Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/205700, houdende regels met betrekking tot de basisregistratie ondergrond (Regeling basisregistratie ondergrond)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 67
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De kaartschaal bepaalt mede de mate van detail waarmee de bodemgesteldheid kan worden weergegeven. In het verleden waren, om druktechnische redenen en vanwege de leesbaarheid van de analoge kaart, de afmetingen van kaartvlakken aan minimumgrenzen gebonden. Voor de kaartschaal 1:50 000 waren de kleinste vlakken die werden opgenomen, vlakken die ca. 10 ha. representeerden (1 cm2 op de kaart = 25 ha. in het terrein). Tegenwoordig worden veel kleinere kaartvlakken gekarteerd. De mate van detail van de huidige geomorfologische kaart komt dichterbij de 1:25.000 en voor sommige gebieden zelfs 1:10.000.

3.44. Verdeling fijne fractie grindarme minerale grond

Catalogus

REGIS II (Hydrogeologisch model)

Versie: 0.99

Datum: 07 mei 2019

Inhoud

3.45.2. geschat massa-aandeel silt

3.45.3. geschat massa-aandeel lutum

3.46. Niet beschreven interval

3.46.1. begindiepte

3.46.2. einddiepte

3.46.3. reden niet beschreven

3.47. Post-sedimentaire discontinuïteit

3.47.1. begindiepte

3.47.2. einddiepte

3.47.3. type discontinuïteit

3.48. Boormonsteranalyse

3.48.1. rapportagedatum analyse

3.48.2. analyseprocedure

3.48.3. uitvoerder analyse

3.48.4. onderzocht interval

3.49. Onderzocht interval

3.49.1. begindiepte

3.49.2. einddiepte

3.49.3. monsterkwaliteit

3.49.4. bepaalde samenstellingseigenschappen

3.49.5. bepaalde hydrofysische eigenschappen

3.49.6. watergehalte bepaald

3.49.7. volumieke massa bepaald

3.49.8. beschreven

3.49.9. onderzocht materiaal

3.49.10. bepaling korrelgrootteverdeling

3.49.11. bepaling kalkgehalte

3.49.12. bepaling organischestofgehalte

3.49.13. bepaling organisch koolstofgehalte

3.49.14. bepaling zwavelgehalte

3.49.15. bepaling verzadigde waterdoorlatendheid

3.49.16. bepaling watergehalte

3.49.17. bepaling volumieke massa

3.49.18. bepaling droge volumieke massa

3.49.19. bepaling volumieke massa vaste delen

3.50. Onderzocht materiaal

3.50.1. bijzonder materiaal

3.50.2. geologische grondsoort

3.50.3. geotechnische grondsoort

3.50.4. grindgehalteklasse

3.50.5. organischestofgehalteklasse

3.50.6. organischestofgehalteklasse NEN5104

3.50.7. schelpmateriaalgehalteklasse

3.50.8. kalkgehalteklasse

3.50.9. bijzonder bestanddeel

3.50.10. zandmediaanklasse

3.50.11. gehalteklasse schelpgruis

3.50.12. gehalteklasse schelpfragmenten

3.50.13. gehalteklasse schelpen heel

3.50.14. afwijkend materiaal

3.51. Afwijkend materiaal

3.51.1. vorm voorkomen

3.51.2. soort grond

3.51.3. soort gesteente

3.51.4. percentageklasse

3.52. Bepaling korrelgrootteverdeling

3.52.1. bepalingsprocedure

3.52.2. bepalingsmethode

3.52.3. fractieverdeling

3.52.4. verwijderingsmethode organische stof

3.52.5. verwijderingsmethode kalk

3.52.6. verwijderd materiaal

3.52.7. massa droog materiaal

3.52.8. dispersiemethode

3.52.9. rekenwaarde volumieke massa korrels

3.52.10. herkomst rekenwaarde

3.52.11. toegepast optisch model

3.52.12. bijzonderheid uitvoering

3.52.13. bijzonderheid materiaal

3.52.14. basis korrelgrootteverdeling

3.53. Basis korrelgrootteverdeling

3.53.1. fractie kleiner63um

3.53.2. fractie 63umTot2mm

3.53.3. fractie groter2mm

3.53.4. standaardverdeling fractie kleiner63um

3.53.5. minimale verdeling fractie kleiner63um

3.53.6. standaardverdeling fractie 63umtot2mm

3.53.7. minimale verdeling fractie 63umtot2mm

3.53.8. beperkte verdeling fractie 63umtot2mm

3.53.9. standaardverdeling fractie groter2mm

3.54. Standaardverdeling fractie kleiner63um

3.54.1. fractie 0tot0.2um

3.54.2. fractie 0.2tot0.5um

3.54.3. fractie 0.5tot1um

3.54.4. fractie 1tot2um

3.54.5. fractie 2tot4um

3.54.6. fractie 4tot8um

3.54.7. fractie 8tot16um

3.54.8. fractie 16tot25um

3.54.9. fractie 25tot32um

3.54.10. fractie 32tot50um

3.54.11. fractie 50tot63um

3.55. Minimale verdeling fractie kleiner63um

3.55.1. fractie 0tot2um

3.55.2. fractie 2tot4um

3.55.3. fractie 4tot8um

3.55.4. fractie 8tot16um

3.55.5. fractie 16tot32um

3.55.6. fractie 32tot50um

3.55.7. fractie 50tot63um

3.56. Standaardverdeling fractie 63umtot2mm

REGIS II is een registratieobject in het domein modellen. Het gaat in dit domein om schattingen of voorspellingen van de opbouw en eigenschappen van de bodem of ondergrond in twee of drie dimensies. Deze schematische weergaven geven een schatting of voorspelling van de opbouw en eigenschappen van de bodem of ondergrond. Modellen zijn sterk afhankelijk van de hoeveelheid en kwaliteit van de beschikbare ondergrondgegevens zoals boormonsterbeschrijvingen. De kwaliteit van de modellen zal daarom toenemen naarmate er meer ondergrondgegevens in de BRO beschikbaar komen.

Beschrijvers met een bijzondere expertise leggen de kleur van de grond volgens de systematiek van Munsell (Munsellkleur) vast en het voorkomen van de fossiele resten van bepaalde dierlijke organismen (Dierlijk fossiel).

De termen hydrogeologische eenheid en lithostratigrafische eenheid worden hieronder toegelicht:

Beschrijvers met een bijzondere expertise leggen de fractieverdeling vast van grondsoorten die in een van de volgende categorieën vallen: organische gronden, schelprijke gronden, grindrijke minerale gronden en grindarme minerale gronden. Zij beschouwen de grond als een mengsel van zes fracties: organische stof, schelpmateriaal, grind, zand, silt en lutum; de laatste vier fracties bij elkaar worden de minerale fractie genoemd. De manier waarop de aandelen van de fracties worden berekend volgt uit de stapsgewijze benadering die in de driehoeksystematiek van NEN 5104 opgesloten ligt. Het resultaat van de berekening vraagt enige toelichting, omdat het totaal van de fracties niet altijd optelt tot 100 procent en omdat er voor iedere categorie eigen regels gelden.

Een voorbeeld en figuur 6 moeten een en ander verduidelijken. Voor organische gronden geldt het totaal van de massa’s van de fracties organische stof, zand, silt en lutum als 100 procent. Het aandeel schelpmateriaal en het aandeel grind worden anders berekend. Van schelpmateriaal wordt het aandeel in het volume van de grond zonder meenemen van de organische stof geschat. Van grind wordt het aandeel in de massa van de vier minerale fracties geschat. In figuur 6 is per categorie grond aangegeven of de fractieverdeling wordt bepaald en zo ja, hoe die wordt bepaald.

