Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 18 december 2019 tot invoering van een bronbelasting op renten en royalty’s (Wet bronbelasting 2021)

8 versions · 2026-01-01
2026-01-01
Wet bronbelasting 2021 — arts. 8, 1, 3 y 4 más
2025-01-01
Wet bronbelasting 2021 — arts. 8, 8, 1 y 11 más

Wijzigingen op 2025-01-01

@@ -46,9 +46,9 @@
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2021.
2. In afwijking van het eerste lid treden [artikel 7.2, onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=7&artikel=7.2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), en [artikel 7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=7&artikel=7.3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) in werking met ingang van 1 januari 2020, met dien verstande dat artikel 7.2, onderdeel B, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2020.
3. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) in werking met ingang van 1 januari 2022.
2. In afwijking van het eerste lid treden [artikel 7.2, onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=7&artikel=7.2&z=2025-01-01&g=2025-01-01), en [artikel 7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=7&artikel=7.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01) in werking met ingang van 1 januari 2020, met dien verstande dat artikel 7.2, onderdeel B, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2020.
3. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=7&artikel=7.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) in werking met ingang van 1 januari 2022.
##### Artikel 8.2. Citeertitel
@@ -58,13 +58,13 @@
##### Artikel 1.1. Bronbelasting
Onder de naam bronbelasting wordt een belasting geheven van het lichaam, bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
Onder de naam bronbelasting wordt een belasting geheven van het lichaam, bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01).
##### Artikel 1.2. Definities
1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. **voordeelgerechtigde:** een lichaam dat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), met dien verstande dat een lichaam als bedoeld in [artikel 2, twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2) wordt aangemerkt als voordeelgerechtigde met betrekking tot voordelen als bedoeld in artikel 3.1 waartoe de houders van stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in dat lichaam door tussenkomst van dat lichaam zijn gerechtigd;
- a. **voordeelgerechtigde:** een lichaam dat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), met dien verstande dat een lichaam als bedoeld in [artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2) wordt aangemerkt als voordeelgerechtigde met betrekking tot voordelen als bedoeld in artikel 3.1 waartoe de houders van stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in dat lichaam door tussenkomst van dat lichaam zijn gerechtigd;
- b. **inhoudingsplichtige:**
@@ -72,27 +72,21 @@
- 2°. besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid;
- 3°. open commanditaire vennootschappen;
- 4°. andere, al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende, vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;
- 5°. coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag;
- 6°. onderlinge waarborgmaatschappijen;
- 7°. verenigingen;
- 8°. stichtingen;
- 9°. andere rechtspersonen;
- 10°. fondsen voor gemene rekening als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2);
- 11°. doelvermogens;
- 12°. met de lichamen, genoemd onder 1° tot en met 11°, vergelijkbare buitenlandse lichamen;
- 13°. lichamen als bedoeld in [artikel 2, twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2), behalve voor zover de voordeelgerechtigde stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten houdt in dat lichaam en is gevestigd in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt;
- 3°. coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag;
- 4°. onderlinge waarborgmaatschappijen;
- 5°. verenigingen;
- 6°. stichtingen;
- 7°. andere Nederlandse rechtspersonen;
- 8°. fondsen voor gemene rekening;
- 9°. naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen als bedoeld in het tweede lid;
- 10°. lichamen als bedoeld in [artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2), behalve voor zover de voordeelgerechtigde stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten houdt in dat lichaam en is gevestigd in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt;
- c. **aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige:** een inhoudingsplichtige:
@@ -102,27 +96,65 @@
- 3°. waarin een derde onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft, terwijl die derde tevens onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in de voordeelgerechtigde;
- 4°. waarin de voordeelgerechtigde onmiddellijk of middellijk een belang heeft en waarin hij samen met een of meer andere lichamen die met hem een samenwerkende groep als bedoeld in [artikel 10a, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) vormen onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft;
- 5°. die onmiddellijk of middellijk een belang heeft in de voordeelgerechtigde en die samen met een of meer andere lichamen die met die inhoudingsplichtige een samenwerkende groep als bedoeld in [artikel 10a, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) vormen onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in de voordeelgerechtigde; of
- 6°. waarin lichamen die deel uitmaken van een samenwerkende groep als bedoeld in [artikel 10a, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) gezamenlijk onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang hebben en die lichamen tevens gezamenlijk onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang hebben in de voordeelgerechtigde;
- 4°. waarin de voordeelgerechtigde onmiddellijk of middellijk een belang heeft en waarin hij samen met een of meer andere lichamen die met hem een kwalificerende eenheid vormen onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft;
- 5°. die onmiddellijk of middellijk een belang heeft in de voordeelgerechtigde en die samen met een of meer andere lichamen die met die inhoudingsplichtige een kwalificerende eenheid vormen onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in de voordeelgerechtigde; of
- 6°. waarin lichamen die deel uitmaken van een kwalificerende eenheid gezamenlijk onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang hebben en die lichamen tevens gezamenlijk onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang hebben in de voordeelgerechtigde;
- d. **kwalificerend belang:** een belang waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een lichaam kan worden uitgeoefend dat de activiteiten van het lichaam kunnen worden bepaald;
- e. **laagbelastende jurisdictie:** een bij ministeriële regeling aangewezen staat die:
- 1°. op 1 oktober van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het tijdvak, bedoeld in [artikel 5.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=5&artikel=5.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), lichamen niet of naar een tarief van minder dan 9% onderwerpt aan een belasting naar de winst; of
- 2°. is opgenomen in een in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het tijdvak, bedoeld in [artikel 5.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=5&artikel=5.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), geldende EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden;
- f. **vaste inrichting:** een vaste inrichting als bedoeld in [artikel 3, vierde tot en met twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=3).
