Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2016-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 332
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Wanneer uit een partij naar een niet-partij uitgevoerde producten van oorsprong terugkeren, worden zij, behoudens het bepaalde in artikel 3, als niet van oorsprong aangemerkt tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat:

  • a. de terugkerende goederen dezelfde zijn als de eerder uitgevoerde goederen, en
  • b. de goederen, terwijl zij in de niet-partij waren of toen zij werden uitgevoerd, geen andere be- of verwerkingen hebben ondergaan dan die welke nodig waren om ze in goede staat te bewaren.
3.

In afwijking van de leden 1 en 2 van dit artikel komen de partijen overeen dat bepaalde goederen als van oorsprong worden aangemerkt, hoewel zij voor een be- of verwerking uit Korea zijn uitgevoerd en vervolgens weer zijn ingevoerd, mits de be- of verwerking plaatsvindt in de ingevolge bijlage IV door de partijen aangewezen gebieden.

Artikel 13. Rechtstreeks vervoer
1.

De preferentiële regeling waarin deze overeenkomstig voorziet, is uitsluitend van toepassing op producten die aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en die rechtstreeks tussen de partijen zijn vervoerd. Producten die een enkele zending vormen, kunnen evenwel via een ander grondgebied worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dat grondgebied, mits zij in het land van doorvoer of opslag niet in het vrije verkeer worden gebracht en aldaar geen andere behandelingen ondergaan dan lossen en opnieuw laden of be- of verwerkingen om ze in goede staat te bewaren.

2.

Het bewijs dat aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, wordt geleverd door overlegging, overeenkomstig de in het land van invoer toepasselijke procedures, van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten:

  • a. een bewijsstuk voor de omstandigheden waaronder de doorvoer of de opslag van de van oorsprong zijnde producten in derde landen plaatsvond;
  • b. een enkel vervoersdocument voor het vervoer van de partij van uitvoer door het land van doorvoer; of
  • c. een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat waarin:
  • i. de producten nauwkeurig zijn omschreven;
  • ii. de data zijn vermeld waarop de producten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder vermelding van de scheepsnamen of van de andere gebruikte vervoermiddelen; en
  • iii. wordt verklaard onder welke omstandigheden de producten in het land van doorvoer verbleven.

AFDELING B. OORSPRONGSPROCEDURES

TITEL IV. TERUGGAVE OF VRIJSTELLING VAN RECHTEN

Artikel 14. Teruggave of vrijstelling van douanerechten
1.

Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst evalueren de partijen, op verzoek van een van hen, gezamenlijk hun regelingen voor de teruggave van douanerechten en voor actieve veredeling. Een jaar na de inwerkingtreding en vervolgens elk jaar, geven de partijen elkaar de beschikbare informatie over de werking van hun regelingen voor de teruggave van douanerechten en voor actieve veredeling, alsmede de volgende gedetailleerde statistiek:

  • 1.1. Vanaf het eerste jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden per land invoerstatistieken op 8-/10-cijferniveau verstrekt voor de invoer van onder de posten 8407, 8408, 8522, 8527, 8529, 8706, 8707 en 8708 van het GS 2007 ingedeelde materialen, alsmede uitvoerstatistieken voor de posten 8703, 8519, 8521 en 8525 tot en met 8528 van het GS 2007. Op verzoek worden deze statistieken ook voor andere materialen of producten verstrekt. Er wordt regelmatig informatie uitgewisseld over de maatregelen die zijn genomen ter uitvoering van de bij lid 3 van dit artikel ingevoerde beperkingen inzake regelingen voor de teruggave van douanerechten en voor actieve veredeling.
2.

Na het begin van bovenbedoelde evaluatie kan een partij de andere partij steeds verzoeken om overleg, teneinde voor een bepaald product mogelijke beperkingen van de regelingen voor de teruggave van douanerechten en voor actieve veredeling te bespreken wanneer er bewijzen zijn dat er sinds de inwerkingtreding van deze overeenkomst sprake is van een verandering in bevoorradingspatronen die negatieve gevolgen voor de concurrentiepositie van de producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten in de verzoekende partij kan hebben.

  • 2.1. Bovenbedoelde omstandigheden worden vastgesteld op basis van door de verzoekende partij overlegde bewijzen dat:
  • a. de toename van de aan rechten onderworpen invoer in een partij van in een bepaald product verwerkte materialen uit landen waarmee geen vrijhandelsovereenkomst gesloten is, beduidend groter is dan de toename van de uitvoer naar de andere partij van het product waarin die materialen verwerkt zijn, tenzij de partij waaraan het verzoek om overleg gericht is, vaststelt dat die toename van de invoer van materialen, onder meer:
  • i. hoofdzakelijk een gevolg is van het binnenlandse verbruik door de partij van het product waarin die materialen verwerkt zijn;
  • ii. hoofdzakelijk een gevolg is van het gebruik van ingevoerde materialen in een ander product dan het product waarop lid 2 betrekking heeft;
  • iii. een gevolg is van de toename van de uitvoer van het product waarin die materialen verwerkt zijn naar andere landen dan de andere partij; of
  • iv. alleen de invoer van hoogwaardige hightechonderdelen betreft, waardoor de prijs van het door de partij uitgevoerde product niet lager wordt; en
  • b. de invoer uit de partij in de andere partij van het product waarin die materialen verwerkt zijn, in absolute cijfers of in verhouding tot de binnenlandse productie aanzienlijk is toegenomen. Er wordt ook gekeken naar ter zake dienend bewijsmateriaal ten aanzien van de gevolgen voor de concurrentiepositie van producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten van de andere partij1)Het basisjaar voor de evaluatie van de statistische gegevens ten behoeve van dit artikel is het gemiddelde van de laatste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze overeenkomst, waarbij de jaren begrotingsjaren zijn die lopen van januari tot en met december. Het bewijs kan worden gebaseerd op het totaal van alle materialen die als niet van oorsprong zijnd materiaal voor het betrokken product zijn gebruikt, of op een deel van die materialen. In het laatste geval zijn de beperkingen voor de teruggave van douanerechten en de actieve veredeling alleen op dat deel van toepassing..
3.

In geval van onenigheid over de vraag of aan de voorwaarden in lid 2 is voldaan, wordt de kwestie voor bindende urgente arbitrage voorgelegd aan een in overeenstemming met artikel 14.5 (Instelling van het arbitragepanel) van hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen) ingesteld panel2)Met het oog op meer duidelijkheid is geen ander aanvullend overleg dan dat bedoeld in lid 2 – waarvoor dezelfde termijnen gelden als voor artikel 14.3, lid 4, – vereist voordat een partij de instelling van een dergelijk panel kan vragen. De termijnen waarbinnen het panel uitspraak moet doen, zijn vermeld in artikel 14.7, lid 2.. Indien volgens de uitspraak van het panel aan de voorwaarden van lid 2 is voldaan, beperken de partijen, tenzij anders is overeengekomen, normaliter binnen 90 dagen en in geen geval later dan 150 dagen na de uitspraak, het maximumtarief van de douanerechten op niet van oorsprong zijnd materiaal voor het betrokken product die kunnen worden terugbetaald tot vijf procent.

TITEL V. BEWIJS VAN OORSPRONG

Artikel 15. Algemene voorwaarden
1.

