e te voldoen, op de gewone wijze.

Artikel 479g
1.

Indien de voogdijraad executant is, kan hij dit beslag leggen hetzij op de gewone wijze, hetzij door van de beschikking in afschrift mededeling te doen aan de derde-beslagene. In het laatste geval zendt deze die schriftelijke kennisgeving, voor «gezien» getekend, aan de voogdijraad terug. Eerst door deze terugzending is het beslag voltooid.

2.

De voogdijraad kan beslag leggen op de dag, volgende op die waarop de uitkering moet geschieden, zonder voorafgaande betekening of bevel tot betaling en zonder overlegging van een verklaring van de griffier, als bedoeld in artikel 432.

3.

Toezending door de executant van een afschrift van de kennisgeving bij aangetekende brief aan de geëxecuteerde binnen een week na de dag waarop die kennisgeving, voor «gezien» getekend, door de executant van de derde-beslagene is terugontvangen, geldt als de betekening, voorgeschreven in artikel 475i.

Afdeling 2b. Executoriaal beslag onder de schuldeiser zelf

Artikel 479h

Een schuldeiser kan ook beslag leggen op de vorderingen die zijn schuldenaar op hem heeft of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, alsook op de aan zijn schuldenaar toebehorende roerende zaken die hij voor deze onder zich heeft, en die geen registergoederen zijn.

Artikel 479i
1.

Het beslag wordt gelegd bij een exploot van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

  • a. de voornamen, naam en woonplaats van de executant en de naam, en zonodig de voornamen, en woonplaats van de geëxecuteerde;
  • b. een gespecificeerde opgave en omschrijving van de vorderingen en zaken waarop het beslag wordt gelegd;
  • c. een vermelding van de titel waarvan de tenuitvoerlegging plaatsvindt, en een opgave van hetgeen de geëxecuteerde krachtens deze titel aan de executant verschuldigd is;
  • d. een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder.
2.

De artikelen 475a, eerste lid, en 475h zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 479j
1.

Twee weken na het leggen van het beslag is de executant bevoegd de door hem aan de geëxecuteerde verschuldigde goederen of af te geven zaken over te geven aan de deurwaarder, ter executie volgens de gewone regels voor zodanige goederen of zaken voorgeschreven.

2.

Door de executoriale verkoop wordt de executant bevrijd van zijn verplichting tot levering van de goederen of afgifte van de zaken aan de geëxecuteerde.

Artikel 479k

Indien andere schuldeisers ten laste van de schuldenaar beslag op de vordering of de zaak hebben gelegd, is artikel 478 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2c. Executoriaal beslag onder derden betreffende de rechten uit een overeenkomst van levensverzekering

Artikel 479l

Het beslag op de rechten die voor de geëxecuteerde als verzekeringnemer voortvloeien uit een overeenkomst van levensverzekering als omschreven in de regelgeving inzake het toezicht op het verzekeringsbedrijf, geschiedt uitsluitend op de wijze zoals in afdeling 2 is bepaald, voorzover daarvan in deze afdeling niet wordt afgeweken.

Artikel 479m
1.

Nadat de verzekeraar verklaring heeft gedaan als bedoeld in artikel 476a, is de executant bevoegd tot het uitoefenen van:

  • a. het recht op het doen afkopen van de levensverzekering;
  • b. het recht om de begunstiging te wijzigen ten behoeve van de geëxecuteerde of diens nalatenschap.
2.

De geëxecuteerde is bevoegd op de bij de verzekeraar gebruikelijke voorwaarden de levensverzekering te belenen ter voldoening, voor zover mogelijk, van hetgeen aan de executant verschuldigd is.

3.

Het door de verzekeraar ingevolge belening of uitkering van de levensverzekering aan de geëxecuteerde of diens nalatenschap verschuldigde bedrag, valt onder het beslag.

Artikel 479n
1.

De executant is verplicht bij deurwaardersexploot aan de geëxecuteerde mededeling te doen welke van de in artikel 479m, eerste lid, bedoelde rechten hij wil uitoefenen. Hij doet een afschrift van het exploot toekomen aan de verzekeraar.

2.

Indien de executant de levensverzekering wil doen afkopen, houdt het exploot op straffe van nietigheid de vermelding in dat de geëxecuteerde binnen twee weken na de dag waarop het exploot is uitgebracht aan de executant en de verzekeraar bij aangetekende brief mededeling kan doen dat hij de levensverzekering overeenkomstig artikel 479m, tweede lid, wil belenen.

3.

De executant kan de in artikel 479m, eerste lid, bedoelde bevoegdheid uitoefenen zodra twee weken zijn verstreken na de dag waarop het exploot, bedoeld in het eerste lid, is uitgebracht. Heeft de geëxecuteerde een mededeling gedaan als bedoeld in het tweede lid, dan kan de executant de levensverzekering evenwel eerst doen afkopen zodra vier weken na die mededeling zijn verstreken en de belening niet heeft plaatsgevonden.

Artikel 479o
1.

Indien de executant de levensverzekering heeft doen afkopen of de geëxecuteerde deze overeenkomstig artikel 479m, tweede lid, heeft beleend, vervalt het beslag met betrekking tot die verzekering zodra de verzekeraar het uit die afkoop of die belening verschuldigde bedrag aan de deurwaarder heeft voldaan.

2.

Indien de executant met betrekking tot een levensverzekering de begunstiging heeft gewijzigd, vervalt die wijziging door de beëindiging van het beslag op die verzekering.

Artikel 479p
1.

Indien de geëxecuteerde of een begunstigde door een afkoop van de levensverzekering of een wijziging van de begunstiging onredelijk zou worden benadeeld, verbiedt de rechter in eerste aanleg op diens vordering geheel of ten dele die afkoop of wijziging. De in de vorige volzin bedoelde vordering kan slechts worden ingesteld binnen twee weken na de dag waarop het exploot bedoeld in artikel 479n, eerste lid, is uitgebracht.

