Mijnbesluit BES
Hoofdstuk V. Splitsing van concessieterreinen, verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen, vereeniging van aan elkander grenzende concessieterreinen en gedeeltelijke intrekking van concessiën.
Afdeeling 1e. Splitsing, verwisseling en vereeniging
Artikel 100
De splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten, het verwisselen van een gedeelte van een concessieterrein met dat van een aangrenzend terrein, en het vereenigen van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen tot een geheel kan slechts geschieden bij door Onze Minister te verleenen nieuwe akten van concessie. Verzoekschriften om splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten, het verwisselen van een gedeelte van een concessieterrein met dat van een aangrenzend terrein, en het vereenigen van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen tot een geheel moeten worden ingediend bij Onze Minister.
Betreffen de te verwisselen gedeelten van concessieterreinen of de te vereenigen concessieterreinen concessiën van verschillende houders, dan moeten de verzoeken daartoe worden gedaan door alle betrokken houders. Het verzoek moet in die gevallen bij één verzoekschrift worden gedaan.
Artikel 101
Splitsing van concessieterreinen, verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen en vereeniging van aan elkander grenzende concessieterreinen kunnen niet plaats hebben alvorens de bestaande concessiën, waarop de splitsing, verwisseling en vereeniging betrekking hebben, overeenkomstig het bepaalde bij art. 237, zijn ingeschreven.
Artikel 102
Splitsing van een concessieterrein en verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen worden slechts toegestaan indien de nieuwe concessiën, welke na de splitsing en de verwisseling zullen ontstaan, elk op zich zelf betrekking hebben op één aaneengesloten terrein dat een samenhangend geheel vormt.
Artikel 103
Het verzoekschrift waarbij splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten wordt gevraagd, moet behelzen:
- 1°. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den concessionaris:
- 2°. den naam der bestaande concessie:
- 3°. de data en nummers van de concessiebeschikking en de gerechtelijke akte van concessie:
- 4°. de grenzen van elk der gedeelten waarin de concessionaris het bestaande concessieterrein wenscht gesplitst te zien:
- 5°. de namen der nieuwe concessiën:
- 6°. de namen van de hypothecaire of andere ingevolge art. 184 bevoorrechte schuldeischers.
Het verzoekschrift betreffende de splitsing moet vergezeld gaan van:
- 1°. eene plattegrondteekening van elk gedeelte waarin de concessionaris het bestaande concessieterrein wenscht gesplitst te zien, op geen kleiner schaal dan van 1:20000, na plaatselijke opmeting gemaakt door den rooimeester of een ander daartoe naar het oordeel van Onze Minister geschikt persoon, op welke plattegrondteekeningen nauwkeurig moeten zijn aangegeven:
- a. de grenzen van de nieuwe concessieterreinen;
- b. de punten geschikt voor de afbakening van nieuwe merkteekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;
- c. de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte, ter oriënteering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte, voor zooveel betreft elk nieuw concessieterrein;
- d. den astronomischen en den magnetischen meridiaan van elk nieuw concessieterrein.
- 2°. ééne of meer notarieele akten waaruit blijkt, dat de hypothecaire schuldeischer of schuldeischers tegen de gewenschte splitsing geen bezwaar hebben en waarin tevens de tusschen den concessionaris en genoemde schuldeischers nopens de vestiging van hypotheken op te verleenen nieuwe concessiën gesloten overeenkomsten zijn opgenomen;
- 3°. ééne of meer verklaringen van den betrokken bewaarder of bewaarders der hypotheken in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, houdende opgave van de namen van hen, die blijkens de openbare registers bekend staan als houder der betrokken concessie en als hypothecaire schuldeischer of schuldeischers.
Deze verklaringen zijn vrij van zegel.
Ten aanzien van de in het tweede lid sub 1° van dit artikel bedoelde plattegrondteekeningen is van toepassing het bepaalde bij het tweede lid van art. 74 en bij art. 75; ten aanzien van de begrenzing van de nieuwe concessieterreinen, welke na de splitsing zullen ontstaan, het bepaalde bij art. 76.
Artikel 104
Het verzoek om splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten met bekendstelling van de wijze waarop die splitsing zal geschieden, moet door den concessionaris op zijn kosten driemalen, telkens met een tijdruimte van ééne maand, worden bekendgemaakt in de Staatscourant zoomede in een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad. Van de Staatscourant en het dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad waarin de bekendmaking heeft plaats gehad, moet door den concessionaris een exemplaar aan Onze Minister worden aangeboden.
Artikel 105
Indien door een of meer van de in het eerste lid van dit artikel genoemde schuldeischers tegen de gevraagde splitsing bezwaren zijn ingebracht, wordt op het verzoek om splitsing niet beschikt dan nadat ten genoegen van Onze Minister is aangetoond, dat de concessionaris zich met dien schuldeischer of die schuldeischers heeft verstaan dan wel diens vordering of hunne vorderingen heeft gekweten.
Artikel 106
Op een verzoek om splitsing van een concessieterrein wordt door Onze Minister niet beschikt dan nadat tenminste ééne maand na de derde van de art. 104 genoemde bekendmakingen is verstreken.
Artikel 107
Op een verzoek om splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten, dat aan de in de artt. 100 tot en met 103 gestelde vereischten voldoet, wordt slechts afwijzend beschikt om overwegende redenen van algemeen belang.
Op de afwijzende beschikking is van toepassing het bepaalde bij art. 93.
Artikel 108
Indien op een verzoek om splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten gunstig wordt beschikt,verleent Onze Minister voor elk gedeelte, waarin het terrein wordt gesplitst, eene nieuwe concessie.
In elk der beschikkingen waarbij in geval van splitsing nieuwe concessiën worden verleend, wordt uitdrukkelijk vermeld, dat de nieuwe concessie wordt verleend met splitsing van de oorspronkelijke concessie in zoovele op zich zelf staande, in de beschikking bepaaldelijk te omschrijven gedeelten als de concessionaris heeft verzocht; overigens moeten die beschikkingen behelzen hetgeen in art. 90 sub 1°. tot en met 12°. is vermeld
In de nieuwe concessie-beschikkingen mogen geen andere voorwaarden worden gesteld dan aan de oorspronkelijke concessie waren verbonden, tenzij op verzoek of met toestemming van den concessionaris en overigens met inachtneming van het bepaalde bij art. 143.
De in geval van splitsing te verleenen nieuwe concessiën worden verleend voor den duur, dien de bestaande concessie nog te loopen had, en worden derhalve geacht te zijn ingegaan op den dag waarop die oorspronkelijke concessie inging.
In de nieuwe concessie-beschikkingen wordt de concessionaris verwezen naar art. 240.
Artikel 109
Op de beschikkingen waarbij in geval van splitsing van een concessieterrein nieuwe concessiën worden verleend, is van toepassing het bepaalde bij artt. 91 en 92.
Artikel 110
Het op grond van de in geval van splitsing verleende nieuwe concessiën verworven recht, wordt tegenover derden eerst als bestaande aangemerkt, nadat èn de in art. 240 voorgeschreven openbaarmaking (inschrijving) heeft plaats gehad, èn door inschrijving van de in het tweede lid sub 2°. van art. 103 bedoelde hypotheken uitvoering is gegeven aan hetgeen c.q. dienaangaande tusschen partijen is overeengekomen. Eerst na die openbaarmaking en inschrijving zullen de in het tweede lid van art. 240 bedoelde aanteekingen mogen worden gesteld en de inschrijving of inschrijvingen van op de oorspronkelijke concessie rustende hypotheek of hypotheken in de registers mogen worden doorgehaald.
