Wijzigingsgeschiedenis
Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 februari 2017, nr. WJZ/17023701, houdende invoering van de verplichting tot betaling van een geldsom (Regeling fosfaatreductieplan 2017)
6 versions
· 2020-01-01
2020-01-01
Regeling fosfaatreductieplan 2017 — arts. 7, 13, 9
2017-06-01
Regeling fosfaatreductieplan 2017 — arts. 1, 7, 8 y 2 más
2017-05-01
Regeling fosfaatreductieplan 2017
2017-03-31
Regeling fosfaatreductieplan 2017 — arts. 1, 1, 5 y 5 más
Wijzigingen op 2017-03-31
@@ -14,9 +14,9 @@
- c. **rund:** vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar, vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd of rund dat ten minste eenmaal heeft gekalfd, waarbij onder rund wordt verstaan een dier als bedoeld in [artikel 1, onderdeel n, van de Regeling identificatie en registratie van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014538&artikel=1), met uitzondering van runderen die behoren tot de soorten Bison bison en Bubalus bubalus, en dat is geregistreerd in het I&R-systeem;
- d. **referentieaantal:** aantal runderen van de houder dat op 2 juli 2015 in het I&R-systeem is geregistreerd verminderd met 4%, behoudens het bepaalde in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=7&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [9, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=9&z=2017-03-01&g=2017-03-01);
- e. **doelstellingsaantal:** aantal runderen dat overeenkomt met het aantal runderen van de houder dat op 1 oktober 2016 in het I&R-systeem is geregistreerd verminderd met het krachtens [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) toe te passen verminderingspercentage, met dien verstande dat het doelstellingsaantal nooit lager is dan het referentieaantal;
- d. **referentieaantal:** aantal runderen van de houder dat op 2 juli 2015 in het I&R-systeem is geregistreerd verminderd met 4%, behoudens het bepaalde in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=7&z=2017-03-31&g=2017-03-31) en [9, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=9&z=2017-03-31&g=2017-03-31);
- e. **doelstellingsaantal:** aantal runderen dat overeenkomt met het aantal runderen van de houder dat op 1 oktober 2016 in het I&R-systeem is geregistreerd verminderd met het krachtens [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=3&z=2017-03-31&g=2017-03-31) toe te passen verminderingspercentage, met dien verstande dat het doelstellingsaantal nooit lager is dan het referentieaantal;
- f. **vleeskalverhouder:** houder die uitsluitend mannelijke en vrouwelijke runderen jonger dan een jaar houdt en welke uitsluitend door de houder worden afgevoerd voor de slacht;
@@ -28,7 +28,11 @@
- j. **fosfaatruimte:** fosfaatruimte als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel ll, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1), waarbij in afwijking van dat onderdeel ll, voor natuurterrein zijnde grasland, wordt gerekend met 70 kilogram fosfaat per hectare en voor overig natuurterrein 20 kilogram fosfaat per hectare;
- k. **grondgebonden bedrijf:** bedrijf waarvan de productie van dierlijke meststoffen door runderen in kilogrammen fosfaat in het kalenderjaar 2015, verminderd met de fosfaatruimte in dat jaar, negatief of nul is, waarbij wordt uitgegaan van een excretieforfait van 9,6 kilogram fosfaat voor een vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar, 21,9 kilogram fosfaat voor een vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd en 41,3 kilogram fosfaat voor een rund dat ten minste eenmaal heeft gekalfd en de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond de hoeveel grond is zoals die blijkt uit de gegevens opgegeven krachtens de [Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036489);
- k. **grondgebonden bedrijf:** bedrijf waarbij de productie van dierlijke meststoffen door runderen in kilogrammen fosfaat in het kalenderjaar 2015 verminderd met de fosfaatruimte in dat jaar negatief of nul is, en de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond de hoeveelheid grond is zoals die blijkt uit de gegevens opgegeven krachtens de [Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036489) waarbij wordt uitgegaan:
- 1°. van een excretieforfait van 9,6 kilogram fosfaat voor een vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar, 21,9 kilogram fosfaat voor een vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd en 41,3 kilogram fosfaat voor een rund dat tenminste eenmaal heeft gekalfd, of
- 2°. van de excretieforfaits voor fosfaat opgenomen in bijlage D van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, waarbij een vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar wordt aangemerkt als diernummer 101, een vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd als diernummer 102 en een rund dat ten minste eenmaal heeft gekalfd als diernummer 100;
- l. **minister:** Minister van Economische Zaken.