2.

Zolang op een vordering als bedoeld in het eerste lid niet is beslist, kan de executant de levensverzekering niet doen afkopen of de begunstiging wijzigen.

Artikel 479q

Indien met betrekking tot een levensverzekering door verschillende schuldeisers beslag is gelegd, geschiedt de voortzetting van de executie door degene die het oudste executoriaal beslag heeft gelegd. Wordt de executie door de legger van dit beslag niet voortgezet, dan neemt degene die het daaropvolgende beslag heeft gelegd, de executie over.

Afdeling 3. De verdeling van de opbrengst van de executie

Artikel 480
1.

Indien er geen andere schuldeiser is die op de goederen of de opbrengst van de executie beslag heeft gelegd, en evenmin een beperkt gerechtigde bekend is wiens recht door de executie is vervallen, keert de deurwaarder de netto-opbrengst aan de executant tot het beloop van diens vordering uit. Een eventueel overschot wordt aan de geëxecuteerde afgedragen.

2.

Indien er wel schuldeisers of beperkt gerechtigden als bedoeld in het eerste lid, zijn, stort de deurwaarder de netto-opbrengst onverwijld bij een bewaarder als bedoeld in artikel 445. Indien de voormelde schuldeisers en beperkt gerechtigden, alsmede de geëxecuteerde en de executant, tot overeenstemming omtrent de verdeling van de netto-opbrengst komen, keert de deurwaarder, of in zijn opdracht de bewaarder, aan ieder het hem toekomende uit.

Artikel 481
1.

Is na de inning van de opbrengst van de executie geen overeenstemming als bedoeld in artikel 480, tweede lid, tot stand gekomen, dan kan de meest gerede partij aan de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de executie in hoofdzaak heeft plaatsgehad, de benoeming van een rechter-commissaris verzoeken, ten overstaan van wie de verdeling zal plaatsvinden.

2.

Bij het verzoekschrift is gevoegd een staat van alle in artikel 480 bedoelde belanghebbenden met vermelding van hun woonplaatsen, op te maken door de deurwaarder.

3.

Tegen een benoeming krachtens het eerste lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 482
1.

De griffier doet onverwijld aan de voormelde belanghebbenden bij gewone brief mededeling van de benoeming van de rechter-commissaris, met vermelding van de termijn waarbinnen de in het tweede lid bedoelde aanmelding van de vorderingen moet plaatsvinden.

2.

De tot voormelde belanghebbenden behorende schuldeisers, onder wie begrepen de voormelde beperkt gerechtigden, dienen binnen twee weken na de mededeling hun vorderingen schriftelijk, zo veel mogelijk met overlegging van bewijsstukken, bij de rechter-commissaris aan te melden ten einde overeenkomstig de door hen daarbij aan te geven rang te worden gerangschikt.

Artikel 483

Na verloop van de twee weken maakt de rechter-commissaris naar aanleiding van de overgelegde stukken een staat van verdeling op.

Artikel 483a

Vorderingen onder een ontbindende voorwaarde worden in de rangschikking begrepen voor het gehele bedrag, onverminderd de werking van de voorwaarde wanneer zij vervuld wordt.

Artikel 483b

Vorderingen onder een opschortende voorwaarde worden in de rangschikking begrepen, hetzij voor hun waarde ten tijde van het opmaken van de staat van verdeling, hetzij, op verlangen van een van de schuldeisers of de geëxecuteerde, voorwaardelijk voor het gehele bedrag.

Artikel 483c
1.

Niet opeisbare vorderingen en vorderingen die recht geven op periodieke uitkeringen, worden in de rangschikking begrepen voor hun waarde ten tijde van het opmaken van de staat van verdeling.

2.

Bij de berekening wordt uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het kansgenot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend is, op de bedongen rentevoet.

Artikel 483d

Vorderingen waarvan de waarde onbepaald of onzeker is of niet in het hier te lande uitgegeven of gangbaar geld is uitgedrukt, worden in de rangschikking begrepen voor hun geschatte waarde in hier te lande uitgegeven geld ten tijde van het opmaken van de staat van verdeling.

Artikel 483e

Indien een pand- of hypotheekrecht strekt tot zekerheid van vorderingen die de pand- of hypotheekhouder uit hoofde van een bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, kunnen deze in de rangregeling worden begrepen, hetzij voor het gehele op het tijdstip van het opmaken van de staat reeds verschuldigde bedrag, hetzij, op verlangen van de pand- of hypotheekhouder, voorwaardelijk voor het gehele bedrag waarvoor het pand- of hypotheekrecht tot zekerheid strekt.

Artikel 483f

Vorderingen die betwist worden, kunnen door de rechter-commissaris voorwaardelijk worden opgenomen tot een door hem te bepalen bedrag. Indien de voorrang betwist wordt, kan deze door de rechter-commissaris voorwaardelijk worden erkend.

Artikel 484
1.

De staat wordt door de rechter-commissaris ter griffie nedergelegd. Van deze nederlegging wordt onverwijld door de griffier aan alle bovengenoemde belanghebbenden bij gewone brief kennis gegeven, met vermelding van dag en uur waarop alle partijen zich bij de rechter-commissaris kunnen vervoegen tot het voorstellen van hun tegenspraak.

2.

Indien de geëxecuteerde niet tevens de schuldenaar is, geschiedt de kennisgeving mede aan deze laatste.

Artikel 485
1.

Indien er geen tegenspraak gedaan wordt, sluit de rechter-commissaris zijn proces-verbaal en gelast bij bevelschrift de houder van de netto-opbrengst daaruit de nog niet eerder voldane kosten te voldoen en aan de schuldeisers en de geëxecuteerde uit te betalen hetgeen hun, volgens de staat, toekomt. Het bedrag waarvoor een vordering of een daaraan verbonden voorrang voorwaardelijk is opgenomen of erkend, wordt gereserveerd tot de vordering of de voorrang vaststaat.