Artikel 111
Binnen den tijd van één jaar na den datum der beschikkingen, waarbij in geval van splitsing nieuwe concessiën zijn verleend moet door den concessionaris worden voldaan aan de verplichting omschreven in het eerste lid a en d van art. 167.
Artikel 112
Op verzoeken betreffende het verwisselen van een gedeelte van een concessieterrein met dat van een aangrenzend concessieterrein en het vereenigen van twee of meer aan elkaar grenzende concessieterreinen tot een geheel is het bepaalde bij de art. 103 tot en met 111 van toepassing, met dien verstande dat in die artikelen voor «concessie», «concessieterrein», «concessie-beschikking» en «gerechtelijke akte» wordt gelezen «concessiën», «concessieterreinen», «concessiebeschikkingen» en «gerechtelijke akten» en, indien zoodanig verzoek betrekking heeft op concessiën van verschillende houders, voor «concessionaris» wordt gelezen «concessionarissen», zoomede dat wat daar ten aanzien van splitsing is voorgeschreven, hier geldt voor verwisseling van gedeelten van concessieterreinen en voor vereeniging van concessieterreinen.
Het verzoekschrift betreffende het vereenigen van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen tot een geheel moet de grenzen van het nieuwe concessieterrein en den naam der nieuwe concessie behelzen en vergezeld gaan van eene plattegrondteekening van het nieuwe concessieterrein waarop de grenzen van dat terrein nauwkeurig zijn aangegeven. Overigens moeten het verzoek schrift en de daarbij over te leggen plattegrondteekening voldoen aan de voorschriften van art. 103.
Indien de vereeniging van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen betrekking heeft op concessiën van twee of meer verschillende houders, dan moet het verzoek om vereeniging worden gedaan door alle betrokken concessionarissen en daarin worden vermeld aan wie van hen zij wenschen dat de nieuwe concessie zal worden verleend.
Indien op een verzoek om vereeniging van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen tot een geheel gunstig wordt beschikt, verleent Onze Minister aan den houder der oorspronkelijke concessiën welker terreinen worden vereenigd, ééne nieuwe concessie voor het vereenigde terrein. Heeft de vereeniging van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen betrekking op concessiën van twee of meer verschillende houders, dan wordt de nieuwe concessie verleend aan hem, die in het verzoek om vereeniging door de betrokken concessionarissen als houder der te verleenen nieuwe concessie is aangewezen.
De in geval van verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen te verleenen nieuwe concessiën worden verleend voor den duur, dien de bestaande Concessiën nog te loopen hadden en worden derhalve geacht te zijn ingegaan op den dag waarop de betrokken oorspronkelijke concessiën ingingen.
De in geval van vereeniging van aan elkander grenzende concessieterreinen te verleenen nieuwe concessie wordt verleend voor den kortsten duur dien eene van de bestaande concessiën nog te loopen had en wordt derhalve geacht te zijn ingegaan op den dag waarop laatstbedoelde concessie inging.
Afdeeling 2e. Gedeeltelijke intrekking
Artikel 113
Het schriftelijk verzoek van een concessionaris om gedeeltelijke intrekking zijner concessie moet worden gericht aan Onze Minister.
Artikel 114
Gedeeltelijke intrekking eener concessie kan niet plaats hebben alvorens de concessie overeenkomstig het bepaalde bij art. 237 is ingeschreven.
Zij wordt slechts toegestaan indien het gedeelte van het concessieterrein, dat de concessionaris wenscht te behouden, bestaat uit één aaneengesloten terrein dat een samenhangend geheel vormt.
Artikel 115
Het verzoekschrift waarbij gedeeltelijke intrekking eener concessie wordt gevraagd, moet behelzen:
- 1°. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den concessionaris;
- 2°. den naam der bestaande concessie;
- 3°. de data en nummers van de concessie-beschikking en de gerechtelijke akte van concessie;
- 4°. de grenzen van het gedeelte van het concessieterrein waarvoor de concessionaris intrekking verzoekt en van het gedeelte dat hij wenscht te behouden;
- 5°. den naam der nieuwe concessie;
- 6°. de namen van de hypothecaire of andere ingevolge art. 184 bevoorrechte schuldeischers.
Het verzoekschrift moet vergezeld gaan van:
- 1°. eene plattegrondteekening van het gedeelte van het concessieterrein dat de concessionaris wenscht te behouden, op geen kleiner schaal dan van 1:20000, na plaatselijke opmeting opgemaakt door den rooimeester of een ander daartoe naar het oordeel van Onze Minister geschikt persoon, op welke plattegrondteekening nauwkeurig moeten zijn aangegeven:
- a. de grenzen van het terrein, dat de concessionaris wenscht te behouden;
- b. de punten, geschikt voor de afbakening van nieuwe merkteekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;
- c. de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte, ter oriënteering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte;
- d. den astronomischen en den magnetischen meridiaan van het nieuwe concessieterrein;
- 2°. ééne of meer notarieele akten waaruit blijkt, dat de hypothecaire schuldeischer of schuldeischers tegen de gevraagde gedeeltelijke intrekking geen bezwaar hebben en waarin tevens de tusschen den concessionaris en genoemde schuldeischers nopens de vesting van hypotheken op de te verleenen nieuwe concessie gesloten overeenkomsten zijn opgenomen;
- 3°. ééne of meer verklaringen van den betrokken bewaarder of bewaarders der hypotheken in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, houdende opgave van de namen van hen, die blijkens de openbare registers bekend staan als houder der betrokken concessie en als hypothecaire schuldeischer of schuldeischers. Deze verklaringen zijn vrij van zegel.
Wanneer ten genoegen van Onze Minister wordt aangetoond, dat de begrenzing van het aangevraagde terrein door vaste merkteekens of anderszins onmiskenbaar is vastgelegd, behoeft de in het tweede lid sub 1°. genoemde kaart niet alle gegevens sub a–d te vermelden.
Ten aanzien van de in het tweede lid sub 1°. van dit artikel bedoelde plattegrondteekening is van toepassing het bepaalde bij het tweede lid van art. 74 en bij art. 75, ten aanzien van de begrenzing van het nieuwe concessieterrein, dat na de gedeeltelijke intrekking zal ontstaan, het bepaalde bij art. 76.
Artikel 116
Het verzoek om gedeeltelijke intrekking eener concessie moet door den concessionaris op zijne kosten driemalen, telkens met een tijdruimte van ééne maand, worden bekend gemaakt in de Staatscourant, zoomede in een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad. Van de Staatscourant en het dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad, waarin de bekendmaking heeft plaats gehad, moet door den concessionaris een exemplaar aan Onze Minister worden aangeboden.
Artikel 117
Indien door een of meer van de in het eerste lid van dit artikel genoemde schuldeischers tegen de gevraagde gedeeltelijke intrekking bezwaren zijn ingebracht, wordt op het verzoek om gedeeltelijke intrekking niet beschikt dan nadat ten genoegen van Onze Minister is aangetoond, dat de concessionaris zich met dien schuldeischer of die schuldeischers heeft verstaan dan wel diens vordering of hunne vorderingen heeft gekweten.
Artikel 118
Op een verzoek om gedeeltelijke intrekking eener concessie wordt door Onze Minister niet beschikt dan nadat tenminste ééne maand na de derde van de in art. 116 genoemde bekendmakingen is verstreken.
