Wijzigingsgeschiedenis
Schenk- en erfbelasting, bedrijfsopvolgingsregeling
4 versions
· 2024-06-15
2024-06-15
Schenk- en erfbelasting, bedrijfsopvolgingsregeling — arts. 4, 16, 3 y
2016-01-01
Schenk- en erfbelasting, bedrijfsopvolgingsregeling — arts. 35, 40, 5 y
2013-02-01
Schenk- en erfbelasting, bedrijfsopvolgingsregeling — arts. 1, 1, 1 y 3
Wijzigingen op 2013-02-01
@@ -321,263 +321,3 @@
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de plaatsing in de Staatscourant.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Ook zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd, waarmee geen beleidswijziging is beoogd.
### 2. Verzoeken om toepassing bedrijfsopvolgingsregeling
Een verzoek als bedoeld in [artikel 35b, zevende lid, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35b) kan worden aangemerkt als verzoek om uitstel van betaling als bedoeld in [artikel 25, twaalfde lid van de Invorderingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) en [artikel 6a van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004766&artikel=6a). Het uitstel van betaling dat op de onderbedelingsvordering van een medeverkrijger ziet, is niet automatisch gekoppeld aan een conserverende aanslag (artikel 25, dertiende lid, van de Invorderingswet en [artikel 6b van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004766&artikel=6b)). Het verzoek voor dat uitstel moet daarom apart bij de ontvanger worden gedaan.
### 3. Ondernemingsvermogen
De BOR geldt als er ondernemingsvermogen wordt verkregen. Hierna wordt ingegaan op het begrip ondernemingsvermogen.
### 3.1. Verhuur pand door een vennootschap aan een andere vennootschap van dezelfde aandeelhouder
Natuurlijk persoon A is 100% aandeelhouder van de besloten vennootschappen BV B en BV C. De enige bezitting van BV C bestaat uit een onroerende zaak die BV C verhuurt aan BV B. BV B oefent een materiële onderneming uit in die onroerende zaak. A schenkt de aandelen van beide vennootschappen aan natuurlijk persoon D. De BOR ziet niet op de aandelen in BV C. BV C oefent geen onderneming uit maar is een beleggingsvennootschap.
### 3.2. Vijfjaarseis en middellijk gehouden aandelen
(Vervallen per 1 januari 2010).
### 3.3. Toepassing 15%-regel
(Vervallen per 1 januari 2010).
### 3.4. Verkoop onderneming en kwijtschelding van de koopsom
Ik keur goed dat bij een kwijtschelding die onmiddellijk volgt op de overdracht van ondernemingsvermogen, voor de BOR kan worden aangenomen dat het ondernemingsvermogen het object van schenking is. Bij een gefaseerde kwijtschelding geldt de goedkeuring niet voor de tweede of volgende kwijtschelding.
### 3.5. Fictieve verkrijging
Een vader is vennoot in een vennootschap onder firma met zijn zoon. Het firmacontract bepaalt dat wanneer vader de hoedanigheid van vennoot opgeeft of verliest, zijn aandeel verblijft aan de zoon, die daarvoor de boekwaarde van het aandeel van zijn vader moet vergoeden. De BOR kan worden toegepast als vader bij leven zijn firma-aandeel overdraagt, dan wel als de firma eindigt door het overlijden van vader. Zowel bij de overdracht bij leven als bij overlijden is de BOR van toepassing op de waarde van het verkregen ondernemingsvermogen zonder dat daarop de tegenprestatie in mindering komt ([artikel 35b, vierde lid Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35b)).
### 3.6. Overlijden echtgenoot van de ondernemer
Voor toepassing van de BOR op ondernemingsvermogen moet dat ondernemingsvermogen zijn verkregen van een ondernemer in de zin [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.4) of [3.5 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.5) of van een medegerechtigde in de zin van [artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.3) ([artikel 35d, eerste lid, onderdelen a en b, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35d)).
### 3.6.1. Overleden echtgenoot was geen ondernemer
Ik keur goed dat in dit geval voor B’s onverdeelde helft van de onderneming de eis vervalt dat van een ondernemer moet worden verkregen. Hierbij gelden de overige voorwaarden van de BOR, zoals de voorwaarden dat A tot het overlijden van B ten minste één jaar de onderneming dreef en dat A de onderneming na het overlijden van B ten minste vijf jaren voortzet. Op de onderbedelingsvordering van de kinderen die betrekking heeft op het aan A toegedeelde ondernemingsvermogen, kan de uitstelregeling van [artikel 25, dertiende lid, van de Invorderingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) worden toegepast.
