Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds
Het test- of studieverslag dat voor het eerst wordt ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het in de handel brengen, moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
- a. het is noodzakelijk voor de vergunning, of voor een wijziging van een vergunning om het gebruik in andere gewassen toe te staan, en
- b. het is in overeenstemming verklaard met de beginselen van goede laboratoriumpraktijken of goede experimentele praktijken.
De gegevensbescherming geldt voor een periode van ten minste tien jaar vanaf de datum van de eerste vergunning voor het in de handel brengen in de desbetreffende partij.
Artikel 189. Kwekersrechten
De partijen beschermen kwekersrechten in overeenstemming met het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten en werken samen om deze rechten te bevorderen en te handhaven.
AFDELING 3. HANDHAVING VAN INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN
Artikel 190. Algemene verplichtingen
De partijen herbevestigen dat zij vastbesloten zijn de TRIPs-Overeenkomst en in het bijzonder deel III daarvan, in acht te nemen en voorzien in de in deze afdeling uiteengezette aanvullende maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, die nodig zijn om te zorgen voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten31)Voor de toepassing van deze afdeling worden onder het begrip „intellectuele-eigendomsrechten” ten minste de volgende rechten verstaan: auteursrecht; naburige rechten; sui generis rechten van de samensteller van een databank; rechten van de ontwerper van topografieën van halfgeleiderproducten; rechten op handelsmerken; rechten inzake modellen; octrooirechten, met inbegrip van rechten die van aanvullende beschermingscertificaten zijn afgeleid; geografische aanduidingen; rechten op gebruiksmodellen; kwekersrechten; handelsnamen voor zover deze beschermd worden als exclusieve rechten in de interne wetgeving..
Deze aanvullende maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of duur zijn en mogen geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden.
Deze aanvullende maatregelen en rechtsmiddelen moeten ook doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor de legitieme handel wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik ervan.
Artikel 191. Rechthebbenden
Elke partij erkent dat de volgende personen gerechtigd zijn te verzoeken om toepassing van de in deze afdeling en in deel III van de TRIPs-Overeenkomst bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:
- a. houders van intellectuele-eigendomsrechten, in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht;
- b. alle andere personen die gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, in het bijzonder licentiehouders, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht;
- c. instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht,
- d. organisaties voor de verdediging van beroepsbelangen die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht.
ONDERAFDELING 1. CIVIELRECHTELIJKE HANDHAVING
Artikel 192. Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal
Elke partij zorgt ervoor dat de bevoegde rechterlijke instanties, al voordat een bodemprocedure is begonnen, op verzoek van een partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van de stelling dat er inbreuk op zijn/haar intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt of zal worden gemaakt, onmiddellijk afdoende voorlopige maatregelen kunnen gelasten om het relevante bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te beschermen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.
Tot deze maatregelen kunnen behoren de gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming, dan wel de fysieke inbeslagneming van de litigieuze goederen en, in voorkomend geval, de bij de productie en/of distributie daarvan gebruikte materialen en werktuigen en de desbetreffende documenten. Die maatregelen worden met name genomen, zo nodig zonder dat de wederpartij wordt gehoord, wanneer het aannemelijk is dat uitstel de houder van het recht onherstelbare schade zal berokkenen, of indien er een aantoonbaar gevaar bestaat dat bewijsmateriaal wordt vernietigd.
Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal die zijn genomen zonder dat de wederpartij is gehoord, worden onverwijld en uiterlijk na de uitvoering ervan ter kennis van de betrokken partijen gebracht.
Artikel 193. Recht op informatie
Elke partij draagt er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties in het kader van procedures inzake inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht naar aanleiding van een met redenen omkleed en evenredig verzoek van de eiser kunnen gelasten dat informatie over de oorsprong en het distributienetwerk van de goederen of diensten die inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht maken, wordt verstrekt door de inbreukmaker en/of iedere andere persoon die:
- a. de inbreuk makende goederen op commerciële schaal in zijn bezit bleek te hebben;
- b. de inbreuk makende diensten op commerciële schaal bleek te gebruiken;
- c. op commerciële schaal diensten bleek te verlenen die bij inbreuk makende activiteiten worden gebruikt; of
- d. inbreuk makende goederen bleek te produceren, vervaardigen of distribueren of diensten bleek te verlenen, via door in onder a), b) of c), bedoelde personen verstrekte informatie.
De in lid 1 bedoelde informatie omvat, naar gelang van het geval:
- a. de naam en het adres van de producenten, fabrikanten, distributeurs, leveranciers en andere eerdere bezitters van de goederen of diensten, alsmede van de beoogde groot- en detailhandelaren, en
- b. informatie over de geproduceerde, vervaardigde, geleverde, ontvangen of bestelde hoeveelheden, alsmede over de voor de desbetreffende goederen of diensten verkregen prijs.
De leden 1 en 2 gelden onverminderd andere wettelijke bepalingen waarbij:
- a. de houder van het recht ruimere rechten op informatie worden toegekend;
- b. het gebruik van de krachtens dit artikel meegedeelde informatie in civiele of strafzaken wordt geregeld;
- c. de aansprakelijkheid wegens misbruik van het recht op informatie wordt geregeld;
- d. de mogelijkheid wordt geboden te weigeren informatie te verstrekken die de in lid 1 bedoelde persoon zou dwingen deelname door hemzelf/haarzelf of door zijn/haar naaste verwanten aan een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht toe te geven; of
- e. de bescherming van de vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens wordt geregeld.
Artikel 194. Voorlopige maatregelen
Elke partij ziet erop toe dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser, een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen tegen de vermeende inbreukmaker dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, indien wenselijk en indien de interne wetgeving hierin voorziet op straffe van een dwangsom, tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat intellectuele-eigendomsrecht te verbieden, dan wel om aan deze voortzetting de voorwaarde te verbinden dat voor schadeloosstelling van de houder van het recht zekerheid wordt gesteld. Onder dezelfde voorwaarden kan een voorlopig bevel worden uitgevaardigd tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht.
Een voorlopig bevel kan ook worden uitgevaardigd om de inbeslagneming of afgifte te kunnen gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of zich daarin bevinden.
De partijen zorgen ervoor dat, in geval van vermeende inbreuk op commerciële schaal en indien de indiener van het verzoek omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, de rechterlijke instanties conservatoir beslag kunnen laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn/haar bankrekeningen en andere tegoeden. Hiertoe kunnen de bevoegde autoriteiten in voorkomend geval inzage gelasten van bancaire, financiële of handelsdocumenten waarover de vermeende inbreukmaker beschikt.
Artikel 195. Maatregelen ten gevolge van beslissing over grond van zaak
Elke partij ziet erop toe dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de houder van het betrokken recht wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, op zijn minst de definitieve onttrekking aan het handelsverkeer of de vernietiging kunnen gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat zij inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht maken. In voorkomend geval kunnen de bevoegde rechterlijke instanties ook de vernietiging gelasten van materialen en werktuigen die hoofdzakelijk worden gebruikt voor het ontwerpen of vervaardigen van die goederen.
De rechterlijke instanties van de partijen moeten de bevoegdheid hebben te gelasten dat deze maatregelen op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.
Elke partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, wanneer een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt vastgesteld, een bevel tot staking van de inbreuk tegen de inbreukmaker en tegen een tussenpersoon van wie de diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht, kunnen uitvaardigen.
De partijen kunnen bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties, in voorkomend geval en op verzoek van de persoon aan wie de in dit artikel vervatte maatregelen kunnen worden opgelegd, kunnen gelasten dat de maatregelen van dit artikel niet worden toegepast, maar in plaats daarvan aan de benadeelde partij een geldelijke schadeloosstelling wordt betaald wanneer de betrokkene zonder opzet en zonder nalatigheid heeft gehandeld, uitvoering van de maatregelen hem/haar onevenredige schade zou berokkenen en geldelijke schadeloosstelling van de benadeelde partij redelijkerwijs toereikend lijkt.
