Wijzigingsgeschiedenis

Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CRS-regelgeving

5 versions · 2021-08-31
2021-08-31
Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CRS-r

Wijzigingen op 2021-08-31

@@ -34,7 +34,7 @@
Hoewel de OESO de CRS voorzien heeft van een uitgebreid commentaar4CRS-commentaar; zie: http://www.oecd-ilibrary.org/taxation/standard-for-automatic-exchange-of-financial-account-information-in-tax-matters/commentaries-on-the-common-reporting-standard_9789264216525-7 en de CRS en het [UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469) voorzien zijn van een uitgebreide toelichting, zijn er in de praktijk toch vragen gerezen over de (implementatie van de) CRS. Deze leidraad gaat in op die vragen.
Deze gecombineerde leidraad volgt in de [hoofdstukken 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043777&hoofdstuk=1&z=2020-10-15&g=2020-10-15) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043777&hoofdstuk=2&z=2020-10-15&g=2020-10-15) de opbouw van de CRS, waarbij meteen de corresponderende NL IGA-toepassing wordt besproken. Onderwerpen die uitsluitend voor de CRS van belang zijn, worden ook behandeld in dit hoofdstuk. In het tweede hoofdstuk komen die onderwerpen aan de orde die alleen relevant zijn voor de NL IGA en zich in een CRS-context niet kunnen voordoen. In dit hoofdstuk wordt de volgorde van de NL IGA gehanteerd.
Deze gecombineerde leidraad volgt in de [hoofdstukken 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043777&hoofdstuk=1&z=2021-08-31&g=2021-08-31) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043777&hoofdstuk=2&z=2021-08-31&g=2021-08-31) de opbouw van de CRS, waarbij meteen de corresponderende NL IGA-toepassing wordt besproken. Onderwerpen die uitsluitend voor de CRS van belang zijn, worden ook behandeld in dit hoofdstuk. In het tweede hoofdstuk komen die onderwerpen aan de orde die alleen relevant zijn voor de NL IGA en zich in een CRS-context niet kunnen voordoen. In dit hoofdstuk wordt de volgorde van de NL IGA gehanteerd.
### Sectie VI. Due diligence-bepalingen ten aanzien van nieuwe rekeningen van entiteiten
@@ -260,6 +260,8 @@
Ten aanzien van de nieuwe rekeningen van natuurlijke personen is een self certification-formulier alleen geldig als het getekend is door de rekeninghouder (zie ook laatste zin van 1.18), is gedagtekend en tenminste bevat: naam, adres, fiscale woonstaat, fiscaal identificatienummer en geboortedatum (CRS-commentaar op Sectie IV, punt 7 en [artikel 3 UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=3)). Aan de verplichting tot het opnemen van het adres wordt geacht te zijn voldaan als de FI bij het openen van de rekening reeds beschikt over de adresgegevens, die zij in het kader van de AML/KYC-regels heeft verkregen van de rekeninghouder.
Ten aanzien van de nieuwe rekeningen van natuurlijke personen is een self certification-formulier alleen geldig als het getekend is door de rekeninghouder (zie ook laatste zin van 1.18), is gedagtekend en tenminste bevat: naam, adres, fiscale woonstaat, fiscaal identificatienummer en geboortedatum (CRS-commentaar op Sectie IV, punt 7 en [artikel 3 UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=3)). Aan de verplichting tot het opnemen van het adres wordt geacht te zijn voldaan als de FI bij het openen van de rekening reeds beschikt over de adresgegevens, die zij in het kader van de AML/KYC-regels heeft verkregen van de rekeninghouder.
**(CRS-commentaar op Sectie IV, punt 7.)**
Financiële instellingen kunnen niet zonder meer afgaan op het door een klant ingevulde ‘fiscale woonstaat’ op een self certification-formulier. Indien de FI een self certification-formulier verkrijgt van de rekeninghouder, dient de FI de redelijkheid van de op de verklaring opgenomen fiscale woonstaat of -staten van de rekeninghouder te bevestigen op basis van de informatie die is verkregen in verband met de opening van een rekening of op een later moment, met inbegrip van alle stukken die zijn verzameld op grond van AML/KYC-procedures.
@@ -276,752 +278,820 @@
Bij buitenlandse studenten is het ingezetenschap ook een belangrijke indicatie voor de fiscale woonstaat. Daarnaast speelt de duurzaamheid van het verblijf in Nederland een rol. Bij een kortstondig verblijf in Nederland behoudt een buitenlandse student in het algemeen zijn fiscale woonplaats in het land van herkomst.
### 1.21. Gedeeld rekeningsysteem
Een FI mag vertrouwen op documentatie die een rekeninghouder heeft overgelegd bij een ander filiaal van dezelfde FI of bij een filiaal van een gelieerde entiteit binnen de groep als:
### Sectie V. Due diligence-bepalingen ten aanzien van bestaande rekeningen van entiteiten
### Sectie V. Due diligence-bepalingen ten aanzien van bestaande rekeningen van entiteiten
Voor de bepaling of een rekeninghouder een actieve of passieve NFE is moet een FI zich baseren op de self certification van de rekeninghouder om diens status vast te stellen, tenzij de FI informatie in haar bezit heeft of er publiek beschikbare informatie is op basis waarvan zij kan vaststellen dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een FI anders dan een beleggingsinstelling beschreven in sectie VIII, onderdeel A, punt 6, onder b, die geen FI is in een deelnemend rechtsgebied. Volgens het CRS-commentaar kan voor de publiek beschikbare informatie geput worden uit het gestandaardiseerde industriecodesysteem. Voorbeelden die worden genoemd zijn de International Standard Industrial Classification (ISIC) van de Verenigde Naties, de statistische classificatie van de economische activiteiten in de Europese Unie (NACE), en het Noord-Amerikaanse Industry Classification System (NAICS). Hieronder kan zowel voor de NL IGA als voor de CRS worden verstaan de zogenaamde ‘StandaardBedrijfsIndeling’ (SBI) codes + aanvullende code. De SBI mag alleen gebruikt worden als er reeds geclassificeerd was in het kader van AML/KYC en er geen reden is hieraan te twijfelen. (Zie het CRS-commentaar op Sectie V, paragraaf D, punt 12 en Sectie VIII, paragraaf E(6), punt 154.)
Voor de bepaling of een rekeninghouder een actieve of passieve NFE is moet een FI zich baseren op de self certification van de rekeninghouder om diens status vast te stellen, tenzij de FI informatie in haar bezit heeft of er publiek beschikbare informatie is op basis waarvan zij kan vaststellen dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een FI anders dan een beleggingsinstelling beschreven in sectie VIII, onderdeel A, punt 6, onder b, die geen FI is in een deelnemend rechtsgebied. Volgens het CRS-commentaar kan voor de publiek beschikbare informatie geput worden uit het gestandaardiseerde industriecodesysteem. Voorbeelden die worden genoemd zijn de International Standard Industrial Classification (ISIC) van de Verenigde Naties, de statistische classificatie van de economische activiteiten in de Europese Unie (NACE), en het Noord-Amerikaanse Industry Classification System (NAICS). Hieronder kan zowel voor de NL IGA als voor de CRS worden verstaan de zogenaamde ‘StandaardBedrijfsIndeling’ (SBI) codes + aanvullende code. De SBI mag alleen gebruikt worden als er reeds geclassificeerd was in het kader van AML/KYC en er geen reden is hieraan te twijfelen. (Zie het CRS-commentaar op Sectie V, paragraaf D, punt 12 en Sectie VIII, paragraaf E(6), punt 154.)
### 1.23. Identificatie passieve of actieve NFE (‘presumption rule’)
Voor de identificatie van een rekeninghouder kan de FI – behalve op grond van de bij de FI zelf beschikbare informatie – ook op grond van publiekelijk beschikbare informatie vaststellen of sprake is van een FI of van een actieve NFE. Als dit op grond van de beschikbare informatie niet is vast te stellen, moet de FI aan de rekeninghouder een self certification-formulier toezenden. Als de rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek zijn self certification-formulier niet terugstuurt aan de FI, dan wordt de rekeninghouder geacht een passieve NFE te zijn. De FI moet dan de rekeninghouder als zodanig kwalificeren en de uiteindelijk belanghebbende(n) (UBO/‘Controlling Persons’) identificeren aan de hand van onderdeel IV.D.4.c.1 van Bijlage I NL IGA en de vereiste gegevens rapporteren als een uiteindelijk belanghebbende (UBO) een Amerikaanse persoon is. Hetzelfde geldt voor de CRS (op grond van [artikel 6, eerste en vierde lid, UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=6) en het CRS-commentaar op Sectie V.D(2), punten 20 en 24). Dat wil zeggen dat de FI de uiteindelijk belanghebbende(n) moet identificeren aan de hand van Sectie III.B.2 van de CRS. Voor de CRS is het mogelijk dat er indicatoren zijn naar meer dan één land. Als een rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek geen self certification-formulier indient, rapporteert de FI de rekeninghouder en/of zijn uiteindelijk belanghebbenden naar de landen ten aanzien waarvan er indicatoren zijn.
Voor de identificatie van een rekeninghouder kan de FI – behalve op grond van de bij de FI zelf beschikbare informatie – ook op grond van publiekelijk beschikbare informatie vaststellen of sprake is van een FI of van een actieve NFE. Als dit op grond van de beschikbare informatie niet is vast te stellen, moet de FI aan de rekeninghouder een self certification-formulier toezenden. Als de rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek zijn self certification-formulier niet terugstuurt aan de FI, dan wordt de rekeninghouder geacht een passieve NFE te zijn. De FI moet dan de rekeninghouder als zodanig kwalificeren en de uiteindelijk belanghebbende(n) (UBO/‘Controlling Persons’) identificeren aan de hand van onderdeel IV.D.4.c.1 van Bijlage I NL IGA en de vereiste gegevens rapporteren als een uiteindelijk belanghebbende (UBO) een Amerikaanse persoon is. Hetzelfde geldt voor de CRS (op grond van [artikel 6, eerste en vierde lid, UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=6) en het CRS-commentaar op Sectie V.D(2), punten 20 en 24). Dat wil zeggen dat de FI de uiteindelijk belanghebbende(n) moet identificeren aan de hand van Sectie III.B.2 van de CRS. Voor de CRS is het mogelijk dat er indicatoren zijn naar meer dan één land. Als een rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek geen self certification-formulier indient, rapporteert de FI de rekeninghouder en/of zijn uiteindelijk belanghebbenden naar de landen ten aanzien waarvan er indicatoren zijn.
### 1.24. Kwalificatie van non-profit organisatie (NPO)
Een Non Profit Organisatie (NPO) die voldoet aan alle voorwaarden van de definitie in Sectie VIII.D.9.h van de CRS en wier vermogen wordt beheerd door een FI, is niet een actieve NFE maar een ‘professionally managed investment entity’.
Een Non Profit Organisatie (NPO) die voldoet aan alle voorwaarden van de definitie in Sectie VIII.D.9.h van de CRS en wier vermogen wordt beheerd door een FI, is niet een actieve NFE maar een ‘professionally managed investment entity’.
**(Zie Sectie VIII.D.9.h CRS)**
### 1.25. Gevolgen als een FI geen ingevuld self certification-formulier ontvangt
### 1.25. Gevolgen als een FI geen ingevuld self certification-formulier ontvangt
Uitsluitend in het geval validatie van een self certification-formulier een day-two procedure is kan een nieuwe rekening geopend worden in afwachting van de uitkomst van de validatie. Hiervoor mag maximaal 90 dagen de tijd worden genomen.
In een beperkt aantal gevallen is het als gevolg van de specifieke kenmerken van een bedrijfssector niet mogelijk een self certification-formulier te verkrijgen bij de opening van een rekening. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij overdracht van een verzekeringscontract of het verwerven van aandelen in een investeringsfonds op de secundaire markt. In dat geval moet het self certification-formulier zo snel mogelijk worden verkregen en gevalideerd en in ieder geval binnen een periode van 90 dagen. Indien geen geldig self certification-formulier is ontvangen, dient de rekening uiterlijk na 90 dagen te worden gesloten of onbruikbaar te worden gemaakt.
**(Sectie VI.A.1.a CRS, FAQ22 van sectie II-VII en onderdeel V.B.3 van Bijlage 1 NL IGA.)**
**(Sectie VI.A.1.a CRS, FAQ22 van sectie II-VII en onderdeel V.B.3 van Bijlage 1 NL IGA.)**
### 1.26. Uitleg van het begrip ‘aanleiding om aan te nemen dat’
### 1.26. Uitleg van het begrip ‘aanleiding om aan te nemen dat’
**(CRS-commentaar op Sectie VII, A.3 en onderdeel VI.A van Bijlage 1 NL IGA.)**
In Sectie VII.C. van de CRS en onderdeel VI.C van Bijlage I van de NL IGA staan de voorschriften voor de aggregatie van saldi. Wat de NL IGA betreft: het kan voorkomen dat een rekeninghouder/ natuurlijk persoon bij een FI verschillende bedragen heeft uitstaan op verschillende soorten rekeningen, zoals een spaar- en een bewaarrekening, maar met een en hetzelfde rekeningnummer. In dat geval moet de FI alle bedragen optellen, omdat onderdeel VI.C.1 van Bijlage I van de NL IGA geen onderscheid maakt naar het type financiële rekening. Als op hetzelfde rekeningnummer een spaarsaldo van USD 30.000 staat en tevens een beleggingssaldo van USD 40.000, dan moet de FI beide rekeningen rapporteren, omdat het totaal van de saldi hoger is dan USD 50.000.
### 1.27. Toepassing aggregatieregels
**(Sectie VII.C CRS en onderdeel VI.C van bijlage I NL IGA.)**
Een FI kan voor de gehanteerde Amerikaanse dollarbedragen een equivalent bedrag nemen in een andere koers zoals bepaald volgens het nationale recht van een land (Sectie VII.C.4 CRS). Voor Nederland betekent dit dat de FI’s bedragen mogen rapporteren in de valuta waarin de rekening gehouden wordt. De Belastingdienst rekent deze vervolgens om naar het Euro-equivalent. De Belastingdienst gebruikt hiervoor de op de website van de Nederlandsche Bank gepubliceerde koers op 31 december van elk jaar, zijnde T2.1 Jaar (Ultimo) (XLS). Deze koers moet jaarlijks ook gebruikt worden voor de omrekening van de in het [UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469) gebruikte USD-bedragen.
### 1.28. Wisselkoers per 31 december van een jaar
Voor het omrekenen van de rekeningbedragen naar een andere valuta dan de USD moet de FI de wisselkoers van 31 december van het voorgaande kalenderjaar nemen (onderdeel VI.C.4 van Bijlage I NL IGA). Voor de rapportage over een van het kalenderjaar afwijkend tijdvak moet de FI niet het saldo van een rekening aan het einde van het kalenderjaar nemen, maar het saldo aan het einde van die ‘andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden’ (onderdeel I.B.3. van Bijlage I NL IGA). In het laatste geval moet de omrekenkoers op de laatste dag van die andere periode gebruikt worden.
**(Sectie VII.C.4 CRS, CRS-commentaar op Sectie VII, C (4), punten 20 en 21 en onderdelen I.B.3 en VI.C.4 van Bijlage 1 NL IGA.)**
**(Sectie VII.C.4 CRS, CRS-commentaar op Sectie VII, C (4), punten 20 en 21 en onderdelen I.B.3 en VI.C.4 van Bijlage 1 NL IGA.)**
### 1.29. (Dubbel) inwonerschap van een FI en feitelijke leiding
### 1.29. (Dubbel) inwonerschap van een FI en feitelijke leiding
**(Kamerstukken II 2013/14,** **33 985, nr. 3** **, Bijlage, Goedkeuringswet NL IGA.)**
Een Nederlands filiaal van een buitenlandse bank moet in Nederland aan de rapportageverplichtingen voldoen. De Belastingdienst zal voor een FI bepalen waar de feitelijke leiding van die FI zich bevindt ([artikel 4 AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=4)). Zij kan daarbij betekenis toekennen aan onder andere de volgende omstandigheden:
Een FI kan elders geen fiscale vestigingsplaats hebben, bijvoorbeeld omdat ze wordt behandeld als fiscaal transparant. In lijn met het genoemde CRS-commentaar, is deze FI een in Nederland gevestigde financiële instelling als zij aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
Een FI kan voor belastingdoeleinden inwoner zijn van meer jurisdicties.
Andere jurisdicties kunnen (ook) andere criteria dan de plaats van feitelijke leiding hanteren, bijvoorbeeld als een FI is opgericht naar het recht van die jurisdictie. Daardoor kan er sprake zijn van dubbel inwonerschap van de FI.
Een FI (anders dan een trust) die inwoner is van twee of meer deelnemende rechtsgebieden, is onderworpen aan de identificatie- en rapportagevoorschriften van dat deelnemend rechtsgebied waarin zij de financiële rekeningen houdt (CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punt 5, zie ook [artikel 2a, tweede lid, WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=2a))
De situatie kan zich voordoen dat een entiteit inwoner is van een jurisdictie die de CRS niet geïmplementeerd heeft (FAQ 17 bij Secties II-VII). De regels van de jurisdictie waarin de entiteit de financiële rekeningen aanhoudt, bepalen de status van de entiteit als een FI of NFE.
**(CRS-commentaar Sectie VIII.A.2, punten 4 en 5, FAQ 17 bij Secties II-VII en artikel 1, eerste lid, onderdeel l, NL IGA en de MoU bij de NL IGA)**
De jurisdictie waarin de financiële rekeningen aangehouden worden mag echter toestaan dat de regels van de jurisdictie waarvan de entiteit inwoner is, worden toegepast, op voorwaarde dat die laatstbedoelde jurisdictie de CRS heeft geïmplementeerd.
### 1.30. Verzekeringsmaatschappij
Voor de nadere invulling van het begrip ‘verzekeringsmaatschappij’ wordt verwezen naar het CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punten 26 tot en met 29. Dit commentaar geldt, naast de Final Regulations (§1.1471-1 (b)(65) en §1.1471- 5(e)(1)(iv)), ook voor de toepassing van de FATCA.
Een verzekeringsbedrijf dat onder toezicht staat van De Nederlandsche Bank N.V. en niet voldoet aan de kwalificatie van ‘omschreven verzekeringsmaatschappij’ (zoals een schadeverzekeringsmaatschappij) is een actieve NFE.
**(Sectie VIII, A.8. CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punten 26 tot en met 29 en artikel 1, eerste lid, onderdeel k, NL IGA)**
### 1.31. Internationale organisatie
Een internationale organisatie kan een NFE of een FI zijn. Als het een NFE is dan is het op grond van Sectie VIII, D.9.c CRS en Bijlage I.VI.B.4.d NL IGA een Actieve NF(F)E. Voor zover internationale organisaties voldoen aan de definitie van FI zijn zij niet-rapporterende FI’s (Sectie VIII, B.1.a, B.3 CRS, en in Bijlage II.I.C NL IGA). Internationale organisaties zijn de internationale instellingen waaraan Nederland vrijstelling van belasting verleent ([artikel 39 AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=39)). De lijst met instellingen die Nederland aanmerkt als een dergelijke internationale organisatie is opgenomen in [artikel 20 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=20).
**(Sectie VIII, B.1.a, B.3. CRS en onderdeel I.D van Bijlage II NL IGA)**
### 1.32. Uitleg van het begrip ‘passief inkomen’: definitie uit CRS-commentaar
Het begrip ‘passief inkomen’ wordt gehanteerd voor de toepassing van de inkomenstest of een entiteit een actieve NFE is (onderdeel VI.B.4.a van Bijlage 1 NL IGA). In de Final Regulations (zie §1.1472-1(c)(1)(iv)(A)) staat een definitie van ‘passief inkomen’. Deze definitie kan echter niet op grond van artikel 4, zevende lid, NL IGA worden toegepast in de Nederlandse situatie omdat de NL IGA het begrip “passief inkomen” niet bevat.
Er is wel een definitie van het begrip ‘passief inkomen’ opgenomen in het CRS-commentaar (zie punt 126 van het commentaar op Sectie VIII. D.6 tot en met 9). Die komt bijna geheel overeen met die in de Final Regulations. Voor zowel de NL IGA als de CRS moet het begrip ‘passief inkomen’ worden uitgelegd conform de uitleg daarvan in het CRS-commentaar.
**(CRS-commentaar op Sectie VIII, D.6 tot en met 9, punt 126 en onderdeel VI.B.4.a van bijlage I NL IGA.)**
### 1.33. Uitleg van het begrip ‘een wezenlijk deel van de activiteiten’
Er geldt een aantal criteria waaraan een (NL IGA: niet-Amerikaanse) entiteit die geen FI is, moet voldoen om als actieve NFE te worden aangemerkt (sectie VIII.D.9.d CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII.D.9.d, punt 130, en onderdeel VI.B.4 van Bijlage I NL IGA). Een van de criteria is dat een wezenlijk deel van de activiteiten van de NFE bestaat uit het geheel of gedeeltelijk aanhouden van de geplaatste aandelen in, of het verstrekken van financiering of diensten aan (...). In dit verband betekent een ‘wezenlijk deel van de activiteiten’ dat 80% of meer van de activiteiten van de NFE moet bestaan uit de onder letter d van Sectie VIII.D.9 CRS en onder letter e van onderdeel VI.B.4 van Bijlage I NL IGA omschreven activiteiten van de NFE. Als de holdingactiviteiten en/of het verschaffen van financiering of diensten van de NFE aan (klein)dochterondernemingen minder dan 80% inhouden, maar de NFE wel actief inkomen verkrijgt uit andere bron(nen), dan kan de NFE toch gekwalificeerd worden als actieve NFE. De totale activiteiten moeten dan voldoen aan de ‘wezenlijk deel’-toets. Om te bepalen of andere activiteiten dan holding- of financieringsactiviteiten de NFE kunnen aanmerken als actief, moet de NFE de toets genoemd in Sectie VIII.D.9.a (wat de CRS betreft) of in onderdeel VI.B.4.a van Bijlage I NL IGA toepassen. Een NFE kan bijvoorbeeld holdingactiviteiten verrichten en/of financiering en diensten verstrekken voor 60% en tegelijkertijd voor 40% functioneren als een groepsdistributiecentrum en de inkomsten daaruit actief zijn. Er is dan sprake van een actieve NFE ook al bestaat minder dan 80% van de activiteiten uit holdingactiviteiten en/of het verstrekken van financiering en diensten aan een of meer (klein)dochtermaatschappijen (sectie VIII.D.9.a CRS en onderdeel VI.B.4.a van Bijlage I NL IGA).
**(Sectie VIII.D.9.d CRS en het CRS-commentaar op Sectie VIII.D.6 tot en met 9, punt 130 en onderdeel VI.B.4.e van bijlage I NL IGA.)**
### 1.34. Dochtermaatschappij van actieve N(F)FE
Er is onder meer sprake van een actieve N(F)FE, als een substantieel deel van de activiteiten van de NFE bestaat uit het **geheel of gedeeltelijk** aanhouden van de geplaatste aandelen van, of het verschaffen van financiering en diensten aan, een of meer dochterondernemingen die betrokken zijn bij handels- of bedrijfsactiviteiten anders dan die van een financiële instelling. Er is voor een entiteit sprake van een dochtermaatschappij wanneer de entiteit, direct of indirect, alle of een deel van de uitstaande aandelen van de dochter aanhoudt **(Bijlage I, onderdeel VI.B.4(e) NL IGA en Richtlijn 2011/16/EU, Bijlage I, Sectie VIII, onderdeel D.8(d))**.
Het gebruik van de woorden ‘geheel of gedeeltelijk’ geeft aan dat in de context van de Richtlijn en de NL IGA, de omvang van het aandelenbezit in een dochtermaatschappij niet van belang is. Aan de dochtermaatschappij worden nadere voorwaarden gesteld, het moet namelijk een actieve werkmaatschappij zijn. Een actieve werkmaatschappij is een werkmaatschappij die 50% of meer van haar omzet haalt uit actieve werkzaamheden (in tegenstelling tot beleggingen). Het is niet relevant of de dochtermaatschappij onderdeel uitmaakt van de groep van de houdstermaatschappij of meegeconsolideerd wordt in de jaarrekening. Zie hiervoor ook het CRS-commentaar op Sectie VIII, punt 130, laatste volzin, voor het begrip ‘subsidiary’.
### 1.35. Treasury center binnen een (niet-) financiële groep
Een Treasury center in een niet-financiële groep is zowel voor de NL IGA als de CRS een actieve NFE.
En uitgezonderde NFE zoals beschreven in de Final Regulations kwalificeert als een actieve NFE (onderdeel VI.B.4.h van Bijlage I van de NL IGA). In §1.1472-1(c)(1)(v) van de Final Regulations worden onder meer een holdingmaatschappij en een Treasury center binnen een niet-financiële groep in de zin van §1.1471-5(e)(5)(i)(B) aangemerkt als een uitgezonderde NFE en dus een actieve NFE voor de toepassing van de NL IGA. Voor de CRS is een Treasury center in een niet-financiële groep een actieve NFE.
**(Sectie VIII.D.9.g CRS, het CRS-commentaar Sectie VIII.A, punt 19, en onderdeel VI.B.4.h van Bijlage I NL IGA)**
Een holdingmaatschappij of een Treasury center binnen een financiële groep heeft de status van een FI als het voldoet aan de definitie van een FI zoals opgenomen in Sectie VIII.A.3 CRS. Dit hangt af van de feiten en omstandigheden en de activiteiten die de entiteit ontplooit, zelfs als die activiteiten uitsluitend worden uitgeoefend voor gerelateerde entiteiten of voor haar aandeelhouders. (Zie voor uitgebreider commentaar FAQ 2 bij Sectie VIII.A) De status volgens de CRS komt overeen met de definitie in de Final Regulations.
**(Sectie VIII CRS en FAQ 2 van Sectie VIII.A.)**
### 1.36. Activiteitentoets voor een beleggingsentiteit
Het staat een FI vrij om in plaats van de definitie in artikel 1.j NL IGA te kiezen voor de definitie van ‘investment entity’ uit de Final Regulations (artikel 4, zevende lid, NL IGA en [artikel 2a, derde lid, UB WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030973&artikel=2a)). Als een FI dat doet, kiest zij voor integrale toepassing van de definitie van ‘investment entity’ zoals omschreven in §1.1471-5(e)(4) Final Regulations. Conform §1.1471-5(e)(4)(i)(B) van de definitie is de FI eerder dan op grond van de definitie in de NL IGA een beleggingsentiteit als haar activiteiten beheerd worden door een andere beleggingsentiteit, een instelling die deposito’s neemt, een bewaarinstelling zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, NL IGA, of een verzekeringsmaatschappij of holdingmaatschappij zoals omschreven in §1.1471-5(e)(1)(iv) Final Regulations. De beheerde beleggingsentiteit moet dan wel voldoen aan de inkomenstoets van §1.1471-5(e)(4)(iv)(A) Final Regulations.