@@ -36,7 +40,7 @@
##### Artikel 2. (omrekeningsfactor GVE)
Onder rund als bedoeld in [artikel 1, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), en de [artikelen, 4, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=5&z=2017-03-01&g=2017-03-01), [6, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=6&z=2017-03-01&g=2017-03-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=7&z=2017-03-01&g=2017-03-01), [9, eerste, tweede lid, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=9&z=2017-03-01&g=2017-03-01), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=11&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [12, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=12&z=2017-03-01&g=2017-03-01), wordt verstaan GVE overeenkomstig de volgende omrekeningsfactoren:
Onder rund als bedoeld in [artikel 1, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1&z=2017-03-31&g=2017-03-31), en de [artikelen, 4, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-31&g=2017-03-31), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=5&z=2017-03-31&g=2017-03-31), [6, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=6&z=2017-03-31&g=2017-03-31), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=7&z=2017-03-31&g=2017-03-31), [9, eerste, tweede lid, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=9&z=2017-03-31&g=2017-03-31), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=11&z=2017-03-31&g=2017-03-31) en [12, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=12&z=2017-03-31&g=2017-03-31), wordt verstaan GVE overeenkomstig de volgende omrekeningsfactoren:
- a. 0,23 GVE voor een rund van 0 tot 1 jaar;
@@ -46,7 +50,7 @@
##### Artikel 3. (verminderingspercentage)
1. Het verminderingspercentage, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), bedraagt:
1. Het verminderingspercentage, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1&z=2017-03-31&g=2017-03-31), bedraagt:
- a. 5% voor elke maand in periode 1;
@@ -60,7 +64,7 @@
##### Artikel 4. (geldsom houders melkvee)
1. De minister legt de houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking over elk van de in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), genoemde maanden, met uitzondering van maart en april, een verplichting tot betaling van een geldsom in euro’s op.
1. De minister legt de houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking over elk van de in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1&z=2017-03-31&g=2017-03-31), genoemde maanden, met uitzondering van maart en april, een verplichting tot betaling van een geldsom in euro’s op.
2. De hoogte van de geldsom, bedoeld in het eerste lid, komt overeen met de uitkomst van de volgende vermenigvuldiging:
@@ -80,11 +84,23 @@
##### Artikel 5. (geldsom houders runderen overig)
1. De minister legt de houder die geen producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking over elk van de in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), genoemde perioden een verplichting tot betaling van een geldsom in euro’s op.
2. De hoogte van de geldsom komt overeen met de uitkomst van de volgende vermenigvuldiging:
(het gemiddeld aantal runderen in de tweede maand van desbetreffende periode verminderd met het aantal runderen dat op 15 december 2016 werd gehouden) vermenigvuldigd met 480.
1. De minister legt de houder die geen producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking over elk van de in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1&z=2017-03-31&g=2017-03-31), genoemde perioden een verplichting tot betaling van een geldsom in euro’s op.
2. De hoogte van de geldsom komt overeen met de laagste uitkomst van de in onderdeel a en b opgenomen vermenigvuldigingen:
- a. (het gemiddeld aantal runderen in de tweede maand van de desbetreffende periode verminderd met het aantal runderen dat op 15 december 2016 werd gehouden) vermenigvuldigd met 480;
- b. het gemiddeld aantal runderen in de tweede maand van de desbetreffende periode verminderd met het aantal runderen dat gemiddeld werd gehouden in: vermenigvuldigd met 480.
- 1. april 2016, voor wat betreft periode 1;
- 2. juni 2016, voor wat betreft periode 2;
- 3. augustus 2016, voor wat betreft periode 3;
- 4. oktober 2016, voor wat betreft periode 4;
- 5. december 2016, voor wat betreft periode 5,
3. De geldsom is niet verschuldigd indien er na 15 december 2016 op het bedrijf van de houder maximaal twee runderen zijn aangevoerd.
@@ -92,7 +108,7 @@
##### Artikel 6. (solidariteits-geldsom)
1. De minister legt de houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking over elk van de in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), genoemde maanden, met uitzondering van maart en april, een verplichting tot betaling van een solidariteits-geldsom in euro’s op.