Producten van oorsprong uit de EU komen bij invoer in Korea en producten van oorsprong uit Korea komen bij invoer in de EU voor de preferentiële tariefbehandeling krachtens deze overeenkomst in aanmerking op vertoon van een verklaring van de exporteur op een factuur, pakbon of ander handelsdocument, waarin de producten voldoende duidelijk zijn omschreven om ze te kunnen identificeren, hierna „oorsprongsverklaring” genoemd. De tekst van de oorsprongsverklaring is opgenomen in bijlage III.

2.

In afwijking van lid 1 komen producten van oorsprong in de zin van dit protocol in de in artikel 21 bedoelde gevallen voor de preferentiële tariefbehandeling krachtens deze overeenkomst in aanmerking zonder dat een van de in lid 1 genoemde documenten behoeft te worden overgelegd.

Artikel 16. Voorwaarden voor het opstellen van een oorsprongsverklaring
1.

De in artikel 15, lid 1, van dir protocol bedoelde oorsprongsverklaring kan worden opgesteld:

  • a. door een toegelaten exporteur in de zin van artikel 17, of
  • b. door elke exporteur, voor zendingen bestaande uit een of meer colli met producten van oorsprong waarvan de totale waarde niet meer dan 6 000 euro bedraagt.
2.

Onverminderd lid 3 kan een oorsprongsverklaring worden opgesteld indien de betrokken producten als van oorsprong uit de EU of uit Korea kunnen worden beschouwd en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen.

3.

De exporteur die een oorsprongsverklaring opstelt, moet op verzoek van de douaneautoriteiten van de partij van uitvoer steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn, met inbegrip van verklaringen van de leveranciers of producenten overeenkomstig de interne wetgeving van de partij, en dat aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

4.

De exporteur stelt een oorsprongsverklaring op door de tekst die in bijlage III is opgenomen, op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument te typen, stempelen of drukken in een van de in die bijlage opgenomen taalversies, overeenkomstig de wetgeving van de partij van uitvoer. Indien de factuurverklaring met de hand wordt geschreven, moet dit met inkt en in hoofdletters geschieden.

5.

Oorsprongsverklaringen worden door de exporteur eigenhandig ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 17 behoeft deze verklaring echter niet te ondertekenen, mits hij de douaneautoriteiten van de partij van uitvoer een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor alle oorsprongsverklaringen waaruit zijn identiteit blijkt alsof hij deze met de hand had ondertekend.

6.

Een oorsprongsverklaring kan door de exporteur worden opgesteld bij of na de uitvoer van de producten waarop zij betrekking heeft, maar moet uiterlijk twee jaar, of binnen de in de wetgeving van de partij van invoer genoemde periode, na de invoer van de producten waarop zij betrekking heeft in de partij van invoer worden aangeboden.

Artikel 17. Toegelaten exporteur
1.

De douaneautoriteiten van de partij van uitvoer kunnen iedere exporteur, hierna „toegelaten exporteur” genoemd, die producten uitvoert waarop deze overeenkomst van toepassing is, vergunning verlenen oorsprongsverklaringen op te stellen, ongeacht de waarde van de betrokken producten, een en ander in overeenstemming met de desbetreffende voorwaarden in de wet- en regelgeving van de partij van uitvoer. Een exporteur die een dergelijke vergunning aanvraagt, moet ten genoegen van de douaneautoriteiten alle waarborgen bieden die nodig zijn voor de controle op de oorsprongsstatus van de producten en de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.

2.

De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de status van toegelaten exporteur afhankelijk stellen van alle voorwaarden die zij dienstig achten.

3.

De douaneautoriteiten kennen de toegelaten exporteur een vergunningnummer toe, dat op de oorsprongsverklaringen moet worden vermeld.

4.

De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning door de toegelaten exporteur.

5.

De douaneautoriteiten kunnen de vergunning te allen tijde intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet langer de in lid 1 bedoelde garanties biedt, niet meer aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden voldoet of de vergunning niet op de juiste wijze gebruikt.

Artikel 18. Geldigheid van het bewijs van oorsprong
1.

Een bewijs van oorsprong is 12 maanden geldig vanaf de datum van afgifte in de partij van uitvoer; binnen deze periode moet de preferentiële tariefbehandeling worden aangevraagd bij de douaneautoriteiten van de partij van invoer.

2.

Bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van de partij van invoer worden ingediend, kunnen in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de partij van invoer voor de preferentiële tariefbehandeling worden aanvaard wanneer zij als gevolg van buitengewone omstandigheden niet binnen de termijn werden ingediend.

3.

In andere gevallen van verlate indiening dan die bedoeld in lid 2 kunnen de douaneautoriteiten van de partij van invoer de bewijzen van oorsprong in overeenstemming met de procedures van de partijen aanvaarden wanneer de producten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen waren aangebracht.

Artikel 19. Aanspraak op preferentiële tariefbehandeling en indiening van bewijs van oorsprong

Om aanspraak te kunnen maken op een preferentiële tariefbehandeling worden, indien de wet- en regelgeving van de partij van invoer dat vereist, bewijzen van oorsprong bij de douaneautoriteiten van de partij van invoer ingediend. Die kunnen eisen dat het bewijs van oorsprong wordt vertaald en dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van deze overeenkomst voldoen.

Artikel 20. Invoer in deelzendingen

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van de partij van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2 a) van het GS, vallende onder Afdeling XVI of XVII, dan wel post 7308 of 9406 van het GS, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt een enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend bij de invoer van de eerste deelzending.

Artikel 21. Vrijstelling van het bewijs van oorsprong
1.

Producten die door particulieren in kleine colli aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers worden als producten van oorsprong toegelaten zonder dat een bewijs van oorsprong behoeft te worden overgelegd, mits deze goederen niet als handelsgoederen worden ingevoerd en bij hun aangifte verklaard is dat zij aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en er over de juistheid van deze verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op een douaneaangifteformulier voor de post of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.

2.

Invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de ontvanger of de reiziger of de leden van hun gezin worden niet als invoer van handelsgoederen aangemerkt indien noch de aard, noch de hoeveelheid van de producten op commerciële doeleinden wijst.

3.

Voorts mag de totale waarde van deze producten niet meer bedragen dan:

  • a. bij invoer in de EU, 500 euro voor kleine colli of 1 200 euro voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers;
  • b. bij invoer in Korea, 1000 VS-dollar voor kleine colli en voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.
4.

Voor de toepassing van lid 3 wordt, wanneer de producten in een andere valuta dan in euro of de VS-dollar gefactureerd zijn, de tegenwaarde van de in euro of VS-dollar uitgedrukte bedragen in de nationale valuta van de partijen volgens de in de partij van invoer toepasselijke wisselkoers van dat moment vastgesteld.

Artikel 22. Bewijsstukken

De in artikel 16, lid 3, bedoelde documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten waarvoor een bewijs van oorsprong is verstrekt, producten van oorsprong uit de EU of uit Korea zijn die aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen, kunnen onder meer de volgende zijn:

  • a. een rechtstreeks bewijs, bijvoorbeeld aan de hand van de boekhouding of de interne administratie van de exporteur, leverancier of producent, van de door deze uitgevoerde be- of verwerkingen om de producten te verkrijgen;
  • b. in een partij afgegeven of opgestelde en volgens het interne recht van die partij gebruikte documenten waaruit de oorsprong van de gebruikte materialen blijkt;
  • c. in een partij afgegeven of opgestelde en volgens het interne recht van die partij gebruikte documenten waaruit de be- of verwerking van materialen in een partij blijkt;
  • d. in een partij in overeenstemming met dit protocol afgegeven of opgestelde bewijzen van oorsprong waaruit de oorsprong van de gebruikte materialen blijkt; en
  • e. passende bewijsstukken inzake be- of verwerking buiten het grondgebied van de partijen overeenkomstig artikel 12, waaruit blijkt dat aan de eisen van dat artikel is voldaan.
Artikel 23. Bewaring van het bewijs van oorsprong en de bewijsstukken
1.

