Mijnbesluit BES
De schadeloosstelling dan wel de te stellen zekerheid worden, wanneer partijen in dat opzicht niet tot eenstemmigheid kunnen geraken, op de vordering van den houder der vergunning overeenkomstig de artt. 188 tot en met 209 bepaald door den rechter, bevoegd om kennis te nemen van geschillen van denzelfden aard met betrekking tot de concessie.
Doen die opsporingswerken gevaar ontstaan voor de stevigheid der mijnwerken dan wel voor den ongestoorden gang van het bedrijf van den concessionaris, of wel is het te voorzien dat dit het gevolg zal zijn van den aanleg van de opsporingswerken, dan worden die door Onze Minister verboden.
Artikel 176
De beschikking waarbij Onze Minister, wegens een der redenen genoemd in art. 174, eenig terrein of eenige streek van Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor mijnbouwkundige opsporingen sluit en die waarbij nader geheel of gedeeltelijk op deze beslissing wordt teruggekomen, worden genomen na raadpleging van den Raad van Bestuur; die beschikkingen worden in de Staatscourant openbaar gemaakt.
Artikel 177
Opsporingen strekken zich binnen het terrein van onderzoek niet uit tot gronden:
- A. gelegen binnen een afstand van 25 meter:
- 1°. van kerkhoven of graven;
- 2°. van openbare of gewijde gronden;
- 3°. van publieke wegen;
- B. waarop zich beplantingen bevinden die, naar het oordeel van Onze Minister, in strijd met het algemeen belang geheel of gedeeltelijk door de opsporingen zouden kunnen worden verstoord of vernield.
Opsporingen strekken zich, zonder de vooraf verkregen bewilliging van Onze Minister, binnen het terrein van onderzoek niet uit tot gronden gelegen binnen den afstand van 50 meter van overheidsgebouwen, noch tot die gelegen binnen den verboden kring van versterkingen.
Opsporingen strekken zich binnen het terrein van onderzoek niet uit tot gronden, waarop die door Onze Minister, om redenen van algemeen belang, zijn verboden. Het bepaalde in art. 176 is hierop van toepassing.
Opsporingen strekken zich, zonder de vooraf verkregen toestemming van de rechthebbenden op den grond en van derde belanghebbenden, elk voor zooveel hem aangaat, niet uit tot gronden, gelegen binnen den afstand van 50 meter van woonhuizen, fabrieken en andere gebouwen.
Artikel 178
Hetgeen in art. 177 omtrent opsporingen is bepaald, is ook van toepassing op de beschikking over den bovengrond ten behoeve van ontginningen.
Artikel 179
De rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden zijn verplicht de voor de in artt. 169 en 170 genoemde werken benoodigden grond overeenkomstig de voorschriften van dit besluit aan den concessionaris voor zijne ontginning af te staan.
Artikel 180
Indien voor eene ontginning de beschikking over den bovengrond noodig is voor geen langer tijdperk dan drie jaren, is daarop van toepassing hetgeen in art. 173 omtrent opsporingen is bepaald, met dien verstande, dat wat daar ten aanzien van den houder der vergunning is voorgeschreven, hier op den concessionaris toepasselijk is en dat in dit geval zal moeten worden vertoond een authentiek afschrift der akte waarbij de concessie-beschikking is openbaar gemaakt.
Indien de beschikking over den grond voor een langer tijdperk noodig is, of indien na verloop van den aanvankelijk voldoende geachten termijn van drie jaren nog verdere beschikking noodig blijkt en partijen zich over den afstand van den grond niet kunnen verstaan, wordt op verzoek der meest gereede partij overgegaan tot toepassing der bepalingen, regelende de onteigening ten algemeenen nutte. De onteigening van alle voor eene ontginning noodige eigendommen behoeft niet tegelijkertijd te worden gevraagd.
Artikel 181
Op gronden behoorende tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba verleent Onze Minister, onder de door hem noodig geoordeelde voorwaarden en behoudens de rechten van derden, verlof tot het maken van wegen ten behoeve der ontginning en recht van opstal tot plaatsing der noodige gebouwen, inrichtingen en werkplaatsen.
Is voor de aanleg van wegen of van hulpwerken, overeenkomstig het eerste lid van art. 170 ten behoeve der ontginning de beschikking over niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorenden grond buiten het concessie-terrein noodig en blijkt het dat partijen zich over den afstand van dien grond niet kunnen verstaan, dan geldt te dien aanzien het tweede lid van het voorgaand artikel.
Artikel 182
De verklaring, dat ten behoeve van eene ontginning gronden als bedoeld in art. 180 en in het tweede lid van art. 181 noodig zijn, wordt gegeven door Onze Minister.
Artikel 183
De krachtens de Mijnwet BES en dit besluit aan opspoorders en concessionarissen toegekende rechten en opgelegde verplichtingen voor zooveel betreft de tijdelijke beschikking over den afstand in eigendom van vreemden grond tegen behoorlijke schadeloosstelling, zoomede de vergoeding van veroorzaakte schade, zijn in geval van rijksoverheidswege ondernomen opsporingen en ontginningen van toepassing op de rijksoverheid, voor zoover van dit voorschrift in dit besluit niet bepaaldelijk wordt afgeweken.
Wanneer opsporingen of ontginningen door de rijksoverheid worden bewerkstelligd, worden in de betrekkelijke artikelen van dit besluit met onderzoekings-en concessieterreinen gelijkgesteld de door de rijksoverheid respectievelijk voor zijn opsporingen of ontginningen gereserveerde terreinen.
Artikel 184
De schulden, voortspruiende uit de verplichting tot schadevergoeding en uit het in gebruik nemen van gronden, volgens art. 179 en het tweede lid van art. 181, zijn bevoorrecht op de concessie, op het product der ontginning en op den inventaris.
Het hierbedoelde voorrecht gaat boven pand en hypotheek.
Artikel 185
Hetgeen in art. 177 omtrent opsporingen is bepaald, is ook van toepassing op de beschikking over den bovengrond ten behoeve van ontginningen, zoodat daar, waar volgens dat artikel geen opsporingen mogen worden verricht, ook geen ontginningen worden toegestaan.
Afdeeling Tweede. Beschikking over den grond ten behoeve van mijnbouwkundige opsporingen.
Artikel 186
De in art. 173 aan de rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden opgelegde verplichting om ten aanzien van den grond waarop zij rechten uitoefenen het doen van mijnbouwkundige opsporingen te gedoogen, strekt zich uit tot de oprichting en de bewerkstelliging door den opspoorder, op die gronden, van alle werken en werkzaamheden noodig voor het doen van de door hem in te stellen mijnbouwkundige opsporingen.
Artikel 187
Het in art. 173 sub a bedoelde vertoonen van de vergunningsbeschikking of een authentiek afschrift daarvan aan de rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden door den houder der vergunning, onder mededeeling tevens van de plaats of plaatsen waar hij zijne opsporingen wenscht in te stellen, zal telkens moeten geschieden ten minste tweemaal vier en twintig uren vóórdat met die opsporingen een aanvang wordt gemaakt. Indien de opsporingen moeten worden verricht in grond behoorende tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba, behooren de vertooningen van de vergunningsbeschikking of van een authentiek afschrift daarvan en de mededeeling van de plaats of plaatsen, waar de houder der vergunning de opsporingen wenscht in te stellen, ook te geschieden aan de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Indien opsporingen van rijksoverheidswege worden ondernomen, treedt in de plaats van het in het eerste lid van dit artikel genoemde stuk, een afschrift van de beschikking:
- a. waaruit blijkt dat de rijksoverheid zelf mijnbouwkundige opsporingen binnen zeker gebied wenscht te doen instellen;
- b. houdende aanwijzing van den persoon of de autoriteit die door de rijksoverheid is gemachtigd om in zijn naam ter zake van de sub a bedoelde opsporingen het noodige, ook in rechten, te verrichten.