2.

De bevelschriften worden in executoriale vorm uitgegeven.

Artikel 485a
1.

De tegenspraak wordt gericht tot de rechter-commissaris en op diens proces-verbaal aangetekend.

2.

Heeft een schuldeiser als bedoeld in artikel 482, tweede lid, de daar bedoelde termijn niet in acht genomen of niet op de in artikel 484 bedoelde dag tegenspraak gedaan, dan kan hij slechts in zijn tegenspraak worden ontvangen, indien hij daarbij een redelijk belang heeft en hij de daardoor veroorzaakte kosten en schade voor zijn rekening neemt en deze tot een door de rechter-commissaris voorlopig te begroten bedrag onverwijld stort bij de bewaarder van de opbrengst.

Artikel 486
1.

In geval van tegenspraak verwijst de rechter-commissaris de partijen, zo hij ze niet kan verenigen, en voor zover het geschil niet reeds aanhangig is, naar een door hem te bepalen terechtzitting van de rechter in eerste aanleg, zonder dat daartoe een oproeping is vereist.

2.

De gemachtigden die voor partijen optreden, verklaren dit bij het uitroepen ter terechtzitting.

3.

Verschijnt de schuldeiser wiens vordering is tegengesproken, op de bepaalde terechtzitting niet, dan wordt hij geacht de aanmelding van zijn vordering te hebben ingetrokken; verschijnt degene die de tegenspraak doet, niet, dan wordt hij geacht zijn tegenspraak te hebben laten varen.

4.

Belanghebbenden die geen tegenspraak hebben gedaan, kunnen in het geding niet tussenkomen of zich voegen.

Artikel 489

Nadat op het geschil bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist of het geschil krachtens artikel 486, derde lid, is geëindigd, legt de meest gerede partij de uitspraak of een uittreksel uit het audiëntieblad waaruit van het niet verschijnen blijkt, aan de rechter-commissaris over. Deze sluit zijn proces-verbaal en beveelt de uitgifte van bevelschriften tot betaling overeenkomstig artikel 485.

Artikel 490

Na het sluiten van het proces-verbaal van verdeling kan geen tegenspraak meer worden gedaan, hebben de belanghebbenden onderling geen recht meer op rente over hetgeen aan hen is toegedeeld en kan geen beslag op de opbrengst van de executie meer worden gelegd.

Artikel 490a

Het bedrag, uitgetrokken voor een voorwaardelijk opgenomen vordering of een voorwaardelijk erkende voorrang, wordt, zodra blijkt dat de schuldeiser niets of minder te vorderen heeft dan wel geen of een lagere voorrang heeft, overeenkomstig de opgemaakte staat onder de schuldeisers verdeeld.

Artikel 490b
1.

Indien een pandhouder krachtens zijn pandrecht heeft geëxecuteerd en er beperkt gerechtigden of beslagleggers zijn als bedoeld in artikel 253, derde volzin, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, wordt het daar bedoelde overschot dat van de netto-opbrengst na afhouding van het aan de pandhouder krachtens zijn rang toekomende is overgebleven, aan hen uitgekeerd overeenkomstig hetgeen zij en de pandgever omtrent de verdeling daarvan zijn overeengekomen.

2.

Is op het tijdstip dat de pandhouder tot uitkering kan overgaan, nog geen overeenstemming omtrent de verdeling bereikt, dan stort de pandhouder de opbrengst tot ten minste het bedrag van het overschot onverwijld bij een bewaarder, met overeenkomstige toepassing van artikel 445, en kan de meest gerede partij, onder wie de pandhouder zelf, een rangregeling verzoeken overeenkomstig de voorgaande artikelen van deze afdeling. Indien de pandhouder zelf aan de vereisten van artikel 445 voldoet, kan hij zichzelf als bewaarder aanwijzen.

3.

De rangregeling betreft het overeenkomstig het tweede lid in bewaring gegeven bedrag, mits de pandhouder binnen de in artikel 482 bedoelde termijn aan de rechter-commissaris de stukken ter hand stelt waaruit van de verantwoording van het gestorte bedrag blijkt, en binnen de in artikel 484 bedoelde termijn geen tegenspraak ter zake van het door de pandhouder afgehouden bedrag wordt gedaan.

4.

Blijkt na tegenspraak de pandhouder volgens de definitief geworden staat teveel van de netto-opbrengst te hebben afgehouden, dan gelast de rechter-commissaris, desverlangd, bij een in executoriale vorm afgegeven bevelschrift dat door ieder bij genoemde staat batig gerangschikte kan worden geëxecuteerd, de pandhouder het tekort tegen kwijting aan de in het tweede lid bedoelde bewaarder uit te keren.

5.

Heeft de pandhouder overeenkomstig artikel 482 rangschikking van zijn vordering gevorderd of blijkt hij na tegenspraak teveel te hebben afgehouden, dan draagt hij in de kosten van de rangregeling bij. In andere gevallen worden de kosten van de in de rangregeling betrokken pandhouder hem vergoed door degenen die zijn verantwoording betwist hebben. Desverlangd geeft de rechter-commissaris een desbetreffend bevelschrift in executoriale vorm uit.

6.

Indien belanghebbenden vóór de totstandkoming van een rangregeling alsnog over de verdeling overeenstemming bereiken en daarvan uit een onderhandse of authentieke akte doen blijken, keert de bewaarder ieder het hem volgens deze akte toekomende uit.

Artikel 490c
1.

Een executant die betaling heeft ontvangen, is verplicht, desverlangd, aan hem wiens goed is verkocht, en aan de schuldenaar binnen één maand na de betaling rekening en verantwoording te doen.