Artikel 119
Op een verzoek om gedeeltelijke intrekking van eene concessie, dat aan de in de artt. 113 tot en met 115 gestelde vereischten voldoet, wordt slechts afwijzend beschikt om overwegende redenen van algemeen belang.
Op de afwijzende beschikking is van toepassing het bepaalde bij art. 93.
Artikel 120
Indien op een verzoek om gedeeltelijke intrekking van een concessie gunstig wordt beschikt, verleent Onze Minister voor het terrein, dat de concessionaris wenscht te behouden eene nieuwe concessie.
In de beschikking waarbij in geval van gedeeltelijke intrekking eene nieuwe concessie wordt verleend, wordt uitdrukkelijk vermeld dat de nieuwe concessie wordt verleend met intrekking van de oorspronkelijke concessie; overigens moet de beschikking behelzen hetgeen in art. 90 sub 1° tot en met 12° is vermeld.
In de nieuwe concessie-beschikking mogen geen andere voorwaarden worden gesteld dan aan de oorspronkelijke concessie waren verbonden, tenzij op verzoek of met toestemming van den concessionaris en overigens met inachtneming van het bepaalde bij art. 143.
De in geval van gedeeltelijke intrekking te verleenen nieuwe concessie wordt verleend voor den duur, dien de bestaande concessie nog te loopen had, en wordt derhalve geacht te zijn ingegaan op den dag waarop die oorspronkelijke concessie inging.
In de nieuwe concessie-beschikking wordt de concessionaris verwezen naar art. 240.
Artikel 121
Op de beschikking waarbij in geval van gedeeltelijke intrekking eene nieuwe concessie wordt verleend, is van toepassing het bepaalde bij art. 91 en 92.
Artikel 122
Het op grond van de in geval van gedeeltelijke intrekking verleende nieuwe concessie verworven recht wordt tegenover derden eerst als bestaande aangemerkt nadat èn de in art. 240 voorgeschreven openbaarmaking (inschrijving) heeft plaats gehad èn door inschrijving van de in het tweede lid sub 2°. van art. 115 bedoelde hypotheken uitvoering is gegeven aan hetgeen c.q. dienaangaande tusschen partijen is overeengekomen. Eerst na die openbaarmaking en inschrijving zullen de in het tweede lid van art. 240 bedoelde aanteekening mogen worden gesteld en de inschrijving of inschrijvingen van op de oorspronkelijke concessie rustende hypotheek of hypotheken in de registers mogen worden doorgehaald.
Artikel 123
Binnen den tijd van één jaar na den datum van de beschikking waarbij in geval van gedeeltelijke intrekking eener concessie een nieuwe concessie is verleend, moet door den concessionaris worden voldaan aan de verplichting omschreven in het eerste lid sub a en d van art. 167.
Hoofdstuk VI. Het verleenen van concessiën na openbare mededinging.
Artikel 124
Indien eene naar het oordeel van Onze Minister voor ontginning in aanmerking komende delftstofafzetting ontdekt is ten gevolge van een rijksoverheidswege ingesteld onderzoek, wijst Onze Minister, behoudens de rechten van derden, het terrein aan, binnen hetwelk geen concessie wordt verleend dan na openbare mededinging, onverminderd de bevoegdheid van de rijksoverheid om daarin zelf mijnontginning te ondernemen.
Artikel 125
Art. 124 is toepasselijk op naar het oordeel van Onze Minister voor ontginning in aanmerking komende delfstofafzettingen tot welke ontginning geen aanspraken op concessie overeenkomstig art. 2 der Mijnwet BES, geldend kunnen gemaakt worden en welke niet vallen in de termen van het eerste lid van genoemd artikel.
Artikel 126
De beschikking, waarbij krachtens art 124 door Onze Minister het terrein wordt aangewezen binnen hetwelk geen concessie wordt verleend dan na openbare mededinging, wordt openbaar gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 127
In geval van openbare mededinging wordt de concessie toegewezen aan hem die het hoogste bedrag in geld aanbiedt, mits Onze Minister van oordeel is, dat tegen zijn toelating geen bezwaar bestaat.
Artikel 128
Indien naar het oordeel van Onze Minister eene niet tengevolge van een van rijksoverheidswege ingesteld onderzoek ontdekte delfstofafzetting voor ontginning in aanmerking komt, tot welker ontginning geen aanspraken op concessie, overeenkomstig de Mijnwet BES en dit besluit, geldend kunnen gemaakt worden, wordt de beschikking waarbij in verband daarmede krachtens art. 125 door Onze Minister het terrein wordt aangewezen, binnen hetwelk geen concessie wordt verleend dan na openbare mededinging, openbaar gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 129
In een terrein as bedoeld in de artt. 126 en 128 worden ingevolge het eerste lid sub a van art. 174 en in verband met het bepaalde bij art. 176 geen opsporingen toegelaten totdat voor dat terrein concessie is verleend of het terrein weder voor opsporing wordt opengesteld.
De beschikking, waarbij eenig terrein als bedoeld in de artt. 126 en 128, krachtens het tweede lid van art. 127 en met toepassing van het bepaalde bij art. 176, voor zoover daartoe termen bestaan door Onze Minister weder voor opsporingen wordt opengesteld, wordt openbaar gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 130
De beschikking, waarbij door Onze Minister de gelegenheid wordt opengesteld om na openbare mededinging concessie te verkrijgen voor de winning van de in de beschikking genoemde delfstof of delfstoffen in een nauwkeurig aangeduid concessieterrein, overeenkomende met of gelegen binnen eenig overeenkomstig art. 126 of art. 128 aangewezen terrein wordt volledig in de Staatscourant openbaar gemaakt. Ten aanzien van de uitgestrektheid van het terrein is van toepassing het bepaalde bij art. 138.
Artikel 131
De mededinging op den voet van het eerste lid van art. 127 naar eene concessie als bedoeld in art . 130 geschiedt bij eene openbare inschrijving, door Onze Minister te houden, dag, uur en plaats der inschrijving en de door Onze Minister vastgestelde voorwaarden worden in de Staatscourant en voor zooveel noodig ook in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen aangekondigd.
Tot het houden van de openbare inschrijving wordt eerst overgegaan nadat vaststaat, dat in verband met den uitslag der in art. 130 genoemde bekendmaking geen redenen van algemeen belang zich tegen het verleenen van de concessie verzetten.
Artikel 132
Niet geldig zijn inschrijvingsbiljetten van personen of vennootschappen, die ingevolge art. 77 geen houders van concessiën kunnen zijn.
De beschikking betreffende de toewijzing wordt in de Staatscourant volledig openbaar gemaakt.
Artikel 133
Hij aan wien de concessie is toegewezen is verplicht:
- 1°. de som, waarvoor door hem is ingeschreven binnen den in de voorwaarden der inschrijving vastgestelden termijn ineens in ’s Rijks kas te storten;
- 2°. binnen een termijn van zes maanden na den datum van het nummer van de Staatscourant waarin de beschikking ingevolge het tweede lid van art. 132 is openbaar gemaakt aan Onze Minister in te dienen:
- a. eene verklaring waarbij door hem overeenkomstig het tweede lid van art. 69 domicilie wordt gekozen, met vermelding van den aan de concessie te geven naam;
- b. eene plattegrondteekening, voldoende aan het bepaalde bij het eerste lid sub 2° van art. 74.
Artikel 134
Nadat binnen de gestelde termijnen aan het bepaalde bij art. 133 is voldaan, wordt de concessie door Onze Minister verleend aan hem, aan wien zij definitief is toegewezen.
