Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES
Wanneer bij het aanbieden van zekerheid ter voorkoming van beslag geschil ontstaat over het bedrag of de aard van de te stellen zekerheid, beslist de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied het luchtvaartuig zich bevindt, op verzoek van de meest gerede partij, na verhoor of behoorlijke oproeping.
Artikel 729c
Wanneer in strijd met deze afdeling of zonder goede grond beslag op een luchtvaartuig is gelegd, is de beslaglegger gehouden de daardoor ontstane schade te vergoeden.
Het eerste lid is mede van toepassing wanneer de schuldenaar zekerheid heeft moeten stellen om een beslag te voorkomen dat, ware het gelegd, in strijd met de artikelen 729 tot en met 729b of zonder goede grond zou zijn geweest.
Artikel 729d
Tot het geven van verlof tot het leggen van conservatoir beslag op luchtvaartuigen is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied het luchtvaartuig wordt verwacht. De artikelen 711, eerste lid, en 712 zijn niet van toepassing.
Artikel 708, tweede lid, tweede volzin, is niet van toepassing. De artikelen 584c tot en met 584e en 513a zijn van overeenkomstige toepassing.
Indien het beslag is gelegd op een in het register teboekstaand luchtvaartuig en de eis in de hoofdzaak niet binnen de overeenkomstig artikel 700, derde lid, bepaalde termijn is ingesteld, is de beslaglegger verplicht de inschrijving van het beslag in de openbare registers onverwijld te doen doorhalen op straffe van schadevergoeding.
Artikel 729e
Indien ter zake van de hoofdvordering een executoriale titel is verkregen en deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, gaat de beslaglegger tot executie over overeen-komstig artikel 584f.
Afdeling 7. Conservatoir beslag tot afgifte van zaken en levering van goederen
Artikel 730
Ieder die recht heeft op afgifte van een roerende zaak of levering van een goed, of die zodanig recht door een rechterlijke uitspraak tot vernietiging of ontbinding kan verkrijgen, kan deze zaak of dit goed ter bewaring van dit recht in beslag nemen.
Artikel 731
Betreft het recht op afgifte een of meer naar de soort bepaalde zaken, dan neemt de deurwaarder een aan dat recht beantwoordende hoeveelheid zaken van die soort in beslag, uit te kiezen door de deurwaarder, tenzij de beslagene tijdig een redelijke andere keuze doet.
Artikel 732
Betreft het recht op afgifte te velde staande vruchten of beplantingen van een onroerende zaak, dan kan uit dien hoofde beslag worden gelegd overeenkomstig artikel 494.
Artikel 733
Degene die verdeling van een gemeenschap kan vorderen, kan de daartoe behorende goederen in beslag nemen, voor zover zij in het bijzonder in aanmerking komen om aan hem of aan de deelgenoot voor wiens aandeel hij optreedt, te worden toegedeeld.
Het beslag vervalt, naarmate de goederen aan een ander worden toegedeeld.
Artikel 734
Op een beslag als bedoeld in deze afdeling, zijn de voorschriften inzake conservatoir beslag tot verhaal van geldvorderingen van overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover dit zou leiden tot toepasselijkheid van de artikelen 447, 448 en 505, derde lid, en 541.
In geval van overeenkomstige toepassing van artikel 444b treedt de waarde van het in beslag te nemen goed in de plaats van het bedrag van de vordering waarvoor beslag is gelegd.
Artikel 474b is slechts van overeenkomstige toepassing, indien uit hoofde van het recht waarvoor het beslag is gelegd, tevens recht op de in dat artikel bedoelde baten bestaat.
In het in artikel 700, tweede lid, bedoelde verzoekschrift wordt het in beslag te nemen goed omschreven. Vrees voor verduistering behoeft niet te worden gesteld.
Artikel 735
Een beslag als bedoeld in de artikelen 730 tot en met 734, gelegd ter verkrijging van levering van een goed, blijft van kracht, totdat hetzij de levering heeft plaatsgevonden, hetzij zes maanden zijn verstreken nadat in de hoofdzaak een beslissing is verkregen die een executoriale titel oplevert, en die in kracht van gewijsde is gegaan.
Een beslag als bedoeld in de artikelen 730 tot en met 734, op een roerende zaak die geen registergoed is, gaat krachtens artikel 704, eerste lid, over in een executoriaal beslag als bedoeld in artikel 492, indien de door de beslaglegger verkregen executoriale titel tot afgifte strekt.
Artikel 736
Bij samenloop van een beslag als bedoeld in deze afdeling, met een ander beslag, al of niet van dezelfde aard, kan de meest gerede partij zich tot de rechter wenden, al naar de aard van het andere beslag overeenkomstig artikel 438 of overeenkomstig artikel 705.
Wordt op een goed zowel een beslag als bedoeld in deze afdeling, als een beslag tot verhaal van een geldvordering gelegd, dan geldt eerstbedoeld beslag, zo nodig, tevens als een conservatoir beslag, gelegd tot verhaal van de vordering tot vervangende schadevergoeding wegens uitblijven van afgifte of levering.
Een beslag tot verhaal van een vordering tot vervangende schadevergoeding wegens het uitblijven van afgifte of levering kan niet tegen de legger van een beslag tot verkrijging van afgifte of levering van dezelfde zaak of hetzelfde goed worden ingeroepen, indien deze andere goederen van de beslagene aanwijst die voor de vordering voldoende verhaal bieden.
Artikel 737
Een beslag als bedoeld in deze afdeling, kan mede worden gelegd door een schuldeiser die door een rechterlijke uitspraak tot vernietiging op grond van artikel 45 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid kan verkrijgen zich op het goed te verhalen.
Is de vernietiging uitgesproken, dan gaat het beslag over in een conservatoir beslag op het goed tot verhaal van zijn vordering of, als ter zake daarvan is voldaan aan de eisen van artikel 704, eerste lid, in een overeenkomstig executoriaal beslag.
Afdeling 8. Conservatoir beslag tegen schuldenaren zonder bekende woonplaats hier te lande
Artikel 765
Indien de schuldenaar geen bekende woonplaats hier te lande heeft, kan hier te lande overeenkomstig de voorgaande afdelingen beslag worden gelegd, zonder dat vrees voor verduistering behoeft te worden aangetoond.
Artikel 766
De beslaglegger is van rechtswege bewaarder van de in beslag genomen zaken indien deze zich onder hem bevinden en, zo niet, dan kan daarover naar de regels inzake executoriaal beslag een gerechtelijke bewaarder worden aangesteld.
Artikel 767
Bij gebreke van een andere weg om een executoriale titel hier te lande te verkrijgen, kan de eis in de hoofdzaak, de vordering ter zake van de beslagkosten daaronder begrepen, worden ingesteld voor de rechter in eerste aanleg die het verlof tot het gelegde of het tegen zekerheidstelling voorkomen of opgeheven beslag heeft verleend. In geval van verlof tot beslag onder een derde geldt dit alleen indien het goed waarop beslag zal worden gelegd, in het verzoekschrift uitdrukkelijk is omschreven.