Exporteurs die een oorsprongsverklaring opstellen, bewaren gedurende vijf jaar een kopie van deze oorsprongsverklaring alsmede van de in artikel 16, lid 3, bedoelde documenten.

2.

De importeur bewaart alle stukken met betrekking tot de invoer in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de partij van invoer.

3.

De douaneautoriteiten van de partij van invoer bewaren gedurende vijf jaar de bij hen ingediende oorsprongsverklaringen.

4.

De ingevolge de leden 1 tot en met 3 te bewaren stukken kunnen ook elektronische documenten omvatten.

Artikel 24. Verschillen en vormfouten
1.

Geringe verschillen tussen de gegevens op het bewijs van oorsprong en die op de documenten die voor het vervullen van de invoerformaliteiten bij de douaneautoriteiten worden ingediend, maken het bewijs van oorsprong niet automatisch ongeldig indien blijkt dat dit document wel degelijk met de aangebrachte goederen overeenstemt.

2.

Kennelijke vormfouten, zoals typefouten op een bewijs van oorsprong, mogen niet tot weigering van dit document leiden indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

Artikel 25. In euro uitgedrukte bedragen
1.

Voor de toepassing van artikel 16, lid 1, onder b), wordt, in gevallen waarin de producten gefactureerd zijn in een andere valuta dan de euro, de tegenwaarde van de in euro uitgedrukte bedragen in de nationale valuta van de lidstaten van de Europese Unie jaarlijks door de EU vastgesteld en aan Korea medegedeeld.

2.

Artikel 16, lid 1, onder b), is op zendingen van toepassing op basis van de valuta waarin de factuur is opgesteld, overeenkomstig het bedrag dat door de EU is vastgesteld.

3.

De in een bepaalde nationale valuta van de lidstaten van de Europese Unie te gebruiken bedragen zijn de tegenwaarde in die valuta van de in euro uitgedrukte bedragen op de eerste werkdag van oktober. De Europese Commissie stelt Korea uiterlijk 15 oktober in kennis van deze bedragen, die vanaf 1 januari van het volgende jaar van toepassing zijn.

4.

De lidstaten van de Europese Unie mogen het bedrag dat het resultaat is van de omrekening van een in euro uitgedrukt bedrag in hun nationale valuta naar boven of naar beneden afronden. Het afgeronde bedrag mag niet meer dan vijf procent afwijken van het bedrag dat het resultaat is van de omrekening. De lidstaten van de Europese Unie mogen de tegenwaarde in hun nationale valuta van een in euro uitgedrukt bedrag ongewijzigd handhaven indien bij de omrekening van dat bedrag, ten tijde van de in lid 3 bedoelde jaarlijkse aanpassing, vóór afronding, een stijging van minder dan 15 procent van die tegenwaarde wordt verkregen. De tegenwaarde in nationale valuta kan ongewijzigd blijven indien de omrekening tot een daling van de tegenwaarde leidt.

5.

Op verzoek van een partij worden in euro uitgedrukte bedragen door het Douanecomité herzien. Bij deze herziening onderzoekt het Douanecomité of het wenselijk is de betreffende limieten in reële termen te handhaven. Het kan in dat verband besluiten de in euro uitgedrukte bedragen te wijzigen.

TITEL VI. REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 26. Uitwisseling van adressen

De douaneautoriteiten van de partijen verstrekken elkaar, via de Europese Commissie, de adressen van de douaneautoriteiten die voor de controle van de bewijzen van oorsprong verantwoordelijk zijn.

Artikel 27. Controle van de bewijzen van oorsprong
1.

Met het oog op de correcte toepassing van dit protocol verlenen de partijen elkaar via hun douaneautoriteiten bijstand bij de controle van de echtheid van de bewijzen van oorsprong en de juistheid van de in deze documenten verstrekte inlichtingen.

2.

Bewijzen van oorsprong worden achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd of wanneer de douaneautoriteiten van de partij van invoer gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.

3.

Met het oog op de toepassing van lid 1 retourneren de douaneautoriteiten van de partij van invoer de bewijzen van oorsprong of een kopie van deze documenten aan de douaneautoriteiten van de partij van uitvoer, eventueel onder vermelding van de redenen waarom om een onderzoek wordt verzocht. Zij verstrekken bij dit verzoek alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.

4.

De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van de partij van uitvoer. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.

5.

Indien de douaneautoriteiten van de partij van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, stellen zij de importeur voor de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

6.

De resultaten van de controle, met inbegrip van de bevindingen en de feiten, worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douaneautoriteiten die om de controle hebben verzocht. Hierbij moet duidelijk worden aangegeven of de documenten echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit een partij kunnen worden beschouwd en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

7.

Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na het controleverzoek geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord onvoldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de verzoekende douaneautoriteiten de preferentiële behandeling niet toe, behoudens in buitengewone omstandigheden.

8.

Onverminderd artikel 2 van het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken verwijzen de partijen naar artikel 7 van dat protocol voor gezamenlijk onderzoek in verband met bewijzen van oorsprong.

Artikel 28. Beslechting van geschillen
1.

Geschillen ten aanzien van de in artikel 27 bedoelde controleprocedures die de douaneautoriteiten die om de controle verzoeken en de douaneautoriteiten die de controle moeten uitvoeren die niet onderling kunnen regelen, alsmede problemen in verband met de interpretatie van dit protocol worden voorgelegd aan het Douanecomité.

2.

Op de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteiten van de partij van invoer is in alle gevallen de wetgeving van de partij van invoer van toepassing.

Artikel 29. Sancties

Er worden, in overeenstemming met de wetgeving van de partijen, sancties getroffen tegen eenieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel een preferentiële behandeling voor producten te verkrijgen.

Artikel 30. Vrije zones
1.

De partijen nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat producten die onder geleide van een bewijs van oorsprong worden verhandeld en die tijdens het vervoer in een op hun grondgebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere behandelingen ondergaan dan die welke gebruikelijk zijn om ze in goede staat te bewaren.

2.

In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan, wanneer producten van oorsprong uit een partij onder geleide van een bewijs van oorsprong in een vrije zone zijn ingevoerd en er een be- of verwerking ondergaan, een ander bewijs van oorsprong worden opgesteld, mits de be- of verwerking in overeenstemming is met de bepalingen van dit protocol.

AFDELING C. CEUTA EN MELILLA

TITEL VII. CEUTA EN MELILLA

Artikel 31. Toepassing van het protocol
1.

De term „EU” omvat niet Ceuta en Melilla.

2.

Producten van oorsprong uit Korea die in Ceuta of Melilla worden ingevoerd, vallen in elk opzicht onder dezelfde douaneregeling als die welke op grond van protocol nr. 2 bij de Akte van Toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Republiek Portugal tot de Europese Gemeenschappen van toepassing is op producten van oorsprong uit het douanegebied van de Europese Unie. Korea past op onder deze overeenkomst vallende producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla dezelfde douaneregeling toe als op producten van oorsprong uit de EU die uit de EU worden ingevoerd.