De definitie van beleggingsentiteit zoals opgenomen in Sectie VIII.A.6 e CRS is gelijk aan de hierboven beschreven integrale FATCA-definitie, dus met inbegrip van de aanvulling in de Final Regulations.
Een beleggingsentiteit mag voor toepassing van FATCA vasthouden aan de definitie van de NL IGA. Het gevolg kan zijn dat een entiteit geen FI is voor toepassing van de NL IGA, maar wel voor de CRS. Daarom wordt aangeraden gebruik te maken van de CRS definitie/integrale FATCA-definitie. De hiernavolgende tekst gaat uit van de CRS en de integrale FATCA-definitie.
Een entiteit die in het kader van de bedrijfsuitoefening voor of namens een cliënt een of meer van de in Sectie VIII.A.6.a.i-iii CRS dan wel artikel 1.1.j. 1-3 NL IGA vermelde activiteiten uitvoert, wordt beschouwd als een beleggingsentiteit. Een entiteit die voor eigen rekening en risico zich ten doel heeft gesteld de beurshandel in opties of andere financiële instrumenten te onderhouden, wordt doorgaans niet geacht voor of namens een cliënt te handelen.
Als een beleggings-BV met een directeur-grootaandeelhouder als enige aandeelhouder in aandelen belegt, dan is geen sprake van een cliëntrelatie tussen de besloten vennootschap en de directeur-grootaandeelhouder. Deze vennootschap is geen beleggingsentiteit. Als echter een professionele derde partij de beleggingswerkzaamheden uitvoert, dan is wel sprake van een cliëntrelatie tussen die derde partij en de vennootschap of de directeur-grootaandeelhouder. In dat geval is die professionele derde partij een beleggingsentiteit. In de systematiek van de CRS en de NL IGA is de beleggings-BV zelf daardoor ook een beleggingsentiteit.
Met betrekking tot de term ‘uitvoeren in het kader van de bedrijfsuitoefening’ is sprake van een beleggingsentiteit als de bedrijfsuitoefening overwegend (‘primarily’) bestaat uit de beleggingsactiviteiten zoals die ook staan vermeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA (§1.1471-5(e)(4)(i)(A) Final Regulations en Sectie VIII.A.6.b CRS). Dit betekent dat pas van een beleggingsentiteit kan worden gesproken als voldaan wordt aan een inkomenstoets die inhoudt dat het bruto-inkomen uit beleggingsactiviteiten ten minste 50% van het totale bruto-inkomen moet bedragen gedurende:
De definitie van beleggingsentiteit in de Final Regulations ziet ook op het begrip ‘financial assets’ dat in de NL IGA niet voorkomt maar wel is gedefinieerd in §1.1471-5(e)(4)(ii) (en in Sectie VIII.A.7 van de CRS) en waartoe onroerende zaken niet behoren. Entiteiten die rechtstreeks onroerende zaken houden, zijn daarom alleen een beleggingsentiteit volgens de Final Regulations als is voldaan aan de inkomenstoets voor een self-managing entiteit (§1.1471-5(e)(4)(iii) Final Regulations) of voor een gemanagede entiteit (§1.1471-5(e)(4)(iv)(A) Final Regulations). Dit betekent dat het bruto-inkomen uit beleggingsactiviteiten (exclusief bruto-inkomsten uit (her)investering en handel in onroerende zaken) ten minste 50% van het totale bruto-inkomen van de entiteit moet bedragen gedurende:
**(Sectie VIII.A.6 en 7 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA)**
### 1.37. Activiteitentoets voor een instelling die deposito’s neemt
Onder de uitdrukking ‘een instelling die deposito’s neemt’ wordt in de NL IGA verstaan een entiteit die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf. De beoordeling of sprake is van een instelling die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf wordt gedaan aan de hand van de daadwerkelijke activiteiten van die instelling en niet aan de hand van haar statuten.
Voor de uitleg van de begrippen ‘deposito’s’ (zie §1.1471-5 (b)(1)(i) jo §1.1471-5 (b)(3)(i) Final Regulations) en ‘bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf’ (zie §1.1471-5(e)(1)(i) en (2)(i) Final Regulations) kan een FI ervoor kiezen om gebruik te maken van de begripsomschrijvingen in de Final Regulations en de daarin opgenomen uitzonderingen (zie artikel 4, zevende lid, NL IGA en [artikel 2a, derde lid, UB WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030973&artikel=2a)). In de Final Regulations en de CRS is voor bepaalde leasemaatschappijen een uitzondering opgenomen voor de kwalificatie van een ‘bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf’. Hiervan is sprake als de entiteit uitsluitend deposito’s neemt van personen als onderpand of zekerheid in het kader van een verkoop of lease van goederen of in het kader van een vergelijkbare financieringstransactie tussen de entiteit en de persoon die het deposito plaatst.
Aan de hand van enkele voorbeelden kan beoordeeld worden of sprake is van een entiteit die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van een bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf en daarmee een FI wordt of juist niet.
**(Sectie VIII.A.5, 6 en D.9.g CRS, CRS-commentaar op Sectie VIII.A.(3)-(8), punten 12-14 en D. (6)-(9), punt 129 en FAQ’s 1 en 2 bij Sectie VIII en artikel 1, eerste lid, onderdeel i, NL IGA)**
### 1.38. Aandeelhouders uit één familie
Entiteiten, anders dan een trust, waarvan de activa bestaan uit kasgeld of beleggingen – of een holdingmaatschappij daarvan -, zijn een beleggingsentiteit in de zin van Sectie VIII.A.6 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA.
Dit geldt ook voor deze entiteiten met een (zeer) beperkte groep van onmiddellijke en middellijke aandeelhouders of participanten die behoren tot één familie, die zich niet presenteren als beleggingsentiteit en die geen kapitaal uit de markt hebben aangetrokken noch (zullen) aantrekken.
### 1.39. Beleggingsinstellingen
Financiële instellingen waar deze beleggingsentiteiten een rekening aanhouden, dienen hier bij de classificatie voor de CRS en de FATCA rekening mee te houden. Mogelijk moet een eerdere classificatie worden herzien.
Wanneer u aan te merken bent als een beleggingsentiteit moet u zich bij de Belastingdienst melden. Dit is ook het geval indien u geen rekeningen hebt die in het kader van de FATCA en de CRS moeten worden aangeleverd.
**(Sectie VIII.A.6 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA)**
### 1.40. Beleggingsadviseurs en (vermogens)beheerders
Een holdingmaatschappij als onderdeel van een private equity- of andere beleggingsstructuur is echter geen beleggingsentiteit maar een passieve NFE, indien alle aandelen onmiddellijk of middellijk gehouden worden door het private equity- of ander beleggingsfonds zelf. Op het niveau van het (de) fonds(en) wordt immers al gerapporteerd. Voorwaarde is dat er geen buitenlands fonds tussen het private equity- of ander beleggingsfonds en de holdingmaatschappij zit, tenzij het fonds een FI is.
**(Sectie VIII.A.6 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA)**
### 1.40. Beleggingsadviseurs en (vermogens)beheerders
Een beleggingsentiteit die inwoner is van Nederland heeft onder omstandigheden geen rapportageverplichtingen. Dan zullen haar activiteiten uitsluitend moeten bestaan uit het verstrekken van beleggingsadvies aan of het optreden namens een cliënt, dan wel het beheren van portefeuilles voor een cliënt op basis van een volmacht of soortgelijk instrument.
**(CRS-commentaar Sectie VIII.C(1) punt 60 en onderdeel II. A.4 van Bijlage II NL IGA)**
Het tweede vereiste houdt in dat het beleid en de procedures van de FI erop gericht zijn dat wordt voorkomen dat het saldo van een rekening boven de USD 50.000 uit kan komen, of dat het surplus boven de USD 50.000 binnen 60 dagen (na het moment waarop het saldo boven de USD 50.000 uitkomt) wordt teruggestort aan de rekeninghouder. Aan het tweede vereiste wordt ook voldaan als alleen het surplus boven de USD 50.000 wordt teruggestort, voor zover dit surplus nog aanwezig is na 60 dagen vanaf het moment dat het saldo voor het eerst boven de USD 50.000 uitkomt.
Een rapporterende FI hoeft een creditcardrekening of een doorlopend-kredietfaciliteit die wordt behandeld als een nieuwe rekening van een entiteit, niet te controleren, identificeren of te rapporteren. Voorwaarde daarbij is dat de rapporterende FI die een dergelijke rekening beheert, beleid en procedures implementeert om te voorkomen dat het saldo verschuldigd aan de rekeninghouder hoger wordt dan USD 50.000 (Sectie VIII.B.8.b CRS en onderdeel V.A van Bijlage I NL IGA.)
Op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel q, NL IGA kunnen, naast de werking van onderdeel V.A van Bijlage I NL IGA, eveneens bepaalde creditcardbedrijven in aanmerking komen als niet-rapporterende FI. Dit kan omdat bepaalde creditcardbedrijven (‘Qualified credit card issuers’) gekwalificeerd kunnen worden als ‘Registered deemed-compliant FFI’ (§1.1471-5(f)(1)(i)(E) Final Regulations; zie voor het begrip ‘Registered deemed-compliant FFI’ §1.1471-5 (f)(1).)
### 1.42. Swapovereenkomst en securities lending-overeenkomst (geen ‘debt interest’ in beleggingsentiteit)
Het tweede vereiste houdt in dat het beleid en de procedures van de FI erop gericht zijn dat wordt voorkomen dat het saldo van een rekening boven de USD 50.000 uit kan komen, of dat het surplus boven de USD 50.000 binnen 60 dagen (na het moment waarop het saldo boven de USD 50.000 uitkomt) wordt teruggestort aan de rekeninghouder. Aan het tweede vereiste wordt ook voldaan als alleen het surplus boven de USD 50.000 wordt teruggestort, voor zover dit surplus nog aanwezig is na 60 dagen vanaf het moment dat het saldo voor het eerst boven de USD 50.000 uitkomt.
**(Sectie VIII.B.8.b CRS, het CRS-commentaar Sectie VIII.C(17) en onderdeel V.A van Bijlage I NL IGA)**
### 1.42. Swapovereenkomst en securities lending-overeenkomst (geen ‘debt interest’ in beleggingsentiteit)
Een ISDA-swapovereenkomst of een GMSLA vormt geen financiële rekening voor een beleggingsentiteit. De vordering die voortvloeit uit deze raamovereenkomsten is niet aan te merken als vordering (‘debt interest’) op een beleggingsentiteit, omdat de vordering geen betrekking heeft op het belegde vermogen of de beleggingsresultaten van de beleggingsentiteit. Ook moet een ‘debt interest’ worden uitgegeven door het fonds, waarvan in deze gevallen geen sprake is.
**(Sectie VIII.C.1 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)**
### 1.43. Onderpandrekening
Een bewaarrekening is een rekening die gehouden wordt ten gunste van een derde die een financieel instrument of een overeenkomst inzake rechten van deelneming houdt, bijvoorbeeld aandelen of belangen in een onderneming, waardepapieren, obligaties of andere schuldbewijzen (Sectie VIII.C.3 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel u, NL IGA). Deze definitie van bewaarrekening ziet op alle rekeningen die ten gunste van derden worden gehouden, ook op het houden van onderpand (‘collateral account’) voor een ander, tenzij het gaat om geld als onderpand. Onderpand in de vorm van geld vormt namelijk een depositorekening (Sectie VIII.C.2 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel t, NL IGA). De exacte voorwaarden van de overeenkomst zijn bepalend voor de vraag of sprake is van onderpand of niet. Als de FI als uitlenende partij bij een securities lending-transactie zelf de juridische eigendom van het onderpand heeft verkregen, dan vormt het verkregen collateral account geen bewaarrekening bij de FI zelf. Door de verkrijging van de juridische eigendom is immers geen sprake van het houden ten gunste van een derde. Dit geldt ook voor vergelijkbaar cash collateral account verkregen in het kader van bijvoorbeeld een GMSLA, een ISDA-swapovereenkomst, een CSA, een clearingovereenkomst in verband met de clearing van derivaten of een futures-overeenkomst.
**(Sectie VIII.C.3 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel u, NL IGA)**
**(CRS-commentaar op Sectie VIII.C., punt 82 en FAQ 14 bij Secties II-VII)**
Een nieuwe rekening die geopend wordt door een bestaande rekeninghouder, kan voor de CRS nog steeds aangemerkt worden als een bestaande rekening, mits:
(Zie het CRS-commentaar bij Sectie VIII, paragraaf C, punt 82 en Bijlage 1, deel VIII, onderdeel C.9 van de Richtlijn en FAQ nr. 14 bij Secties II-VII, CRS.)
Als aan de bovengenoemde cumulatieve voorwaarden is voldaan hoeft bij het openen van de nieuwe rekening geen self certification-formulier te worden opgevraagd. Een eenmaal als bestaand aangemerkte rekening blijft dat ook als de klant later de eerste rekening opheft.
### 1.45. Bestaande rekeningen verzekeringsproducten
Voor de NL IGA kan hetzelfde gelden, waarbij de FI aan dezelfde voorwaarden moet voldoen als voor de CRS, met uitzondering van de vierde voorwaarde (artikel 4, zevende lid, NL IGA en de Final Regulations (Zie §1.1471-1(b)(104)(ii)). Het gaat hier om de voorwaarde dat de rekeninghouder voor het openen van de financiële rekening geen nieuwe, aanvullende of gewijzigde klantinformatie hoeft te verstrekken. Om te voorkomen dat eenzelfde rekening voor de NL IGA een bestaande rekening en tegelijkertijd voor de CRS een nieuwe rekening is waarvoor verschillende procedures bij een FI zullen moeten gelden, kan een FI ervoor kiezen om voor de toepassing van de FATCA de definitie van bestaande rekening uit de Final Regulations toe te passen, omdat die definitie overeenkomt met de CRS definitie.
**(Sectie VIII.C.9 CRS, FAQ 42 bij Secties II-VII, en artikel 4, zevende lid, NL IGA)**
### 1.45. Bestaande rekeningen verzekeringsproducten
Bestaande levensverzekeringen die zijn afgesloten voor 30 juni 2014 (van belang voor de NL IGA) en 31 december 2015 (van belang voor de CRS) en waarop na die data aanpassingen worden gedaan of na die data nabetalingen worden verricht bij inmiddels beëindigde verzekeringen, kunnen gekwalificeerd worden als bestaande rekeningen. Aanpassingen of nabetalingen laten de eventueel van toepassing zijnde uitzondering van onderdeel II.A.3 van Bijlage I NL IGA onverlet. Dit is anders als het karakter van de levensverzekering zodanig verandert dat deze niet meer onder de uitzondering valt omdat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan.
**(Sectie VIII.C.9 CRS en het CRS-commentaar Sectie VIII, C, nr. 82 en onderdeel VI.B.5 van bijlage I NL IGA)**
Deze rekeningen zullen geïdentificeerd en indien nodig gerapporteerd moeten worden.
Voor de CRS zijn de categorieën ‘uitgezonderde rekeningen’ (rekeningen die geen financiële rekening zijn en daarom zijn uitgezonderd van rapportage) geregeld in Sectie VIII.C.17 CRS en het daarbij behorende commentaar. Om te kunnen bepalen of een rekening voldoet aan de eisen van een categorie ‘uitgezonderde rekening’, mag de FI vertrouwen op de informatie waarover zij beschikt of die publiekelijk beschikbaar is.
Naast de hier genoemde uitgezonderde rekeningen heeft elke lidstaat van de Europese Unie de mogelijkheid om andere rekeningen (en entiteiten) aan te wijzen met een laag risico om te worden gebruikt voor belastingontduiking. Op 3 september 2019 heeft de Europese Commissie van elke lidstaat een (gewijzigde) lijst met uitgezonderde rekeningen en niet rapporterende FI’s gepubliceerd.8https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:2019:296:FULL&from=EN
In Nederland was voor de lijst ‘uitgezonderde rekeningen’ onder CRS aangesloten bij de uitgezonderde producten in de Bijlage II, onderdeel III, van de NL IGA. Het Global Forum heeft die lijn echter niet gevolgd en heeft enkele voor de FATCA uitgezonderde rekeningen niet geaccepteerd voor de CRS. Het betreft:
Deze rekeningen zullen geïdentificeerd en indien nodig gerapporteerd moeten worden.
De door het Global Forum geaccepteerde uitgezonderde rekeningen zijn:
Belangrijk voor het Global Forum is dat regelmatig getoetst wordt of deze rekeningen terecht nog als uitgezonderde rekeningen aangemerkt worden. De Belastingdienst zal er dan ook op toezien dat dit soort rekeningen niet gebruikt wordt om rapportage in het kader van de CRS te ontwijken.
**(Sectie VIII.C.17 CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII.C.17, punten 86–103).**
### 1.47. Overleden rekeninghouder
(Zie ook 2.18, Verzekeringsproducten en rechtsvoorgangers).
**(Artikel 4, zevende lid en Bijlage II NL IGA)**
**(Sectie VIII.C.17.d CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII, C(17)(d), punt 92, en onderdeel II.C.3 van bijlage I NL IGA)**
### 1.48. Overleden UBO
Pas na verdeling van de nalatenschap en als de rekening niet is opgeheven zullen de due diligence-procedures weer van toepassing zijn. Zo kan de FI beoordelen of de rekening opnieuw een te rapporteren rekening is.
**(Sectie VIII.C.17.d CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII, C(17)(d), punt 92, en onderdeel II.C.3 van bijlage I NL IGA)**
Voor FATCA staan in de NL IGA in Bijlage 1 onder IV.D vergelijkbare bepalingen. Een nieuwe procedure is met name nodig om de erfgenamen te identificeren en vast te stellen of hun gegevens al dan niet moeten worden gerapporteerd. Is dat het geval dan zal de betreffende rekening aan het einde van het jaar moeten worden gerapporteerd met nieuwe uiteindelijk belanghebbenden.
### 1.49. Erkende effectenbeurs
**Een rapporterende financiële instelling die op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van een rekeninghouder of van een uiteindelijk belanghebbende dan wel andere documentatie die is gebruikt voor het vaststellen of een rekening een te rapporteren rekening is, onjuist of onbetrouwbaar is, volgt opnieuw de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie V, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening.**
Voor FATCA staan in de NL IGA in Bijlage 1 onder IV.D vergelijkbare bepalingen. Een nieuwe procedure is met name nodig om de erfgenamen te identificeren en vast te stellen of hun gegevens al dan niet moeten worden gerapporteerd. Is dat het geval dan zal de betreffende rekening aan het einde van het jaar moeten worden gerapporteerd met nieuwe uiteindelijk belanghebbenden.
Onder een erkende effectenbeurs wordt verstaan een beurs die officieel erkend wordt en onder toezicht staat van een erkende toezichthouder – zoals de AFM of een andere overheidsinstantie van de jurisdictie waarin de beurs gevestigd is – en waar jaarlijks een betekenisvolle waarde aan aandelen wordt verhandeld. Onder een erkende effectenbeurs vallen onder meer de NYSE Euronext Amsterdam en het Euronext Fund Services-platform.
In de [WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954) wordt een ‘te rapporteren persoon’ gedefinieerd als een persoon uit een deelnemend rechtsgebied, niet zijnde: 1°. een vennootschap waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op een of meer erkende effectenbeurzen; (...) ([artikel 2a, eerste lid, onderdeel p, WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=2a)).
In het CRS-commentaar en de Final Regulations wordt ingegaan op ‘erkende effectenbeurs’ en ‘regelmatig verhandeld’ (zie hierna 1.45).
### 1.50. Regelmatig verhandeld
Onder een erkende effectenbeurs wordt verstaan een beurs die officieel erkend wordt en onder toezicht staat van een erkende toezichthouder – zoals de AFM of een andere overheidsinstantie van de jurisdictie waarin de beurs gevestigd is – en waar jaarlijks een betekenisvolle waarde aan aandelen wordt verhandeld. Onder een erkende effectenbeurs vallen onder meer de NYSE Euronext Amsterdam en het Euronext Fund Services-platform.
**(Sectie VIII.D.2, (i) CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII.D, punt 112 en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)**
**(CRS-Commentaar Sectie VIII.D.2, punt 113, FAQ 4 onder Sectie VIII.D en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)**
### 1.51. Stichting administratiekantoor (STAK)
Voor de CRS worden in het commentaar op Sectie VIII.D.2, punt 113 dezelfde twee eisen gesteld als in de Final Regulations. In FAQ 4 van Sectie VIII. D op de OESO-website10Http://www.oecd.org/tax/exchange-of-tax-information/CRS-related-FAQs.pdf is aangegeven hoe de term ’regelmatig verhandelde aandelen’ moet worden uitgelegd. Net als in de Final Regulations geldt ook voor de CRS dat van regelmatig verhandelde aandelen in een kalenderjaar sprake is als één of meer categorieën van aandelen van een entiteit gedurende het afgelopen kalenderjaar genoteerd stond(en) aan een erkende effectenbeurs en deze categorie(ën van) aandelen samen meer dan 50% van de totale stemrechten en van de totale waarde van de aandelen vertegenwoordigt of vertegenwoordigen.
**(CRS-Commentaar Sectie VIII.D.2, punt 113, FAQ 4 onder Sectie VIII.D en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)**
(Sectie VIII.A.6.iii CRS en paragraaf 1.2 MoU bij de NL IGA)
Voor de NL IGA is in het MoU opgenomen dat een Stichting Administratiekantoor (STAK) gevestigd in Nederland wordt behandeld als een passieve NFE. Alleen als de certificaten van de STAK regelmatig verhandeld worden op een erkende effectenbeurs is sprake van een actieve NFE.
### 1.52. Holding bestuurd door een trustkantoor
FI’s dienen, ingeval gebruik gemaakt wordt van een STAK en de klant claimt dat er daardoor een wijziging in UBO’s optreedt, vast te stellen dat deze wijziging zich ook in materiële zin voordoet. Zo moet worden voorkomen dat – door het plaatsen van een STAK tussen BV/NV en aandeelhouders – de uiteindelijk belanghebbende niet als begunstigde wordt aangemerkt omdat hij als houder van bijvoorbeeld 50% van de certificaten niet 25% van de zeggenschap in de stichting heeft. De basis voor deze verplichting ligt in [artikel 3, eerste lid, onder c, Uitvoeringsbesluit Wwft 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041193&artikel=3). In deze bepaling is geregeld welke categorieën van natuurlijke personen in elk geval moeten worden aangemerkt als UBO. In het geval van een rechtspersoon zijn dat de natuurlijke personen die op basis van het bezitspercentage als UBO kwalificeren of zeggenschap hebben over de rechtspersoon (bijvoorbeeld via het direct of indirect houden van meer dan 25% van het eigendomsbelang in de rechtspersoon). In het UBO-register zijn zowel de ‘bezits-UBO’ (certificaathouders) als ‘zeggenschaps-UBO’s’ (de bestuurders van de STAK) opgenomen. Een certificaathouder met maar 10% van de certificaten, maar wel met meer dan 25% zeggenschap in het STAK-bestuur zal dus als zodanig in het UBO-register staan. Een certificaathouder van een STAK is indirect aandeelhouder van de onderliggende entiteit(en) en dus mogelijk ook UBO van deze entiteit(en). Wanneer bijvoorbeeld een STAK alle aandelen houdt van een BV is een UBO van de STAK automatisch ook UBO van de onderliggende B.V.
(Sectie VIII.A.6.iii CRS en paragraaf 1.2 MoU bij de NL IGA)
### 1.52. Holding bestuurd door een trustkantoor
Een holdingmaatschappij die als actieve NFE kan worden aangemerkt, behoudt die kwalificatie ook als die holdingmaatschappij bestuurd wordt door een (werknemer van een) trustkantoor dat een FI is.
**(Sectie VIII.D.9.d CRS, CRS-commentaar op Sectie VIII.D.9.d, punt 129 en onderdeel VI.B.4 van Bijlage 1 NL IGA).**
**(Sectie VIII.E.4 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel jj, NL IGA)**
### 1.54. Rijbewijs kan geldig gedocumenteerd bewijsstuk zijn
Als sprake is van een lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal wordt onder ‘vermogen’ in dit verband verstaan het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal. De NL IGA verstaat echter onder zeggenschap, de directe of indirecte eigendom van meer dan 50% van het stemrecht **of** het vermogen/belang (‘value’) in een entiteit. FI’s kunnen de definitie uit de Final Regulations die in lijn is met de CRS ook voor de NL IGA gebruiken, waardoor de grootte van de groep van gelieerde entiteiten wordt verkleind.
**(Sectie VIII.E.4 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel jj, NL IGA)**
### 1.54. Rijbewijs kan geldig gedocumenteerd bewijsstuk zijn
In Sectie VIII.E.6 CRS en in onderdeel VI.D van Bijlage I NL IGA blijkt welke bewijsstukken voor de toepassing van de due diligence-procedures als aanvaardbaar worden aangemerkt. Voor natuurlijke personen valt een geldig identiteitsbewijs onder de aanvaardbare bewijsstukken als dat is afgegeven door een bevoegd overheidsorgaan en daarop de naam van de natuurlijke persoon staat. Voor het cliëntonderzoek dat FI’s moeten uitvoeren op grond van de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) kan een rijbewijs gelden als identiteitsbewijs. Voorwaarde daarbij is dat sprake is van een geldig Nederlands rijbewijs dan wel een geldig rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere EU-lidstaat en voorzien is van een pasfoto en de naam van de houder (Zie [artikel 11 Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=11) jo [artikel 4 Uitvoeringsregeling Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024275&artikel=4)).
### 1.56. De insolvente rekeninghouder (natuurlijk persoon)
**(Zie CRS-commentaar op Sectie VIII.E, nr. 139).**
De leenvergoeding en de dividend vervangende betaling zijn aan te merken als ‘overige inkomsten gegenereerd met betrekking tot de activa/het vermogen op de rekening’ ([artikel 10c, eerste lid, letter a, onder 1°, WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10c) en artikel 2, 5.A. NL IGA). FI’s moeten dit in het kader van FATCA en CRS rapporteren.
### 1.56. De insolvente rekeninghouder (natuurlijk persoon)
Indien een bewindvoerder voor een schuldenaar in de zin van de [Wet schuldsanering natuurlijke personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009730) (WSNP) een (boedel)rekening opent, is het de schuldenaar zelf die vanuit CRS-perspectief de rekeninghouder is.11Dit geldt eveneens in de situatie van de schuldenaar die failliet verklaard is en waarvoor een curator optreedt.