1. De minister legt de houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking over elk van de in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1&z=2017-03-31&g=2017-03-31), genoemde maanden, met uitzondering van maart en april, een verplichting tot betaling van een solidariteits-geldsom in euro’s op.
2. De hoogte van de solidariteits-geldsom, bedoeld in het eerste lid, komt overeen met de uitkomst van de volgende vermenigvuldiging:
@@ -104,35 +120,35 @@
4. De solidariteits-geldsom is niet verschuldigd indien in de desbetreffende maand de houder:
- a. op grond van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01) een geldsom is verschuldigd, of
- a. op grond van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-31&g=2017-03-31) een geldsom is verschuldigd, of
- b. een gemiddeld aantal runderen houdt dat gelijk is of lager dan zijn referentieaantal.
5. Indien in de tweede maand van een periode het gemiddeld aantal runderen overeenkomt met of lager is dan het referentieaantal, is de geldsom die op grond van het eerste lid in voorkomend geval verschuldigd is over de voorafgaande maand alsnog niet verschuldigd.
6. In het geval [artikel 4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01), van toepassing is en in de perioden 2 tot en met 5 voor de tweede maand van de desbetreffende periode ingevolge het eerste lid een solidariteits-geldsom verschuldigd is, is deze geldsom, berekend overeenkomstig het tweede lid, eveneens verschuldigd over de eerste maand van die periode.
6. In het geval [artikel 4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-31&g=2017-03-31), van toepassing is en in de perioden 2 tot en met 5 voor de tweede maand van de desbetreffende periode ingevolge het eerste lid een solidariteits-geldsom verschuldigd is, is deze geldsom, berekend overeenkomstig het tweede lid, eveneens verschuldigd over de eerste maand van die periode.
##### Artikel 7. (referentieaantal grondgebonden bedrijf)
Indien houder producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking en runderen hield op 2 juli 2015 op een grondgebonden bedrijf, is het referentieaantal voor de toepassing van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=6&z=2017-03-01&g=2017-03-01) niet verminderd met 4%.
Indien houder producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking en runderen hield op 2 juli 2015 op een grondgebonden bedrijf, is het referentieaantal voor de toepassing van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-31&g=2017-03-31) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=6&z=2017-03-31&g=2017-03-31) niet verminderd met 4%.
##### Artikel 8. (inwinning)
1. De geldsommen, bedoeld in de [artikelen 4 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01), worden door of vanwege de minister ingewonnen:
1. De geldsommen, bedoeld in de [artikelen 4 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-31&g=2017-03-31), worden door of vanwege de minister ingewonnen:
- a. in het geval de houder een producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking in de maand die volgt op de maand waarover de geldsom is verschuldigd;
- b. in het geval de houder geen producent is als bedoeld in onderdeel a in de periode die volgt op de periode waarover de geldsom is verschuldigd.
2. In het geval de geldsommen, bedoeld in de [artikelen 4 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01), verschuldigd zijn door een houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, geschiedt de inwinning door het zuivelbedrijf waaraan de houder melk levert indien dat zuivelbedrijf op grond van een overeenkomst is aangesloten bij ZuivelNL.
2. In het geval de geldsommen, bedoeld in de [artikelen 4 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-31&g=2017-03-31), verschuldigd zijn door een houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, geschiedt de inwinning door het zuivelbedrijf waaraan de houder melk levert indien dat zuivelbedrijf op grond van een overeenkomst is aangesloten bij ZuivelNL.
##### Artikel 9. (bonus-geldsom)
1. De minister kent de houder van runderen uit de opbrengsten van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=6&z=2017-03-01&g=2017-03-01) over elk van de in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), genoemde maanden, met uitzondering van maart en april, een bonus-geldsom toe indien het gemiddeld aantal runderen in de desbetreffende maand lager is dan het referentieaantal, waarbij de hoogte van de geldsom een bedrag bedraagt in euro’s dat overeenkomt met de uitkomst van de vermenigvuldiging:
1. De minister kent de houder van runderen uit de opbrengsten van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-31&g=2017-03-31) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=6&z=2017-03-31&g=2017-03-31) over elk van de in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1&z=2017-03-31&g=2017-03-31), genoemde maanden, met uitzondering van maart en april, een bonus-geldsom toe indien het gemiddeld aantal runderen in de desbetreffende maand lager is dan het referentieaantal, waarbij de hoogte van de geldsom een bedrag bedraagt in euro’s dat overeenkomt met de uitkomst van de vermenigvuldiging:
(het referentieaantal verminderd met het gemiddeld aantal runderen in desbetreffende maand) vermenigvuldigd met 60 in de perioden 2 en 3 en vermenigvuldigd met 150 in de perioden 4 en 5.