3.

Voor de toepassing van lid 2 op producten van oorsprong uit Ceuta en Mellilla is dit protocol van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de in artikel 32 opgenomen bijzondere voorwaarden.

Artikel 32. Bijzondere voorwaarden
1.

Mits zij rechtstreeks zijn vervoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, worden beschouwd als:

  • a. producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla:
  • i. volledig in Ceuta en Melilla verkregen producten; of
  • ii. in Ceuta en Melilla verkregen producten, bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder i) bedoelde producten zijn gebruikt, mits die producten:
  • A. be- of verwerkingen hebben ondergaan die toereikend zijn in de zin van artikel 5; of
  • B. van oorsprong zijn uit een partij, mits zij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer omvatten dan de in artikel 6 bedoelde ontoereikende be- of verwerkingen;
  • b. producten van oorsprong uit Korea:
  • i. volledig in Korea verkregen producten; of
  • ii. in Korea verkregen producten, bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder i) bedoelde producten zijn gebruikt, mits die producten:
  • A. be- of verwerkingen hebben ondergaan die toereikend zijn in de zin van artikel 5; of
  • B. van oorsprong zijn uit Ceuta en Melilla of de EU, mits zij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan de in artikel 6 genoemde be- of verwerkingen.
2.

Ceuta en Melilla worden als een enkel grondgebied beschouwd.

3.

De exporteur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger vermeldt „Korea” of „Ceuta en Melilla” op de oorsprongsverklaring.

4.

De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van dit protocol in Ceuta en Melilla.

AFDELING D. SLOTBEPALINGEN

TITEL VIII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 33. Wijzigingen van het protocol

Het Handelscomité kan besluiten dit protocol te wijzigen.

Artikel 34. Overgangsbepalingen voor de doorvoer of opslag van goederen

Deze overeenkomst kan worden toegepast op goederen die aan de bepalingen van dit protocol voldoen en die op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst in de partijen in doorvoer zijn of zich in tijdelijke opslag in een douane-entrepot of in een vrije zone bevinden, mits binnen 12 maanden na die datum een achteraf opgesteld bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten van de partij van invoer wordt ingediend, tezamen met de documenten waaruit blijkt dat de goederen rechtstreeks zijn vervoerd overeenkomstig artikel 13.

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a. douanewetgeving: de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het grondgebied van de partijen van toepassing zijn op de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder andere douaneregelingen of -procedures, met inbegrip van verbods-, beperkings- en controlemaatregelen;
  • b. verzoekende autoriteit: een bevoegde overheidsinstantie die hiertoe door een partij is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand indient;
  • c. aangezochte autoriteit: een bevoegde overheidsinstantie die hiertoe door een partij is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand ontvangt;
  • d. persoonsgegevens: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
  • e. met de douanewetgeving strijdige handeling: elke overtreding of poging tot overtreding van de douanewetgeving.
Artikel 2. Toepassingsgebied
1.

De partijen verlenen elkaar bijstand om op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden en op de wijze en voorwaarden die bij dit protocol zijn vastgesteld, een correcte toepassing van de douanewetgeving te waarborgen, in het bijzonder door met die wetgeving strijdige handelingen te voorkomen, op te sporen en te bestrijden.

2.

De in dit protocol bedoelde bijstand in douanezaken geldt voor alle overheidsinstanties van de partijen die voor de toepassing van dit protocol bevoegd zijn. Deze bijstand laat de regels inzake wederzijdse bijstand in strafzaken onverlet. Hij geldt evenmin voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke instantie worden uitgeoefend, tenzij deze ermee instemt dat die informatie wordt verstrekt.

3.

Bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes valt niet onder dit protocol.

Artikel 3. Bijstand op verzoek
1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende vastgestelde of voorgenomen activiteiten die met deze wetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn.

2.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:

  • a. of goederen die uit het grondgebied van de ene partij zijn uitgevoerd, op regelmatige wijze in het grondgebied van de andere partij zijn ingevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst;
  • b. of goederen die in het grondgebied van de ene partij zijn ingevoerd, op regelmatige wijze uit het grondgebied van de andere partij zijn uitgevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder de goederen waren geplaatst.
3.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in het kader van haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om te zorgen voor bijzonder toezicht op:

  • a. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bij met de douanewetgeving strijdige handelingen betrokken zijn of waren;
  • b. plaatsen waar op zodanige wijze voorraden goederen zijn of kunnen worden aangelegd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat die goederen bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • c. goederen die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • d. vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.
Artikel 4. Ongevraagde bijstand

De partijen verlenen elkaar, in overeenstemming met hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, op eigen initiatief bijstand indien zij dit noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder indien zij informatie hebben verkregen over:

  • a. activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of lijken te zijn en die van belang kunnen zijn voor de andere partij;
  • b. nieuwe middelen of methoden die worden gebruikt om met de douanewetgeving strijdige handelingen te verrichten;
  • c. goederen waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • d. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bij met de douanewetgeving strijdige handelingen betrokken zijn of waren;
  • e. vervoermiddelen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij zijn, worden of kunnen worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.
Artikel 5. Verstrekking van documenten en kennisgeving van besluiten

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in overeenstemming met haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, alle maatregelen die nodig zijn voor

  • a. de verstrekking van documenten of
  • b. de kennisgeving van besluiten

van de verzoekende autoriteit in verband met de toepassing van dit protocol aan adressaten die op het grondgebied van de aangezochte autoriteit verblijven of gevestigd zijn.

Verzoeken om de verstrekking van documenten of de kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal.

Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand
1.

Verzoeken in het kader van dit protocol worden schriftelijk gedaan. Zij gaan vergezeld van de documenten die voor de behandeling van het verzoek noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken ook mondeling worden gedaan, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.

2.

De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de volgende gegevens:

  • a. de verzoekende autoriteit;
  • b. de maatregel waarom wordt gevraagd;
  • c. het voorwerp en de reden van het verzoek;
  • d. de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en andere juridische aspecten;
  • e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie over de natuurlijke personen of rechtspersonen op wie het onderzoek betrekking heeft;
  • f. een samenvatting van de feiten en van het reeds uitgevoerde onderzoek.
3.

De verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal.

4.

Indien een verzoek niet aan de hierboven vermelde vormvereisten voldoet, kan worden verzocht het te corrigeren of aan te vullen; in de tussentijd kan opdracht worden gegeven tot conservatoire maatregelen.

Artikel 7. Uitvoering van verzoeken
1.

Binnen de grenzen van haar bevoegdheden en de haar ten dienste staande middelen behandelt de aangezochte autoriteit een verzoek om bijstand alsof zij voor eigen rekening of op verzoek van een andere autoriteit van dezelfde partij handelt, en verstrekt zij de al beschikbare informatie en verricht zij het nodige onderzoek of laat zij dit verrichten. Deze bepaling is eveneens van toepassing op instanties waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek doorstuurt wanneer zij dit niet zelf kan afhandelen.

2.

Aan verzoeken om bijstand wordt voldaan overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de partij waaraan het verzoek is gericht.

