Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 22 mei 2024, houdende regels ten behoeve van de kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet kinderopvang BES)
2 versions
· 2026-01-01 — 2026-04-01
2026-04-01
Wet kinderopvang BES — arts. 1, 2, 2 y 32 más
2026-01-01
Wet kinderopvang BES
original version
Tekst op deze datum
Wijzigingen op 2026-04-01
@@ -46,7 +46,7 @@
- **kinderopvangovereenkomst:** schriftelijke overeenkomst tussen de ouder en de houder van het kindercentrum of de gastouder over de opvang van een kind van de ouder in dat kindercentrum of door die gastouder;
- **kinderopvangvergoeding:** vergoeding voor de kosten van kinderopvang als bedoeld in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- **kinderopvangvergoeding:** vergoeding voor de kosten van kinderopvang als bedoeld in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.2&z=2026-04-01&g=2026-04-01);
- **Onze Minister:** Onze Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen;
@@ -54,7 +54,7 @@
- **ouder:** bloed- of aanverwant in opgaande lijn of pleegouder van een kind als bedoeld in [artikel 3 van de Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347&artikel=3);
- **ouderbijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 3.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=3.11&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- **ouderbijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 3.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=3.11&z=2026-04-01&g=2026-04-01);
- **stagiair:** degene die een opleiding volgt, waarvan het praktijkdeel een beperkt deel van de totale studieduur is, belast is met werkzaamheden bij de houder ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding en geen beroepskracht in opleiding is;
@@ -86,7 +86,7 @@
5. Ten behoeve van de advisering, bedoeld in het vierde lid, verzoekt het bestuurscollege:
- a. een op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aangewezen ambtenaar te onderzoeken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, bedoeld in dit hoofdstuk; en
- a. een op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), aangewezen ambtenaar te onderzoeken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, bedoeld in dit hoofdstuk; en
- b. dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
@@ -106,7 +106,7 @@
2. Een houder van een kindercentrum of een gastouder sluit een kinderopvangovereenkomst met een ouder die daarom verzoekt, tenzij sprake is van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen omstandigheid.
3. Indien geen kinderopvangovereenkomst tot stand komt of de kinderopvangovereenkomst wordt opgezegd omdat de houder van het kindercentrum of de gastouder weigert het kind op te vangen, kan de ouder zich voor bemiddeling wenden tot de onafhankelijke organisatie, bedoeld in [artikel 2.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.9&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
3. Indien geen kinderopvangovereenkomst tot stand komt of de kinderopvangovereenkomst wordt opgezegd omdat de houder van het kindercentrum of de gastouder weigert het kind op te vangen, kan de ouder zich voor bemiddeling wenden tot de onafhankelijke organisatie, bedoeld in [artikel 2.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.9&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de kinderopvangovereenkomst.
@@ -360,19 +360,19 @@
##### Artikel 2.11. Werkwijze houder bij strafbare feiten in kindercentrum
1. Indien de houder van een kindercentrum op enigerlei wijze bekend is geworden dat een bij zijn rechtspersoon werkzaam persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in [Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&titeldeel=XIV) of mishandeling als bedoeld in [Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&titeldeel=XX) jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door hem geboden kinderopvang, treedt de houder onverwijld in overleg met een deskundige als bedoeld in [artikel 2.10a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.10a&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de houder van een kindercentrum onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=1), en stelt de houder een deskundige als bedoeld in [artikel 2.10a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.10a&z=2026-01-01&g=2026-01-01), hiervan onverwijld in kennis.
1. Indien de houder van een kindercentrum op enigerlei wijze bekend is geworden dat een bij zijn rechtspersoon werkzaam persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in [Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&titeldeel=XIV) of mishandeling als bedoeld in [Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&titeldeel=XX) jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door hem geboden kinderopvang, treedt de houder onverwijld in overleg met een deskundige als bedoeld in [artikel 2.10a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.10a&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de houder van een kindercentrum onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=1), en stelt de houder een deskundige als bedoeld in [artikel 2.10a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.10a&z=2026-04-01&g=2026-04-01), hiervan onverwijld in kennis.
3. Indien een bij de rechtspersoon van de houder van een kindercentrum werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ander ten behoeve van de rechtspersoon van die houder werkzaam persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door de houder van een kindercentrum geboden kinderopvang, stelt hij de houder van dat kindercentrum daarvan onverwijld in kennis.