2. De minister kent de houder, bedoeld in het eerste lid, uit de opbrengsten van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=6&z=2017-03-01&g=2017-03-01) over de maand april van periode 1 een bonus-geldsom toe indien het gemiddeld aantal runderen in die maand lager is dan het referentieaantal, waarbij de hoogte van de geldsom een bedrag bedraagt in euro’s dat overeenkomt met de uitkomst van de vermenigvuldiging:
2. De minister kent de houder, bedoeld in het eerste lid, uit de opbrengsten van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-31&g=2017-03-31) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=6&z=2017-03-31&g=2017-03-31) over de maand april van periode 1 een bonus-geldsom toe indien het gemiddeld aantal runderen in die maand lager is dan het referentieaantal, waarbij de hoogte van de geldsom een bedrag bedraagt in euro’s dat overeenkomt met de uitkomst van de vermenigvuldiging:
(het referentieaantal verminderd met het gemiddeld aantal runderen in april) vermenigvuldigd met 120.
@@ -152,7 +168,7 @@
##### Artikel 10. (uitkering bonus-geldsom)
1. De geldsom, bedoeld in [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=9&z=2017-03-01&g=2017-03-01):
1. De geldsom, bedoeld in [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=9&z=2017-03-31&g=2017-03-31):
- a. wordt uitgekeerd door het zuivelbedrijf waaraan de houder melk levert indien dat zuivelbedrijf op grond van een overeenkomst is aangesloten bij ZuivelNL;
@@ -162,33 +178,63 @@
##### Artikel 11. (in- en uitscharing)
1. Indien een houder van runderen aantoont dat hij op 2 juli 2015 runderen had uitgeschaard die tussen 1 januari 2015 en 2 juli 2015 naar een inschaarder zijn gegaan, op 2 juli 2015 door die inschaarder werden gehouden en die uiterlijk op 31 december 2015 zijn teruggekomen op het bedrijf van de houder, kan de minister op zijn verzoek zijn referentieaantal verhogen in de periode 1 en 5 mits de inschaarder aantoonbaar instemt met verlaging van zijn referentieaantal in die perioden.
1. Indien een houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking aantoont dat hij op 2 juli 2015 runderen had uitgeschaard die tussen 1 januari 2015 en 2 juli 2015 naar een inschaarder zijn gegaan, op 2 juli 2015 door die inschaarder werden gehouden en die uiterlijk op 31 december 2015 zijn teruggekomen op het bedrijf van de houder, kan de minister wanneer hiervoor door de houder uiterlijk voor 15 april 2017 een verzoek is ingediend zijn referentieaantal verhogen in de periode 1 en 5 mits, in het geval de inschaarder producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, deze aantoonbaar instemt met verlaging van zijn referentieaantal in die perioden.
2. De verhoging en de verlaging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste het aantal op 2 juli 2015 uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde runderen.
3. Indien het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gehonoreerd, wordt in het geval de houder tevens in 2016 runderen had uitgeschaard het doelstellingsaantal van de houder in de periode 1 en 5 verhoogd en het doelstellingsaantal van de inschaarder in die perioden verlaagd, met het aantal runderen dat op 1 oktober 2016 door de houder was uitgeschaard bij de inschaarder.
4. In het geval een houder aantoont dat hij geen runderen in 2015 had uitgeschaard maar wel in 2016, kan de minister op verzoek van de houder het doelstellingsaantal van die houder in de perioden 1 en 5 verhogen indien de inschaarder aantoonbaar instemt met verlaging van zijn doelstellingsaantal in die perioden, met het aantal runderen dat op 1 oktober 2016 door de houder was uitgeschaard bij de inschaarder.