3.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een partij kunnen, met instemming van de andere betrokken partij en op de door deze gestelde voorwaarden, ten kantore van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken autoriteit als bedoeld in lid 1 informatie verzamelen over activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn, die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit protocol nodig heeft.

4.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een betrokken partij kunnen, met instemming van de andere betrokken partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het gebied van laatstgenoemde wordt verricht.

Artikel 8. Vorm waarin de informatie moet worden verstrekt
1.

De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het ingestelde onderzoek schriftelijk aan de verzoekende autoriteit mede en voegt daarbij de relevante documenten, gewaarmerkte afschriften of andere stukken.

2.

Deze informatie kan in de vorm van computerbestanden worden verstrekt.

3.

Originelen van documenten worden uitsluitend op verzoek verstrekt wanneer gewaarmerkte afschriften niet toereikend zijn. Deze originelen worden ten spoedigste geretourneerd.

Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend
1.

Bijstand kan worden geweigerd of van bepaalde voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een partij van oordeel is dat bijstand op grond van dit protocol:

  • a. de soevereiniteit van een lidstaat van de Europese Unie of van Korea waaraan op grond van dit protocol om bijstand is gevraagd, zou kunnen aantasten; of
  • b. de openbare orde, de veiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar zou kunnen brengen, in het bijzonder in de in artikel 10, lid 2, bedoelde gevallen; of
  • c. tot schending van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim zou leiden.
2.

De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek of een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.

3.

Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.

4.

In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen moeten het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen ervan onverwijld aan de verzoekende autoriteit worden medegedeeld.

Artikel 10. Doorgifte van informatie en geheimhoudingsplicht
1.

Alle informatie die, in welke vorm dan ook, op grond van dit protocol wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter of is alleen bestemd voor beperkte verspreiding, afhankelijk van de toepasselijke voorschriften van elk van de partijen. De verstrekte gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming die door de desbetreffende wetgeving van de ontvangende partij, dan wel door de desbetreffende bepalingen die op de instellingen van de Europese Unie van toepassing zijn, aan dergelijke gegevens wordt geboden.

2.

Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven indien de ontvangende partij zich ertoe verbindt deze te beschermen op een wijze die ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van dergelijke gegevens door de partij die de gegevens verstrekt.

3.

Het gebruik van op grond van dit protocol verkregen informatie in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende met de douanewetgeving strijdige handelingen wordt beschouwd als gebruik voor de toepassing van dit protocol. De partijen kunnen derhalve bij de bewijsvoering, in verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruikmaken van de informatie die zij op grond van dit protocol hebben verkregen en van de documenten waarin zij op grond van dit protocol inzage hebben gekregen. De bevoegde instantie die de informatie heeft verstrekt of die inzage heeft gegeven in de documenten, wordt van dergelijk gebruik in kennis gesteld.

4.

De verkregen informatie wordt uitsluitend voor de toepassing van dit protocol gebruikt. Indien een van de partijen dergelijke informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, moet zij de autoriteit die de informatie heeft verstrekt vooraf om schriftelijke toestemming vragen. Voor dit gebruik gelden dan de eventueel door deze instantie vastgestelde beperkingen.

Artikel 11. Deskundigen en getuigen

Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd om, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als deskundige of getuige te verschijnen in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende onder dit protocol vallende aangelegenheden en daarbij de voor de procedure noodzakelijke voorwerpen, documenten of gewaarmerkte afschriften voor te leggen. In de dagvaarding dient uitdrukkelijk te worden vermeld voor welke rechterlijke of administratieve instantie de ambtenaar moet verschijnen en over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid hij zal worden ondervraagd.

Artikel 12. Kosten van de bijstand

De partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die op grond van dit protocol worden gedaan, met uitzondering van eventuele uitgaven voor deskundigen en getuigen en voor tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

Artikel 13. Tenuitvoerlegging
1.

Dit protocol wordt ten uitvoer gelegd door de douaneautoriteiten van Korea, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Europese Commissie en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, anderzijds. Zij stellen alle voor de toepassing van dit protocol noodzakelijke praktische maatregelen en regelingen vast, rekening houdend met de geldende voorschriften, met name op het gebied van de gegevensbescherming. Zij kunnen de bevoegde instanties aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit protocol moeten worden aangebracht.

2.

De partijen plegen onderling overleg en lichten elkaar in over alle uitvoeringsbepalingen die zij op grond van dit protocol vaststellen.

Artikel 14. Andere overeenkomsten
1.

Met inachtneming van de respectieve bevoegdheden van de Europese Unie en de lidstaten van de Europese Unie:

  • a. laat dit protocol de verplichtingen van de partijen uit hoofde van andere internationale overeenkomsten of verdragen onverlet;
  • b. wordt dit protocol geacht een aanvulling te vormen op overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Unie en Korea zijn of kunnen worden gesloten; en
  • c. doet dit protocol geen afbreuk aan de bepalingen van de Europese Unie betreffende de doorgifte, tussen de bevoegde diensten van de Europese Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, van gegevens die op grond van dit protocol zijn verkregen en die van belang kunnen zijn voor de Europese Unie.
2.

Onverminderd het bepaalde in lid 1 prevaleert dit protocol boven bilaterale overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Unie en Korea zijn of kunnen worden gesloten, indien de bepalingen van die overeenkomsten strijdig zijn met die van dit protocol.

3.

Ten aanzien van vraagstukken in verband met de toepassing van dit protocol plegen de partijen onderling overleg om deze op te lossen in het kader van het bij artikel 6.16 van deze overeenkomst ingestelde Douanecomité.

De partijen,

Geratificeerd hebbend het UNESCO-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, hierna het „Unesco-Verdrag” genoemd, dat op 20 oktober 2005 in Parijs is aangenomen en op 18 maart 2007 in overeenstemming met de in lid 3 van artikel 15.10 (Inwerkingtreding) vastgelegde procedure in werking is getreden, zijnde voornemens het Unesco-verdrag daadwerkelijk ten uitvoer te leggen en in het kader daarvan op basis van de beginselen van dat verdrag samen te werken door middel van acties in overeenstemming met dat verdrag,

Erkennend dat de cultuurindustrie en de verscheidenheid van culturele goederen en diensten van belang zijn als activiteiten met een culturele, economische en sociale waarde,

Erkennend dat het door deze overeenkomst ondersteunde proces een mondiale strategie ter bevordering van een rechtvaardige groei en een hechtere samenwerking tussen de partijen op economisch, cultureel en handelsgebied behelst,

Eraan herinnerend dat de doelstellingen van dit protocol worden aangevuld en ondersteund door al bestaande en toekomstige beleidsinstrumenten die in ander verband worden beheerd, teneinde:

de capaciteit en onafhankelijkheid van de cultuurindustrie van de partijen te versterken;

plaatselijke en regionale culturele inhoud te bevorderen,

culturele diversiteit te erkennen, te beschermen en te bevorderen als voorwaarden voor een geslaagde dialoog tussen culturen, en

het culturele erfgoed te erkennen, te beschermen en te bevorderen en de erkenning ervan door de plaatselijke bevolking te stimuleren, in het besef dat het een waardevol middel is om uiting te geven aan culturele identiteit,

Erop wijzend dat de culturele samenwerking tussen de partijen moet worden vergemakkelijkt en dat daartoe onder meer per geval rekening moet worden gehouden met de ontwikkelingsgraad van hun cultuurindustrie, met het niveau van en de structurele onevenwichtigheden bij culturele uitwisselingen en met het bestaan van regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud,

Komen het volgende overeen:

Artikel 1. Toepassingsgebied, doelstellingen en definities
1.