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, worden voor de heffing over de voordelen in de vorm van dividenden als bedoeld in [artikel 3.1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), uitsluitend als inhoudingsplichtige aangemerkt de lichamen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 5°, 10° en 13°, en met de lichamen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 5° en 10°, vergelijkbare buitenlandse lichamen.
3. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden bewijzen van deelgerechtigdheid in fondsen voor gemene rekening als bedoeld in [artikel 2, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2), lidmaatschapsrechten in in Nederland gevestigde coöperaties en daarmee op één lijn te stellen bewijzen van deelgerechtigdheid tot het vermogen van een in Nederland gevestigde coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en worden de fondsen, coöperaties, onderscheidenlijk verenigingen op coöperatieve grondslag, gelijkgesteld met vennootschappen.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, wordt een staat die voor het eerst bij ministeriële regeling wordt aangewezen als staat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, en in relatie waarmee op het moment van die eerste aanwijzing reeds een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van kracht is voor de toepassing van deze wet niet eerder als laagbelastende jurisdictie aangemerkt dan nadat sinds dat moment drie kalenderjaren zijn verstreken.
- 1°. op 1 oktober van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het tijdvak, bedoeld in [artikel 5.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=5&artikel=5.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), lichamen niet of naar een tarief van minder dan 9% onderwerpt aan een belasting naar de winst; of
- 2°. is opgenomen in een in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het tijdvak, bedoeld in [artikel 5.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=5&artikel=5.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), geldende EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden;
- f. **vaste inrichting:** een vaste inrichting als bedoeld in [artikel 3, vierde tot en met twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=3);
- g. **kwalificerende eenheid:** lichamen die gezamenlijk handelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een van die lichamen te ontgaan.
2. Onder de naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 9°, worden verstaan naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen:
- a. waarvan de rechtsvorm vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2);
- b. waarvan de rechtsvorm niet vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2), noch met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of een transparant fonds als bedoeld in [artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14bis), en die lichamen:
- 1°. in Nederland zijn gevestigd; of
- 2°. niet in Nederland zijn gevestigd en de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en kosten van een dergelijk lichaam volgens de fiscale regelgeving van een staat die dat lichaam als inwoner behandelt worden toegerekend aan dat lichaam.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, worden voor de heffing over de voordelen in de vorm van dividenden als bedoeld in [artikel 3.1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), uitsluitend als inhoudingsplichtige aangemerkt de lichamen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3°, 8° en 10°, de lichamen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, en naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen waarvan de rechtsvorm vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3° of 8°.
4. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° en 2°:
- a. bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening;
- b. lidmaatschapsrechten in een in Nederland gevestigde coöperatie en daarmee op één lijn te stellen bewijzen van deelgerechtigdheid tot het vermogen van een in Nederland gevestigde coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag;
- c. belangen in een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam waarvan de rechtsvorm vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3° of 8°;
- d. belangen in een lichaam als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°.
5. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de fondsen voor gemene rekening, coöperaties, verenigingen op coöperatieve grondslag en lichamen, bedoeld in het vierde lid, gelijkgesteld met vennootschappen.
6. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een fonds voor gemene rekening verstaan: een fonds voor gemene rekening als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2).
7. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam ook aangemerkt als voordeelgerechtigde, mits:
- a. de rechtsvorm van dat lichaam vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2);
- b. de rechtsvorm van dat lichaam niet vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2), noch met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of een transparant fonds als bedoeld in [artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14bis), en dat lichaam:
- 1°. in Nederland is gevestigd; of
- 2°. niet in Nederland is gevestigd en de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en kosten van dat lichaam volgens de fiscale wetgeving van een staat die dat lichaam als inwoner behandelt worden toegerekend aan dat lichaam.
8. In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, wordt een staat die voor het eerst bij ministeriële regeling wordt aangewezen als staat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, en in relatie waarmee op het moment van die eerste aanwijzing reeds een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van kracht is voor de toepassing van deze wet niet eerder als laagbelastende jurisdictie aangemerkt dan nadat sinds dat moment drie kalenderjaren zijn verstreken.
9. Indien voordelen als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) op grond van [artikel 2.14bis, eerste of tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14bis) worden toegerekend aan een participant in een lichaam als bedoeld in artikel 2.14bis, eerste of tweede lid, van die wet, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen die participant aangemerkt als de gerechtigde tot de voordelen, bedoeld in artikel 3.1.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de beoordeling of voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam een met de rechtsvorm van een lichaam als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2) of een met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of een transparant fonds als bedoeld in [artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14bis) vergelijkbare rechtsvorm heeft. Daarbij kunnen ook regels worden gesteld voor de beoordeling of een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam naast de rechtsvorm ook voor het overige met een lichaam vergelijkbaar is als bedoeld in de eerste zin.
##### Artikel 1.3. Fictieve vestigingsplaats
@@ -132,7 +164,7 @@
##### Artikel 2.1. Belastingplichtigen
1. Belastingplichtig voor de belasting is een lichaam dat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en dat:
1. Belastingplichtig voor de belasting is een lichaam dat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en dat:
- a. naar de omstandigheden beoordeeld in een laagbelastende jurisdictie is gevestigd of volgens de fiscale of andere regelgeving van die jurisdictie aldaar is gevestigd;
@@ -152,11 +184,11 @@
3. Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing indien aannemelijk wordt gemaakt dat het lichaam, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, volgens de fiscale regelgeving van de staat waarin dat lichaam is gevestigd aldaar als de gerechtigde tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, wordt beschouwd, in welk geval dat lichaam wordt geacht de voordeelgerechtigde, bedoeld in het eerste lid, te zijn.
4. Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien aannemelijk wordt gemaakt dat:
- a. iedere achterliggende gerechtigde die al dan niet samen met een of meer andere lichamen die met die achterliggende gerechtigde een samenwerkende groep als bedoeld in [artikel 10a, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) vormen een kwalificerend belang heeft in het lichaam, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, volgens de fiscale regelgeving van de staat waarin die achterliggende gerechtigde is gevestigd aldaar wordt behandeld als de gerechtigde tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, en niet een lichaam is waarop zonder tussenkomst van de voordeelgerechtigde het eerste lid, onderdelen a, b, c of d, van toepassing zou zijn; of
- b. er geen achterliggende gerechtigde is die, al dan niet samen met een of meer andere lichamen die met die achterliggende gerechtigde een samenwerkende groep als bedoeld in [artikel 10a, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) vormen, een kwalificerend belang heeft in het lichaam, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.
4. Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien er geen achterliggende gerechtigde is die samen met een of meer andere lichamen een kwalificerende eenheid vormt en aannemelijk wordt gemaakt dat:
- a. iedere achterliggende gerechtigde die een kwalificerend belang heeft in het lichaam, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, volgens de fiscale regelgeving van de staat waarin die achterliggende gerechtigde is gevestigd aldaar wordt behandeld als de gerechtigde tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, en niet een lichaam is waarop zonder tussenkomst van de voordeelgerechtigde het eerste lid, onderdelen a, b, c of d, van toepassing zou zijn; of
- b. er geen achterliggende gerechtigde is die een kwalificerend belang heeft in het lichaam, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.
5. Onder een belang als bedoeld in het vierde lid wordt mede verstaan een middellijk belang, mits op het lichaam of de lichamen via welke het middellijke belang wordt gehouden het eerste lid, onderdeel e, van toepassing zou zijn indien dit lichaam, onderscheidenlijk die lichamen, de voordeelgerechtigde zou, onderscheidenlijk zouden, zijn. Van achterliggende gerechtigdheid als bedoeld in het vierde lid is sprake voor zover de gerechtigdheid tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, rechtstreeks verband houdt met een participatie in de voordeelgerechtigde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.