Artikel 196. Schadevergoeding
Elke partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de benadeelde partij, de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, gelasten aan de houder van het recht een schadevergoeding te betalen die passend is voor de werkelijke schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden. De rechterlijke instanties die de schadevergoeding vaststellen:
- a. houden rekening met alle passende aspecten, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in voorkomend geval, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de houder van het recht door de inbreuk heeft geleden; of
- b. kunnen als alternatief voor het bepaalde onder a) in voorkomend geval de schadevergoeding vaststellen als een eenmalige vergoeding, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty's of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele-eigendomsrecht in kwestie te gebruiken.
De partijen kunnen ten behoeve van de benadeelde partij bepalen dat de rechterlijke instanties invordering van winsten of betaling van een, eventueel vooraf vastgestelde, schadevergoeding kunnen gelasten, indien de inbreukmaker niet wist of niet redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde.
Artikel 197. Gerechtskosten
Elke partij draagt er zorg voor dat, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de in het ongelijk gestelde partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet en onverminderd de uitzonderingen die in de interne procedurevoorschriften zijn vastgesteld.
Artikel 198. Openbaarmaking van rechterlijke uitspraken
Elke partij draagt er zorg voor dat de rechterlijke instanties in rechtszaken wegens inbreuk op een industriële-eigendomsrecht of in rechtszaken wegens inbreuk op het auteursrecht, dan wel in beide gevallen, op verzoek van de eiser kunnen gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen tot verspreiding van de informatie over de uitspraak worden getroffen, met inbegrip van het ophangen en volledig of gedeeltelijk publiceren van de uitspraak.
Artikel 199. Vermoeden van auteurschap of houderschap van rechten
Voor de toepassing van de in deze onderafdeling bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:
- a. volstaat het voor de auteur van een werk van letterkunde of kunst, om als zodanig te worden beschouwd en derhalve het recht te hebben om een rechtsvordering wegens inbreuk in te stellen, dat zijn/haar naam op de gebruikelijke wijze op het werk is vermeld, totdat bewijs van het tegendeel is geleverd;
- b. is het bepaalde onder a) van overeenkomstige toepassing op de houders van naburige rechten ten aanzien van hun beschermde materiaal.
ONDERAFDELING 2. OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 200. Maatregelen aan grens
Onverminderd artikel 75 van deze overeenkomst en bijlage XIII bij deze overeenkomst, legt dit artikel de algemene beginselen van deze overeenkomst neer inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douaneautoriteiten en de op de douaneautoriteiten van de partijen rustende verplichtingen om samen te werken.
Bij de tenuitvoerlegging van grensmaatregelen voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten waarborgen de partijen de consistentie met hun verplichtingen in het kader van GATT 1994 en de TRIPs-Overeenkomst.
De bepalingen van dit artikel inzake grensmaatregelen zijn van procedurele aard. Zij stellen de voorwaarden en procedures vast voor optreden door de douaneautoriteiten wanneer er een vermoeden bestaat dat goederen die onder douanetoezicht zijn of hadden moeten zijn geplaatst, inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht. Zij doen geenszins afbreuk aan het materiële recht van de partijen inzake intellectuele eigendom.
Om de effectieve handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te vergemakkelijken, stellen de douaneautoriteiten een reeks benaderingen vast om zendingen te identificeren die goederen bevatten waarvoor een vermoeden bestaat dat zij inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten. Tot deze benaderingen behoren risicoanalysetechnieken die onder andere zijn gebaseerd op door de houders van een recht verstrekte informatie, verzamelde informatie en vrachtinspecties.
De partijen komen overeen artikel 69 van de TRIPs-Overeenkomst doeltreffend ten uitvoer te leggen met betrekking tot de internationale handel in goederen waarvoor een vermoeden bestaat dat zij inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten. Hiertoe stellen de partijen contactpunten bij hun douaneautoriteiten in en geven de andere partij daarvan kennis en zijn zij bereid informatie uit te wisselen over de handel in dergelijke goederen die beide partijen raakt. Zij bevorderen in het bijzonder de uitwisseling van informatie en de samenwerking tussen de douaneautoriteiten met betrekking tot de handel in nagemaakte merkartikelen en onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust. Onverminderd protocol II inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden bij deze overeenkomst wisselen de douaneautoriteiten deze informatie in voorkomend geval snel en met inachtneming van de gegevensbeschermingswetgeving van de partijen uit.
De douaneautoriteiten van elke partij werken, op verzoek of op eigen initiatief, samen om relevante beschikbare informatie te verstrekken aan de douaneautoriteiten van de andere partij, in het bijzonder voor goederen in doorvoer door het grondgebied van een partij die bestemd zijn voor (of van oorsprong zijn uit) de andere partij.
Het in artikel 74 van deze overeenkomst bedoelde subcomité stelt de nodige praktische regelingen vast met betrekking tot de uitwisseling van gegevens en informatie als bedoeld in dit artikel.
Protocol II inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden bij deze overeenkomst is van toepassing op inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten, onverminderd vormen van samenwerking die voortvloeien uit de toepassing van de leden 5 tot en met 7 van dit artikel.
Het in artikel 74 van deze overeenkomst bedoelde subcomité treedt op als het verantwoordelijke comité om te zorgen voor de goede werking en uitvoering van dit artikel.
Artikel 201. Gedragscodes
De partijen stimuleren:
- a. de ontwikkeling door handels- of beroepsverenigingen of -organisaties van gedragscodes die ten doel hebben bij te dragen tot de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;
- b. de indiening bij hun respectieve bevoegde autoriteiten van ontwerpgedragscodes en van evaluaties van de toepassing van deze gedragscodes.
Artikel 202. Samenwerking
De partijen komen overeen samen te werken ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de verbintenissen en verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk.
De samenwerking strekt zich uit, maar is niet beperkt tot de volgende activiteiten:
- a. uitwisseling van informatie over het rechtskader met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten en de relevante regels om deze te beschermen en te handhaven; uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de voortgang op wetgevingsgebied op die terreinen;
- b. uitwisseling van ervaringen en informatie over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;
- c. uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de handhaving op centraal en subcentraal niveau door de douane, de politie en administratieve en gerechtelijke instanties; coördinatie ter voorkoming van de uitvoer van nagemaakte goederen, ook met andere landen;
- d. capaciteitsopbouw; uitwisseling en opleiding van personeel;
- e. bevordering en verspreiding van informatie over intellectuele-eigendomsrechten, onder meer in zakenkringen en het maatschappelijk middenveld; voorlichting van consumenten en houders van een recht;
- f. uitbreiding van institutionele samenwerking, bijvoorbeeld tussen bureaus voor intellectuele eigendom;
- g. actieve voorlichting aan en scholing van het grote publiek over het beleid inzake intellectuele eigendom: doeltreffende strategieën formuleren om te bepalen wat de belangrijkste doelgroepen zijn en communicatieprogramma's vormgeven ter vergroting van het bewustzijn van de consument en de media over de impact van inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van het gevaar voor gezondheid en veiligheid en het verband met de georganiseerde misdaad.
HOOFDSTUK 10. MEDEDINGING
Artikel 203. Beginselen
De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handelsbetrekkingen. Zij erkennen dat concurrentieverstorende praktijken en overheidsmaatregelen (met inbegrip van subsidies) de goede werking van de markten kunnen verstoren en de voordelen van de liberalisering van het handelsverkeer kunnen ondergraven.