### 3.6.2. Overlijden echtgenoot van de deelnemer in een personenvennootschap
Op de onderbedelingsvordering van de kinderen op A die betrekking heeft op de aan A toegedeelde vordering van B, kan de uitstelregeling van [artikel 25, dertiende lid, van de Invorderingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) worden toegepast.
### 3.7. Finaal verrekenbeding
Man en vrouw zijn buiten gemeenschap van goederen getrouwd. Hun huwelijkse voorwaarden bevatten een finaal verrekenbeding. Bij overlijden van een van de echtgenoten wordt afgerekend alsof zij in wettelijke gemeenschap van goederen waren gehuwd. De vrouw overlijdt. De man heeft BOR-vermogen, waard 30, en een bankrekening met 70. De vrouw heeft een bankrekening met een saldo van 20. Ieder heeft recht op (120/2=) 60. Tot de nalatenschap van de vrouw behoort een verrekenvordering op de man van 40. De man krijgt de vordering. De BOR is van toepassing op 12 (3/10 van 40).
### 3.8. Indirecte overdracht van aandelen
Ik keur goed dat de BOR ook kan gelden bij een indirecte verkrijging van de aandelen, zoals schenking van aandelen ‘bovenover’ of ‘onderlangs’. Het gaat om de hierna genoemde situaties. Voor deze goedkeuring gelden uiteraard de overige voorwaarden en uitgangspunten van de BOR. Voor de toepassing van [artikel 7, derde en vierde lid, van de Uitvoeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027018&artikel=7) wordt dus ook uitgegaan van de waarde van de objectieve onderneming zoals die wordt toegerekend aan BV X. De goedkeuring betreft de volgende situaties.
### 3.9. Preferente aandelen
Voor de directe preferente aandelen is bepaald dat de verkrijger aandeelhouder is van de bij de omzetting nieuw uitgegeven gewone aandelen ([artikel 35c, vierde lid, onderdeel d, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35c)). Het is echter geen bezwaar als de verkrijger de aandelen indirect houdt. Artikel 35c, vierde lid, onderdeel d, van de Successiewet, kan dus zo worden gelezen dat de verkrijger van de preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal direct of indirect aandeelhouder is van gewone aandelen als bedoeld in onderdeel b.
### 3.9.1. Preferente aandelen die zijn ontstaan vóór 2010
Voor deze goedkeuring gelden de volgende vijf voorwaarden:
### 3.9.2. Preferente aandelen die vóór 2010 zijn ontstaan door omwisseling van een vordering.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:
### 3.10. Vruchtgebruik en bloot eigendom van aandelen
Bij een zogenoemde turboverdeling, kan de BOR bij de vruchtgebruiker niet worden toegepast voor zover deze krachtens huwelijksvermogensrecht reeds was gerechtigd tot de aandelen ([artikel 35f, tweede lid van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35f)).
### 3.11. Bezitseis
De goedkeuring geldt alleen voor zover de bezitseis betrekking heeft op aandelen. De bezitseis blijft onverkort gelden voor zover deze betrekking heeft op de onderneming of de medegerechtigdheid van het lichaam waarop het aanmerkelijk belang betrekking heeft en het beleggingsvermogen van dat lichaam. Zie hiervoor verder [artikel 35d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35d).
### 4. Toerekeningsregeling
Door de gezamenlijke toerekening wordt het bedrijfspand dat wordt verhuurd aan de werkmaatschappij aangemerkt als ondernemingsvermogen.
### 5. Verdeling nalatenschap of huwelijksgoederengemeenschap
Ik keur goed dat in zeer bijzondere gevallen op verzoek de inspecteur een redelijke verlenging toestaat van de tweejaarstermijn van [artikel 35f, derde lid, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35f). Het verzoek moet worden ingediend binnen de tweejaarstermijn. Bij zeer bijzondere omstandigheden kan worden gedacht aan de situatie waarin de vertraging in de verdeling van de nalatenschap of de huwelijksgemeenschap te wijten is aan overmacht. Als de vertraging is veroorzaakt door de Belastingdienst, dan wordt een verzoek om termijnverlenging vanzelfsprekend gehonoreerd.
### 6. Voortzettingsvereiste
Een van de voorwaarden voor de BOR is dat de verkrijger voldoet aan het voortzettingsvereiste ([artikel 35e, eerste lid, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35e)). Hierdoor is alleen bij daadwerkelijke bedrijfsopvolging een vrijstelling van toepassing.