De artt. 90, 91, 92 en 143 zijn ten deze ook van toepassing.
De definitieve toewijzing vervalt onvoorwaardelijk indien niet binnen de gestelde termijnen aan het bepaalde bij art. 133 is voldaan. De beschikking van Onze Minister, waarbij daarvan aanteekening wordt gehouden, wordt in de Staatscourant openbaar gemaakt.
Hoofdstuk VII. Over de uitgestrektheid, waarvoor vergunningen tot opsporing en concessiën tot ontginning kunnen worden erlangd.
Artikel 135
De vergunning tot opsporing word verleend voor een veld, dat zich binnen de verticale projectie van het terrein, aangeduid in de beschikking, waarbij vergunning wordt verleend, tot een onbepaalde diepte uitstrekt.
Artikel 136
Elk tot het doen van opsporingen aan te vragen terrein mag behoudens het bepaalde bij het tweede lid van dit artikel geen grootere oppervlakte hebben dan 3000 hectaren; aanvragen voor grootere uitgestrektheid worden onvoorwaardelijk afgewezen.
Indien, in het belang van eene doelmatige begrenzing, zulks door Onze Minister noodig wordt geoordeeld, kan aan een aanvrager, behoudens de rechten en aanspraken van anderen, vergunning worden verleend voor eene grootere uitgestrektheid dan door hem is aangevraagd en mag ook het in het eerste lid van dit artikel genoemde maximum worden overschreden, maar alleen voor zoover dat strikt noodzakelijk is met het oog op de begrenzing.
Ieder kan in één of meer districten zoovele onderzoekingsterreinen krijgen, ook door overdracht, als hij zelf wenscht en beschikbaar zijn, mits elk terrein op zich zelf niet grooter zij dan het in dit artikel genoemde maximum.
Artikel 137
Concessiën tot ontginning wordt verleend voor een mijnveld, dat zich binnen de verticale projectie van het in de concessie-bschikking aangeduid terrein tot in onbepaalde diepte uitstrekt.
Artikel 138
Behoudens het bepaalde bij art. 140 en behalve in het geval van art. 139 worden geen concessiën verleend voor eene grootere uitgestrektheid van elk concessieterrein op zich zelf, dan van 1000 hectaren.
Artikel 139
Indien, in het belang van eene doelmatige begrenzing of van eene behoorlijke ontginning zulks door Onze Minister noodig wordt geoordeeld kan den ontdekker, behoudens de rechten en aanspraken van anderen, concessie worden verleend voor eene grootere uitgestrektheid dan door hem is aangevraagd of kunnen in het concessieterrein aangrenzende gronden begrepen worden, die buiten het onderzoekingsterrein liggen.
Een authenthiek afschrift van de beschikking wordt aan den concessionaris uitgereikt.
Artikel 140
De uitgestrektheid van concessieterreinen, ontstaan door verwisseling van gedeelten van aangrenzende terreinen of door vereeniging van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen, mag het in art. 138 genoemde maximum overschrijden.
Hoofdstuk VIII. Over de voorwaarden, waaronder vergunning tot opsporing en concessiën tot ontginning kunnen worden erlangd.
Afdeeling Eerste. Algemeene bepalingen.
Artikel 141
De voorwaarden welke aan de vergunning worden verbonden, moeten tot het strikt noodzakelijke worden beperkt en mogen in geen geval bepalingen inhouden welke strijdig zijn met of uitbreiding geven aan de voorschriften van de Mijnwet BES en dit besluit.
In elke vergunningsbeschikking wordt als voorwaarde gesteld dat de houder bij het gebruik maken van het hem verleend recht de bepalingen der Mijnwet BES, de wettelijke voorschriften tot uitvoering dier wet en de bij de vergunning gestelde voorwaarden moet in acht nemen, in het bijzonder dat hij het door hem verschuldigd vast recht op de daarvoor bepaalde tijdstippen moet voldoen.
De in dit artikel bedoelde voorwaarden mogen, zoolang de vergunning van kracht is, niet worden gewijzigd of met nieuwe uitgebreid dan op verzoek of met toestemming van den houder der vergunning.
Op de beschikkingen, houdende wijziging of uitbreiding van de voorwaarden eener vergunning, of afwijzing van een daartoe strekkend verzoek, is van toepassing het bepaalde bij art. 40.
Artikel 142
Aan eene verlenging of bij de toestemming tot overdracht van de vergunning mogen geen nieuwe of gewijzigde voorwaarden worden verbonden dan op verzoek of met toestemming van den houder der vergunning.
Artikel 143
De voorwaarden welke in de concessie-beschikking worden gesteld moeten tot het strikt noodzakelijke worden beperkt.
Artikel 144
De voorwaarden, welke in de concessie-beschikking zijn gesteld, mogen nadat de concessie is verleend, niet worden gewijzigd of met nieuwe uitgebreid dan op verzoek of met toestemming van den concessionaris.
Op de beschikkingen van Onze Minister houdende wijziging of uitbreiding van de voorwaarden van concessiën is van toepassing het bepaalde bij art. 92.
In die beschikkingen wordt de concessionaris verwezen naar het derde lid van art. 240.
Afdeeling 2e. Over heffing van vast recht
Artikel 145
Het vast recht van vergunningen tot opsporing en van ontdekkers die na het verstrijken van den vergunningstermijn hunne werkzaamheden op den voet van opsporingswerken voortzetten, wordt geheven over vergunningsjaren en voor iedere vergunning afzonderlijk berekend naar de oppervlakte van het opsporingsterrein zooals deze door Onze Minister in de vergunningsbeschikking (art. 38 eerste lid sub b) is vastgesteld of ingevolge het bepaalde bij het eerste lid van art. 44 is gewijzigd.
Het wegens vast recht verschuldigd bedrag moe steeds in zijn geheel worden voldaan.
Artikel 146
Het vast recht over het eerste vergunningsjaar moet uiterlijk binnen drie maanden, gerekend van den datum van beschikking waarbij de vergunning is verleend, worden voldaan.
Over volgende vergunningsjaren moet het vast recht uiterlijk op den laatsten dag vóór den aanvang van elk vergunningsjaar worden voldaan.
Artikel 147
Ten aanzien van vergunningen, welke, hetzij op verzoek, hetzij ingevolge het bepaalde in het eerste lid sub a en b en het tweede lid sub a van art. 60 voor het geheele opsporingsterrein worden ingetrokken, is het vast recht verschuldigd over alle vergunningsjaren welke vóór den datum van de beschikking der intrekking zijn ingegaan.
Mocht over eenig jaar dat is ingegaan na den datum van de beschikking, waarbij eene vergunning is ingetrokken, het vast recht reeds zijn betaald, dan wordt het te veel betaalde, als onverschuldigd, aan den rechthebbende zoodra mogelijk terugbetaald.
Artikel 148
Wanneer eene vergunning voor een gedeelte van het opsporingsterrein op verzoek van den houder wordt ingetrokken, is het vast recht berekend over de geheele oppervlakte van het oorspronkelijke opsporingsterrein verschuldigd over alle vergunningsjaren, welke vóór den datum van de beschikking der gedeeltelijke intrekking zijn ingegaan.