Artikel 204. Wetgeving op gebied van kartelbestrijding en fusies alsmede tenuitvoerlegging daarvan
Elke partij handhaaft op haar respectieve grondgebied uitgebreide mededingingswetgeving waarbij doeltreffend wordt opgetreden tegen concurrentieverstorende overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en eenzijdig concurrentieverstorend gedrag van ondernemingen met een aanzienlijke macht op de markt, en waarin wordt voorzien in een doeltreffend toezicht op concentraties teneinde te voorkomen dat daadwerkelijke mededinging op aanzienlijke wijze wordt belemmerd en misbruik van een machtspositie wordt gemaakt.
Elke partij houdt een autoriteit in stand die verantwoordelijk is voor de doeltreffende handhaving van de in lid 1 bedoelde mededingingswetgeving en die daartoe toereikend is uitgerust.
De partijen erkennen het belang van de toepassing van hun respectieve mededingingswetgeving op transparante en niet-discriminerende wijze, met inachtneming van de beginselen van een billijke rechtsgang en van het recht van verweer van de betrokken ondernemingen.
Artikel 205. Staatsmonopolies, staatsondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn toegekend
Geen enkele bepaling in dit hoofdstuk belet een partij overeenkomstig haar wetgeving staatsmonopolies en staatsondernemingen aan te wijzen of in stand te houden, of aan ondernemingen bijzondere of uitsluitende rechten toe te kennen.
Elke partij ziet erop toe dat de in artikel 204, lid 1, bedoelde mededingingswetgeving van toepassing is op commerciële staatsmonopolies, staatsondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn toegekend, voor zover de toepassing van die wetgeving de betrokken ondernemingen niet belemmert in de wettelijke of feitelijke uitvoering van de hun toegewezen bijzondere taken van algemeen belang.
Artikel 206. Subsidies
Voor de toepassing van dit artikel is een „subsidie” een maatregel die beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 1 van de SCM-Overeenkomst, ongeacht of de subsidie wordt verleend met betrekking tot de productie van goederen dan wel de verlening van diensten, en die specifiek is in de zin van artikel 2 van die overeenkomst.
Elke partij zorgt voor transparantie op het gebied van subsidies. Daartoe brengt elke partij om het andere jaar aan de andere partij verslag uit over de rechtsgrondslag, de vorm, het bedrag of het begrote bedrag alsmede, zo mogelijk, over de ontvanger van de door haar regering of door een overheidsinstantie verleende subsidie met betrekking tot de productie van goederen. Dit verslag wordt geacht te zijn uitgebracht wanneer de relevante informatie door elke partij beschikbaar is gesteld op een openbaar toegankelijke website.
Op verzoek van de ene partij verstrekt de andere partij onverwijld informatie en beantwoordt zij terstond vragen met betrekking tot specifieke subsidies in verband met de verlening van diensten.
Artikel 207. Geschillenbeslechting
De bepalingen over het geschillenbeslechtingsmechanisme in hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op de artikelen 203, 204 en 205 van deze overeenkomst.
Artikel 208. Verhouding tot WTO
De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van een partij uit hoofde van de WTO-Overeenkomst, en met name van de SCM-Overeenkomst en van het Memorandum van overeenstemming inzake de beslechting van geschillen.
Artikel 209. Vertrouwelijkheid
Bij het uitwisselen van informatie krachtens dit hoofdstuk nemen de partijen de beperkingen in acht die in hun respectieve jurisdicties voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim.
HOOFDSTUK 11. HANDELSGERELATEERDE-ENERGIEBEPALINGEN
Artikel 210. Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. „energiegoederen”: ruwe olie (GS-code 27.09), aardgas (GS-code 27.11) en elektrische energie (GS-code 27.16);
- b. „energievervoervoorzieningen”: hogedrukaardgaspijpleidingen, hoogspanningsgrid-netwerken, met inbegrip van interconnectoren die worden gebruikt om verschillende gas- of elektriciteitstransmissienetten met elkaar te verbinden, aardoliepijpleidingen, spoorwegverbindingen en andere vaste installaties bestemd voor de doorvoer van energiegoederen;
- c. „doorvoer”: de overbrenging van energiegoederen over het grondgebied van een partij, met of zonder overlading, opslag in een entrepot, verstuwing of verandering van vervoermethode, waarbij die overbrenging slechts een onderdeel vormt van het gehele traject dat begint en eindigt buiten het grondgebied van de partij waarover het verkeer plaatsvindt;
- d. „ongeoorloofde toe-eigening”: welke activiteit dan ook bestaande in de wederrechtelijke toe-eigening van energiegoederen uit energievervoervoorzieningen.
Artikel 211. Doorvoer
De partijen waarborgen de doorvoer, in overeenstemming met hun internationale verbintenissen uit hoofde van de bepalingen van de GATT 1994 en het Energiehandvestverdrag.
Artikel 212. Ongeoorloofde toe-eigening van goederen in doorvoer
Elke partij neemt alle maatregelen die nodig zijn om de ongeoorloofde toe-eigening, door een aan haar zeggenschap of jurisdictie onderworpen entiteit, van energiegoederen die over haar grondgebied worden doorgevoerd, te verbieden en aan te pakken.
Artikel 213. Ononderbroken doorvoer
Een partij eigent zich geen energiegoederen toe of grijpt niet anderszins in de doorvoer van energiegoederen over haar grondgebied in, tenzij het contract of een andere contractuele regeling waarin die doorvoer is geregeld, hiertoe specifieke bepalingen bevat, of een ononderbroken functioneren van de energievervoervoorzieningen zonder snelle corrigerende maatregelen een onredelijk groot gevaar voor de openbare veiligheid, het culturele erfgoed, de gezondheid, de veiligheid of het milieu oplevert, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel vormen tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie dan wel tot een verkapte beperking van de internationale handel.
Bij een geschil over een aangelegenheid waarbij de partijen dan wel een of meer aan de zeggenschap of jurisdictie van een van de partijen onderworpen entiteiten betrokken zijn, mag een partij over het grondgebied waarvan energiegoederen worden doorgevoerd, voordat een geschillenbeslechtingsprocedure in het kader van het desbetreffende contract dan wel een spoedprocedure in het kader van bijlage XVIII bij deze overeenkomst of hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst is afgerond, die doorvoer niet onderbreken of beperken en evenmin toestaan dat aan haar zeggenschap of jurisdictie onderworpen entiteiten, staatshandelsondernemingen daaronder begrepen, die doorvoer onderbreken of beperken, behalve in de in lid 1 bedoelde omstandigheden.
Een partij kan op grond van dit artikel niet aansprakelijk worden gesteld voor een onderbreking of beperking van de doorvoer, wanneer zij ten gevolge van handelingen die aan een derde land of aan een onder de zeggenschap of jurisdictie van een derde land vallende entiteit kunnen worden toegerekend, niet in staat is energiegoederen te leveren of door te voeren.
Artikel 214. Doorvoerverplichting voor exploitanten
Elke partij waarborgt dat de exploitanten van energievervoervoorzieningen de maatregelen treffen die nodig zijn om:
- a. het risico van onopzettelijke onderbreking of beperking van de doorvoer te minimaliseren;
- b. de normale doorvoer die onopzettelijk werd onderbroken of beperkt, zo spoedig mogelijk weer doorgang te laten vinden.
Artikel 215. Regelgevende autoriteiten
Elke partij wijst onafhankelijke regelgevende autoriteiten aan die bevoegd zijn om de gasmarkt en de elektriciteitsmarkt te reguleren. Deze regelgevende autoriteiten moeten juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk zijn van alle andere openbare of particuliere ondernemingen, marktdeelnemers of exploitanten.
De besluiten die een regelgevende autoriteit neemt en de procedures die zij toepast, zijn onpartijdig ten aanzien van alle marktdeelnemers.