@@ -166,21 +198,21 @@
- b. sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
7. Belastingplichtig voor de belasting is mede een lichaam als bedoeld in [artikel 2, twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2) dat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), voor zover een achterliggende gerechtigde die een kwalificerend belang heeft in dat lichaam is gevestigd in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt en die gerechtigde op grond van het eerste lid belastingplichtig zou zijn indien hij zonder tussenkomst van dat lichaam de voordeelgerechtigde zou zijn.
7. Belastingplichtig voor de belasting is mede een lichaam als bedoeld in [artikel 2, twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2) dat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), voor zover een achterliggende gerechtigde die een kwalificerend belang heeft in dat lichaam is gevestigd in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt en die gerechtigde op grond van het eerste lid belastingplichtig zou zijn indien hij zonder tussenkomst van dat lichaam de voordeelgerechtigde zou zijn.
##### Artikel 3.1. Heffingsgrondslag
De belasting wordt geheven over de voordelen in de vorm van:
- a. renten als bedoeld in [artikel 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.3&z=2024-01-01&g=2024-01-01);
- b. royalty’s als bedoeld in [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.4&z=2024-01-01&g=2024-01-01);
- c. dividenden als bedoeld in [artikel 3.4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.4a&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
- a. renten als bedoeld in [artikel 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01);
- b. royalty’s als bedoeld in [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.4&z=2025-01-01&g=2025-01-01);
- c. dividenden als bedoeld in [artikel 3.4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.4a&z=2025-01-01&g=2025-01-01).
##### Artikel 3.2. Correctie naar zakelijke voorwaarden
1. Indien ter zake van voordelen als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd (verrekenprijzen) die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, worden die voordelen bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen.
1. Indien ter zake van voordelen als bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd (verrekenprijzen) die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, worden die voordelen bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen.
2. Niet in geld genoten voordelen worden in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.
@@ -226,7 +258,7 @@
##### Artikel 3.5. Genietingstijdstip
1. De voordelen, bedoeld in [artikel 3.1, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), worden beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop zij:
1. De voordelen, bedoeld in [artikel 3.1, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), worden beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop zij:
- a. betaald of verrekend worden, ter beschikking van de voordeelgerechtigde worden gesteld of rentedragend worden; of
@@ -234,29 +266,29 @@
2. Gedurende het tijdvak gerijpte doch aan het einde van dat tijdvak nog niet genoten renten of royalty’s worden beschouwd op 31 december van dat tijdvak te zijn genoten.
3. Voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat over een bedrag reeds met toepassing van het tweede lid belasting is geheven, behoort dat bedrag niet tot de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), op het moment dat het eerste lid toepassing vindt.
4. De voordelen, bedoeld in [artikel 3.1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), worden beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop zij ter beschikking van de voordeelgerechtigde worden gesteld.
3. Voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat over een bedrag reeds met toepassing van het tweede lid belasting is geheven, behoort dat bedrag niet tot de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), op het moment dat het eerste lid toepassing vindt.
4. De voordelen, bedoeld in [artikel 3.1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), worden beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop zij ter beschikking van de voordeelgerechtigde worden gesteld.
##### Artikel 4.1. Tarief
De belasting bedraagt het hoogste percentage, bedoeld in [artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=22), van de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
De belasting bedraagt het hoogste percentage, bedoeld in [artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=22), van de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01).
##### Artikel 4.2. Belasting voor rekening inhoudingsplichtige
Indien de inhoudingsplichtige de belasting voor zijn rekening neemt, worden voor het berekenen van de belasting de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), vermenigvuldigd met 100/(100-T), waarbij T staat voor het geldende percentage van het tarief, bedoeld in [artikel 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=4&artikel=4.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
Indien de inhoudingsplichtige de belasting voor zijn rekening neemt, worden voor het berekenen van de belasting de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), vermenigvuldigd met 100/(100-T), waarbij T staat voor het geldende percentage van het tarief, bedoeld in [artikel 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=4&artikel=4.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01).
### Hoofdstuk 4. Tarief
##### Artikel 5.1. Heffing door inhouding
1. De belasting wordt geheven door inhouding op de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
2. De inhoudingsplichtige houdt de belasting in op het tijdstip waarop de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), worden genoten.