4. Indien toepassing van het derde lid ertoe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is [artikel 2.12, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.12&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van overeenkomstige toepassing.
4. Indien toepassing van het derde lid ertoe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is [artikel 2.12, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.12&z=2026-04-01&g=2026-04-01), van overeenkomstige toepassing.
5. De houder van een kindercentrum bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.
##### Artikel 2.12. Werkwijze bij strafbare feiten door houder kindercentrum
1. Indien een bij de rechtspersoon van de houder van een kindercentrum werkzame persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is van een kindercentrum zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in [Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&titeldeel=XIV) of mishandeling als bedoeld in [Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&titeldeel=XX) jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door die houder geboden kinderopvang kan degene in overleg treden met een deskundige als bedoeld in [artikel 2.10a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.10a&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
1. Indien een bij de rechtspersoon van de houder van een kindercentrum werkzame persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is van een kindercentrum zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in [Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&titeldeel=XIV) of mishandeling als bedoeld in [Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&titeldeel=XX) jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door die houder geboden kinderopvang kan degene in overleg treden met een deskundige als bedoeld in [artikel 2.10a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.10a&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
2. Indien sprake is van een redelijk vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de persoon die werkzaam is bij rechtspersoon van de houder van een kindercentrum onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=1).
@@ -380,13 +380,13 @@
##### Artikel 2.13. Werkwijze bij strafbare feiten gastouderopvang
Indien een gastouder op enigerlei wijze bekend is geworden dat een persoon van 18 jaar of ouder die structureel aanwezig is op een locatie waar gastouderopvang plaatsvindt zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in [Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&titeldeel=XIV) of mishandeling als bedoeld in [Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&titeldeel=XX), treedt de gastouder onverwijld in overleg met een deskundige als bedoeld in [artikel 2.10a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.10a&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
Indien een gastouder op enigerlei wijze bekend is geworden dat een persoon van 18 jaar of ouder die structureel aanwezig is op een locatie waar gastouderopvang plaatsvindt zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in [Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&titeldeel=XIV) of mishandeling als bedoeld in [Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&titeldeel=XX), treedt de gastouder onverwijld in overleg met een deskundige als bedoeld in [artikel 2.10a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.10a&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
##### Artikel 2.14. Informatieverstrekking aan ouders en personeel
1. Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen en eenieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.
2. Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01):
2. Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.4&z=2026-04-01&g=2026-04-01):
- a. de ouders van de kinderen die in dat kindercentrum of die gastouderopvang worden opgevangen, en
@@ -428,7 +428,7 @@
- b. met de houders van kindercentra en gastouders en met de bevoegde gezagsorganen van de basisscholen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba over de organisatie van een doorlopende ontwikkel- en leerlijn van kinderopvang naar basisonderwijs;
- c. met de houders van kindercentra en gastouders, het expertisecentrum onderwijszorg en de verlener van pedagogische ondersteuning en advies als bedoeld in [artikel 2.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), op Bonaire, Sint Eustatius of Saba over de wijze waarop wordt bevorderd dat het kinderopvangstelsel toegankelijk is voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte.
- c. met de houders van kindercentra en gastouders, het expertisecentrum onderwijszorg en de verlener van pedagogische ondersteuning en advies als bedoeld in [artikel 2.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01), op Bonaire, Sint Eustatius of Saba over de wijze waarop wordt bevorderd dat het kinderopvangstelsel toegankelijk is voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte.
2. Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken.