3.56.6. fractie 150tot180um

De laagopbouw kan verstoord zijn doordat discontinuïteiten de lagen doorsnijden. Wanneer de laagopbouw ondanks de verstoring nog goed te beschrijven is, worden naast de lagen ook de kenmerken van de discontinuïteit vastgelegd. Als door verstoring de beschrijving van de laagopbouw praktisch onmogelijk is, wordt het verstoorde interval niet beschreven. In dat geval beveelt de procedure aan een foto van het verstoorde interval te maken.

De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk viawww.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.

Deze bijlage betreft de catalogus van de registratieobjecten booronderzoek – geotechnische boormonsterbeschrijving en boormonsteranalyse en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.

3.56.10. fractie 250tot300um

3.56.11. fractie 300tot355um

De belangrijkste gegevensbron voor REGIS II zijn boormonsterbeschrijvingen. Elk van deze boormonsterbeschrijvingen geeft vaak gedetailleerde informatie over de opbouw van de ondergrond op één specifieke locatie. Voor het overgrote deel van de gridcellen geldt echter dat ze niet doorboord zijn. Dit betekent dat we een schatting moeten doen op basis van de in de omgeving van de gridcel aanwezige boormonsterbeschrijvingen. Hoe goed het model hiertoe in staat is, is onder andere afhankelijk van:

Alle maatstaven van onzekerheid in REGIS II zijn gebaseerd op de in het model gebruikte (stochastische) interpolatietechnieken. Het is belangrijk om te beseffen dat deze technieken niet expliciet rekening houden met de onzekerheidsmarges in de gebruikte brongegevens (waaronder de boormonsterbeschrijvingen). In REGIS II spreken we daarom van modelonzekerheid in plaats van onzekerheid.

3.56.14. fractie 500tot600um

Van de meeste hydrogeologische eenheden is van de doorlatendheid een standaarddeviatieraster berekend. Deze rasters geven voor elke rastercel de modelonzekerheid van de doorlatendheid weer, uitgedrukt in de standaarddeviatie (in m/d) van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke doorlatendheid. Met de standaarddeviatie is het mogelijk om de kans te bepalen dat de doorlatendheid een bepaalde afwijking vertoont van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke waarde. De manier waarop de standaarddeviatie berekend wordt kan per geologische eenheid verschillen. Welke manier van toepassing is wordt beschreven in het Totstandkomingsrapport dat met het model in de BRO is opgenomen.

3.56.16. fractie 630tot710um

REGIS II is een regionaal ondergrondmodel met een gebruiksschaal die past bij toepassingen op landelijk en provinciaal niveau. Deze gebruiksschaal is vergelijkbaar met de schaal van 1:100.000. Bij ondergrondvraagstukken op een grotere schaal (subregionaal) kan REGIS II dienen als raamwerk waarbinnen meer detail kan worden aangebracht.

3.56.18. fractie 850tot1000um

3.56.19. fractie 1000tot1200um

De kwaliteit van REGIS II is onder andere afhankelijk van de volgende factoren: de kwaliteit van het geologische model DGM, de hoeveelheid, diepte, ruimtelijke verdeling en kwaliteit van de boormonsterbeschrijvingen, de verbreiding van een geologische eenheid, de breukwerking in deze eenheid en het modelleren van de eenheden.

Deze en andere kwaliteitsaspecten wordt in de navolgende paragrafen verder besproken.

3.56.22. fractie 1700umtot2mm

Een hydrogeologische eenheid maakt onderdeel uit van een lithostratigrafische eenheid of valt daar mee samen. Hierdoor bestaat er een zeer nauwe samenhang tussen het geologische model DGM, dat de opbouw van de ondergrond in geologische (lithostratigrafische) eenheden beschrijft, en REGIS II. Om de consistentie tussen geologische en hydrogeologische informatie te kunnen waarborgen, zijn de lithostratigrafische interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen van de subset van DGM, en de geometrie van de geologische eenheden van dit model een randvoorwaarde voor REGIS II. Hydrogeologische interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen en ruimtelijke interpretaties van de hydrogeologische eenheden dienen gebaseerd te zijn op de informatie van DGM. De kwaliteit van DGM is daardoor mede bepalend voor de kwaliteit van REGIS II.

3.57.1. fractie 63tot90um

Voor REGIS II wordt een subset van alle beschikbare boormonsterbeschrijvingen gebruikt. Dit is dezelfde subset als voor DGM gebruikt wordt. Er wordt gestreefd naar een zo gelijkmatig mogelijke verdeling van boormonsterbeschrijvingen per geologische eenheid, maar dit kan niet altijd gerealiseerd worden. Er zijn gebieden met een hogere boordichtheid (in onderzoeksgebieden, drinkwateronttrekkingsgebieden) en gebieden met een veel lagere boordichtheid (Waddenzee, IJsselmeer). Daarnaast kan de boordichtheid per eenheid per regio variëren. Tot slot varieert de kwaliteit van de boorbeschrijvingen binnen deze subset. De gebruikte boormethode, de daaraan gekoppelde manier van monstername en de methode waarmee de monsters zijn beschreven beïnvloeden de kwaliteit van laagbeschrijvingen.

3.57.3. fractie 105tot125um

Binnen REGIS II wordt een subset van alle beschikbare boormonsterbeschrijvingen gebruikt. Deze initiële subset is identiek aan de subset van de corresponderende versie van DGM. De boormonsterbeschrijvingen kunnen echter soms te weinig lithologische kenmerken bevatten of uit te grote diepte-intervallen bestaan om een hydrogeologische eenheid te kunnen interpreteren. Indien ook aanvullende informatie, bijvoorbeeld in de vorm van een geofysische boorgatmeting, die ondersteunend kan zijn bij de interpretatie, ontbreekt, kan besloten worden om dergelijke boormonsterbeschrijvingen niet bij de modellering van de top en/of basis van de betreffende hydrogeologische eenheid mee te nemen. De selectie welke boormonsterbeschrijvingen wel/niet worden meegenomen bij de modellering van een hydrogeologische eenheid wordt handmatig uitgevoerd.

De lithologische informatie van de boormonsterbeschrijvingen wordt ook gebruikt bij het schatten van de doorlatendheid van een deel van de hydrogeologische eenheden. De mate van detail en representativiteit van de boormonsterbeschrijvingen zijn bepalend of de informatie van een boormonsterbeschrijving wel/niet wordt gebruikt bij het samenstellen van de rasters van de doorlatendheid. De selectie welke boormonsterbeschrijvingen wel/niet worden meegenomen bij de modellering van een hydrogeologische eenheid wordt deels automatisch, deels handmatig uitgevoerd.

3.57.6. fractie 180tot200um

Boormonsterbeschrijvingen zijn een momentopname van de beschreven ondergrond. De opbouw van de ondergrond ter plaatse van de boormonsterbeschrijving kan in de tijd die verstreken is tussen het maken van de beschrijving en het construeren van het model veranderd zijn. Denk aan veen in een boormonsterbeschrijving dat inmiddels is geoxideerd en vergravingen (havens, vaargeulen).

3.57.8. fractie 210tot250um

Bij het actualiseren van het model wordt op een zeker moment een momentopname (‘snapshot’) gemaakt van de boormonsterbeschrijvingen en de bijbehorende boorbeschrijvingen. De interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen worden gebaseerd op deze momentopname. Alle wijzigingen die na de momentopname aan deze boormonsterbeschrijvingen worden aangebracht, zullen niet zichtbaar in de momentopname zijn en zullen daarom niet zichtbaar zijn in het betreffende model.