### 1.58. Minderjarige rekeninghouder
**(Zie CRS-commentaar Sectie VIII.E.140)**
Voor de identificatie van een in het kader van de CRS te rapporteren rekening hoeft een buitenlands telefoonnummer binnen de EU niet te gelden als indicium, mits alle overige indicia naar één EU-lidstaat wijzen.
### 1.58. Minderjarige rekeninghouder
Voor de rapportage van een rekening van een minderjarig kind in het kader van de CRS is enkel van belang waar het kind fiscaal inwoner is. De fiscale woonplaats van de ouders is niet relevant, ook niet in het geval zij een volmacht hebben. Indien de ouders namens een minderjarige in een CRS-land wonende rekeninghouder het self-certification-formulier ondertekenen, dienen zij tevens een kopie van hun paspoort te verstrekken. De handtekeningen op het formulier en op de paspoorten dienen met elkaar overeen te komen. Indien niet weersproken door reeds bekende indicia mag voor het bepalen van de fiscale woonstaat van het kind worden uitgegaan van hetgeen door de ouders op het self certification-formulier is vermeld. Zie ook 1.20.
**(Zie CRS-commentaar Sectie VIII.E.140)**
De CRS-wetgeving schrijft – kort samengevat – voor dat het verstrekken van een TIN verplicht is, tenzij een land geen TIN’s verstrekt. In FAQ 5 van Sectie I wordt dat wat versoepeld: de FAQ stelt dat een FI een te rapporteren persoon niet hoeft te verzoeken om een TIN aan te vragen en aan de bank te verstrekken als het in het fiscale woonland van die persoon niet verplicht is om een TIN aan te vragen. In de praktijk blijkt dat veel landen uitzonderingen kennen, waardoor groepen burgers geen TIN hebben terwijl het land in het algemeen wel TIN’s verstrekt.12Zie: https://www.oecd.org/tax/exchange-of-tax-information/CRS-related-FAQs.pdf
Bij het ondertekenen van het self certification-formulier bevestigt de klant dat hij de gegevens naar waarheid heeft ingevuld en eventuele wijzingen binnen 30 dagen zal doorgeven. Er zijn situaties dat er in een self certification-formulier wordt aangeven dat de klant fiscaal inwoner is van een land maar geen TIN heeft, terwijl het land van fiscaal inwonerschap wel TIN’s uitgeeft.
Enkele voorbeelden van reacties die financiële instellingen terugkrijgen in dat soort situaties zijn:
Uitgangspunt is dat een FI bij het verkrijgen van een TIN voldoende invulling heeft gegeven aan het begrip ‘redelijke inspanning’ als bedoeld in het OESO-commentaar bij Sectie I (C), nummer 28. Er is sprake van ‘redelijke inspanning’ indien de financiële instelling bij het ontbreken van een TIN, ondanks dat het land wel TIN’s uitgeeft, vraagt om uitleg waarom het TIN ontbreekt, of in dat geval een nieuw self certifcation-formulier toezendt. In afwachting van ontvangst van een TIN rapporteert de FI op basis van de hem bekende indicia.
### 2.1. Kwalificatie holding en treasury center als (lead) FI in plaats van NFFE
### 2.1. Kwalificatie holding en treasury center als (lead) FI in plaats van NFFE
**(CRS-commentaar op Sectie I, paragrafen 27 t/m 30 en FAQ 5, Sectie I)**
**(Artikel 1, eerste lid, onderdeel g, NL IGA).**
**(Artikel 1, eerste lid, onderdeel g, NL IGA).**
### 2.2. Het begrip ‘Amerikaans persoon’ in relatie tot Amerikaanse territoria
Elke holdingmaatschappij en elk treasury center kan de definitie van FI uit de Final Regulations hanteren om zo te opteren voor de status van FI in plaats van actieve of passieve NFFE, ondanks het feit dat die holdingmaatschappij of dat treasury center geen FI is volgens de NL IGA. Het gevolg van de keuze voor toepassing van de Final Regulations is dat zo’n holdingmaatschappij of treasury center zich moet registreren bij de ‘IRS registration portal’ en de relevante gegevens moet rapporteren aan de Belastingdienst. Voor de CRS zullen deze entiteiten altijd een actieve of passieve NFE zijn, maar nooit een FI.
**(Artikel 1, eerste lid, onderdeel g, NL IGA).**
### 2.2. Het begrip ‘Amerikaans persoon’ in relatie tot Amerikaanse territoria
De NL IGA definieert het begrip ‘Amerikaans persoon’ (‘US Person’). Een natuurlijk persoon die geboren is in een van de Amerikaanse territoria is Amerikaans staatsburger en dus een Amerikaans persoon, met uitzondering van personen geboren op de Noordelijke Marianen voor 4 november 1986 en van personen geboren op Amerikaans Samoa. De NL IGA definieert ook de Amerikaanse territoria (artikel 1, eerste lid, onderdeel b, NL IGA). Ook een natuurlijk persoon die niet geboren is in de Amerikaanse territoria maar daar wel inwoner is en een green card heeft, is een Amerikaans persoon. Een natuurlijk persoon die niet geboren is in de Amerikaanse territoria, daar inwoner is, maar geen green card heeft, is echter geen Amerikaans persoon. Een entiteit is een Amerikaans persoon als deze is opgericht (‘incorporated’) naar het recht van de VS. Een entiteit die is opgericht naar het recht van een van de Amerikaanse territoria is geen Amerikaans persoon.
**(Artikel 1, eerste lid, onderdelen b en ee NL IGA)**
Onder toepassing van de NL IGA wordt voor bestaande rekeningen verlangd van de FI dat zij een redelijke inspanning levert om missende US TIN’s te bemachtigen. Hier hebben FI’s in ieder geval tot juli 2023 de tijd voor. Indien een US person als klant ondanks de doorlopende inspanningen van de FI toch niet aan de verplichting voldoet om een US TIN door te geven, zullen de door de FI geleverde inspanningen door de IRS als belangrijke factor worden meegewogen in de vaststelling van de GIIN lijst. Zie voor een nadere toelichting over de ‘redelijke inspanning’ en de rapportage bij missende US TIN’s door FIs hierna 2.12.
Voor de toepassing van de NL IGA-identificatie van een bestaande klant of een persoon die klant wil worden, zijn het voor de Nederlandse markt ontwikkelde self certification-formulier en de Amerikaanse W8- en W9-formulieren voor onbepaalde tijd geldig. Hierbij geldt als voorwaarde, dat deze formulieren een US TIN bevatten als dit op basis van de kwalificatie van de rekeninghouder vereist is. Volgens de algemene regel zijn het self certification-formulier en het W8- en W9-formulier geldig totdat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die invloed heeft, of kan hebben, op de FATCA-status die uit het self certification-formulier of het W8- of W9-formulier van de rekeninghouder blijkt. Daarnaast gelden de volgende regels:
Met ingang van 1 januari 2020 moet elke US person14Een US person is iemand die een Amerikaans staatsburger is of een inwoner van Amerika., dus ook de houder van een bestaande rekening, over een US TIN beschikken en dit hebben doorgegeven aan de betrokken FI.
### 2.4. Basisbetaalrekening
Onder toepassing van de NL IGA wordt voor bestaande rekeningen verlangd van de FI dat zij een redelijke inspanning levert om missende US TIN’s te bemachtigen. Hier hebben FI’s in ieder geval tot juli 2023 de tijd voor. Indien een US person als klant ondanks de doorlopende inspanningen van de FI toch niet aan de verplichting voldoet om een US TIN door te geven, zullen de door de FI geleverde inspanningen door de IRS als belangrijke factor worden meegewogen in de vaststelling van de GIIN lijst. Zie voor een nadere toelichting over de ‘redelijke inspanning’ en de rapportage bij missende US TIN’s door FIs hierna 2.12.
### 2.5. Invulling van het begrip ‘betalingen’
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel b, NL IGA)**
Op basis van de Europese richtlijn betaalrekeningen15(Payments Accounts Directive-richtlijn: [Richtlijn 2014/92](32014L0092)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties, **PbEU** 2014, L257/214), voor Nederland in wetgeving verankerd in de [Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), hebben consumenten (natuurlijke personen) in de Europese Unie (EU) het recht om een basisbetaalrekening te openen en te gebruiken. Een basisbetaalrekening is een rekening waarop geen debetstand mogelijk is. Banken zijn verplicht om op aanvraag een basisbetaalrekening te openen tenzij er een weigeringsgrond van toepassing is ([artikel 4:71f Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:71f)). Het enkel ontbreken van een US TIN is geen weigeringsgrond in de zin van artikel 4:71f Wft. In algemene zin kan een FI in een individueel geval het openen van een basisbetaalrekening weigeren, of kan zij een bestaande betaalrekening sluiten, indien zij kan aantonen dat er sprake is van opzettelijk witwassen en/of belastingontduiking. Bij afwezigheid van een weigeringsgrond is een FI dus verplicht om – op aanvraag – een basisbetaalrekening te openen voor een US Person die niet beschikt over een US TIN.16Zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/03/18/beantwoording-kamervragen-over-uitwerking-fatca Zie ook [artikel 4:71i, Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:71i) waarin de voorwaarden staan waarop de bank de toegang tot een basisbetaalrekening kan beëindigen en waarin het vereiste staat dat de rekeninghouder daarvan in kennis wordt gesteld.
### 2.5. Invulling van het begrip ‘betalingen’
In de NL IGA staat de verplichting voor FI’s om over de jaren 2015 en 2016 de naam van elke niet-participerende FI, waaraan de FI betalingen heeft gedaan te rapporteren, alsmede het totale bedrag van betalingen gedaan aan elke niet-participerende financiële instelling. Een niet-participerende FI rapporteert niet en kan ook buiten Nederland gevestigd zijn. Zo’n instelling is daarmee te onderscheiden van een FI die wel in Nederland is gevestigd en gegevens rapporteert. Het begrip ‘betalingen’ omvat in principe elke betaling van Amerikaans FDAP-inkomen (Fixed, Determinable, Annual or Periodical income). Vanwege de uitgebreidheid van dit begrip en de beperkte jaren waarover rapportage nodig is, is met de VS afgesproken dat de te rapporteren gegevens over betalingen aan niet-participerende financiële instellingen voor toepassing van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, NL IGA, dezelfde gegevens zijn als genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, subonderdelen 5 tot en met 7, NL IGA. Hierdoor hoeft een FI, onafhankelijk van de vorm van verleende dienstverlening, dus geen betalingen aan niet-participerende financiële instellingen meer te rapporteren. Het is voldoende dat de gegevens die een FI normaliter over een te rapporteren rekeninghouder zou moeten rapporteren, ook rapporteert ten aanzien van de rekeningen die een niet-participerende financiële instelling bij de FI aanhoudt. In het geval van een verzekeringsmaatschappij leidt dit niet tot rapportage over de uitkering aan een begunstigde die een rekening aanhoudt bij een niet-participerende financiële instelling. De FI moet per jaar het totale bedrag aan waarden en inkomen per elke niet-participerende financiële instelling rapporteren.
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel b, NL IGA)**
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel c, NL IGA).**
### 2.7. Geen wettelijke basis voor inhouding door Primary Withholding Qualified Intermediary (QI)
Eind maart 2019 heeft de VS nieuwe regels gepubliceerd die zien op de zogenoemde ‘sponsored entities’ onder de FATCA. Voor 25 maart 2019 was het zo dat de sponsored entity compliant was als de sponsoring entiteit alle FATCA registraties deed. Met de wijziging van de regelgeving van de VS was dat niet langer het geval. Sponsored entities moeten volgens het nieuwe Amerikaanse recht alsnog (via hun sponsoring entity) ‘certifications’ afgeven. De nieuwe regels zijn op 25 maart van kracht geworden en certificering had moeten gebeuren voor 1 april 2019. Omdat Nederland in Annex II van de IGA de sponsored entities niet had aangemerkt als ‘non reporting FI’s’ ontstond er een probleem voor de ruim 1.700 sponsored entities en de ruim 130 sponsoring entities in Nederland. Nederland heeft de VS verzocht om Annex II van de IGA aan te vullen met twee nieuwe secties die specifiek zien op de sponsored entities. Ondanks de nodige besprekingen met de VS en het verzoek om een vergelijkbaar arrangement (met terugwerkende kracht tot op 25 maart 2019) als de VK heeft getekend met de VS is er – ondanks herhaald aandringen – nog geen overeenkomst tot stand gekomen. Verwacht wordt wel dat de overeenkomst tot stand zal komen, waarna is zeker gesteld dat alle sponsored entities compliant zijn.
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel c, NL IGA).**
### 2.7. Geen wettelijke basis voor inhouding door Primary Withholding Qualified Intermediary (QI)
De NL IGA bepaalt dat een FI die besloten heeft de primaire inhoudingsplicht te aanvaarden (‘Primary Withholding QI’ op grond van Hoofdstuk 3 van de IRS), of die een Withholding Foreign Partnership of Withholding Foreign Trust is, 30% bronbelasting moet inhouden op elke uit de VS afkomstige en aan inhouding onderworpen betaling aan een niet-participerende FI. Deze voorgeschreven inhouding vloeit voort uit de aangepaste QI-agreement met de IRS, die op de website van de IRS is gepubliceerd.17https://www.irs.gov/pub/irs-drop/rp-17-15.pdf
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel d, NL IGA).**
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel e, NL IGA).**
Als een FI een betaling doet of optreedt als tussenpersoon voor uit de VS afkomstige en aan inhouding onderworpen betalingen aan een niet-participerende FI, moet deze FI de benodigde informatie verstrekken aan de rechtstreekse betaler van deze betaling (‘withholding agent’). Deze withholding agent kan dan op grond van die informatie de bronbelasting inhouden en rapporteren over de betaling aan de niet-participerende FI. De vraag rees wat deze bepaling in samenhang met artikel 5, derde lid, NL IGA betekent voor een CSD. Ook werd gevraagd hoe de inhouding van bronbelasting zou moeten lopen als betalingen worden gedaan aan een FI die niet optreedt als Primary Withholding QI.
### Onderdeel I. Algemeen
### 2.9. Datum drempelvrijstelling
### 2.9. Datum drempelvrijstelling
**(Bijlage I, onderdeel I.B.3 NL IGA).**
**(Bijlage I, onderdeel I.B.3 NL IGA).**
### 2.9. Datum drempelvrijstelling
Het saldo of de waarde van een rekening in verband met de drempelvrijstelling wordt bepaald per 30 juni 2014 of per de laatste dag van de rapportageperiode die eindigt voor 30 juni 2014. Voor het jaar 2014 kunnen FI’s in plaats van de waarde per 30 juni 2014 ook de waarde nemen per de laatste dag van het laatste boekjaar dat eindigt voor 30 juni 2014. De datum die de FI kiest, geldt voor alle rekeningen binnen de businessunits van de FI.
**(Bijlage I, onderdeel I.B.3 NL IGA).**
Ook moet voldaan worden aan de ‘reason to know test’ (§1.1471-4(c)(4)(i) jo -1.1471-4(c)(2)(ii)(A) jo 1.1471-3 (e)(4)(iv)(A) Final Regulations). Op grond van deze test kan de FI mogelijk niet meer vertrouwen op de juistheid van de bewijsstukken als sprake is van een van de Amerikaanse indicia genoemd in onderdeel II.B.1 van Bijlage I. In dat geval moet de FI een self certification-formulier uitreiken aan de nieuwe rekeninghouder om zijn FATCA-status vast te stellen. De toepassing van de Final Regulations leidt er dan toe dat de FI de bewijsstukken in het kader van de normale procedures voor het openen van een rekening op grond van de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) kan opvragen, en vervolgens pas een self certification-formulier vraagt van de rekeninghouders als een Amerikaans indicium is gevonden die daar aanleiding toe geeft.
### 2.11. Uitleg van het begrip ‘rapportage of inhouding’
### 2.11. Uitleg van het begrip ‘rapportage of inhouding’
Ook moet voldaan worden aan de ‘reason to know test’ (§1.1471-4(c)(4)(i) jo -1.1471-4(c)(2)(ii)(A) jo 1.1471-3 (e)(4)(iv)(A) Final Regulations). Op grond van deze test kan de FI mogelijk niet meer vertrouwen op de juistheid van de bewijsstukken als sprake is van een van de Amerikaanse indicia genoemd in onderdeel II.B.1 van Bijlage I. In dat geval moet de FI een self certification-formulier uitreiken aan de nieuwe rekeninghouder om zijn FATCA-status vast te stellen. De toepassing van de Final Regulations leidt er dan toe dat de FI de bewijsstukken in het kader van de normale procedures voor het openen van een rekening op grond van de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) kan opvragen, en vervolgens pas een self certification-formulier vraagt van de rekeninghouders als een Amerikaans indicium is gevonden die daar aanleiding toe geeft.
**(Bijlage I, onderdeel II.A.3 NL IGA).**
### 2.11. Uitleg van het begrip ‘rapportage of inhouding’
Een FI hoeft geen bestaande kapitaal- of lijfrenteverzekering te onderzoeken, identificeren en rapporteren als de FI niet beschikt over de vereiste registratie naar Amerikaans recht om zulke verzekeringen aan te bieden aan inwoners van de VS, en als er ook sprake is van rapportage van of inhouding over zulke verzekeringen van inwoners van Nederland. Bijvoorbeeld, levensverzekeringen die vallen in box 3 en die een FI als zodanig renseigneert aan de Belastingdienst, of levensverzekeringen en vergelijkbare (bancaire) producten waarop inhouding van loonheffing plaatsvindt als deze in een keer worden uitgekeerd of tot periodieke uitkeringen leiden, voldoen aan het rapportage- of inhoudingsvereiste. Het is niet vereist dat het alleen gaat om levensverzekeringen en (bancaire) producten die in het kader van de binnenlandse renseignering in box 1 vallen, om te voldoen aan de uitzondering genoemd in onderdeel II.A.3 van Bijlage I.
**(Bijlage I, onderdeel II.A.3 NL IGA).**
### 2.12. US TIN opvragen bij self certification
Een klant die een nieuwe rekening opent op of na 1 juli 2014 moet een self certification-formulier met daarin een US TIN inleveren bij zijn FI. Voor de voor 1 juli 2014 bestaande rekeningen konden de FI’s bij de rapportage volstaan met een geboortedatum in plaats van een US TIN. Vanaf 1 januari 2020 moet voor deze rekeningen ook de US TIN worden geregistreerd zodat deze kan worden meegeleverd in september 2021 aan de IRS.
Met ingang van 1 januari 2020 moet dus elke US person over een US TIN beschikken en hebben doorgegeven aan de betrokken FI. Indien de US TIN (nog) ontbreekt, kunnen de FI’s bij de aanlevering van de rekeninggegevens op plaats van de US TIN 9xA of 9x0 invullen. Als daarmee een foutbericht gegenereerd wordt door de IRS heeft de FI eventueel 120 dagen om te corrigeren en dus alsnog de US TIN te achterhalen van de klant. Omdat de 2020 FATCA levering plaatsvindt in september 2021 hebben de FI’s feitelijk tot januari 2022 de tijd om de ontbrekende US TIN te achterhalen bij hun klant. Mocht de klant en dus de FI dan nog geen US TIN hebben aangeleverd dan kan de Amerikaanse competente autoriteit (CA) de Nederlandse CA notificeren en consulteren, waarna een 18 maanden periode begint waarin herstel/aanvulling kan plaatsvinden. Een FI heeft dus in ieder geval tot juli 2023 de mogelijkheid om de missende TIN te verkrijgen van de klant. De IRS heeft aangegeven dat de inspanningen die een FI heeft geleverd om de US TIN te verkrijgen als belangrijke factor zullen worden meegewogen in de beoordeling of een FI van de GIIN lijst18De GIIN (global intermediairy identification number) lijst bevat alle geregistreerde en goedgekeurde FI’s. gehaald zal worden.
Zij zullen om in aanmerking te komen voor de kwijtschelding aangifte moeten doen over het jaar van afstand van de Amerikaanse nationaliteit en de 5 jaar voorafgaand hieraan en het te betalen bedrag aan belasting mag niet boven USD 25.000 voor die 6 jaar uitkomen.
Op 6 september 2019 kwam de IRS met een bericht (IR-2019-151) dat beoogde tegemoet te komen aan (een deel van) de zogenoemde ‘accidental Americans’.19https://www.irs.gov/newsroom/irs-announces-new-procedures-to-enable-certain-expatriated-individuals-a-way-to-come-into-compliance-with-their-us-tax-and-filing-obligations Natuurlijke personen die buiten de VS wonen met (ook) de Amerikaanse nationaliteit kunnen onder bepaalde voorwaarden afstand doen van hun Amerikaanse nationaliteit zonder de reguliere US TIN/SSN procedure te doorlopen.20Zie: https://www.irs.gov/individuals/international-taxpayers/relief-procedures-for-certain-former-citizens.
Onder deze procedure kan eerst afstand worden gedaan van de Amerikaanse nationaliteit (door middel van de aanvraag van een Certificate of loss of Nationality (CLN)) zonder dan men beschikt over een TIN en zonder dat aan de Amerikaanse aangifteverplichtingen is voldaan, ongeacht de omvang van het inkomen. De juridische verplichting van belastingaangifte zal echter niet zomaar vervallen. De IRS behoudt zich het recht voor om te controleren of aan de aangifteverplichtingen is voldaan, wat bijvoorbeeld consequenties kan hebben wanneer men naar de VS reist.
Hierbij geldt een extra tegemoetkoming. De IRS kan in bepaalde gevallen besluiten de openstaande belastingschulden (inclusief eventuele rente en boetes) kwijt te schelden. Deze kwijtschelding staat slechts open voor natuurlijke personen die:
### 2.14. Rekening houden met Bijlage II-status in FATCA-partnerstaat (identificatie van rekeninghouders met buitenlandse vrijgestelde status)
Zie ook de brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer van 17 september 2019, blz. 8 -1121https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35300-IX-4.pdf en de beantwoording van Kamervragen van 19 maart 2020.22https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20192020-2158.pdf
**(Bijlage I, onderdeel III.B.1 NL IGA).**
**(Bijlage I, onderdeel IV.D.3 NL IGA).**
### 2.15. Direct Reporting NFFE
Als de rekeninghouder echter in een ander land gevestigd is zonder dat een IGA van toepassing is, en de rekeninghouder als FI vrijgesteld is op grond van de Final Regulations (als ‘Exempt Beneficial Owner’, ‘Registered Deemed-Compliant’, of ’Certified Deemed-Compliant’), dan dient de FI die (vrijgestelde) kwalificatie te hanteren mits de rekeninghouder de daarvoor benodigde bewijsstukken kan overleggen.
**(Bijlage I, onderdeel IV.D.3 NL IGA).**
### 2.15. Direct Reporting NFFE
Volgens de Final Regulations is een Direct Reporting NFFE een ‘Excepted NFFE’ (Zie §1.1472-1(c)(1)(vi) jo §1.1472-1(c)(3) Final Regulations). Een Direct Reporting NFFE krijgt na registratie ook een GIIN. Een in Nederland gevestigde passieve NFFE die ook een Direct Reporting NFFE is, wordt voor de toepassing van de NL IGA niet gekwalificeerd als een actieve NFFE in de zin van onderdeel VI.B.4.i van Bijlage I NL IGA. Voor de toepassing van de IGA moet een FI de voorgeschreven klantidentificatieregels toepassen voor een in Nederland gevestigde passieve NFFE, ook al is die FI een Direct Reporting NFFE. Als de rekeninghouder een niet in Nederland gevestigde passieve NFFE is die ook een Direct Reporting NFFE is, dan hoeft de FI geen gegevens van de personen met zeggenschap te identificeren en te rapporteren. De in het buitenland gevestigde Direct Reporting NFFE rapporteert direct de informatie over dat lichaam aan de IRS.
**(Bijlage I, onderdeel IV.D.4 NL IGA).**
### 2.16. Uitzondering voor “diplomaten”
### 2.17. Vrijgestelde beleggingsentiteit waarvan de aandelen of participaties volledig in handen zijn van vrijgestelde begunstigden
Voor nieuwe rekeninghouders biedt, als uit de indicia blijkt dat zij in de VS zijn geboren, de bepaling in de NL IGA, Annex I, onderdeel B.4.a.3, soelaas. Er is een redelijke verklaring dat er geen Amerikaanse nationaliteit is verkregen bij de geboorte in de VS.
**(Bijlage II, onderdeel I.E NL IGA).**
### 2.17. Vrijgestelde beleggingsentiteit waarvan de aandelen of participaties volledig in handen zijn van vrijgestelde begunstigden
De NL IGA voorziet in een vrijstelling van rapportage als elke directe houder van een aandelenbelang in de beleggingsentiteit een vrijgestelde begunstigde is en elke directe houder van een schuldvordering in de beleggingsentiteit hetzij een instelling is die deposito’s neemt (ter zake van een lening aan de beleggingsentiteit), hetzij een vrijgestelde begunstigde is. Voor de toepassing van deze vrijstelling geldt dat elke houder gevestigd is:
**(Bijlage II, onderdeel I.E NL IGA).**
Ook de verzekeringsproducten die rechtsvoorgangers zijn van de verzekeringsproducten die zijn opgenomen in onderdeel III.A.3 en III.B.2 van Bijlage II van de NL IGA vallen onder deze vrijstelling. Het betreft hier alle producten die aftrekbaar zijn in de opbouwfase en belastbaar zijn in de fase van uitkering waarop de [artikelen 3.124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.124), [3.125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.125) en [3.126a Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a) van toepassing zijn. Zie ook 1.47.
In onderdeel III van Bijlage II van de NL IGA is aangegeven welke categorieën rekeningen en producten geopend in Nederland en beheerd door een FI niet worden behandeld als financiële rekeningen en daarom geen Amerikaanse te rapporteren rekeningen zijn. Voor een toelichting op de verzekeringsproducten wordt verwezen naar de Handleiding gegevensaanlevering van verzekeringsproducten 2017, die ook ziet op de aanlevering in het kader van FATCA en CRS.
**(Onderdeel III van Bijlage II NL IGA).**
### 2.19. Geen keuzerecht NFFE voor rekeninghouder
Ook de verzekeringsproducten die rechtsvoorgangers zijn van de verzekeringsproducten die zijn opgenomen in onderdeel III.A.3 en III.B.2 van Bijlage II van de NL IGA vallen onder deze vrijstelling. Het betreft hier alle producten die aftrekbaar zijn in de opbouwfase en belastbaar zijn in de fase van uitkering waarop de [artikelen 3.124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.124), [3.125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.125) en [3.126a Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a) van toepassing zijn. Zie ook 1.47.