Een door een besluit van een regelgevende autoriteit getroffen marktdeelnemer kan tegen dat besluit beroep aantekenen bij een van de betrokken partijen onafhankelijke beroepsinstantie. Wanneer de beroepsinstantie geen rechterlijke instantie is, moeten haar beslissingen altijd schriftelijk met redenen worden omkleed en tevens door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke instantie kunnen worden getoetst. Beslissingen van beroepsinstanties worden op doeltreffende wijze ten uitvoer gelegd.
Artikel 216. Ordening van markten
De partijen zien erop toe dat de energiemarkten worden geëxploiteerd met het oog op de totstandbrenging van door concurrentie gekenmerkte, zekere en in milieuopzicht duurzame voorwaarden, en passen geen discriminatie tussen ondernemingen toe wat de rechten en verplichtingen betreft.
Onverminderd lid 1 kan een partij in het algemeen economisch belang aan ondernemingen verplichtingen opleggen die betrekking kunnen hebben op de zekerheid, waaronder de voorzieningszekerheid, de regelmaat, de kwaliteit en de prijs van de leveringen alsmede op de bescherming van het milieu, met inbegrip van energie-efficiëntie, energie uit hernieuwbare bronnen en bescherming van het klimaat. Die verplichtingen moeten duidelijk omschreven, transparant, evenredig en verifieerbaar zijn.
Indien gas en elektriciteit op de interne markt worden verkocht tegen een door een partij gereguleerde prijs, waarborgt die partij dat de methode voor de berekening van de gereguleerde prijs wordt bekendgemaakt vóór de inwerkingtreding van de gereguleerde prijs.
Artikel 217. Toegang tot energievervoervoorzieningen
Elke partij ziet toe op de invoering op haar grondgebied van een systeem voor toegang van derden tot energievervoervoorzieningen, installaties voor vloeibaar aardgas en opslaginstallaties, die voor alle gebruikers geldt en die op transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze wordt toegepast.
Elke partij ziet erop toe dat het tarief voor toegang tot energievervoervoorzieningen en alle overige voorwaarden in verband met de toegang tot een energievervoervoorziening objectief, redelijk en transparant zijn en niet discrimineren op grond van herkomst, eigendom of bestemming van de energiegoederen.
Elke partij ziet erop toe dat alle technische en gecontracteerde capaciteit, van zowel fysieke als virtuele aard, wordt toegewezen met gebruikmaking van transparante en niet-discriminerende criteria en procedures.
Ingeval een derde toegang wordt geweigerd, zien de partijen erop toe dat de exploitanten van de energievervoervoorzieningen de partij die om toegang verzoekt desgewenst een naar behoren gemotiveerde uitleg verschaffen, waartegen bij de rechter beroep kan worden ingesteld.
Bij wijze van uitzondering kan een partij volgens in haar wetgeving vastgestelde objectieve criteria afwijken van de bepalingen van de leden 1 tot en met 4. In het bijzonder kan een partij in haar wetgeving de mogelijkheid opnemen om van geval tot geval en voor beperkte tijd voor belangrijke nieuwe energievervoervoorzieningen vrijstelling te verlenen van de voorschriften voor toegang van derden.
Artikel 218. 32) Voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk door Georgië is dit artikel enkel van toepassing indien en wanneer Georgië partij is geworden bij het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap en voor zover de specifieke bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap of de krachtens dat verdrag toepasselijke bepalingen van Unierecht van toepassing zijn op GeorgiëVerhouding tot Verdrag tot oprichting van Energiegemeenschap
In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van dit hoofdstuk en de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap of de krachtens dat verdrag toepasselijke bepalingen van Unierecht hebben de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap of de krachtens dat verdrag toepasselijke bepalingen van Unierecht voorrang, voor zover er sprake is van een dergelijke strijdigheid.
Bij de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk wordt de voorkeur gegeven aan de vaststelling van wetgeving of andere handelingen die in overeenstemming zijn met het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap of die gebaseerd zijn op de binnen de Unie toepasselijke wetgeving. In geval van een geschil met betrekking tot dit hoofdstuk worden de wetgeving of andere handelingen die aan deze criteria voldoen, geacht met dit hoofdstuk overeen te stemmen. Bij de beoordeling of de wetgeving of andere handelingen aan deze criteria voldoen, wordt acht geslagen op alle relevante besluiten die in het kader van artikel 91 van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap zijn genomen.
HOOFDSTUK 12. TRANSPARANTIE
Artikel 219. Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. „algemene maatregel”: wetten, voorschriften, gerechtelijke uitspraken, procedures en administratieve beschikkingen die gevolgen kunnen hebben voor enige onder titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst vallende aangelegenheid. Hieronder vallen niet maatregelen die aan een bepaalde persoon of een groep van personen gericht zijn;
- b. „belanghebbende”: iedere natuurlijke of rechtspersoon die op het grondgebied van een partij gevestigd is en die rechtstreeks door een algemene maatregel kan worden geraakt.
Artikel 220. Doelstelling
De partijen erkennen dat de regelgeving gevolgen voor hun onderlinge handel en investeringen kan hebben en zorgen daarom voor voorspelbare regelgeving voor marktdeelnemers en voor efficiënte procedures, ook voor kleine en middelgrote ondernemingen, waarbij zij naar behoren rekening houden met de eisen van rechtszekerheid en evenredigheid.
Artikel 221. Bekendmaking
Elke partij zorgt ervoor dat algemene maatregelen:
- a. snel en gemakkelijk toegankelijk zijn via een officieel aangewezen medium en, wanneer dit haalbaar is, langs elektronische weg, zodat ieder zich ermee vertrouwd kan maken;
- b. een toelichting op het doel en de motivering ervan verstrekken, en
- c. voldoende tijd tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding ervan bieden, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, met inbegrip van veiligheidskwesties of noodgevallen.
Elke partij:
- a. streeft ernaar voorstellen tot vaststelling of wijziging van algemene maatregelen, met inbegrip van een toelichting op het doel en de motivering van het voorstel, in een voldoende vroeg stadium bekend te maken;
- b. biedt belanghebbenden redelijke mogelijkheden en met name voldoende tijd om opmerkingen te maken over het voorstel, en
- c. streeft ernaar rekening te houden met de opmerkingen over het voorstel die zij van de belanghebbenden ontvangt.
Artikel 222. Vragen en contactpunten
Om de communicatie tussen de partijen over alle onder titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst vallende aangelegenheden te vergemakkelijken, wijst elke partij een contactpunt aan dat zich bezighoudt met de coördinatie.
Elke partij voert passende mechanismen in, of handhaaft deze, om vragen van enig persoon over voorgestelde of van kracht zijnde algemene maatregelen en over de toepassing daarvan te beantwoorden. De vragen kunnen worden ingediend via het krachtens lid 1 opgerichte contactpunt of via een ander geschikt mechanisme.
De partijen erkennen dat de in lid 2 bedoelde antwoorden niet altijd definitief en juridisch bindend zijn, maar alleen ter informatie worden gegeven, tenzij in hun wet- en regelgeving anders wordt bepaald.
Op verzoek van de ene partij verstrekt de andere partij onverwijld informatie en beantwoordt zij terstond vragen met betrekking tot een algemene maatregel die of een voorstel tot vaststelling of wijziging van een algemene maatregel dat volgens de verzoekende partij van invloed kan zijn op de werking van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, ongeacht of de verzoekende partij voordien van die maatregel in kennis was gesteld.
Artikel 223. Uitvoering van algemene maatregelen
Elke partij voert alle algemene maatregelen objectief, onpartijdig en op redelijke wijze uit.