3.57.10. fractie 300tot355um

Alle in de subset aanwezige boormonsterbeschrijvingen worden voorzien van een hydrogeologische indeling. Op automatische wijze wordt een voorzet voor deze interpretatie gedaan, waarna de uiteindelijke interpretatie handmatig geschiedt. Bij deze handmatige interpretatie kan additionele informatie worden gebruikt, zoals geofysische boorgatmetingen, zware mineralen diagrammen, pollenonderzoek en in de omgeving opgenomen sonderingen.

Na het in hydrogeologische eenheden interpreteren van de boormonsterbeschrijvingen worden de interpretaties middels een aantal plausibiliteitscontroles gecontroleerd.

3.57.13. fractie 500tot600um

Voor elke kleiige, venige, bruinkool en complexe hydrogeologische eenheid wordt een verbreiding vastgesteld. Deze verbreiding bakent het gebied af waarbinnen de eenheid binnen het model gemodelleerd wordt. De verbreiding is de maximale of potentiële verbreiding van de eenheid binnen het lagenmodel: buiten de potentiële verbreiding komt de eenheid niet voor, binnen de verbreiding kan de eenheid voorkomen.

Bij het construeren van verbreidingsgrenzen wordt een kaartschaal van circa 1:100.000 gehanteerd. Kleine voorkomens van de hydrogeologische eenheid die buiten de resolutie van deze kaartschaal vallen, worden niet in de verbreiding opgenomen.

3.57.16. fractie 710tot1000um

Binnen de modellering van REGIS II wordt rekening gehouden met breuken. Per breuksegment is aangegeven in welke basis van kleiige, venige, bruinkool en complexe hydrogeologische eenheid dit breuksegment nog invloed heeft. Om modeltechnische redenen worden in de modellering van de hydrogeologische eenheden van REGIS II de breuken verondersteld verticaal te zijn.

3.57.18. fractie 1400umtot2mm

3.58. Beperkte verdeling fractie 63umtot2mm

Het lagenmodel is consistent, dat wil zeggen dat de top van een eenheid ofwel samenvalt met de basis van een of meerdere hoger gelegen eenheden, ofwel aan maaiveld ligt. Omgekeerd valt de basis van een eenheid samen met een of meerdere toppen van dieper gelegen eenheden, of de basis ligt aan de onderkant van het model. Een logisch gevolg is dat elk willekeurig punt in de ruimte (binnen de begrenzingen van het modelgebied) zich altijd tussen de top en basis van één enkele hydrogeologische eenheid bevindt.

3.58.2. fractie 300tot420um

REGIS II verschaft, afhankelijk van de hydrogeologische eenheid, schattingen van de hydraulische eigenschappen van de hydrogeologische eenheden. De kwaliteit van deze schattingen hangt samen met de hoeveelheid, diepte en ruimtelijke verdeling van geschikte boormonsterbeschrijvingen, de kwaliteit van deze boormonsterbeschrijvingen, de heterogeniteit van de hydrogeologische eenheid, de hoeveelheid, kwaliteit en ruimtelijke spreiding van bepalingen van deze hydraulische eigenschappen door middel van proeven en de bestaande kennis van de hydraulische eigenschappen van de eenheden en de gebruikte methodiek om deze schattingen te maken.

Geostatistische procedures worden gebruikt om op basis van geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen hydraulische parameters van een deel van de hydrogeologische eenheden te schatten. Daarbij wordt tevens de standaarddeviatie van de doorlatendheid als maat van modelonzekerheid uitgeleverd.

Indien er onvoldoende geschikte boormonsterbeschrijvingen zijn, is het niet mogelijk om de ruimtelijke variatie in de hydraulische eigenschappen aan te geven. In dat geval is een constante waarde gegeven voor het hele verbreidingsgebied van de eenheid.

3.58.6. fractie 1000tot1200um

Een boormonsterbeschrijving geeft veelal een gedetailleerd beeld van de hoogteligging van geologische eenheden op één specifieke locatie. In het lagenmodel wordt middels geostatistische technieken een schatting gegeven van de hoogteligging van de geologische eenheden per rastercel. Deze is daarmee representatief voor een gebied van 100 bij 100 m (10.000 m2). De diepteligging van de geologische eenheden in een boormonsterbeschrijving kan daarom afwijken van de voorspelde diepte van geologische eenheden in het lagenmodel op dezelfde locatie. Ook geldt dat de opeenvolging van hydrogeologische eenheden in een boormonsterbeschrijving kan afwijken van de gemodelleerde opeenvolging van de eenheden, dunne eenheden kunnen weggeschaald zijn in het lagenmodel en een complexe afwisseling van eenheden moet voor de modellering vereenvoudigd worden.

In de modellering van REGIS II worden de kleiige, venige, bruinkool en complexe hydrogeologische eenheden gemodelleerd, de geometrie van de zandige eenheden wordt hiervan afgeleid.

De hoogte van het maaiveld op de locatie van het boormonsterbeschrijving kan eveneens afwijken van de maaiveldhoogte van het model. Dit kan verschillende oorzaken hebben zoals fouten in de opname van de maaiveldhoogte of een daadwerkelijke verandering in maaiveldhoogte door bijvoorbeeld afgraving of ophoging die in de tijd tussen het maken van het boormonsterbeschrijving en het construeren van het model heeft plaatsgevonden. Verder geldt dat de maaiveldhoogte in het model representatief is voor een gebied van 100 bij 100 m en de hoogte van een boormonsterbeschrijving geldt voor één specifieke puntlocatie.

3.59.1. fractie 2tot5.6mm

3.59.2. fractie 5.6tot6.3mm

Rastercellen in het lagenmodel hebben afmetingen van 100 bij 100 m.

3.59.4. fractie 10tot16mm

In het ondiepe bereik van REGIS II is de gebruiksschaal circa 1:100.000. Door de afnemende datadichtheid met de diepte geldt op groterere dieptes een kleinere gebruiksschaal. Door verschillen in datadichtheid zijn er daarnaast regionale verschillen in de gebruiksschaal van het model. Zie ook de toelichting in 5.4.

3.59.6. fractie 20tot37.5mm

De omgrenzende rechthoek, uitgedrukt in minimale en maximale coördinaten van het model, is vastgesteld in het Rijksdriehoekstelsel (RD). De waarden zijn in onderstaande tabel weergegeven, met daarbij de omgerekende waarden in WGS84.

3.59.8. fractie groter63mm

De horizontale begrenzing van het model is vastgelegd in een polygoon.

3.60.1. bepalingsprocedure

Voor het lagenmodel geldt dat de verticale begrenzing aan de bovenkant bepaald wordt door de top van de ondiepst gelegen geologische eenheid van het DGM dat aan REGIS II ten grondslag ligt. De verticale begrenzing aan de onderkant wordt bepaald door de basis van de diepst gelegen geologische eenheid van dit DGM.

3.60.3. droogtijd

Alle coördinaten in REGIS II zijn gegeven in meter in het Rijksdriehoekstelsel (RD).

Voor de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen geven de coördinaten de ligging van de boorlocatie aan maaiveld aan. Indien een boormonsterbeschrijving zich binnen een straal van 150 meter van een breukvlak bevindt, wordt deze locatie 150 meter loodrecht van het breukvlak verschoven. Hiermee wordt voorkomen dat boormonsterbeschrijvingen gelegen in rastercellen die door breukvlakken worden doorsneden, een foutieve invloed op het modelresultaat kunnen hebben.

Voor het lagenmodel geldt de conventie dat de ligging van een rastercel wordt beschreven door de coördinaten van de linkeronderhoek (‘lower left corner’).

3.60.7. massaverlies kalkgehalte

Alle hoogten in het lagenmodel van REGIS II zijn gegeven in meter ten opzichte van NAP.