@@ -456,13 +456,13 @@
1. Het expertisecentrum onderwijszorg draagt zorg voor deskundige ondersteuning bij de opvang van kinderen met mogelijk een extra ondersteuningsbehoefte, waaronder in elk geval de volgende taken worden verstaan:
- a. het adviseren over het begeleidingsplan, bedoeld in [artikel 2.4, tweede lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [artikel 2.6, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- a. het adviseren over het begeleidingsplan, bedoeld in [artikel 2.4, tweede lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.4&z=2026-04-01&g=2026-04-01), en [artikel 2.6, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.6&z=2026-04-01&g=2026-04-01);
- b. het verrichten van diagnostiek ten behoeve van kinderen met mogelijk een extra ondersteuningsbehoefte;
- c. het adviseren aan de verlener van pedagogische ondersteuning en advies als bedoeld in [artikel 2.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- d. het adviseren, bedoeld in [artikel 2.1, vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- c. het adviseren aan de verlener van pedagogische ondersteuning en advies als bedoeld in [artikel 2.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01);
- d. het adviseren, bedoeld in [artikel 2.1, vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01);
- e. het begeleiden van kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte naar een plusopvang;
@@ -476,9 +476,9 @@
1. Gelet op [artikel 21, eerste lid, onderdeel a, van de Wet bescherming persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028067&artikel=21) is het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid te verwerken niet van toepassing op de verwerking door:
- a. de verlener van pedagogische ondersteuning en advies als bedoeld in [artikel 2.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover de verwerking noodzakelijk is voor het bieden van die pedagogische ondersteuning en advies;
- b. het expertisecentrum onderwijszorg, voor zover de verwerking noodzakelijk is ter uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 2.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.18&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- a. de verlener van pedagogische ondersteuning en advies als bedoeld in [artikel 2.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01), voor zover de verwerking noodzakelijk is voor het bieden van die pedagogische ondersteuning en advies;
- b. het expertisecentrum onderwijszorg, voor zover de verwerking noodzakelijk is ter uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 2.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.18&z=2026-04-01&g=2026-04-01);
- c. de houder van een kindercentrum of de gastouder, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de opvang van een kind met een extra ondersteuningsbehoefte of het vaststellen van extra ondersteuningsbehoefte.
@@ -552,7 +552,7 @@
3. Onze Minister kan de kinderopvangvergoeding beëindigen met ingang van de eerste dag van de maand nadat:
- a. niet langer aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt voldaan;
- a. niet langer aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.2&z=2026-04-01&g=2026-04-01), wordt voldaan;
- b. de kinderopvangovereenkomst is opgezegd; of
@@ -590,7 +590,7 @@
##### Artikel 3.6. Aanvraag kinderopvangvergoeding
1. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens door de houder van een kindercentrum of gastouder bij een aanvraag als bedoeld in [artikel 3.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), worden verstrekt.
1. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens door de houder van een kindercentrum of gastouder bij een aanvraag als bedoeld in [artikel 3.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.2&z=2026-04-01&g=2026-04-01), worden verstrekt.
2. Onze Minister geeft de houder van het kindercentrum of de gastouder binnen acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag een beschikking omtrent de kinderopvangvergoeding. Onze Minister stelt de ouder in kennis van de beschikking, indien deze geheel of gedeeltelijk afwijzend luidt.
@@ -608,7 +608,7 @@
1. Onze Minister kan een beschikking omtrent een kinderopvangvergoeding wijzigen of intrekken:
- a. indien een wijziging is opgetreden in de gegevens, bedoeld in [artikel 4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- a. indien een wijziging is opgetreden in de gegevens, bedoeld in [artikel 4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-04-01&g=2026-04-01);
- b. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de verstrekking van de kinderopvangvergoeding redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de kinderopvangvergoeding vermoedelijk op een te hoog bedrag is vastgesteld; of
@@ -638,7 +638,7 @@
- c. volgt uit het verschil tussen het verzoek tot verstrekking van het voorschot, bedoeld in onderdeel a, en nadien door de houder of gastouder aan Onze Minister verstrekte informatie over het aantal ingeschreven kinderen of per kind de leeftijd, de dagdelen of de soort kinderopvang.
3. Onze Minister kan een door een houder van een kindercentrum of een gastouder te ontvangen bedrag verrekenen met een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.7&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
3. Onze Minister kan een door een houder van een kindercentrum of een gastouder te ontvangen bedrag verrekenen met een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.7&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
#### § 3. Ouderbijdrage
@@ -662,7 +662,7 @@
##### Artikel 3.13. Betaling ouderbijdrage door het bestuurscollege
1. In afwijking van [artikel 3.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=3.12&z=2026-01-01&g=2026-01-01), kan het bestuurscollege de ouderbijdrage voldoen aan de houder van het kindercentrum of de gastouder, indien de ouder de ouderbijdrage niet kan betalen.
1. In afwijking van [artikel 3.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=3.12&z=2026-04-01&g=2026-04-01), kan het bestuurscollege de ouderbijdrage voldoen aan de houder van het kindercentrum of de gastouder, indien de ouder de ouderbijdrage niet kan betalen.
2. Bij eilandsbesluit worden nadere regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder het bestuurscollege de ouderbijdrage betaalt.