Wanneer een partij daartoe in specifieke gevallen dergelijke maatregelen op bepaalde personen, goederen of diensten van de andere partij toepast:
- a. streeft zij ernaar belanghebbenden voor wie een administratieve procedure rechtstreeks gevolgen heeft, tijdig en in overeenstemming met haar procedures in kennis te stellen van de inleiding van een procedure, met daarbij een beschrijving van de aard van de procedure, een verklaring over de rechtsgrondslag voor de inleiding van de procedure en een algemene beschrijving van de aangelegenheden waarover het geschil gaat;
- b. biedt zij belanghebbenden een redelijke mogelijkheid om feiten en argumenten ter ondersteuning van hun standpunten naar voren te brengen voordat een definitieve administratieve maatregel wordt genomen, indien de tijd, de aard van de procedure en het openbaar belang dit toelaten, en
- c. ziet zij erop toe dat haar procedures gebaseerd zijn op de wet en in overeenstemming hiermee worden toegepast.
Artikel 224. Herziening en beroep
Elke partij stelt rechterlijke, scheidsrechterlijke of administratieve instanties of procedures in, of handhaaft deze, met het oog op een onverwijlde herziening en, indien gerechtvaardigd, correctie van de administratieve maatregel met betrekking tot onder titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst vallende aangelegenheden. De instanties of procedures zijn onpartijdig en onafhankelijk van de dienst of de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving, en de verantwoordelijken ervoor hebben geen materieel belang bij de uitkomst van de aangelegenheid.
Elke partij zorgt ervoor dat de procespartijen bij dergelijke instanties of in dergelijke procedures:
- a. over een redelijke mogelijkheid beschikken om hun respectieve standpunten te onderbouwen of te verdedigen, en
- b. een beslissing krijgen die is gebaseerd op het bewijsmateriaal en de ingediende stukken, of, indien de wet van een partij dat vereist, op het door de administratieve autoriteit samengestelde dossier.
Elke partij zorgt ervoor dat, behoudens beroep of latere herziening overeenkomstig de wet, de beslissing ten uitvoer wordt gelegd door de dienst of de autoriteit die voor de administratieve maatregel ter zake bevoegd is en dat die beslissing ook ten grondslag komt te liggen aan de praktijk van de dienst of autoriteit ter zake.
Artikel 225. Regelgevingskwaliteit en -efficiency en behoorlijk bestuurlijk gedrag
De partijen komen overeen samen te werken bij de bevordering van de kwaliteit en efficiency van de regelgeving, onder meer door de uitwisseling van informatie en beste praktijken over hun respectieve regelgevingsbeleid en regelgevingseffectbeoordelingen.
De partijen erkennen het belang van de beginselen van behoorlijk bestuurlijk gedrag33)Zoals tot uitdrukking gebracht in de Aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten inzake behoorlijk bestuur, CM/Rec(2007)7 van 20 juni 2007. en komen overeen samen te werken bij de bevordering van die beginselen, onder meer door de uitwisseling van informatie en beste praktijken.
Artikel 226. Specifieke voorschriften
De bepalingen van dit hoofdstuk gelden onverminderd de specifieke voorschriften inzake transparantie die in andere hoofdstukken van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn vastgesteld.
HOOFDSTUK 13. HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING
Artikel 227. Context en doelstellingen
De partijen herinneren aan de Agenda 21 van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling van 1992, de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk van 1998, het Uitvoeringsplan van Johannesburg over duurzame ontwikkeling van 2002, de Ministeriële Verklaring van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties van 2006 inzake het genereren van volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen, en de Verklaring van de ILO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008. De partijen herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze bijdraagt aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling, voor het welzijn van huidige en toekomstige generaties, en om erop toe te zien dat deze doelstelling wordt geïntegreerd in en tot uitdrukking komt op elk niveau van hun handelsbetrekkingen.
De partijen herbevestigen hun verbintenis om te streven naar duurzame ontwikkeling en erkennen dat economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming de nauw met elkaar samenhangende en elkaar wederzijds versterkende pijlers daarvan zijn. Zij benadrukken de voordelen die het inhoudt wanneer handelsgerelateerde vraagstukken op het gebied van arbeid34)Wanneer in dit hoofdstuk wordt verwezen naar „arbeid”, gaat het ook om kwesties die betrekking hebben op de in het kader van de Verklaring van de ILO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008 overeengekomen strategische doelstellingen van de ILO, door middel waarvan het Programma voor fatsoenlijk werk tot uitdrukking wordt gebracht. en milieu als onderdeel van een wereldwijde aanpak van handel en duurzame ontwikkeling worden beschouwd.
Artikel 228. Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus
De partijen erkennen het recht van elke partij haar eigen beleid en prioriteiten voor duurzame ontwikkeling en haar eigen niveaus van interne milieu- en arbeidsbescherming vast te stellen, en dienovereenkomstig haar wetgeving en beleid ter zake vast te stellen of te wijzigen, in overeenstemming met hun verbintenissen op grond van internationaal erkende normen en overeenkomsten als bedoeld in de artikelen 229 en 230 van deze overeenkomst.
In die context streeft elke partij ernaar te waarborgen dat haar wetgeving en beleid voorzien in hoge beschermingsniveaus voor milieu en werknemers, en deze bevorderen, en streeft zij ook naar een voortdurende verbetering van haar wetgeving en beleid en de onderliggende beschermingsniveaus.
Artikel 229. Multilaterale arbeidsnormen en -overeenkomsten
De partijen erkennen dat volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen de hoofdelementen zijn voor het zoeken naar oplossingen voor aangelegenheden in verband met de mondialisering, en herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze tot volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen leidt. In deze context verbinden de partijen zich ertoe waar nodig elkaar te raadplegen en samen te werken bij handelsgerelateerde arbeidsvraagstukken van wederzijds belang.
In overeenstemming met hun verplichtingen als ILO-lid en de Verklaring van de ILO over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk en de follow-up daarvan, die door de Internationale Arbeidsconferentie in 1998 tijdens haar 86e vergadering werd goedgekeurd, verbinden de partijen zich ertoe in hun wetgeving en praktijk en op hun gehele grondgebied de internationaal erkende fundamentele arbeidsnormen, zoals die zijn vervat in de fundamentele ILO-verdragen, te eerbiedigen, te bevorderen en te verwezenlijken, en met name:
- a. de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve onderhandelingen;
- b. de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;
- c. de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid, en
- d. de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep.
De partijen herbevestigen hun verbintenis de door Georgië respectievelijk de lidstaten geratificeerde fundamentele, prioritaire en andere ILO-verdragen op doeltreffende wijze in hun wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen.
De partijen overwegen eveneens de resterende prioritaire en andere verdragen die door de ILO als bijgewerkt zijn geclassificeerd, te ratificeren. Zij wisselen regelmatig informatie uit over hun respectieve situatie en ontwikkelingen dienaangaande.
De partijen erkennen dat de schending van de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk niet als legitiem relatief voordeel mag worden ingeroepen of op andere wijze als zodanig mag worden gebruikt, en dat de arbeidsnormen niet voor protectionistische handelsdoeleinden mogen worden gebruikt.
Artikel 230. Multilaterale governance en overeenkomsten op milieugebied
De partijen erkennen de waarde van multilaterale governance en overeenkomsten op milieugebied als antwoord van de internationale gemeenschap op mondiale of regionale milieuproblemen, en zij benadrukken de noodzaak de wederzijdse ondersteuning van handels- en milieubeleid te versterken. In die context verbinden de partijen zich ertoe waar nodig elkaar te raadplegen en samen te werken met betrekking tot onderhandelingen over handelsgerelateerde milieuvraagstukken en met betrekking tot andere handelsgerelateerde milieuaangelegenheden van wederzijds belang.
De partijen herbevestigen hun verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten (MMO's) waarbij zij partij zijn, op doeltreffende wijze in hun wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen.
De partijen wisselen regelmatig informatie uit over hun respectieve situatie en voortgang met betrekking tot de ratificatie van de MMO's of de wijzigingen daarvan.