3.61.1. massa105gradenCelsius

Catalogus

GeoTOP

Versie: 0.99

Datum: 21 juni 2019

Inhoud

3.62.3. droogtijd

3.62.4. lutumcorrectie toegepast

3.62.5. vrij ijzer correctie toegepast

3.62.6. vrij ijzer gehalte

3.62.7. bijzonderheid uitvoering

3.62.8. bijzonderheid materiaal

3.62.9. organischestofgehalte

3.62.10. massaverlies organischestofgehalte

3.63. Massaverlies organischestofgehalte

3.63.1. massa105gradenCelsius

3.63.2. massa450gradenCelsius

3.63.3. massa550gradenCelsius

3.64. Bepaling organisch koolstofgehalte

3.64.1. bepalingsprocedure

3.64.2. bepalingsmethode

3.64.3. bijzonderheid uitvoering

3.64.4. bijzonderheid materiaal

3.64.5. detectielimiet

3.64.6. organisch koolstofgehalte

3.65. Bepaling zwavelgehalte

3.65.1. bepalingsprocedure

1.3.3.1 Overzicht data elementen

3.65.3. bijzonderheid uitvoering

3.65.4. bijzonderheid materiaal

3.65.5. detectielimiet

3.65.6. zwavelgehalte

3.66. Bepaling verzadigde waterdoorlatendheid

3.66.1. bepalingsprocedure

3.66.2. bepalingsmethode

3.66.3. verticaal bepaald

3.66.4. verzadigingsmethode

3.66.5. gebruikt medium

3.66.6. water ontgast

3.66.7. volumieke massa water

3.66.8. poreuze stenen nat

3.66.9. verticale rek

3.66.10. zwel geconstateerd

3.66.11. ring waterafstotend

3.66.12. stroming neerwaarts

3.66.13. temperatuur

3.66.14. bijzonderheid uitvoering

3.66.15. bijzonderheid materiaal

3.66.16. maximale gradiënt

3.66.17. watergehalte na afloop

3.66.18. verzadigde waterdoorlatendheid bij bepaalde belasting

3.67. Verzadigde waterdoorlatendheid bij bepaalde belasting

3.67.1. belasting

3.67.2. verzadigde waterdoorlatendheid

3.68. Bepaling watergehalte

3.68.1. bepalingsprocedure

3.68.2. bepalingsmethode

3.68.3. monstervochtigheid

3.68.4. verwijderd materiaal

3.68.5. droogtemperatuur

3.68.6. droogtijd

3.68.7. zoutcorrectiemethode

3.68.8. bijzonderheid uitvoering

3.68.9. bijzonderheid materiaal

3.68.10. watergehalte

3.69. Bepaling volumieke massa

3.69.1. bepalingsprocedure

3.69.2. bepalingsmethode

3.69.3. monstervochtigheid

3.69.4. volume proefstuk

3.69.5. onder belasting

3.69.6. verticale rek

3.69.7. waterverzadigd

3.69.8. zwel geconstateerd

3.69.9. bijzonderheid uitvoering

3.69.10. bijzonderheid materiaal

3.69.11. volumieke massa

3.70. Bepaling droge volumieke massa

3.70.1. bepalingsprocedure

3.70.2. bepalingsmethode

3.70.3. monstervochtigheid

3.70.4. volume proefstuk

3.70.5. onder belasting

3.70.6. verticale rek

3.70.7. waterverzadigd

3.70.8. zwel geconstateerd

3.70.9. droogtemperatuur

3.70.10. droogtijd

3.70.11. zoutcorrectiemethode

3.70.12. bijzonderheid uitvoering

3.70.13. bijzonderheid materiaal

3.70.14. droge volumieke massa

3.71. Bepaling volumieke massa vaste delen

3.71.1. bepalingsprocedure

3.71.2. bepalingsmethode

3.71.3. verwijderd materiaal

3.71.4. gebruikt medium

3.71.5. inhoud monsterhouder

3.71.6. bijzonderheid uitvoering

3.71.7. bijzonderheid materiaal

3.71.8. volumieke massa vaste delen

Artikel 2. Beschrijving van uitbreidbare waardelijsten

1.1. Aanvulmateriaal

3.22.3. grindgehalteklasse

1.2. ActueelProces

3.22.5. bijzonder bestanddeel

1.3. Analyseprocedure

3.22.7. gevlekt

1.4. Apparaattype

3.22.9. disperse inhomogeniteit

1.5. Associatieaandeelklasse

3.22.11. organischestofgehalteklasse

1.6. BedekkingsgraadVlek

3.22.13. verticale gradering

1.7. Bemonsteringskwaliteit

3.22.15. type vermenging

1.8. Bemonsteringsmethode

3.22.17. fijn grind gehalteklasse

1.9. Bemonsteringsprocedure

3.22.19. zeer grof grind gehalteklasse

1.10. BepaaldeHydrofysischeEigenschappen

3.22.21. zandspreiding

1.11. BepaaldeSamenstellingseigenschappen

3.22.23. textuur organische grond

1.12. Bepalingsmethode

3.22.25. consistentie organische grond

1.13. Bepalingsprocedure

3.22.27. afzettingskarakteristiek

1.14. BeschrevenMateriaal

3.23. Korrelvorm

1.15. Beschrijfkwaliteit

3.23.2. sfericiteit

1.16. Beschrijflocatie

3.24. Gesteente

1.17. Beschrijfprocedure

3.24.2. soort cement

1.18. BijzonderheidMateriaal

De lijst met de bijzonderheden van het onderzochte materiaal die tijdens bepalingen in geologische monsteranalyse zijn geconstateerd.

GeoTOP is een driedimensionaal geologisch model van de laagopbouw en grondsoort (bijvoorbeeld klei, zand, veen) van de ondiepe ondergrond van Nederland tot een diepte van maximaal 50 m onder NAP. In GeoTOP is de ondergrond onderverdeeld in een regelmatig driedimensionaal grid (raster) van aaneengesloten voxels (volumecellen) van 100 x 100 m in de horizontale richtingen en 0,5 m in de verticaal. Aan elke voxel zijn eigenschappen gekoppeld. Dit zijn de lithostratigrafische c.q. geologische eenheid (laag) waartoe een voxel behoort, de lithoklasse (grondsoort) die representatief is voor de voxel en een aantal attributen die tezamen een maat van modelonzekerheid vormen. Behalve voxels bevat GeoTOP ook een gedetailleerd lagenmodel en de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen die bij het maken van het model gebruikt zijn.

De lijst met de bijzonderheden die zich tijdens de uitvoering van bepalingen in de geologische monsteranalyse hebben voorgedaan.

GeoTOP bestaat uit de volgende in de BRO opgenomen producten die ontstaan uit een gestandaardiseerd werkproces:

De lijst met de materialen waaruit een laag die geen grond- of gesteentelaag is bestaat.

1.21. Bodemgebruik

De lijst met de waarden voor bodemgebruik.

Op GeoTOP is versiebeheer van toepassing. Het versiebeheer geldt zowel voor individuele modelgebieden als voor GeoTOP als geheel. De in de BRO uitgeleverde actuele versie van GeoTOP omvat alle op dat moment actuele modelgebieden.

De lijst voor de classificatie van het aandeel kleurige korrels in de zand- en de grindfractie.

Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.

3.24.14. verweerd

1.24. Boortechniek

De lijst met de technieken voor het maken van een gat in de ondergrond.

Alle maatstaven van onzekerheid in GeoTOP zijn gebaseerd op de in het model gebruikte (stochastische) interpolatietechnieken. Het is belangrijk om te beseffen dat deze technieken niet expliciet rekening houden met de onzekerheidsmarges in de gebruikte brongegevens (waaronder de boormonsterbeschrijvingen). In GeoTOP spreken we daarom van modelonzekerheid in plaats van onzekerheid.