Afdeling 9. Middelen tot bewaring van het recht op goederen der gemeenschap
Artikel 768
Indien echtgenoten of gewezen echtgenoten gehuwd zijn of waren in een gemeenschap van goederen, kan ieder van hen de rechter in eerste aanleg verzoeken hem verlof te verlenen tot verzegeling, boedelbeschrijving en waardering van goederen der gemeenschap, alsmede tot het leggen van conservatoir beslag op goederen der gemeenschap.
Indien nog geen verzoek tot opheffing van de gemeenschap, tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is gedaan, is de in artikel 700 aangewezen rechter in eerste aanleg bevoegd. Is een zodanig verzoek reeds gedaan, dan is bevoegd de rechter in eerste aanleg bij wie dat verzoek aanhangig is of laatstelijk was.
Tot het leggen van conservatoir beslag verleent de rechter in eerste aanleg slechts verlof, indien de verzoeker aantoont dat er gegronde vrees voor verduistering van de goederen der gemeenschap bestaat.
Tegen een verlof als bedoeld in het eerste lid, staat geen hogere voorziening open.
Artikel 769
Op het beslag zijn de bepalingen inzake conservatoir beslag tot verhaal van een geldvordering van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat geen vermelding van een bedrag wordt vereist, en dat als hoofdzaak geldt het verzoek tot opheffing van de gemeenschap respectievelijk tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, alles behoudens voor zover daarvan in de volgende artikelen niet wordt afgeweken.
Voor de overeenkomstige toepassing van artikel 444b treedt de waarde van het in beslag te nemen goed in de plaats van het bedrag van de vordering waarvoor het beslag wordt gelegd.
Artikel 770
Indien het beslag is gelegd onder een derde, is deze verplicht verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. De artikelen 475 tot en met 477a zijn van overeenkomstige toepassing.
De derde voldoet op verlangen van de deurwaarder aan zijn verplichtingen tot voldoening, afgifte of terbeschikkingstelling van de uit te keren gelden, zaken of goederen, naar gelang dit voor de afwikkeling van de verdeling van de gemeenschap nodig is.
Artikel 770a
In geval van een beslag op een onroerende zaak is artikel 505, derde lid, niet van toepassing.
Artikel 770b
Bij toewijzing van het verzoek tot opheffing van de gemeenschap respectievelijk tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, vervalt het beslag zodra de goederen aan de andere echtgenoot worden toegedeeld of krachtens de verdeling aan de beslaglegger geleverd.
Het beslag vervalt eveneens zodra het verzoek wordt ingetrokken.
De artikelen 704, eerste lid, 715, derde lid, 722, 723 en 724, derde lid, zijn niet van toepassing.
Artikel 770c
Een eventueel overschot van een executie wordt door de deurwaarder, notaris of pandhouder onverwijld gestort bij een bewaarder als bedoeld in artikel 445, ten behoeve van de echtgenoot aan wie dit overschot wordt toegedeeld.
Titel 5. Rekenprocedure
Artikel 771
Indien rekening en verantwoording moet worden gedaan aan belanghebbenden die allen of voor een deel onbekend of afwezig zijn, worden op verzoek van de rekenplichtige allen tot het opnemen en goedkeuren van de rekening opgeroepen op de wijze in het tweede geval in artikel 5, ten 7°, uitgedrukt.
De bekende belanghebbenden worden bovendien opgeroepen op de wijze als voor ieder van hen is bepaald in titel 1, afdeling 1 van Boek 1.
De termijn van oproeping is ten minste drie maanden.
Artikel 772
De rekenplichtige deponeert de rekening met de daarbij behorende bescheiden ter griffie, waar deze ter inzage van de belanghebbenden ligt. Dit depot wordt in het exploot van oproeping vermeld.
Artikel 773
Artikel 82, eerste en tweede lid, is van toepassing, met dien verstande dat de rechter, indien tegen een of meer gedaagden verstek is verleend, ambtshalve de rechtmatigheid en de gegrondheid van de vordering onderzoekt.
Artikel 774
Wordt tegen alle belanghebbenden verstek verleend, dan onderzoekt de rechter ambtshalve de rechtmatigheid en de gegrondheid van de vordering. Indien dit onderzoek niet leidt tot afwijzing van de vordering, stelt de rechter het saldo aan de hand van de overgelegde bescheiden vast en sluit hij de rekening. Tegen dit vonnis staat geen verzet open.
De rechter geeft zodanige beslissing over de kosten van het geding als hij geraden acht. Een gedaagde tegen wie verstek is verleend, wordt niet verwezen in de kosten.
Artikel 775
De rekenplichtige kan zich van het onder hem berustende saldo bevrijden door storting in de consignatiekas. Deze storting kan ook op vordering van belanghebbenden worden bevolen.
Artikel 776
Wordt tussen de belanghebbenden over de verdeling van een batig saldo geen overeenstemming bereikt, dan kan de meest gerede partij rangregeling overeenkomstig de voorschriften van titel 2, afdeling 3 van Boek 2 verzoeken.
Titel 6. Rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht
Afdeling 1. Rechtspleging in andere zaken dan scheidingszaken
Artikel 798
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder belanghebbende verstaan: degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.
Ter zake van de instelling en opheffing van curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen of mentorschap worden onder belanghebbenden bovendien verstaan: de echtgenoot of andere levensgezel en de kinderen of, bij gebreke van dezen, de ouders, broers en zussen van degene wiens curatele, goederen of mentorschap het betreft.
Artikel 799
Onverminderd artikel 429d, eerste lid, bevat een verzoekschrift de namen en, voor zover bekend, de voornamen en de woonplaats van de belanghebbenden, alsmede van anderen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn.
Artikel 800
Tenzij de rechter aanstonds een beschikking geeft waarbij hij zich onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst, wordt aan de belanghebbenden, voor zover hun woonplaats bekend is, een afschrift van het verzoekschrift en van de daarbij behorende bescheiden toegezonden en worden de belanghebbenden opgeroepen voor de behandeling. Is de woonplaats niet bekend, dan wordt bij de oproeping het verzoek kort aangeduid.
Voorts kan de rechter bevelen dat degenen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, worden opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen.
Een beschikking tot voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige kan alleen dan aanstonds worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikking verliest haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.
Artikel 801
In zaken van levensonderhoud wordt in de oproeping van de belanghebbenden een termijn vermeld, waarbinnen deze een verweerschrift kunnen indienen. Indien binnen die termijn geen verweerschrift wordt ingediend, kan, tenzij de artikelen 809 en 810 toepassing vinden, een behandeling ter terechtzitting achterwege blijven.
De oproeping van de belanghebbende gaat in deze zaken vergezeld van de mededeling dat de rechter kan bepalen dat de behandeling achterwege kan blijven, indien binnen de voor het indienen van een verweerschrift vastgestelde termijn geen verweerschrift wordt ingediend.