Onverminderd de andere bepalingen van deze overeenkomst stelt dit protocol het kader vast waarbinnen de partijen samenwerken om de uitwisseling van culturele activiteiten, goederen en diensten, onder meer in de audiovisuele sector, te vergemakkelijken.

2.

De uitsluiting van audiovisuele diensten uit het toepassingsgebied van hoofdstuk zeven (Handel in diensten, vestiging en elektronische handel) laat de uit dit protocol voortvloeiende rechten en verplichtingen onverlet. Voor vraagstukken betreffende de tenuitvoerlegging van dit protocol maken de partijen gebruik van de procedures van de artikelen 3 en 3 bis.

3.

Zonder afbreuk te doen aan hun capaciteit om hun eigen cultureel beleid op te stellen en uit te voeren en ernaar strevend deze capaciteit verder te ontwikkelen, teneinde de culturele diversiteit te beschermen en te bevorderen, spannen de partijen zich in samen te werken om de voorwaarden voor de uitwisseling van culturele activiteiten, goederen en diensten te verbeteren en eventuele structurele onevenwichtigheden en asymmetrieën bij die uitwisseling te verhelpen.

4.

Voor de toepassing van dit protocol:

gelden voor culturele diversiteit, culturele inhoud, cultuuruitingen, culturele activiteiten, goederen en diensten en cultuurindustrie de definities van het Unesco-Verdrag, en wordt verstaan onder kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars: natuurlijke personen die culturele activiteiten uitvoeren, culturele goederen produceren of in de rechtstreekse verlening van culturele diensten participeren.

AFDELING A. HORIZONTALE BEPALINGEN

Artikel 2. Culturele uitwisseling en dialoog
1.

De partijen streven ernaar hun capaciteit voor de vaststelling en ontwikkeling van hun cultuurbeleid te cultiveren, hun cultuurindustrie te ontwikkelen en meer mogelijkheden te bieden voor de uitwisseling van culturele goederen en diensten van de partijen, onder meer door ervoor te zorgen dat aanspraak kan worden gemaakt op regelingen ter bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud.

2.

De partijen werken samen bij de bevordering van de ontwikkeling van een gemeenschappelijke benadering en een ruimere uitwisseling van informatie, zowel op het gebied van culturele en audiovisuele aangelegenheden door middel van een dialoog, als op het gebied van goede praktijken bij de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten. Deze dialoog vindt plaats in het Comité voor culturele samenwerking en, waar en wanneer nodig, in andere relevante fora.

Artikel 3. Comité voor culturele samenwerking
1.

Uiterlijk zes maanden na de toepassing van dit protocol wordt een Comité voor culturele samenwerking opgericht. Dit comité bestaat uit hoge ambtenaren uit de overheidsdiensten van elk van beide partijen, die over deskundigheid en ervaring op het gebied van culturele aangelegenheden en praktijken beschikken.

2.

Het Comité voor culturele samenwerking komt binnen een jaar na de toepassing van dit protocol bijeen, en vervolgens wanneer nodig en ten minste een keer per jaar, teneinde toezicht te houden op de uitvoering van dit protocol.

3.

In afwijking van de institutionele bepalingen van hoofdstuk vijftien (Institutionele, algemene en slotbepalingen) is het Handelscomité niet bevoegd voor dit protocol en vervult het Comité voor culturele samenwerking ten aanzien van dit protocol alle taken van het Handelscomité, voor zover deze van belang zijn voor de uitvoering van dit protocol.

4.

Elk van beide partijen wijst binnen zijn diensten een bureau aan dat voor de andere partij als contactpunt voor de uitvoering van dit protocol dient.

5.

Elk van beide partijen richt (een) interne adviesgroep(en) voor culturele samenwerking op, bestaande uit vertegenwoordigers van de culturele en audiovisuele sector, die actief zijn op de door dit protocol bestreken gebieden; deze groep of groepen worden geraadpleegd over kwesties betreffende de uitvoering van dit protocol.

6.

Een partij kan om overleg met de andere partij in het Comité voor culturele samenwerking verzoeken over aangelegenheden van wederzijds belang die zich in verband met dit protocol voordoen. Het comité komt in dat geval onverwijld bijeen en stelt alles in het werk om een voor beide partijen bevredigende oplossing te vinden. Het kan daarbij aan de interne adviesgroep(en) van een van de partijen of van beide partijen advies vragen en elk van beide partijen kan zijn eigen interne adviesgroep(en) om advies vragen.

Artikel 3 bis. Beslechting van geschillen

Tenzij de partijen anders overeenkomen, en alleen wanneer een in artikel 3, lid 6, van dit protocol bedoelde aangelegenheid niet op bevredigende wijze kon worden opgelost door middel van de in dat artikel beschreven overlegprocedure, is hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen) op dit protocol van toepassing, met inachtneming van de volgende wijzigingen:

  • a. alle verwijzingen in hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen) naar het Handelscomité zijn als verwijzingen naar het Comité voor culturele samenwerking te beschouwen;
  • b. voor de toepassing van artikel 14.5 (Instelling van het arbitragepanel) trachten de partijen overeenstemming te bereiken over scheidsrechters met de nodige kennis en ervaring op de gebieden die onder dit protocol vallen. Wanneer de partijen geen overeenstemming over de samenstelling van het arbitragepanel bereiken, worden de scheidsrechters volgens de procedure van artikel 14.5, lid 3, door loting aangewezen uit de overeenkomstig c) opgestelde lijst en niet uit de in artikel 14.18 (Lijst van scheidsrechters) bedoelde lijst.
  • c. het Comité voor culturele samenwerking stelt onmiddellijk na zijn oprichting een lijst van vijftien personen op die bereid en in staat zijn om als scheidsrechter op te treden. Elk van beide partijen stelt vijf personen voor die als scheidsrechter kunnen optreden. De partijen kiezen in onderling overleg bovendien vijf personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en die als voorzitter van het arbitragepanel kunnen fungeren. Het Comité voor culturele samenwerking ziet erop toe dat de lijst te allen tijde uit dit aantal personen blijft bestaan. De scheidsrechters moeten kennis en ervaring op het onder dit protocol vallende gebied hebben. Als scheidsrechters zijn zij onafhankelijk, treden zij op persoonlijke titel op, nemen zij geen instructies aan van enige organisatie of regering ten aanzien van het geschil betreffende aangelegenheden en nemen zij bijlage 14-C (Gedragscode voor leden van arbitragepanels en voor bemiddelaars) in acht;
  • d. bij het kiezen van verplichtingen die ingevolge lid 2 van artikel 14.11 (Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving) bij een geschil in verband met dit protocol worden opgeschort, beperkt de klagende partij zich tot verplichtingen die uit dit protocol voortvloeien; en
  • e. onverminderd artikel 14.11, lid 2, mag de klagende partij geen uit dit protocol voortvloeiende verplichtingen opschorten bij geschillen die zich niet in verband met dit protocol voordoen.
Artikel 4. Kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars
1.