De partijen herbevestigen hun verbintenis ten aanzien van het bereiken van de uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorende protocol (Protocol van Kyoto). Zij verbinden zich ertoe samen te werken bij de ontwikkeling van het toekomstige internationale kader inzake klimaatverandering uit hoofde van het UNFCCC en de daarmee verband houdende overeenkomsten en besluiten.
Geen enkele bepaling in deze overeenkomst staat eraan in de weg dat de partijen maatregelen vaststellen of handhaven ter tenuitvoerlegging van de MMO's waarbij zij partij zijn, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen niet worden toegepast op een manier die een willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen of een verkapte beperking van het handelsverkeer zou betekenen.
Artikel 231. Handel en investeringen ter bevordering van duurzame ontwikkeling
De partijen herbevestigen hun verbintenis om de bijdrage van de handel aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht te versterken. Dienovereenkomstig:
- a. erkennen zij het positieve effect dat fundamentele arbeidsnormen en fatsoenlijk werk op economische efficiëntie, innovatie en productiviteit kunnen hebben, en zetten zij zich in voor een grotere politieke coherentie tussen het handelsbeleid enerzijds en het arbeidsbeleid anderzijds;
- b. streven zij ernaar de handel en de investeringen in milieugoederen en -diensten te vergemakkelijken en te bevorderen, onder meer door de aanpak van niet-tarifaire belemmeringen ter zake;
- c. streven zij ernaar het wegnemen van handels- en investeringsbelemmeringen met betrekking tot goederen en diensten die van bijzonder belang zijn voor de vermindering van de gevolgen van klimaatverandering, zoals duurzame hernieuwbare energie en energiezuinige producten en diensten, te vergemakkelijken. Dit kan onder meer door de invoering van geschikte technologieën en door de bevordering van normen die aan de ecologische en economische behoeften beantwoorden en die de technische handelsbelemmeringen tot een minimum terugdringen;
- d. komen zij overeen de handel in goederen die bijdragen tot betere sociale voorwaarden en milieuvriendelijker praktijken, waaronder producten die onder vrijwillige duurzaamheidsregelingen vallen, zoals programma's voor eerlijke en ethische handel alsmede milieukeurmerken, te bevorderen;
- e. komen zij overeen maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen, onder meer door de uitwisseling van informatie en van beste praktijken. In dit verband beroepen zij zich op de internationaal erkende beginselen en richtsnoeren ter zake, in het bijzonder de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen.
Artikel 232. Biologische diversiteit
De partijen erkennen dat het van belang is zorg te dragen voor de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit als hoofdelement voor het bereiken van duurzame ontwikkeling, en herbevestigen hun verbintenis tot instandhouding en duurzaam gebruik van biologische diversiteit uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit en andere relevante internationale instrumenten waarbij zij partij zijn.
Daartoe verbinden de partijen zich ertoe:
- a. de handel in op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten die zijn verkregen door een duurzaam gebruik van biologische hulpbronnen te bevorderen en bij te dragen tot de instandhouding van de biodiversiteit;
- b. informatie uit te wisselen over activiteiten inzake de handel in op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten die erop gericht zijn het biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen en de druk op de biodiversiteit te verminderen, en, in voorkomend geval, samen te werken om het effect van hun respectieve beleidsmaatregelen te optimaliseren en de wederzijdse ondersteuning daarvan te waarborgen;
- c. te bevorderen dat soorten waarvan de staat van instandhouding bedreigd wordt geacht, worden opgenomen in de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), en
- d. op regionaal en mondiaal niveau samen te werken met het oog op de bevordering van de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit in natuurlijke of agrarische ecosystemen, met inbegrip van bedreigde soorten en hun habitat, speciaal beschermde natuurgebieden en genetische diversiteit, het herstel van de ecosystemen en de eliminatie of de vermindering van de negatieve milieueffecten als gevolg van het gebruik van levende en niet-levende natuurlijke hulpbronnen of van ecosystemen.
Artikel 233. Duurzaam bosbeheer en handel in bosbouwproducten
De partijen erkennen dat het van belang is zorg te dragen voor het behoud en het duurzame beheer van de bossen en erkennen het belang van de bijdrage van de bossen aan de economische, ecologische en sociale doelstellingen van de partijen.
Daartoe verbinden de partijen zich ertoe:
- a. de handel in hout afkomstig uit op duurzame wijze beheerde bossen, dat is gekapt in overeenstemming met de interne wetgeving van het land van houtkap, te bevorderen, wat onder meer het sluiten van bilaterale of regionale overeenkomsten daartoe zou kunnen inhouden;
- b. informatie uit te wisselen over maatregelen ter bevordering van het verbruik van hout en houtproducten afkomstig uit op duurzame wijze beheerde bossen, en, in voorkomend geval, samen te werken bij de opstelling van dergelijke maatregelen;
- c. in voorkomend geval maatregelen ter bevordering van de instandhouding van de bosbedekking en ter bestrijding van illegale houtkap en de daaraan gerelateerde handel, onder meer ten aanzien van derde landen, vast te stellen;
- d. informatie uit te wisselen over activiteiten ter verbetering van de governance op bosbouwgebied en, in voorkomend geval, samen te werken om het effect van hun respectieve beleidsmaatregelen die erop gericht zijn illegaal gekapt hout en producten daarvan van de handelsstromen uit te sluiten, te optimaliseren en de wederzijdse ondersteuning daarvan te waarborgen;
- e. te bevorderen dat houtsoorten waarvan de staat van instandhouding bedreigd wordt geacht, worden opgenomen in de CITES, en
- f. op regionaal en mondiaal niveau samen te werken met het oog op de bevordering van de instandhouding van de bosbedekking en het duurzame beheer van alle soorten bossen.
Artikel 234. Handel in visproducten
Gelet op het belang van het waarborgen van een verantwoord en duurzaam beheer van de visbestanden, alsmede van het bevorderen van goede governance in de handel, verbinden de partijen zich ertoe:
- a. beste praktijken met betrekking tot visserijbeheer, met het oog op de instandhouding en het duurzame beheer van de visbestanden, op basis van de ecosysteemaanpak, te bevorderen;
- b. doeltreffende maatregelen voor de monitoring van en de controle op visserijactiviteiten te treffen;
- c. instandhoudingsmaatregelen voor de lange termijn na te leven en zorg te dragen voor de duurzame exploitatie van de mariene biologische rijkdommen als omschreven in de belangrijkste daarmee verband houdende VN- en FAO-instrumenten;
- d. gecoördineerde systemen voor de verzameling van gegevens en wetenschappelijke samenwerking tussen de partijen te bevorderen ter verbetering van de actuele wetenschappelijke adviezen ten behoeve van het visserijbeheer;
- e. zoveel mogelijk met en binnen de desbetreffende regionale organisaties voor visserijbeheer samen te werken, en
- f. samen te werken bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO-) visserij en visserijgerelateerde activiteiten door middel van uitgebreide, doeltreffende en transparante maatregelen. De partijen voeren tevens beleid en maatregelen uit om IOO-producten van de handelsstromen uit te sluiten en van hun markten te weren.
Artikel 235. Handhaving van beschermingsniveaus
De partijen erkennen dat het niet gepast is handel of investeringen aan te moedigen door de beschermingsniveaus waarin hun respectieve milieu- en arbeidswetgeving voorziet, te verlagen.
De partijen zien niet af van toepassing van of wijken niet af van, of bieden niet aan af te zien van toepassing van of af te wijken van, hun milieu- en arbeidswetgeving op zodanige wijze dat dit als aanmoediging werkt voor de handel of de plaatsing, de overname, de uitbreiding of de handhaving van een investering van een investeerder op hun respectieve grondgebied.
De partijen doen niet zodanig afbreuk aan de daadwerkelijke handhaving van hun respectieve milieu- en arbeidswetgeving door een onafgebroken of herhaald handelen of nalaten, dat dit als aanmoediging werkt voor de handel of investeringen.