5. In het geval de inschaarder, bedoeld in het derde of vierde lid, een houder is als bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=5&z=2017-03-01&g=2017-03-01), kan de minister op zijn verzoek voor de perioden 2 tot en met 4 het gemiddeld aantal runderen als bedoeld in [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=5&z=2017-03-01&g=2017-03-01), verhogen met het aantal runderen dat bij die inschaarder op 1 oktober 2016 was ingeschaard, mits de uitschaarder aantoonbaar instemt met verlaging van zijn referentie- en doelstellingsaantal in die perioden.
6. De verhoging en de verlaging, bedoeld in het vierde en vijfde lid, bedraagt ten hoogste het aantal op 1 oktober 2016 ingeschaarde onderscheidenlijk uitgeschaarde runderen.
3. Indien het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gehonoreerd, wordt in het geval de houder tevens in 2016 runderen had uitgeschaard het doelstellingsaantal van de houder in de periode 1 en 5 verhoogd en, in het geval de inschaarder producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, het doelstellingsaantal van de inschaarder in die periode verlaagd, met het aantal runderen dat op 1 oktober 2016 was uitgeschaard bij de inschaarder.
4. Indien een houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking aantoont dat hij geen runderen in 2015 had uitgeschaard maar wel in 2016, kan de minister wanneer hiervoor door de houder uiterlijk voor 15 april 2017 een verzoek is ingediend het doelstellingsaantal van die houder in de periode 1 en 5 verhogen mits, in het geval de inschaarder producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, deze aantoonbaar instemt met verlaging van zijn doelstellingsaantal in die perioden.
5. De verhoging en de verlaging, bedoeld in het vierde lid, bedraagt ten hoogste het aantal op 1 oktober 2016 uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde runderen.
6. Indien een houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking aantoont dat hij in 2015 of 2016 runderen had uitgeschaard en verklaart in 2017 geen runderen uit te scharen, kan de minister wanneer hiervoor door de houder uiterlijk voor 15 april 2017 een verzoek is ingediend:
- a. zijn referentieaantal verhogen indien hij in 2015 runderen had uitgeschaard mits, in het geval de inschaarder producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, deze aantoonbaar instemt met verlaging van zijn referentieaantal, of
- b. zijn doelstellingsaantal verhogen indien hij in 2016 runderen had uitgeschaard, mits, in het geval de inschaarder geen producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, deze instemt met verlaging van het gemiddeld aantal runderen dat in 2016 werd gehouden in april, juni, augustus en oktober, of, in het geval de inschaarder producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, deze instemt met verlaging van zijn doelstellingsaantal.
7. Indien het verzoek, bedoeld in het zesde lid, aanhef en onderdeel a, wordt gehonoreerd en de houder, bedoeld in de aanhef van het zesde lid, tevens in 2016 runderen had uitgeschaard, wordt het zesde lid, aanhef en onderdeel b, toegepast.
8. Indien een houder die geen producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking aantoont dat hij in 2016 runderen had uitgeschaard en verklaart dat hij in 2017 geen runderen uitschaart, kan de minister wanneer hiervoor door de houder uiterlijk voor 15 april 2017 een verzoek is ingediend het gemiddeld aantal runderen dat in 2016 werd gehouden in april, juni, augustus en oktober verhogen met het aantal runderen dat was uitgeschaard, mits:
- a. in het geval de runderen waren ingeschaard bij een houder die geen producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, deze instemt met verlaging van het gemiddeld aantal runderen dat door deze houder in 2016 werd gehouden in april, juni, augustus en oktober;
- b. in het geval de runderen waren ingeschaard bij een houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, deze instemt met verlaging van zijn doelstellingsaantal.
9. De verhoging en de verlaging, bedoeld in:
- a. het zesde lid, onderdeel a, bedraagt ten hoogste het aantal op 2 juli 2015 uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde runderen;
- b. het zesde lid, onderdeel b, en achtste lid, bedraagt ten hoogste het aantal op 1 oktober 2016 uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde runderen.
##### Artikel 12. (bedrijfsovername en bijzondere omstandigheden)
1. Indien de houder, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01), meldt en aantoont dat na 2 juli 2015 een beëindigd bedrijf is overgenomen, kan de minister het referentieaantal van die houder op zijn verzoek verhogen met het referentieaantal dat op grond van deze regeling van toepassing zou zijn geweest op de houder van het beëindigde bedrijf. Bij gedeeltelijke overname kan het referentieaantal naar rato worden verhoogd.