Het vast recht berekend over het gedeelte of de gedeelten, die de vergunninghouder, wiens vergunning op verzoek voor een gedeelte van het opsporingsterrein is ingetrokken, behoudt, is voor de eerste maal verschuldigd over het vergunningsjaar dat ingaat op of na den datum van de beschikking der gedeeltelijke intrekking en moet voor het eerst uiterlijk binnen drie maanden na den datum van de nieuwe vergunningsbeschikking of de nieuwe vergunningsbeschikkingen, bedoeld in het tweede lid van art. 65 worden voldaan.
Mocht over eenig jaar dat is ingegaan na den datum van de beschikking, waarbij eene vergunning voor een gedeelte van het opsporingsterrein is ingetrokken, het vast recht reeds over de gehele oppervlakte zijn voldaan, dan wordt het te veel betaalde, als onverschuldigd, aan den rechthebbende zoodra mogelijk terugbetaald.
Artikel 149
Wordt de oppervlakte van een opsporingsterrein krachtens het bepaalde bij het eerste lid van art. 44 gewijzigd, zoo geschiedt de berekening van het wegens vast recht verschuldigd bedrag naar het gewijzigd aantal hectaren van de oppervlakte van het opsporingsterrein, voor de eerste maal over het vergunningsjaar, volgende op dat waarin de wijziging heeft plaats gehad.
Heeft de in het eerste lid van dit artikel bedoelde wijziging van het aantal hectaren der oppervlakte plaats op een tijdstip, waarop het over het daarop volgend vergunningsjaar verschuldigd vast recht reeds mocht zijn voldaan, zoo moet, indien het gewijzigd cijfer eene grootere oppervlakte van het opsporingsterrein aangeeft dan aanvankelijk was aangenomen, hetgeen meer aan vast recht verschuldigd is uiterlijk op den laatsten dag der derde maand, volgende op die waarin de wijziging heeft plaats gehad, worden bijbetaald, terwijl indien het gewijzigd cijfer eene kleinere oppervlakte aangeeft, het te veel betaalde aan den rechthebbende zoodra mogelijk wordt terugbetaald. Van den datum waarop de bijbetaling uiterlijk moet geschieden, wordt aanteekening gehouden in de beschikking waarbij de wijziging plaats heeft.
In de in het tweede lid van dit artikel bedoelde beschikking wordt mede aanteekening gehouden van het gewijzigd bedrag van het vast recht en van het tijdstip waarop dat uiterlijk voor de eerste maal moet worden voldaan.
Artikel 150
De rijksoverheid heft van iedere vergunning tot opsporing en van elken ontdekker, die opsporingswerken voortzet overeenkomstig art. 88 een jaarlijksch, ieder jaar bij vooruitbetaling te voldoen, vast recht, evenredig aan de oppervlakte van het opsporingsterrein en ten bedrage van USD 0.03 per hectare.
De rijksoverheid heft van iedere concessie een jaarlijksch, ieder jaar bij vooruitbetaling te voldoen, vast recht, evenredig aan de oppervlakte van het concessie-terrein en ten bedrage van USD 0.14 per hectare.
Restitutie van gedane betalingen wegens verschuldigd vast recht heeft niet plaats.
Artikel 151
Van elken ontdekker, die opsporingswerken voortzet overeenkomstig art. 88 nadat de tijd, waarvoor zijne vergunning was verleend of verlengd, is verstreken en voordat eene beschikking is gevolgd op zijne concessie-aanvrage, wordt vast recht geheven alsof zijne vergunning nog van kracht was en wel over alle vergunningsjaren, welke ingaan vóór den datum der beschikking op zijne concessie-aanvrage.
Artikel 152
Van elken ontdekker, die reeds houder is van eene concessie tot ontginning op het betrokken terrein van eene andere dan de door hem ontdekte delfstof, wordt een jaarlijksch vast recht geheven, evenredig aan de oppervlakte van het door hem aangevraagde concessie-terrein, ten bedrage van USD 0.03 per hectare, en wel van het tijdstip waarop hij eene aanvraag om concessie tot winning van de door hem ontdekte delfstof heeft ingediend tot het tijdstip waarop eene beschikking op die aanvraag wordt genomen.
Wanneer de concessie-aanvraag van den ontdekkerconcessionaris voldoet aan de gestelde vereischten dan wordt eene beschikking opgemaakt, waarin aanteekening wordt gehouden:
- a. van de oppervlakte van het aangevraagde concessieterrein;
- b. van het bedrag van het verschuldigd vast recht;
- c. van de tijdstippen waarop het vast recht voor de eerste maal, en wel uiterlijk binnen drie maanden gerekend van den datum der beschikking, en verder telken jare bij vooruitbetaling moet worden voldaan;
- d. van de Rijks kas waar het vast recht moet worden gestort,
Van de beschikking wordt behalve aan den ontdekkerconcessionaris een afschrift gezonden aan de betrokken Ontvanger.
Artikel 153
Als belastingschuldige ten aanzien van het vast recht van vergunningen en ontdekkers is aan te merken hij die houder der vergunning of van het recht op concessie is op het tijdstip dat die belasting uiterlijk moet worden voldaan.
Artikel 154
Zoodra de houder eener vergunning langer dan drie maanden achterstallig is met de betaling van het door hem verschuldigd vast recht wordt de vergunning onmiddellijk ingetrokken, onverminderd de bevoegdheid om bij niet-voldoening van het vast recht op het daarvoor bepaald tijdstip, reeds eerder tot die intrekking over te gaan.
Artikel 155
Onze Minister verstrekt aan de betrokken ontvangers binnen acht dagen na ommekomst van elke maand, opgaven betreffende de gedurende de afgeloopen maand verleende, verlengde, overgedragen en, hetzij voor het geheele opsporingsterrein, hetzij voor een gedeelte daarvan, ingetrokken vergunningen zoomede betreffende alle vergunningen waarvan de oppervlakte overeenkomstig het bepaalde bij art. 44 gedurende die maand is gewijzigd en welke ingevolge de art. 41 en 42 moeten geacht worden niet te zijn verleend.
In de opgaven moeten worden vermeld:
- a. de data en nummers der betrekkelijke beschikkingen;
- b. de namen der houders van de vergunningen waarvan vast recht verschuldigd is;
- c. de bedragen van het verschuldigd vast recht zoomede de vergunningsjaren waarover die bedragen verschuldigd zijn;
- d. de tijdstippen waarop het vast recht over elk vergunningsjaar uiterlijk moet worden voldaan.
Artikel 156
De betrokken ontvangers verstrekken met het oog op het bepaalde bij art. 154 binnen acht dagen na ommekomst van elke maand aan Onze Minister opgaven van de vergunningen waarvan het verschuldigd vast recht, dat in den loop dier maand moest zijn betaald, niet is voldaan.
Artikel 157
In de quitantiën voor van vergunningen en door ontdekkers betaald vast recht moet behalve van de namen der belastingschuldigen, ook melding worden gemaakt van het belastingjaar waarop de betaling betrekking heeft.
Artikel 158
Het vast recht van concessiën wordt geheven over concessiejaren en voor iedere concessie afzonderlijk berekend naar de oppervlakte van het concessie-terrein zooals deze door Onze Minister is vastgesteld of ingevolge art. 98 is gewijzigd.
Het wegens vast recht verschuldigd bedrag, moet steeds in zijn geheel worden voldaan.
Over het eerste concessie-jaar moet het vast recht uiterlijk op den laatsten dag der derde maand volgende op die waarin de concessie is aangevangen worden voldaan.
Over de volgende concessie-jaren moet het vast recht uiterlijk op den laatsten dag vóór den aanvang van elke concessie-jaar worden voldaan.