1. De belasting wordt geheven door inhouding op de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01).
2. De inhoudingsplichtige houdt de belasting in op het tijdstip waarop de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), worden genoten.
3. De inhoudingsplichtige draagt de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af.
4. Voor zover de belasting niet op de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), kan worden ingehouden, wordt de belasting geacht te zijn ingehouden op het genietingstijdstip, bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
4. Voor zover de belasting niet op de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), kan worden ingehouden, wordt de belasting geacht te zijn ingehouden op het genietingstijdstip, bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-01-01&g=2025-01-01).
### Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen
@@ -264,7 +296,7 @@
1. Onverminderd het bepaalde in [artikel 20, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=20) wordt de naheffingsaanslag opgelegd aan de inhoudingsplichtige dan wel aan de belastingplichtige indien de inhoudingsplichtige de belasting die moet worden afgedragen geheel of gedeeltelijk niet heeft betaald.
2. De na te heffen belasting ter zake van de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), wordt verminderd met de ten laste van de belastingplichtige ter zake van die voordelen afgedragen of nageheven dividendbelasting.
2. De na te heffen belasting ter zake van de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), wordt verminderd met de ten laste van de belastingplichtige ter zake van die voordelen afgedragen of nageheven dividendbelasting.
##### Artikel 6.2. Informatieverplichting
@@ -274,9 +306,9 @@
- b. een derde die onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in die inhoudingsplichtige; of
- c. lichamen die deel uitmaken van een samenwerkende groep als bedoeld in [artikel 10a, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) en die gezamenlijk onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang hebben in die inhoudingsplichtige.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ingeval [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) toepassing vindt.
- c. lichamen die deel uitmaken van een kwalificerende eenheid en die gezamenlijk onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang hebben in die inhoudingsplichtige.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ingeval [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2025-01-01&g=2025-01-01) toepassing vindt.
3. [Artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=52a) is van overeenkomstige toepassing ingeval niet of niet volledig wordt voldaan aan de informatieverplichting ingevolge het eerste lid.
@@ -290,9 +322,9 @@
##### Artikel 6.4. Vergrijpboete overtreden inlichtingenverplichting
1. Indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat de verplichting, bedoeld in [artikel 6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=6&artikel=6.3&z=2024-01-01&g=2024-01-01), niet wordt nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.
2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in [artikel 6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=6&artikel=6.3&z=2024-01-01&g=2024-01-01), niet zou zijn geheven.
1. Indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat de verplichting, bedoeld in [artikel 6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=6&artikel=6.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01), niet wordt nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.
2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in [artikel 6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=6&artikel=6.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01), niet zou zijn geheven.
3. Voor de toepassing van dit artikel is [artikel 67o, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67o) van overeenkomstige toepassing.
@@ -306,7 +338,7 @@
##### Artikel 3.4a. Heffingsgrondslag dividenden
1. De voordelen in de vorm van dividenden zijn de voordelen uit hoofde van de gerechtigdheid – rechtstreeks of door middel van certificaten – tot de opbrengst van aandelen in, winstbewijzen van, kapitaalverstrekkingen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10) aan en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van die wet aan een in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige als bedoeld in [artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, 3°, 4° of 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
1. De voordelen in de vorm van dividenden zijn de voordelen uit hoofde van de gerechtigdheid – rechtstreeks of door middel van certificaten – tot de opbrengst van aandelen in, winstbewijzen van, kapitaalverstrekkingen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10) aan en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van die wet aan een in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige als bedoeld in [artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, 3°, 4° of 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2025-01-01&g=2025-01-01).
2. Tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, behoren:
@@ -338,11 +370,17 @@
4. Ingeval de splitsende rechtspersoon in Nederland is gevestigd en de overgang onder algemene titel in het kader van een splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, blijft het tweede lid, eerste en tweede zin, buiten toepassing en wordt hetgeen bij de splitsing door een aandeelhouder als zodanig wordt genoten aangemerkt als een uitdeling van winst door de splitsende rechtspersoon.