@@ -680,7 +680,7 @@
1. Onze Minister kan op aanvraag een aanvullende tegemoetkoming verstrekken aan een houder van een kindercentrum of een gastouder voor de extra kosten van plusopvang, indien die kosten:
- a. worden gemaakt om te voldoen aan de voorwaarden voor plusopvang, bedoeld in [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.17&z=2026-01-01&g=2026-01-01); en
- a. worden gemaakt om te voldoen aan de voorwaarden voor plusopvang, bedoeld in [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.17&z=2026-04-01&g=2026-04-01); en
- b. betrekking hebben op de inzet van beroepskrachten, de accommodatie of de ruimtes binnen dat kindercentrum of die voorziening voor gastouderopvang.
@@ -688,7 +688,7 @@
3. Onze Minister kan een beschikking omtrent de aanvullende tegemoetkoming voor plusopvang tot vijf jaren na betaling wijzigen of intrekken:
- a. indien een wijziging is opgetreden in de gegevens, bedoeld in [artikel 4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- a. indien een wijziging is opgetreden in de gegevens, bedoeld in [artikel 4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-04-01&g=2026-04-01);
- b. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de verstrekking redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk op een te hoog bedrag is vastgesteld; of
@@ -716,7 +716,7 @@
##### Artikel 3.17. Kosten expertisecentrum onderwijszorg
1. Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs verleent het expertisecentrum onderwijszorg subsidie voor de uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 2.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.18&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
1. Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs verleent het expertisecentrum onderwijszorg subsidie voor de uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 2.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.18&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
2. Bij regeling van Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs kunnen regels worden gesteld over het verlenen van de subsidie.
@@ -744,7 +744,7 @@
1. De ouder en de partner van de ouder verstrekken uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister onverwijld alle gegevens en inlichtingen, waaronder persoonsgegevens van de ouder, de partner en het kind, die:
- a. noodzakelijk zijn voor de vaststelling en de hoogte van de kinderopvangvergoeding, voor zover die gegevens betrekking hebben op [artikel 3.2, eerste lid, onderdelen e, f en g, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- a. noodzakelijk zijn voor de vaststelling en de hoogte van de kinderopvangvergoeding, voor zover die gegevens betrekking hebben op [artikel 3.2, eerste lid, onderdelen e, f en g, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.2&z=2026-04-01&g=2026-04-01);
- b. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
@@ -760,29 +760,29 @@
2. De hieronder vermelde instanties of personen verstrekken Onze Minister de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet:
- a. het bestuurscollege, voor zover de gegevens en inlichtingen betrekking hebben op de uitvoering van [artikel 3.2, eerste lid, onderdelen a, e en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- b. op grond van de [artikelen 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of [184 van het Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184), aangewezen ambtenaren, voor zover de gegevens en inlichtingen betrekking hebben op het toezicht op de naleving van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of opsporing van een voorschrift van hoofdstuk 3 dat als strafbaar feit is aangemerkt;
- a. het bestuurscollege, voor zover de gegevens en inlichtingen betrekking hebben op de uitvoering van [artikel 3.2, eerste lid, onderdelen a, e en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.2&z=2026-04-01&g=2026-04-01);
- b. op grond van de [artikelen 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), of [184 van het Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184), aangewezen ambtenaren, voor zover de gegevens en inlichtingen betrekking hebben op het toezicht op de naleving van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3&z=2026-04-01&g=2026-04-01) of opsporing van een voorschrift van hoofdstuk 3 dat als strafbaar feit is aangemerkt;
- c. andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties die gehouden zijn gegevens aan Onze Minister te verstrekken waarvan de kennisneming noodzakelijk is voor de in het eerste lid genoemde doelen.
##### Artikel 4.5. Gegevensverstrekking voor toezicht
1. Onze Minister, het bestuurscollege en andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties, zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd aan Onze Minister en op grond van de [artikelen 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of [184 van het Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184) aangewezen ambtenaren kosteloos alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor:
- a. het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de uitoefening van de taken, bedoeld in [artikel 2.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.18&z=2026-01-01&g=2026-01-01); of
1. Onze Minister, het bestuurscollege en andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties, zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd aan Onze Minister en op grond van de [artikelen 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), of [184 van het Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184) aangewezen ambtenaren kosteloos alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor:
- a. het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de uitoefening van de taken, bedoeld in [artikel 2.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.18&z=2026-04-01&g=2026-04-01); of
- b. de opsporing van bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten.