2.

Een schuldeiser die in de rangregeling is begrepen, kan binnen een maand na de sluiting daarvan een gelijke rekening en verantwoording vragen, indien hij daarbij een rechtstreeks belang heeft.

Artikel 490d

Beschikkingen van de rechter-commissaris krachtens deze afdeling zijn niet vatbaar voor hoger beroep.

Afdeling 4. Executie tot afgifte van roerende zaken die geen registergoederen zijn

Artikel 491
1.

De executie tot afgifte van een roerende zaak die geen registergoed is, vangt aan met een bevel als bedoeld in artikel 439, welk artikel van overeenkomstige toepassing is, behoudens dat de in het eerste lid van dat artikel bedoelde termijn niet behoeft te worden in acht genomen ter zake van de executie van vonnissen en beschikkingen die uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard.

2.

De executie geschiedt doordat de deurwaarder de zaak onder zich neemt en afgeeft aan degene die haar krachtens de executoriale titel moet ontvangen. Hij maakt van een en ander onverwijld proces-verbaal op.

3.

De artikelen 440 en 443 tot en met 444b zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 444b de waarde van de zaak in de plaats treedt van het bedrag van de vordering waarvoor beslag is gelegd.

Artikel 492
1.

Ter inleiding van de toepassing van artikel 491 kan de deurwaarder op de zaak beslag tot verkrijging van afgifte leggen. De in artikel 439, eerste lid, bedoelde termijn behoeft daarbij niet in acht te worden genomen.

2.

Indien de deurwaarder bevindt dat de zaak reeds in beslag is genomen, is artikel 491 niet van toepassing, maar kan de deurwaarder daarop overeenkomstig het eerste lid eveneens beslag leggen. Hij is verplicht dit beslag onverwijld te betekenen aan de deurwaarder die het reeds liggende beslag heeft gelegd.

3.

De artikelen 440, 443 tot en met 446, 451, 453a en 455 zijn van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van de volgende bepalingen van deze afdeling. Voor de toepassing van artikel 444b treedt de waarde van de in beslag te nemen zaak in de plaats van het bedrag van de vordering waarvoor het beslag is gelegd. De artikelen 445 en 446 worden niet toegepast, zolang de zaak zich reeds in gerechtelijke bewaring bevindt. Artikel 455 is alleen van toepassing voor zover het recht op afgifte mede de daar bedoelde baten betreft.

4.

Indien geen ander beslag daaraan in de weg staat, kan de deurwaarder alsnog artikel 491 toepassen. Het door hem gelegde beslag eindigt daardoor.

Artikel 493

Betreft het recht op afgifte een of meer naar de soort bepaalde zaken, dan neemt de deurwaarder een aan dat recht beantwoordende hoeveelheid zaken van die soort onder zich of in beslag, uit te kiezen door de deurwaarder, tenzij de geëxecuteerde tijdig van een hem toekomende bevoegdheid tot kiezen gebruik maakt.

Artikel 494
1.

Betreft het recht op afgifte te velde staande vruchten en beplantingen van een onroerende zaak, dan kan uit dien hoofde beslag worden gelegd op de zaak of het zakelijk recht van degene jegens wie dit recht bestaat, zulks overeenkomstig de bepalingen betreffende beslag op onroerende zaken, maar met vermelding in het proces-verbaal dat het beslag slechts ten aanzien van die vruchten of beplantingen zijn werking heeft.

2.

Het beslag komt op de vruchten of beplantingen te rusten, zodra deze zijn afgescheiden. Zodra alle vruchten of beplantingen waarop het beslag betrekking heeft zijn afgescheiden, vervalt het beslag op de zaak of het zakelijk recht.

3.

Artikel 451 is, mede ter zake van de inoogsting, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 495
1.

Betreft het recht op afgifte een orderpapier, dan is artikel 474a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

2.

Betreft het recht op afgifte een toonder- of orderpapier en is aan het daaruit voortvloeiende recht stemrecht verbonden, dan is artikel 474ba van overeenkomstige toepassing, tenzij het stemrecht blijkens de executoriale titel aan de executant toekomt.

Artikel 496
1.

Betreft het een executie tot afgifte op vordering van een pandhouder als bedoeld in artikel 237, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, dan geeft de deurwaarder de zaak af aan de pandhouder of derde in wiens macht de zaak moet worden gebracht.

2.

Is het pandrecht uit hoofde waarvan de afgifte geëist wordt, niet bij een authentieke akte gevestigd, dan kan de deurwaarder de zaak slechts onder zich nemen of in beslag nemen met verlof van de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de zaak zich bevindt. Het verlof wordt verzocht bij een verzoekschrift waarbij de pandakte wordt overgelegd. De rechter in eerste aanleg beslist na summier onderzoek. Het verlof en het verzoekschrift worden, met het in artikel 491, tweede lid, bedoelde proces-verbaal, aan de pandgever betekend. Tegen het verlof staat geen hogere voorziening open.

3.

Is op de zaak reeds beslag gelegd, dan kan de deurwaarder haar met handhaving van het beslag niettemin onder zich nemen, mits de pandhouder tevens overeenkomstig artikel 461a de executie van de beslaglegger overneemt. Hij betekent de in de vierde volzin van het tweede lid bedoelde stukken onverwijld mede aan de deurwaarder die het beslag heeft gelegd.

Artikel 497
1.

Bij samenloop van een beslag tot verkrijging van afgifte met een ander beslag, al of niet van dezelfde aard, kan de meest gerede partij zich overeenkomstig artikel 438 tot de rechter wenden.

2.

Wordt op een zaak zowel beslag tot verkrijging van afgifte gelegd als tot verhaal van een geldvordering, dan geldt het beslag tot verkrijging van afgifte, zo nodig, tevens als een als tweede gelegd executoriaal beslag tot verhaal van de vordering tot vervangende schadevergoeding wegens uitblijven van de afgifte.