Wordt beschikking over den bovengrond verlangd door personen die krachtens art. 88 hunne werkzaamheden voortzetten op den voet van opsporingswerken nadat de tijd, waarvoor hunne vergunning tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen was verleend of verlengd, reeds is verstreken,dan zijn zij niettemin verplicht tot de vertooning, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, van de hun uitgereikte vergunningsbeschikking of een authentiek afschrift daarvan en wordt daaraan, ook in rechten, gelijke kracht toegekend als vóór het verstrijken van den vergunningstermijn.
Artikel 188
In het geval bedoeld in art. 173, dat de houder van eene vergunning ten behoeve van zijne opsporingen, de beschikking noodig heeft over grond, zal hij daartoe eerst bij minnelijke overeenkomst de tijdelijke beschikking over dien grond tegen vooraf betaalde of vooraf verzekerde schadeloosstelling trachten te verkrijgen, na de sub a van dat artikel bedoelde vertooning en kennisgeving te hebben gedaan.
Artikel 189
Wanneer ten behoeve van de opsporingen tijdelijke beschikking noodig is over grond behoorende tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarop derden geen recht uitoefenen, wordt voor die tijdelijke beschikking geen vergoeding aan de rijksoverheid gevorderd tenzij de grond door het in gebruik nemen naar het oordeel van Onze Minister grootendeels of geheel waardeloos zal worden, in welk geval eene door Onze Minister vast te stellen schadeloosstelling zal moeten worden betaald of vooraf verzekerd.
Artikel 190
Kunnen de houder der vergunning tot opsporing eenerzijds, en de rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbende anderzijds, zich over de tijdelijke beschikking over den grond en de daarvoor te geven schadeloosstelling niet verstaan, dan kan de eerstgenoemde tegen de laatstgenoemden eene rechtsvordering instellen voor het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, ten einde door dezen vooreerst te worden gemachtigd om voor een bepaalden tijd over den noodigen grond tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen te beschikken en dat wel terstond nadat door den eischer een door den rechter te bepalen bedrag als zekerheid zal zijn gesteld, opdat daaruit later de als schadeloosstelling te betalen som kunne worden voldaan, zoomede ten einde door den rechter nader bij eindvonnis het bedrag te hooren vaststellen dat ter zake als schadeloosstelling aan de rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbenden zal moeten worden uitgekeerd.
Omtrent de vordering tot machtiging om over den noodigen grond te mogen beschikken, benevens tot bepaling van het bedrag der zekerheidstelling wordt door den rechter eerst en vooraf bij afzonderlijk vonnis uitspraak gedaan. Wordt de machtiging verleend met bepaling van het bedrag der zekerheidstelling, dan wordt tegen dit incidenteel vonnis geen hoogere voorziening toegelaten.
Van de verleende machtiging om over den grond te beschikken kan onmiddellijk worden gebruik gemaakt nadat het door den rechter bepaald bedrag der zekerheidstelling ter griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie zal zijn gedeponeerd. Door den griffier wordt daarvan een akte opgemaakt, welke hij, die de rechtsvordering heeft ingesteld, aan de rechthebbende op den grond en (of) derde belanghebbenden doet beteekenen.
Artikel 191
Wanneer de rechthebbende op den grond of derde belanghebbende buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont of zijne woonplaats onbekend is, wordt het geding tegen den gevolmachtigde of bewindvoerder, indien een zoodanige binnen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bekend is en zoo ook deze onbekend is tegen een derde binnen het ressort van den rechter wonende, nadat aan deze door den bevoegden rechter zal zijn opgedragen de goederen en belangen van den rechthebbende op den grond of derden belanghebbende geheel of gedeeltelijk te beheeren en waar te nemen, voor zijne rechten op te komen en hem daarbij te vertegenwoordigen. De alzoo benoemde kan, bij het ophouden zijner betrekking, het loon van den bewindvoerder eens afwezigen en daarenboven de gemaakte onkosten in rekening brengen. Desniettemin is de rechthebbende op den grond of derde belanghebbende gerechtigd in het geding, tegen den gevolmachtigde, den bewindvoerder dan wel den door den rechter benoemde ingesteld, zelf op te treden, in welk geval de dagvaarding als aan hem geschied of het verzoekschrift als hem rechtstreeks betreffende wordt beschouwd en het geding tegen hem wordt gevoerd.
Artikel 192
Het geding wordt aanhangig gemaakt bij dagvaarding. Deze dagvaarding moet, op straffe van nietigheid, vermelden:
- a. den naam en de woonplaats van den rechthebbende op den grond en (of) derden belanghebbende, tegen wien de eisch betreffende tijdelijke beschikking over den grond wordt ingesteld;
- b. eene opgave van de grondstukken,waarover de houder der vergunning tijdelijk voor het doen van opsporingen wenscht te beschikken, en zulks wat betreft hun ligging, grootte en grenzen;
- c. beschrijving van het werk waarvoor over de verlangde grondstukken beschikt zal worden;
- d. den tijd gedurende welken vermoedelijk over den grond zal worden beschikt;
- e. de som welke als schadeloosstelling aangeboden wordt, hetzij die schadeloosstelling in jaarlijksche gedeelten dan wel in eens in haar geheel gekweten zal worden.
Bij de dagvaarding moeten worden overgelegd:
- a. het bewijs dat de eischer vergunning heeft gekregen tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen voor een terrein waarbinnen de in de dagvaarding genoemde grondstukken gelegen zijn, dan wel de in het tweede en derde lid van art. 187 genoemde bescheiden;
- b. eene situatieteekening van de grondstukken, waarover de eischer tijdelijk wenscht te beschikken, opgemaakt door den rooimeester, tenzij ten genoegen van den rechter wordt aangetoond dat eerstgenoemde in de onmogelijkheid heeft verkeerd den rooimeester met dezen arbeid te belasten;
- c. eene project van het werk waarvoor over de verlangde grondstukken beschikt zal worden;
- d. eene verklaring van den betrokken bewaarder der hypotheken, behelzende opgave wie blijkens de door dien bewaarder aangehouden register als rechthebbenden op de gronden, waarover de eischer tijdelijk wenscht te beschikken, behooren te worden aangemerkt en wie daarop andere zakelijke rechten dan dat van eigendom uitoefenen.
Artikel 193
De rechter behandelt zaken aangaande tijdelijke beschikking over gronden vóór elke andere.
Behoudens de gevallen waarin de rechter zich onbevoegd moet verklaren, de vordering om eenige andere reden behoort te worden ontzegd, de eischer met zijne vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel de nietigverklaring van de dagvaarding behoort te worden uitgesproken, mag de gevraagde machtiging om over de in de dagvaarding genoemde gronden te mogen beschikken, door den rechter slechts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd in de gevallen voorzien bij artt. 174 en 177, dan wel wanneer het recht om opsporingswerken te verrichten is vervallen.
Alle gronden van verdediging, zoo exceptieve als die welke de hoofdzaak betreffen, moeten op verbeurte van het recht om de overige in te brengen, tegelijkertijd worden voorgesteld.
Afdeeling Derde. Van het geding.
Artikel 194
Ten dage dienende concludeert de aanlegger tevens tot benoeming van één of meer deskundigen ter opneming der schade door de tijdelijke beschikking over den grond aan de rechthebbenden op dien grond en derde belanghebbenden te veroorzaken.
Op denzelfden dag of uiterlijk acht dagen daarna, geven de verweerders de gronden hunner tegenspraak bij conclusie op.