3.25.3. omzetting

Van elke gemodelleerde geologische eenheid in het lagenmodel is van zowel de top als de basis een standaarddeviatieraster berekend. Deze rasters geven voor elke rastercel de modelonzekerheid weer, uitgedrukt in de standaarddeviatie (in m) van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke diepteligging van de gemodelleerde top en basis van de geologische eenheid. Met de standaarddeviatie is het mogelijk om de kans te bepalen dat de diepteligging van de top of basis een bepaalde afwijking vertoont van de door het model geschatte meest waarschijnlijke waarde. De manier waarop de standaarddeviatie berekend wordt kan per geologische eenheid en per modelgebied verschillen. Welke manier van toepassing is wordt beschreven in het Totstandkomingsrapport dat met het model in de BRO is opgenomen.

3.26.1. begindiepte

In het voxelmodel wordt de lithoklasse met behulp van stochastische interpolatietechnieken geschat. Deze technieken komen er in essentie op neer dat het model een groot aantal (bijvoorbeeld 100) keer wordt doorgerekend met telkens een andere, maar statistisch gezien even waarschijnlijke, uitkomst. Voor de lithoklasse van een voxel wordt dan bijvoorbeeld 80 keer klei geschat, 10 keer veen en 10 keer kleiig zand. Uit de verschillende schattingen wordt voor elke lithoklasse de kans op voorkomen berekend door het aantal keren dat de lithoklasse is geschat te delen door het aantal modelberekeningen (bijvoorbeeld 100). In het eerder beschreven voorbeeld is de kans op klei dan 0,8, de kans op veen 0,1 en de kans op kleiig zand eveneens 0,1.

De lijst voor de classificatie van de stijfheid van organische grond.

Voor individuele voxels kan de kansverdeling worden weergegeven in een histogram, waarmee een visualisatie van de modelonzekerheid in de betreffende voxel wordt verkregen (Figuur 3.5).

De lijst met de methoden waarmee de coördinaten zijn omgezet.

1.29. Dispersiemethode

De lijst met de methoden voor het losmaken van samengeklonterde korrels.

De modelonzekerheid van lithoklasse is de mate waarin het model in staat is om een eenduidige schatting te geven van de voor de voxel representatieve lithoklasse en heeft de volgende eigenschappen:

De lijst met de temperaturen waarbij het materiaal is gedroogd.

In onderstaande tabel is de modelonzekerheid (H) uitgewerkt voor een model met drie mogelijke lithoklassen (bijvoorbeeld zand, klei, veen, met kansen p1, p2, p3).

De lijst met de duur van de periode waarin het materiaal is gedroogd.

In de tweede situatie zijn de kansen op de drie lithoklassen aan elkaar gelijk. Het model is niet in staat om een eenduidige schatting te geven en de modelonzekerheid is daarom 1.

De lijst voor de classificatie van de fracties die voor de bepaling van korrelgrootteverdeling in de geologie is gebruikt.

In de laatste situatie wordt een kleine kans op lithoklasse 3 (p3 = 0.02 of 2%) geïntroduceerd waardoor de modelonzekerheid relatief sterk toeneemt.

3.28.1. rapportagedatum analyse

De modelonzekerheid van geologische eenheid is de mate waarin het model in staat is om een eenduidige schatting te geven van de geologische eenheid waartoe de voxel behoort. Net als de modelonzekerheid op lithoklasse is deze onzekerheid afgeleid van het concept van informatie-entropie en heeft vergelijkbare eigenschappen. Bij de berekening van de modelonzekerheid wordt gebruik gemaakt van de standaarddeviaties van de top en de basis van de verschillende geologische eenheden uit het lagenmodel.

3.28.3. uitvoerder analyse

GeoTOP is een subregionaal ondergrondmodel met een gebruiksschaal die past bij toepassingen op provinciaal, gemeentelijk of wijkniveau. Deze gebruiksschaal is vergelijkbaar met de schaal van 1:50.000 die bij Geologische Kaart van Nederland, een voorloper van GeoTOP, gehanteerd werd. Bij ondergrondvraagstukken op een grotere schaal (straatniveau of individuele gebouwen) kan GeoTOP dienen als raamwerk waarbinnen meer detail kan worden aangebracht.

3.29.1. begindiepte

1.36. GeotechnischeGrondsoort

De lijst voor de geotechnische beschrijving van de grondsoort gebaseerd op de systematiek van NEN-EN-ISO 14688-1:2019+NEN 8990:2020 nl.

De hoeveelheid beschikbare boormonsterbeschrijvingen. De gebruikte boormonsterbeschrijvingen zijn niet gelijkmatig over Nederland verdeeld. Er zijn gebieden met een zeer hoge boordichtheid, bijvoorbeeld Zuid-Holland en grote delen van Midden-Nederland. Andere delen van het land, zoals de Veluwe, hebben een veel lagere boordichtheid. Bovendien geldt dat de boordichtheid snel met de diepte afneemt. In het algemeen kan gesteld worden dat de afnemende datadichtheid dieper dan 30 m onder maaiveld leidt tot een sterk verminderde kwaliteit van de schatting van de lithoklasse.

De lijst voor de classificatie van het aandeel glimmers in het volume van de grond.

De ouderdom van de brongegevens. De te modelleren werkelijkheid zoals die in boormonsterbeschrijvingen en op geologisch en bodemkundig kaartmateriaal is weergegeven kan intussen zijn veranderd. Denk aan veen in een boormonsterbeschrijving dat inmiddels is geoxideerd, vergravingen (havens, vaargeulen), of zich verleggende geulsystemen in de Waddenzee.

De lijst met de methoden voor het bepalen van de grenzen van lagen.

De toepassing waarin GeoTOP gebruikt wordt. Verschillende toepassingen stellen verschillende kwaliteitseisen.

De lijst voor de classificatie van het aandeel grind in grindarme grond volgens NEN 5104.

1.40. Grindherkomst

De lijst met de waarden voor de herkomst van grind.

Aansluitingsproblemen zijn te herkennen aan onrealistische sprongen in de diepteligging van de top of basis van een geologische eenheid en abrupte overgangen in lithoklasse precies op de modelgebiedgrens. Het verdient daarom aanbeveling om in de nabijheid van een modelgebiedgrens niet alleen het model zelf, maar ook de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen aan weerszijden van de grens te raadplegen. De grenzen van de modelgebieden zijn opgenomen in de BRO.

3.30.2. geotechnische grondsoort

1.42. GrootteklasseBrokje

De lijst voor de classificatie van de grootte van brokjes grond.

Ook de manier waarop de monsters zijn beschreven en de vakkundigheid van de beschrijver spelen een belangrijke rol. Het besluit om de laagopbouw van een boring al dan niet uitgebreid te beschrijven, hangt o.a. af van het doel van de boring en de daarvoor beschikbare financiële middelen.

3.30.6. organischestofgehalteklasse

Uitgangspunt voor GeoTOP is dat alle beschikbare boormonsterbeschrijvingen worden meegenomen in de modellering. Voor een deel van de boormonsterbeschrijvingen geldt echter dat de kwaliteit zodanig laag is, dat GeoTOP er niet beter maar slechter door zou worden. Om deze boormonsterbeschrijvingen te traceren en uit te sluiten wordt een kwaliteitsfilter toegepast. Een eerste filter sluit boormonsterbeschrijvingen uit waarvan alleen kopgegevens bekend zijn of waarvan de kopgegevens maaiveldhoogte, einddiepte of locatie (x- en y-coördinaat) ontbreken.

De lijst voor de classificatie van de hoekigheid van de korrels.

Boormonsterbeschrijvingen die worden uitgesloten worden vastgelegd in een lijst met uit te sluiten boornummers, met een (korte) omschrijving van de reden waarom ze uitgesloten zijn. Deze lijst wordt in latere modelleerstappen op basis van controles van het lagenmodel nog handmatig aangevuld. Afhankelijk van het modelgebied wordt in het algemeen maximaal 10% van de boormonsterbeschrijvingen op basis van het automatische kwaliteitsfilter uitgesloten.