In de beschikking waarbij eene concessie wordt verleend, wordt ingevolge art. 90 aanteekening gehouden:
- a. van de oppervlakte van het concessie-terrein uitgedrukt in hectaren, met verwaarloozing van onderdeelen;
- b. van het bedrag van het vast recht en van de tijdstippen waarop dat bedrag overeenkomstig dit artikel uiterlijk over het eerste concessie-jaar en verder telken jare over volgende concessie-jaren moet worden voldaan;
- c. van de Rijks kas waar het vast recht moet worden gestort.
Artikel 159
Ingeval:
- a. een concessie-terrein in op zich zelf staande gedeelten wordt gesplitst, een gedeelte van een concessie-terrein met dat van een aangrenzend concessie-terrein wordt verwisseld, twee of meer aan elkander grenzende concessie-terreinen tot een geheel worden vereenigd;
- b. eene concessie op verzoek van den concessionaris gedeeltelijk wordt ingetrokken;
- c. de oppervlakte van een concessie-terrein bij beschikking van Onze Minister krachtens art. 98 wordt gewijzigd;
is het vast recht, berekend naar de oppervlakte van de concessie-terreinen, zooals die is vastgesteld in de beschikkingen van Onze Minister welke op de splitsing, verwisseling, vereeniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging der oppervlakte betrekking hebben, voor de eerste maal verschuldigd over het jaar (concessie-jaar), dat na den datum dier beschikkingen ingaat.
Het vast recht van de concessiën, waarop de in het eerste lid van dit artikel bedoelde beschikkingen betrekking hebben, moet voor de eerste maal uiterlijk worden voldaan op den laatsten dag der derde maand volgende op die waarin de splitsing, verwisseling, vereeniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging der oppervlakte heeft plaats gehad.
Heeft de splitsing, verwisseling, vereeniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging der oppervlakte van concessiën plaats op een tijdstip, waarop het over het daarop volgend jaar (concessie-jaar) verschuldigd vast recht van de oorspronkelijke oppervlakte reeds mocht zijn voldaan, zoo moet hetgeen meer aan vast recht verschuldigd is, uiterlijk worden bijbetaald op den laatsten dag der derde maand volgende op die waarin de splitsing, verwisseling, vereeniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging der oppervlakte heeft plaats gehad, terwijl het teveel betaalde aan den rechthebbende zoodra mogelijk wordt terugbetaald. Van den datum waarop de bijbetaling uiterlijk moet geschieden, wordt in de betrekkelijke beschikkingen van Onze Minister, bedoeld in de artt. 98, 108, 112 en 120, aanteekening gehouden. Ingevolge de evengenoemde artikelen wordt in die beschikkingen mede aanteekening gehouden van de bedragen van het verschuldigd vast recht en van tijdstippen waarop die bedragen voor de eerste maal en telkens over volgende jaren uiterlijk moeten worden voldaan.
Artikel 160
Bij niet-voldoening van het vast recht vóór of op de in dit besluit voorgeschreven tijdstippen, verbeurt de concessionaris een boete van één percent van het door hem verschuldigde bedrag voor elke maand achterstand, zullende een gedeelte van een maand voor een volle maand worden gerekend.
In de quitantiën voor betaald vast recht, moet behalve van de namen der belastingschuldigen en der concessiën , ook melding worden gemaakt van het concessie-jaar, waarop de betaling betrekking heeft.
Artikel 161
Als belastingschuldigen ten aanzien van het vast recht en als aansprakelijk voor de deswege verschuldigde boeten is aan te merken, hij die concessionaris is op het tijdstip dat die belasting uiterlijk moet worden voldaan.
Afdeeling 3de. Het mijnrecht of de cijns
Artikel 161a
De houder van een concessie is over de door hem gewonnen delfstoffen cijns verschuldigd.
De cijns bedraagt ten minste één kwart ten honderd en ten hoogste tien ten honderd van de waarde der gewone delfstoffen.
Onze Minister stelt, bij het verlenen van de concessie, het percentage van de cijns vast, rekening houdende met de aard van de delfstoffen, zomede met de gesteldheid van het terrein waarbinnen, de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de ontginning zal moeten plaats vinden.
De cijns kan op naar tijdvakken wisselende percentages worden vastgesteld.
Indien de houder van de concessie ten genoegen van Onze Minister aantoont, dat de ontginning over het afgelopen jaar, als gevolg van bij de aanvang der concessie niet te voorziene omstandigheden, verlies heeft opgeleverd, kan Onze Minister de over dat jaar verschuldigde of betaalde cijns gedeeltelijk kwijtschelden of teruggeven.
Artikel 161b
Naast het vastrecht als bedoeld in de vorige afdeling van dit hoofdstuk is de houder van een concessie aan ’s Rijks kas verschuldigd:
hetzij uitsluitend een daarbij overeen te komen cijns over de gewonnen delfstoffen,
hetzij, nevens zodanige cijns of in plaats van cijns, een daarbij overeen te komen aandeel in de met de ontginning behaalde winst.
Artikel 161c
Onder de waarde der gewonnen delfstoffen wordt voor de berekening van de cijns verstaan de handelswaarde dier delfstoffen ter plaatse van winning.
Behoudens het bepaalde in het derde lid van dit artikel strekt de werkelijke verkoopprijs van de delfstoffen, al dan niet nadat deze een bewerking hebben ondergaan, tot grondslag voor de berekening van de handelswaarde.
Indien de werkelijke verkoopprijs niet geacht kan worden op normale wijze tot stand te zijn gekomen, strekt de wereldmarktprijs, zo deze bestaat, en anders de geschatte verkoopwaarde tot grondslag voor de berekening van de handelswaarde.
Artikel 161d
Indien cijns verschuldigd is, wordt vóór het einde van elk kalenderjaar, voor het daarop volgende kalenderjaar, de handelswaarde per eenheid produkt en per concessiehouder voorlopig vastgesteld.
Als voorlopige handelswaarde per eenheid produkt wordt aangemerkt de verkoopprijs als bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel:
- a. welke definitief voor het voorlaatste kalenderjaar werd vastgesteld volgens onderstaande regelen, of
- b. welke gedurende het lopende kalenderjaar werd behaald, of
- c. welke voor het komende kalenderjaar vermoedelijk zal gelden.
Op basis van de voorlopig vastgestelde handelswaarde vindt de heffing van de cijns in het komende kalenderjaar plaats.
Binnen tien maanden na afloop van dat kalenderjaar wordt aan de hand van de uitkomsten van het ontginningsbedrijf van de concessiehouder gedurende dat jaar de handelswaarde per eenheid produkt over dat kalenderjaar definitief vastgesteld
Voor het eerste kalenderjaar of het nog overblijvende gedeelte daarvan, zal van een ontginning als voorlopige handelswaarde per eenheid produkt worden aangemerkt de vermoedelijke verkoopprijs als bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel, welke voor het mijnprodukt in dit tijdvak zal gelden.
De vaststelling van de voorlopige en de definitieve handelswaarde geschiedt bij beschikking van de Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES. Een afschrift van de beschikking wordt per aangetekende brief toegezonden of tegen schriftelijk ontvangstbewijs uitgereikt aan de concessiehouder of zijn vertegenwoordiger.
De concessiehouder is tegenover ’s Rijks kas aansprakelijk voor de cijns.
Artikel 161e
De concessiehouder is verplicht zijn boekhouding in te richten volgens door de Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES te stellen regelen en hij is gehouden desgevraagd aan de door de Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES.aan te wijzen ambtenaren of deskundigen inzage te verlenen van boeken of andere bescheiden welke tot staving van zijn aangifte kunnen dienen.