De partijen streven naar vergemakkelijking, in overeenstemming met hun respectieve wetgeving, van de toegang tot en het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars uit de andere partij, die niet in aanmerking komen voor voordelen uit ingevolge hoofdstuk zeven (Handel in diensten, vestiging en elektronische handel) aangegane verbintenissen en die:

  • a. als kunstenaar, acteur, technicus of als andere professional uit de cultuursector of als cultuurbeoefenaar uit de andere partij betrokken zijn bij de opname van speelfilms of televisieprogramma’s, of die
  • b. als kunstenaar of andere professional uit de cultuursector of als cultuurbeoefenaar, bijvoorbeeld als beeldend of uitvoerend kunstenaar, kunstleraar, componist, auteur, aanbieder van amusement e.d. van de andere partij betrokken zijn bij culturele activiteiten, zoals bijvoorbeeld de opname van muziek, of een actieve rol spelen bij culturele evenementen zoals, onder meer, boekenbeurzen en festivals,

mits zij hun diensten niet aan het grote publiek verkopen of deze niet zelf verlenen, niet op eigen naam een beloning ontvangen uit een bron binnen de partij waar zij tijdelijk verblijven, en geen diensten verlenen in het kader van een contract tussen een rechtspersoon zonder commerciële aanwezigheid in de partij waar de kunstenaar of andere professional uit de cultuursector of cultuurbeoefenaar tijdelijk verblijft, enerzijds, en een consument in die partij, anderzijds.

2.

Wanneer de toegang tot en het tijdelijk verblijf op het grondgebied van de partijen, zoals bedoeld in lid 1, worden toegestaan, geldt deze toestemming voor niet meer dan 90 dagen in een periode van twaalf maanden.

3.

De partijen streven ernaar om in overeenstemming met hun respectieve wetgeving de opleiding van en betere contacten tussen kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars te bevorderen; daarbij gaat het om:

  • a. theaterproducenten, zanggroepen en leden van bands en orkesten;
  • b. auteurs, componisten, beeldhouwers, entertainers en andere individuele artiesten;
  • c. kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars die in de rechtstreekse verlening van diensten door circussen, pretparken en dergelijke attracties participeren; en
  • d. kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars die in de rechtstreekse verlening van diensten door ballrooms, discotheken en dansscholen participeren.

AFDELING B. SECTORSPECIFIEKE BEPALINGEN

ONDERAFDELING A. BEPALINGEN BETREFFENDE AUDIOVISUELE WERKEN

Artikel 5. Audiovisuele coproducties
1.

Voor de toepassing van dit protocol wordt onder coproductie verstaan een audiovisueel werk dat door producenten uit Korea en de EU gezamenlijk wordt geproduceerd en waarin die producenten in overeenstemming met dit protocol hebben geïnvesteerd1)In Korea worden coproducties erkend volgens een procedure die voor radio- en televisieprogramma’s door de Koreaanse Communicatiecommissie en voor films door de Koreaanse Filmraad wordt afgewikkeld. Deze erkenningsprocedure bestaat slechts uit een technische controle om te zien of de coproductie aan de criteria van lid 6 voldoet. Alle coproducties die aan die criteria voldoen, worden erkend..

2.

De partijen stimuleren onderhandelingen over nieuwe, en de uitvoering van bestaande, coproductieovereenkomsten tussen een of meer lidstaten van de Europese Unie en Korea. Zij herbevestigen dat de lidstaten van de Europese Unie en Korea financiële voordelen kunnen toekennen aan audiovisuele coproducties, zoals omschreven in bestaande of toekomstige bilaterale coproductieovereenkomsten waarbij een of meer lidstaten van de Europese Unie en Korea partij zijn.

3.

In overeenstemming met hun respectieve wetgeving bevorderen de partijen coproducties tussen producenten uit de EU en uit Korea, onder meer door ervoor te zorgen dat voor coproducties aanspraak kan worden gemaakt op hun respectieve regelingen ter bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud.

4.

Voor audiovisuele coproducties kan aanspraak worden gemaakt op de EU-regeling voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud zoals bedoeld in lid 3, omdat zij beschouwd worden als „Europese productie” in de zin van artikel 1, punt n) i), van Richtlijn 89/552/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007/65/EG of bij latere wijzigingen, met het oog op de in artikel 4, lid 1, en artikel 3 decies, lid 1, van Richtlijn 89/552/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007/65/EG of bij latere wijzigingen2)Wijzigingen van de wetgeving laten de toepassing van lid 10 onverlet., bedoelde bevordering van audiovisuele werken.

5.

Voor audiovisuele coproducties kan aanspraak worden gemaakt op Koreaanse regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud zoals bedoeld in lid 3, omdat zij voor de toepassing van artikel 40 van de Wet inzake de bevordering van speelfilms en videoproducties (Wet nr. 9676 van 21 mei 2009) of latere wijzigingen daarvan, artikel 71 van de Omroepwet (Wet nr. 9280 van 31 december 2008) of latere wijzigingen daarvan, en het Bericht betreffende de programmaverhouding (Bericht nr. 2008-135 van de Koreaanse Communicatiecommissie van 31 december 2008) of latere wijzigingen daarvan3)Ibidem.als Koreaans werk worden beschouwd.

6.

Voor coproducties kan aanspraak worden gemaakt op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de audiovisuele coproducties komen tot stand door samenwerking tussen ondernemingen die rechtstreeks of door een meerderheidsaandeel in handen zijn en blijven van een lidstaat van de Europese Unie of van Korea en/of van onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie of van Korea;
  • b. de representatieve directeur(en) of manager(s) van de coproducerende ondernemingen, is (zijn) onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van Korea en kan (kunnen) aantonen dat hij (zij) daar hun wettige verblijfplaats heeft (hebben);
  • c. voor alle audiovisuele coproducties andere dan tekenfilms is de participatie van producenten uit twee lidstaten van de Europese Unie vereist. Voor tekenfilms is participatie van producenten uit drie lidstaten van de Europese Unie vereist. De financiële bijdrage van de producent of producenten uit elk van die lidstaten van de Europese Unie bedraagt ten minste 10%;
  • d. de respectieve financiële bijdrage van alle producenten uit de EU samen en van alle producenten uit Korea samen aan een audiovisuele coproductie andere dan een tekenfilm moet ten minste 30% van de totale productiekosten van die coproductie bedragen. Voor tekenfilms moet de respectieve bijdrage ten minste 35% van de totale productiekosten bedragen;
  • e. de bijdrage van alle producenten samen van elk van de partijen omvat een daadwerkelijke technische en artistieke participatie, waarbij de bijdragen van beide partijen met elkaar in evenwicht zijn. In het bijzonder mag de technische en artistieke bijdrage van alle producenten samen van elk van de partijen bij audiovisuele coproducties andere dan tekenfilms niet meer dan 20 procentpunten afwijken van hun financiële bijdrage en in geen geval meer dan 70% van de totale bijdrage uitmaken. Bij tekenfilms mag de technische en artistieke bijdrage van alle producenten samen van elk van de partijen niet meer dan 10 procentpunten afwijken van hun financiële bijdrage en in geen geval meer dan 65% van de totale bijdrage uitmaken;
  • f. producenten uit derde landen die het Unesco-Verdrag hebben geratificeerd, mogen, waar dat mogelijk is, voor maximaal 20% in de totale productiekosten en/of de technische en artistieke bijdrage in de audiovisuele coproductie participeren.
7.