### 6.1. Ophouden winst te genieten
In [artikel 10 van de Uitvoeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027018&artikel=10) is een aantal situaties opgenomen waarin op verzoek de faciliteiten voor de verkrijger die ophoudt winst te genieten niet worden ingetrokken.
### 6.2. Aangaan samenwerkingsverbanden
(Vervallen per 1 januari 2010).
### 6.3. Vervreemding van niet gefacilieerd verkregen aandelen
Tot de huwelijksgemeenschap behoren 100% aandelen Holding X BV. Holding X BV drijft geen onderneming. Holding X BV heeft een 100% deelneming in Y BV, die wel een onderneming drijft. Ook de aandelen Y BV zijn dooreen leverbaar. Een van de echtgenoten overlijdt. De langstlevende echtgenoot is zijn erfgenaam. Holding X BV verkoopt binnen de voortzettingsperiode 60% aandelen Y BV. Door de goedkeuring kan Holding X BV 50% van de aandelen vervreemden zonder gevolgen voor de BOR. Voor de andere 10% zijn er wel gevolgen voor de BOR. Door de vervreemding worden de faciliteiten voor 10/50e teruggenomen.
### 6.4. Certificering van aandelen
Certificering van de verkregen aandelen is op zich een vervreemding die kan leiden tot terugneming van de BOR. De certificering wordt voor de BOR echter niet aangemerkt als een vervreemding als de certificaten voldoen aan de voorwaarden van [onderdeel 4.5 van het besluit van 4 september 2012](onbekend), nr. BLKB2012/101M, Stcrt. 2012, nr. 18480.
### 6.5. Verkoop indirect gehouden aandelen. Gevolgen voor de toerekeningsregeling
Inkoop van aandelen gevolgd door intrekking wordt niet aangemerkt als vervreemding als het aandeel van de houdstervennootschap in de deelneming procentueel gelijk blijft.
### 6.6. Doorzakken onderneming binnen fiscale eenheid
Vader draagt zijn IB-onderneming over aan zijn zoon met toepassing van de BOR. De zoon brengt de IB-onderneming vervolgens met toepassing van [artikel 3.65 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.65) in in zijn Holding BV. De omzetting heeft geen gevolgen voor de BOR ([artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027018&artikel=10)). Holding BV richt Exploitatie BV op. Holding BV en Exploitatie BV gaan een fiscale eenheid aan als bedoeld in [artikel 15 van de Wet VPB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15). Holding BV draagt tegen uitreiking van aandelen, binnen de fiscale eenheid, de gehele onderneming over aan Exploitatie BV. [Artikel 14 van de Wet VPB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14) is niet van toepassing. Door de goedkeuring heeft de overdracht van de onderneming aan Exploitatie BV geen gevolgen voor de BOR bij de zoon.
### 6.7. Bedrijfsfusie met meerdere verkrijgers
Moeder schenkt haar IB-onderneming aan haar twee kinderen A en B. Ieder kind verkrijgt 50% van de onderneming. Elk kind brengt zijn onderneming met toepassing van [artikel 3.65 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.65) in in zijn eigen BV (A BV en B BV). A BV en B BV richten samen een dochter-BV op (C BV). Met toepassing van [artikel 14 van de Wet VPB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14) worden de onderneming van A BV en de onderneming van B BV ingebracht in C BV. A BV en B BV hebben ieder 50% van de aandelen C BV. Door de goedkeuring heeft de inbreng van de onderneming in C BV geen gevolgen voor het voortzettingsvereiste.
### 6.8. Aandelenfusie met meerdere verkrijgers
Vader en zijn vier zonen bezitten ieder 20% van de aandelen A BV. De vader draagt zijn 20% aandeel over aan elk van zijn vier zoons. Elke zoon krijgt er 5% van de aandelen bij, zodat na de schenking iedere zoon 25% van de aandelen A BV bezit. Na de schenking wordt een nieuwe houdstervennootschap H BV opgericht. De vier broers brengen de aandelen A BV in in H BV door een aandelenfusie. Elke broer verkrijgt 25% van de aandelen van H BV. Het is een aandelenfusie met meerdere aandeelhouders van H BV. [Artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027018&artikel=10) is daarom niet van toepassing. Door de goedkeuring heeft de aandelenfusie toch geen gevolgen voor het voortzettingsvereiste.