3.31.1. bepalingsprocedure

Boormonsterbeschrijvingen zijn een momentopname van de beschreven ondergrond. De opbouw van de ondergrond ter plaatse van de boormonsterbeschrijving kan in de tijd die verstreken is tussen het maken van de beschrijving en het construeren van het model veranderd zijn. Denk aan veen in een boormonsterbeschrijving dat inmiddels is geoxideerd, vergravingen (havens, vaargeulen), of zich verleggende geulsystemen in de Waddenzee.

3.31.3. monstervochtigheid

Bij het construeren van een modelgebied wordt op een zeker moment een momentopname (‘snapshot’) gemaakt van de brondatabase met boormonsterbeschrijvingen en de bijbehorende boormonsterbeschrijvingsintervallen. De interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen worden vervolgens gebaseerd op deze momentopname. Alle wijzigingen die in de brondatabase na de momentopname worden aangebracht, zullen daarom niet zichtbaar zijn in het betreffende modelgebied.

3.31.5. filterpapier gebruikt

Door de omvang van de dataset is het ondoenlijk alle boormonsterbeschrijvingen handmatig te voorzien van een indeling in geologische eenheden. Bovendien bestaat bij handmatige werkzaamheden het gevaar van inconsistentie waarbij vergelijkbare boormonsterbeschrijvingen verschillend worden geïnterpreteerd. GeoTOP voorziet daarom in geautomatiseerde procedures om de boormonsterbeschrijving in geologische eenheden te interpreteren.

De lijst met de volumes van de monsterhouder die bij bepaalde bepalingen is gebruikt.

1.49. KaderAanlevering

De lijst met de redenen waarom het registratieobject aan de basisregistratie ondergrond is aangeleverd.

1.50. KaderInwinning

De lijst met de redenen waarom het onderzoek is uitgevoerd.

Bij het construeren van verbreidingsgrenzen wordt een kaartschaal van circa 1:50.000 gehanteerd. Kleine voorkomens van de geologische eenheid die buiten de resolutie van deze kaartschaal vallen, worden daardoor mogelijk niet in de verbreiding opgenomen.

De lijst met de kaderstellende procedures voor de uitvoering van het booronderzoek.

1.52. Kalkgehalteklasse

De lijst voor de classificatie van het kalkgehalte van grond.

1.53. Kleur

3.32.4. verzadigingsdruk

De mate van detaillering van het lagenmodel in het ondiepe bereik is in het algemeen groter dan in de diepere delen. Dit heeft de maken met de datadichtheid, die in het ondiepe bereik hoger is dan in het diepe deel.

3.32.6. verstoring opgetreden

In het constructieproces van GeoTOP worden geostatistische procedures gebruikt om de diepteligging van de basis van elke geologische eenheid te schatten. Daarnaast wordt de standaarddeviatie van de basis als maat van modelonzekerheid uitgeleverd. Het geostatistische karakter van het lagenmodel is terug te zien in lokale variaties gesuperponeerd op een regionale trend.

3.32.8. maximale rek

Het lagenmodel is consistent, dat wil zeggen dat de top van een eenheid ofwel samenvalt met de basis van een of meerdere hoger gelegen eenheden, ofwel aan maaiveld ligt. Omgekeerd valt de basis van een eenheid samen met een of meerdere toppen van dieper gelegen eenheden, of de basis ligt aan de onderkant van het model. Een logisch gevolg is dat elk willekeurig punt in de ruimte (binnen de begrenzingen van het modelgebied) zich altijd tussen de top en basis van één enkele geologische eenheid bevindt. Deze gevolgtrekking gebruiken we om van (de middelpunten van) voxels te bepalen tot welke eenheid ze behoren.

De lijst voor de classificatie van het volumeaandeel van de laagjes in de laag.

1.57. Laagdikteklasse

De lijst voor de classificatie van de dikte van afwijkende laagjes en laagjes.

De hoogte van het maaiveld op de locatie van het boormonsterbeschrijving kan eveneens afwijken van de maaiveldhoogte van het model. Dit kan verschillende oorzaken hebben, zoals kleine hoogteverschillen ter plaatse van het boormonsterbeschrijving, fouten in de opname van de maaiveldhoogte of een daadwerkelijke verandering in maaiveldhoogte door bijvoorbeeld afgraving of ophoging die in de tijd tussen het maken van het boormonsterbeschrijving en het construeren van het model heeft plaatsgevonden. Verder geldt ook bij maaiveldhoogte dat de hoogte in het model representatief is voor een gebied van 100 x 100 m en de hoogte van een boormonsterbeschrijving geldt voor één specifieke puntlocatie.

3.33.5. nat uitgevoerd

1.59. LiggingOpGrondlichaam

De lijst met de omschrijvingen van het deel van een grondlichaam waar de locatie van onderzoek op ligt.

1.60. LokaalVerticaalReferentiepunt

De lijst met de referentiepunten voor de verticale positie.

Bij het vertalen van het lagenmodel naar het voxelmodel wordt voor het middelpunt van de voxel bepaald in welke geologische eenheid hij valt. Deze eenheid wordt vervolgens aan de voxel toegewezen. Op plaatsen waar een eenheid in het lagenmodel dunner is dan 0,5 m, en er geen voxel-middelpunt tussen top en basis ligt, zal de eenheid niet in het voxelmodel voorkomen. Als er juist wel een voxel-middelpunt tussen top en basis ligt, zal de eenheid een overdreven dikte krijgen van 0,5 m.

De lijst met de standaardclassificatie van massapercentages in de vakgebieden geologie en geotechniek.

1.62. MateVerwering

De lijst voor de classificatie van de mate van verwering van schelpmateriaal.

1.63. MenselijkSpoor

3.37.2. verticale rek

Rastercellen in het lagenmodel hebben afmetingen van 100 x 100 m. Voxels in het voxelmodel meten 100 x 100 m in de horizontale richtingen en 0,5 m in de verticale richting.

3.37.4. verticale korrelspanning

Nabij het aardoppervlak heeft GeoTOP een gebruiksschaal van circa 1:50.000. Door de afnemende datadichtheid met de diepte geldt op grotere dieptes een kleinere gebruiksschaal. Door verschillen in datadichtheid zijn er daarnaast regionale verschillen in de gebruiksschaal van het model. Zie ook de toelichting in 5.4.

3.38. Bepaling ongedraineerde schuifsterkte

De omgrenzende rechthoek, uitgedrukt in minimale en maximale coördinaten van het model, is vastgesteld in het Rijksdriehoekstelsel (RD). De waarden zijn in onderstaande tabel weergegeven, met daarbij de omgerekende waarden in WGS84.

3.38.2. bepalingsmethode

De horizontale begrenzing is zowel voor het model als geheel als voor elk modelgebied afzonderlijk vastgelegd in een polygoon.

3.38.4. bepalingsdiameter

De verticale begrenzing aan de bovenkant wordt bepaald door het maaiveld- en waterbodemhoogtebestand. Dit bestand is een raster met cellen van 100 x 100 m en vormt een onderdeel van het modelgebied. Elke rastercel geeft de hoogteligging van het maaiveld resp. de waterbodem ten opzichte van NAP weer.

De lijst voor de classificatie van de vochtigheidstoestand van het materiaal.

1.69. MunsellHoofdkleur

De lijst voor de codes van de hoofdkleur in het Munsellsysteem.

Voor de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen geven de coördinaten de ligging van de boorlocatie aan maaiveld aan. Voor het lagenmodel geldt de conventie dat de ligging van een rastercel wordt beschreven door de coördinaten van de linkeronderhoek (‘lower left corner’). Voor het voxelmodel geldt de conventie dat de horizontale ligging van een voxel wordt beschreven door de coördinaten van het middelpunt (‘cell center’) van de voxel.