5. In geval van een overgang onder algemene titel in het kader van een fusie van een rechtspersoon wordt ten aanzien van alle aandeelhouders ten hoogste het bedrag van het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal aangemerkt als gestort kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersonen in het kader van de fusie toegekende aandelen. Indien in het kader van de fusie een bijbetaling in contanten plaatsvindt, wordt voor de toepassing van de eerste zin het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal verminderd met deze bijbetaling. In afwijking van de eerste en tweede zin wordt, ingeval de verdwijnende rechtspersoon niet in Nederland is gevestigd, als gestort kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersoon in het kader van de fusie toegekende aandelen aangemerkt de waarde in het economische verkeer van het vermogen dat als gevolg van de fusie overgaat op de verkrijgende rechtspersoon voor zover het vermogen niet bestaat uit aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap, tenzij de fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
6. Een aandelenruil, een splitsing en een fusie worden voor de toepassing van het eerste, tweede, vierde en vijfde lid, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de aandelenruil, de splitsing, onderscheidenlijk de fusie, niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de bij de aandelenruil, de splitsing, onderscheidenlijk de fusie, betrokken rechtspersonen. Bij een splitsing worden zakelijke overwegingen voorts niet aanwezig geacht indien de activa die bij de splitsing overgaan op de andere rechtspersoon hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaan uit beleggingen, liquide middelen daaronder begrepen, of indien hetgeen bij de splitsende rechtspersoon achterblijft hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaat uit beleggingen, tenzij de beleggingen die overgaan, onderscheidenlijk achterblijven, geen afzondering van ingehouden winst representeren.
7. De rechtspersoon die zekerheid wenst omtrent de vraag of een aandelenruil, een splitsing of een fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan vóór de aandelenruil, de splitsing, onderscheidenlijk de fusie, een verzoek indienen bij de inspecteur die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
5. In geval van een overgang onder algemene titel in het kader van een fusie van een rechtspersoon wordt:
- a. ingeval in het kader van de fusie aandelen worden toegekend: ten aanzien van alle aandeelhouders ten hoogste het bedrag van het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal verminderd met een bijbetaling in contanten die in het kader van de fusie plaatsvindt, aangemerkt als gestort kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersoon in het kader van de fusie toegekende aandelen; of
- b. ingeval in het kader van de fusie geen aandelen worden toegekend en de aandeelhouder ten tijde van de fusie alle aandelen bezit in de verdwijnende en de verkrijgende rechtspersoon: ten aanzien van de aandeelhouder het gestorte kapitaal in de verkrijgende rechtspersoon vermeerderd met ten hoogste het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal.
6. Ingeval de verdwijnende rechtspersoon niet in Nederland is gevestigd, wordt voor de toepassing van het vijfde lid als het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal aangemerkt de waarde in het economische verkeer van het vermogen dat als gevolg van de fusie overgaat op de verkrijgende rechtspersoon voor zover het vermogen niet bestaat uit aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap, tenzij de fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
7. Een aandelenruil, een splitsing en een fusie worden voor de toepassing van het eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de aandelenruil, de splitsing, onderscheidenlijk de fusie, niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de bij de aandelenruil, de splitsing, onderscheidenlijk de fusie, betrokken rechtspersonen. Bij een splitsing worden zakelijke overwegingen voorts niet aanwezig geacht indien de activa die bij de splitsing overgaan op de andere rechtspersoon hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaan uit beleggingen, liquide middelen daaronder begrepen, of indien hetgeen bij de splitsende rechtspersoon achterblijft hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaat uit beleggingen, tenzij de beleggingen die overgaan, onderscheidenlijk achterblijven, geen afzondering van ingehouden winst representeren.
8. De rechtspersoon die zekerheid wenst omtrent de vraag of een aandelenruil, een splitsing of een fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan vóór de aandelenruil, de splitsing, onderscheidenlijk de fusie, een verzoek indienen bij de inspecteur die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
##### Artikel 3.4c. Vaststelling gestort kapitaal
@@ -352,7 +390,7 @@
##### Artikel 5.2. Samenloop dividendbelasting
De in te houden belasting op de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), wordt verminderd met de ten laste van de voordeelgerechtigde ter zake van die voordelen ingehouden dividendbelasting.
De in te houden belasting op de voordelen, bedoeld in [artikel 3.1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), wordt verminderd met de ten laste van de voordeelgerechtigde ter zake van die voordelen ingehouden dividendbelasting.
### Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen
2024-01-01
Wet bronbelasting 2021 — arts. 8, 1, 3 y 5 más
2022-04-01
Wet bronbelasting 2021 — arts. 8, 1, 3 y 7 más
2022-01-01
Wet bronbelasting 2021
2021-01-01
Wet bronbelasting 2021
2020-01-01
Wet bronbelasting 2021 — arts. 1, 2, 3 y 11 más
2020-01-01
Wet bronbelasting 2021
original version Tekst op deze datum