Partijen kunnen in dezelfde terechtzitting hare conclusiën bij pleidooien breeder ontwikkelen.
Oproeping tot vrijwaring wordt niet toegelaten.
Indien van twee of meer gedaagden de een verschijnt, de andere niet, wordt met den verschijnende onmiddellijk voortgeprocedeerd en de uitspraak geschiedt tusschen al de partijen bij een en hetzelfde vonnis, hetwelk als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd en waartegen geen verzet wordt toegelaten.
Uiterlijk acht dagen na de terechtzitting doet de rechter uitspraak omtrent het krachtens het eerste lid van dit artikel gedaan verzoek en nopens de in art. 190 bedoelde machtiging om over den grond te mogen beschikken, zoomede nopens het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gedeponeerd alvorens tot beschikking over den grond mag worden overgegaan.
Na de bij incidenteel vonnis bepaalde zekerheid te hebben gesteld, kan de aanlegger onmiddellijk tot het doen van opsporingen op den in het vonnis omschreven grond overgaan in afwachting van de nader door den rechter bij eindvonnis te bepalen schadeloosstelling.
Artikel 195
Tegen de uitspraak des rechters, waarbij hij zich onbevoegd verklaart dan wel houdende nietig-verklaring van de dagvaarding, niet-ontvankelijk verklaring van den eischer of ontzegging van den eisch om eenige andere reden, wordt hooger beroep toegelaten.
Artikel 196
Buiten de gevallen in art. 195 genoemd, benoemt het Hof één of meer deskundigen in oneven getal ten einde haar aangaande de te betalen schadeloosstelling van voorlichting te dienen.
Het benoemt voorts een zijner leden om, vergezeld van den griffier, als commissaris bij het onderzoek van den deskundige of de deskundigen tegenwoordig te zijn.
Artikel 197
Het in het zesde lid van art. 194 bedoeld vonnis wordt door den eischer aan de gedaagden beteekend, ten minste acht dagen vóór dien, waarop bij het vonnis het onderzoek van den deskundige of de deskundigen is bepaald, met oproeping om daarbij tegenwoordig te zijn.
Bij afwezigheid der gedaagden gaat het in het voorgaand lid bedoeld onderzoek toch door.
Het vonnis wordt, zoo spoedig mogelijk, door de meest gereede partij aan de deskundigen beteekend.
De rechter-commissaris bepaalt, met inachtneming van den meest mogelijken spoed, tijd en plaats van het onderzoek der deskundigen. De griffier roept de deskundigen op.
Artikel 198
De deskundigen leggen op de plaats des onderzoeks in handen van den rechter-commissaris den eed af.
Zij kunnen op de gronden in art. 1932 van het Burgerlijk Wetboek BES vermeld, door partijen gewraakt worden.
De rechter-commissaris beslist over de redenen van wraking, die niet dan vóór de eedsaflegging mogen worden voorgesteld; van zijne beslissing valt geen hooger beroep.
In de plaats der deskundigen die niet opgekomen zijn of weigeren aan hunne verplichtingen te voldoen, als ook in de plaats van die, tegen welke hij de wraking heeft aangenomen, benoemt hij anderen.
Indien tengevolge hiervan het onderzoek moet worden uitgesteld, bepaalt de rechter-commissaris daarvoor een anderen tijd,waarvan geen beteekening door partijen, doch alleen mededeeling door den griffier geschiedt aan de nieuw benoemde en nog niet verschenen deskundigen.
De rechter-commissaris brengt de bepalingen van de Onteigeningswet BES, voor zooveel noodig of wenschelijk onder de aandacht der in dit artikel bedoelde deskundigen, voor wie deze bepalingen evenwel slechts als richtsnoer zullen dienen.
Artikel 199
Partijen kunnen aan den rechter-commissaris en de deskundigen al die stukken mededeelen en al de gronden opgeven, welke volgens haar oordeel tot eene juiste bepaling der schade kunnen leiden.
Artikel 200
Ook ambtshalve kan de rechter-commissaris te allen tijde die personen voor zich en voor de deskundigen doen verschijnen, wier inlichtingen hij tot betere beoordeeling van de zaak nuttig mocht achten.
Indien deze personen schadeloosstelling vorderen, wordt die door den rechter-commissaris begroot en daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.
Artikel 201
De formaliteiten, bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke rechtsvordering voorgeschreven, omtrent het getuigenverhoor en het bericht van deskundigen, zijn ten deze niet toepasselijk.
Artikel 202
Wanneer de deskundigen of de personen, wier verschijning de rechter-commissaris gelast heeft, op den bepaalden tijd, ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet opkomen of zonder wettige redenen weigeren de van hen gevraagde inlichtingen te geven, of wel de eersten den bij art. 198 gevorderden eed niet willen afleggen, worden zij door den rechter-commissaris veroordeeld tot vergoeding der tevergeefs gedane onkosten en tot eene boete van ten hoogste USD 28, alles onverminderd hunne gehoudenheid jegens de partijen tot vergoeding van kosten, schaden en interesten.
Hij kan hen echter op hun verzet bij ongezegeld verzoekschrift om billijke redenen van de tegen hen uitgesproken veroordeeling vrijspreken.
Artikel 203
De griffier maakt van het bij onderzoek voorgevallene een proces-verbaal op, door den rechter-commissaris en hem te onderteekenen.
Hij neemt daarin de verklaringen op der personen bij het onderzoek gehoord, welke verklaringen hun worden voorgelezen en door hen onderteekend.
De deskundigen doen hun advies in het proces-verbaal opnemen of voegen het er onderteekend bij. In het eerste geval teekenen zij mede het proces-verbaal.
Ingeval een deskundige of ander gehoord persoon niet kan teekenen of weigert dit te doen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.
De deskundigen verklaren de gronden, waarop hunne bepaling der schadeloosstelling berust.
In het proces-verbaal wordt de dag vermeld, waarop de nederlegging ter griffie in art. 204 voorgeschreven, zal plaats hebben.
Artikel 204
De in art. 203 genoemde stukken worden gedurende veertien dagen ter inzage der partijen op de griffie nedergelegd, gedurende welken tijd partijen hunne bezwaren, na die aan de wederpartij te hebben medegedeeld, schriftelijk aan den rechter-commissaris kunnen indienen.
Artikel 205
Na afloop van die veertien dagen brengt de rechter-commissaris in de eerstvolgende voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde terechtzitting zijn rapport uit, zonder dat er eenige verdere oproeping van partijen vereischt wordt.
Op dezelfde terechtzitting kunnen partijen hare conclusiën nader bij pleidooi doen ontwikkelen.
Indien de rechter in het bericht der deskundigen de vereischte inlichting niet vindt, kan hij ambtshalve andere deskundigen benoemen, welke aan de vroegeren zoodanige ophelderingen mogen vragen als zij oorbaar achten.
Wanneer hij geen gebruik maakt van deze bevoegdheid, doet hij uiterlijk acht dagen na de terechtzitting bedoeld in het tweede lid van dit artikel, uitspraak over de schadeloosstelling aan rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbenden uit te keeren.
Artikel 206
Alleen de werkelijke waarde der gronden, niet de denkbeeldige welke zij uitsluitend voor den persoon van den rechthebbende op den grond dan wel voor den betrokken derden belanghebbende hebben, komt in aanmerking.
Daarbij wordt gelet op de vermindering van waarde, welke de grond geacht wordt te zullen hebben ondergaan op het oogenblik, dat de rechthebende of derde belanghebbende dien terugontvangt, met het oog op het gebruik dat van den grond door den rechthebbende wordt gemaakt.