Artikel 802
Indien een verzoeker, een belanghebbende of een ander wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, en die moet worden ondervraagd, hier te lande verblijft, doch buiten staat is zich naar het gerechtsgebouw te begeven, kan de ondervraging op diens verblijfplaats geschieden.
Artikel 803
De behandeling geschiedt met gesloten deuren.
Artikel 803a
De rechter kan in elke stand van de zaak aan iedere verzoeker en belanghebbende bevelen de gegevens en bewijsstukken te verstrekken waarvan hij de kennisneming nodig acht.
Artikel 806
Op de procedure in hoger beroep zijn de artikelen 799 tot en met 803a van overeenkomstige toepassing.
Artikel 807
Tegen beschikkingen ingevolge:
- a. de artikelen 257 en 260, met uitzondering van beschikkingen ingevolge artikel 263a, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.
Artikel 809
In zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, beslist de rechter niet dan na de minderjarige van twaalf jaren of ouder in de gelegenheid te hebben gesteld hem zijn mening kenbaar te maken, tenzij het naar het oordeel van de rechter een zaak van kennelijk ondergeschikt belang betreft. De rechter kan minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaren nog niet hebben bereikt, in de gelegenheid stellen hem hun mening kenbaar te maken op een door hem te bepalen wijze. Hetzelfde geldt in zaken betreffende het levensonderhoud van minderjarigen.
In zaken betreffende curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen en mentorschap is de eerste volzin van het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de onder curatele te stellen of gestelde persoon, ten aanzien van degene wiens goederen het betreft, alsmede ten aanzien van de persoon ten behoeve van wie mentorschap is verzocht of is ingesteld.
Indien de gelegenheid waarop de minderjarige zijn mening kenbaar kan maken, niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige, kan de rechter een beschikking tot voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige geven zonder toepassing van het eerste lid. Deze beschikking verliest haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de minderjarige binnen deze termijn in de gelegenheid is gesteld zijn mening kenbaar te maken.
Indien de minderjarige van de in het eerste en derde lid bedoelde gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, kan de rechter een nadere dag bepalen waarop hij voor hem gebracht zal worden. Verschijnt de minderjarige alsdan wederom niet, dan kan de zaak zonder hem worden behandeld.
Artikel 810
De rechter kan in zaken betreffende minderjarigen, indien hij dit met het oog op de beoordeling van de belangen van de minderjarige noodzakelijk acht, het advies van de voogdijraad inwinnen. Hij kan de raad daartoe in elke stand van de zaak oproepen.
De voogdijraad kan in deze zaken eigener beweging zijn mening schriftelijk aan de rechter kenbaar maken of ter terechtzitting verschijnen, indien de raad dit met het oog op de beoordeling van de belangen van de minderjarige noodzakelijk acht.
De voogdijraad ontvangt daartoe onverwijld een afschrift van het verzoekschrift en wordt tijdig van het tijdstip van de terechtzitting op de hoogte gesteld.
Indien de zaak evenwel de ondertoezichtstelling van een minderjarige betreft, de toepassing of overeenkomstige toepassing van de artikelen 260, 261, 262 en 263, eerste tot en met vierde lid, onderdeel a, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek daaronder niet begrepen, dan wel de ontheffing of ontzetting van het ouderlijk gezag of van de voogdij, beslist de rechter niet dan na verhoor of behoorlijke oproeping daartoe van de voogdijraad.
Artikel 811
In zaken betreffende minderjarigen worden bij het recht op inzage en afschrift, bedoeld in artikel 429l, van door de voogdijraad of het openbaar ministerie overgelegde bescheiden alsmede van door een deskundige op verzoek van de rechter overgelegde bescheiden als belanghebbenden aangemerkt:
- a. de verzoekers,
- b. de ouders en voogden,
- c. degenen die de minderjarige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden en die uit dien hoofde een nauwe persoonlijke betrekking met het kind hebben, en
- d. de minderjarige van twaalf jaren of ouder, tenzij de rechter is gebleken dat hij niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
Inzage of afschrift kan evenwel worden geweigerd door de rechter aan wie de bescheiden zijn overgelegd, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer of het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden.
Tegen de beschikking staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.
Artikel 812
Iedere beschikking betreffende de gezagsuitoefening over minderjarigen, de beschikkingen ingevolge de artikelen 253s, 262, 263, 326 en 336a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek daaronder begrepen, geeft degene aan wie deze minderjarigen ingevolge de beschikking tijdelijk of blijvend worden toevertrouwd, van rechtswege het recht tot het aan hem doen afgeven van deze minderjarigen, zo nodig met behulp van de sterke arm.
Artikel 813
Het openbaar ministerie verleent, zo nodig, zijn medewerking tot:
- a. de voorgeleiding van een minderjarige voor de rechter ingevolge artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 809 van dit wetboek;
- b. de overbrenging van een minderjarige naar een inrichting of naar een andere plaats ingevolge de artikelen 262, 263 en 326 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
- c. de afgifte van minderjarigen, bedoeld in artikel 812;
- d. de tenuitvoerlegging van de beschikkingen, bedoeld in artikel 278, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
- e. de tenuitvoerlegging van de beschikkingen, bedoeld in artikel 387 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
De dienaar der openbare macht die door het openbaar ministerie is aangewezen om de medewerking te verlenen, dan wel medewerking te verlenen aan de tenuitvoerlegging van de bevelen, gegeven door de officier van justitie ingevolge de artikelen 241, 272 en 332 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, heeft toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Wordt de toegang tot een woning hem door de bewoner geweigerd of door gesloten deuren belet, dan oefent hij deze bevoegdheid niet uit dan in tegenwoordigheid van de officier van justitie of van een zijner hulp-officieren van justitie.
Daarvan wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat mede ondertekend wordt door de ambtenaar in wiens tegenwoordigheid de woning is binnengetreden.
Afdeling 2. Rechtspleging in scheidingszaken
§ 1. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed
Artikel 814
Met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed en daarmee verband houdende verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening of een nevenvoorziening, alsmede met betrekking tot de geldigheid en nietigheid van huwelijken, komt aan de rechter rechtsmacht toe, indien ten tijde van de indiening van het verzoekschrift:
- a. beide echtgenoten Nederlander zijn en hier te lande woonplaats of gewone verblijfplaats hebben of, indien in het buitenland woonachtig of gewone verblijfplaats hebbend, binnen het Koninkrijk laatstelijk hier te lande woonplaats of gewone verblijfplaats hebben gehad, of
- b. een van de echtgenoten sedert twaalf maanden of, indien hij Nederlander is, sedert zes maanden woonplaats of gewone verblijfplaats hier te lande heeft.
Artikel 429ba is niet van toepassing.
Artikel 815
Onverminderd artikel 429d, eerste lid, vermeldt het verzoekschrift:
- a. de naam, de voornamen en, voor zover bekend, de woonplaats en de werkelijke verblijfplaats van de echtgenoot die niet de verzoeker is;
- b. voor zover bekend, de naam van diens raadsman;
- c. de naam, de voornamen en, voor zover bekend, de woonplaats en de werkelijke verblijfplaats van ieder minderjarig kind van de echtgenoten te zamen of van een van hen.