De partijen herbevestigen dat het recht om voor coproducties aanspraak te maken op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud wederzijdse voordelen meebrengt en dat coproducties die aan de criteria van lid 6 voldoen als Europese/Koreaanse producties in de zin van de leden 4 en 5 worden beschouwd zonder dat verdere voorwaarden dan die van lid 6 worden opgelegd.

  • a. Het recht om voor coproducties aanspraak te maken op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud geldt voor een periode van drie jaar gerekend vanaf de toepassing van dit protocol. Op advies van de interne adviesgroepen zal het Comité voor culturele samenwerking zes maanden voor het verstrijken van die periode in gezamenlijk overleg nagaan of de tenuitvoerlegging van het recht van aanspraak heeft geleid tot een grotere culturele diversiteit en tot een grotere, voor beide partijen voordelige samenwerking inzake coproducties.
  • b. Het recht van aanspraak wordt met drie jaar verlengd en daarna automatisch telkens met perioden van dezelfde duur, tenzij een van de partijen het recht van aanspraak ten minste drie maanden voor het verstrijken van de aanvankelijke of verlengingsperiode schriftelijk opzegt. Zes maanden voor het verstrijken van elke verlengingsperiode verricht het Comité voor culturele samenwerking een beoordeling zoals die welke onder a) wordt beschreven.
  • c. Tenzij de partijen anders besluiten, belet opzegging van het recht van aanspraak niet dat coproducties onder de voorwaarden van lid 6 in aanmerking komen voor de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud, wanneer de datum van eerste uitzending of vertoning van die coproducties op het respectieve grondgebied van de partijen vóór het einde van de betrokken periode plaatsheeft.
9.

Gedurende de tijd dat voor coproducties aanspraak kan worden gemaakt op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud, houden de partijen, met name via de interne adviesgroepen, regelmatig toezicht op de uitvoering van lid 6 en stellen zij het Comité voor culturele samenwerking in kennis van eventuele problemen ter zake. Op verzoek van een partij kan het Comité voor culturele samenwerking het recht van aanspraak op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud en/of de criteria van lid 6 aan een nieuw onderzoek onderwerpen.

10.

Op voorwaarde dat zij ten minste twee maanden van tevoren hiervan kennis geeft, kan een partij het recht van aanspraak op haar in de leden 4 en 5 bedoelde regeling(en) voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud opschorten indien de rechten die op grond van deze leden aan coproducties zijn voorbehouden negatief beïnvloed worden door een wijziging van de in deze leden bedoelde wetgeving door de andere partij. Voordat zij tot opschorting overgaat, bespreekt en onderzoekt de kennisgevende partij in het Comité voor culturele samenwerking samen met de andere partij de aard en gevolgen van de wetswijzigingen.

Artikel 6. Andere audiovisuele samenwerking
1.

De partijen streven ernaar audiovisuele werken van de andere partij door de organisatie van festivals, seminars en dergelijke initiatieven te bevorderen.

2.

Afgezien van de in artikel 2, lid 2, van dit protocol bedoelde dialoog vergemakkelijken de partijen de samenwerking op omroepgebied teneinde de culturele uitwisseling te stimuleren, onder meer door middel van:

  • a. bevordering van de uitwisseling van informatie en van gedachtewisselingen over het omroepbeleid en de omroepregelgeving tussen bevoegde instanties;
  • b. stimulering van samenwerking en uitwisseling tussen de omroepen;
  • c. stimulering van de uitwisseling van audiovisuele werken; en
  • d. stimulering van bezoeken en deelname aan internationale omroepevenementen op het grondgebied van de andere partij.
3.

De partijen streven ernaar de toepassing van internationale en regionale normen te vergemakkelijken, teneinde de compatibiliteit en interoperabiliteit van audiovisuele technologieën te waarborgen en daardoor bij te dragen aan een betere culturele uitwisseling. Zij werken hiertoe samen.

4.

De partijen streven ernaar de verhuur en lease van technisch materiaal en technische uitrusting, zoals radio- en televisieapparatuur, muziekinstrumenten en studio-opnameapparatuur, die nodig zijn om audiovisuele werken tot stand te brengen en op te nemen, te vergemakkelijken.

5.

De partijen streven ernaar de digitalisering van audiovisuele archieven te vergemakkelijken.

Artikel 7. Tijdelijke invoer van materiaal en uitrusting voor de opname van audiovisuele werken
1.

Elk van beide partijen stimuleert waar passend de bevordering van zijn grondgebied als locatie voor de opname van speelfilms en televisieprogramma’s.

2.

In afwijking van de bepalingen over de handel in goederen in deze overeenkomst en in overeenstemming met hun respectieve wetgeving doen de partijen onderzoek naar de tijdelijke invoer uit het grondgebied van de ene partij naar dat van de andere partij van het technische materiaal en de technische uitrusting die door professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars voor de opname van speelfilms en televisieprogramma’s worden benodigd, en geven zij daarvoor toestemming.

ONDERAFDELING B. BEVORDERING VAN CULTURELE SECTOREN ANDERE DAN DE AUDIOVISUELE SECTOR

Artikel 8. Uitvoerende kunsten
1.

De partijen vergemakkelijken door middel van passende programma’s en in overeenstemming met hun respectieve wetgeving de totstandbrenging van nauwere contacten tussen beoefenaren van de uitvoerende kunsten op gebieden als beroepsuitwisselingen en -opleiding, onder meer ten aanzien van de deelname aan audities, de ontwikkeling van netwerken en de bevordering van netwerking.

2.

De partijen stimuleren gezamenlijke producties op het gebied van de uitvoerende kunsten tussen producenten uit een of meer lidstaten van de Europese Unie en Korea.

3.

De partijen stimuleren de ontwikkeling van internationale normen op het gebied van de theatertechnologie en de voor toneeluitvoeringen gebruikte tekens, onder meer via passende normalisatie-instellingen. Zij vergemakkelijken hiertoe de samenwerking.

Artikel 9. Publicaties

De partijen vergemakkelijken, in overeenstemming met hun respectieve wetgeving, de uitwisseling van publicaties met de andere partij en de verspreiding van publicaties van de andere partij door, onder meer:

  • a. de organisatie van beurzen, seminars en literaire en dergelijke evenementen in verband met publicaties, met inbegrip van mobiele faciliteiten voor openbare lezingen;
  • b. de vergemakkelijking van gezamenlijke uitgaven en vertalingen; en
  • c. de vergemakkelijking van beroepsuitwisselingen en -opleiding voor bibliothecarissen, schrijvers, vertalers, boekhandelaren en uitgevers.
Artikel 10. Bescherming van cultureel erfgoed en historische monumenten

De partijen stimuleren, in overeenstemming met hun respectieve wetgeving en onverminderd de voorbehouden in hun verbintenissen in de andere bepalingen van deze overeenkomst, door middel van passende programma’s de uitwisseling van kennis en goede praktijken betreffende de bescherming van cultureel erfgoed en historische monumenten met het oog op de werelderfgoedlijst van de Unesco; hiertoe bevorderen zij de uitwisseling van deskundigen, werken zij samen op het gebied van beroepsopleiding, organiseren zij bewustmakingscampagnes onder de plaatselijke bevolking en adviseren zij over de bescherming van historische monumenten en beschermde zones en over wetgeving en maatregelen inzake het culturele erfgoed, en met name de integratie van dat erfgoed in het lokale leven.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)