De meerdere waarde die de grond, waarover wordt beschikt, in verband met de voor het verrichten der opsporingen op te richten werken geacht wordt te zullen verkrijgen, komt bij de bepaling der schadeloosstelling niet in aanmerking.
Artikel 207
Bij de berekening der schadeloosstelling voor beschikking over grond ten behoeve van mijnbouwkundige opsporingen wordt acht geslagen op de mindere waarde, welke voor de niet door den opspoorder in gebruik genomen gronden het noodzakelijk gevolg is van die beschikking.
Artikel 208
Wanneer de bij het vonnis bepaalde schadeloosstelling meer bedraagt dan het gedane aanbod, wordt de houder der vergunning in de kosten van het rechtsgeding verwezen; in de overige gevallen kunnen de kosten, naar gelang de rechter daartoe termen vindt, worden gebracht hetzij ten laste van den rechthebbende op den grond en (of) derden belanghebbende, die met de aangeboden schadeloosstelling geen genoegen heeft genomen, hetzij voor een gedeelte te hunne laste en voor het overige gedeelte ten laste van den houder der vergunning, hetzij geheel ten laste van laatstgenoemde.
Artikel 209
Tegen het in het vierde lid van art. 205 bedoeld vonnis, waarbij de te betalen schadeloosstelling is bepaald,wordt met inachtneming van de ter zake bestaande bepalingen hooger beroep toegelaten.
Afdeeling Vierde. Van de gevolgen van het stellen van zekerheid en de tijdelijke beschikking over den grond ten behoeve van mijnbouwkundige opsporingen
Artikel 210
Wanneer de rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbende weigeren den grond in gebruik te geven, nadat de partij, aan wie door den rechter machtiging tot tijdelijke beschikking over den grond is verleend, de door den rechter bepaalde som als zekerheid ter griffie heeft gestort en de daarvan ingevolge het derde lid van art. 190 opgemaakte akte aan eerstgenoemden heeft doen beteekenen, kunnen zij met inachtneming van het bepaalde in art. 211 tot ontruiming van den grond genoodzaakt worden.
Artikel 211
In het geval van art. 210 wordt de partij van den rechter machtiging heeft verkregen om tijdelijk over den grond te beschikken, op door haar daartoe aan den president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie gedaan verzoek krachtens bevelschrift van dezen, desnoods door middel van den sterken arm, in het tijdelijk bezit der in het vonnis omschreven gronden gesteld.
Bij het verzoekschrift aan den president moet worden overgelegd afschriften van het vonnis waarbij de machtiging om tijdelijk over den grond te beschikken is verleend, en van de akte waaruit van de deponeering van de als zekerheid bepaalde som blijkt, zoomede het exploit van beteekening dier akte.
Artikel 212
De opspoorder of de ontdekker die zijne werkzaamheden op den voet van opsporingswerken voortzet of de rijksoverheid dat tot het doen van opsporingen tijdelijk heeft beschikt over gronden, waarop anderen rechten uitoefenen, dan wel waarbij andere belang hebben, is gehouden die gronden na gemaakt gebruik weder ter beschikking te stellen van de daarop rechthebbenden en (of) derde belanghebbenden. Daaraan veroorzaakte schade, dan wel de mindere waarde die de grondstukken bij de teruggave mochten hebben, behoort door hem, die over den grond heeft beschikt, te worden vergoed; daarop door hem opgerichte gebouwen of getimmerten moeten door hem worden verwijderd; door hem gelegde buisleidingen moeten door hem worden weggehaald; door hem geboorde gaten of gegraven waterleidingen moeten door hem worden gestopt en dichtgemaakt, een en ander onverminderd het bepaalde bij art. 189.
De door den opspoorder op gronden behoorende tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba aangelegde wegen vervallen, nadat over die gronden ten behoeve van de opsporingen is beschikt, tenzij die wegen daarna moeten dienen voor eene op de opsporing gevolgde ontginning en behoudens de rechten van derden, aan de rijksoverheid, zonder dat eenige vergoeding verschuldigd is aan hem die over de gronden heeft beschikt. Hetzelfde geldt voor de op die gronden opgerichte gebouwen en getimmerten van den opspoorder, welke niet binnen een door Onze Minister bepaalden termijn zijn verwijderd of waarover binnen dien termijn niet op eene andere door dezen goedgekeurde wijze is beschikt.
Bij nalatigheid om aan de in het eerste lid van dit artikel omschreven verplichtingen te voldoen, zijn de rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbenden elk voor zooveel zij daarbij belang hebben, bevoegd om zelf de in dit opzicht noodige maatregelen te treffen en zulks op kosten van hen die over de gronden ten behoeve van opsporingen hebben beschikt.
Afdeeling Vijfde. Beschikking over den gronden ten behoeve van ontginningen.
Artikel 213
Indien voor eene ontginning de beschikking over den bovengrond noodig is voor geen langer tijdperk, dan drie jaren, is daarop van toepassing hetgeen in de artt. 187 tot en met 212 omtrent de beschikking over grond ten behoeve van opsporingen is bepaald, met dien verstande:
- a. dat wat daar ten aanzien van den houder der vergunning (opspoorder) en de opsporingen is voorgeschreven, hier op den concessionaris en ontginning toepasselijk is;
- b. dat wat daar bepaald is nopens ontdekkers die hunne werkzaamheden voortzetten op den voet van opsporingswerken, hier komt te vervallen;
- c. dat in dit geval in de plaats van het in het eerste lid van art. 187 genoemd stuk (vergunningsbeschikking of authentiek afschrift daarvan) treedt een authentiek afschrift der in art. 237 genoemde gerechtelijk akte van concessie of c.q. der gerechtelijke akte waaruit blijkt dat de concessie ten name van den concessionaris is overgeschreven;
- d. dat wat daar is voorgeschreven met betrekking tot van rijksoverheidswege ondernomen opsporingen hier geldt voor ontginning van rijksoverheidswege;
- e. dat het tweede lid sub a van art. 192 wordt gelezen:
- 1°. een authentiek afschrift der gerechtelijke akte van concessie of een authentiek afschrift der gerechtelijke akte waaruit blijkt; dat de concessie ten name van den eischer is overgeschreven;
- 2°. in geval van ontginning van een afschrift van de beschikking genoemd in het tweede lid van dit artikel.
Indien eene ontginning van rijksoverheidswege wordt ondernomen, treedt in de plaats van het in het eerste lid van art. 187 genoemd stuk, een afschrift van de in art. 236 bedoelde beschikking:
- a. waaruit dat de rijksoverheid binnen zeker gebied, waarin de benoodigde gronden zijn gelegen, zelve ontginning wenscht te ondernemen;
- b. houdende aanwijzing van den persoon of de autoriteit, die door de rijksoverheid is gemachtigd om namens hem ter zake van de sub a bedoelde ontginning het noodige, ook in rechten, te verrichten.
Artikel 214
Indien de beschikking over niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, binnen het concessie-terrein gelegen gronden voor een langer tijdperk dan drie jaren noodig is of indien na verloop van den aanvankelijk voldoende geachten termijn van drie jaren nog verdere beschikking noodig blijkt en de concessionaris zich niet met den rechthebbende op den grond of derden belanghebbende over den afstand van den grond kan verstaan, wendt de concessionaris zich tot Onze Minister bij een met redenen omkleed verzoekschrift, waarin:
- a. door hem wordt medegedeeld dat hij overeenkomstig het bepaalde bij het tweede lid van art. 180 toepassing wenscht van de bepalingen regelende de onteigening ten algemeenen nutte ten opzichte van den in het rekest nauwkeurig aangeduiden grond;
- b. door hem wordt verzocht dat Onze Minister de in art. 182 genoemde verklaring zal geven, dat de in het rekest aangeduide grond noodig is ten behoeve van de ontginning van den verzoeker.