3.39.1. bepalingsprocedure

Alle hoogten in het lagenmodel en voxelmodel van GeoTOP zijn gegeven in m ten opzichte van NAP. Voor het voxelmodel geldt de conventie dat de verticale ligging van een voxel wordt beschreven door de coördinaten van het middelpunt (‘cell center’) van de voxel.

3.39.3. proefstuk gemaakt

Catalogus

De lijst met de gebeurtenissen.

Versie: 0.99

De lijst voor de classificatie van het aandeel organische stof in grond volgens NEN-EN-ISO 14688.

Inhoud

3.39.9. filterpapier gebruikt

1.75. RedenNietBeschreven

3.39.11. membraan vooraf verzadigd

1.76. Referentiestelsel

3.39.13. celrekcorrectie toegepast

1.77. Registratiestatus

3.39.15. bijzonderheid uitvoering

1.78. SedimentairFenomeen

3.40. Membraancorrectie

1.79. Sfericiteit

3.40.2. dikte

1.80. SoortArcheologischBestanddeel

3.41. Drainagestrookcorrectie

1.81. SoortBijzonderBestanddeel

3.41.2. plaatsing

1.82. SoortDierfossiel

3.42. Gemaakt proefstuk voor belasten

1.83. SoortGesteente

3.42.2. watergehalte

1.84. SoortGrind

3.42.4. droge volumieke massa

1.85. SoortGrond

3.43.1. poreuze stenen nat

1.86. SoortPlantenrest

3.43.3. gebruikt medium

1.87. SoortSchelp

3.43.5. celdruk automatisch gestuurd

1.88. SoortVeen

3.43.7. effectieve druk

1.89. Spoelingtoeslag

3.43.9. verstoring opgetreden

1.90. StopcriteriumVeld

3.43.11. spanningsverschil

1.91. Structuur

3.44.1. afstroming tweezijdig

1.92. TextuurOrganischeGrond

3.44.3. verticale consolidatiespanning

1.93. TijdelijkeVerandering

3.44.5. verticale rek

1.94. ToegepastOptischModel

3.45. Volumeverloop bij consolidatie

1.95. TypeDiscontinuïteit

3.46.1. verlopen tijd

1.96. TypeIngreep

3.46.3. verticale spanning

1.97. Vakgebied

3.47. Belastingfase

1.98. VerticaalReferentievlak

3.47.2. vorm proefstuk

1.99. VerticaleTrend

3.49. Schuifspanning bij bepaalde belasting

1.100. VerwijderdMateriaal

3.49.2. verticale rek

1.101. VerwijderingsmethodeKalk

3.49.4. schuifspanning

1.102. VerwijderingsmethodeOrganischeStof

1. Geologisch booronderzoek

1.103. Verzadigingsmethode

3.50.1. bepalingsprocedure

1.104. Vlekkleur

3.50.3. proefstuk gemaakt

1.105. VolumePercentageklasse

3.50.5. proefstuk waterverzadigd

1.106. Voorbehandeling

3.50.7. gedraineerd

1.107. Voorbereiding

3.50.9. begindiameter

1.108. VormVoorkomen

3.50.11. stopcriterium

1.109. WeggegravenMateriaal

3.50.13. bijzonderheid materiaal

1.110. Zandmediaanklasse

1.1.4. Deelonderzoeken

1.111. Zandspreiding

3.51. Gemaakt proefstuk voor horizontaal vervormen

1.112. ZeerGroveFractieGehalteklasse

3.51.2. watergehalte

1.113. Zoutcorrectiemethode

3.52. Consolidatiefase bij horizontaal vervormen

Toelichting

1. Geologisch booronderzoek

1.1. Inleiding

3.53.2. verticale spanning

1.2.2. Registratiegeschiedenis

3.55. Hoogte na bepaalde consolidatietijd

1.2. Geologisch booronderzoek

3.55.2. verticale rek

1.2.4. Boring

3.56.1. vervormingssnelheid

3.56.2. actieve hoogtesturing

3.57. Schuifspanningsverloop bij horizontale vervorming

1.3. Boren

3.58.1. verlopen tijd

Wanneer men ten slotte klaar is met boren kan het ontstane gat op een bepaalde manier worden afgewerkt. Dat kan weer per diepte-interval verschillen (Afgewerkt interval).

De gegevens over de opbouw en de eigenschappen van de ondergrond die uit booronderzoek voortkomen, zijn gebaseerd op monsters die uit de ondergrond genomen zijn. Voor het hergebruik van de gegevens is het van belang te weten in welke mate de monsters waarop de waarnemingen en metingen zijn gebaseerd representatief geacht kunnen worden voor de situatie in-situ. Anders gezegd, voor hergebruik is het van belang de kwaliteit van de monsters vast te leggen.

De kwaliteit van de monsters is van een groot aantal factoren afhankelijk: hoe er geboord is, hoe de monsters genomen zijn, met wat voor apparaat, hoe de monsters boven de grond zijn behandeld, getransporteerd en opgeslagen. De gegevens over het boren, bemonsteren en de relevante specificaties van het apparaat zijn in deze catalogus opgenomen. Die gegevens bepalen het maximaal te bereiken kwaliteitsniveau. Om die kwaliteit in het verdere proces te kunnen behouden, zijn binnen het werkveld van de geotechniek procedures opgesteld en die worden ook in het geologisch werkveld gevolgd. Monsters worden ingedeeld in 5 klassen op basis van de NEN-EN-ISO 22475 en voor iedere klasse is vastgelegd hoe de monsters behandeld moeten worden vanaf het moment dat ze boven de grond zijn gekomen. De classificatie geeft aan in welke mate de oorspronkelijke toestand van de grond bewaard is gebleven. Geroerde monsters, dat wil zeggen monsters waarin de oorspronkelijke samenhang van de grond al door het boren verloren is gegaan, vormen één klasse. De andere klassen hebben betrekking op ongeroerde monsters, monsters waarin de oorspronkelijke samenhang van de grond in enige mate bewaard is gebleven. In hoeverre de kwaliteit op het moment dat de monsters worden beschreven of geanalyseerd afwijkt van de initiële kwaliteit, wordt vastgelegd als onderdeel van het onderzoek.

De onderlinge samenhang van de in de BRO opgenomen geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen en het lagenmodel is geïllustreerd in Figuur 3.1 – 3.2.

3.59.1. bepalingsprocedure

In de boormonsterbeschrijving wordt het materiaal dat uit de ondergrond naar boven is gehaald, beschreven op een manier die inzicht geeft in de opbouw van de ondergrond en de globale eigenschappen ervan. De boormonsterbeschrijving is het onderzoek dat traditioneel de grondslag levert voor (hydro)geologische modellen. In het laboratorium worden allerlei proeven uitgevoerd om de samenstelling en een grote verscheidenheid aan eigenschappen nauwkeurig te bepalen. De verscheidenheid aan bepalingen is groot en iedere bepaling vraagt een eigen definitie. Dat vergt tijd en om die reden wordt de standaardisatie van boormonsteranalyse in fasen gerealiseerd.

Bij boren op water kan er op de waterbodem een laag slib blijken te liggen. Wanneer dat voor het onderzoek relevant geacht is, worden enkele kenmerken daarvan vastgelegd.