Bij de indiening van het verzoekschrift moeten worden overgelegd:
- a. een afschrift of uittreksel van de huwelijksakte;
- b. bescheiden betreffende de gronden waarop de rechter ingevolge artikel 814 rechtsmacht heeft;
- c. een afschrift of uittreksel van de akte van geboorte van ieder minderjarig kind van de echtgenoten te zamen of van een van hen;
- d. de processtukken die betrekking hebben op de voorlopige voorzieningen, bedoeld in de artikelen 822 en 823, indien deze zijn gevraagd;
- e. indien het een verzoek tot ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed betreft, een authentiek afschrift van de rechterlijke uitspraak waarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken.
Indien de stukken, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met c, redelijkerwijs niet kunnen worden overgelegd, kan worden volstaan met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter.
Indien ten behoeve van minderjarige kinderen voorzieningen moeten worden getroffen, zendt de griffier onverwijld een afschrift van het verzoekschrift aan de voogdijraad.
Artikel 816
Betreft het een verzoek van een der echtgenoten, dan doet de rechter een afschrift daarvan betekenen aan de andere echtgenoot. Uiterlijk op een in het exploot vermeld tijdstip kan de andere echtgenoot hetzij een verweerschrift indienen, hetzij om uitstel te dier zake verzoeken.
Het tijdstip dat in het exploot moet worden vermeld, wordt bepaald met inachtneming van een termijn van ten minste zes weken, te rekenen vanaf de dag van de betekening. Heeft de andere echtgenoot geen bekende woonplaats hier te lande, dan bedraagt deze termijn ten minste drie maanden.
Indien de andere echtgenoot tijdig om uitstel heeft verzocht, alsmede indien een ingediend verweerschrift een zelfstandig verzoek bevat, bepaalt de rechter een termijn waarbinnen de andere echtgenoot respectievelijk de echtgenoot die het oorspronkelijke verzoekschrift heeft ingediend, een verweerschrift kan indienen.
Op eensluidend verzoek van de echtgenoten verlengt de rechter de termijn, tenzij dit leidt tot onredelijke vertraging van het geding. Hij kan deze termijn ook verlengen op verzoek van een der echtgenoten of ambtshalve.
Artikel 817
Betreft het een verzoek van een der echtgenoten, terwijl de andere echtgenoot op grond van een geestesstoornis verblijft in een ziekenhuis, verpleeghuis, verpleeginrichting of een psychiatrische inrichting, dan vermeldt het verzoekschrift het feit van dit verblijf.
In een geval als bedoeld in het eerste lid voegt de rechter aan deze echtgenoot, indien deze nog geen advocaat heeft, een advocaat toe ten einde kosteloos rechtskundige bijstand te verlenen en bepaalt hij tevens een nieuwe termijn voor het indienen van een verweerschrift.
Artikel 818
In afwijking van artikel 429f, eerste lid, kan een behandeling ter terechtzitting achterwege blijven, indien er geen minderjarige kinderen zijn die ingevolge artikel 809 in de gelegenheid moeten worden gesteld hun mening kenbaar te maken en er, indien het een verzoek van een der echtgenoten betreft, niet tijdig verweer is gevoerd.
Op een eensluidend mondeling of schriftelijk verzoek van de echtgenoten wordt de behandeling niet aangevangen of voortgezet vóór het verstrijken van een door hen aangeduide termijn, tenzij dit leidt tot onredelijke vertraging van het geding.
Indien tijdig een verweerschrift is ingediend dat een zelfstandig verzoek bevat, vangt de behandeling niet aan, voordat tegen dit verzoek een verweerschrift is ingediend, dan wel de daarvoor geldende termijn ongebruikt is verstreken.
De behandeling geschiedt, indien mogelijk, in één zitting.
De artikelen 802 tot en met en 803a zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 819
Betreft het een gemeenschappelijk verzoek, dan kan de rechter de getroffen onderlinge regelingen, daaronder begrepen afspraken omtrent uitkeringen tot levensonderhoud en omtrent de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige, geheel of gedeeltelijk in de beschikking opnemen.
Artikel 820
In afwijking van artikel 429n, tweede lid, kan een echtgenoot die in eerste aanleg niet in de procedure is verschenen, tegen een beschikking waarbij een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is toegewezen, hoger beroep instellen binnen zes weken na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen zes weken nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig het tweede lid openlijk is bekendgemaakt.
De openlijke bekendmaking geschiedt door plaatsing van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant. Het uittreksel bevat de dagtekening van de beschikking en de aanduiding van de rechter die haar heeft gewezen, alsmede de naam, voornamen en woonplaats van ieder der echtgenoten.
Indien een echtgenoot slechts hoger beroep of beroep in cassatie heeft ingesteld tegen een beslissing omtrent nevenvoorzieningen, kan de andere echtgenoot na het verstrijken van de voor het instellen van het desbetreffende rechtsmiddel geldende termijn of na berusting geen beroep meer instellen tegen de uitspraak, voor zover daarbij een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is toegewezen.
In hoger beroep en in cassatie zijn de artikelen 802 tot en met 803a en 817 van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Voorlopige voorzieningen
Artikel 821
In zaken van echtscheiding of scheiding van tafel en bed kan elke echtgenoot bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen als bedoeld in de artikelen 822 en 823, vragen. Een voorlopige voorziening kan worden gevraagd tot het tijdstip waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, ingevolge artikel 826 haar kracht verliest.
De behandeling ter terechtzitting vangt niet later aan dan in de derde week, volgende op die waarin de voorziening is gevraagd.
De rechter beslist zo spoedig mogelijk na de behandeling ter terechtzitting.
De beschikking houdende voorlopige voorzieningen, gegeven vóórdat een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is gedaan, verliest haar kracht, indien niet binnen vier weken na haar dagtekening een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is gedaan.
De artikelen 810, 812 en 814 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 822
De rechter kan bij beschikking voor de duur van het geding:
- a. bepalen dat een van de echtgenoten bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, met bevel dat de andere echtgenoot die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
- b. bevelen dat elke echtgenoot aan de andere echtgenoot beschikbaar zal stellen de goederen tot diens dagelijks gebruik strekkend, alsmede de goederen strekkend tot het dagelijks gebruik door de kinderen;
- c. bepalen aan welke echtgenoot ieder minderjarig kind van de echtgenoten te zamen zal worden toevertrouwd, waarbij tevens, indien het kind niet reeds in de macht van die echtgenoot is, de afgifte van dat kind aan hem zal worden bevolen, en bovendien het bedrag bepalen dat de andere echtgenoot voor de verzorging en opvoeding van ieder van de kinderen moet betalen;
- d. een regeling vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de echtgenoot aan wie het kind niet is of zal worden toevertrouwd, alsmede inzake het verschaffen van informatie over het kind aan dan wel de raadpleging van deze echtgenoot;
- e. het bedrag bepalen dat de ene echtgenoot moet betalen voor het levensonderhoud van de andere echtgenoot.