3.

Een beslag tot verhaal van een vordering tot vervangende schadevergoeding wegens het uitblijven van afgifte van een zaak kan niet tegen de legger van een beslag tot verkrijging van afgifte van die zaak worden ingeroepen, indien deze andere goederen van de beslagene aanwijst die voor deze vordering voldoende verhaal bieden.

Artikel 498

Zolang de afgifte nog niet heeft plaatsgevonden, kan ieder wiens recht op de zaak de executant moet eerbiedigen, zich tegen de afgifte verzetten.

Artikel 499

Bevindt de zaak zich onder een derde die tegen de afgifte geen bezwaar maakt of zich niet te goeder trouw tegen een vordering tot afgifte aan de geëxecuteerde zou kunnen verzetten, dan geschiedt de executie overeenkomstig de voorgaande artikelen van deze afdeling. De afgifte aan de executant geldt mede als afgifte van de derde aan de geëxecuteerde.

Artikel 500

Tot afgifte van een zaak die zich onder een derde bevindt, kan ook derdenbeslag gelegd worden. De artikelen 475 tot en met 479 zijn van overeenkomstige toepassing. Het exploot van beslaglegging houdt in om de afgifte van welke zaak of zaken het gaat. De verklaring van de derde, bedoeld in artikel 476a, betreft uitsluitend deze zaak of zaken.

Titel 3. De gerechtelijke tenuitvoerlegging op onroerende zaken

Afdeling 1. Executoriaal beslag op onroerende zaken

Artikel 502
1.

Het beslag op onroerende zaken moet worden voorafgegaan door een exploot van een deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen. Eerst na verloop van die termijn kan het beslag worden gelegd. Indien daartoe gronden zijn, kan de rechter in eerste aanleg, ook op mondeling verzoek van de deurwaarder, die termijn inkorten.

2.

Het bevel maakt melding van de titel uit kracht waarvan de vervolging plaats heeft, en drukt uit dat bij gebreke van betaling zal worden overgegaan tot executoriale maatregelen tegen de onroerende zaken van de geëxecuteerde, zulks op straffe van nietigheid van het exploot.

3.

Indien bij het betekenen van de executoriale titel tevens het voorgeschreven bevel is gedaan, wordt geen afzonderlijk bevel vereist.

4.

Bij het bevel of de betekening moet de executant tot het einde van de executie woonplaats kiezen ten kantore van de deurwaarder, zulks op straffe van nietigheid van het exploot. Tevens kan woonplaats worden gekozen hier te lande ten kantore van een advocaat.

Artikel 503

Indien de schuldeiser een jaar na het bevel heeft laten verlopen, zal hij gehouden zijn het bevel te vernieuwen.

Artikel 504
1.

Het beslag geschiedt bij een proces-verbaal van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

  • a. de vermelding van de voornamen, naam en woonplaats van de executant en de naam, en zonodig de voornamen, en woonplaats van de geëxecuteerde;
  • b. de vermelding van de titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd;
  • c. de aard van de in beslag genomen onroerende zaken, hun kadastrale aanduiding, en, indien zij buiten de bebouwde kom zijn gelegen, zoveel mogelijk de grootte;
  • d. indien het beslag wordt gelegd buiten het rechtsgebied waarin overeenkomstig artikel 502, vierde lid, woonplaats is gekozen, een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder die het beslag legt.
2.

In het proces-verbaal kan tevens een notaris worden aangewezen ten overstaan van wie de verkoop zal geschieden. In dat geval wordt in plaats van bij de deurwaarder, woonplaats bij de notaris gekozen.

Artikel 504a
1.

Het beslag kan slechts worden gelegd voor een vordering waarvan het geldelijk beloop bepaalbaar is.

2.

Zolang de vordering niet is vereffend, kan niet tot executoriale verkoop worden overgegaan.

Artikel 505
1.

Het proces-verbaal van inbeslagneming wordt in de in titel 1, afdeling 2, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers ingeschreven. Een afschrift van het proces-verbaal wordt op straffe van nietigheid van het beslag niet later dan drie dagen na de inschrijving aan de geëxecuteerde betekend.

2.

Een vervreemding, bezwaring, onderbewindstelling of verhuring, totstandgekomen na de inschrijving van het proces-verbaal, kan niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen.

3.

Indien de akte betreffende de vervreemding of bezwaring vóór de inschrijving van het beslag reeds was verleden, kan de vervreemding of bezwaring nog tegen de beslaglegger worden ingeroepen, mits de inschrijving van deze akte uiterlijk geschiedt de eerste dag waarop het kantoor van de bewaarder van de openbare registers na de dag van de inschrijving van het beslag voor het publiek opengesteld is.

Artikel 506
1.

De geëxecuteerde is verplicht de in beslag genomen zaken in goede staat te houden.

2.

De rechter in eerste aanleg kan op verzoek van een beslaglegger een gerechtelijke bewaarder van de zaak aanstellen.

3.

Tegen een aanstelling staat geen hogere voorziening open.

Artikel 507
1.

Vruchten en beplantingen die ten tijde van de inschrijving zich nog op of in de zaak bevinden of te velde staan en vóór de verkoop worden geoogst, vallen mede onder het beslag, tenzij daarop rechten of beslagen van derden rusten, daaronder begrepen het pandrecht, bedoeld in artikel 237, vierde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

2.

Artikel 451 is, mede ter zake van de inoogsting, van toepassing.

3.