2. Onze Minister en op grond van de [artikelen 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of [184 van het Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184) aangewezen ambtenaren verstrekken andere instanties kosteloos alle gegevens en inlichtingen, die zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de uitoefening van de taken, bedoeld in [artikel 2.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.18&z=2026-01-01&g=2026-01-01), welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taak en indien dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties.
3. Onze Minister, het bestuurscollege, op grond van [artikel 4.4, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aangewezen instanties en op grond van de [artikelen 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of [184 van het Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184) aangewezen ambtenaren kunnen bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van een administratienummer of ID-nummer.
2. Onze Minister en op grond van de [artikelen 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), of [184 van het Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184) aangewezen ambtenaren verstrekken andere instanties kosteloos alle gegevens en inlichtingen, die zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de uitoefening van de taken, bedoeld in [artikel 2.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.18&z=2026-04-01&g=2026-04-01), welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taak en indien dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties.
3. Onze Minister, het bestuurscollege, op grond van [artikel 4.4, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.4&z=2026-04-01&g=2026-04-01), aangewezen instanties en op grond van de [artikelen 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), of [184 van het Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184) aangewezen ambtenaren kunnen bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van een administratienummer of ID-nummer.
##### Artikel 4.6. Gegevensverstrekking aan bestuurscollege
1. Onze Minister is bevoegd gegevens en inlichtingen te verstrekken aan het bestuurscollege, voor zover die gegevens en inlichtingen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Ambtenaren aangewezen op grond van de [artikelen 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of [184 van het Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184) zijn bevoegd de gegevens en inlichtingen die zij verkrijgen van Onze Minister te verstrekken aan het bestuurscollege, indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
1. Onze Minister is bevoegd gegevens en inlichtingen te verstrekken aan het bestuurscollege, voor zover die gegevens en inlichtingen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3&z=2026-04-01&g=2026-04-01) of [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
2. Ambtenaren aangewezen op grond van de [artikelen 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), of [184 van het Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184) zijn bevoegd de gegevens en inlichtingen die zij verkrijgen van Onze Minister te verstrekken aan het bestuurscollege, indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
##### Artikel 4.7. Nadere regels
@@ -816,13 +816,13 @@
1. [Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2) is van toepassing, met uitzondering van de [artikelen 5:18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:18) en [5:19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19), met dien verstande dat voor de in [artikel 5:16a van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:16a) opgenomen verwijzing naar [artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1) gelezen moet worden: [artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028575&artikel=2).
2. Voor zover een kindercentrum of een gastouderopvang in een woning is gevestigd, is een op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aangewezen ambtenaar bevoegd zonder toestemming van de bewoner in die woning binnen te treden.
2. Voor zover een kindercentrum of een gastouderopvang in een woning is gevestigd, is een op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), aangewezen ambtenaar bevoegd zonder toestemming van de bewoner in die woning binnen te treden.
##### Artikel 5.3. Overzicht exploitatievergunningen
1. Het bestuurscollege verstrekt op verzoek van een op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aangewezen ambtenaar een overzicht van alle houders van kindercentra en gastouders waaraan een exploitatievergunning is verleend.
2. Een op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aangewezen ambtenaar onderzoekt in redelijkheid de overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels bij iedere houder van een kindercentrum en gastouder die een exploitatievergunning hebben:
1. Het bestuurscollege verstrekt op verzoek van een op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), aangewezen ambtenaar een overzicht van alle houders van kindercentra en gastouders waaraan een exploitatievergunning is verleend.
2. Een op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), aangewezen ambtenaar onderzoekt in redelijkheid de overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels bij iedere houder van een kindercentrum en gastouder die een exploitatievergunning hebben:
- a. jaarlijks met betrekking tot de exploitatie; en
@@ -834,15 +834,15 @@
##### Artikel 5.4. Inspectierapport
1. Een op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aangewezen ambtenaar legt het oordeel en bevindingen naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in [artikel 5.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), vast in een inspectierapport.
2. Alvorens een rapport vast te stellen naar aanleiding van een onderzoek betreffende de naleving van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt de houder of gastouder in de gelegenheid gesteld van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover overleg te voeren.
1. Een op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), aangewezen ambtenaar legt het oordeel en bevindingen naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in [artikel 5.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01), vast in een inspectierapport.
2. Alvorens een rapport vast te stellen naar aanleiding van een onderzoek betreffende de naleving van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2&z=2026-04-01&g=2026-04-01), wordt de houder of gastouder in de gelegenheid gesteld van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover overleg te voeren.
