Mijnbesluit BES

Type Amvb Bes
Publication 2010-10-10
State In force
Source BWB
artikelen 279
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

De verzoeker kan tegen vergoeding der kosten van de beslissing van het Hof afschrift nemen.

Artikel 251

1.

Indien het Hof beslist, dat de verzoeker niet voldoet aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten of heeft opgehouden daaraan te voldoen, wordt hem de beslissing van het Hof vanwege Onze Minister bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte beteekend.

2.

In elk geval wordt de eindbeslissing van het Hof ten spoedigste vanwege Onze Minister in de Staatscourant bij uittreksel aangekondigd.

Artikel 252

1.

Van de beteekening bedoeld in het eerste lid van art. 16 en het eerste lid van art 17, tot het verstrijken van den termijn aangegeven in art. 243 of, ingeval een verzoekschrift, als in art. 243 bedoeld, is ingediend tot de beslissing van het Hof aan den houder der vergunning zal zijn medegedeeld (art. 250) of beteekend (art. 251), mogen de opsporingen worden voortgezet en mag de vergunning worden verlengd een en ander behoudens het bepaalde bij de artt. 47, 48, 49 en 142.

2.

De houder der vergunning zal echter van de in het eerste lid van art. 16 en het eerste lid van art. 17 bedoelde beteekening af niet bevoegd zijn de vergunning over te dragen.

Dit verbod houdt op, wanneer op een door den houder der vergunning ingediend verzoekschrift door het Hof is beslist, dat hij aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet.

Artikel 253

1.

Van de beteekening bedoeld in art. 27 tot het verstrijken van den termijn aangegeven in art. 243 of, ingeval een verzoekschrift, als in laatstgenoemd artikel bedoeld, is ingediend, tot de beslissing van het Hof aan den houder van het recht op concessie of aan den concessionaris zal zijn medegedeeld, of beteekend, mogen de in art. 88 bedoelde werkzaamheden of de ontginning worden voortgezet.

2.

De houder van het recht op concessie of de concessionaris zal echter van eerstbedoelde beteekening af niet bevoegd zijn het recht op concessie over te dragen of het op grond van de concessie verworven recht te vervreemden of met hypotheek te belasten. Dit verbod houdt op, wanneer op een door den houder van het recht op concessie of door den concessionaris ingediend verzoekschrift door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is beslist, dat hij aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet.

Titel V. Vervallenverklaring van rechten, intrekking van concessiën, en van rechtswege vervallen van het recht op concessie en van concessiën.

Artikel 254

In geval Onze Minister het voornemen heeft gebruik te maken van de hem in art. 7 lid 1 der Mijnwet BES gegeven bevoegdheid om een concessionaris van de hem bij de concessie verleende rechten vervallen te verklaren, wordt dit aan den concessionaris of zijn gemachtigde te kennen gegeven bij een met redenen omkleede beschikking, die van rijksoverheidswege aan den belanghebbende bij deurwaardersexploit wordt beteekend.

Artikel 255

De beschikking waarbij een concessionaris van de hem bij zijne concessie verleende rechten wordt vervallen verklaard, wordt genomen na den Raad van Bestuur daarop te hebben gehoord; zij wordt met redenen omkleed en van rijksoverheidswege aan den belanghebbende bij deurwaardersexploit beteekend.

Artikel 256

1.

De concessionaris, die intrekking zijner concessie verlangt, richt zich daartoe tot Onze Minister bij schriftelijk verzoek, dat op kosten en door de zorg van den concessionaris aan de belanghebbende hypotheekhouders, zoo deze er zijn, bij eene bij deurwaardersexploit beteekende akte medegedeeld en openbaar gemaakt in de Staatscourant en een ander dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad.

2.

Ingeval de concessie reeds in de openbare registers is ingeschreven, moet het verzoekschrift vergezeld gaan van eene verklaring van den betrokken hypotheekbewaarder, houdende opgave van de namen van hen, die blijkens de openbare registers bekend staan als houder der betrokken concessie en als hypothecaire schuldeischer of schuldeischers.

Artikel 257

Van af de beteekening bedoeld in het eerste lid van art. 256, is de concessionaris niet bevoegd de concessie te vervreemden of met hypotheek te belasten.

Artikel 258

1.

Ieder belanghebbend schuldeischer is bevoegd, binnen drie maanden na de in het eerste lid van art. 256 voorgeschreven beteekening en openbaarmaking van het verzoekschrift van den concessionaris, zich te wenden tot het Gemeenschappelijk Hof van Justitie met het verzoek om, na alle betrokken partijen in de gelegenheid te hebben gesteld, om voor hare belangen op te komen, te bevelen, dat de concessie, met inbegrip van de mijnwerken en van hetgeen tot verzekering en bekleeding daarvan dient, op zijne kosten, binnen een door het Hof bepaalde termijn, in het openbaar en overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES worde verkocht, ten einde uit de opbrengst het beloop zijner schuldvordering met de renten en kosten te verhalen.