### Artikel II. Ingetrokken regeling[en]
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
### Artikel III. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Artikel IV. Citeertitel
De citeertitel wordt afgekort tot: Leidraad FATCA/CRS.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Sectie VI. Due diligence-bepalingen ten aanzien van nieuwe rekeningen van entiteiten
### Sectie VI. Due diligence-bepalingen ten aanzien van nieuwe rekeningen van entiteiten
Een FI moet bij de opening van een nieuwe rekening van een entiteit een compleet ingevuld self certification-formulier van haar rekeninghouder verkrijgen om vast te stellen wat de status is van de entiteit en haar uiteindelijke belanghebbenden ([artikel 7, eerste lid, UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=7) en Sectie VI.A.1.a CRS en onderdeel V.B.3 van Bijlage I NL IGA).
Een FI moet bij de opening van een nieuwe rekening van een entiteit een compleet ingevuld self certification-formulier van haar rekeninghouder verkrijgen om vast te stellen wat de status is van de entiteit en haar uiteindelijke belanghebbenden ([artikel 7, eerste lid, UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=7) en Sectie VI.A.1.a CRS en onderdeel V.B.3 van Bijlage I NL IGA).
### Sectie VII. Bijzondere due diligence-bepalingen
### Sectie VII. Bijzondere due diligence-bepalingen
Een FI mag zich niet baseren op eigen verklaringen of bewijsstukken als haar bekend is of er aanleiding is om aan te nemen dat deze verklaringen of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn. Het begrip ‘aanleiding om aan te nemen dat’ is een vertaling van het begrip ‘reason to know’. Voor de invulling van dit begrip wordt voor de toepassing van de FATCA aangesloten bij de punten 3 tot en met 9 van paragraaf A van Sectie VII van het CRS-commentaar. Punt 10 van paragraaf A van Sectie VII van dat commentaar is voor de NL IGA niet van toepassing, omdat de VS ook uitgaat van Amerikaans staatsburgerschap. Als er sprake is van een of meer (Amerikaanse) indicatoren vormt dit mogelijk een aanleiding om aan te nemen dat de eerdere verklaringen of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn. Dit zal afhangen van de aard van de indicator en de reparatiemogelijkheden daarvan.
Een FI mag zich niet baseren op eigen verklaringen of bewijsstukken als haar bekend is of er aanleiding is om aan te nemen dat deze verklaringen of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn. Het begrip ‘aanleiding om aan te nemen dat’ is een vertaling van het begrip ‘reason to know’. Voor de invulling van dit begrip wordt voor de toepassing van de FATCA aangesloten bij de punten 3 tot en met 9 van paragraaf A van Sectie VII van het CRS-commentaar. Punt 10 van paragraaf A van Sectie VII van dat commentaar is voor de NL IGA niet van toepassing, omdat de VS ook uitgaat van Amerikaans staatsburgerschap. Als er sprake is van een of meer (Amerikaanse) indicatoren vormt dit mogelijk een aanleiding om aan te nemen dat de eerdere verklaringen of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn. Dit zal afhangen van de aard van de indicator en de reparatiemogelijkheden daarvan.
### 1.27. Toepassing aggregatieregels
In Sectie VII.C. van de CRS en onderdeel VI.C van Bijlage I van de NL IGA staan de voorschriften voor de aggregatie van saldi. Wat de NL IGA betreft: het kan voorkomen dat een rekeninghouder/ natuurlijk persoon bij een FI verschillende bedragen heeft uitstaan op verschillende soorten rekeningen, zoals een spaar- en een bewaarrekening, maar met een en hetzelfde rekeningnummer. In dat geval moet de FI alle bedragen optellen, omdat onderdeel VI.C.1 van Bijlage I van de NL IGA geen onderscheid maakt naar het type financiële rekening. Als op hetzelfde rekeningnummer een spaarsaldo van USD 30.000 staat en tevens een beleggingssaldo van USD 40.000, dan moet de FI beide rekeningen rapporteren, omdat het totaal van de saldi hoger is dan USD 50.000.
### 1.28. Wisselkoers per 31 december van een jaar
Een FI kan voor de gehanteerde Amerikaanse dollarbedragen een equivalent bedrag nemen in een andere koers zoals bepaald volgens het nationale recht van een land (Sectie VII.C.4 CRS). Voor Nederland betekent dit dat de FI’s bedragen mogen rapporteren in de valuta waarin de rekening gehouden wordt. De Belastingdienst rekent deze vervolgens om naar het Euro-equivalent. De Belastingdienst gebruikt hiervoor de op de website van de Nederlandsche Bank gepubliceerde koers op 31 december van elk jaar, zijnde T2.1 Jaar (Ultimo) (XLS). Deze koers moet jaarlijks ook gebruikt worden voor de omrekening van de in het [UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469) gebruikte USD-bedragen.
### Sectie VIII. Definities
### Sectie VIII. Definities
Een FI valt onder de jurisdictie waar zij fiscaal gevestigd is (CRS-commentaar bij Sectie VIII.A 2). De nationale wet van een jurisdictie bepaalt wanneer sprake is van fiscaal inwonerschap. De Belastingdienst beoordeelt op grond van de criteria van [artikel 4 AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=4) of een FI inwoner is van Nederland en daarmee onder het toepassingsbereik van de CRS valt. Voor de NL IGA is dit ter verduidelijking in het Memorandum of Understanding (MoU) opgenomen.
Een FI valt onder de jurisdictie waar zij fiscaal gevestigd is (CRS-commentaar bij Sectie VIII.A 2). De nationale wet van een jurisdictie bepaalt wanneer sprake is van fiscaal inwonerschap. De Belastingdienst beoordeelt op grond van de criteria van [artikel 4 AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=4) of een FI inwoner is van Nederland en daarmee onder het toepassingsbereik van de CRS valt. Voor de NL IGA is dit ter verduidelijking in het Memorandum of Understanding (MoU) opgenomen.
### 1.30. Verzekeringsmaatschappij
Voor de nadere invulling van het begrip ‘verzekeringsmaatschappij’ wordt verwezen naar het CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punten 26 tot en met 29. Dit commentaar geldt, naast de Final Regulations (§1.1471-1 (b)(65) en §1.1471- 5(e)(1)(iv)), ook voor de toepassing van de FATCA.
### 1.31. Internationale organisatie
Een internationale organisatie kan een NFE of een FI zijn. Als het een NFE is dan is het op grond van Sectie VIII, D.9.c CRS en Bijlage I.VI.B.4.d NL IGA een Actieve NF(F)E. Voor zover internationale organisaties voldoen aan de definitie van FI zijn zij niet-rapporterende FI’s (Sectie VIII, B.1.a, B.3 CRS, en in Bijlage II.I.C NL IGA). Internationale organisaties zijn de internationale instellingen waaraan Nederland vrijstelling van belasting verleent ([artikel 39 AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=39)). De lijst met instellingen die Nederland aanmerkt als een dergelijke internationale organisatie is opgenomen in [artikel 20 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=20).
### 1.32. Uitleg van het begrip ‘passief inkomen’: definitie uit CRS-commentaar
Het begrip ‘passief inkomen’ wordt gehanteerd voor de toepassing van de inkomenstest of een entiteit een actieve NFE is (onderdeel VI.B.4.a van Bijlage 1 NL IGA). In de Final Regulations (zie §1.1472-1(c)(1)(iv)(A)) staat een definitie van ‘passief inkomen’. Deze definitie kan echter niet op grond van artikel 4, zevende lid, NL IGA worden toegepast in de Nederlandse situatie omdat de NL IGA het begrip “passief inkomen” niet bevat.
### 1.33. Uitleg van het begrip ‘een wezenlijk deel van de activiteiten’
Er geldt een aantal criteria waaraan een (NL IGA: niet-Amerikaanse) entiteit die geen FI is, moet voldoen om als actieve NFE te worden aangemerkt (sectie VIII.D.9.d CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII.D.9.d, punt 130, en onderdeel VI.B.4 van Bijlage I NL IGA). Een van de criteria is dat een wezenlijk deel van de activiteiten van de NFE bestaat uit het geheel of gedeeltelijk aanhouden van de geplaatste aandelen in, of het verstrekken van financiering of diensten aan (...). In dit verband betekent een ‘wezenlijk deel van de activiteiten’ dat 80% of meer van de activiteiten van de NFE moet bestaan uit de onder letter d van Sectie VIII.D.9 CRS en onder letter e van onderdeel VI.B.4 van Bijlage I NL IGA omschreven activiteiten van de NFE. Als de holdingactiviteiten en/of het verschaffen van financiering of diensten van de NFE aan (klein)dochterondernemingen minder dan 80% inhouden, maar de NFE wel actief inkomen verkrijgt uit andere bron(nen), dan kan de NFE toch gekwalificeerd worden als actieve NFE. De totale activiteiten moeten dan voldoen aan de ‘wezenlijk deel’-toets. Om te bepalen of andere activiteiten dan holding- of financieringsactiviteiten de NFE kunnen aanmerken als actief, moet de NFE de toets genoemd in Sectie VIII.D.9.a (wat de CRS betreft) of in onderdeel VI.B.4.a van Bijlage I NL IGA toepassen. Een NFE kan bijvoorbeeld holdingactiviteiten verrichten en/of financiering en diensten verstrekken voor 60% en tegelijkertijd voor 40% functioneren als een groepsdistributiecentrum en de inkomsten daaruit actief zijn. Er is dan sprake van een actieve NFE ook al bestaat minder dan 80% van de activiteiten uit holdingactiviteiten en/of het verstrekken van financiering en diensten aan een of meer (klein)dochtermaatschappijen (sectie VIII.D.9.a CRS en onderdeel VI.B.4.a van Bijlage I NL IGA).
### 1.34. Dochtermaatschappij van actieve N(F)FE
Er is onder meer sprake van een actieve N(F)FE, als een substantieel deel van de activiteiten van de NFE bestaat uit het **geheel of gedeeltelijk** aanhouden van de geplaatste aandelen van, of het verschaffen van financiering en diensten aan, een of meer dochterondernemingen die betrokken zijn bij handels- of bedrijfsactiviteiten anders dan die van een financiële instelling. Er is voor een entiteit sprake van een dochtermaatschappij wanneer de entiteit, direct of indirect, alle of een deel van de uitstaande aandelen van de dochter aanhoudt **(Bijlage I, onderdeel VI.B.4(e) NL IGA en Richtlijn 2011/16/EU, Bijlage I, Sectie VIII, onderdeel D.8(d))**.
### 1.35. Treasury center binnen een (niet-) financiële groep
Een Treasury center in een niet-financiële groep is zowel voor de NL IGA als de CRS een actieve NFE.
### 1.36. Activiteitentoets voor een beleggingsentiteit
Het staat een FI vrij om in plaats van de definitie in artikel 1.j NL IGA te kiezen voor de definitie van ‘investment entity’ uit de Final Regulations (artikel 4, zevende lid, NL IGA en [artikel 2a, derde lid, UB WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030973&artikel=2a)). Als een FI dat doet, kiest zij voor integrale toepassing van de definitie van ‘investment entity’ zoals omschreven in §1.1471-5(e)(4) Final Regulations. Conform §1.1471-5(e)(4)(i)(B) van de definitie is de FI eerder dan op grond van de definitie in de NL IGA een beleggingsentiteit als haar activiteiten beheerd worden door een andere beleggingsentiteit, een instelling die deposito’s neemt, een bewaarinstelling zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, NL IGA, of een verzekeringsmaatschappij of holdingmaatschappij zoals omschreven in §1.1471-5(e)(1)(iv) Final Regulations. De beheerde beleggingsentiteit moet dan wel voldoen aan de inkomenstoets van §1.1471-5(e)(4)(iv)(A) Final Regulations.
### 1.37. Activiteitentoets voor een instelling die deposito’s neemt
Onder de uitdrukking ‘een instelling die deposito’s neemt’ wordt in de NL IGA verstaan een entiteit die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf. De beoordeling of sprake is van een instelling die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf wordt gedaan aan de hand van de daadwerkelijke activiteiten van die instelling en niet aan de hand van haar statuten.
### 1.38. Aandeelhouders uit één familie
Entiteiten, anders dan een trust, waarvan de activa bestaan uit kasgeld of beleggingen – of een holdingmaatschappij daarvan -, zijn een beleggingsentiteit in de zin van Sectie VIII.A.6 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA.
### 1.39. Beleggingsinstellingen
Hieronder vallen onder andere bepaalde holdingvennootschappen met meer dan één aandeelhouder en familiefondsen. Entiteiten die aan te merken zijn als een beleggingsentiteit dienen zelf gegevens aan te leveren.
### 1.39. Beleggingsinstellingen
Onder beleggingsinstellingen vallen:
### 1.41. ‘Qualified credit card issuers’
Een rapporterende FI hoeft een creditcardrekening of een doorlopend-kredietfaciliteit die wordt behandeld als een nieuwe rekening van een entiteit, niet te controleren, identificeren of te rapporteren. Voorwaarde daarbij is dat de rapporterende FI die een dergelijke rekening beheert, beleid en procedures implementeert om te voorkomen dat het saldo verschuldigd aan de rekeninghouder hoger wordt dan USD 50.000 (Sectie VIII.B.8.b CRS en onderdeel V.A van Bijlage I NL IGA.)
### 1.42. Swapovereenkomst en securities lending-overeenkomst (geen ‘debt interest’ in beleggingsentiteit)
De Final Regulations en het CRS-commentaar bevatten twee cumulatieve vereisten voor het zijn van een Qualified Credit Card Issuer (§1.1471-5(f)(1)(i)(E) en het CRS-commentaar op Sectie VIII.C(17), punt 95). Het moet ten eerste gaan om een FI die uitsluitend als zodanig wordt aangemerkt omdat ze creditcards (diensten) aanbiedt, en die alleen deposito’s accepteert als de klant een betaling verricht hoger dan het verschuldigde rekeningsaldo en dit surplus niet onmiddellijk terugstort aan de rekeninghouder.
### 1.43. Onderpandrekening
Een bewaarrekening is een rekening die gehouden wordt ten gunste van een derde die een financieel instrument of een overeenkomst inzake rechten van deelneming houdt, bijvoorbeeld aandelen of belangen in een onderneming, waardepapieren, obligaties of andere schuldbewijzen (Sectie VIII.C.3 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel u, NL IGA). Deze definitie van bewaarrekening ziet op alle rekeningen die ten gunste van derden worden gehouden, ook op het houden van onderpand (‘collateral account’) voor een ander, tenzij het gaat om geld als onderpand. Onderpand in de vorm van geld vormt namelijk een depositorekening (Sectie VIII.C.2 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel t, NL IGA). De exacte voorwaarden van de overeenkomst zijn bepalend voor de vraag of sprake is van onderpand of niet. Als de FI als uitlenende partij bij een securities lending-transactie zelf de juridische eigendom van het onderpand heeft verkregen, dan vormt het verkregen collateral account geen bewaarrekening bij de FI zelf. Door de verkrijging van de juridische eigendom is immers geen sprake van het houden ten gunste van een derde. Dit geldt ook voor vergelijkbaar cash collateral account verkregen in het kader van bijvoorbeeld een GMSLA, een ISDA-swapovereenkomst, een CSA, een clearingovereenkomst in verband met de clearing van derivaten of een futures-overeenkomst.
### 1.44. Bestaande rekeninghouder met nieuwe rekening
Een nieuwe rekening die geopend wordt door een bestaande rekeninghouder, kan voor de CRS nog steeds aangemerkt worden als een bestaande rekening, mits:
### 1.45. Bestaande rekeningen verzekeringsproducten
**(CRS-commentaar op Sectie VIII.C., punt 82 en FAQ 14 bij Secties II-VII)**
### 1.46. Uitzonderingen op het begrip ‘financiële rekening’ (‘Financial Account’; Excluded Account’)
Voor de CRS zijn de categorieën ‘uitgezonderde rekeningen’ (rekeningen die geen financiële rekening zijn en daarom zijn uitgezonderd van rapportage) geregeld in Sectie VIII.C.17 CRS en het daarbij behorende commentaar. Om te kunnen bepalen of een rekening voldoet aan de eisen van een categorie ‘uitgezonderde rekening’, mag de FI vertrouwen op de informatie waarover zij beschikt of die publiekelijk beschikbaar is.
### 1.47. Overleden rekeninghouder
In de NL IGA is het begrip ‘financiële rekening’ (‘Financial Account’) gedefinieerd (artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA). De definitie van het begrip ‘Financial Account’ in de Final Regulations bevat echter een aantal uitzonderingen dat niet is opgenomen in de gebruikte definitie in de NL IGA (zie §1.1471-5(b) en §1.1471-5(b)(2) Final Regulations). FI’s mogen in aanvulling op de in de NL IGA gebruikte definitie van het begrip ‘financiële rekening’ en in aanvulling op de in Bijlage II, onderdeel III, van de NL IGA opgenomen uitgezonderde producten, een beroep doen op de uitzonderingen die onderdeel zijn van het begrip ‘Financial Account’ uit de Final Regulations. De FI’s moeten dan wel hebben voldaan aan de daarin genoemde vereisten. Een integrale keuze voor de definitie uit de Final Regulations is in dit specifieke geval niet nodig. Dit betekent dat een FI geen onderzoek, identificatie en rapportage hoeft te verrichten ten aanzien van deze producten. Het gaat dan onder andere om:
### 1.47. Overleden rekeninghouder
Als een rekeninghouder overlijdt, hoeft de FI de rekening of de verzekeringsovereenkomst niet als te rapporteren te kwalificeren in het jaar van overlijden, als de rekening of de verzekeringsovereenkomst behoort tot een nog niet afgewikkelde nalatenschap. Dat hoeft ook niet in de daaropvolgende jaren als de nalatenschap nog niet is afgewikkeld. Vereist is wel dat de FI beschikt over een kopie van de akte van overlijden, een kopie van het testament of een verklaring van erfrecht. Het moment van overlijden wordt gelijkgesteld met het moment waarop de FI voor het eerst bekend wordt met het overlijden van de rekeninghouder.
### 1.48. Overleden UBO
Een UBO in het kader van FATCA en CRS is een natuurlijk persoon die het uiteindelijk belang heeft in een vennootschap of andere juridische entiteit. Als die persoon is overleden dan gaat het door die persoon gehouden belang over op een ander, doorgaans de erfgenamen. Een overleden persoon kan geen stemrecht hebben, aandelen houden of het feitelijk voor het zeggen hebben. Dat betekent dat een overleden UBO niet behoeft te worden gerapporteerd. Het overlijden van een UBO kan gezien worden als een wijziging van omstandigheden. [Artikel 6, derde lid, eerste alinea, UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=6), luidt:
### 1.50. Regelmatig verhandeld
In het CRS-commentaar en in de NL IGA is het begrip ‘regelmatig verhandeld’ gedefinieerd (CRS-commentaar op Sectie VIII.D, punt 112 en in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, slotalinea, NL IGA). Hiervan is sprake indien er voortdurend een betekenisvol volume van aandelen wordt verhandeld op een erkende effectenbeurs.
### 1.50. Regelmatig verhandeld
In de Final Regulations is aangegeven dat van regelmatig verhandelde aandelen in een kalenderjaar sprake is indien:
### 1.52. Holding bestuurd door een trustkantoor
Voor CRS kan een STAK onder omstandigheden een investment entity zijn de zin van Sectie VIII.A.6.a.iii van de CRS als de stichting financiële activa administreert ten behoeve van de certificaathouders. Daarvoor is dan wel vereist dat de stichting inkomen krijgt en het stemrecht uitoefent ten behoeve van de certificaathouders.
### 1.53. Nadere uitleg van het begrip ‘gelieerde entiteit’
Voor de CRS is sprake van een gelieerde entiteit als een van de entiteiten de andere beheerst of als beide entiteiten onder een gemeenschappelijke zeggenschap vallen. Onder zeggenschap verstaat de CRS mede de directe of indirecte eigendom van meer dan 50% van het stemrecht **en** het vermogen/belang (‘value’) in een entiteit. (Zie het CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf E, punt 145.) Dit komt overeen met de Final Regulations voor de FATCA (zie §1.1471-5 (i)(4)(i)).
### 1.53. Nadere uitleg van het begrip ‘gelieerde entiteit’
Voor de CRS is sprake van een gelieerde entiteit als een van de entiteiten de andere beheerst of als beide entiteiten onder een gemeenschappelijke zeggenschap vallen. Onder zeggenschap verstaat de CRS mede de directe of indirecte eigendom van meer dan 50% van het stemrecht **en** het vermogen/belang (‘value’) in een entiteit. (Zie het CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf E, punt 145.) Dit komt overeen met de Final Regulations voor de FATCA (zie §1.1471-5 (i)(4)(i)).
### 1.55. ‘Securities Lending’
De leenvergoeding en de dividend vervangende betaling zijn aan te merken als ‘overige inkomsten gegenereerd met betrekking tot de activa/het vermogen op de rekening’ ([artikel 10c, eerste lid, letter a, onder 1°, WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10c) en artikel 2, 5.A. NL IGA). FI’s moeten dit in het kader van FATCA en CRS rapporteren.
### 1.56. De insolvente rekeninghouder (natuurlijk persoon)
**(Sectie VIII.E.6 CRS en onderdeel VI.D.2 van Bijlage 1 NL IGA)**
### 1.57. Buitenlands telefoonnummer
Voor de identificatie van een in het kader van de CRS te rapporteren rekening hoeft een buitenlands telefoonnummer binnen de EU niet te gelden als indicium, mits alle overige indicia naar één EU-lidstaat wijzen.
### 1.58. Minderjarige rekeninghouder
**(Zie CRS-commentaar op Sectie VIII.E, nr. 139).**
### 1.59. Redelijke inspanning voor het verkrijgen van een TIN in kader CRS
Bij het ondertekenen van het self certification-formulier bevestigt de klant dat hij de gegevens naar waarheid heeft ingevuld en eventuele wijzingen binnen 30 dagen zal doorgeven. Er zijn situaties dat er in een self certification-formulier wordt aangeven dat de klant fiscaal inwoner is van een land maar geen TIN heeft, terwijl het land van fiscaal inwonerschap wel TIN’s uitgeeft.
### Hoofdstuk 2. Uitsluitend FATCA-specifieke onderwerpen
Op de site van de OESO is informatie te vinden over landen die TIN’s verstrekken.13Informatie op 24 mei 2019: http://www.oecd.org/tax/automatic-exchange/crs-implementation-and-assistance/tax-identification-numbers/ Uit die informatie blijkt dat er per land verschillende TIN-formaten naast elkaar kunnen bestaan.
### 2.1. Kwalificatie holding en treasury center als (lead) FI in plaats van NFFE
In de Final Regulations wordt een entiteit die een holdingmaatschappij of een treasury center is, aangemerkt als een FI, mits deze deel uitmaakt van dezelfde uitgebreide groep van verbonden ondernemingen (‘Expanded Affiliated Group’) waartoe ten minste één FI behoort, of gevormd wordt dan wel gebruikt wordt door bepaalde beleggingsvehikels (§1.1471-5(e)(1)(v) Final Regulations). Voor de toepassing van de NL IGA kwalificeert een dergelijke holdingmaatschappij of een dergelijk treasury center zich echter in beginsel als een actieve NFFE als aan de daar genoemde vereisten is voldaan (onderdelen VI.B.4.e en h van Bijlage I NL IGA). Als dat niet het geval is, kwalificeert een dergelijke holdingmaatschappij of een dergelijk treasury center als een passieve NFFE.
### 2.3. Geldigheidsduur van de (W8- en W9-, self certification-)formulieren
Voor de toepassing van de NL IGA-identificatie van een bestaande klant of een persoon die klant wil worden, zijn het voor de Nederlandse markt ontwikkelde self certification-formulier en de Amerikaanse W8- en W9-formulieren voor onbepaalde tijd geldig. Hierbij geldt als voorwaarde, dat deze formulieren een US TIN bevatten als dit op basis van de kwalificatie van de rekeninghouder vereist is. Volgens de algemene regel zijn het self certification-formulier en het W8- en W9-formulier geldig totdat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die invloed heeft, of kan hebben, op de FATCA-status die uit het self certification-formulier of het W8- of W9-formulier van de rekeninghouder blijkt. Daarnaast gelden de volgende regels:
### 2.4. Basisbetaalrekening
De geldigheid van de W8- en W9-formulieren en de self certification-formulieren zonder het US TIN is beëindigd met ingang van 1 januari 2020. Een klant zal er zelf voor moeten zorgen dat de FI een (nieuw) self certification-formulier aan hem uitreikt. De klant moet dit formulier compleet invullen. Als de FI niet in staat is een geldige verklaring van de rekeninghouder te verkrijgen, moet zij de rekening behandelen als een Amerikaanse te rapporteren rekening. Dat betekent dus rapportage van de rekening zonder US TIN. Als de FI geen volledig ingevuld self certification-formulier verkrijgt, kan de FI er ook voor kiezen om geen nieuwe rekening te openen voor de klant, totdat een volledig ingevuld self certification-formulier ontvangen wordt, dan wel de nieuwe rekening te beperken tot een basisbetaalrekening. Zie hierna onder 2.4 de verplichtingen omtrent het aanbieden van een basisbetaalrekening.
### 2.5. Invulling van het begrip ‘betalingen’
Van belang in de rapportage is dat US persons de mogelijkheid hebben, zoals hierna beschreven onder 2.11a, om zonder dat men beschikt over een US TIN afstand te doen van de Amerikaanse nationaliteit. Indien deze procedure is ingezet, zal de klant de FI hiervan op de hoogte dienen te brengen. De FI dient dit gegeven vast te leggen in haar administratie. Het missen van een US TIN is in dit geval namelijk gerechtvaardigd.
### 2.6. (Geen) registratieplicht voor niet-rapporterende financiële instellingen
De NL IGA bepaalt dat FI’s zich moeten registreren bij de ‘IRS registration portal’. Deze verplichting geldt niet voor niet-rapporterende FI’s die van rapportage zijn uitgezonderd (artikel 1, eerste lid, onderdeel q, NL IGA), tenzij:
### 2.6. (Geen) registratieplicht voor niet-rapporterende financiële instellingen
De NL IGA bepaalt dat FI’s zich moeten registreren bij de ‘IRS registration portal’. Deze verplichting geldt niet voor niet-rapporterende FI’s die van rapportage zijn uitgezonderd (artikel 1, eerste lid, onderdeel q, NL IGA), tenzij:
### 2.8. Verplichtingen van FI’s die geen Primary Withholding Qualified Intermediary zijn
Als een FI een betaling doet of optreedt als tussenpersoon voor uit de VS afkomstige en aan inhouding onderworpen betalingen aan een niet-participerende FI, moet deze FI de benodigde informatie verstrekken aan de rechtstreekse betaler van deze betaling (‘withholding agent’). Deze withholding agent kan dan op grond van die informatie de bronbelasting inhouden en rapporteren over de betaling aan de niet-participerende FI. De vraag rees wat deze bepaling in samenhang met artikel 5, derde lid, NL IGA betekent voor een CSD. Ook werd gevraagd hoe de inhouding van bronbelasting zou moeten lopen als betalingen worden gedaan aan een FI die niet optreedt als Primary Withholding QI.