### 7. Waardering
Een verkregen onderneming wordt gewaardeerd als een eenheid ([artikel 21, elfde lid, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21)). Op grond van artikel 21, twaalfde lid, van de Successiewet kan de waardering van artikel 21, elfde lid, van de Successiewet nooit lager zijn dan de liquidatiewaarde.
### 7.1. Latente inkomstenbelasting
Hof Arnhem heeft in zijn uitspraak van 3 juni 2009, nr. 07/00309 vastgesteld dat de evenredigheidsmethode moet worden toegepast. Op 28 augustus 2009 heeft mijn ambtsvoorganger berust in die uitspraak. Voor op 3 juni 2009 nog niet onherroepelijke aanslagen kan daarom de evenredigheidmethode worden toegepast.
### 7.2. Ondernemingsvermogen/waarde going concern
Wat in het economische verkeer als een eenheid wordt beschouwd, wordt ook als zodanig gewaardeerd ([artikel 21, twaalfde lid, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21)). Op grond van artikel 21, dertiende lid, van de Successiewet wordt de waarde van een onderneming bepaald alsof de onderneming wordt voortgezet (waarde going concern).
Ik keur op praktische gronden onder een voorwaarde goed dat de verkrijger van een landbouwonderneming in de veehouderij of akkerbouw, die voor de toepassing van [artikel 35b, eerste lid, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35b) gebruik wil maken van de rekenmodule op basis van genormeerde geldstromen voor landbouwondernemingen in de veehouderij of akkerbouw, daarbij de in dit besluit onder 7.3.1. genoemde uitgangspunten mag hanteren.
### 7.3.1. Uitgangspunten bij de bepaling van de waardering op basis van genormeerde geldstromen in de veehouderij of akkerbouw
Met het landbouwbedrijfsleven is afgesproken om – indien mogelijk – voor de berekening van de waarde going concern te werken met genormeerde bedragen op basis van KWIN-gegevens voor de veehouderij of akkerbouw volgens de handboeken Kwantitatieve Informatie Veehouderij en Kwantitatieve Informatie Akkerbouw. De parameters en normen die in deze rekenmodule worden gebruikt (normen waarde going concern), maak ik jaarlijks bekend (op www.belastingdienst.nl). Bij aanwezigheid van actuele normgegevens van de onderneming in de veehouderij of akkerbouw, worden jaarlijks normen voor de geldstromen vastgesteld. De voorbereiding van de normen en normbedragen gebeurt jaarlijks in het Platform Landbouw, zoveel mogelijk in overleg met het landbouwbedrijfsleven. De vastgestelde normen en normbedragen gelden zowel voor de Belastingdienst als voor de desbetreffende ondernemers. Bij de bepaling van de betreffende parameters en normen die in het (gewijzigde) rekenmodel worden gebruikt, is voor de agrarische sector in de veehouderij of de akkerbouw, voor de bepaling van geldstromen uitgegaan van het volgende.
### 7.3.2. Rekenmodule op internet
De goedkeuring geldt voor de verkrijging van een landbouwonderneming in de veehouderij of akkerbouw op of na 1 januari 2016.
### 7.4. Waardering volgens de DCF-methode
### 7.4.1. DCF-methode, goedkeuring
### 7.4.3. Discussie over goedkeuring
### 7.5. Agrarische normbedragen. Rekenmodule.
### 8. Ingetrokken regeling
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Ook zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd, waarmee geen beleidswijziging is beoogd.
### 2. Verzoeken om toepassing bedrijfsopvolgingsregeling
### 3.1. Verhuur pand door een vennootschap aan een andere vennootschap van dezelfde aandeelhouder
### 3.4. Verkoop onderneming en kwijtschelding van de koopsom
### 3.5. Fictieve verkrijging
### 3.6.1. Overleden echtgenoot was geen ondernemer
### 3.6.2. Overlijden echtgenoot van de deelnemer in een personenvennootschap
### 3.7. Finaal verrekenbeding
### 3.8. Indirecte overdracht van aandelen
### 3.9. Preferente aandelen
### 3.9.1. Preferente aandelen die zijn ontstaan vóór 2010
### 3.9.2. Preferente aandelen die vóór 2010 zijn ontstaan door omwisseling van een vordering.
### 3.9.3. Preferente aandelen uitgegeven bij toepassing geruisloze omzetting en inbreng
### 3.10. Vruchtgebruik en bloot eigendom van aandelen
### 3.11. Bezitseis
### 4. Toerekeningsregeling
### 5. Verdeling nalatenschap of huwelijksgoederengemeenschap
### 6.2. Aangaan samenwerkingsverbanden
### 6.3. Vervreemding van hetgeen de verkrijger al had
### 6.5. Verkoop indirect gehouden aandelen. Gevolgen voor de toerekeningsregeling
Ik keur onder voorwaarden goed dat [artikel 10, eerste lid, onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027018&artikel=10) van overeenkomstige toepassing is op de overdracht van een onderneming met toepassing van [artikel 15 van de Wet VPB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15), ook als de verkrijger niet enig aandeelhouder is van het lichaam dat de onderneming overdraagt.