Na de betekening van het ingeschreven beslag aan de huurder valt de aan de geëxecuteerde nog verschuldigde huur onder het beslag en moet zij worden betaald aan de notaris ten overstaan van wie de executie zal plaatsvinden, mits dit bij de betekening uitdrukkelijk aan de huurder, met opgave van de plaats van betaling, wordt meegedeeld en behoudens de rechten van derden, die de executant moet eerbiedigen. Hetgeen aan de notaris wordt betaald, wordt gerekend tot de in artikel 551 bedoelde opbrengst van de zaak. De artikelen 475i, 476 en 478 zijn van overeenkomstige toepassing.

4.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op hetgeen aan de geëxecuteerde verschuldigd is als canon uit hoofde van een erfpacht, als solarium uit hoofde van een opstalrecht of als retributie uit hoofde van een erfdienstbaarheid, of als tegenprestatie ter zake van een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 252, vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 507a
1.

Eveneens vallen onder het beslag vorderingen tot vergoeding die na de inschrijving in de plaats van de zaak zijn getreden, daaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van de zaak.

2.

Zij moeten met overeenkomstige toepassing van artikel 507, derde lid, aan de notaris worden voldaan, behoudens de rechten van derden, die de executant moet eerbiedigen.

Artikel 508

Rusten op de in beslag genomen zaak een of meer hypotheken, dan doet de beslaglegger het door hem gelegde beslag uiterlijk binnen vier dagen na de inschrijving in de desbetreffende openbare registers aan de hypotheekhouders betekenen; de betekening mag geschieden aan de door deze overeenkomstig artikel 260, eerste lid, derde volzin, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek gekozen woonplaats.

Artikel 509
1.

Indien een hypotheekhouder die uit hoofde van zijn recht bevoegd is tot executoriale verkoop, de executie wil overnemen en dit binnen twee weken nadat het beslag aan hem is betekend, aanzegt aan de executant met inachtneming van artikel 544, tweede lid, geschiedt de executie verder door de hypotheekhouder en zijn de desbetreffende bepalingen van toepassing.

2.

Zijn er meer hypotheekhouders, dan komt deze bevoegdheid toe aan de hoogst gerangschikte hypotheekhouder die de in het eerste lid bedoelde aanzegging heeft gedaan.

3.

Wordt niet binnen twee weken een aanzegging gedaan, dan is de beslaglegger bevoegd de executie voort te zetten.

Artikel 513
1.

Indien meer schuldeisers op dezelfde zaak beslag hebben gelegd, vindt de executie plaats op de vervolging van degene die het eerst overeenkomstig artikel 505, eerste lid, het proces-verbaal van beslag heeft doen inschrijven.

2.

De rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de zaak geheel of grotendeels is gelegen, kan op verzoek van een schuldeiser wiens proces-verbaal later is ingeschreven, bepalen dat deze de executie zal overnemen:

  • a. in geval van arglist van de schuldeiser wiens proces-verbaal het eerst is ingeschreven, of samenspanning van deze met de geëxecuteerde;
  • b. indien deze schuldeiser de executie niet met redelijke spoed voortzet.
3.

Tegen een beschikking krachtens het tweede lid staat geen hogere voorziening open.

4.

Bij toepassing van het tweede lid wordt de overneming bij exploot aan de geëxecuteerde aangezegd.

Artikel 513a

De inschrijving van het beslag kan worden doorgehaald met toepassing van de artikelen 28 en 29 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat de bewaarder mede tot doorhaling wordt gemachtigd door:

  • a. een ingeschreven schriftelijke verklaring van de deurwaarder dat hij in opdracht van de executant het beslag opheft, of dat het beslag is vervallen;

Afdeling 2. Executoriale verkoop van onroerende zaken

Artikel 514
1.

De executoriale verkoop geschiedt ten overstaan van een bevoegde notaris.

2.

Zo de notaris niet reeds in het proces-verbaal van inbeslagneming is aangewezen, geschiedt de aanwijzing bij exploot aan de geëxecuteerde. Hetzelfde geldt voor de vervanging van een reeds aangewezen notaris.

3.

Bij het exploot kiest de executant op straffe van nietigheid woonplaats ten kantore van de aangewezen notaris.

Artikel 515
1.

De notaris stelt binnen twee weken na zijn aanwijzing of, zo er hypothecaire inschrijvingen zijn, binnen twee weken na het ongebruikt verstrijken van de in artikel 509, eerste lid, bedoelde termijn, plaats, dag en uur van de verkoop vast.

2.

Hij deelt schriftelijk plaats, dag en uur van de verkoop mede aan de geëxecuteerde en aan alle in artikel 551 bedoelde beperkt gerechtigden en schuldeisers, een en ander aan de hand van een door de bewaarder van de openbare registers af te geven getuigschrift, waarin de inschrijvingen en de boekingen in de registers van voorlopige aantekeningen worden vermeld, die daartoe van belang zijn.

Artikel 516
1.

Geen verkoop kan plaatsvinden dan na verloop van 30 dagen nadat zij door aanplakking volgens plaatselijk gebruik en door aankondiging in een plaatselijk verspreid dagblad is bekendgemaakt.

2.

In de bekendmakingen wordt vermeld dat het een executoriale verkoop betreft.

Artikel 517
1.

De notaris stelt de veilingvoorwaarden vast, zulks in overleg met de executant en met inachtneming van artikel 519. Ten minste acht dagen voor de verkoop doet hij de in artikel 515, tweede lid, bedoelde ingeschrevenen en latere beslagleggers hiervan mededeling, met toezending van een exemplaar van deze condities, en legt hij tevens een exemplaar daarvan te zijnen kantore neder ter inzage voor het publiek.

2.

Op verlangen van ieder van de voormelde belanghebbenden kunnen de veilingvoorwaarden tevens inhouden dat de zaak wordt verkocht vrij van daarop rustende rechten of beperkingen, die niet tegen het recht van deze belanghebbende kunnen worden ingeroepen.

Artikel 518
1.