### Annex I
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel e, NL IGA).**
### Onderdeel I. Algemeen
FI’s kunnen ervoor kiezen om bij de identificatie van rekeningen op grond van [artikel 2a, vijfde lid, UB WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030973&artikel=2a) de Final Regulations toe te passen. Als de FI die keuze maakt voor het identificeren van nieuwe rekeningen van individuele personen en/of entiteiten, betekent dit dat de FI eerst bewijsstukken opvraagt waaruit het vaste adres van de rekeninghouder/natuurlijk persoon blijkt of het land waarvan de rekeninghouder/natuurlijk persoon inwoner of burger is, dan wel waarin de rekeninghouder/entiteit gevestigd is of naar het recht van welk land de rekeninghouder/entiteit is opgericht.
### 2.10. Gunstigere identificatieprocedures uit de Final Regulations
**(§1.1471-4(c)(4)(i) jo–1.1471-3(c)(5)(i) jo 1.1471-3(c)(6)(ii) en -(ii)(C) Final Regulations).**
### Onderdeel II. Bestaande rekeningen van natuurlijke personen
Een klant die een nieuwe rekening opent op of na 1 juli 2014 moet een self certification-formulier met daarin een US TIN inleveren bij zijn FI. Voor de voor 1 juli 2014 bestaande rekeningen konden de FI’s bij de rapportage volstaan met een geboortedatum in plaats van een US TIN. Vanaf 1 januari 2020 moet voor deze rekeningen ook de US TIN worden geregistreerd zodat deze kan worden meegeleverd in september 2021 aan de IRS.
### 2.13. Versoepeling afstand doen van Amerikaanse nationaliteit
Op 6 september 2019 kwam de IRS met een bericht (IR-2019-151) dat beoogde tegemoet te komen aan (een deel van) de zogenoemde ‘accidental Americans’.19https://www.irs.gov/newsroom/irs-announces-new-procedures-to-enable-certain-expatriated-individuals-a-way-to-come-into-compliance-with-their-us-tax-and-filing-obligations Natuurlijke personen die buiten de VS wonen met (ook) de Amerikaanse nationaliteit kunnen onder bepaalde voorwaarden afstand doen van hun Amerikaanse nationaliteit zonder de reguliere US TIN/SSN procedure te doorlopen.20Zie: https://www.irs.gov/individuals/international-taxpayers/relief-procedures-for-certain-former-citizens.
### 2.14. Rekening houden met Bijlage II-status in FATCA-partnerstaat (identificatie van rekeninghouders met buitenlandse vrijgestelde status)
Zij zullen om in aanmerking te komen voor de kwijtschelding aangifte moeten doen over het jaar van afstand van de Amerikaanse nationaliteit en de 5 jaar voorafgaand hieraan en het te betalen bedrag aan belasting mag niet boven USD 25.000 voor die 6 jaar uitkomen.
### 2.14. Rekening houden met Bijlage II-status in FATCA-partnerstaat (identificatie van rekeninghouders met buitenlandse vrijgestelde status)
Elke FI moet onderzoeken wat de FATCA-status is van een bestaande rekeninghouder die een entiteit is. Als een dergelijke rekeninghouder een FI is die onder het toepassingsbereik van een IGA van een andere FATCA-partnerjurisdictie valt (vanwege de vestigingsplaats, het recht van oprichting of het adres), dan kan de FI deze rekeninghouder als een FATCA-partner-FI identificeren. Als de desbetreffende FATCA-partner-FI vrijgesteld is op grond van Bijlage II van die IGA, dan volgt de FI die kwalificatie.
### 2.16. Uitzondering voor “diplomaten”
In de VS gestationeerde diplomaten zijn volgens de Amerikaanse regels niet **“...subject to the jurisdiction thereof**” omdat zij in dienst zijn van een buitenlandse mogendheid en immuniteit genieten. Kinderen die in de VS geboren zijn verkrijgen dan ook niet de Amerikaanse nationaliteit als de ouder ten tijde van de geboorte namens een buitenlandse mogendheid met een diplomatieke status gestationeerd is in de VS.
### Annex II
In de VS gestationeerde diplomaten zijn volgens de Amerikaanse regels niet **“...subject to the jurisdiction thereof**” omdat zij in dienst zijn van een buitenlandse mogendheid en immuniteit genieten. Kinderen die in de VS geboren zijn verkrijgen dan ook niet de Amerikaanse nationaliteit als de ouder ten tijde van de geboorte namens een buitenlandse mogendheid met een diplomatieke status gestationeerd is in de VS.
### Annex II
In onderdeel III van Bijlage II van de NL IGA is aangegeven welke categorieën rekeningen en producten geopend in Nederland en beheerd door een FI niet worden behandeld als financiële rekeningen en daarom geen Amerikaanse te rapporteren rekeningen zijn. Voor een toelichting op de verzekeringsproducten wordt verwezen naar de Handleiding gegevensaanlevering van verzekeringsproducten 2017, die ook ziet op de aanlevering in het kader van FATCA en CRS.
### 2.19. Geen keuzerecht NFFE voor rekeninghouder
In onderdeel III.B van Bijlage II van de NL IGA staat een aantal vervallen artikelen. Ten aanzien van de rekeningen en producten in deze artikelen is in de memorie van toelichting bij de NL IGA opgenomen dat deze producten door overgangsrecht als zodanig blijven bestaan, waardoor uitsluiting van rapportage aan de VS in Bijlage II nodig blijft.
### Artikel II. Ingetrokken regeling[en]
**(Bijlage II, onderdeel III.B NL IGA).**
### 2.19. Geen keuzerecht NFFE voor rekeninghouder
Om te bepalen of een entiteit voor FATCA een NFFE is, mag een FI in plaats van de definitie in de NL IGA ook de definitie hanteren zoals opgenomen in de Amerikaanse uitvoeringsvoorschriften (De ‘Final Regs’). Een FI heeft hierin dus een keuze. De FATCA is gericht op verplichtingen die worden opgelegd aan een FI. De FI is degene die moet rapporteren. Daarom hebben rekeninghouders dit keuzerecht niet.
### Artikel II. Ingetrokken regeling[en]
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
Het enkel ontbreken van een US TIN in het self certification-formulier is geen reden om te weigeren een nieuwe rekening te openen of om een rekening te sluiten. Alle omstandigheden van het geval dienen in overweging te worden genomen. Van belang kan onder andere zijn dat een US person in de procedure zit om afstand te doen van de Amerikaanse nationaliteit, wat ook zonder dat men beschikt over een US TIN mogelijk is, of dat een US person nog in de procedure zit om een US TIN te verkrijgen.
### 1.20. Vereisten self certification-formulier en verificatie fiscale woonstaat
Asielzoekers met een zogenoemd W-document, die nog in afwachting zijn van een uitspraak over het verkrijgen van een verblijfsvergunning), hebben Nederland als fiscale woonstaat. Dit geldt ook voor vergunninghouders die nog in COA-opvanglocaties verblijven.
### 1.21. Gedeeld rekeningsysteem
Een FI mag vertrouwen op documentatie die een rekeninghouder heeft overgelegd bij een ander filiaal van dezelfde FI of bij een filiaal van een gelieerde entiteit binnen de groep als:
### Sectie V. Due diligence-bepalingen ten aanzien van bestaande rekeningen van entiteiten
### 1.22. Gebruik van SBI-codes
Voor de bepaling of een rekeninghouder een actieve of passieve NFE is moet een FI zich baseren op de self certification van de rekeninghouder om diens status vast te stellen, tenzij de FI informatie in haar bezit heeft of er publiek beschikbare informatie is op basis waarvan zij kan vaststellen dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een FI anders dan een beleggingsinstelling beschreven in sectie VIII, onderdeel A, punt 6, onder b, die geen FI is in een deelnemend rechtsgebied. Volgens het CRS-commentaar kan voor de publiek beschikbare informatie geput worden uit het gestandaardiseerde industriecodesysteem. Voorbeelden die worden genoemd zijn de International Standard Industrial Classification (ISIC) van de Verenigde Naties, de statistische classificatie van de economische activiteiten in de Europese Unie (NACE), en het Noord-Amerikaanse Industry Classification System (NAICS). Hieronder kan zowel voor de NL IGA als voor de CRS worden verstaan de zogenaamde ‘StandaardBedrijfsIndeling’ (SBI) codes + aanvullende code. De SBI mag alleen gebruikt worden als er reeds geclassificeerd was in het kader van AML/KYC en er geen reden is hieraan te twijfelen. (Zie het CRS-commentaar op Sectie V, paragraaf D, punt 12 en Sectie VIII, paragraaf E(6), punt 154.)
**(Sectie V.D.2.a en VI.2.a van de CRS en onderdeel IV.D.4.b van Bijlage 1 NL IGA)**
### 1.23. Identificatie passieve of actieve NFE (‘presumption rule’)
Voor de identificatie van een rekeninghouder kan de FI – behalve op grond van de bij de FI zelf beschikbare informatie – ook op grond van publiekelijk beschikbare informatie vaststellen of sprake is van een FI of van een actieve NFE. Als dit op grond van de beschikbare informatie niet is vast te stellen, moet de FI aan de rekeninghouder een self certification-formulier toezenden. Als de rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek zijn self certification-formulier niet terugstuurt aan de FI, dan wordt de rekeninghouder geacht een passieve NFE te zijn. De FI moet dan de rekeninghouder als zodanig kwalificeren en de uiteindelijk belanghebbende(n) (UBO/‘Controlling Persons’) identificeren aan de hand van onderdeel IV.D.4.c.1 van Bijlage I NL IGA en de vereiste gegevens rapporteren als een uiteindelijk belanghebbende (UBO) een Amerikaanse persoon is. Hetzelfde geldt voor de CRS (op grond van [artikel 6, eerste en vierde lid, UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=6) en het CRS-commentaar op Sectie V.D(2), punten 20 en 24). Dat wil zeggen dat de FI de uiteindelijk belanghebbende(n) moet identificeren aan de hand van Sectie III.B.2 van de CRS. Voor de CRS is het mogelijk dat er indicatoren zijn naar meer dan één land. Als een rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek geen self certification-formulier indient, rapporteert de FI de rekeninghouder en/of zijn uiteindelijk belanghebbenden naar de landen ten aanzien waarvan er indicatoren zijn.
**(Sectie V.D.2.a CRS en onderdeel IV.D.3.a, 4.b en c.1 NL IGA.)**
### 1.24. Kwalificatie van non-profit organisatie (NPO)
Een Non Profit Organisatie (NPO) die voldoet aan alle voorwaarden van de definitie in Sectie VIII.D.9.h van de CRS en wier vermogen wordt beheerd door een FI, is niet een actieve NFE maar een ‘professionally managed investment entity’.
Een Professionally Managed Investment Entity die niet aan deze voorwaarden voldoet is geen actieve NFE in de zin van Sectie VIII.D.9.h. CRS.
**(Zie Sectie VIII.D.9.h CRS)**
### Sectie VI. Due diligence-bepalingen ten aanzien van nieuwe rekeningen van entiteiten
### 1.25. Gevolgen als een FI geen ingevuld self certification-formulier ontvangt
In een beperkt aantal gevallen is het als gevolg van de specifieke kenmerken van een bedrijfssector niet mogelijk een self certification-formulier te verkrijgen bij de opening van een rekening. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij overdracht van een verzekeringscontract of het verwerven van aandelen in een investeringsfonds op de secundaire markt. In dat geval moet het self certification-formulier zo snel mogelijk worden verkregen en gevalideerd en in ieder geval binnen een periode van 90 dagen. Indien geen geldig self certification-formulier is ontvangen, dient de rekening uiterlijk na 90 dagen te worden gesloten of onbruikbaar te worden gemaakt.
**(Sectie VI.A.1.a CRS, FAQ22 van sectie II-VII en onderdeel V.B.3 van Bijlage 1 NL IGA.)**
In een beperkt aantal gevallen is het als gevolg van de specifieke kenmerken van een bedrijfssector niet mogelijk een self certification-formulier te verkrijgen bij de opening van een rekening. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij overdracht van een verzekeringscontract of het verwerven van aandelen in een investeringsfonds op de secundaire markt. In dat geval moet het self certification-formulier zo snel mogelijk worden verkregen en gevalideerd en in ieder geval binnen een periode van 90 dagen. Indien geen geldig self certification-formulier is ontvangen, dient de rekening uiterlijk na 90 dagen te worden gesloten of onbruikbaar te worden gemaakt.
**(Sectie VI.A.1.a CRS, FAQ22 van sectie II-VII en onderdeel V.B.3 van Bijlage 1 NL IGA.)**
### Sectie VII. Bijzondere due diligence-bepalingen
### 1.26. Uitleg van het begrip ‘aanleiding om aan te nemen dat’
Een FI mag zich niet baseren op eigen verklaringen of bewijsstukken als haar bekend is of er aanleiding is om aan te nemen dat deze verklaringen of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn. Het begrip ‘aanleiding om aan te nemen dat’ is een vertaling van het begrip ‘reason to know’. Voor de invulling van dit begrip wordt voor de toepassing van de FATCA aangesloten bij de punten 3 tot en met 9 van paragraaf A van Sectie VII van het CRS-commentaar. Punt 10 van paragraaf A van Sectie VII van dat commentaar is voor de NL IGA niet van toepassing, omdat de VS ook uitgaat van Amerikaans staatsburgerschap. Als er sprake is van een of meer (Amerikaanse) indicatoren vormt dit mogelijk een aanleiding om aan te nemen dat de eerdere verklaringen of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn. Dit zal afhangen van de aard van de indicator en de reparatiemogelijkheden daarvan.
In Sectie VII.C. van de CRS en onderdeel VI.C van Bijlage I van de NL IGA staan de voorschriften voor de aggregatie van saldi. Wat de NL IGA betreft: het kan voorkomen dat een rekeninghouder/ natuurlijk persoon bij een FI verschillende bedragen heeft uitstaan op verschillende soorten rekeningen, zoals een spaar- en een bewaarrekening, maar met een en hetzelfde rekeningnummer. In dat geval moet de FI alle bedragen optellen, omdat onderdeel VI.C.1 van Bijlage I van de NL IGA geen onderscheid maakt naar het type financiële rekening. Als op hetzelfde rekeningnummer een spaarsaldo van USD 30.000 staat en tevens een beleggingssaldo van USD 40.000, dan moet de FI beide rekeningen rapporteren, omdat het totaal van de saldi hoger is dan USD 50.000.
### 1.27. Toepassing aggregatieregels
In Sectie VII.C. van de CRS en onderdeel VI.C van Bijlage I van de NL IGA staan de voorschriften voor de aggregatie van saldi. Wat de NL IGA betreft: het kan voorkomen dat een rekeninghouder/ natuurlijk persoon bij een FI verschillende bedragen heeft uitstaan op verschillende soorten rekeningen, zoals een spaar- en een bewaarrekening, maar met een en hetzelfde rekeningnummer. In dat geval moet de FI alle bedragen optellen, omdat onderdeel VI.C.1 van Bijlage I van de NL IGA geen onderscheid maakt naar het type financiële rekening. Als op hetzelfde rekeningnummer een spaarsaldo van USD 30.000 staat en tevens een beleggingssaldo van USD 40.000, dan moet de FI beide rekeningen rapporteren, omdat het totaal van de saldi hoger is dan USD 50.000.
Een FI kan voor de gehanteerde Amerikaanse dollarbedragen een equivalent bedrag nemen in een andere koers zoals bepaald volgens het nationale recht van een land (Sectie VII.C.4 CRS). Voor Nederland betekent dit dat de FI’s bedragen mogen rapporteren in de valuta waarin de rekening gehouden wordt. De Belastingdienst rekent deze vervolgens om naar het Euro-equivalent. De Belastingdienst gebruikt hiervoor de op de website van de Nederlandsche Bank gepubliceerde koers op 31 december van elk jaar, zijnde T2.1 Jaar (Ultimo) (XLS). Deze koers moet jaarlijks ook gebruikt worden voor de omrekening van de in het [UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469) gebruikte USD-bedragen.
### 1.28. Wisselkoers per 31 december van een jaar
**(Sectie VII.C.4 CRS, CRS-commentaar op Sectie VII, C (4), punten 20 en 21 en onderdelen I.B.3 en VI.C.4 van Bijlage 1 NL IGA.)**
Voor het omrekenen van de rekeningbedragen naar een andere valuta dan de USD moet de FI de wisselkoers van 31 december van het voorgaande kalenderjaar nemen (onderdeel VI.C.4 van Bijlage I NL IGA). Voor de rapportage over een van het kalenderjaar afwijkend tijdvak moet de FI niet het saldo van een rekening aan het einde van het kalenderjaar nemen, maar het saldo aan het einde van die ‘andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden’ (onderdeel I.B.3. van Bijlage I NL IGA). In het laatste geval moet de omrekenkoers op de laatste dag van die andere periode gebruikt worden.
**(Sectie VII.C.4 CRS, CRS-commentaar op Sectie VII, C (4), punten 20 en 21 en onderdelen I.B.3 en VI.C.4 van Bijlage 1 NL IGA.)**
### Sectie VIII. Definities
### 1.29. (Dubbel) inwonerschap van een FI en feitelijke leiding
Een Nederlands filiaal van een buitenlandse bank moet in Nederland aan de rapportageverplichtingen voldoen. De Belastingdienst zal voor een FI bepalen waar de feitelijke leiding van die FI zich bevindt ([artikel 4 AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=4)). Zij kan daarbij betekenis toekennen aan onder andere de volgende omstandigheden:
Een FI kan elders geen fiscale vestigingsplaats hebben, bijvoorbeeld omdat ze wordt behandeld als fiscaal transparant. In lijn met het genoemde CRS-commentaar, is deze FI een in Nederland gevestigde financiële instelling als zij aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
Een FI kan voor belastingdoeleinden inwoner zijn van meer jurisdicties.
Andere jurisdicties kunnen (ook) andere criteria dan de plaats van feitelijke leiding hanteren, bijvoorbeeld als een FI is opgericht naar het recht van die jurisdictie. Daardoor kan er sprake zijn van dubbel inwonerschap van de FI.
Een FI (anders dan een trust) die inwoner is van twee of meer deelnemende rechtsgebieden, is onderworpen aan de identificatie- en rapportagevoorschriften van dat deelnemend rechtsgebied waarin zij de financiële rekeningen houdt (CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punt 5, zie ook [artikel 2a, tweede lid, WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=2a))
De situatie kan zich voordoen dat een entiteit inwoner is van een jurisdictie die de CRS niet geïmplementeerd heeft (FAQ 17 bij Secties II-VII). De regels van de jurisdictie waarin de entiteit de financiële rekeningen aanhoudt, bepalen de status van de entiteit als een FI of NFE.
**(CRS-commentaar Sectie VIII.A.2, punten 4 en 5, FAQ 17 bij Secties II-VII en artikel 1, eerste lid, onderdeel l, NL IGA en de MoU bij de NL IGA)**
De jurisdictie waarin de financiële rekeningen aangehouden worden mag echter toestaan dat de regels van de jurisdictie waarvan de entiteit inwoner is, worden toegepast, op voorwaarde dat die laatstbedoelde jurisdictie de CRS heeft geïmplementeerd.
**(CRS-commentaar Sectie VIII.A.2, punten 4 en 5, FAQ 17 bij Secties II-VII en artikel 1, eerste lid, onderdeel l, NL IGA en de MoU bij de NL IGA)**
### 1.30. Verzekeringsmaatschappij
Een verzekeringsbedrijf dat onder toezicht staat van De Nederlandsche Bank N.V. en niet voldoet aan de kwalificatie van ‘omschreven verzekeringsmaatschappij’ (zoals een schadeverzekeringsmaatschappij) is een actieve NFE.
**(Sectie VIII, A.8. CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punten 26 tot en met 29 en artikel 1, eerste lid, onderdeel k, NL IGA)**
**(Sectie VIII, A.8. CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punten 26 tot en met 29 en artikel 1, eerste lid, onderdeel k, NL IGA)**
### 1.31. Internationale organisatie
**(Sectie VIII, B.1.a, B.3. CRS en onderdeel I.D van Bijlage II NL IGA)**
**(Sectie VIII, B.1.a, B.3. CRS en onderdeel I.D van Bijlage II NL IGA)**
### 1.32. Uitleg van het begrip ‘passief inkomen’: definitie uit CRS-commentaar
Er is wel een definitie van het begrip ‘passief inkomen’ opgenomen in het CRS-commentaar (zie punt 126 van het commentaar op Sectie VIII. D.6 tot en met 9). Die komt bijna geheel overeen met die in de Final Regulations. Voor zowel de NL IGA als de CRS moet het begrip ‘passief inkomen’ worden uitgelegd conform de uitleg daarvan in het CRS-commentaar.
**(CRS-commentaar op Sectie VIII, D.6 tot en met 9, punt 126 en onderdeel VI.B.4.a van bijlage I NL IGA.)**
**(CRS-commentaar op Sectie VIII, D.6 tot en met 9, punt 126 en onderdeel VI.B.4.a van bijlage I NL IGA.)**
### 1.33. Uitleg van het begrip ‘een wezenlijk deel van de activiteiten’
**(Sectie VIII.D.9.d CRS en het CRS-commentaar op Sectie VIII.D.6 tot en met 9, punt 130 en onderdeel VI.B.4.e van bijlage I NL IGA.)**
**(Sectie VIII.D.9.d CRS en het CRS-commentaar op Sectie VIII.D.6 tot en met 9, punt 130 en onderdeel VI.B.4.e van bijlage I NL IGA.)**
### 1.34. Dochtermaatschappij van actieve N(F)FE
Het gebruik van de woorden ‘geheel of gedeeltelijk’ geeft aan dat in de context van de Richtlijn en de NL IGA, de omvang van het aandelenbezit in een dochtermaatschappij niet van belang is. Aan de dochtermaatschappij worden nadere voorwaarden gesteld, het moet namelijk een actieve werkmaatschappij zijn. Een actieve werkmaatschappij is een werkmaatschappij die 50% of meer van haar omzet haalt uit actieve werkzaamheden (in tegenstelling tot beleggingen). Het is niet relevant of de dochtermaatschappij onderdeel uitmaakt van de groep van de houdstermaatschappij of meegeconsolideerd wordt in de jaarrekening. Zie hiervoor ook het CRS-commentaar op Sectie VIII, punt 130, laatste volzin, voor het begrip ‘subsidiary’.
Het gebruik van de woorden ‘geheel of gedeeltelijk’ geeft aan dat in de context van de Richtlijn en de NL IGA, de omvang van het aandelenbezit in een dochtermaatschappij niet van belang is. Aan de dochtermaatschappij worden nadere voorwaarden gesteld, het moet namelijk een actieve werkmaatschappij zijn. Een actieve werkmaatschappij is een werkmaatschappij die 50% of meer van haar omzet haalt uit actieve werkzaamheden (in tegenstelling tot beleggingen). Het is niet relevant of de dochtermaatschappij onderdeel uitmaakt van de groep van de houdstermaatschappij of meegeconsolideerd wordt in de jaarrekening. Zie hiervoor ook het CRS-commentaar op Sectie VIII, punt 130, laatste volzin, voor het begrip ‘subsidiary’.
### 1.35. Treasury center binnen een (niet-) financiële groep
En uitgezonderde NFE zoals beschreven in de Final Regulations kwalificeert als een actieve NFE (onderdeel VI.B.4.h van Bijlage I van de NL IGA). In §1.1472-1(c)(1)(v) van de Final Regulations worden onder meer een holdingmaatschappij en een Treasury center binnen een niet-financiële groep in de zin van §1.1471-5(e)(5)(i)(B) aangemerkt als een uitgezonderde NFE en dus een actieve NFE voor de toepassing van de NL IGA. Voor de CRS is een Treasury center in een niet-financiële groep een actieve NFE.
**(Sectie VIII.D.9.g CRS, het CRS-commentaar Sectie VIII.A, punt 19, en onderdeel VI.B.4.h van Bijlage I NL IGA)**
Een holdingmaatschappij of een Treasury center binnen een financiële groep heeft de status van een FI als het voldoet aan de definitie van een FI zoals opgenomen in Sectie VIII.A.3 CRS. Dit hangt af van de feiten en omstandigheden en de activiteiten die de entiteit ontplooit, zelfs als die activiteiten uitsluitend worden uitgeoefend voor gerelateerde entiteiten of voor haar aandeelhouders. (Zie voor uitgebreider commentaar FAQ 2 bij Sectie VIII.A) De status volgens de CRS komt overeen met de definitie in de Final Regulations.
**(Sectie VIII CRS en FAQ 2 van Sectie VIII.A.)**
**(Sectie VIII CRS en FAQ 2 van Sectie VIII.A.)**
### 1.36. Activiteitentoets voor een beleggingsentiteit
De definitie van beleggingsentiteit zoals opgenomen in Sectie VIII.A.6 e CRS is gelijk aan de hierboven beschreven integrale FATCA-definitie, dus met inbegrip van de aanvulling in de Final Regulations.
Een beleggingsentiteit mag voor toepassing van FATCA vasthouden aan de definitie van de NL IGA. Het gevolg kan zijn dat een entiteit geen FI is voor toepassing van de NL IGA, maar wel voor de CRS. Daarom wordt aangeraden gebruik te maken van de CRS definitie/integrale FATCA-definitie. De hiernavolgende tekst gaat uit van de CRS en de integrale FATCA-definitie.
Een entiteit die in het kader van de bedrijfsuitoefening voor of namens een cliënt een of meer van de in Sectie VIII.A.6.a.i-iii CRS dan wel artikel 1.1.j. 1-3 NL IGA vermelde activiteiten uitvoert, wordt beschouwd als een beleggingsentiteit. Een entiteit die voor eigen rekening en risico zich ten doel heeft gesteld de beurshandel in opties of andere financiële instrumenten te onderhouden, wordt doorgaans niet geacht voor of namens een cliënt te handelen.