De voorzieningen vangen aan op de dag van de dagtekening der beschikking, tenzij de rechter een eerdere of latere aanvangsdag heeft vastgesteld.
Artikel 823
De rechter is bevoegd op verzoek van een echtgenoot of van de voogdijraad een kind onder toezicht te stellen als bedoeld in artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 824
Tegen de op grond van de artikelen 822 en 823 gegeven beschikkingen en tegen de beschikkingen tot wijziging of intrekking daarvan staan geen hogere voorzieningen open, behoudens cassatie in het belang der wet.
Op een verzoek van de echtgenoten of van één van hen kunnen beschikkingen als bedoeld in de artikelen 822 en 823, door de rechter in eerste aanleg die of het Hof van Justitie dat de beschikking heeft gegeven, worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd, of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Artikel 821, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De rechter kan op verzoek van de voogdijraad of ambtshalve een voorziening als bedoeld in artikel 823, wijzigen of intrekken.
Artikel 825
Als belanghebbenden bij het recht op inzage en afschrift, bedoeld in artikel 429l, van de bescheiden die betrekking hebben op de voorlopige voorzieningen, worden aangemerkt de echtgenoten, met dien verstande dat in zaken betreffende minderjarigen artikel 811 van toepassing is.
Artikel 826
De voorlopige voorzieningen verliezen hun kracht zodra een beschikking waarbij de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed is uitgesproken, wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand onderscheidenlijk het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de mogelijkheid daartoe vervalt, met dien verstande dat:
- a. de voorlopige voorzieningen, bedoeld in artikel 822, eerste lid, onderdeel a, hun kracht behouden totdat de beslissing op een verzoek tot bepaling wie de huur van de woning zal voortzetten, indien dit verzoek is gedaan, in kracht van gewijsde gaat;
- b. de voorlopige voorzieningen die op de kinderen betrekking hebben, hun kracht behouden totdat het gezag overeenkomstig artikel 253p van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is begonnen;
- c. de voorlopige voorzieningen, bedoeld in artikel 822, eerste lid, onderdeel e, hun kracht behouden totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 157 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, indien dit verzoek is gedaan, bij toewijzing voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt, dan wel bij afwijzing in kracht van gewijsde gaat.
De voorlopige voorzieningen verliezen eveneens hun kracht, zodra een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed wordt ingetrokken, alsmede zodra een beschikking waarbij een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed wordt afgewezen, in kracht van gewijsde gaat.
§ 3. Nevenvoorzieningen
Artikel 827
Indien de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, kan de rechter als nevenvoorziening:
- a. een uitkering tot levensonderhoud aan een echtgenoot ten laste van de andere echtgenoot toekennen;
- b. voorzieningen treffen met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap of de bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekening van inkomsten of vermogen;
- c. voorzieningen treffen betreffende het gezag over, de omgang met, de informatie en raadpleging over en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen van de echtgenoten;
- d. indien de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, artikel 165, eerste lid, of artikel 175, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek toepassen;
- e. een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met d treffen, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.
Ten aanzien van nevenvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de artikelen 809, eerste lid, 810, 811 en 812 van toepassing, en komt, in afwijking van artikel 429n, het recht van hoger beroep slechts toe aan de ouders, voor zover deze tot het gezag bevoegd zijn, alsmede aan de voogdijraad.
Titel 7. Enige bijzondere rechtsplegingen
Afdeling 1. Afschrift, uittreksel en inzage van akten en andere bewijsmiddelen
Artikel 838
De griffiers en de andere bewaarders van openbare registers zijn verplicht om daarvan zonder rechterlijk bevel, tegen betaling van de kosten, afschrift of uittreksel af te leveren aan ieder die zulks verlangt, op straffe van schadevergoeding.
Niettemin mag aan een persoon die niet partij in de zaak is geweest, uitgifte van het vonnis in een strafzaak niet geschieden zonder machtiging van de rechter die, of van de fungerend voorzitter van het Hof van Justitie dat het vonnis geveld heeft; het verzoek daartoe mag alleen worden toegestaan op het bewijs dat de verzoeker daarbij belang heeft.
Artikel 839
De notarissen of andere bewaarders van minuten of akten zijn verplicht om daarvan, tegen betaling van de kosten, afschrift uit te reiken aan zowel de onmiddellijk belanghebbende personen als hun erfgenamen of rechtverkrijgenden.
In geval van weigering van de uitreiking als bedoeld in het eerste lid, is de rechter in eerste aanleg bevoegd hen daartoe te veroordelen, met schadevergoeding, indien daartoe gronden aanwezig zijn, en zelfs bij lijfsdwang.
Artikel 840
Een geschil dat uit een weigering voortvloeit, wordt als een gewone vordering behandeld en de rechter is bevoegd om de tenuitvoerlegging van het vonnis bij voorraad te bevelen, niettegenstaande verzet of hoger beroep.
Ten aanzien van de schadevergoeding echter staat de rechter dit laatste alleen toe tegen het stellen van voldoende zekerheid.
Artikel 841
De partij die zich een tweede of verdere grosse wil doen afgeven, dient daartoe een verzoekschrift in bij de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de bewaarder zijn woonplaats heeft. De rechter beveelt, zo nodig, aan de bewaarder om op een bepaalde dag en uur de afgifte te doen en aan de belanghebbende partijen om bij de afgifte tegenwoordig te zijn. Aan de voet van de tweede of verdere grosse wordt melding gemaakt van dat bevelschrift, alsmede de som waarvoor het stuk ten uitvoer kan worden gelegd, indien de schuldvordering gedeeltelijk is voldaan of afgestaan.
Artikel 842
In geval van tegenspraak beslist de rechter in eerste aanleg.
Artikel 843
Aan dezelfde partij mag een tweede of verdere uitgifte in executoriale vorm van een vonnis alleen gedaan worden krachtens een bevelschrift van de rechter in eerste aanleg die, of van de fungerend voorzitter van het Hof van Justitie dat het gewezen heeft; hieromtrent moeten daarenboven de vormen die voorgeschreven zijn ter bekoming van tweede of verdere grossen van akten, in acht worden genomen.
Artikel 843a
Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden of andere gegevensdragers aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden of andere gegevensdragers te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.
De rechter bepaalt, zo nodig, de wijze waarop en de voorwaarden waaronder inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft.
Hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien de bescheiden of andere gegevensdragers uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn.
Degene die de bescheiden of andere gegevensdragers te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
Artikel 843b
Hij die een schriftelijk bewijsmiddel heeft verloren, kan van degene die de beschikking heeft over bescheiden of andere gegevensdragers die tot bewijs kunnen dienen van enig feit waarop het verloren bewijsmiddel betrekking had, of die zodanige bescheiden of andere gegevensdragers onder zijn berusting heeft, vorderen daarvan te zijnen behoeve, op zijn kosten, voor zover nodig, inzage, afschrift, of uittreksel te verschaffen.