Het in het eerste lid van dit artikel genoemd verzoekschrift moet vergezeld gaan van een authentiek afschrift van de gerechtelijke akte van concessie of van een authentiek afschrift der gerechtelijke akte, waaruit blijkt,dat de concessie ten name van den verzoeker is overgeschreven, en voorts van een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten en grondteekeningen van het aan te leggen werk, houdende tevens een duidelijke aanwijzing van de perceelen grond, welke de concessionaris wenscht te zien afgestaan met toepassing van de bepalingen regelende de onteigening ten algemeenen nutte en van de namen der rechthebbenden op ieder perceel.
Wanneer tot het maken van het in het tweede lid van dit artikel bedoeld plan, gravingen, opmetingen of het stellen van teekenen op of in iemands grond noodig geacht worden, moeten de rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden dit toelaten, mits hun dit tweemaal vier en twintig uren te voren door Onze Minister schriftelijk is aangezegd.
De schade, door de in het derde lid van dit artikel bedoelde verrichtingen veroorzaakt, wordt behoudens het recht van den belanghebbende om zich tot den bevoegden rechter te wenden, voorlopig begroot en door den concessionaris vergoed.
Artikel 215
Het in het eerste lid van art. 214 bedoeld verzoekschrift wordt bekend gemaakt overeenkomstig het bepaalde bij art. 34, behoudens dat in dit geval de bekendmakingen geschieden op kosten van den concessionaris.
Het uitgewerkte plan en de daarbij behoorende kaarten en grondteekeningen worden ter inzage van belangstellenden gelegd, ter plaatse door Onze Minister te bepalen en bij de bekendmaking in de Staatscourant bekend gesteld.
Artikel 216
De rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden kunnen binnen den tijd van drie maanden nadat het in het eerste lid van art. 214 bedoeld verzoekschrift op de in art. 34 aangeduide wijze is bekend gemaakt en binnen den tijd van twee maanden gerekend van den dag waarop de bekendmaking in de Staatscourant opgenomen, voor hunne belangen opkomen op den voet van het eerste en tweede lid van art. 164.
De bezwaarschriften worden ingediend bij Onze Minister.
Artikel 217
De in art. 182 bedoelde verklaring dat ten behoeve van eene ontginning bepaaldelijk aangewezen, niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende gronden voor een langer tijdperk dan drie jaren noodig zijn, wordt door Onze Minister gegeven bij een met redenen omkleede beschikking.
In de beschikking wordt ten behoeve van de ontginning noodige grond nauwkeurig aangewezen met aanduiding van de perceelen waaruit de grond bestaat, en de namen der rechthebbenden op ieder perceel.
De beschikking wordt, op kosten van den concessionaris, in de Staatscourant openbaar gemaakt.
Onze Minister geeft, met verwijzing naar datum en nummer van de Staatscourant, waarin de beschikking is openbaar gemaakt, aan de beschikking verdere bekendheid door schriftelijke kennisgeving aan de rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden.
Artikel 218
De concessionaris handelt vervolgens, onder overlegging van de in art. 182 en 217 genoemde verklaring, overeenkomstig de bepalingen regelende de onteigening ten algemeenen nutte in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, vastgelegd in de Onteigeningswet BES, en verzoekt toepassing van die bepalingen ten einde den voor zijne ontginning noodigen grond in eigendom te verkrijgen.
Artikel 219
Op het door de concessionaris ingevolge het bepaalde bij artikel 218 te voeren proces en de gevolgen daarvan zijn de bepalingen van de Onteigeningswet BES van overeenkomstige toepassing.
Artikel 220
Indien eene ontginning van rijksoverheidswege wordt ondernomen, gelden in verband met art. 183 de bepalingen der artt. 215 tot en met 219 ook voor de rijksoverheid, met dien verstande dat voor de rijksoverheid handelt en optreedt de in de beschikking genoemd in het tweede lid van art. 214 en art. 236, aangewezen persoon of autoriteit en een afschrift van die beschikking in de plaats treedt van het afschrift of de afschriften der gerechtelijke akten van concessie.
Artikel 221
Indien de beschikking over tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, binnen het concessie-terrein gelegen gronden ten behoeve van eene particuliere mijnontginning voor een langer tijdperk dan drie jaren noodig is of indien na verloop van den aanvankelijk voldoende geachten termijn van drie jaren nog verdere beschikking noodig blijkt, verleent Onze Minister op daartoe door den concessionaris gedaan verzoek op den voet van het eerste lid van art. 181 en mitsdien onder de door hen noodig geoordeelde voorwaarden verlof om over den benoodigden grond te beschikken, mitsdien om dien grond in gebruik te nemen dan wel in gebruik te houden. Het tweede, derde en vierde lid van art.214 zijn ten deze toepasselijk.
Indien op de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gronden door derden rechten worden uitgeoefend, bepaalt Onze Minister, nadat die derden ter zake zullen zijn geraadpleegd, bij het te verleenen verlof de som, welke door den concessionaris als schadeloosstelling aan die derden behoort te worden uitgekeerd dan wel waarvoor zekerheid zal moeten worden gesteld alvorens de concessionaris krachtens het verleend verlof over den grond zal mogen beschikken en de derden, die daarop rechten uitoefenen, zulks zullen moeten gedoogen.
Van de beschikking, waarbij het in dit artikel bedoeld verlof wordt verleend, wordt een afschrift uitgereikt aan hen, die op de door den concessionaris benoodigden grond rechten uitoefenen.
Artikel 222
Indien zij, die rechten op de benoodigde gronden uitoefenen, met de door Onze Minister bij het in het tweede lid van art. 221 bedoelde beschikking bepaalde schadeloosstelling geen genoegen nemen of wel indien de concessionaris wenscht haar door den rechter begroot te zien, wordt door de belanghebbende partij de beslissing van den rechter ingeroepen.
De belanghebbende wendt zich tot den bevoegden rechter met het verzoek om de schadeloosstelling, die ter zake behoort te worden uitgekeerd, te bepalen. Het verzoekschrift moet door den verzoeker bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte aan de wederpartij worden beteekend; het exploit van beteekening moet bij het verzoekschrift worden overgelegd.
Op de bepaling van de schadeloosstelling zijn de bepalingen van de Onteigeningswet BES van overeenkomstige toepassing.
Artikel 223
Over Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorenden grond, waarop derden rechten uitoefenen, mag, indien de beslissing van den rechter nopens de te betalen schadeloosstelling overeenkomstig het bepaalde bij art. 222 is ingeroepen, in afwachting van die beslissing door den concessionaris onmiddellijk worden beschikt nadat door hem de door Onze Minister bij het verleenen van het verlof overeenkomstig het bepaalde bij het tweede lid van art. 221 bepaalde som, welke als schadeloosstelling aan die derden behoort te worden uitgekeerd dan wel waarvoor zekerheid moet worden gesteld, ter griffie van den betrokken rechter zal zijn gedeponeerd.
Het in art. 22 bedoeld verlof om te beschikken over tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende gronden, waarop derden rechten uitoefenen, vervalt, wanneer niet binnen zes maanden na de dagteekening van de beschikking, waarbij het verlof door Onze Minister is verleend, de schadeloosstelling betaald of daarvoor zekerheid gesteld is.
De concessionaris is in het geval, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, gehouden tot vergoeding der schade welke derden die op den grond rechten uitoefenen, door de beschikking over den grond mochten hebben geleden.