2.

De beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, waarbij de openbare verkooping der concessie is bevolen, moet aan den concessionaris bij deurwaardersexploit worden beteekend. Het exploit van de verrichte beteekening geldt als executoriaal beslag.

3.

De openbare verkooping der concessie geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES in het bijzonder die betreffende de gerechtelijke uitwinning van onroerende goederen en andere daarmede verband houdende bepalingen van dat wetboek, voor zoover die bepalingen hier toepassing kunnen vinden en met dien verstande, dat in die bepalingen:

  • a. voor «de of den executant», «de of den beslaglegger» en «den arrestant» wordt gelezen : «hij of hem op wiens verzoek door den rechter de openbare verkooping der concessie is bevolen»;
  • b. voor «den persoon of de partij tegen wien of tegen welke het beslag gedaan is» en «de partij, welker goederen zijn in beslag genomen» wordt gelezen: «den concessionaris die intrekking zijner concessie heeft verzocht»;
  • c. voor «in beslag genomen goederen» wordt gelezen: «concessie met inbegrip van de mijnwerken en van hetgeen tot verzekering en bekleeding daarvan dient»;
  • d. voor «de geëxecuteerde» wordt gelezen: «de concessionaris wiens concessie verkocht is»;
  • e. voor ,«executie» wordt gelezen: «verkooping».
4.

Indien geen verzoek tot openbare verkoop bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is ingediend, geeft de Griffier van dat college eene desbetreffende verklaring aan den concessionaris af, welke aan Onze Minister zal worden overgelegd, met de relazen, waaruit van eene behoorlijke beteekening van het verzoek aan de hypotheekhouders blijkt.

Artikel 259

1.

Nadat de concessionaris, die intrekking zijner concessie heeft verzocht, de in het 4e lid van art. 258 bedoelde verklaring van den Griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en relazen aan Onze Minister heeft ingediend en indien wel een openbare verkooping heeft plaats gehad, maar deze tot geen resultaat heeft geleid, wordt tot intrekking van de concessie overgegaan.

2.

Ingeval de indiening van de in het eerste lid van dit artikel genoemde verklaring en relazen niet binnen een jaar na de dagteekening van het verzoek om intrekking der concessie heeft plaats gehad, wordt dat verzoek als vervallen beschouwd.

3.

Van de beschikking, waarbij de concessie op verzoek wordt ingetrokken, wordt ten spoedigste een afschrift toegezonden aan den betrokken hypotheekbewaarder.

4.

De bewaarder houdt vervolgens aanteekening daarvan in het dagregister en terzijde van de overschrijving van de akte van concessie en zoo de concessie met hypotheek is belast, ook terzijde van de inschrijving van het borderel betreffende de vestiging der bedoelde hypotheek.

5.

De beschikking wordt van wege Onze Minister in de Staatscourant, volledig openbaar gemaakt.

6.

De concessionaris, wiens concessie op eigen verzoek is ingetrokken, moet de ontginning onmiddellijk staken of doen staken. Wordt in strijd hiermede gehandeld, dan is de politie bevoegd de voortzetting der werkzaam- heden of der ontginning te beletten.

Artikel 260

Ingeval de concessie, ingevolge de bepaling van het eerste lid van art. 258 in het openbaar is verkocht, moet de concessionaris, die intrekking zijner concessie heeft verzocht, de concessie met inbegrip van de mijnwerken en van hetgeen tot verzekering of bekleeding daarvan dient, aan den nieuwen concessionaris overgeven.

Artikel 261

1.

Wanneer een houder van het recht op concessie of een concessionaris naar het oordeel van Onze Minister heeft opgehouden aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde eischen te voldoen en de termijn, bedoeld bij art. 243 is verstreken, zonder dat de beslissing van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is ingeroepen, of, zoo dit wel het geval is geweest, het Hof in den zelfden zin als Onze Minister heeft beslist, wordt door Onze Minister bij een met redenen omkleede beschikking aangeteekend, dat en van welk tijdstip af het recht op concessie of de concessie, ingevolge art. 6 sub a der Mijnwet BES, van rechtswege is vervallen.

2.