2. Indien de houder, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01), meldt en aantoont dat het referentieaantal minimaal 5% lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van melkveestallen, kan de minister op zijn verzoek het referentieaantal bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.
3. Indien de houder, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=5&z=2017-03-01&g=2017-03-01), meldt en aantoont dat na 15 december 2016 een beëindigd bedrijf is overgenomen, kan de minister het aantal runderen dat op 15 december 2016 werd gehouden, bedoeld in artikel 5, tweede lid, verhogen met het aantal runderen dat op 15 december 2016 van toepassing zou zijn geweest op de houder van het beëindigde bedrijf. Bij gedeeltelijke overname wordt het aantal naar rato verhoogd.
4. Indien een houder die geen producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, meldt en aantoont dat het aantal runderen dat op 15 december 2016 werd gehouden, bedoeld in artikel 5, tweede lid, minimaal 5% lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van veestallen, kan de minister op zijn verzoek het aantal runderen bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.
1. Indien de houder, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-31&g=2017-03-31), meldt en aantoont dat na 2 juli 2015 een beëindigd bedrijf is overgenomen, kan de minister het referentieaantal of het doelstellingsaantal van die houder op zijn verzoek verhogen met het referentieaantal of het doelstellingsaantal dat op grond van deze regeling van toepassing zou zijn geweest op de houder van het beëindigde bedrijf. Bij gedeeltelijke overname kan het referentieaantal of het doelstellingsaantal naar rato worden verhoogd.
2. Indien de houder, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=4&z=2017-03-31&g=2017-03-31), meldt en aantoont dat het referentieaantal minimaal 5% lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van melkveestallen, kan de minister op zijn verzoek het referentieaantal bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.
3. Indien de houder, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=5&z=2017-03-31&g=2017-03-31), meldt en aantoont dat na 15 december 2016 een beëindigd bedrijf is overgenomen, kan de minister het aantal runderen dat op 15 december 2016 werd gehouden, bedoeld in artikel 5, tweede lid, verhogen met het aantal runderen dat op 15 december 2016 van toepassing zou zijn geweest op de houder van het beëindigde bedrijf. Bij gedeeltelijke overname wordt het aantal naar rato verhoogd.
4. Indien een houder die geen producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, meldt en aantoont dat het aantal runderen dat op 15 december 2016 werd gehouden, bedoeld in [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=5&z=2017-03-31&g=2017-03-31), minimaal 5% lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van veestallen, kan de minister op zijn verzoek het aantal runderen bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.
5. Een verzoek als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid wordt uiterlijk op 1 april 2017 ingediend, dan wel, indien het een verzoek betreft als bedoeld in het eerste lid of derde lid, uiterlijk 1 maand na de bedrijfsoverdracht indien die overdracht na 1 maart 2017 heeft plaatsgevonden.
##### Artikel 13. (vleeskalverhouders)
Deze regeling is niet van toepassing op vleeskalverhouders.
##### Artikel 13. (uitzonderingen)
1. Deze regeling is niet van toepassing op:
- a. een vleeskalverhouder;
- b. een houder die geen producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking en aantoonbaar uitsluitend runderen houdt in een op grond van [artikel 21 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018397&artikel=21) erkend verzamelcentrum of in een door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit goedgekeurde inrichting of voorziening, waar de runderen die bestemd zijn voor uitvoer binnen de Europese Unie of voor export naar derde landen in afzondering worden gehouden zonder direct of indirect contact met andere dieren teneinde gedurende een bepaalde periode de runderen te observeren en te testen.
2. Deze regeling is niet van toepassing op een houder die geen producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, voor zover:
- a. het de vrouwelijke runderen van 0 tot 1 jaar van de houder betreft en die runderen voor het bereiken van de leeftijd van 1 jaar worden afgevoerd voor de slacht, en
- b. de houder, bedoeld in onderdeel a, op een door de minister aangegeven wijze meldt welke runderen als bedoeld in onderdeel a het betreft.
3. De melding, bedoeld in het tweede lid, geschiedt voor 15 april 2017, dan wel binnen een maand nadat de houder de runderen, bedoeld in het tweede lid, is gaan houden.
##### Artikel 14. (inwerkingtreding)
2017-03-01
Regeling fosfaatreductieplan 2017 — arts. 13, 1, 1 y 37 más
2017-03-01
Regeling fosfaatreductieplan 2017
original version
Tekst op deze datum