Geschillen over de veilingvoorwaarden, over de wijze van verkoop of over plaats, dag of uur daarvan worden op verzoek van de meest gerede partij of van de notaris beslist door de rechter in eerste aanleg in wiens rechtsgebied de zaken geheel of grotendeels zijn gelegen, onverminderd de bevoegdheid van degenen wier rechten bij de executie niet worden geëerbiedigd, zich daartegen overeenkomstig artikel 538 te verzetten.

2.

Tegen beschikkingen krachtens het eerste lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 519

De verkoop vindt in het openbaar plaats, eerst bij opbod en vervolgens bij afmijning.

Artikel 520
1.

De executant kan onroerende zaken die in verschillende rechtsgebieden zijn gelegen, slechts gezamenlijk voor één prijs verkopen, indien zij te zamen worden geëxploiteerd of door alle belanghebbenden bij de opbrengst gezamenlijke verkoop is overeengekomen.

2.

Is zulks niet overeengekomen, dan kan de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de zaken grotendeels zijn gelegen, op verzoek van de meest gerede partij of van de notaris bepalen dat de zaken gezamenlijk zullen worden verkocht.

3.

Tegen beschikkingen krachtens het tweede lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 521

Heeft de executant voor de schuld waarvoor hij beslag heeft gelegd, tevens hypotheek op andere onroerende zaken of op beperkte rechten daarop, dan mag hij de in beslag genomen zaken slechts verkopen indien de aan hem verhypothekeerde goederen ontoereikend zijn.

Artikel 522

Indien meer onroerende zaken in dezelfde inbeslagneming zijn vervat en de opbrengst van het verkochte toereikend is om de executant, de beperkt gerechtigden wier recht vervalt, en de andere beslagleggers op deze zaken, met de kosten, te voldoen, gaat de notaris met de verkoop van de overige zaken niet verder, tenzij de geëxecuteerde verklaart die verkoop te verlangen.

Artikel 523

De notaris is verplicht, voor zover hem dit mogelijk is, uiterlijk op de dag na de verkoop, van de verkoop schriftelijk kennis te geven aan de geëxecuteerde en aan alle in artikel 551 bedoelde beperkt gerechtigden en schuldeisers.

Artikel 524

De koper is gehouden de koopprijs te voldoen in handen van de notaris. Deze voldoet daaruit de kosten van de executie.

Artikel 525
1.

De koper verkrijgt het recht op de verkochte zaken door inschrijving van het proces-verbaal van toewijzing.

2.

De bewaarder van de openbare registers weigert inschrijving, indien niet tevens een verklaring van de notaris wordt overgelegd dat de koopprijs in zijn handen is gestort, en, zo het gaat om een verkoop als bedoeld in artikel 477b, tweede lid, tevens een schriftelijke verklaring van de derde dat hij de zaak ter beschikking heeft gesteld van de deurwaarder die het beslag onder de derde heeft gelegd.

3.

De geëxecuteerde wordt op vertoon van het proces-verbaal genoodzaakt tot ontruiming op de wijze, bepaald in de artikelen 556 en 557.

Artikel 526
2.

Op de in artikel 273 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek aangegeven wijze vervallen ook beperkte rechten die wel tegen de verkoper ingeroepen kunnen worden, indien de zaak vrij van deze rechten is verkocht overeenkomstig artikel 517, tweedelid.

Artikel 527

Schiet de koper tekort in de nakoming van de koopovereenkomst, dan mag de executant ten laste van de koper de verkochte zaak, met inachtneming van de artikelen 514 en volgende, wederom verkopen. De executant is tot deze verkoop gehouden, indien een van de bij de opbrengst direct belanghebbenden dit verlangt.

Artikel 528

De koper kan deze nieuwe verkoop voorkomen door vóór de verkoop alsnog aan de koopovereenkomst te voldoen en de met betrekking tot deze nieuwe verkoop reeds gemaakte kosten te betalen met aanbod van zekerheid voor zover deze nog niet bekend zijn.

Artikel 529

De koper die in de nakoming van de koopovereenkomst tekortschiet, is aansprakelijk voor het verschil tussen de prijs waarvoor hij de zaak heeft gekocht en die van de nieuwe verkoop, zonder dat hij nochtans het meerdere dat deze laatste verkoop heeft opgebracht, kan vorderen; dit meerdere wordt aan de schuldeisers, of zo die niet meer te vorderen hebben, aan degenen tegen wie het beslag gedaan is, betaald.

Afdeling 3. Opvordering door derden

Artikel 538
1.

Treft het beslag een zaak die geheel of ten dele aan een ander toebehoort of waarop een recht van een ander rust dat de executant moet eerbiedigen, dan kan deze ander zich tegen verkoop waarbij zijn recht niet in acht wordt genomen, tot op het tijdstip van de verkoop verzetten.

2.

De eiser die in het ongelijk wordt gesteld, wordt, op vordering van de executant, zo daartoe gronden zijn, tot schadevergoeding veroordeeld.

Artikel 539

De notaris aan wie een oproeping als bedoeld in artikel 538, betekend wordt, met een door de deurwaarder voor eensluidend getekend afschrift van de vordering, is bevoegd de verkoop van alle bij de executie betrokken zaken op te schorten, totdat de rechter in eerste aanleg omtrent de schorsing van de executie heeft beslist op vordering van de meest gerede partij of op verlangen van de notaris, die zich daartoe bij de rechter in eerste aanleg kan vervoegen.

Artikel 540

Indien de verkoop door het verzet is vertraagd, kan deze niet plaatsvinden dan nadat de in artikel 516 bedoelde bekendmakingen opnieuw hebben plaatsgevonden en de daar bedoelde termijn opnieuw in acht is genomen.

Afdeling 4. Executie door een hypotheekhouder

Artikel 544
1.