Op de zelfde wijze wordt gehandeld wanneer het recht op concessie of de concessie, ingevolge art 6 sub b der Mijnwet BES, van rechtswege is vervallen ten aanzien van die rechtverkrijgenden van een overleden houder van het recht op concessie of van een overleden concessionaris, die naar het oordeel van Onze Minister – en, ingeval van geschil, volgens de beslissing van het Hof – niet binnen den in art. 5 der Mijnwet BES genoemden termijn aan de in dat artikel gestelde vereischten hebben voldaan.

3.

De in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde beschikking wordt ten spoedigste door Onze Minister aan den belanghebbende bij eene bij deurwaardersexploit beteekende akte medegedeeld.

4.

De beschikking wordt in de Staatscourant en in de Staatscourant, bij uittreksel aangekondigd.

Artikel 262

1.

De houder van het recht op concessie, wiens recht, of de concessionaris, wiens concessie ingevolge art. 6 sub a der Mijnwet BES van rechtswege is vervallen, moet, zoodra zijne bevoegdheid om, krachtens het eerste lid van art. 253, de in art. 88 bedoelde werkzaamheden, of de ontginning voort te zetten heeft opgehouden, deze onmiddellijk staken of doen staken.

2.

Het zelfde geldt voor rechtverkrijgenden van een overleden houder van het recht op concessie of van een overleden concessionaris, te wier aanzien het recht op concessie of de concessie ingevolge art. 6 sub b der Mijnwet BES van rechtswege is vervallen.

3.

De politie is bevoegd de voortzetting der werkzaamheden of der ontginning in strijd met het bepaalde bij dit artikel, te beletten.

Artikel 263

1.

Wanneer een concessie van rechtswege is vervallen, zal de betrokken bewaarder der hypotheken daarvan aanteekening houden in het dagregister en ter zijde van de overschrijving van de akte van concessie en, zoo de concessie met hypotheek is belast, ook ter zijde van de inschrijving van het borderel betreffende de vestiging der bedoelde hypotheek.

2.

Tot het stellen van bovenbedoelde aanteekeningen zal door Onze Minister aan den in het eerste lid van dit artikel bedoelden bewaarder een afschrift van de in artikel 261 bedoelde beschikking worden toegezonden.

Slotbepalingen.

Artikel 264

In dit besluit wordt verstaan onder vertegenwoordiger van den vergunninghouder of van den concessionaris, de door den niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigden vergunninghouder of concessionaris, ingevolge het bepaalde bij het eerste lid van art. 5 der Mijnwet BES aangestelde vertegenwoordiger.

Artikel 265

Behoudens het bepaalde betreffende de betaling van vast recht en de deswege verschuldigde boeten en kosten, moeten, wanneer de vergunninghouder of de concessionaris niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba is gevestigd, de voor hen geldende voorschriften der Mijnwet BES en van dit besluit worden nagekomen door hunne vertegenwoordigers aldaar, blijvende niettemin, in geval van verzuim of nalatigheid van den vertegenwoordiger, de vergunninghouder of de concessionaris, bepaaldelijk ook voor zooveel betreft de geldelijke gevolgen, voor die nakoming aansprakelijk.

Artikel 266

1.

Wanneer de hetzij in Bonaire, Sint Eustatius en Saba hetzij niet aldaar gevestigde vergunninghouder of concessionaris dan wel hun vertegenwoordiger is eene naamlooze vennootschap dan rust de verplichting tot nakoming van de voorschriften der Mijnwet BES en van dit besluit op elk der bestuurders persoonlijk, zijnde echter de naamlooze vennootschap zelve alleen aansprakelijk voor de betaling van het vast recht, de deswege verschuldigde boeten en kosten zoomede voor de overige geldelijke gevolgen van de niet nakoming der genoemde voorschriften.

2.

Is het bestuur dier naamlooze vennootschap opgedragen aan eene andere naamlooze vennootschap, dan is het bepaalde bij het eerste lid van dit artikel van toepassing op de bestuurders der besturende naamlooze vennootschap.

Artikel 267

1.

Voor zoover in de Mijnwet BES en dit besluit niet anders is bepaald, komen de daarin voorgeschreven gerechtelijke beteekeningen ten laste ’s Rijks kas.

2.

Wanneer de gerechtelijke beteekening is geschied aan het gekozen domicilie, wordt daarvan door den Procureurgeneraal bij aangeteekenden dienstbrief kennis gegeven aan den belanghebbende, indien zijn woonplaats of verblijf bekend is. De kennisgeving geschiedt ten koste van den belanghebbende.

Artikel 268

1.

Dit besluit wordt aangehaald als: Mijnbesluit BES.

2.

De Mijnwet BES en dit besluit treden in werking drie maanden na den dag der uitgifte van het Publicatieblad, waarin dit besluit geplaatst is.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)