De rechter bepaalt, zo nodig, de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft.
Degene die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien de bescheiden of andere gegevensdragers uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staat of onder zijn berusting zijn.
Afdeling 2. Gerechtelijke bewaring
Artikel 853
Behalve in de andere in de wet vermelde gevallen kan een zaak in gerechtelijke bewaring worden gesteld op een in kort geding gegeven bevel van de rechter in eerste aanleg.
Artikel 854
De rechter die de gerechtelijke bewaring van een bepaalde zaak beveelt, kan iedere daartoe geschikte persoon die bereid is deze benoeming te aanvaarden, als gerechtelijke bewaarder van die zaak aanwijzen. Hetzelfde geldt voor de deurwaarder die gebruik maakt van zijn bevoegdheid om een zaak in bewaring te geven krachtens artikel 446, en die ter plaatse geen voor zodanige zaken aangewezen gerechtelijke bewaarder tegen een redelijk loon tot de bewaring bereid vindt.
Artikel 855
Degene die gerechtelijke bewaring verlangt van een roerende zaak die geen registergoed is, geeft bij de inbewaringgeving aan de bewaarder de wettelijke bepaling of het rechterlijk bevel op uit hoofde waarvan de bewaring zal geschieden. De bewaarder geeft hem een ontvangstbewijs waarop deze bepaling of dit bevel is vermeld.
Degene die de zaak in bewaring heeft gegeven, is verplicht hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling te doen aan degenen tegen wie de bewaring zich richt, en daarbij op te geven op welke grond de inbewaringstelling geschiedt.
Artikel 856
De gerechtelijke bewaring van een zaak geschiedt op de voorwaarden die door de bewaarder gewoonlijk voor zaken van dezelfde soort worden overeengekomen, of, bij gebreke daarvan, volgens de regels die krachtens het Burgerlijk Wetboek op de overeenkomst van toepassing zijn, telkens tenzij de rechter die de gerechtelijke bewaring beveelt, anders bepaalt.
De inbewaringstelling kan aldus geschieden dat de bewaarder de zaak mag afgeven aan degene tegen wie de bewaring zich richt, mits deze tevoren aan zijn verplichtingen jegens de bewaargever heeft voldaan. Van een zodanig beding wordt melding gemaakt in de mededeling, bedoeld in artikel 855, tweede lid.
De rechter in eerste aanleg kan op verzoek van de bewaarder of een belanghebbende de voorwaarden vaststellen of wijzigen of een gerechtelijke bewaarder aanwijzen die de gerechtelijke bewaring van de oorspronkelijke zal overnemen. De indiening van het verzoekschrift kan ook door de deurwaarder geschieden, voor zover de bewaring haar grond vindt in een beslag.
Artikel 857
De kosten van de bewaring worden aan de bewaarder voldaan door degene die de zaak in bewaring heeft doen geven of het bevel tot bewaring heeft uitgelokt, onverminderd de rechten van hemzelf tegen degenen die jegens hem voor de kosten aansprakelijk zijn.
De bewaarder heeft voor al hetgeen hem ter zake van de bewaring toekomt een retentierecht op de in bewaring gestelde zaken, dat hij kan uitoefenen tegen ieder die recht op afgifte van die zaken heeft.
Artikel 858
Wanneer de kosten van de bewaring niet op tijd aan de bewaarder worden voldaan, kan deze op een door de rechter in eerste aanleg op zijn verzoek te bepalen wijze het in bewaring gestelde verkopen; de opbrengst treedt voor het in bewaring gestelde in de plaats en wordt, na aftrek van de kosten van bewaring en van de verkoop, ten behoeve van belanghebbenden in de consignatiekas gestort.
Indien de bewaring haar grond vindt in een beslag, wijst de rechter in eerste aanleg het verzoek niet toe, dan nadat de beslagene is opgeroepen om te worden gehoord.
Tegen een toewijzende beschikking staat geen hogere voorziening open.
Van dit artikel kan niet bij de overeenkomst van bewaargeving worden afgeweken, tenzij de rechter krachtens artikel 856 anders bepaalt.
Artikel 859
Indien degene die de zaak in bewaring heeft doen geven, in verband daarmee ten aanzien van de zaak een verzekering heeft gesloten, kan hij de door hem betaalde premies en kosten op dezelfde voet als de kosten van de bewaring terugvorderen van degenen die jegens hem voor die kosten aansprakelijk zijn, tenzij het niet redelijk was om de verzekering te sluiten.
Artikel 860
Een gerechtelijke bewaring kan op vordering van elke belanghebbende in kort geding, al of niet tegen zekerheidstelling, worden opgeheven door de rechter in eerste aanleg die de bewaring heeft bevolen of in wiens rechtsgebied de zaken zich bevinden. De rechter in eerste aanleg bepaalt, desverlangd, aan wie de bewaarder de zaak dient af te geven.
Opheffing van het beslag waarin de gerechtelijke bewaring haar grond vindt, heeft van rechtswege tevens opheffing van de bewaring tot gevolg. De bewaarder is verplicht tot afgifte van de zaak aan de beslagene.
Opheffing van de bewaring doet niet af aan de rechten van de bewaarder tot het tijdstip van de afgifte.
Artikel 861
In geval van een gerechtelijke bewaring die haar grond vindt in een beslag tot verhaal van een geldvordering, geeft de bewaarder het in bewaring gestelde op verzoek van de deurwaarder die met de executoriale verkoop is belast, tijdig aan deze af.
Is een zaak in bewaring gesteld in afwachting van de beslissing wie op afgifte daarvan recht heeft, dan geeft de bewaarder haar af aan degene aan wie zij krachtens een in kracht van gewijsde gegane of uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing toekomt.
Afdeling 3. Rechterlijke bevelen tot betaling
Artikel 862
Degene die een opeisbare geldsom, waarvan de hoofdsom een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag niet te boven gaat, te vorderen heeft, kan de rechter in eerste aanleg de uitvaardiging van een rechterlijk bevel tot betaling verzoeken.
Zodanig verzoek kan slechts één schuldenaar betreffen, dan wel een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap.
Het verzoek kan alleen geschieden ten aanzien van een schuldenaar die een bekende woon- of verblijfplaats hier te lande heeft. Geldt het verzoek een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap, dan moet hetzij ten minste een van de vennoten of een van de beherende vennoten een bekende woon- of verblijfplaats hier te lande hebben, hetzij het kantoor van de vennootschap hier te lande gevestigd zijn.
Artikel 863
De schuldeiser dient het verzoekschrift tot uitvaardiging van het rechterlijk bevel tot betaling, onder gelijktijdige overlegging van drie afschriften, in ter griffie van het gerecht in eerste aanleg in het rechtsgebied waarin de schuldenaar zijn woon- of verblijfplaats heeft, dan wel in het geval, bedoeld in artikel 862, derde lid, tweede volzin, ter griffie van het gerecht in eerste aanleg in het rechtsgebied waarin de vennoot zijn woon- of verblijfplaats heeft of het kantoor van de vennootschap is gevestigd.