De hypotheekhouder is verplicht de executie te doen inleiden door een aanzegging daarvan of van de in artikel 509 bedoelde overneming aan de hypotheekgever, de schuldenaar en hen wier recht of beslag uit de registers blijkt en wier recht door de executoriale verkoop zal tenietgaan of vervallen.

2.

De aanzegging van de executie of de overneming daarvan geschiedt bij exploot van een deurwaarder en houdt in:

  • a. zo nauwkeurig mogelijk het bedrag waarvoor de hypotheekhouder uit hoofde van zijn recht tot executie wil overgaan, en de ter zake tot het tijdstip van de aanzegging reeds gemaakte kosten;
  • b. de aanwijzing van de notaris ten overstaan van wie de verkoop zal plaatsvinden.
3.

Een hypotheekhouder kan de executie ook overnemen van een andere hypotheekhouder, wiens recht in rang na het zijne komt, door binnen twee weken nadat hem de aanzegging is gedaan, van de overneming aanzegging te doen. Artikel 509 is van overeenkomstige toepassing. Het eerste en het tweede lid worden opnieuw in acht genomen.

Artikel 545
1.

Indien de hypotheekhouder in gebreke blijft de executie met redelijke spoed voort te zetten, kan elke beslaglegger of hypotheekhouder aan de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de zaken geheel of grotendeels zijn gelegen, verzoeken een termijn vast te stellen waarbinnen de hypotheekhouder tot de verkoop of tot indiening van een verzoek tot onderhandse verkoop moet overgaan.

2.

Bij overschrijding van de termijn wordt de executie voortgezet door de verzoeker met de hoogst gerangschikte hypotheek of, zo onder de verzoekers geen hypotheekhouder is, door de schuldeiser wiens beslag het eerst is ingeschreven.

3.

Tegen een beschikking krachtens het eerste lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 546

De artikelen 514, tweede lid, tweede volzin, en derde lid, 515 tot en met 520, 522, 523, 525, 526, tweede lid, en 527 tot en met 529 zijn ook bij executie door een hypotheekhouder van toepassing, met inachtneming van de volgende artikelen van deze afdeling.

Artikel 547
1.

De in artikel 515 bedoelde termijn loopt vanaf de dag van de in artikel 544 bedoelde aanzegging aan de hypotheekgever.

2.

In de in artikel 516 bedoelde aanplakking en aankondiging dient tevens te zijn opgenomen dat tot twee weken vóór de voor de verkoop bepaalde dag ondershands op de te executeren zaken kan worden geboden bij een aan de notaris gericht geschrift.

3.

De notaris geeft van de binnengekomen biedingen onverwijld afschrift aan de executant en de geëxecuteerde.

Artikel 548
1.

Tot één week vóór de voor de verkoop bepaalde dag kan bij de rechter in eerste aanleg het in artikel 268, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verzoek dat de verkoop ondershands zal geschieden, worden ingediend.

2.

Dit verzoek kan uitsluitend worden gedaan, indien tevens een volledige koopakte wordt overgelegd, zij het dat, indien het verzoek niet door de executant wordt gedaan, de akte niet door of namens hem ondertekend behoeft te zijn. Tevens dienen in afschrift te worden overgelegd de biedingen die bij de notaris zijn binnengekomen, dan wel een verklaring van de notaris dat hij zulke biedingen niet heeft ontvangen.

3.

Bij verzoekschrift wordt voorts een lijst overgelegd van de in artikel 544 bedoelde belanghebbenden. De griffier deelt hun onverwijld mede dat het verzoek is gedaan, en dat zij op hun verlangen door de rechter kunnen worden gehoord.

4.

Door tijdige indiening van het verzoek vervalt de voor de openbare verkoop bepaalde dag. Wordt het verzoek afgewezen, dan bepaalt de rechter tevens de dag waarop de openbare verkoop zal plaatsvinden. Deze verkoop zal ten minste twee weken tevoren op de in artikel 516 bedoelde wijze worden bekendgemaakt. De rechter kan de verzoeker in de kosten van de bekendmaking veroordelen, onverminderd diens verplichting de door het verzoek ontstane schade te vergoeden, zo daartoe gronden zijn.

Afdeling 5. De verdeling van de opbrengst van de executie

Artikel 551
1.

Indien er geen andere schuldeiser is die op het geëxecuteerde of op de koopprijs beslag heeft gelegd, en evenmin door de executie een beperkt recht vervalt, draagt de notaris aan de executant uit de netto-opbrengst van de zaak af hetgeen aan deze blijkens een door hem te dien aanzien aan de notaris afgelegde verklaring krachtens zijn executoriale titel toekomt; het overschot keert de notaris uit aan de geëxecuteerde.

2.

Indien er wel schuldeisers of beperkt gerechtigden zijn als in het eerste lid bedoeld, dan wel de in dat lid bedoelde verklaring wordt betwist of de notaris ernstige reden heeft te vermoeden dat zij onjuist is, stort de notaris de netto-opbrengst onverwijld bij een door hem aangewezen bewaarder die aan de in artikel 445 bedoelde vereisten voldoet.

3.

Wanneer de schuldeisers die op de zaak of op de koopprijs beslag hebben gelegd, de beperkt gerechtigden wier recht door de executie vervalt, en de geëxecuteerde het vóór de betaaldag van de koopsom omtrent de verdeling van de te storten som eens zijn geworden, blijft de storting achterwege en keert de notaris aan ieder het hem toekomende uit.

4.

In geval van executie door een hypotheekhouder is niet dit artikel, maar artikel 270 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

5.

Van dit artikel kan in de koopvoorwaarden niet worden afgeweken.

Artikel 551a
1.

Na de betaling van de koopprijs is ieder van de in artikel 551, derde lid, genoemde belanghebbenden bevoegd een gerechtelijke rangregeling te verzoeken.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)