Onder de in het derde lid van dit artikel genoemde schade zijn echter niet begrepen de kosten noodig om tot de bepaling van het bedrag der schadeloosstelling door den rechter te geraken, noch ook het verlies der voordeelen, die zij, door wie rechten op den grond worden uitgeoefend, uit de beschikking over den grond worden uitgeoefend, uit de beschikking over den grond zouden hebben getrokken.
Onder de schadeloosstelling zijn begrepen de wettelijke interessen daarvan, te rekenen van den achtsten dag, nadat de schadeloosstelling door Onze Minister, dan wel, indien de beslissing van den rechter is ingeroepen, door dezen is bepaald.
Artikel 224
Wanneer derden, die op tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende gronden rechten uitoefenen, de door Onze Minister overeenkomstig de voorschriften van art. 221 bepaalde schadeloosstelling weigeren aan te nemen en door den concessionaris op de in het eerste lid van art. 223 aangegeven wijze ter zake zekerheid is gesteld, kan nadat de beslissing van den rechter overeenkomstig het bepaalde bij het eerste lid van art. 222 is ingeroepen, in afwachting van die beslissing de concessionaris op zijn daartoe gedaan schriftelijk verzoek, krachtens bevelschrift van den president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie,desnoods door middel van den sterken arm, in het bezit van de in de beschikking van Onze Minister omschreven gronden worden gesteld.
Bij het verzoekschrift aan den president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie moeten worden overgelegd afschriften van de in art. 221 bedoelde beschikking en van de akte waaruit blijkt, dat ingevolge het eerste lid van art. 223 zekerheid is gesteld.
Artikel 225
Onder den concessionaris kan door derden beslag worden gelegd op de schadeloosstelling.
Wanneer onder den concessionaris beslag op de schadeloosstelling gelegd of wanneer rangregeling gevraagd mocht worden, doet hij terstond, zonder eenig aanbod, de gelden consigneeren en zich op de in art. 224 bepaalde wijze in het bezit van de gronden stellen.
Artikel 226
Erfdienstbaarheden kunnen gevestigd blijven op de gronden, waarvoor door den concessionaris ten behoeve van de ontginning wordt beschikt, maar alleen met diens goedvinden.
Alle verplichtingen, door de daartoe bevoegde macht op de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gronden gelegd, en alle belastingen ter zake daarvan volgens algemene maatregelen van bestuur verschuldigd, gaan van den dag, waarop de concessionaris op de in art. 224 aangegeven wijze in het bezit van die gronden is gesteld of anders waarop het in art. 221 bedoeld verlof door Onze Minister is verleend, op den concessionairs over.
Artikel 227
Indien tengevolge van oorzaken, welke de concessionaris bij machte was uit den weg te ruimen, met de noodige werken op den grond, waarover daartoe volgens het verleend verlof mocht worden beschikt, niet binnen twee jaren, nadat het in art. 221 bedoeld verlof is verleend, een aanvang gemaakt, of indien uit andere omstandigheden is aan te toonen dat over den grond blijkbaar niet voor het doel, waarvoor het verlof wordt verleend, zal worden beschikt, kan op verzoek van hen, die oorspronkelijk rechten op dien grond uitoefenden, het verleend verlof door Onze Minister worden ingetrokken en kunnen zij den grond in den toestand waarin hij zich alsdan bevindt terugvorderen, zoo noodig bij den rechter; maar onder gehoudenheid om, in evenredigheid tot de terugontvangen waarde, de door den concessionaris betaalde schadeloosstelling terug te geven.
Artikel 228
Indien de beschikking over tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, buiten het concessieterrein gelegen gronden ten behoeve van eene particuliere mijnontginning voor een langer tijdperk dan drie jaren noodig is, of indien na verloop van den aanvankelijk voldoende geachten termijn van drie jaren nog verdere beschikking noodig blijkt – onverschillig of op die gronden door derden aldan niet rechten worden uitgeoefend – verleent Onze Minister op daartoe door den concessionaris gedaan verzoek op den voet van het eerste lid van art. 181 en mitsdien onder de door hem noodig geoordeelde voorwaarden, verlof om over den benoodigden grond te beschikken. De artt. 168, 170 en 221 tot en met 227 zijn ten deze toepasselijk, met dien verstande dat zoowel voor den aanleg van de in het eerste lid van art. 170 bedoelde hulpwerken als voor den aanleg van de in het eerste lid van art. 181 genoemde wegen verlof tot beschikking over den noodigen grond kan worden verleend.
Artikel 229
Indien Onze Minister krachtens het eerste lid van art. 181 op tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende binnen of buiten het concessie-terrein gelegen gronden onder de door hem noodig geoordeelde voorwaarden en behoudens de rechten van derden, ten behoeve van een particuliere mijnontginning recht van opstal verleent tot plaatsing der noodige gebouwen, inrichtingen en werkplaatsen, geschiedt dat op den voet van de ten aanzien van het verleenen recht van opstal algemeen geldende bepalingen, behoudens dat alsdan het recht van opstal ook voor een langer tijdvak dan dertig jaren kan worden verleend.
Artikel 230
Indien een ontginning van rijksoverheidswege wordt ondernomen en ten behoeve van die ontginning de beschikking over tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, binnen of buiten het gebied dier ontginning gelegen gronden, waarop door derden rechten worden uitgeoefend, voor een langer tijdperk. dan drie jaren noodig is of indien na verloop van den aanvankelijk voldoende geachten termijn van drie jaren nog verdere beschikking over zoodanigen grond noodig blijkt, dan wordt zulks bij beschikking van Onze Minister geconstateerd en verlof verleend om over de noodige gronden te beschikken; bij diezelfde beschikking wordt de som bepaald welke als schadeloosstelling zal worden aangeboden aan hen, die op de benoodigde gronden rechten uitoefenen.
De persoon of autoriteit, die overeenkomstig het bepaalde bij het tweede lid van art. 213 en art. 236 is aangewezen om ter zake namens de rijksoverheid op te treden, wendt zich, indien zij, die op benoodigde gronden rechten uitoefenen, weigeren om met de in het eerste lid van dit artikel bedoelde schadeloosstelling genoegen te nemen, onder overlegging van afschriften van de in het tweede lid van art. 213 en het eerste lid van dit artikel bedoelde beschikkingen tot den bevoegden rechter met verzoek de schadeloosstelling te bepalen, die ter zake aan de rechthebbenden zal behooren te worden uitgekeerd.
Op het tot den rechter te richten verzoek is toepasselijk het bepaalde bij het tweede, derde en vierde lid van art. 214, behoudens dat overlegging van de gerechtelijke akten betreffende de concessie vervalt.
De vaststelling van de uit te keeren schadeloosstelling door den rechter geschiedt volgens de voorschriften van het derde lid van art. 222.
In afwachting van de beslissing van den rechter nopens de te betalen schadeloosstelling mag over de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gronden onmiddellijk worden beschikt nadat door de rijksoverheid de aangeboden som ter griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie zal zijn gedeponeerd.
Het in het eerste lid van dit artikel bedoeld verlof vervalt, wanneer niet binnen zes maanden na de dagteekening van de beschikking waarbij het verlof is verleend, de schadeloosstelling betaald of overeenkomstig het bepaalde bij het vijfde lid van dit artikel gedeponeerd is.
De voorschriften van het derde, vierde en vijfde lid van art. 223 en de artt. 225, 226 en 227 zijn ten deze toepasselijk met dien verstande dat wat daar ten aanzien van den concessionaris is voorgeschreven hier geldt voor de rijksoverheid.