3. Indien in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de door de houder of gastouder gewenste wijzigingen van het ontwerprapport, wordt de zienswijze van de houder of gastouder in een bijlage bij het inspectierapport opgenomen.
4. De op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aangewezen ambtenaar zendt het inspectierapport na vaststelling daarvan onverwijld aan de houder of gastouder.
5. Een inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek betreffende de naleving van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) wordt:
4. De op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), aangewezen ambtenaar zendt het inspectierapport na vaststelling daarvan onverwijld aan de houder of gastouder.
5. Een inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek betreffende de naleving van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2&z=2026-04-01&g=2026-04-01) wordt:
- a. in de derde week na vaststelling daarvan openbaar gemaakt; en
@@ -864,19 +864,19 @@
##### Artikel 5.7. Bestuurlijke boete
1. Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens [artikel 2.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.16&z=2026-01-01&g=2026-01-01), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in [artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=27).
2. Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:1), [2.3 tot en met 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:10), [2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:17), [3.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:15) of [artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20), in samenhang met [artikel 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de vierde categorie, bedoeld in [artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=27).
1. Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens [artikel 2.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.16&z=2026-04-01&g=2026-04-01), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in [artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=27).
2. Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:1), [2.3 tot en met 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:10), [2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:17), [3.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:15) of [artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20), in samenhang met [artikel 5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.2&z=2026-04-01&g=2026-04-01), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de vierde categorie, bedoeld in [artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=27).
3. In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister in geval van opzettelijke overtreding van het bepaalde bij of krachtens de in het tweede lid genoemde artikelen de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in [artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=27).
4. Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of het bepaalde krachtens [artikel 4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.7&z=2026-01-01&g=2026-01-01) over gegevensverstrekking door de houder van een kindercentrum of de gastouder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste:
4. Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-04-01&g=2026-04-01) of het bepaalde krachtens [artikel 4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.7&z=2026-04-01&g=2026-04-01) over gegevensverstrekking door de houder van een kindercentrum of de gastouder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste:
- a. het bedrag dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan kinderopvangvergoeding is ontvangen, tot ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in [artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=27); of
- b. indien de overtreding niet heeft geleid tot een bedrag dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan kinderopvangvergoeding is ontvangen, het bedrag van de derde categorie, bedoeld in [artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=27).
5. Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of het bepaalde krachtens [artikel 4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.7&z=2026-01-01&g=2026-01-01) over gegevensverstrekking door de ouder of de partner van de ouder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste:
5. Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01) of het bepaalde krachtens [artikel 4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.7&z=2026-04-01&g=2026-04-01) over gegevensverstrekking door de ouder of de partner van de ouder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste:
- a. het verschil tussen de onterecht verstrekte kinderopvangvergoeding en de betaalde ouderbijdrage, tot ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in [artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=27); of
@@ -886,11 +886,11 @@
##### Artikel 5.8. Overeenkomstige toepassing [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)
1. [Titel 5.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.1) is van overeenkomstige toepassing op de oplegging van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete als bedoeld [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) respectievelijk [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.7&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met dien verstande dat voor de in [artikel 5:1, derde lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:1) opgenomen verwijzing naar [artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=51) gelezen moet worden: [artikel 53, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=53).
2. [Afdeling 5.3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=5.3.2) en [artikel 5:49, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:49) is van overeenkomstige toepassing op een last onder dwangsom als bedoeld in [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
3. De [artikelen 5:40 tot en met 5:52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:40) en [5:53, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:53) zijn van overeenkomstige toepassing op een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.7&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met dien verstande dat:
1. [Titel 5.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.1) is van overeenkomstige toepassing op de oplegging van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete als bedoeld [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.6&z=2026-04-01&g=2026-04-01) respectievelijk [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.7&z=2026-04-01&g=2026-04-01), met dien verstande dat voor de in [artikel 5:1, derde lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:1) opgenomen verwijzing naar [artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=51) gelezen moet worden: [artikel 53, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=53).