Niet wordt voldaan aan de gestelde voorwaarde als bij de herstructurering de aandelen in Werkmaatschappij I bijvoorbeeld waren overgegaan naar een vennootschap waarin een derde een (indirect) belang heeft of naar een andere holding dan waarvan de aandelen waren verkregen.
Vader en zijn vier zonen bezitten ieder 20% van de aandelen A BV. De vader draagt zijn 20% aandeel over aan elk van zijn vier zoons. Elke zoon krijgt er 5% van de aandelen bij, zodat na de schenking iedere zoon 25% van de aandelen A BV bezit. Na de schenking wordt een nieuwe houdstervennootschap H BV opgericht. De vier broers brengen de aandelen A BV in in H BV door een aandelenfusie. Elke broer verkrijgt 25% van de aandelen van H BV. Het is een aandelenfusie met meerdere aandeelhouders van H BV. [Artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027018&artikel=10) is daarom niet van toepassing. Door de goedkeuring heeft de aandelenfusie toch geen gevolgen voor het voortzettingsvereiste.
### 7. Waardering
Een verkregen onderneming wordt gewaardeerd als een eenheid ([artikel 21, elfde lid, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21)). Op grond van artikel 21, twaalfde lid, van de Successiewet kan de waardering van artikel 21, elfde lid, van de Successiewet nooit lager zijn dan de liquidatiewaarde.
### 7.1. Latente inkomstenbelasting
De belastinglatentie moet evenredig worden toegerekend aan het vrijgestelde en het niet vrijgestelde vermogen (de evenredigheidsmethode). Er is geen reden om over vrijgestelde vermogensbestanddelen een vermindering wegens latente inkomstenbelasting te verlenen.
**Toepassing voor aanslagen successierecht die op 3 juni 2009 nog niet onherroepelijk vaststonden.**
In het [besluit van 10 oktober 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022666), nr. CPP2007/383M, was nog het standpunt opgenomen dat de belastinglatentie ‘aan de top’ in aanmerking moet worden genomen.
Hof Arnhem heeft in zijn uitspraak van 3 juni 2009, nr. 07/00309 vastgesteld dat de evenredigheidsmethode moet worden toegepast. Op 28 augustus 2009 heeft mijn ambtsvoorganger berust in die uitspraak. Voor op 3 juni 2009 nog niet onherroepelijke aanslagen kan daarom de evenredigheidmethode worden toegepast.
### 7.2. Ondernemingsvermogen/waarde going concern
Wat in het economische verkeer als een eenheid wordt beschouwd, wordt ook als zodanig gewaardeerd ([artikel 21, twaalfde lid, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21)). Op grond van artikel 21, dertiende lid, van de Successiewet wordt de waarde van een onderneming bepaald alsof de onderneming wordt voortgezet (waarde going concern).
Wanneer de waarde going concern van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming lager is dan de liquidatiewaarde, mag voor de toepassing van de [BOR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027464) worden uitgegaan van die lagere waarde going concern ([artikel 35b, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35b)). Hierna wordt nader ingegaan op de bepaling van die waarde going concern bij landbouwondernemingen in de veehouderij of akkerbouw.
### 7.3. Waardering op basis van genormeerde geldstromen voor de veehouderij of akkerbouw
De faciliteit van [artikel 35b, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35b) is van belang voor ondernemingen met een hoge intrinsieke waarde en een laag rendement. Dit geldt in het bijzonder voor landbouwondernemingen die worden gekenmerkt door een groot kapitaalsbeslag in combinatie met een laag rendement. Voor de vaststelling van de waarde going concern is niet een bepaalde methodiek voorgeschreven. Met het landbouwbedrijfsleven is overlegd over algemeen hanteerbare uitgangspunten voor de bepaling van de waarde going concern van landbouwondernemingen in de veehouderij of akkerbouw. Dit overleg heeft geresulteerd in een rekenmodule op basis van genormeerde geldstromen voor landbouwondernemingen in de veehouderij of akkerbouw.