Artikel 231
Indien de aangeboden schadeloosstelling is geweigerd kan; nadat zij overeenkomstig het bepaalde bij het vijfde lid van art. 230 is gedeponeerd, de rijksoverheid krachtens bevelschrift van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, desnoods door middel van den sterken arm, in het bezit van de in het eerste lid van dit art. 230 bedoelde gronden worden gesteld.
Bij het daartoe strekkend verzoekschrift van den persoon of de autoriteit, genoemd in het tweede lid van art. 213 moeten worden overgelegd afschriften van het in het eerste lid van art. 230 bedoelde beschikking en van de akte waaruit blijkt dat de aangeboden som ter griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is gedeponeerd.
Artikel 232
Indien voor den aanleg van wegen of van hulpwerken, overeenkomstig het eerste lid van art. 170 de beschikking over niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, buiten het concessie-terrein gelegen gronden ten behoeve van eene particuliere mijnontginning noodig is, en blijkt dat partijen zich over den afstand van dien grond niet kunnen verstaan, dan wordt ingevolge het tweede lid van art. 181 op verzoek van den concessionaris overgegaan tot toepassing van de bepalingen, regelende de onteigening ten algemeenen nutte en zulks overeenkomstig de dienaangaande in de artt. 214 tot en met 219 gegeven voorschriften, zullende dat wat daar bepaald is ten aanzien van niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, binnen het concessie-terrein gelegen gronden, hier toepasselijk zijn op niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, buiten het concessie-terrein gelegen gronden.
Indien eene ontginning van rijksoverheidswege wordt ondernomen, geldt het bepaalde bij het eerste lid van dit artikel in verband met art. 165 ook voor de rijksoverheid met dien verstande dat voor de rijksoverheid handelt en optreedt de in de beschikking, genoemd in het tweede lid van art. 213 en art. 236, aangewezen persoon of autoriteit en een afschrift van die beschikking in de plaats treedt van het afschrift of de afschriften der gerechtelijke akten van concessie.
Artikel 233
Wanneer, ten einde te kunnen voldoen aan de in artt. 67, 111 en 123 aan den concessionaris opgelegde verplichting, uit- of ontgravingen, opmetingen of het stellen van merkteekens op iemands grond noodig geacht worden, moeten rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden dit op den voet van het bepaalde in het derde en vierde lid van art. 214 toelaten.
Artikel 234
Indien door mijnbouwkundige opsporingen of eene mijnontginning aan den bovengrond of hetgeen daartoe behoort, schade wordt gebracht zijn de rechthebbenden op dien bovengrond bevoegd om, in plaats van eene schadevergoeding in geld te eischen, te vorderen dat binnen zekeren tijd de vroegere toestand door den opspoorder of den concessionaris dan wel, in geval van opsporingen of ontginning van rijksoverheidswege, door de rijksoverheid zoo mogelijk worde hersteld, mits daardoor het bedrijf van opspoorder of den concessionaris niet wordt belemmerd of onmogelijk gemaakt, onverminderd het recht van de rechthebbenden op den bovengrond om voor elke waardevermindering van den grond, welke na het herstel in den vroegeren toestand mocht blijven bestaan, krachtens art. 164 ook schadevergoeding te eischen. Zouden evenwel de kosten, aan het herstel van den vroegeren toestand verbonden, het bedrag eener schadevergoeding in geld overtreffen, dan zijn de rechthebbenden of belanghebbenden bij den bovengrond verplicht zich met eene schadevergoeding te vergenoegen.
Artikel 235
Zij, die kunstwegen, spoorwegen of andere openbare verkeersmiddelen aanleggen op gronden, gelegen binnen een terrein, waarvoor concessie tot het winnen van delfstoffen is verleend, zijn verplicht tot vergoeding van schade aan den concessionaris, indien deze tengevolge van door de met het toezicht belaste ambtenaren gegeven voorschriften in verband met den aanleg dier verkeersmiddelen zijn bedrijf moet beperken, iets heeft moeten verrichten dat anders niet noodig zou zijn geweest of reeds bestaande werken in de mijn heeft moeten opruimen of veranderen, dan wel indien door den aanleg dier verkeersmiddelen het bedrijf van den concessionaris moeilijker of duurder wordt.
Artikel 236
Indien na een van rijksoverheidswege ingesteld onderzoek, eene ontginning van rijksoverheidswege wordt ondernomen, wordt door Onze Minister, den Raad van Bestuur gehoord, bij beschikking het terrein aangewezen waarbinnen tot die mijnontginning zal worden overgegaan; de sluiting van het terrein overeenkomstig het bepaalde bij art. 176 voor mijnbouwkundige opsporingen van particulieren kan bij dezelfde beschikking worden bepaald.
De beschikking houdt tevens aanwijzing in van den persoon of de autoriteit, die wordt gemachtigd om voor de rijksoverheid ter zake van de voorgenomen ontginning het noodige, ook in rechten, te verrichten.
De beschikking wordt openbaar gemaakt in de Staatscourant.
Titel III. Voorschriften ter uitvoering van art. 3, tweede lid der Mijnwet BES
hoofdstuk Eenig. In- en overschrijving van concessiën.
Artikel 237
De titel van aankomst van het op grond van de concessie verworven recht, bedoeld in art. 3 der Mijnwet BES, moet met inachtneming van de bepalingen van dit artikel worden openbaar gemaakt door inschrijving van de concessie in de openbare registers, op dezelfde wijze als is voorgeschreven voor de in het Burgerlijk Wetboek BES opgenoemde zakelijke rechten.
De openbaarmaking geschiedt op verzoek van den concessionaris en zonder medewerking of vertegenwoordiging van de rijksoverheid door den daartoe bevoegden ambtenaar binnen wiens ressort het concessie-terrein is gelegen.
In de gerechtelijke akte van concessie waarbij de openbaarmaking geschiedt, moet de concessie-beschikking volledig worden opgenomen.
Eerst na de openbaarmaking van den titel van aankomst (inschrijving der concessie) bestaat het op grond van de concessie verworven recht tegenover derden. Eerst dan kan dat recht worden vervreemd en met hypotheek belast en door den concessionaris als zoodanig worden opgetreden tegenover rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden.
In de beschikking waarbij een concessie wordt verleend, wordt de concessionaris verwezen naar de bepalingen van dit artikel.
Artikel 238
Overschrijving van de rechten en verplichtingen uit eene concessie voortvloeiende, op de rechtverkrijgenden van den overleden wettigen houder of op andere personen of vennootschappen, ingevolge het derde lid van art. 5 der Mijnwet BES, heeft niet plaats tenzij die rechtverkrijgenden of verkrijgers aan de autoriteit, voor welke de overschrijving moet geschieden, onder overlegging van de overige voor de bewerkstelling van die overschrijving benoodigde stukken, aantoonen dat zij voldoen aan de vereischten van voormeld artikel.
Hetzelfde geldt bij vervreemding van de concessie, ook waanneer vóór de inwerkingtreding der Mijnwet BES verleende concessiën worden vervreemd.
De aantooning, bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, wordt geleverd òf door de overlegging van de mededeeling aan belanghebbenden gedaan ingevolge art. 26 òf door de overlegging van de ingevolge art. 20 van dit besluit in verband met het derde lid van art. 5 der Mijnwet BES verleende goedkeuring of, zoo er een geschil is geweest nopens het voldoen aan de vereischten, door de overlegging van een authentiek afschrift der beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie waarbij is beslist dat de belanghebbende aan die vereischten voldoet.
In de gerechtelijke akte moet uitdrukkelijk worden vermeld, dat de betrokkene heeft aangetoond aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten te voldoen.
Artikel 239
De bewijzen van overgang van het op grond van de concessie verworven recht en alle akten, waarbij dat recht met hypotheek wordt belast of verbonden, zoomede alle akten van cessie van zoodanige hypotheken, worden verleden voor een notaris.