Als een beleggings-BV met een directeur-grootaandeelhouder als enige aandeelhouder in aandelen belegt, dan is geen sprake van een cliëntrelatie tussen de besloten vennootschap en de directeur-grootaandeelhouder. Deze vennootschap is geen beleggingsentiteit. Als echter een professionele derde partij de beleggingswerkzaamheden uitvoert, dan is wel sprake van een cliëntrelatie tussen die derde partij en de vennootschap of de directeur-grootaandeelhouder. In dat geval is die professionele derde partij een beleggingsentiteit. In de systematiek van de CRS en de NL IGA is de beleggings-BV zelf daardoor ook een beleggingsentiteit.
Met betrekking tot de term ‘uitvoeren in het kader van de bedrijfsuitoefening’ is sprake van een beleggingsentiteit als de bedrijfsuitoefening overwegend (‘primarily’) bestaat uit de beleggingsactiviteiten zoals die ook staan vermeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA (§1.1471-5(e)(4)(i)(A) Final Regulations en Sectie VIII.A.6.b CRS). Dit betekent dat pas van een beleggingsentiteit kan worden gesproken als voldaan wordt aan een inkomenstoets die inhoudt dat het bruto-inkomen uit beleggingsactiviteiten ten minste 50% van het totale bruto-inkomen moet bedragen gedurende:
De definitie van beleggingsentiteit in de Final Regulations ziet ook op het begrip ‘financial assets’ dat in de NL IGA niet voorkomt maar wel is gedefinieerd in §1.1471-5(e)(4)(ii) (en in Sectie VIII.A.7 van de CRS) en waartoe onroerende zaken niet behoren. Entiteiten die rechtstreeks onroerende zaken houden, zijn daarom alleen een beleggingsentiteit volgens de Final Regulations als is voldaan aan de inkomenstoets voor een self-managing entiteit (§1.1471-5(e)(4)(iii) Final Regulations) of voor een gemanagede entiteit (§1.1471-5(e)(4)(iv)(A) Final Regulations). Dit betekent dat het bruto-inkomen uit beleggingsactiviteiten (exclusief bruto-inkomsten uit (her)investering en handel in onroerende zaken) ten minste 50% van het totale bruto-inkomen van de entiteit moet bedragen gedurende:
**(Sectie VIII.A.6 en 7 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA)**
**(Sectie VIII.A.6 en 7 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA)**
### 1.37. Activiteitentoets voor een instelling die deposito’s neemt
Voor de uitleg van de begrippen ‘deposito’s’ (zie §1.1471-5 (b)(1)(i) jo §1.1471-5 (b)(3)(i) Final Regulations) en ‘bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf’ (zie §1.1471-5(e)(1)(i) en (2)(i) Final Regulations) kan een FI ervoor kiezen om gebruik te maken van de begripsomschrijvingen in de Final Regulations en de daarin opgenomen uitzonderingen (zie artikel 4, zevende lid, NL IGA en [artikel 2a, derde lid, UB WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030973&artikel=2a)). In de Final Regulations en de CRS is voor bepaalde leasemaatschappijen een uitzondering opgenomen voor de kwalificatie van een ‘bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf’. Hiervan is sprake als de entiteit uitsluitend deposito’s neemt van personen als onderpand of zekerheid in het kader van een verkoop of lease van goederen of in het kader van een vergelijkbare financieringstransactie tussen de entiteit en de persoon die het deposito plaatst.
Aan de hand van enkele voorbeelden kan beoordeeld worden of sprake is van een entiteit die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van een bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf en daarmee een FI wordt of juist niet.
**(Sectie VIII.A.5, 6 en D.9.g CRS, CRS-commentaar op Sectie VIII.A.(3)-(8), punten 12-14 en D. (6)-(9), punt 129 en FAQ’s 1 en 2 bij Sectie VIII en artikel 1, eerste lid, onderdeel i, NL IGA)**
**(Sectie VIII.A.5, 6 en D.9.g CRS, CRS-commentaar op Sectie VIII.A.(3)-(8), punten 12-14 en D. (6)-(9), punt 129 en FAQ’s 1 en 2 bij Sectie VIII en artikel 1, eerste lid, onderdeel i, NL IGA)**
### 1.38. Aandeelhouders uit één familie
Dit geldt ook voor deze entiteiten met een (zeer) beperkte groep van onmiddellijke en middellijke aandeelhouders of participanten die behoren tot één familie, die zich niet presenteren als beleggingsentiteit en die geen kapitaal uit de markt hebben aangetrokken noch (zullen) aantrekken.
**(Sectie VIII.A.6 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA)**
### 1.39. Beleggingsinstellingen
Een holdingmaatschappij als onderdeel van een private equity- of andere beleggingsstructuur is echter geen beleggingsentiteit maar een passieve NFE, indien alle aandelen onmiddellijk of middellijk gehouden worden door het private equity- of ander beleggingsfonds zelf. Op het niveau van het (de) fonds(en) wordt immers al gerapporteerd. Voorwaarde is dat er geen buitenlands fonds tussen het private equity- of ander beleggingsfonds en de holdingmaatschappij zit, tenzij het fonds een FI is.
**(Sectie VIII.A.6 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA)**
**(Sectie VIII.A.6 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA)**
### 1.40. Beleggingsadviseurs en (vermogens)beheerders
**(CRS-commentaar Sectie VIII.C(1) punt 60 en onderdeel II. A.4 van Bijlage II NL IGA)**
**(CRS-commentaar Sectie VIII.C(1) punt 60 en onderdeel II. A.4 van Bijlage II NL IGA)**
### 1.41. ‘Qualified credit card issuers’
Op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel q, NL IGA kunnen, naast de werking van onderdeel V.A van Bijlage I NL IGA, eveneens bepaalde creditcardbedrijven in aanmerking komen als niet-rapporterende FI. Dit kan omdat bepaalde creditcardbedrijven (‘Qualified credit card issuers’) gekwalificeerd kunnen worden als ‘Registered deemed-compliant FFI’ (§1.1471-5(f)(1)(i)(E) Final Regulations; zie voor het begrip ‘Registered deemed-compliant FFI’ §1.1471-5 (f)(1).)
De Final Regulations en het CRS-commentaar bevatten twee cumulatieve vereisten voor het zijn van een Qualified Credit Card Issuer (§1.1471-5(f)(1)(i)(E) en het CRS-commentaar op Sectie VIII.C(17), punt 95). Het moet ten eerste gaan om een FI die uitsluitend als zodanig wordt aangemerkt omdat ze creditcards (diensten) aanbiedt, en die alleen deposito’s accepteert als de klant een betaling verricht hoger dan het verschuldigde rekeningsaldo en dit surplus niet onmiddellijk terugstort aan de rekeninghouder.
Het tweede vereiste houdt in dat het beleid en de procedures van de FI erop gericht zijn dat wordt voorkomen dat het saldo van een rekening boven de USD 50.000 uit kan komen, of dat het surplus boven de USD 50.000 binnen 60 dagen (na het moment waarop het saldo boven de USD 50.000 uitkomt) wordt teruggestort aan de rekeninghouder. Aan het tweede vereiste wordt ook voldaan als alleen het surplus boven de USD 50.000 wordt teruggestort, voor zover dit surplus nog aanwezig is na 60 dagen vanaf het moment dat het saldo voor het eerst boven de USD 50.000 uitkomt.
**(Sectie VIII.B.8.b CRS, het CRS-commentaar Sectie VIII.C(17) en onderdeel V.A van Bijlage I NL IGA)**
**(Sectie VIII.B.8.b CRS, het CRS-commentaar Sectie VIII.C(17) en onderdeel V.A van Bijlage I NL IGA)**
### 1.42. Swapovereenkomst en securities lending-overeenkomst (geen ‘debt interest’ in beleggingsentiteit)
**(Sectie VIII.C.1 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)**
**(Sectie VIII.C.1 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)**
### 1.43. Onderpandrekening
**(Sectie VIII.C.3 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel u, NL IGA)**
**(Sectie VIII.C.3 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel u, NL IGA)**
### 1.44. Bestaande rekeninghouder met nieuwe rekening
(Zie het CRS-commentaar bij Sectie VIII, paragraaf C, punt 82 en Bijlage 1, deel VIII, onderdeel C.9 van de Richtlijn en FAQ nr. 14 bij Secties II-VII, CRS.)
Als aan de bovengenoemde cumulatieve voorwaarden is voldaan hoeft bij het openen van de nieuwe rekening geen self certification-formulier te worden opgevraagd. Een eenmaal als bestaand aangemerkte rekening blijft dat ook als de klant later de eerste rekening opheft.
**(CRS-commentaar op Sectie VIII.C., punt 82 en FAQ 14 bij Secties II-VII)**
Voor de NL IGA kan hetzelfde gelden, waarbij de FI aan dezelfde voorwaarden moet voldoen als voor de CRS, met uitzondering van de vierde voorwaarde (artikel 4, zevende lid, NL IGA en de Final Regulations (Zie §1.1471-1(b)(104)(ii)). Het gaat hier om de voorwaarde dat de rekeninghouder voor het openen van de financiële rekening geen nieuwe, aanvullende of gewijzigde klantinformatie hoeft te verstrekken. Om te voorkomen dat eenzelfde rekening voor de NL IGA een bestaande rekening en tegelijkertijd voor de CRS een nieuwe rekening is waarvoor verschillende procedures bij een FI zullen moeten gelden, kan een FI ervoor kiezen om voor de toepassing van de FATCA de definitie van bestaande rekening uit de Final Regulations toe te passen, omdat die definitie overeenkomt met de CRS definitie.
**(Sectie VIII.C.9 CRS, FAQ 42 bij Secties II-VII, en artikel 4, zevende lid, NL IGA)**
**(Sectie VIII.C.9 CRS, FAQ 42 bij Secties II-VII, en artikel 4, zevende lid, NL IGA)**
### 1.45. Bestaande rekeningen verzekeringsproducten
**(Sectie VIII.C.9 CRS en het CRS-commentaar Sectie VIII, C, nr. 82 en onderdeel VI.B.5 van bijlage I NL IGA)**
**(Sectie VIII.C.9 CRS en het CRS-commentaar Sectie VIII, C, nr. 82 en onderdeel VI.B.5 van bijlage I NL IGA)**
### 1.46. Uitzonderingen op het begrip ‘financiële rekening’ (‘Financial Account’; Excluded Account’)
Naast de hier genoemde uitgezonderde rekeningen heeft elke lidstaat van de Europese Unie de mogelijkheid om andere rekeningen (en entiteiten) aan te wijzen met een laag risico om te worden gebruikt voor belastingontduiking. Op 3 september 2019 heeft de Europese Commissie van elke lidstaat een (gewijzigde) lijst met uitgezonderde rekeningen en niet rapporterende FI’s gepubliceerd.8https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:2019:296:FULL&from=EN
In Nederland was voor de lijst ‘uitgezonderde rekeningen’ onder CRS aangesloten bij de uitgezonderde producten in de Bijlage II, onderdeel III, van de NL IGA. Het Global Forum heeft die lijn echter niet gevolgd en heeft enkele voor de FATCA uitgezonderde rekeningen niet geaccepteerd voor de CRS. Het betreft:
Deze rekeningen zullen geïdentificeerd en indien nodig gerapporteerd moeten worden.
De door het Global Forum geaccepteerde uitgezonderde rekeningen zijn:
Belangrijk voor het Global Forum is dat regelmatig getoetst wordt of deze rekeningen terecht nog als uitgezonderde rekeningen aangemerkt worden. De Belastingdienst zal er dan ook op toezien dat dit soort rekeningen niet gebruikt wordt om rapportage in het kader van de CRS te ontwijken.
**(Sectie VIII.C.17 CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII.C.17, punten 86–103).**
In de NL IGA is het begrip ‘financiële rekening’ (‘Financial Account’) gedefinieerd (artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA). De definitie van het begrip ‘Financial Account’ in de Final Regulations bevat echter een aantal uitzonderingen dat niet is opgenomen in de gebruikte definitie in de NL IGA (zie §1.1471-5(b) en §1.1471-5(b)(2) Final Regulations). FI’s mogen in aanvulling op de in de NL IGA gebruikte definitie van het begrip ‘financiële rekening’ en in aanvulling op de in Bijlage II, onderdeel III, van de NL IGA opgenomen uitgezonderde producten, een beroep doen op de uitzonderingen die onderdeel zijn van het begrip ‘Financial Account’ uit de Final Regulations. De FI’s moeten dan wel hebben voldaan aan de daarin genoemde vereisten. Een integrale keuze voor de definitie uit de Final Regulations is in dit specifieke geval niet nodig. Dit betekent dat een FI geen onderzoek, identificatie en rapportage hoeft te verrichten ten aanzien van deze producten. Het gaat dan onder andere om:
(Zie ook 2.18, Verzekeringsproducten en rechtsvoorgangers).
**(Artikel 4, zevende lid en Bijlage II NL IGA)**
**(Artikel 4, zevende lid en Bijlage II NL IGA)**
### 1.47. Overleden rekeninghouder
Pas na verdeling van de nalatenschap en als de rekening niet is opgeheven zullen de due diligence-procedures weer van toepassing zijn. Zo kan de FI beoordelen of de rekening opnieuw een te rapporteren rekening is.
**(Sectie VIII.C.17.d CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII, C(17)(d), punt 92, en onderdeel II.C.3 van bijlage I NL IGA)**
**(Sectie VIII.C.17.d CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII, C(17)(d), punt 92, en onderdeel II.C.3 van bijlage I NL IGA)**
### 1.48. Overleden UBO
**Een rapporterende financiële instelling die op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van een rekeninghouder of van een uiteindelijk belanghebbende dan wel andere documentatie die is gebruikt voor het vaststellen of een rekening een te rapporteren rekening is, onjuist of onbetrouwbaar is, volgt opnieuw de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie V, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening.**
Voor FATCA staan in de NL IGA in Bijlage 1 onder IV.D vergelijkbare bepalingen. Een nieuwe procedure is met name nodig om de erfgenamen te identificeren en vast te stellen of hun gegevens al dan niet moeten worden gerapporteerd. Is dat het geval dan zal de betreffende rekening aan het einde van het jaar moeten worden gerapporteerd met nieuwe uiteindelijk belanghebbenden.
Voor FATCA staan in de NL IGA in Bijlage 1 onder IV.D vergelijkbare bepalingen. Een nieuwe procedure is met name nodig om de erfgenamen te identificeren en vast te stellen of hun gegevens al dan niet moeten worden gerapporteerd. Is dat het geval dan zal de betreffende rekening aan het einde van het jaar moeten worden gerapporteerd met nieuwe uiteindelijk belanghebbenden.
### 1.49. Erkende effectenbeurs
In het CRS-commentaar en de Final Regulations wordt ingegaan op ‘erkende effectenbeurs’ en ‘regelmatig verhandeld’ (zie hierna 1.45).
In het CRS-commentaar en in de NL IGA is het begrip ‘regelmatig verhandeld’ gedefinieerd (CRS-commentaar op Sectie VIII.D, punt 112 en in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, slotalinea, NL IGA). Hiervan is sprake indien er voortdurend een betekenisvol volume van aandelen wordt verhandeld op een erkende effectenbeurs.
Onder een erkende effectenbeurs wordt verstaan een beurs die officieel erkend wordt en onder toezicht staat van een erkende toezichthouder – zoals de AFM of een andere overheidsinstantie van de jurisdictie waarin de beurs gevestigd is – en waar jaarlijks een betekenisvolle waarde aan aandelen wordt verhandeld. Onder een erkende effectenbeurs vallen onder meer de NYSE Euronext Amsterdam en het Euronext Fund Services-platform.
**(Sectie VIII.D.2, (i) CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII.D, punt 112 en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)**
**(Sectie VIII.D.2, (i) CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII.D, punt 112 en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)**
### 1.50. Regelmatig verhandeld
Voor de CRS worden in het commentaar op Sectie VIII.D.2, punt 113 dezelfde twee eisen gesteld als in de Final Regulations. In FAQ 4 van Sectie VIII. D op de OESO-website10Http://www.oecd.org/tax/exchange-of-tax-information/CRS-related-FAQs.pdf is aangegeven hoe de term ’regelmatig verhandelde aandelen’ moet worden uitgelegd. Net als in de Final Regulations geldt ook voor de CRS dat van regelmatig verhandelde aandelen in een kalenderjaar sprake is als één of meer categorieën van aandelen van een entiteit gedurende het afgelopen kalenderjaar genoteerd stond(en) aan een erkende effectenbeurs en deze categorie(ën van) aandelen samen meer dan 50% van de totale stemrechten en van de totale waarde van de aandelen vertegenwoordigt of vertegenwoordigen.
**(CRS-Commentaar Sectie VIII.D.2, punt 113, FAQ 4 onder Sectie VIII.D en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)**
**(CRS-Commentaar Sectie VIII.D.2, punt 113, FAQ 4 onder Sectie VIII.D en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)**
### 1.51. Stichting administratiekantoor (STAK)
Voor CRS kan een STAK onder omstandigheden een investment entity zijn de zin van Sectie VIII.A.6.a.iii van de CRS als de stichting financiële activa administreert ten behoeve van de certificaathouders. Daarvoor is dan wel vereist dat de stichting inkomen krijgt en het stemrecht uitoefent ten behoeve van de certificaathouders.
FI’s dienen, ingeval gebruik gemaakt wordt van een STAK en de klant claimt dat er daardoor een wijziging in UBO’s optreedt, vast te stellen dat deze wijziging zich ook in materiële zin voordoet. Zo moet worden voorkomen dat – door het plaatsen van een STAK tussen BV/NV en aandeelhouders – de uiteindelijk belanghebbende niet als begunstigde wordt aangemerkt omdat hij als houder van bijvoorbeeld 50% van de certificaten niet 25% van de zeggenschap in de stichting heeft. De basis voor deze verplichting ligt in [artikel 3, eerste lid, onder c, Uitvoeringsbesluit Wwft 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041193&artikel=3). In deze bepaling is geregeld welke categorieën van natuurlijke personen in elk geval moeten worden aangemerkt als UBO. In het geval van een rechtspersoon zijn dat de natuurlijke personen die op basis van het bezitspercentage als UBO kwalificeren of zeggenschap hebben over de rechtspersoon (bijvoorbeeld via het direct of indirect houden van meer dan 25% van het eigendomsbelang in de rechtspersoon). In het UBO-register zijn zowel de ‘bezits-UBO’ (certificaathouders) als ‘zeggenschaps-UBO’s’ (de bestuurders van de STAK) opgenomen. Een certificaathouder met maar 10% van de certificaten, maar wel met meer dan 25% zeggenschap in het STAK-bestuur zal dus als zodanig in het UBO-register staan. Een certificaathouder van een STAK is indirect aandeelhouder van de onderliggende entiteit(en) en dus mogelijk ook UBO van deze entiteit(en). Wanneer bijvoorbeeld een STAK alle aandelen houdt van een BV is een UBO van de STAK automatisch ook UBO van de onderliggende B.V.
(Sectie VIII.A.6.iii CRS en paragraaf 1.2 MoU bij de NL IGA)
**(Sectie VIII.D.8 CRS en paragraaf 1.2 MoU bij de NL IGA)**
### 1.52. Holding bestuurd door een trustkantoor
**(Sectie VIII.D.9.d CRS, CRS-commentaar op Sectie VIII.D.9.d, punt 129 en onderdeel VI.B.4 van Bijlage 1 NL IGA).**
**(Sectie VIII.D.9.d CRS, CRS-commentaar op Sectie VIII.D.9.d, punt 129 en onderdeel VI.B.4 van Bijlage 1 NL IGA).**
### 1.53. Nadere uitleg van het begrip ‘gelieerde entiteit’
Als sprake is van een lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal wordt onder ‘vermogen’ in dit verband verstaan het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal. De NL IGA verstaat echter onder zeggenschap, de directe of indirecte eigendom van meer dan 50% van het stemrecht **of** het vermogen/belang (‘value’) in een entiteit. FI’s kunnen de definitie uit de Final Regulations die in lijn is met de CRS ook voor de NL IGA gebruiken, waardoor de grootte van de groep van gelieerde entiteiten wordt verkleind.
**(Sectie VIII.E.4 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel jj, NL IGA)**
**(Sectie VIII.E.4 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel jj, NL IGA)**
### 1.54. Rijbewijs kan geldig gedocumenteerd bewijsstuk zijn
**(Sectie VIII.E.6 CRS en onderdeel VI.D.2 van Bijlage 1 NL IGA)**
**(Sectie VIII.E.6 CRS en onderdeel VI.D.2 van Bijlage 1 NL IGA)**
### 1.55. ‘Securities Lending’
De leenvergoeding en de dividend vervangende betaling zijn aan te merken als ‘overige inkomsten gegenereerd met betrekking tot de activa/het vermogen op de rekening’ ([artikel 10c, eerste lid, letter a, onder 1°, WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10c) en artikel 2, 5.A. NL IGA). FI’s moeten dit in het kader van FATCA en CRS rapporteren.
### 1.56. De insolvente rekeninghouder (natuurlijk persoon)
**(Zie CRS-commentaar op Sectie VIII.E, nr. 139).**
**(Zie CRS-commentaar op Sectie VIII.E, nr. 139).**
### 1.57. Buitenlands telefoonnummer
Voor de identificatie van een in het kader van de CRS te rapporteren rekening hoeft een buitenlands telefoonnummer binnen de EU niet te gelden als indicium, mits alle overige indicia naar één EU-lidstaat wijzen.
### 1.58. Minderjarige rekeninghouder
**(Zie CRS-commentaar Sectie VIII.E.140)**
**(Zie CRS-commentaar Sectie VIII.E.140)**
### 1.59. Redelijke inspanning voor het verkrijgen van een TIN in kader CRS
Enkele voorbeelden van reacties die financiële instellingen terugkrijgen in dat soort situaties zijn:
Uitgangspunt is dat een FI bij het verkrijgen van een TIN voldoende invulling heeft gegeven aan het begrip ‘redelijke inspanning’ als bedoeld in het OESO-commentaar bij Sectie I (C), nummer 28. Er is sprake van ‘redelijke inspanning’ indien de financiële instelling bij het ontbreken van een TIN, ondanks dat het land wel TIN’s uitgeeft, vraagt om uitleg waarom het TIN ontbreekt, of in dat geval een nieuw self certifcation-formulier toezendt. In afwachting van ontvangst van een TIN rapporteert de FI op basis van de hem bekende indicia.
De CRS-wetgeving schrijft – kort samengevat – voor dat het verstrekken van een TIN verplicht is, tenzij een land geen TIN’s verstrekt. In FAQ 5 van Sectie I wordt dat wat versoepeld: de FAQ stelt dat een FI een te rapporteren persoon niet hoeft te verzoeken om een TIN aan te vragen en aan de bank te verstrekken als het in het fiscale woonland van die persoon niet verplicht is om een TIN aan te vragen. In de praktijk blijkt dat veel landen uitzonderingen kennen, waardoor groepen burgers geen TIN hebben terwijl het land in het algemeen wel TIN’s verstrekt.12Zie: https://www.oecd.org/tax/exchange-of-tax-information/CRS-related-FAQs.pdf
Op de site van de OESO is informatie te vinden over landen die TIN’s verstrekken.13Informatie op 24 mei 2019: http://www.oecd.org/tax/automatic-exchange/crs-implementation-and-assistance/tax-identification-numbers/ Uit die informatie blijkt dat er per land verschillende TIN-formaten naast elkaar kunnen bestaan.
**(CRS-commentaar op Sectie I, paragrafen 27 t/m 30 en FAQ 5, Sectie I)**
**(CRS-commentaar op Sectie I, paragrafen 27 t/m 30 en FAQ 5, Sectie I)**
### 2.1. Kwalificatie holding en treasury center als (lead) FI in plaats van NFFE
### 2.1. Kwalificatie holding en treasury center als (lead) FI in plaats van NFFE
Elke holdingmaatschappij en elk treasury center kan de definitie van FI uit de Final Regulations hanteren om zo te opteren voor de status van FI in plaats van actieve of passieve NFFE, ondanks het feit dat die holdingmaatschappij of dat treasury center geen FI is volgens de NL IGA. Het gevolg van de keuze voor toepassing van de Final Regulations is dat zo’n holdingmaatschappij of treasury center zich moet registreren bij de ‘IRS registration portal’ en de relevante gegevens moet rapporteren aan de Belastingdienst. Voor de CRS zullen deze entiteiten altijd een actieve of passieve NFE zijn, maar nooit een FI.
**(Artikel 1, eerste lid, onderdeel g, NL IGA).**
**(Artikel 1, eerste lid, onderdeel g, NL IGA).**
### 2.2. Het begrip ‘Amerikaans persoon’ in relatie tot Amerikaanse territoria
**(Artikel 1, eerste lid, onderdelen b en ee NL IGA)**
**(Artikel 1, eerste lid, onderdelen b en ee NL IGA)**
### Hoofdstuk 2. Uitsluitend FATCA-specifieke onderwerpen
### 2.3. Geldigheidsduur van de (W8- en W9-, self certification-)formulieren
Met ingang van 1 januari 2020 moet elke US person14Een US person is iemand die een Amerikaans staatsburger is of een inwoner van Amerika., dus ook de houder van een bestaande rekening, over een US TIN beschikken en dit hebben doorgegeven aan de betrokken FI.
De geldigheid van de W8- en W9-formulieren en de self certification-formulieren zonder het US TIN is beëindigd met ingang van 1 januari 2020. Een klant zal er zelf voor moeten zorgen dat de FI een (nieuw) self certification-formulier aan hem uitreikt. De klant moet dit formulier compleet invullen. Als de FI niet in staat is een geldige verklaring van de rekeninghouder te verkrijgen, moet zij de rekening behandelen als een Amerikaanse te rapporteren rekening. Dat betekent dus rapportage van de rekening zonder US TIN. Als de FI geen volledig ingevuld self certification-formulier verkrijgt, kan de FI er ook voor kiezen om geen nieuwe rekening te openen voor de klant, totdat een volledig ingevuld self certification-formulier ontvangen wordt, dan wel de nieuwe rekening te beperken tot een basisbetaalrekening. Zie hierna onder 2.3a de verplichtingen omtrent het aanbieden van een basisbetaalrekening.
Onder toepassing van de NL IGA wordt voor bestaande rekeningen verlangd van de FI dat zij een redelijke inspanning levert om missende US TIN’s te bemachtigen. Hier hebben FI’s in ieder geval tot juli 2023 de tijd voor. Indien een US person als klant ondanks de doorlopende inspanningen van de FI toch niet aan de verplichting voldoet om een US TIN door te geven, zullen de door de FI geleverde inspanningen door de IRS als belangrijke factor worden meegewogen in de vaststelling van de GIIN lijst. Zie voor een nadere toelichting over de ‘redelijke inspanning’ en de rapportage bij missende US TIN’s door FIs hierna 2.12.