Het verzoekschrift moet door de schuldeiser of, met inachtneming van artikel 111, tweede lid, zijn gemachtigde, zijn ondertekend en houdt in:
- a. de naam, de voornamen en de woonplaats van de schuldeiser en, indien het verzoek door een gemachtigde wordt gedaan, de naam, de voornamen en de woonplaats van de gemachtigde;
- b. de door de schuldeiser hier te lande gekozen woonplaats, indien hij daar niet een woonplaats heeft;
- c. de keuze van woonplaats waar de rechter zitting houdt, indien de eiser of diens gemachtigde niet aldaar woonachtig is;
- d. de naam, de voornamen en de woonplaats van de schuldenaar;
- e. de gronden waarop de vordering berust;
- f. het bedrag der vordering en dat van de rente, voor zover hierop aanspraak wordt gemaakt.
Verzoekschriften die niet aan de in het eerste en tweede lid gestelde vereisten voldoen, worden aan de schuldeiser of diens gemachtigde met mondelinge of schriftelijke opgave van redenen ter verbetering of aanvulling teruggezonden en in afwachting daarvan niet aangetekend in het register, bedoeld in artikel 874.
Op verzoekschriften die de rechter reeds aanstonds onrechtmatig of ongegrond voorkomen, beschikt de rechter afwijzend. De griffier doet van de afwijzing mededeling aan de schuldeiser. Tegen de beschikking staat geen hogere voorziening open.
Artikel 864
De griffier vergelijkt de overgelegde afschriften met het oorspronkelijke verzoekschrift en waarmerkt ze voor gelijkluidend.
Het oorspronkelijke verzoekschrift blijft ter griffie berusten.
De griffier zendt onverwijld een afschrift van het verzoekschrift aan de schuldenaar. Daarbij voegt hij een kennisgeving, vermeldende de tijd waarbinnen, en de wijze waarop de schuldenaar kan antwoorden, alsmede de rechtsgevolgen, door artikel 866, eerste lid, aan het niet-antwoorden verbonden.
De griffier tekent op het verzoekschrift en de drie afschriften de dag der verzending aan.
Artikel 865
Indien de schuldenaar tegenspraak wenst te voeren, dient hij een schriftelijk antwoord in binnen drie weken na de dag der verzending van het afschrift van het verzoekschrift, onder gelijktijdige overlegging van een afschrift van zijn antwoord. De rechter kan deze termijn op verzoek van een der partijen of ambtshalve verlengen.
De griffier zendt onverwijld het afschrift van het schriftelijke antwoord aan de schuldeiser, nadat hij het met het oorspronkelijke antwoord heeft vergeleken en het voor gelijkluidend heeft gewaarmerkt. Het oorspronkelijke antwoord blijft ter griffie berusten.
Artikel 866
Indien de schuldenaar niet binnen de gestelde termijn antwoordt en de voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, vaardigt de rechter, tenzij het verzoek hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt en hij om die reden afwijzend beschikt, een rechterlijk bevel tot betaling uit.
Tegen een krachtens het eerste lid gegeven beslissing staat, behoudens verzet van de schuldenaar tegen het rechterlijk bevel tot betaling, geen hogere voorziening open.
De rechter die het rechterlijk bevel tot betaling heeft uitgevaardigd, neemt van het verzet kennis. Het verzoekschrift tot uitvaardiging van het rechterlijk bevel tot betaling geldt als het verzoekschrift, bedoeld in artikel 110.
Artikel 867
Indien de schuldenaar binnen de gestelde termijn antwoordt en uit zijn antwoord blijkt dat hij geen tegenspraak wenst te voeren, vaardigt de rechter, tenzij het verzoek hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt en hij om die reden afwijzend beschikt, een rechterlijk bevel tot betaling uit. Indien uit het antwoord blijkt dat de schuldenaar slechts voor een gedeelte tegenspraak wenst te voeren, kan de rechter voor het overige gedeelte een rechterlijk bevel tot betaling uitvaardigen.
Tegen een krachtens het eerste lid gegeven beslissing staat, behoudens verzet van de schuldenaar tegen het rechterlijk bevel tot betaling, geen hogere voorziening open. Artikel 866, derde lid, is van toepassing.
De rechter kan voorzieningen bevelen ter verzekering van de voldoening der proceskosten voor het geval dat de schuldeiser met betrekking tot het gedeelte van de gevorderde geldsom waarover nog niet is beslist, in het ongelijk wordt gesteld.
Artikel 868
Het rechterlijk bevel tot betaling heeft de kracht van een verstekvonnis. Wat de tenuitvoerlegging betreft, staat de in executoriale vorm opgemaakte expeditie van het bevel gelijk met de grosse van een vonnis.
De rechter kan de voorlopige tenuitvoerlegging van het rechterlijk bevel tot betaling met of zonder zekerheidstelling gelasten.
Artikel 869
Zolang de rechter nog geen rechterlijk bevel tot betaling heeft uitgevaardigd, kan de schuldeiser te allen tijde bij schriftelijke mededeling ter griffie, onder gelijktijdige overlegging van drie afschriften, het bedrag van zijn vordering verminderen of zijn verzoekschrift intrekken.
De griffier geeft van de vermindering van het bedrag der vordering of van de intrekking van het verzoekschrift onverwijld aan de schuldenaar kennis door toezending van een afschrift van de schriftelijke mededeling.
Artikel 870
Het rechterlijk bevel tot betaling houdt in:
- a. de naam, de voornamen, de woonplaats van de schuldeiser en, indien deze niet hier te lande woonplaats heeft, diens gekozen woonplaats, alsmede de gekozen woonplaats waar de rechter zitting houdt;
- b. de naam, de voornamen en de woonplaats van de schuldenaar;
- c. het bedrag der vordering, alsmede een summiere opgave van de gronden waarop deze berust;
- d. het bevel tot voldoening van hetgeen aan hoofdsom, rente en kosten is toegewezen;
- e. de vermelding dat het rechterlijk bevel tot betaling aan verzet is onderworpen;
- f. het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging, indien dit gegeven is.
De griffier tekent op het oorspronkelijke verzoekschrift de uitgifte van het rechterlijk bevel tot betaling aan en zendt een in executoriale vorm opgemaakte expeditie van het bevel onverwijld aan de schuldeiser. De griffier zendt bij gewone brief een afschrift aan de schuldenaar.
Artikel 871
Indien de schuldenaar binnen de gestelde termijn antwoordt en uit zijn antwoord blijkt dat hij tegenspraak wenst te voeren, en indien voorts de voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, verwijst de rechter, tenzij het verzoek hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt en hij om die reden afwijzend beschikt, de zaak, behoudens voor het gedeelte waarover reeds beslist is ingevolge artikel 867, eerste lid, tweede volzin, op een termijn van ten minste acht dagen naar een gewone terechtzitting van zijn gerecht. Tegen de in dit lid bedoelde beschikkingen staat geen hogere voorziening open.