Artikel 236. Wetenschappelijke informatie
Bij de opstelling en tenuitvoerlegging van op de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden gerichte maatregelen die de handel of de investeringen negatief kunnen beïnvloeden, houden de partijen rekening met de beschikbare wetenschappelijke en technische informatie alsmede de relevante internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen, indien voorhanden. Dienaangaande kunnen zij tevens het voorzorgsbeginsel als leidraad nemen.
Artikel 237. Transparantie
Elke partij ziet er, in overeenstemming met haar interne wetgeving en hoofdstuk 12 (Transparantie) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, op toe dat alle op de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden gerichte maatregelen die de handel of de investeringen negatief kunnen beïnvloeden, op transparante wijze worden opgesteld, ingevoerd en ten uitvoer gelegd, dat zij tijdig worden aangekondigd, dat hierover een openbare raadpleging wordt gehouden en dat niet-overheidsactoren op passende wijze tijdig worden geïnformeerd en geconsulteerd.
Artikel 238. Evaluatie van effecten op duurzaamheid
De partijen verbinden zich ertoe de effecten van de tenuitvoerlegging van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op de duurzame ontwikkeling te evalueren, te beoordelen en te monitoren via hun bestaande participatieprocessen en participatieve instellingen en die welke in het kader van deze overeenkomst in het leven zijn geroepen, bijvoorbeeld door handelsgerelateerde beoordelingen van de effecten op de duurzaamheid.
Artikel 239. Samenwerking bij handel en duurzame ontwikkeling
De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van handelsgerelateerde aspecten van het milieu- en arbeidsbeleid teneinde de doelstellingen van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst te verwezenlijken. Zij kunnen samenwerken op onder meer de volgende gebieden:
- a. arbeids- of milieuaspecten van handel en duurzame ontwikkeling in internationale fora, waaronder met name de WTO, de ILO, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en MMO's;
- b. methoden en indicatoren voor handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordelingen;
- c. effecten van arbeids- en milieuvoorschriften, -normen en -standaarden op handel, evenals effecten van handels- en investeringsvoorschriften op de arbeids- en milieuwetgeving, met inbegrip van de opstelling van arbeids- en milieuvoorschriften en arbeids- en milieubeleid;
- d. positieve en negatieve effecten van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op duurzame ontwikkeling en manieren om deze effecten te versterken, te voorkomen of te verzachten, waarbij tevens rekening wordt gehouden met door een van de partijen of beide partijen verrichte duurzaamheidseffectbeoordelingen;
- e. uitwisseling van standpunten en beste praktijken inzake de bevordering van de ratificatie en de doeltreffende tenuitvoerlegging van de fundamentele, prioritaire en andere bijgewerkte ILO-verdragen en de MMO's die in een handelscontext van belang zijn;
- f. bevordering van particuliere en openbare certificerings-, traceerbaarheids- en keurmerksystemen, waaronder milieukeuren;
- g. bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, bijvoorbeeld door middel van bewustmakingsacties alsmede tenuitvoerlegging en verspreiding van internationaal erkende richtsnoeren en beginselen;
- h. handelsgerelateerde aspecten van het ILO-Programma voor fatsoenlijk werk, daaronder begrepen het verband tussen handel en volledige en productieve werkgelegenheid, het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt, de fundamentele arbeidsnormen, de arbeidsstatistieken, de ontwikkeling van menselijk potentieel en een leven lang leren, sociale bescherming en sociale integratie, sociale dialoog en gelijke kansen voor mannen en vrouwen;
- i. handelsgerelateerde aspecten van MMO's, met inbegrip van douanesamenwerking;
- j. handelsgerelateerde aspecten van de huidige en toekomstige internationale regeling in verband met klimaatverandering, met inbegrip van middelen om koolstofarme technologieën en energie-efficiëntie te bevorderen;
- k. handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit;
- l. handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van de instandhouding en het duurzame beheer van bossen, om zo de druk op ontbossing te verlichten, ook wat illegale houtkap betreft, en
- m. handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van duurzamevisserijmethoden en de handel in producten afkomstig uit duurzaam beheerde visbestanden.
Artikel 240. Institutionele opzet en toezichtmechanismen
Elke partij wijst binnen haar diensten een contactpunt aan voor de contacten met de andere partij over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.
Er wordt een subcomité Handel en duurzame ontwikkeling opgericht. Het subcomité brengt verslag over zijn activiteiten uit aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst. Het comité bestaat uit hoge ambtenaren van elke partij.
Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling komt binnen het eerste jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, en vervolgens wanneer het nodig is, om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk, met inbegrip van de op grond van artikel 239 van deze overeenkomst verrichte samenwerkingsactiviteiten. Het subcomité stelt zijn eigen reglement van orde vast.
Elke partij roept een of meer nieuwe interne adviesgroepen voor duurzame ontwikkeling bijeen of raadpleegt een of meer bestaande interne adviesgroepen voor duurzame ontwikkeling, die tot taak hebben advies over kwesties in verband met dit hoofdstuk te verlenen. Deze groep (groepen) kan (kunnen), ook op eigen initiatief, standpunten kenbaar maken of aanbevelingen doen over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.
De interne adviesgroep(en) bestaat (bestaan) uit onafhankelijke representatieve organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met een evenwichtige vertegenwoordiging van belanghebbenden op economisch, sociaal en milieugebied, met inbegrip van onder meer werkgevers- en werknemersorganisaties, niet-gouvernementele organisaties, ondernemingsgroepen alsmede andere belanghebbenden ter zake.
Artikel 241. Gezamenlijk forum voor dialoog met maatschappelijk middenveld
De partijen bevorderen de oprichting van een gezamenlijk forum met op hun grondgebied gevestigde maatschappelijke organisaties, waaronder leden van hun interne adviesgroep(en) en het grote publiek, om een dialoog te voeren over de duurzameontwikkelingsaspecten van deze overeenkomst. De partijen bevorderen een evenwichtige vertegenwoordiging van de belangen ter zake, waaronder die van onafhankelijke representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, milieuorganisaties en ondernemingsgroepen, en in voorkomend geval van andere belanghebbenden ter zake.
Het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld wordt eenmaal per jaar bijeengeroepen, tenzij de partijen anders overeenkomen. De partijen bereiken uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst overeenstemming over de werkwijze van het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld.
De partijen leggen de meest recente gegevens over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk voor aan het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld. De standpunten en meningen van het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld worden aan de partijen voorgelegd en worden openbaar gemaakt.
Artikel 242. Overleg op regeringsniveau
Voor alle aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen, maken de partijen enkel gebruik van de in dit artikel en artikel 243 van deze overeenkomst vastgestelde procedures.
Een partij kan om overleg met de andere partij verzoeken over elke aangelegenheid die zich in verband met dit hoofdstuk voordoet, door bij het contactpunt van de andere partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen. In het verzoek moet de aangelegenheid helder worden uiteengezet, door het desbetreffende probleem te omschrijven en een korte samenvatting te geven van de op grond van dit hoofdstuk geldend gemaakte rechten. Het overleg begint onverwijld na de indiening van het verzoek om overleg.
De partijen doen alles wat in hun vermogen ligt om de aangelegenheid op een voor beide partijen bevredigende wijze op te lossen. Zij houden rekening met de werkzaamheden van de ILO of van multilaterale milieuorganisaties of -instanties ter zake, teneinde een grotere samenwerking en meer samenhang tussen het werk van de partijen en deze organisaties te bevorderen. In voorkomend geval kunnen de partijen advies inwinnen van deze organisaties of instanties, of van elke persoon die of elk orgaan dat zij geschikt achten om de aangelegenheid volledig te onderzoeken.