Van belang in de rapportage is dat US persons de mogelijkheid hebben, zoals hierna beschreven onder 2.11a, om zonder dat men beschikt over een US TIN afstand te doen van de Amerikaanse nationaliteit. Indien deze procedure is ingezet, zal de klant de FI hiervan op de hoogte dienen te brengen. De FI dient dit gegeven vast te leggen in haar administratie. Het missen van een US TIN is in dit geval namelijk gerechtvaardigd.
Van belang in de rapportage is dat US persons de mogelijkheid hebben, zoals hierna beschreven onder 2.11a, om zonder dat men beschikt over een US TIN afstand te doen van de Amerikaanse nationaliteit. Indien deze procedure is ingezet, zal de klant de FI hiervan op de hoogte dienen te brengen. De FI dient dit gegeven vast te leggen in haar administratie. Het missen van een US TIN is in dit geval namelijk gerechtvaardigd.
### 2.4. Basisbetaalrekening
Op basis van de Europese richtlijn betaalrekeningen15(Payments Accounts Directive-richtlijn: [Richtlijn 2014/92](32014L0092)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties, **PbEU** 2014, L257/214), voor Nederland in wetgeving verankerd in de [Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), hebben consumenten (natuurlijke personen) in de Europese Unie (EU) het recht om een basisbetaalrekening te openen en te gebruiken. Een basisbetaalrekening is een rekening waarop geen debetstand mogelijk is. Banken zijn verplicht om op aanvraag een basisbetaalrekening te openen tenzij er een weigeringsgrond van toepassing is ([artikel 4:71f Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:71f)). Het enkel ontbreken van een US TIN is geen weigeringsgrond in de zin van artikel 4:71f Wft. In algemene zin kan een FI in een individueel geval het openen van een basisbetaalrekening weigeren, of kan zij een bestaande betaalrekening sluiten, indien zij kan aantonen dat er sprake is van opzettelijk witwassen en/of belastingontduiking. Bij afwezigheid van een weigeringsgrond is een FI dus verplicht om – op aanvraag – een basisbetaalrekening te openen voor een US Person die niet beschikt over een US TIN.16Zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/03/18/beantwoording-kamervragen-over-uitwerking-fatca Zie ook [artikel 4:71i, Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:71i) waarin de voorwaarden staan waarop de bank de toegang tot een basisbetaalrekening kan beëindigen en waarin het vereiste staat dat de rekeninghouder daarvan in kennis wordt gesteld.
### 2.5. Invulling van het begrip ‘betalingen’
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel b, NL IGA)**
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel b, NL IGA)**
### 2.6. (Geen) registratieplicht voor niet-rapporterende financiële instellingen
Eind maart 2019 heeft de VS nieuwe regels gepubliceerd die zien op de zogenoemde ‘sponsored entities’ onder de FATCA. Voor 25 maart 2019 was het zo dat de sponsored entity compliant was als de sponsoring entiteit alle FATCA registraties deed. Met de wijziging van de regelgeving van de VS was dat niet langer het geval. Sponsored entities moeten volgens het nieuwe Amerikaanse recht alsnog (via hun sponsoring entity) ‘certifications’ afgeven. De nieuwe regels zijn op 25 maart van kracht geworden en certificering had moeten gebeuren voor 1 april 2019. Omdat Nederland in Annex II van de IGA de sponsored entities niet had aangemerkt als ‘non reporting FI’s’ ontstond er een probleem voor de ruim 1.700 sponsored entities en de ruim 130 sponsoring entities in Nederland. Nederland heeft de VS verzocht om Annex II van de IGA aan te vullen met twee nieuwe secties die specifiek zien op de sponsored entities. Ondanks de nodige besprekingen met de VS en het verzoek om een vergelijkbaar arrangement (met terugwerkende kracht tot op 25 maart 2019) als de VK heeft getekend met de VS is er – ondanks herhaald aandringen – nog geen overeenkomst tot stand gekomen. Verwacht wordt wel dat de overeenkomst tot stand zal komen, waarna is zeker gesteld dat alle sponsored entities compliant zijn.
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel c, NL IGA).**
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel c, NL IGA).**
### 2.7. Geen wettelijke basis voor inhouding door Primary Withholding Qualified Intermediary (QI)
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel d, NL IGA).**
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel d, NL IGA).**
### 2.8. Verplichtingen van FI’s die geen Primary Withholding Qualified Intermediary zijn
Leden van de CSD in Nederland – Euroclear Nederland – zijn in principe zelf verantwoordelijk voor rapportage aan de Belastingdienst over Amerikaanse personen voor stukken gehouden door Euroclear Nederland. Euroclear Nederland hoeft dus als CSD niet te rapporteren ten aanzien van deze stukken. Euroclear Nederland mag echter wel als externe dienstverlener rapporteren ten behoeve van de leden of de FI’s die toegang hebben tot Euroclear Nederland. De verantwoordelijkheid voor de verplichtingen uit het verdrag blijft liggen bij de FI’s (artikel 5, derde lid, NL IGA).
Voor leden van Euroclear Nederland die niet optreden als Primary Withholding QI en waarvoor Euroclear Nederland de rapportageverplichting aan de Belastingdienst, heeft overgenomen (artikel 5, derde lid, NL IGA), blijft in principe de verplichting bestaan om FATCA-informatie aan de withholding agent over te leggen. Euroclear Nederland kan deze rapportageverplichting aan de withholding agent ook overnemen. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor rapportage blijft dan eveneens bij de leden of FI’s die toegang tot Euroclear Nederland hebben en niet optreden als Primary Withholding QI.
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel e, NL IGA).**
**(Artikel 4, eerste lid, onderdeel e, NL IGA).**
### Onderdeel I. Algemeen
### 2.9. Datum drempelvrijstelling
### 2.9. Datum drempelvrijstelling
**(Bijlage I, onderdeel I.B.3 NL IGA).**
**(Bijlage I, onderdeel I.B.3 NL IGA).**
### 2.10. Gunstigere identificatieprocedures uit de Final Regulations
**(§1.1471-4(c)(4)(i) jo–1.1471-3(c)(5)(i) jo 1.1471-3(c)(6)(ii) en -(ii)(C) Final Regulations).**
Ook moet voldaan worden aan de ‘reason to know test’ (§1.1471-4(c)(4)(i) jo -1.1471-4(c)(2)(ii)(A) jo 1.1471-3 (e)(4)(iv)(A) Final Regulations). Op grond van deze test kan de FI mogelijk niet meer vertrouwen op de juistheid van de bewijsstukken als sprake is van een van de Amerikaanse indicia genoemd in onderdeel II.B.1 van Bijlage I. In dat geval moet de FI een self certification-formulier uitreiken aan de nieuwe rekeninghouder om zijn FATCA-status vast te stellen. De toepassing van de Final Regulations leidt er dan toe dat de FI de bewijsstukken in het kader van de normale procedures voor het openen van een rekening op grond van de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) kan opvragen, en vervolgens pas een self certification-formulier vraagt van de rekeninghouders als een Amerikaans indicium is gevonden die daar aanleiding toe geeft.
Ook moet voldaan worden aan de ‘reason to know test’ (§1.1471-4(c)(4)(i) jo -1.1471-4(c)(2)(ii)(A) jo 1.1471-3 (e)(4)(iv)(A) Final Regulations). Op grond van deze test kan de FI mogelijk niet meer vertrouwen op de juistheid van de bewijsstukken als sprake is van een van de Amerikaanse indicia genoemd in onderdeel II.B.1 van Bijlage I. In dat geval moet de FI een self certification-formulier uitreiken aan de nieuwe rekeninghouder om zijn FATCA-status vast te stellen. De toepassing van de Final Regulations leidt er dan toe dat de FI de bewijsstukken in het kader van de normale procedures voor het openen van een rekening op grond van de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) kan opvragen, en vervolgens pas een self certification-formulier vraagt van de rekeninghouders als een Amerikaans indicium is gevonden die daar aanleiding toe geeft.
### 2.11. Uitleg van het begrip ‘rapportage of inhouding’
### 2.11. Uitleg van het begrip ‘rapportage of inhouding’
**(Bijlage I, onderdeel II.A.3 NL IGA).**
**(Bijlage I, onderdeel II.A.3 NL IGA).**
### 2.12. US TIN opvragen bij self certification
Met ingang van 1 januari 2020 moet dus elke US person over een US TIN beschikken en hebben doorgegeven aan de betrokken FI. Indien de US TIN (nog) ontbreekt, kunnen de FI’s bij de aanlevering van de rekeninggegevens op plaats van de US TIN 9xA of 9x0 invullen. Als daarmee een foutbericht gegenereerd wordt door de IRS heeft de FI eventueel 120 dagen om te corrigeren en dus alsnog de US TIN te achterhalen van de klant. Omdat de 2020 FATCA levering plaatsvindt in september 2021 hebben de FI’s feitelijk tot januari 2022 de tijd om de ontbrekende US TIN te achterhalen bij hun klant. Mocht de klant en dus de FI dan nog geen US TIN hebben aangeleverd dan kan de Amerikaanse competente autoriteit (CA) de Nederlandse CA notificeren en consulteren, waarna een 18 maanden periode begint waarin herstel/aanvulling kan plaatsvinden. Een FI heeft dus in ieder geval tot juli 2023 de mogelijkheid om de missende TIN te verkrijgen van de klant. De IRS heeft aangegeven dat de inspanningen die een FI heeft geleverd om de US TIN te verkrijgen als belangrijke factor zullen worden meegewogen in de beoordeling of een FI van de GIIN lijst18De GIIN (global intermediairy identification number) lijst bevat alle geregistreerde en goedgekeurde FI’s. gehaald zal worden.
Met ingang van 1 januari 2020 moet dus elke US person over een US TIN beschikken en hebben doorgegeven aan de betrokken FI. Indien de US TIN (nog) ontbreekt, kunnen de FI’s bij de aanlevering van de rekeninggegevens op plaats van de US TIN 9xA of 9x0 invullen. Als daarmee een foutbericht gegenereerd wordt door de IRS heeft de FI eventueel 120 dagen om te corrigeren en dus alsnog de US TIN te achterhalen van de klant. Omdat de 2020 FATCA levering plaatsvindt in september 2021 hebben de FI’s feitelijk tot januari 2022 de tijd om de ontbrekende US TIN te achterhalen bij hun klant. Mocht de klant en dus de FI dan nog geen US TIN hebben aangeleverd dan kan de Amerikaanse competente autoriteit (CA) de Nederlandse CA notificeren en consulteren, waarna een 18 maanden periode begint waarin herstel/aanvulling kan plaatsvinden. Een FI heeft dus in ieder geval tot juli 2023 de mogelijkheid om de missende TIN te verkrijgen van de klant. De IRS heeft aangegeven dat de inspanningen die een FI heeft geleverd om de US TIN te verkrijgen als belangrijke factor zullen worden meegewogen in de beoordeling of een FI van de GIIN lijst18De GIIN (global intermediairy identification number) lijst bevat alle geregistreerde en goedgekeurde FI’s. gehaald zal worden.
### Annex I
FI’s kunnen ervoor kiezen om bij de identificatie van rekeningen op grond van [artikel 2a, vijfde lid, UB WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030973&artikel=2a) de Final Regulations toe te passen. Als de FI die keuze maakt voor het identificeren van nieuwe rekeningen van individuele personen en/of entiteiten, betekent dit dat de FI eerst bewijsstukken opvraagt waaruit het vaste adres van de rekeninghouder/natuurlijk persoon blijkt of het land waarvan de rekeninghouder/natuurlijk persoon inwoner of burger is, dan wel waarin de rekeninghouder/entiteit gevestigd is of naar het recht van welk land de rekeninghouder/entiteit is opgericht.
### 2.13. Versoepeling afstand doen van Amerikaanse nationaliteit
Onder deze procedure kan eerst afstand worden gedaan van de Amerikaanse nationaliteit (door middel van de aanvraag van een Certificate of loss of Nationality (CLN)) zonder dan men beschikt over een TIN en zonder dat aan de Amerikaanse aangifteverplichtingen is voldaan, ongeacht de omvang van het inkomen. De juridische verplichting van belastingaangifte zal echter niet zomaar vervallen. De IRS behoudt zich het recht voor om te controleren of aan de aangifteverplichtingen is voldaan, wat bijvoorbeeld consequenties kan hebben wanneer men naar de VS reist.
Hierbij geldt een extra tegemoetkoming. De IRS kan in bepaalde gevallen besluiten de openstaande belastingschulden (inclusief eventuele rente en boetes) kwijt te schelden. Deze kwijtschelding staat slechts open voor natuurlijke personen die:
Zij zullen om in aanmerking te komen voor de kwijtschelding aangifte moeten doen over het jaar van afstand van de Amerikaanse nationaliteit en de 5 jaar voorafgaand hieraan en het te betalen bedrag aan belasting mag niet boven USD 25.000 voor die 6 jaar uitkomen.
Zie ook de brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer van 17 september 2019, blz. 8 -1121https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35300-IX-4.pdf en de beantwoording van Kamervragen van 19 maart 2020.22https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20192020-2158.pdf
**(Bijlage I, onderdeel III.B.1 NL IGA).**
**(Bijlage I, onderdeel III.B.1 NL IGA).**
### 2.14. Rekening houden met Bijlage II-status in FATCA-partnerstaat (identificatie van rekeninghouders met buitenlandse vrijgestelde status)
Als de rekeninghouder echter in een ander land gevestigd is zonder dat een IGA van toepassing is, en de rekeninghouder als FI vrijgesteld is op grond van de Final Regulations (als ‘Exempt Beneficial Owner’, ‘Registered Deemed-Compliant’, of ’Certified Deemed-Compliant’), dan dient de FI die (vrijgestelde) kwalificatie te hanteren mits de rekeninghouder de daarvoor benodigde bewijsstukken kan overleggen.
**(Bijlage I, onderdeel IV.D.3 NL IGA).**
**(Bijlage I, onderdeel IV.D.3 NL IGA).**
### 2.15. Direct Reporting NFFE
**(Bijlage I, onderdeel IV.D.4 NL IGA).**
**(Bijlage I, onderdeel IV.D.4 NL IGA).**
### 2.16. Uitzondering voor “diplomaten”
Voor nieuwe rekeninghouders biedt, als uit de indicia blijkt dat zij in de VS zijn geboren, de bepaling in de NL IGA, Annex I, onderdeel B.4.a.3, soelaas. Er is een redelijke verklaring dat er geen Amerikaanse nationaliteit is verkregen bij de geboorte in de VS.
Voor nieuwe rekeninghouders biedt, als uit de indicia blijkt dat zij in de VS zijn geboren, de bepaling in de NL IGA, Annex I, onderdeel B.4.a.3, soelaas. Er is een redelijke verklaring dat er geen Amerikaanse nationaliteit is verkregen bij de geboorte in de VS.
### 2.17. Vrijgestelde beleggingsentiteit waarvan de aandelen of participaties volledig in handen zijn van vrijgestelde begunstigden
### 2.17. Vrijgestelde beleggingsentiteit waarvan de aandelen of participaties volledig in handen zijn van vrijgestelde begunstigden
**(Bijlage II, onderdeel I.E NL IGA).**
**(Bijlage II, onderdeel I.E NL IGA).**
### 2.18. Verzekeringsproducten en rechtsvoorgangers
**(Onderdeel III van Bijlage II NL IGA).**
In onderdeel III.B van Bijlage II van de NL IGA staat een aantal vervallen artikelen. Ten aanzien van de rekeningen en producten in deze artikelen is in de memorie van toelichting bij de NL IGA opgenomen dat deze producten door overgangsrecht als zodanig blijven bestaan, waardoor uitsluiting van rapportage aan de VS in Bijlage II nodig blijft.
Ook de verzekeringsproducten die rechtsvoorgangers zijn van de verzekeringsproducten die zijn opgenomen in onderdeel III.A.3 en III.B.2 van Bijlage II van de NL IGA vallen onder deze vrijstelling. Het betreft hier alle producten die aftrekbaar zijn in de opbouwfase en belastbaar zijn in de fase van uitkering waarop de [artikelen 3.124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.124), [3.125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.125) en [3.126a Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a) van toepassing zijn. Zie ook 1.47.
**(Bijlage II, onderdeel III.B NL IGA).**
**(Bijlage II, onderdeel III.B NL IGA).**
### 2.19. Geen keuzerecht NFFE voor rekeninghouder
Om te bepalen of een entiteit voor FATCA een NFFE is, mag een FI in plaats van de definitie in de NL IGA ook de definitie hanteren zoals opgenomen in de Amerikaanse uitvoeringsvoorschriften (De ‘Final Regs’). Een FI heeft hierin dus een keuze. De FATCA is gericht op verplichtingen die worden opgelegd aan een FI. De FI is degene die moet rapporteren. Daarom hebben rekeninghouders dit keuzerecht niet.
### Artikel II. Ingetrokken regeling[en]
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
### Artikel III. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Artikel IV. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CRS-regelgeving.
De citeertitel wordt afgekort tot: Leidraad FATCA/CRS.
De citeertitel wordt afgekort tot: Leidraad FATCA/CRS.
### Sectie VI. Due diligence-bepalingen ten aanzien van nieuwe rekeningen van entiteiten
### 1.25. Gevolgen als een FI geen ingevuld self certification-formulier ontvangt
Een FI moet bij de opening van een nieuwe rekening van een entiteit een compleet ingevuld self certification-formulier van haar rekeninghouder verkrijgen om vast te stellen wat de status is van de entiteit en haar uiteindelijke belanghebbenden ([artikel 7, eerste lid, UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=7) en Sectie VI.A.1.a CRS en onderdeel V.B.3 van Bijlage I NL IGA).
Uitsluitend in het geval validatie van een self certification-formulier een day-two procedure is kan een nieuwe rekening geopend worden in afwachting van de uitkomst van de validatie. Hiervoor mag maximaal 90 dagen de tijd worden genomen.
### Sectie VII. Bijzondere due diligence-bepalingen
### 1.26. Uitleg van het begrip ‘aanleiding om aan te nemen dat’
Een FI mag zich niet baseren op eigen verklaringen of bewijsstukken als haar bekend is of er aanleiding is om aan te nemen dat deze verklaringen of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn. Het begrip ‘aanleiding om aan te nemen dat’ is een vertaling van het begrip ‘reason to know’. Voor de invulling van dit begrip wordt voor de toepassing van de FATCA aangesloten bij de punten 3 tot en met 9 van paragraaf A van Sectie VII van het CRS-commentaar. Punt 10 van paragraaf A van Sectie VII van dat commentaar is voor de NL IGA niet van toepassing, omdat de VS ook uitgaat van Amerikaans staatsburgerschap. Als er sprake is van een of meer (Amerikaanse) indicatoren vormt dit mogelijk een aanleiding om aan te nemen dat de eerdere verklaringen of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn. Dit zal afhangen van de aard van de indicator en de reparatiemogelijkheden daarvan.
**(CRS-commentaar op Sectie VII, A.3 en onderdeel VI.A van Bijlage 1 NL IGA.)**
### 1.27. Toepassing aggregatieregels
**(Sectie VII.C CRS en onderdeel VI.C van bijlage I NL IGA.)**
### 1.28. Wisselkoers per 31 december van een jaar
Voor het omrekenen van de rekeningbedragen naar een andere valuta dan de USD moet de FI de wisselkoers van 31 december van het voorgaande kalenderjaar nemen (onderdeel VI.C.4 van Bijlage I NL IGA). Voor de rapportage over een van het kalenderjaar afwijkend tijdvak moet de FI niet het saldo van een rekening aan het einde van het kalenderjaar nemen, maar het saldo aan het einde van die ‘andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden’ (onderdeel I.B.3. van Bijlage I NL IGA). In het laatste geval moet de omrekenkoers op de laatste dag van die andere periode gebruikt worden.
### Sectie VIII. Definities
### 1.29. (Dubbel) inwonerschap van een FI en feitelijke leiding
Een FI valt onder de jurisdictie waar zij fiscaal gevestigd is (CRS-commentaar bij Sectie VIII.A 2). De nationale wet van een jurisdictie bepaalt wanneer sprake is van fiscaal inwonerschap. De Belastingdienst beoordeelt op grond van de criteria van [artikel 4 AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=4) of een FI inwoner is van Nederland en daarmee onder het toepassingsbereik van de CRS valt. Voor de NL IGA is dit ter verduidelijking in het Memorandum of Understanding (MoU) opgenomen.
**(Kamerstukken II 2013/14,** **33 985, nr. 3** **, Bijlage, Goedkeuringswet NL IGA.)**
### 1.30. Verzekeringsmaatschappij
Voor de nadere invulling van het begrip ‘verzekeringsmaatschappij’ wordt verwezen naar het CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punten 26 tot en met 29. Dit commentaar geldt, naast de Final Regulations (§1.1471-1 (b)(65) en §1.1471- 5(e)(1)(iv)), ook voor de toepassing van de FATCA.
### 1.31. Internationale organisatie
Een internationale organisatie kan een NFE of een FI zijn. Als het een NFE is dan is het op grond van Sectie VIII, D.9.c CRS en Bijlage I.VI.B.4.d NL IGA een Actieve NF(F)E. Voor zover internationale organisaties voldoen aan de definitie van FI zijn zij niet-rapporterende FI’s (Sectie VIII, B.1.a, B.3 CRS, en in Bijlage II.I.C NL IGA). Internationale organisaties zijn de internationale instellingen waaraan Nederland vrijstelling van belasting verleent ([artikel 39 AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=39)). De lijst met instellingen die Nederland aanmerkt als een dergelijke internationale organisatie is opgenomen in [artikel 20 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=20).
### 1.32. Uitleg van het begrip ‘passief inkomen’: definitie uit CRS-commentaar
Het begrip ‘passief inkomen’ wordt gehanteerd voor de toepassing van de inkomenstest of een entiteit een actieve NFE is (onderdeel VI.B.4.a van Bijlage 1 NL IGA). In de Final Regulations (zie §1.1472-1(c)(1)(iv)(A)) staat een definitie van ‘passief inkomen’. Deze definitie kan echter niet op grond van artikel 4, zevende lid, NL IGA worden toegepast in de Nederlandse situatie omdat de NL IGA het begrip “passief inkomen” niet bevat.
### 1.33. Uitleg van het begrip ‘een wezenlijk deel van de activiteiten’
Er geldt een aantal criteria waaraan een (NL IGA: niet-Amerikaanse) entiteit die geen FI is, moet voldoen om als actieve NFE te worden aangemerkt (sectie VIII.D.9.d CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII.D.9.d, punt 130, en onderdeel VI.B.4 van Bijlage I NL IGA). Een van de criteria is dat een wezenlijk deel van de activiteiten van de NFE bestaat uit het geheel of gedeeltelijk aanhouden van de geplaatste aandelen in, of het verstrekken van financiering of diensten aan (...). In dit verband betekent een ‘wezenlijk deel van de activiteiten’ dat 80% of meer van de activiteiten van de NFE moet bestaan uit de onder letter d van Sectie VIII.D.9 CRS en onder letter e van onderdeel VI.B.4 van Bijlage I NL IGA omschreven activiteiten van de NFE. Als de holdingactiviteiten en/of het verschaffen van financiering of diensten van de NFE aan (klein)dochterondernemingen minder dan 80% inhouden, maar de NFE wel actief inkomen verkrijgt uit andere bron(nen), dan kan de NFE toch gekwalificeerd worden als actieve NFE. De totale activiteiten moeten dan voldoen aan de ‘wezenlijk deel’-toets. Om te bepalen of andere activiteiten dan holding- of financieringsactiviteiten de NFE kunnen aanmerken als actief, moet de NFE de toets genoemd in Sectie VIII.D.9.a (wat de CRS betreft) of in onderdeel VI.B.4.a van Bijlage I NL IGA toepassen. Een NFE kan bijvoorbeeld holdingactiviteiten verrichten en/of financiering en diensten verstrekken voor 60% en tegelijkertijd voor 40% functioneren als een groepsdistributiecentrum en de inkomsten daaruit actief zijn. Er is dan sprake van een actieve NFE ook al bestaat minder dan 80% van de activiteiten uit holdingactiviteiten en/of het verstrekken van financiering en diensten aan een of meer (klein)dochtermaatschappijen (sectie VIII.D.9.a CRS en onderdeel VI.B.4.a van Bijlage I NL IGA).
### 1.34. Dochtermaatschappij van actieve N(F)FE
Er is onder meer sprake van een actieve N(F)FE, als een substantieel deel van de activiteiten van de NFE bestaat uit het **geheel of gedeeltelijk** aanhouden van de geplaatste aandelen van, of het verschaffen van financiering en diensten aan, een of meer dochterondernemingen die betrokken zijn bij handels- of bedrijfsactiviteiten anders dan die van een financiële instelling. Er is voor een entiteit sprake van een dochtermaatschappij wanneer de entiteit, direct of indirect, alle of een deel van de uitstaande aandelen van de dochter aanhoudt **(Bijlage I, onderdeel VI.B.4(e) NL IGA en Richtlijn 2011/16/EU, Bijlage I, Sectie VIII, onderdeel D.8(d))**.
### 1.35. Treasury center binnen een (niet-) financiële groep
Een Treasury center in een niet-financiële groep is zowel voor de NL IGA als de CRS een actieve NFE.
### 1.36. Activiteitentoets voor een beleggingsentiteit
Het staat een FI vrij om in plaats van de definitie in artikel 1.j NL IGA te kiezen voor de definitie van ‘investment entity’ uit de Final Regulations (artikel 4, zevende lid, NL IGA en [artikel 2a, derde lid, UB WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030973&artikel=2a)). Als een FI dat doet, kiest zij voor integrale toepassing van de definitie van ‘investment entity’ zoals omschreven in §1.1471-5(e)(4) Final Regulations. Conform §1.1471-5(e)(4)(i)(B) van de definitie is de FI eerder dan op grond van de definitie in de NL IGA een beleggingsentiteit als haar activiteiten beheerd worden door een andere beleggingsentiteit, een instelling die deposito’s neemt, een bewaarinstelling zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, NL IGA, of een verzekeringsmaatschappij of holdingmaatschappij zoals omschreven in §1.1471-5(e)(1)(iv) Final Regulations. De beheerde beleggingsentiteit moet dan wel voldoen aan de inkomenstoets van §1.1471-5(e)(4)(iv)(A) Final Regulations.
### 1.37. Activiteitentoets voor een instelling die deposito’s neemt
Onder de uitdrukking ‘een instelling die deposito’s neemt’ wordt in de NL IGA verstaan een entiteit die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf. De beoordeling of sprake is van een instelling die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf wordt gedaan aan de hand van de daadwerkelijke activiteiten van die instelling en niet aan de hand van haar statuten.