Voor 2017 hadden boormonsterbeschrijvingen in de vakgebieden geologie, toegepaste geologie en de geotechniek een gemeenschappelijke grondslag en dat was de NEN 5104. Voor de geotechniek is internationaal inmiddels een nieuwe norm van kracht geworden en in 2019 is daarvan een Nederlandse invulling gemaakt (NEN-EN-ISO 14688). De nieuwe norm is op een andere leest geschoeid dan de oude. In de beschrijving van grond onder NEN 5104 staat de samenstelling van grond centraal en in de beschrijving onder NEN-EN-ISO 14688 het gedrag van grond. Dit verschil in benadering maakt de beschrijvingen minder geschikt voor de geologen die de landelijke (hydro)geologische modellen maken. Voor dat doel moet juist de samenstelling van de grond in de beschrijving centraal staan. De geologen van de Geologische Dienst Nederland die de landelijke modellen maakt, blijven zich daarom baseren op een eigen, op de NEN 5104 gebaseerde, methode: de Standaard Boor Beschrijvingsmethode (SBB).

3.59.5. conustype

1.2.9. Boorprofiel

De opdracht bepaalt het kwaliteitsniveau.

Een boorprofiel heeft een bepaalde beschrijfkwaliteit en dat wil zeggen dat de kwaliteit van de monsters waarop de beschrijving gebaseerd is en de mate van detail in de beschrijving over het hele profiel vergelijkbaar zijn. Een geval waarin een boormonsterbeschrijving twee boorprofielen oplevert is wanneer op een bepaalde plaats een boring is gezet die op twee manieren bemonsterd is (Figuur 4).

2.1. Booronderzoek

Deze entiteit draagt de naam van het registratieobject zelf en bevat de gegevens die het booronderzoek identificeren en allerlei administratieve gegevens die betrekking hebben op onder meer de herkomst van het onderzoek in de registratie. Zo geeft de entiteit informatie over het doel waarvoor het onderzoek is uitgevoerd (kader inwinning), en de grondslag voor de verplichting tot aanlevering (kader aanlevering).

1.2.10. Laag

De belangrijkste entiteiten in een boorprofiel zijn de lagen. Een laag bestaat uit grond of uit bijzonder materiaal (of uit gesteente, maar dat valt nog buiten het bereik van de catalogus). Een laag die uit bijzonder materiaal bestaat wordt summier beschreven, een laag die uit grond bestaat wordt uitvoerig beschreven. Een laag heeft een boven- en ondergrens en is van natuurlijke of menselijke (antropogeen) oorsprong.

3.60.3. aantal vallen

In een boorprofiel dat betrekking heeft op geroerde monsters, is de laag een bemonsteringseenheid en vertegenwoordigt iedere laag een monster. Zo’n laag wordt beschreven als een lithologisch homogeen geheel en heeft een soort grond (Grond).

3.61.1. bepalingsprocedure

2.4. Boring

De kernactiviteit in het veld is het maken van het gat, de boring. Voor het onderzoek is het van het grootste belang de gegevens vast te leggen die van invloed zijn op de uiteindelijke resultaten van het onderzoek. Daarnaast betekent boren dat men de toestand van de ondergrond verandert. Om de gevolgen van die ingreep later te kunnen beoordelen is het van belang te weten hoe men de ondergrond heeft achtergelaten.

Aan het maken van een boorgat kunnen voorbereidende werkzaamheden zijn voorafgegaan. Het weggraven van materiaal is een bijzondere vorm van voorbereiding omdat daaruit ook gegevens over de opbouw van de ondergrond kunnen voortkomen. Wanneer het weggegraven materiaal globaal is beschreven wordt dat apart vastgelegd (Weggegraven laag) en niet als onderdeel van het deelonderzoek Boormonsterbeschrijving.

3.61.5. dispersiemethode

3.61.6. rekenwaarde bezinksnelheid

Tijdens het boren kan men constateren dat er in bepaalde intervallen sporen van verontreiniging voorkomen (Verontreinigd interval) en dat wordt dan vastgelegd om latere gebruikers te kunnen informeren.

3.61.8. toegepast optisch model

Wanneer de grond bestanddelen bevat die niet als een normaal onderdeel van grond gelden, wordt het voorkomen ervan beschreven (Bijzonder bestanddeel) en hetzelfde geldt voor brokjes van een andere grondsoort (Brokje). Welke kenmerken er verder worden vastgelegd hangt af van de grondsoort en de beschrijfkwaliteit, en dat laatste wil zeggen: de combinatie van expertiseniveau en kwaliteit van de monsters.

In het geval men monsters gestoken of gekernd heeft worden ook specificaties vastgelegd van het apparaat dat daarvoor gebruikt is. In Figuur 2 en Figuur 3 wordt geïllustreerd wat de belangrijkste kenmerken zijn.

2.6. Terreintoestand

Voor, tijdens of direct na het boren kunnen in het veld waarnemingen worden gedaan die deel uitmaken van het booronderzoek. Die waarnemingen hebben betrekking op de toestand van het terrein. Dat begrip wordt in nogal ruime zin opgevat en dekt alle gegevens die vastgelegd worden om een goed begrip te krijgen van de ruimtelijke context waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd.

2.7. Sliblaag

Bij boren op water kan er op de waterbodem een laag slib blijken te liggen. Wanneer dat voor het onderzoek relevant geacht is, worden enkele kenmerken daarvan vastgelegd.

Het deel van de grond dat uit schelpmateriaal bestaat wordt apart beschreven. In alle gevallen worden de relatieve hoeveelheden gruis, fragmenten en hele schelpen bepaald en wordt het voorkomen van een aantal kenmerkende schelpensoorten vastgelegd (Schelpenbestanddeel). Van ongeroerde monsters wordt ook het voorkomen van schelpdoubletten beschreven. Andere kenmerken worden alleen door beschrijvers met bijzondere expertise beschreven.

1.2.15. Veenfractie

Het deel van de grond dat uit veen bestaat wordt wanneer het om ongeroerde monsters gaat, apart beschreven. Standaard wordt alleen het soort veen benoemd (soort veen), maar specialisten benoemen ook het voorkomen van verschillende soorten plantenresten (Veenbestanddeel).

1.2.16. Afwijkend laagje, insluitsel, sedimentlens en vlek

3.64. Uitgebreide verdeling fractie kleiner63um

Over het hele boortraject zijn monsters met een relatief lage kwaliteit, geroerde monsters, genomen. Daarnaast zijn van bepaalde dieptes monsters met een hoge kwaliteit, ongeroerde monsters, verkregen. Het verschil in kwaliteit is zo groot dat de monsters apart beschreven moeten worden. In het eerste geval ontstaat een continu profiel, in het tweede een discontinu profiel.

1.2.17. Munsellkleur en dierlijk fossiel

Beschrijvers met een bijzondere expertise leggen de kleur van de grond volgens de systematiek van Munsell (Munsellkleur) vast en het voorkomen van de fossiele resten van bepaalde dierlijke organismen (Dierlijk fossiel).

De belangrijkste entiteiten in een boorprofiel zijn de lagen. Een laag bestaat uit grond of uit bijzonder materiaal, dat is materiaal dat niet als grond of gesteente wordt beschouwd (of uit gesteente, maar dat valt nog buiten het bereik van de catalogus). Een laag die uit bijzonder materiaal bestaat wordt summier beschreven, een laag die uit grond bestaat wordt uitvoerig beschreven. Een laag heeft een boven- en ondergrens en is van natuurlijke of menselijke (antropogeen) oorsprong.

3.64.5. fractie 16tot32um

3.64.6. fractie 32tot50um

In een boorprofiel dat betrekking heeft op ongeroerde monsters, is de laag idealiter een geheel dat onder bepaalde omstandigheden is gevormd, een genetische eenheid. De ideale situatie doet zich alleen voor wanneer er sprake is van een continu profiel waarin alle grenzen zichtbaar zijn. Wanneer dat niet het geval is, zoals verbeeld in Figuur 4, is een deel van de grenzen door de bemonstering bepaald.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)