Het rekenmodel gaat uit van de waarde going concern (agrarisch). Dit is de waarde van de landbouwonderneming in de veehouderij of akkerbouw bij voortgezette oneindige uitoefening, uitgaande van de financieringsruimte van de overgedragen onderneming.
Ik keur op praktische gronden onder een voorwaarde goed dat de verkrijger van een landbouwonderneming in de veehouderij of akkerbouw, die voor de toepassing van [artikel 35b, eerste lid, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35b) gebruik wil maken van de rekenmodule op basis van genormeerde geldstromen voor landbouwondernemingen in de veehouderij of akkerbouw, daarbij de in dit besluit onder 7.3.1. genoemde uitgangspunten mag hanteren.
De goedkeuring geldt onder de volgende voorwaarde:
De in onderdeel 7.3.1. opgenomen uitgangspunten zijn het resultaat van uitgebreid overleg met het landbouwbedrijfsleven en vormen een samenhangend geheel van afspraken. Het is om die reden niet mogelijk om bij een beroep op de goedkeuring op onderdelen af te wijken van de uitgangspunten dan wel selectief gebruik te maken van de uitgangspunten. De verkrijger die van een van de uitgangspunten wil afwijken, kan zich dus niet beroepen op het rekenmodel en zal zijn eigen berekening moeten maken van de (lagere) waarde van de onderneming zonder de uitgangspunten.
Het rekenmodel geldt alleen voor landbouwondernemingen in de veehouderij of akkerbouw. Andere ondernemingen kunnen dus geen gebruik maken van de rekenmodule.
### 7.3.1. Uitgangspunten bij de bepaling van de waardering op basis van genormeerde geldstromen in de veehouderij of akkerbouw
Met het landbouwbedrijfsleven is afgesproken om – indien mogelijk – voor de berekening van de waarde going concern te werken met genormeerde bedragen op basis van KWIN-gegevens voor de veehouderij of akkerbouw volgens de handboeken Kwantitatieve Informatie Veehouderij en Kwantitatieve Informatie Akkerbouw. De parameters en normen die in deze rekenmodule worden gebruikt (normen waarde going concern), maak ik jaarlijks bekend (op www.belastingdienst.nl). Bij aanwezigheid van actuele normgegevens van de onderneming in de veehouderij of akkerbouw, worden jaarlijks normen voor de geldstromen vastgesteld. De voorbereiding van de normen en normbedragen gebeurt jaarlijks in het Platform Landbouw, zoveel mogelijk in overleg met het landbouwbedrijfsleven. De vastgestelde normen en normbedragen gelden zowel voor de Belastingdienst als voor de desbetreffende ondernemers. Bij de bepaling van de betreffende parameters en normen die in het (gewijzigde) rekenmodel worden gebruikt, is voor de agrarische sector in de veehouderij of de akkerbouw, voor de bepaling van geldstromen uitgegaan van het volgende.
### 7.3.2. Rekenmodule op internet
De normen en normbedragen voor de verschillende jaren zijn opgenomen op www.belastingdienst.nl. Daar is ook een rekenmodule te vinden voor de berekening voor verschillende jaren (zoek naar: Rekenmodule voortzettingswaarde en dan naar het betreffende jaar).
De goedkeuring geldt voor de verkrijging van een landbouwonderneming in de veehouderij of akkerbouw op of na 1 januari 2016.
Voor de verkrijging vóór 1 januari 2016 geldt de goedgekeurde DCF-methode uit het vorige besluit BLKB2012/1221M. Het kan voorkomen dat de berekening van de waarde zonder die goedgekeurde DCF-methode lager uitvalt. Voorkomende gevallen heeft de Belastingdienst zo veel mogelijk in afstemming met het landbouwbedrijfsleven behandeld.
### 7.4. Waardering volgens de DCF-methode
### 7.4.1. DCF-methode, goedkeuring
### 7.4.2. Uitgangspunten bij de bepaling van de kasstroom in de agrarische sector
### 7.4.3. Discussie over goedkeuring
### 7.5. Agrarische normbedragen. Rekenmodule.
### 8. Ingetrokken regeling
Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
### 9. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de plaatsing in de Staatscourant.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
2013-02-01
Schenk- en erfbelasting, bedrijfsopvolgingsregeling — versión origin
original version
Tekst op deze datum