In de bewijzen van overgang moet de concessie-beschikking volledig worden opgenomen.
Overschrijving van eene concessie op de rechtverkrijgenden van den overleden wettigen houder of op andere personen of vennootschappen heeft niet plaats tenzij die rechtverkrijgenden en verkrijgers hebben voldaan aan het bepaalde bij het vorige artikel en door aanbieding der quitantiën is aangetoond of op andere wijze blijkt, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.
Akten in strijd met het bepaalde bij dit artikel verleden, zijn nietig.
Artikel 240
De in geval van splitsing van een concessie-terrein,verwisseling van gedeelten van concessie-terreinen en vereeniging van concessie-terreinen en in geval van gedeeltelijke intrekking van een concessie door Onze Minister te verleenen nieuwe akten van concessie (nieuwe concessie-beschikkingen) moeten ook op de in art. 237 bedoelde wijze op verzoek van de concessionarissen worden openbaar gemaakt; de overige bepalingen van dat artikel zijn ten deze mede toepasselijk.
Van de splitsing van een concessie-terrein, verwisseling van gedeelten van concessie-terreinen, vereeniging van concessie-terreinen en gedeeltelijke intrekking van een concessie zal door den betrokken ambtenaar aanteekening moeten worden gehouden op de minuut en gros van de oorspronkelijke gerechtelijke concessie-akte, zoomede, indien het op grond van de concessie verworven recht met hypotheek is belast, op de minuut van den schuldbrief, in het protocol en op de gros.
Gelijke aanteekening zal door den betrokken ambtenaar moeten worden gehouden van elke wijziging van de grensomschrijving en oppervlakte van het concessie-terrein als bedoeld in art. 98 en van elke wijziging of uitbreiding van de concessie-voorwaarden als bedoeld in art. 144. De concessionarissen en hypotheekhouders zullen den betrokken ambtenaar daartoe door vertooning van de grossen der gerechtelijke concessie-akten en schuldbrieven in staat moeten stellen.
Artikel 241
Van elke gerechtelijke akte van concessie als bedoeld in de artt. 237 en 240, en van elke akte van overgang als bedoeld in art. 239, wordt door den betrokken ambtenaar binnen een week na het verlijden kosteloos een volledig afschrift aangeboden aan Onze Minister.
Artikel 242
De notarissen zijn persoonlijk, in rechten, aansprakelijk voor de schade, welke veroorzaakt wordt door niet-naleving van de voor hen geldende voorschriften van dit besluit.
Titel IV. Voorschriften ter uitvoering van art. 5, vierde lid, der Mijnwet BES.
hoofdstuk Eenig. Over de geschillen nopens het voldoen aan de vereischte gesteld in art. 5 der Mijnwet BES.
Artikel 243
Binnen een termijn van drie maanden ingaande met den datum van de in het eerste lid van art. 16, het eerste lid van art. 17 of het tweede lid van art. 27 bedoelde gerechtelijke beteekening kan de belanghebbende, zoo hij niet in de te zijnen aanzien genomen beschikking van Onze Minister berust, het geschil bij een met redenen omkleed verzoekschrift, vergezeld van de noodige bescheiden, waaronder de beteekende beschikking en het exploot van beteekening, onderwerpen aan de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het verzoekschrift kan ook worden ingediend door een daartoe bij authentieke akte aangewezen bijzonderen gemachtigde.
Artikel 244
Het in art. 243 bedoeld verzoekschrift wordt met de bijbehoorende stukken ingediend ter griffie van het Hof.
De griffier teekent op het verzoekschrift den datum van indiening aan en geeft kosteloos een gedagteekend bewijs van ontvangst daarvoor af.
Artikel 245
De griffier van het Hof zendt binnen acht dagen na de indiening kosteloos een volledig afschrift van het verzoekschrift aan Onze Minister.
Artikel 246
De indiening van het verzoekschrift wordt ten spoedigste vanwege Onze Minister in de Staatscourant aangekondigd.
Artikel 247
Het Hof beschikt op het tijdig ingediend verzoekschrift na den Procureur-generaal te hebben gehoord en met inachtneming van de navolgende bepalingen, maar overigens buiten vorm van proces.
Artikel 248
Inlichtingen, welke het Hof van Onze Minister mocht wenschen te ontvangen, worden schriftelijk gevraagd en gegeven.
De verzoeker kan tot het Hof het verzoek richten om in persoon of bij een door hem aangestelden bijzonderen gemachtigde over de zaak te worden gehoord; hij is bevoegd bij zijn verzoek op te geven over welke punten hij wenscht dat het verhoor zal loopen.
Het Hof is ook ambtshalve bevoegd den verzoeker of den door dezen aangestelden bijzonderen gemachtigde over de zaak te hooren.
De oproeping van den verzoeker of diens gemachtigde geschiedt bij aangeteekenden dienstbrief van den griffier van het Hof. Wanneer het Hof ambtshalve besluit den verzoeker of diens gemachtigde te hooren, wordt bij de oproeping medegedeeld over welke punten het Hof den verzoeker of diens gemachtigde wenscht te hooren.
Zoowel wanneer ingevolge een verzoek als bedoeld in het tweede lid van dit artikel de verzoeker of diens gemachtigde door het Hof moet worden gehoord en de verzoeker de punten heeft opgegeven waarover hij wenscht dat het verhoor zal loopen, als wanneer het Hof ambtshalve besluit den verzoeker of diens gemachtigde te hooren, wordt daarvan door den griffier ten spoedigste aan Onze Minister kennis gegeven, onder opgave van dag en uur, waarop het verhoor is bepaald, en hetzij door den verzoeker opgegeven punten hetzij van die, waarover het Hof den verzoeker of diens gemachtigde wenscht te hooren, zijnde het Hof niettemin in beide gevallen bevoegd het verhoor ook te doen loopen over andere punten dan genoemd in de kennisgeving aan Onze Minister en in de oproeping bedoeld in het vierde lid van dit artikel. Zoo noodig kan het Hof het verhoor voortzetten op een nader te bepalen dag en uur, in welk geval geen nieuwe oproeping van den verzoeker of diens gemachtigde en, tenzij Onze Minister aanvankelijk niet bij het verhoor was vertegenwoordigd, ook geen nieuwe kennisgeving aan Onze Minister worden vereischt.
De verzoeker of diens gemachtigde is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan.
Onze Minister is bevoegd zich bij het verhoor te doen vertegenwoordigen.
De verzoeker mag in den loop van het onderzoek nieuwe stukken overleggen.
Ook Onze Minister is bevoegd in den loop van het onderzoek stukken te doen overleggen en aan het Hof inlichtingen te doen verstrekken.
Artikel 249
De eindbeslissing, door het Hof ingevolge art. 247 genomen, heeft tusschen partijen kracht van gewijsde.
Artikel 250
De griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie zendt van de eindbeslissing van het Hof binnen veertien dagen kosteloos een volledig afschrift aan Onze Minister.
Indien het Hof beslist, dat de verzoeker aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet, zendt de griffier hem daarvan binnen veertien dagen bericht bij aangeteekenden dienstbrief en worden hetzij de in artt. 16 en 17 bedoelde beschikkingen hetzij de in art. 27 bedoelde beschikking van Onze Minister zoo noodig ingetrokken.
Tevens worden hetzij de aangevraagde vergunning of concessie hetzij de verzochte toestemming tot overdracht van eene vergunning hetzij de gevraagde goedkeuring van de overdracht van het recht op concessie of van eene concessie verleend, tenzij inmiddels tegen het verleenen andere bezwaren mochten zijn gerezen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)