Binnen acht dagen na afloop van elke maand doet de concessiehouder aangifte bij de Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES van de gedurende die maand geleverde produkten en betaalt hij de cijns berekend naar de voorlopig vastgestelde handelswaarde, bij de ontvanger, onder overlegging van een afschrift van de aangifte.
Binnen acht dagen na de dagtekening van de beschikking waarbij de handelswaarde over enig jaar definitief werd vastgesteld betaalt de concessiehouder de te weinig betaalde cijns bij de ontvanger.
De bepalingen van hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES zijn van overeenkomstige toepassing op de invordering of de navordering van de cijns.
’s Rijks kas heeft voor de cijns recht van voorrang, gaande boven alle andere bestaande voorrechten, daaronder begrepen pand en hypotheek, behalve de voorrechten bij de artikelen 1165 ten eerste en 1175 ten eerste van het Burgerlijk Wetboek BES bepaald, op alle roerende en onroerende goederen van de belastingschuldige.
Artikel 161f
Tegen de vaststelling van de voorlopige of de definitieve handelswaarde kan binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking een met reden omkleed beroepschrift worden ingediend bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken, die in hoogste instantie beslist.
De Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES is belast met de uitvoering van de beslissingen van de Raad van Beroep.
Artikel 161g
Gedurende vijf jaren na de dagtekening van de beschikking waarbij de handelswaarde definitief werd vastgesteld kan de niet of te weinig betaalde cijns worden nagevorderd.
Artikel 161h
Indien de concessiehouder opzettelijk geen of te weinig verschuldigde cijns betaalt is artikel 154 van overeenkomstige toepassing.
Bij niet tijdige voldoening van de cijns is artikel 160 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 161i
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen tot uitvoering van de artikelen 161A tot en met 161H worden vastgesteld.
Hoofdstuk IX. Over de rechten en verplichtingen uit de vergunningen tot opsporing en de concessiën tot ontginning voortvloeiende
Artikel 162
De vergunning tot het doen van opsporingen geeft den houder, met uitsluiting van ieder ander, het recht om overeenkomstig de voorschriften der Mijnwet BES en van dit besluit, en de bij de vergunning gestelde voorwaarden, in het onderzoekingsveld alle werkzaamheden te verrichten, noodig tot opsporing van de in artikel 1a van de Mijnwet BES genoemde delfstoffen of ten doel hebbende den aard der aangetroffen delfstofafzettingen en der daarin voorkomende delfstoffen te beoordeelen.
Over de door hem verkregen delfstoffen mag de opspoorder, behoudens de rechten van anderen, vrijelijk beschikken.
Artikel 163
De concessie geeft den concessionaris overeenkomstig de voorschriften dezer wet en op de in de akte van concessie gestelde voorwaarden, binnen het mijnveld het uitsluitend recht tot het winnen der in die akte genoemde delfstoffen en tot den aanleg van alle daartoe benoodige werken, zoo op als onder den grond; dit recht strekt zich uit tot binnen het mijnveld gelegen oude ertshoopen van vroegere ontginningen of opsporingen.
Delfstoffen genoemd in artikel 1a van de Mijnwet BES, die niet in de akte van concessie zijn genoemd, mogen door den concessionaris, tenzij hij tot de winning daarvan eene nadere concessie heeft verkregen, niet gewonnen worden, dan voor zoover, ter beoordeeling van Onze Minister, de samenhang dier delfstoffen met de in de akte van concessie genoemde hare gelijktijdige winning onvermijdelijk maakt. Heeft een ander in hetzelfde mijnveld eene concessie voor de winning van die delfstoffen, dan moet de overeenkomstig dit lid gewonnen hoeveelheid daarvan op zijne vordering, tegen vergoeding der kosten van voortbrenging aan hem worden afgestaan.
Artikel 164
De concessionaris is verplicht tot volledige vergoeding van alle schade door de onderneming aan de rechthebbenden op of belanghebbenden bij den bovengrond en hetgeen daartoe behoort toegebracht, onverschillig of ontginningswerken al dan niet daaronder hebben plaats gehad, of de schade door eene opzettelijke daad zijnerzijds veroorzaakt is of niet, dan wel of zij al of niet had kunnen worden voorzien.
Is de schade door twee of meet ontginningen veroorzaakt, dan zijn de concessionarissen daarvan gemeenschappelijk en wel tot gelijke deelen tot vergoeding der schade gehouden, onverminderd het recht om onderling terug te vorderen wat elk dientengevolge meer mocht hebben bijgedragen dan zijn aandeel in de schade bedraagt. Evenwel zal het aan de rechthebbenden op of belanghebbenden bij den bovengrond vrijstaan om, het bewijs leverende dat de verhouding van concessionarissen wat betreft elks aandeel in de toegebrachte schade anders is dan die van gelijke deelen, dienovereenkomstig hunne vordering tot schadevergoeding in te richten.
De verplichting tot vergoeding strekt zich niet uit tot schade aan gebouwen of inrichtingen tot stand gekomen op een tijdstip dat het gevaar, waarmede die door de ontginning bedreigd worden, den rechthebbenden op of belanghebbenden bij den bovengrond bij gewone opmerkzaamheid niet onbekend had kunnen blijven. Behoort, tengevolge van het door de ontginning veroorzaakte gevaar, de oprichting van zoodanige werken boven den grond achterwege te blijven, dan kunnen rechthebbenden op of belanghebbenden bij den bovengrond daaraan geen aanspraak op schadevergoeding wegens waardevermindering ontleenen, indien het blijkt, dat hun geopenbaard voornemen om zoodanige werken op te richten kennelijk slechts het ontvangen van schadevergoeding ten doel heeft.
Artikel 165
Wanneer het noodig is, dat de werkzaamheden van naburige ontginningen in onderling verband worden verricht, en de concessionarissen zich dienaangaande niet onderling kunnen verstaan, zijn ze gehouden zich te gedragen naar de regelingen, ter zake door Onze Minister te treffen.
De concessionaris is aansprakelijk voor de schade, die hij aan eene naburige ontginning toebrengt.
Artikel 166
De aanspraak op schadeloosstelling, in de artt. 163 en 164 bedoeld, voor zoover zij niet gegrond is op eene overeenkomst, verjaart door verloop van drie jaren, te rekenen van den dag, waarop de schade aan den belanghebbende bekend is.
Artikel 167
De concessionaris is verplicht;
- a. binnen den tijd van twee jaren na den datum van de beschikking waarbij de concessie is verleend of van de beschikking waarbij het beloop der concessie- grenzen krachtens artt. 98, 100 of 114 is gewijzigd, de begrenzing van het concessieterrein dienovereenkomstig af te bakenen door plaatsing op de daarvoor in de betrekkelijke beschikking of op de daarbij behoorende kaart aangegeven punten,van goed gefundeerde steenen of ijzeren merkteekens, waarop ten minste 1.50 meter boven den beganen grond de letters M. C. zoomede de beginletters van ieder in den naam der concessie voorkomend woord zijn aangebracht;
- b. op daartoe van rijksoverheidswege gedane aanzegging en binnen den tijd, op de wijze en op de plaatsen, voor elk geval aangegeven, ter nadere aanwijzing van de grenzen van het concessie-terrein merkteekens op andere punten dan de door sub a aan te brengen;
- c. de merkteekens in behoorlijken staat te onderhouden;
- d. de merkteekens, vervallen wegens wijziging van het beloop der concessie-grenzen, binnen den tijd van één jaar na den datum van de wijzigingsbeschikking, maar niet alvorens de in verband met de wijziging noodige nieuwe merkteekens zijn aangebracht, te verwijderen.
Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is bevoegd voor en namens den nalatigen concessionaris en op diens kosten en risico de merkteekens overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, te doen plaatsen, onderhouden en verwijderen.
Artikel 168
De concessionaris is bevoegd om de plaatselijke leiding der ontginning en daarmede in verband staande werkzaamheden aan een beheerder der onderneming op te dragen.
De beheerder der onderneming moet door of vanwege den concessionaris worden voorzien van een schriftelijke volmacht, waarin zijne bevoegdheden duidelijk zijn omschreven; de volmacht moet telkens op aanvrage aan de bestuurs- en de met het toezicht belaste ambtenaren worden vertoond.
De concessionarissen en vertegenwoordigers van concessionarissen zijn verplicht aan Onze Minister opgave te doen van den naam en de woonplaats van den beheerder van elke onderneming, en zulks binnen dertig dagen nadat diens aanstelling heeft plaats gehad. Deze bepaling is ook van toepassing op tijdelijk vervangende en waarnemende beheerders.
Artikel 169
Onder den aanleg binnen het mijnveld van werken,als bedoeld in art. 163 noodig tot het winnen der in de concessiebeschikking genoemde delfstoffen wordt verstaan de uitvoering van alle opsporings- en ontginningswerken, zoo op als onder den grond, en van al hetgeen ten dienste daarvan strekt, als:
de aanleg van stapel-, opslag- en scheepplaatsen, van los- en laadhoofden en aanlegplaatsen voor schepen, van land- en waterwegen, met inbegrip van spoorwegen, van machine-installaties, van verzamelplaatsen van water en andere vloeistoffen, van buis- en andere leidingen, van wasch-, sorteerings- en reinigingsinrichtingen en van smeltovens; de plaatsing van merkteekens tot afbakening en van de concessie-grenzen; de oprichting van tot uitvoering van het mijnbouwbedrijf en tot huisvesting, voeding of verpleging der werklieden bestemde gebouwen en inrichtingen; het aanbrengen van toe- en afvoerwegen van lucht; de oprichting van magazijnen voor springmiddelen en de toegangswegen daarheen en van inrichtingen tot fabricatie van cokes en briketten indien die ter plaatste der kolenontginning worden opgericht; zoomede de aanleg en uitvoering van alle andere voor het bedrijf noodige werken waaromtrent in geval van twijfel door Onze Minister wordt beslist dat zij vallen onder de in art. 163 genoemde werken.
Artikel 170
De concessionaris is bevoegd om, buiten zijn concessieterrein hulpwerken aan te leggen. Hij is ook bevoegd tot dien aanleg binnen het mijnveld van een anderen concessionaris, voor zoover die hulpwerken waterloozing of luchtverversching dan wel voordeeliger uitoefening van zijn eigen mijnbouwbedrijf ten doel hebben en het mijnbouwbedrijf van dien anderen concessionaris daardoor belemmerd noch met gevaar bedreigd wordt.
Betwist de concessionaris, binnen wiens mijnveld het hulpwerk van een anderen concessionaris zou moeten worden aangelegd, zijne verplichting om dien aanleg te gedoogen, zoo mag daartoe eerst worden overgegaan nadat Onze Minister ter zake beslist en verlof tot den aanleg verleend heeft.
De concessionaris, die eenig hulpwerk binnen het mijnveld van een anderen concessionaris aanlegt, is verplicht tot volledige vergoeding van alle schade door dien aanleg aan dat mijnveld en de daarin voorkomende werken toegebracht.
De delfstoffen gewonnen bij den aanleg van hulpwerken worden, voor zoover de concessionaris, door wien die werken ten behoeve van zijn bedrijf zijn aangelegd,die behoudt, beschouwd als een deel van de opbrengst van de door hem gedreven mijnontginning.
De delfstoffen, gewonnen bij den aanleg van hulpwerken binnen het mijnveld van een anderen concessionaris, moeten aan dezen op zijn verlangen kosteloos worden afgegeven voor zoover hem concessie is verleend voor de winning van die delfstoffen.
Het hulpwerk wordt beschouwd als één geheel uit te maken met het mijnveld ten behoeve waarvan het is aangelegd of, indien het ten behoeve van meer dan één mijnveld is aangelegd en de betrokken concessionarissen daaromtrent niet anders zijn overeengekomen, als deel van die verschillende mijnvelden.
Artikel 171
Over de door den concessionaris bij zijne ontginning gewonnen, niet in artikel 1a van de Mijnwet BES genoemde delfstoffen, mag door hem zonder eenige vergoeding aan den rechthebbende op den grond vrijelijk worden beschikt evenwel uitsluitend ten behoeve van zijn bedrijf. Wint de concessionaris die delfstoffen bij zijn bedrijf en beschikt hij daarover niet uitsluitend ten behoeve van zijn bedrijf, dan moet door hem voor die beschikking aan den rechthebbende op den grond schadevergoeding worden betaald dan wel is de rechthebbende op den grond bevoegd te vorderen, dat aan hem de gewonnen hoeveelheid der delfstoffen door den concessionaris tegen vergoeding der kosten van voortbrenging wordt afgestaan.
Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is ook van toepassing op de daar bedoelde delfstoffen, gewonnen bij den aanleg van hulpwerken.
Artikel 172
Onder de kosten van voortbrenging bedoeld in art. 171 en in het tweede lid van art. 163 zijn, behalve die van winning, ook de kosten van transport tot de plaats van levering begrepen.
Hoofdstuk X. Over de rechten en verplichtingen van de rechthebbenden op den grond en van derde belanghebbenden, voor het geval ten behoeve van opsporingen of ontginningen over den grond moet worden beschikt en van naburige concessionarissen onderling.
Afdeeling Eerste. Algemeene bepalingen
Artikel 173
De rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden zijn gehouden het doen van opsporingen in den grond te gedoogen:
- a. mits zij door den houder der vergunning vooraf, onder vertoon van de vergunning of een authentiek afschrift daarvan, in kennis gesteld zijn met diens voornemen tot het doen van opsporingen en met de plaats waar die zullen geschieden;
- b. tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling.
Artikel 174
Opsporingen worden niet toegelaten:
- a. in terreinen of streken, gereserveerd hetzij voor opsporing of ontginning van rijksoverheidswege, hetzij voor de uitgifte van eene concessie na openbare mededinging volgens de art. 124–133;
- b. in terreinen, binnen welke aan anderen vergunning tot het doen van opsporingen is verleend, zoolang zij ingevolge die vergunning eene aanspraak op concessie geldend kunnen maken;
- c. in terreinen of streken door Onze Minister om redenen van algemeen belang voor opsporingen gesloten.
Artikel 175
Opsporingen, die zich binnen het onderzoekingsveld uitstrekken tot een mijnveld waarvoor aan een ander concessie is verleend, mogen binnen dat mijnveld slechts worden verricht ten aanzien van delfstoffen voor welker winning nog geen concessie is verleend.
De concessionaris is verplicht, desgewenscht tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, het doen van opsporingen in zijn mijnveld door een ander te gedoogen, mits de beheerder der onderneming tweemaal vier en twintig uren vóór den aanvang dier opsporingen op den voet van art. 173 sub a door den houder der vergunning met diens voornemen daartoe wordt in kennis gesteld.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)