Indien een partij van oordeel is dat de aangelegenheid verder moet worden besproken, kan zij verzoeken het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling voor behandeling van de aangelegenheid bijeen te roepen door hiertoe een schriftelijk verzoek in te dienen bij het contactpunt van de andere partij. Dat subcomité komt onverwijld bijeen en probeert overeenstemming te bereiken over een oplossing van de aangelegenheid.
Dat subcomité kan in voorkomend geval advies inwinnen van de interne adviesgroep(en) van een van de of van beide partijen of zich door andere deskundigen laten bijstaan.
Alle oplossingen die door de overleggende partijen ter zake worden bereikt, worden openbaar gemaakt.
Artikel 243. Deskundigenpanel
Elke partij kan vanaf negentig dagen na de indiening van een verzoek om overleg ingevolge artikel 242, lid 2, van deze overeenkomst verzoeken een deskundigenpanel bijeen te roepen om een aangelegenheid die tijdens het overleg op regeringsniveau niet op bevredigende wijze werd opgelost, te onderzoeken.
De bepalingen van onderafdeling 1 (Arbitrageprocedure) en onderafdeling 3 (Gemeenschappelijke bepalingen) van afdeling 3 (Procedures voor beslechting van geschillen) en artikel 270 van hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, alsmede de procedureregels in bijlage XX bij deze overeenkomst en de gedragscode voor arbiters en bemiddelaars („gedragscode”), die is vastgelegd in bijlage XXI bij deze overeenkomst, zijn van toepassing, tenzij in dit artikel anders wordt bepaald.
Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling stelt op zijn eerste bijeenkomst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst van ten minste vijftien personen op die bereid en in staat zijn om op te treden als deskundigen in het kader van panelprocedures. Elke partij draagt ten minste vijf personen voor die als deskundigen kunnen optreden. De partijen kiezen bovendien ten minste vijf personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en als voorzitter van het deskundigenpanel kunnen fungeren. Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling ziet erop toe dat de lijst steeds deze omvang heeft.
De in lid 3 van dit artikel bedoelde lijst bevat personen die beschikken over gespecialiseerde kennis of deskundigheid op het gebied van het recht, de arbeids- of milieukwesties waarop dit hoofdstuk betrekking heeft, of de beslechting van geschillen in het kader van internationale overeenkomsten. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies van enige organisatie of regering aan met betrekking tot de aangelegenheid in kwestie, zijn niet verbonden aan de regering van een van de partijen, en nemen bijlage XXI bij deze overeenkomst in acht.
Voor aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen, bestaat het deskundigenpanel uit deskundigen van de in lid 3 van dit artikel bedoelde lijst, in overeenstemming met artikel 249 van deze overeenkomst en punt 8 van de procedureregels in bijlage XX bij deze overeenkomst.
Het deskundigenpanel kan inlichtingen en advies inwinnen bij de partijen, de interne adviesgroep(en) of alle bronnen die het nuttig acht. Voor aangelegenheden die verband houden met de naleving van multilaterale overeenkomsten als bedoeld in de artikelen 229 en 230 van deze overeenkomst verzoekt het deskundigenpanel de ILO of de bij MMO's ingestelde organen om inlichtingen en advies.
Het deskundigenpanel legt zijn verslag aan de partijen voor, overeenkomstig de desbetreffende procedures van hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst; dit verslag vermeldt de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen alsmede de beweegredenen die aan de bevindingen en aanbevelingen van het panel ten grondslag liggen. De partijen maken het verslag binnen vijftien dagen nadat het is uitgebracht openbaar.
De partijen bespreken, rekening houdend met het verslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel, welke passende maatregelen moeten worden getroffen. De betrokken partij brengt haar adviesgroepen en de andere partij uiterlijk drie maanden nadat het verslag openbaar is gemaakt, op de hoogte van haar besluiten over de acties of maatregelen die moeten worden uitgevoerd. Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling houdt toezicht op het vervolg dat wordt gegeven aan het verslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel. De adviesorganen en het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld kunnen in dit verband opmerkingen indienen bij het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling.
HOOFDSTUK 14. BESLECHTING VAN GESCHILLEN
AFDELING 1. DOELSTELLING EN TOEPASSINGSGEBIED
Artikel 244. Doelstelling
Het doel van dit hoofdstuk is een doeltreffend en doelmatig mechanisme ter vermijding en beslechting van geschillen tussen de partijen over de interpretatie en toepassing van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op te zetten, teneinde waar mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.
Artikel 245. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle geschillen over de interpretatie en toepassing van de bepalingen van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, tenzij anders wordt bepaald.
AFDELING 2. OVERLEG EN BEMIDDELING
Artikel 246. Overleg
De partijen streven ernaar alle geschillen als bedoeld in artikel 245 van deze overeenkomst op te lossen door te goeder trouw overleg te voeren, teneinde tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.
De partij die overleg wenst te voeren dient daartoe bij de andere partij een schriftelijk verzoek in, van welk verzoek een afschrift wordt gezonden aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, en vermeldt daarbij de redenen voor het verzoek alsmede de maatregel waarom het gaat en de in artikel 245 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen die zij van toepassing acht.
Het overleg wordt binnen dertig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek gehouden en vindt, tenzij de partijen anders overeenkomen, plaats op het grondgebied van de partij waaraan het verzoek gericht is. Het overleg wordt dertig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Het overleg, en in het bijzonder alle tijdens het overleg door de partijen verstrekte informatie en ingenomen standpunten, is vertrouwelijk en laat de rechten van de partijen in latere procedures onverlet.
Overleg over dringende aangelegenheden, zoals wanneer het bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen of diensten betreft, wordt binnen vijftien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek door de partij waaraan het gericht is, gehouden en wordt binnen hetzelfde tijdsbestek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten.
Indien de partij waaraan het verzoek om overleg gericht is, niet binnen tien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek hierop reageert, of indien het overleg niet binnen de in lid 3 respectievelijk lid 4 van dit artikel genoemde termijn wordt gehouden, of indien de partijen overeenkomen geen overleg te voeren of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing is bereikt, kan de partij die om overleg heeft verzocht een beroep doen op artikel 248 van deze overeenkomst.
Tijdens het overleg verstrekt elke partij voldoende feitelijke informatie, zodat een volledig onderzoek mogelijk is naar de wijze waarop de betrokken maatregel van invloed kan zijn op de werking en toepassing van deze overeenkomst.
Wanneer het overleg betrekking heeft op het vervoer van energiegoederen via netwerken en een partij de oplossing van het geschil dringend acht wegens een volledige of gedeeltelijke onderbreking van het vervoer van aardgas, olie of elektriciteit tussen de partijen, wordt het binnen drie dagen na de datum van indiening van het verzoek gehouden en wordt het drie dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten.
Artikel 247. Bemiddeling
Elke partij kan overeenkomstig bijlage XIX bij deze overeenkomst de andere partij verzoeken om aan een bemiddelingsprocedure deel te nemen met betrekking tot een maatregel die haar handelsbelangen ongunstig beïnvloedt.
AFDELING 3. PROCEDURES VOOR BESLECHTING VAN GESCHILLEN
ONDERAFDELING 1. ARBITRAGEPROCEDURE
Artikel 248. Inleiding van arbitrageprocedure
Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil door middel van het in artikel 246 van deze overeenkomst bedoelde overleg op te lossen, kan de partij die om overleg heeft verzocht, overeenkomstig dit artikel om de instelling van een arbitragepanel verzoeken.
Het verzoek om instelling van een arbitragepanel wordt schriftelijk gedaan bij de andere partij en bij het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst. De klagende partij vermeldt in haar verzoek welke maatregel in het geding is en legt uit, op zodanige wijze dat de rechtsgrond van de klacht duidelijk is, waarom die maatregel onverenigbaar is met de in artikel 245 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)