De beschikking tot verwijzing bevat naast de opgaven, bedoeld in artikel 870, eerste lid, onderdelen a tot en met c, de vermelding van de terechtzitting waarnaar de zaak verwezen wordt.
Het verzoekschrift tot uitvaardiging van het rechterlijk bevel tot betaling geldt als het verzoekschrift, bedoeld in artikel 110.
De schuldenaar is bij het door hem te voeren verweer niet gebonden aan de inhoud van zijn antwoord, onverminderd de bevoegdheid van de rechter om daaraan bewijs tegen hem te ontlenen.
Artikel 872
Indien de schuldeiser op de bepaalde terechtzitting niet verschijnt, wordt hij geacht zijn vordering te hebben ingetrokken en wordt hij in de kosten van de wederpartij veroordeeld.
Indien de schuldenaar op de bepaalde terechtzitting niet verschijnt, wordt uitspraak gedaan bij een vonnis, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. De rechter slaat acht op het verweer dat in het antwoord van de schuldenaar is vervat.
Artikel 873
De griffier zendt, voor zover niet anders is bepaald, onverwijld een afschrift van de door de rechter gegeven beschikkingen aan elke partij.
De griffier verzendt, voor zover niet anders is bepaald, alle voor de schuldeiser of schuldenaar bestemde stukken bij aangetekende brief, waarvoor een bericht van ontvangst wordt verlangd. Bereikt een stuk de geadresseerde niet, dan heeft het geen rechtsgevolg.
Het stuk wordt geacht de geadresseerde te hebben bereikt, indien hij heeft geweigerd het in ontvangst te nemen, dan wel indien hij heeft nagelaten een voor hem bestemd stuk binnen de door de dienst der posterijen gestelde termijn ten postkantore in ontvangst te nemen. De griffier verzendt het stuk alsdan bij gewone brief.
Artikel 874
Van de ingediende verzoeken tot uitvaardiging van een rechterlijk bevel tot betaling en van de daarop gegeven beslissingen houdt de griffier in een afzonderlijk register aantekening.
Artikel 875
De in deze afdeling bedoelde verzoekschriften, stukken en bescheiden zijn vrij van het recht van zegel en van de formaliteit van registratie.
Afdeling 4. Toelating om kosteloos te procederen
Artikel 876
De rechter bij wie een rechtsgeding of geschil moet worden aangevangen of hangende is, is bevoegd om aan personen die daarin als eiser of verweerder willen optreden of optreden, en die van hun onvermogen om proceskosten te dragen doen blijken, toelating te verlenen om kosteloos te procederen.
Arme en onvermogende vreemdelingen die geen ingezetenen zijn hier te lande, alsmede vreemde armendirecties of kerkbesturen zijn hiervan uitgesloten, tenzij bij verdrag anders is overeengekomen.
Artikel 877
Indien de eiser verlangt kosteloos te procederen, doet hij daartoe het verzoek in het verzoekschrift of bij zijn mondelinge voordracht.
Indien de verweerder dergelijke toelating verlangt, vraagt hij haar aan bij zijn schriftelijk antwoord, indien hij zodanig stuk indient, en anders ter terechtzitting vóór of bij zijn mondeling antwoord.
Artikel 878
Het verzoekschrift of het schriftelijk antwoord mag op ongezegeld papier worden gesteld.
De verzoeker legt aan de rechter over een bewijs van zijn onvermogen om de proceskosten te betalen, afgegeven door een van de ambtenaren, daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.
Artikel 879
Tenzij de rechter reeds bij voorraad bevindt dat de voorgenomen vordering of verdediging klaarblijkelijk van alle grond is ontbloot, onderzoekt hij of genoegzaam blijkt van het onvermogen van de verzoeker om de proceskosten te betalen; hij staat in dat geval het verzoek toe.
Artikel 880
Indien de verkrijger van de toelating in eerste aanleg in het ongelijk is gesteld, moet hij, om ook in hoger beroep kosteloos te kunnen procederen, daartoe tevoren de toelating van de hogere rechter hebben bekomen op de wijze als voor de eerste aanleg is voorgeschreven.
Indien hij echter in eerste aanleg in het gelijk is gesteld, behoeft hij die nadere toelating om in hoger beroep kosteloos te procederen niet.
Artikel 881
De toelating om kosteloos te procederen, al de akten die daaraan zijn voorafgegaan, alsmede de bij het verzoek overgelegde stukken zijn vrij van zegel.
Artikel 882
Het gevolg van de verleende toelating om kosteloos te procederen is dat de gerechtelijke akten van de zijde van de verkrijger vrij van zegel zijn en kosteloos worden geregistreerd, alsmede dat aan hem het salaris van deurwaarders aan zijn zijde gevallen, niet in rekening mag worden gebracht.
Artikel 883
Indien de wederpartij van de verkrijger van de toelating in het ongelijk gesteld en vervolgens in de kosten verwezen wordt, mogen de salarissen van deurwaarders op haar worden verhaald, alsof er niet kosteloos zou zijn geprocedeerd.
Artikel 884
Indien daarentegen de verkrijger van de toelating bij eindvonnis in het ongelijk gesteld en in de kosten verwezen wordt, staat het de wederpartij vrij om op hem de kosten, van haar zijde gevallen, zo mogelijk, te verhalen.
Artikel 885
Indien in het algemeen een behoeftige als in deze titel bedoeld, buiten eigenlijk rechtsgeding, enige rechterlijke machtiging, goedkeuring of andere rechterlijke beschikking op eenvoudige verzoekschriften of andere aanvragen nodig heeft, is hij bevoegd om zijn daartoe strekkende verzoekschrift, vergezeld van het bewijs van onvermogen, bedoeld in artikel 878, op ongezegeld papier in te dienen; de beschikking daarop is vrij van zegel en wordt vrij van alle andere kosten aan hem uitgereikt.
De rechter is verder bevoegd om aan behoeftigen toelating te verlenen tot het kosteloos ten uitvoer leggen van rechterlijke beschikkingen en tot het executeren van grossen.
Indien enige rechterlijke beschikking wordt verzocht met betrekking tot een arbeidsovereenkomst, kan het daartoe strekkende verzoekschrift op ongezegeld papier ingediend worden en zal de beschikking vrij zijn van zegel, kosteloos worden geregistreerd en vrij van alle kosten worden uitgereikt.
Artikel 886
Armeninrichtingen, besturen van gods- en gasthuizen, benevens de kerkbesturen der verschillende godsdienstige gezindheden hier te lande, zijn bevoegd om op gelijke wijze en met gelijk gevolg als in deze titel ten aanzien van onvermogenden is bepaald, kosteloze toelating te vragen en te verkrijgen; zij zijn echter niet verplicht om een bewijs van onvermogen over te leggen.
Artikel 887
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)