### 1.38. Aandeelhouders uit één familie
Entiteiten, anders dan een trust, waarvan de activa bestaan uit kasgeld of beleggingen – of een holdingmaatschappij daarvan -, zijn een beleggingsentiteit in de zin van Sectie VIII.A.6 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA.
### 1.39. Beleggingsinstellingen
Onder beleggingsinstellingen vallen:
### 1.40. Beleggingsadviseurs en (vermogens)beheerders
Een beleggingsentiteit die inwoner is van Nederland heeft onder omstandigheden geen rapportageverplichtingen. Dan zullen haar activiteiten uitsluitend moeten bestaan uit het verstrekken van beleggingsadvies aan of het optreden namens een cliënt, dan wel het beheren van portefeuilles voor een cliënt op basis van een volmacht of soortgelijk instrument.
### 1.41. ‘Qualified credit card issuers’
Een rapporterende FI hoeft een creditcardrekening of een doorlopend-kredietfaciliteit die wordt behandeld als een nieuwe rekening van een entiteit, niet te controleren, identificeren of te rapporteren. Voorwaarde daarbij is dat de rapporterende FI die een dergelijke rekening beheert, beleid en procedures implementeert om te voorkomen dat het saldo verschuldigd aan de rekeninghouder hoger wordt dan USD 50.000 (Sectie VIII.B.8.b CRS en onderdeel V.A van Bijlage I NL IGA.)
### 1.42. Swapovereenkomst en securities lending-overeenkomst (geen ‘debt interest’ in beleggingsentiteit)
Een ISDA-swapovereenkomst of een GMSLA vormt geen financiële rekening voor een beleggingsentiteit. De vordering die voortvloeit uit deze raamovereenkomsten is niet aan te merken als vordering (‘debt interest’) op een beleggingsentiteit, omdat de vordering geen betrekking heeft op het belegde vermogen of de beleggingsresultaten van de beleggingsentiteit. Ook moet een ‘debt interest’ worden uitgegeven door het fonds, waarvan in deze gevallen geen sprake is.
### 1.43. Onderpandrekening
Een bewaarrekening is een rekening die gehouden wordt ten gunste van een derde die een financieel instrument of een overeenkomst inzake rechten van deelneming houdt, bijvoorbeeld aandelen of belangen in een onderneming, waardepapieren, obligaties of andere schuldbewijzen (Sectie VIII.C.3 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel u, NL IGA). Deze definitie van bewaarrekening ziet op alle rekeningen die ten gunste van derden worden gehouden, ook op het houden van onderpand (‘collateral account’) voor een ander, tenzij het gaat om geld als onderpand. Onderpand in de vorm van geld vormt namelijk een depositorekening (Sectie VIII.C.2 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel t, NL IGA). De exacte voorwaarden van de overeenkomst zijn bepalend voor de vraag of sprake is van onderpand of niet. Als de FI als uitlenende partij bij een securities lending-transactie zelf de juridische eigendom van het onderpand heeft verkregen, dan vormt het verkregen collateral account geen bewaarrekening bij de FI zelf. Door de verkrijging van de juridische eigendom is immers geen sprake van het houden ten gunste van een derde. Dit geldt ook voor vergelijkbaar cash collateral account verkregen in het kader van bijvoorbeeld een GMSLA, een ISDA-swapovereenkomst, een CSA, een clearingovereenkomst in verband met de clearing van derivaten of een futures-overeenkomst.
### 1.44. Bestaande rekeninghouder met nieuwe rekening
Een nieuwe rekening die geopend wordt door een bestaande rekeninghouder, kan voor de CRS nog steeds aangemerkt worden als een bestaande rekening, mits:
### 1.45. Bestaande rekeningen verzekeringsproducten
Bestaande levensverzekeringen die zijn afgesloten voor 30 juni 2014 (van belang voor de NL IGA) en 31 december 2015 (van belang voor de CRS) en waarop na die data aanpassingen worden gedaan of na die data nabetalingen worden verricht bij inmiddels beëindigde verzekeringen, kunnen gekwalificeerd worden als bestaande rekeningen. Aanpassingen of nabetalingen laten de eventueel van toepassing zijnde uitzondering van onderdeel II.A.3 van Bijlage I NL IGA onverlet. Dit is anders als het karakter van de levensverzekering zodanig verandert dat deze niet meer onder de uitzondering valt omdat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan.
### 1.46. Uitzonderingen op het begrip ‘financiële rekening’ (‘Financial Account’; Excluded Account’)
Voor de CRS zijn de categorieën ‘uitgezonderde rekeningen’ (rekeningen die geen financiële rekening zijn en daarom zijn uitgezonderd van rapportage) geregeld in Sectie VIII.C.17 CRS en het daarbij behorende commentaar. Om te kunnen bepalen of een rekening voldoet aan de eisen van een categorie ‘uitgezonderde rekening’, mag de FI vertrouwen op de informatie waarover zij beschikt of die publiekelijk beschikbaar is.
### 1.47. Overleden rekeninghouder
Als een rekeninghouder overlijdt, hoeft de FI de rekening of de verzekeringsovereenkomst niet als te rapporteren te kwalificeren in het jaar van overlijden, als de rekening of de verzekeringsovereenkomst behoort tot een nog niet afgewikkelde nalatenschap. Dat hoeft ook niet in de daaropvolgende jaren als de nalatenschap nog niet is afgewikkeld. Vereist is wel dat de FI beschikt over een kopie van de akte van overlijden, een kopie van het testament of een verklaring van erfrecht. Het moment van overlijden wordt gelijkgesteld met het moment waarop de FI voor het eerst bekend wordt met het overlijden van de rekeninghouder.
### 1.48. Overleden UBO
Een UBO in het kader van FATCA en CRS is een natuurlijk persoon die het uiteindelijk belang heeft in een vennootschap of andere juridische entiteit. Als die persoon is overleden dan gaat het door die persoon gehouden belang over op een ander, doorgaans de erfgenamen. Een overleden persoon kan geen stemrecht hebben, aandelen houden of het feitelijk voor het zeggen hebben. Dat betekent dat een overleden UBO niet behoeft te worden gerapporteerd. Het overlijden van een UBO kan gezien worden als een wijziging van omstandigheden. [Artikel 6, derde lid, eerste alinea, UB CRS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=6), luidt:
### 1.49. Erkende effectenbeurs
In de [WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954) wordt een ‘te rapporteren persoon’ gedefinieerd als een persoon uit een deelnemend rechtsgebied, niet zijnde: 1°. een vennootschap waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op een of meer erkende effectenbeurzen; (...) ([artikel 2a, eerste lid, onderdeel p, WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=2a)).
### 1.50. Regelmatig verhandeld
In de Final Regulations is aangegeven dat van regelmatig verhandelde aandelen in een kalenderjaar sprake is indien:
### 1.51. Stichting administratiekantoor (STAK)
Voor de NL IGA is in het MoU opgenomen dat een Stichting Administratiekantoor (STAK) gevestigd in Nederland wordt behandeld als een passieve NFE. Alleen als de certificaten van de STAK regelmatig verhandeld worden op een erkende effectenbeurs is sprake van een actieve NFE.
### 1.52. Holding bestuurd door een trustkantoor
Een holdingmaatschappij die als actieve NFE kan worden aangemerkt, behoudt die kwalificatie ook als die holdingmaatschappij bestuurd wordt door een (werknemer van een) trustkantoor dat een FI is.
### 1.53. Nadere uitleg van het begrip ‘gelieerde entiteit’
Voor de CRS is sprake van een gelieerde entiteit als een van de entiteiten de andere beheerst of als beide entiteiten onder een gemeenschappelijke zeggenschap vallen. Onder zeggenschap verstaat de CRS mede de directe of indirecte eigendom van meer dan 50% van het stemrecht **en** het vermogen/belang (‘value’) in een entiteit. (Zie het CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf E, punt 145.) Dit komt overeen met de Final Regulations voor de FATCA (zie §1.1471-5 (i)(4)(i)).
### 1.54. Rijbewijs kan geldig gedocumenteerd bewijsstuk zijn
In Sectie VIII.E.6 CRS en in onderdeel VI.D van Bijlage I NL IGA blijkt welke bewijsstukken voor de toepassing van de due diligence-procedures als aanvaardbaar worden aangemerkt. Voor natuurlijke personen valt een geldig identiteitsbewijs onder de aanvaardbare bewijsstukken als dat is afgegeven door een bevoegd overheidsorgaan en daarop de naam van de natuurlijke persoon staat. Voor het cliëntonderzoek dat FI’s moeten uitvoeren op grond van de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) kan een rijbewijs gelden als identiteitsbewijs. Voorwaarde daarbij is dat sprake is van een geldig Nederlands rijbewijs dan wel een geldig rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere EU-lidstaat en voorzien is van een pasfoto en de naam van de houder (Zie [artikel 11 Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=11) jo [artikel 4 Uitvoeringsregeling Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024275&artikel=4)).
### 1.55. ‘Securities Lending’
De leenvergoeding en de dividend vervangende betaling zijn aan te merken als ‘overige inkomsten gegenereerd met betrekking tot de activa/het vermogen op de rekening’ ([artikel 10c, eerste lid, letter a, onder 1°, WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10c) en artikel 2, 5.A. NL IGA). FI’s moeten dit in het kader van FATCA en CRS rapporteren.
### 1.56. De insolvente rekeninghouder (natuurlijk persoon)
Indien een bewindvoerder voor een schuldenaar in de zin van de [Wet schuldsanering natuurlijke personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009730) (WSNP) een (boedel)rekening opent, is het de schuldenaar zelf die vanuit CRS-perspectief de rekeninghouder is.11Dit geldt eveneens in de situatie van de schuldenaar die failliet verklaard is en waarvoor een curator optreedt.
### 1.57. Buitenlands telefoonnummer
Voor de identificatie van een in het kader van de CRS te rapporteren rekening hoeft een buitenlands telefoonnummer binnen de EU niet te gelden als indicium, mits alle overige indicia naar één EU-lidstaat wijzen.
### 1.58. Minderjarige rekeninghouder
Voor de rapportage van een rekening van een minderjarig kind in het kader van de CRS is enkel van belang waar het kind fiscaal inwoner is. De fiscale woonplaats van de ouders is niet relevant, ook niet in het geval zij een volmacht hebben. Indien de ouders namens een minderjarige in een CRS-land wonende rekeninghouder het self-certification-formulier ondertekenen, dienen zij tevens een kopie van hun paspoort te verstrekken. De handtekeningen op het formulier en op de paspoorten dienen met elkaar overeen te komen. Indien niet weersproken door reeds bekende indicia mag voor het bepalen van de fiscale woonstaat van het kind worden uitgegaan van hetgeen door de ouders op het self certification-formulier is vermeld. Zie ook 1.20.
### 1.59. Redelijke inspanning voor het verkrijgen van een TIN in kader CRS
Bij het ondertekenen van het self certification-formulier bevestigt de klant dat hij de gegevens naar waarheid heeft ingevuld en eventuele wijzingen binnen 30 dagen zal doorgeven. Er zijn situaties dat er in een self certification-formulier wordt aangeven dat de klant fiscaal inwoner is van een land maar geen TIN heeft, terwijl het land van fiscaal inwonerschap wel TIN’s uitgeeft.
### Hoofdstuk 2. Uitsluitend FATCA-specifieke onderwerpen
In de Final Regulations wordt een entiteit die een holdingmaatschappij of een treasury center is, aangemerkt als een FI, mits deze deel uitmaakt van dezelfde uitgebreide groep van verbonden ondernemingen (‘Expanded Affiliated Group’) waartoe ten minste één FI behoort, of gevormd wordt dan wel gebruikt wordt door bepaalde beleggingsvehikels (§1.1471-5(e)(1)(v) Final Regulations). Voor de toepassing van de NL IGA kwalificeert een dergelijke holdingmaatschappij of een dergelijk treasury center zich echter in beginsel als een actieve NFFE als aan de daar genoemde vereisten is voldaan (onderdelen VI.B.4.e en h van Bijlage I NL IGA). Als dat niet het geval is, kwalificeert een dergelijke holdingmaatschappij of een dergelijk treasury center als een passieve NFFE.
### 2.2. Het begrip ‘Amerikaans persoon’ in relatie tot Amerikaanse territoria
De NL IGA definieert het begrip ‘Amerikaans persoon’ (‘US Person’). Een natuurlijk persoon die geboren is in een van de Amerikaanse territoria is Amerikaans staatsburger en dus een Amerikaans persoon, met uitzondering van personen geboren op de Noordelijke Marianen voor 4 november 1986 en van personen geboren op Amerikaans Samoa. De NL IGA definieert ook de Amerikaanse territoria (artikel 1, eerste lid, onderdeel b, NL IGA). Ook een natuurlijk persoon die niet geboren is in de Amerikaanse territoria maar daar wel inwoner is en een green card heeft, is een Amerikaans persoon. Een natuurlijk persoon die niet geboren is in de Amerikaanse territoria, daar inwoner is, maar geen green card heeft, is echter geen Amerikaans persoon. Een entiteit is een Amerikaans persoon als deze is opgericht (‘incorporated’) naar het recht van de VS. Een entiteit die is opgericht naar het recht van een van de Amerikaanse territoria is geen Amerikaans persoon.
### 2.3. Geldigheidsduur van de (W8- en W9-, self certification-)formulieren
Voor de toepassing van de NL IGA-identificatie van een bestaande klant of een persoon die klant wil worden, zijn het voor de Nederlandse markt ontwikkelde self certification-formulier en de Amerikaanse W8- en W9-formulieren voor onbepaalde tijd geldig. Hierbij geldt als voorwaarde, dat deze formulieren een US TIN bevatten als dit op basis van de kwalificatie van de rekeninghouder vereist is. Volgens de algemene regel zijn het self certification-formulier en het W8- en W9-formulier geldig totdat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die invloed heeft, of kan hebben, op de FATCA-status die uit het self certification-formulier of het W8- of W9-formulier van de rekeninghouder blijkt. Daarnaast gelden de volgende regels:
### 2.4. Basisbetaalrekening
Op basis van de Europese richtlijn betaalrekeningen15(Payments Accounts Directive-richtlijn: [Richtlijn 2014/92](32014L0092)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties, **PbEU** 2014, L257/214), voor Nederland in wetgeving verankerd in de [Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), hebben consumenten (natuurlijke personen) in de Europese Unie (EU) het recht om een basisbetaalrekening te openen en te gebruiken. Een basisbetaalrekening is een rekening waarop geen debetstand mogelijk is. Banken zijn verplicht om op aanvraag een basisbetaalrekening te openen tenzij er een weigeringsgrond van toepassing is ([artikel 4:71f Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:71f)). Het enkel ontbreken van een US TIN is geen weigeringsgrond in de zin van artikel 4:71f Wft. In algemene zin kan een FI in een individueel geval het openen van een basisbetaalrekening weigeren, of kan zij een bestaande betaalrekening sluiten, indien zij kan aantonen dat er sprake is van opzettelijk witwassen en/of belastingontduiking. Bij afwezigheid van een weigeringsgrond is een FI dus verplicht om – op aanvraag – een basisbetaalrekening te openen voor een US Person die niet beschikt over een US TIN.16Zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/03/18/beantwoording-kamervragen-over-uitwerking-fatca Zie ook [artikel 4:71i, Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:71i) waarin de voorwaarden staan waarop de bank de toegang tot een basisbetaalrekening kan beëindigen en waarin het vereiste staat dat de rekeninghouder daarvan in kennis wordt gesteld.
### 2.5. Invulling van het begrip ‘betalingen’
In de NL IGA staat de verplichting voor FI’s om over de jaren 2015 en 2016 de naam van elke niet-participerende FI, waaraan de FI betalingen heeft gedaan te rapporteren, alsmede het totale bedrag van betalingen gedaan aan elke niet-participerende financiële instelling. Een niet-participerende FI rapporteert niet en kan ook buiten Nederland gevestigd zijn. Zo’n instelling is daarmee te onderscheiden van een FI die wel in Nederland is gevestigd en gegevens rapporteert. Het begrip ‘betalingen’ omvat in principe elke betaling van Amerikaans FDAP-inkomen (Fixed, Determinable, Annual or Periodical income). Vanwege de uitgebreidheid van dit begrip en de beperkte jaren waarover rapportage nodig is, is met de VS afgesproken dat de te rapporteren gegevens over betalingen aan niet-participerende financiële instellingen voor toepassing van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, NL IGA, dezelfde gegevens zijn als genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, subonderdelen 5 tot en met 7, NL IGA. Hierdoor hoeft een FI, onafhankelijk van de vorm van verleende dienstverlening, dus geen betalingen aan niet-participerende financiële instellingen meer te rapporteren. Het is voldoende dat de gegevens die een FI normaliter over een te rapporteren rekeninghouder zou moeten rapporteren, ook rapporteert ten aanzien van de rekeningen die een niet-participerende financiële instelling bij de FI aanhoudt. In het geval van een verzekeringsmaatschappij leidt dit niet tot rapportage over de uitkering aan een begunstigde die een rekening aanhoudt bij een niet-participerende financiële instelling. De FI moet per jaar het totale bedrag aan waarden en inkomen per elke niet-participerende financiële instelling rapporteren.
### 2.6. (Geen) registratieplicht voor niet-rapporterende financiële instellingen
De NL IGA bepaalt dat FI’s zich moeten registreren bij de ‘IRS registration portal’. Deze verplichting geldt niet voor niet-rapporterende FI’s die van rapportage zijn uitgezonderd (artikel 1, eerste lid, onderdeel q, NL IGA), tenzij:
### 2.7. Geen wettelijke basis voor inhouding door Primary Withholding Qualified Intermediary (QI)
De NL IGA bepaalt dat een FI die besloten heeft de primaire inhoudingsplicht te aanvaarden (‘Primary Withholding QI’ op grond van Hoofdstuk 3 van de IRS), of die een Withholding Foreign Partnership of Withholding Foreign Trust is, 30% bronbelasting moet inhouden op elke uit de VS afkomstige en aan inhouding onderworpen betaling aan een niet-participerende FI. Deze voorgeschreven inhouding vloeit voort uit de aangepaste QI-agreement met de IRS, die op de website van de IRS is gepubliceerd.17https://www.irs.gov/pub/irs-drop/rp-17-15.pdf
### 2.8. Verplichtingen van FI’s die geen Primary Withholding Qualified Intermediary zijn
Als een FI een betaling doet of optreedt als tussenpersoon voor uit de VS afkomstige en aan inhouding onderworpen betalingen aan een niet-participerende FI, moet deze FI de benodigde informatie verstrekken aan de rechtstreekse betaler van deze betaling (‘withholding agent’). Deze withholding agent kan dan op grond van die informatie de bronbelasting inhouden en rapporteren over de betaling aan de niet-participerende FI. De vraag rees wat deze bepaling in samenhang met artikel 5, derde lid, NL IGA betekent voor een CSD. Ook werd gevraagd hoe de inhouding van bronbelasting zou moeten lopen als betalingen worden gedaan aan een FI die niet optreedt als Primary Withholding QI.
### Annex I
Het saldo of de waarde van een rekening in verband met de drempelvrijstelling wordt bepaald per 30 juni 2014 of per de laatste dag van de rapportageperiode die eindigt voor 30 juni 2014. Voor het jaar 2014 kunnen FI’s in plaats van de waarde per 30 juni 2014 ook de waarde nemen per de laatste dag van het laatste boekjaar dat eindigt voor 30 juni 2014. De datum die de FI kiest, geldt voor alle rekeningen binnen de businessunits van de FI.
### 2.10. Gunstigere identificatieprocedures uit de Final Regulations
FI’s kunnen ervoor kiezen om bij de identificatie van rekeningen op grond van [artikel 2a, vijfde lid, UB WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030973&artikel=2a) de Final Regulations toe te passen. Als de FI die keuze maakt voor het identificeren van nieuwe rekeningen van individuele personen en/of entiteiten, betekent dit dat de FI eerst bewijsstukken opvraagt waaruit het vaste adres van de rekeninghouder/natuurlijk persoon blijkt of het land waarvan de rekeninghouder/natuurlijk persoon inwoner of burger is, dan wel waarin de rekeninghouder/entiteit gevestigd is of naar het recht van welk land de rekeninghouder/entiteit is opgericht.
### Onderdeel II. Bestaande rekeningen van natuurlijke personen
Een FI hoeft geen bestaande kapitaal- of lijfrenteverzekering te onderzoeken, identificeren en rapporteren als de FI niet beschikt over de vereiste registratie naar Amerikaans recht om zulke verzekeringen aan te bieden aan inwoners van de VS, en als er ook sprake is van rapportage van of inhouding over zulke verzekeringen van inwoners van Nederland. Bijvoorbeeld, levensverzekeringen die vallen in box 3 en die een FI als zodanig renseigneert aan de Belastingdienst, of levensverzekeringen en vergelijkbare (bancaire) producten waarop inhouding van loonheffing plaatsvindt als deze in een keer worden uitgekeerd of tot periodieke uitkeringen leiden, voldoen aan het rapportage- of inhoudingsvereiste. Het is niet vereist dat het alleen gaat om levensverzekeringen en (bancaire) producten die in het kader van de binnenlandse renseignering in box 1 vallen, om te voldoen aan de uitzondering genoemd in onderdeel II.A.3 van Bijlage I.
### 2.12. US TIN opvragen bij self certification
Een klant die een nieuwe rekening opent op of na 1 juli 2014 moet een self certification-formulier met daarin een US TIN inleveren bij zijn FI. Voor de voor 1 juli 2014 bestaande rekeningen konden de FI’s bij de rapportage volstaan met een geboortedatum in plaats van een US TIN. Vanaf 1 januari 2020 moet voor deze rekeningen ook de US TIN worden geregistreerd zodat deze kan worden meegeleverd in september 2021 aan de IRS.
### 2.13. Versoepeling afstand doen van Amerikaanse nationaliteit
Op 6 september 2019 kwam de IRS met een bericht (IR-2019-151) dat beoogde tegemoet te komen aan (een deel van) de zogenoemde ‘accidental Americans’.19https://www.irs.gov/newsroom/irs-announces-new-procedures-to-enable-certain-expatriated-individuals-a-way-to-come-into-compliance-with-their-us-tax-and-filing-obligations Natuurlijke personen die buiten de VS wonen met (ook) de Amerikaanse nationaliteit kunnen onder bepaalde voorwaarden afstand doen van hun Amerikaanse nationaliteit zonder de reguliere US TIN/SSN procedure te doorlopen.20Zie: https://www.irs.gov/individuals/international-taxpayers/relief-procedures-for-certain-former-citizens.
### 2.14. Rekening houden met Bijlage II-status in FATCA-partnerstaat (identificatie van rekeninghouders met buitenlandse vrijgestelde status)
Elke FI moet onderzoeken wat de FATCA-status is van een bestaande rekeninghouder die een entiteit is. Als een dergelijke rekeninghouder een FI is die onder het toepassingsbereik van een IGA van een andere FATCA-partnerjurisdictie valt (vanwege de vestigingsplaats, het recht van oprichting of het adres), dan kan de FI deze rekeninghouder als een FATCA-partner-FI identificeren. Als de desbetreffende FATCA-partner-FI vrijgesteld is op grond van Bijlage II van die IGA, dan volgt de FI die kwalificatie.
### 2.15. Direct Reporting NFFE
Volgens de Final Regulations is een Direct Reporting NFFE een ‘Excepted NFFE’ (Zie §1.1472-1(c)(1)(vi) jo §1.1472-1(c)(3) Final Regulations). Een Direct Reporting NFFE krijgt na registratie ook een GIIN. Een in Nederland gevestigde passieve NFFE die ook een Direct Reporting NFFE is, wordt voor de toepassing van de NL IGA niet gekwalificeerd als een actieve NFFE in de zin van onderdeel VI.B.4.i van Bijlage I NL IGA. Voor de toepassing van de IGA moet een FI de voorgeschreven klantidentificatieregels toepassen voor een in Nederland gevestigde passieve NFFE, ook al is die FI een Direct Reporting NFFE. Als de rekeninghouder een niet in Nederland gevestigde passieve NFFE is die ook een Direct Reporting NFFE is, dan hoeft de FI geen gegevens van de personen met zeggenschap te identificeren en te rapporteren. De in het buitenland gevestigde Direct Reporting NFFE rapporteert direct de informatie over dat lichaam aan de IRS.
### 2.16. Uitzondering voor “diplomaten”
In de VS gestationeerde diplomaten zijn volgens de Amerikaanse regels niet **“...subject to the jurisdiction thereof**” omdat zij in dienst zijn van een buitenlandse mogendheid en immuniteit genieten. Kinderen die in de VS geboren zijn verkrijgen dan ook niet de Amerikaanse nationaliteit als de ouder ten tijde van de geboorte namens een buitenlandse mogendheid met een diplomatieke status gestationeerd is in de VS.
### Annex II
De NL IGA voorziet in een vrijstelling van rapportage als elke directe houder van een aandelenbelang in de beleggingsentiteit een vrijgestelde begunstigde is en elke directe houder van een schuldvordering in de beleggingsentiteit hetzij een instelling is die deposito’s neemt (ter zake van een lening aan de beleggingsentiteit), hetzij een vrijgestelde begunstigde is. Voor de toepassing van deze vrijstelling geldt dat elke houder gevestigd is:
### 2.18. Verzekeringsproducten en rechtsvoorgangers
In onderdeel III van Bijlage II van de NL IGA is aangegeven welke categorieën rekeningen en producten geopend in Nederland en beheerd door een FI niet worden behandeld als financiële rekeningen en daarom geen Amerikaanse te rapporteren rekeningen zijn. Voor een toelichting op de verzekeringsproducten wordt verwezen naar de Handleiding gegevensaanlevering van verzekeringsproducten 2017, die ook ziet op de aanlevering in het kader van FATCA en CRS.
### 2.19. Geen keuzerecht NFFE voor rekeninghouder
Om te bepalen of een entiteit voor FATCA een NFFE is, mag een FI in plaats van de definitie in de NL IGA ook de definitie hanteren zoals opgenomen in de Amerikaanse uitvoeringsvoorschriften (De ‘Final Regs’). Een FI heeft hierin dus een keuze. De FATCA is gericht op verplichtingen die worden opgelegd aan een FI. De FI is degene die moet rapporteren. Daarom hebben rekeninghouders dit keuzerecht niet.
### Artikel II. Ingetrokken regeling[en]
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
### Artikel III. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Artikel IV. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CRS-regelgeving.
2020-10-15
Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CRS-r
2020-07-03
Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CRS-r
2020-06-24
Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CRS-r
2020-06-24
Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CR
original version Tekst op deze datum