2. [Afdeling 5.3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=5.3.2) en [artikel 5:49, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:49) is van overeenkomstige toepassing op een last onder dwangsom als bedoeld in [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.6&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
3. De [artikelen 5:40 tot en met 5:52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:40) en [5:53, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:53) zijn van overeenkomstige toepassing op een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.7&z=2026-04-01&g=2026-04-01), met dien verstande dat:
- a. voor de in [artikel 5:46, vierde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:46) opgenomen verwijzing naar [artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=1) gelezen moet worden: [artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=1);
@@ -900,7 +900,7 @@
##### Artikel 5.9. Aanmaning en invordering
De [artikelen 4:89 tot en met 4:102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:100), [4:104 tot en met 4:108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:104), [4:110 tot en met 4:117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:110), [4:119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:119), [4:120, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:120), en [4:121 tot en met 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:121) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanmaning en invordering van een last onder dwangsom of bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) respectievelijk [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.7&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met dien verstande dat moet worden gelezen voor:
De [artikelen 4:89 tot en met 4:102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:100), [4:104 tot en met 4:108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:104), [4:110 tot en met 4:117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:110), [4:119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:119), [4:120, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:120), en [4:121 tot en met 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:121) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanmaning en invordering van een last onder dwangsom of bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.6&z=2026-04-01&g=2026-04-01) respectievelijk [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.7&z=2026-04-01&g=2026-04-01), met dien verstande dat moet worden gelezen voor:
- a. de in [artikel 4:93, derde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:93) opgenomen verwijzing naar [artikel 129, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=129): [artikel 129, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028749&artikel=129);
@@ -918,13 +918,13 @@
##### Artikel 5.10. Tijdelijke sluiting
1. Onze Minister kan een kindercentrum of gastouderopvang onmiddellijk geheel of gedeeltelijk sluiten gedurende een door Onze Minister te bepalen periode, indien en zolang uit een onderzoek als bedoeld in [artikel 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) blijkt dat de houder van het kindercentrum of de gastouder niet aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften voldoet en daardoor sprake is van een direct en ernstig gevaar voor de fysieke of sociale veiligheid of de gezondheid van personen.
1. Onze Minister kan een kindercentrum of gastouderopvang onmiddellijk geheel of gedeeltelijk sluiten gedurende een door Onze Minister te bepalen periode, indien en zolang uit een onderzoek als bedoeld in [artikel 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01) blijkt dat de houder van het kindercentrum of de gastouder niet aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften voldoet en daardoor sprake is van een direct en ernstig gevaar voor de fysieke of sociale veiligheid of de gezondheid van personen.
2. Bij toepassing van het eerste lid informeert Onze Minister het bestuurscollege.
##### Artikel 5.11. Schorsen of intrekken vergunning
1. Het bestuurscollege kan de vergunning schorsen of intrekken, indien sprake is van herhaaldelijke overtreding van bij of krachtens deze wet gestelde regels, waardoor de kwaliteit van de kinderopvang of de veiligheid of de gezondheid van de kinderen of het personeel zodanig in het geding is dat geen sprake is van verantwoorde kinderopvang als bedoeld in de [artikelen 2.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of [2.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
1. Het bestuurscollege kan de vergunning schorsen of intrekken, indien sprake is van herhaaldelijke overtreding van bij of krachtens deze wet gestelde regels, waardoor de kwaliteit van de kinderopvang of de veiligheid of de gezondheid van de kinderen of het personeel zodanig in het geding is dat geen sprake is van verantwoorde kinderopvang als bedoeld in de [artikelen 2.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.4&z=2026-04-01&g=2026-04-01), of [2.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.6&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
2. Dit lid is nog niet in werking getreden.
@@ -936,9 +936,9 @@
##### Artikel 5.12. Strafbare feiten
1. Degene die opzettelijk de [artikelen 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.8&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.11&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.12&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.13&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.17&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [3.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=3.15&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of [4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) overtreedt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, een geldboete van de vierde categorie, bedoeld in [artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=27), of met beide straffen.
2. Degene die de [artikelen 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.8&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.11&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.12&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.13&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.17&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [3.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=3.15&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of [4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden, een geldboete van de vierde categorie, bedoeld in [artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=27), of met beide straffen.
1. Degene die opzettelijk de [artikelen 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.4&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.5&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.6&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.8&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.11&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.12&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.13&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.17&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [3.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=3.15&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-04-01&g=2026-04-01) of [4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01) overtreedt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, een geldboete van de vierde categorie, bedoeld in [artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=27), of met beide straffen.
2. Degene die de [artikelen 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.4&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.5&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.6&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.8&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.11&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.12&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.13&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.17&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [3.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=3.15&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-04-01&g=2026-04-01) of [4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01) overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden, een geldboete van de vierde categorie, bedoeld in [artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=27), of met beide straffen.
3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. De in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
@@ -950,25 +950,25 @@
1. Onze Minister kan mandaat verlenen van de bevoegdheid tot:
- a. het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- b. het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.7&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- c. het opleggen van een tijdelijk verbod tot exploitatie als bedoeld in [artikel 5.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.10&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Onze Minister kan machtiging verlenen tot het opstellen van een advies inzake het schorsen of intrekken van een vergunning als bedoeld in [artikel 5.11, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.11&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
- a. het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in [artikel 5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.6&z=2026-04-01&g=2026-04-01);
- b. het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.7&z=2026-04-01&g=2026-04-01);
- c. het opleggen van een tijdelijk verbod tot exploitatie als bedoeld in [artikel 5.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.10&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
2. Onze Minister kan machtiging verlenen tot het opstellen van een advies inzake het schorsen of intrekken van een vergunning als bedoeld in [artikel 5.11, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=3&artikel=5.11&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
### Hoofdstuk 6. Overige en slotbepalingen
##### Artikel 6.1. Overleg
1. Onze Minister voert in elk geval eenmaal per jaar overleg met de bestuurscolleges van de openbare lichamen en de op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aangewezen ambtenaren over het functioneren van het kinderopvangstelsel.
1. Onze Minister voert in elk geval eenmaal per jaar overleg met de bestuurscolleges van de openbare lichamen en de op grond van [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=5.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), aangewezen ambtenaren over het functioneren van het kinderopvangstelsel.
2. Alle partijen werken mee aan de totstandkoming en naleving van de afspraken.
##### Artikel 6.2. Vrijstelling en ontheffing
Onze Minister kan, voor zover het belang van de veiligheid of de gezondheid van de kinderen of personeel zich daartegen niet verzet, van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 2.4, vierde lid, onderdelen b, c, d, e, h, i en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.6, vijfde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [2.17, onderdelen a, b, c, d, e en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.17&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=3.11&z=2026-01-01&g=2026-01-01) vrijstelling of ontheffing verlenen, indien als gevolg van een calamiteit niet aan die voorschriften kan worden voldaan.
Onze Minister kan, voor zover het belang van de veiligheid of de gezondheid van de kinderen of personeel zich daartegen niet verzet, van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 2.4, vierde lid, onderdelen b, c, d, e, h, i en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.4&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.6, vijfde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=2.6&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [2.17, onderdelen a, b, c, d, e en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=2.17&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.4&z=2026-04-01&g=2026-04-01) en [3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=3.11&z=2026-04-01&g=2026-04-01) vrijstelling of ontheffing verlenen, indien als gevolg van een calamiteit niet aan die voorschriften kan worden voldaan.
##### Artikel 6.3. Experimenten
@@ -996,7 +996,7 @@
- d. de duur van het experiment.
3. Bij de in het eerste en tweede lid bedoelde regels kan worden afgeweken van [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wat betreft de begrippen «kinderopvang», «dagopvang», «buitenschoolse opvang» en «gastouderopvang», alsmede van de bij of krachtens [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) gestelde regels.
3. Bij de in het eerste en tweede lid bedoelde regels kan worden afgeweken van [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01), wat betreft de begrippen «kinderopvang», «dagopvang», «buitenschoolse opvang» en «gastouderopvang», alsmede van de bij of krachtens [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2&z=2026-04-01&g=2026-04-01) gestelde regels.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld voor de deelname aan een experiment.
@@ -1018,7 +1018,7 @@
##### Artikel 6.5. Overgangsrecht
1. Exploitatievergunningen die zijn verleend, verlengd of gewijzigd op grond van de Eilandsverordening Kinderopvang Bonaire 2020, de Basis Eilandsverordening Kinderopvang St. Eustatius (AB 2019, nr. 19) of de Basis Eilandsverordening Kinderopvang (AB 2020, nr. 2) berusten na de inwerkingtreding van deze wet op [artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
1. Exploitatievergunningen die zijn verleend, verlengd of gewijzigd op grond van de Eilandsverordening Kinderopvang Bonaire 2020, de Basis Eilandsverordening Kinderopvang St. Eustatius (AB 2019, nr. 19) of de Basis Eilandsverordening Kinderopvang (AB 2020, nr. 2) berusten na de inwerkingtreding van deze wet op [artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2.1&z=2026-04-01&g=2026-04-01).
2. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige aanvragen voor verlening, verlenging of wijziging van een exploitatievergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deze wet behandeld.