Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2016-10-30
State In force
Source BWB
artikelen 370
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Elke partij baseert haar procedures voor onderzoek, vrijgave en controle na binnenkomst veeleer op beginselen van risicobeoordeling dan dat zij voor elke zending bij binnenkomst uitgebreid onderzoekt of aan de invoervereisten is voldaan.

2.

Elke partij stelt haar invoer-, uitvoer- en doorvoervoorschriften en -procedures voor goederen vast en past deze toe op basis van risicobeheersbeginselen, en richt nalevingsmaatregelen op transacties die bijzondere aandacht behoeven.

3.

Het bepaalde in de leden 1 en 2 belet een partij niet kwaliteitscontroles te verrichten en na te gaan of de voorschriften zijn nageleefd, waarvoor verdergaand onderzoek nodig kan zijn.

Artikel 6.8. Automatisering

1.

Elke partij maakt gebruik van informatietechnologie die procedures voor de vrijgave van goederen bespoedigt, met het oog op het bevorderen van de handel, de handel tussen de partijen daaronder begrepen.

2.

Elke partij:

  • a. zet zich in om langs elektronische weg douaneformulieren ter beschikking te stellen die voor de in- of uitvoer van goederen nodig zijn;
  • b. biedt, in overeenstemming met haar interne recht, gelegenheid die douaneformulieren in elektronische vorm in te dienen; en
  • c. voorziet erin dat haar douane zorg draagt voor elektronische uitwisseling van informatie met haar handelssector.
3.

Elke partij streeft ernaar:

  • a. om volledig met elkaar in verbinding staande eenloketsystemen te ontwikkelen of te behouden teneinde het gemakkelijker te maken om de door de douane- en andere wetgeving vereiste informatie voor grensoverschrijdend verkeer van goederen in één keer elektronisch in te dienen; en
  • b. gegevensreeksen en -processen te ontwikkelen in overeenstemming met het gegevensmodel en de bijbehorende aanbevelingen en richtsnoeren van de Werelddouaneorganisatie, hierna „WDO” genoemd.
4.

Met het oog op de bevordering van de handel tussen de partijen, streven de partijen ernaar samen te werken aan de ontwikkeling van interoperabele elektronische systemen, waarbij rekening wordt gehouden met het werk in de WDO.

Artikel 6.9. Besluiten vooraf

1.

Elke partij stelt op schriftelijk verzoek besluiten vooraf vast inzake tariefindeling, in overeenstemming met haar interne recht.

2.

Elke partij maakt, bijvoorbeeld via internet, de voor een goed begrip en toepassing van tariefindelingsvoorschriften relevante informatie bekend over besluiten vooraf inzake tariefindeling, tenzij vertrouwelijkheidsvereisten hieraan in de weg staan.

3.

Om de handel te bevorderen, houden de partijen elkaar in hun bilaterale overleg regelmatig op de hoogte van wijzigingen in hun respectieve wet- en regelgeving en van uitvoeringsmaatregelen met betrekking tot de in de leden 1 en 2 bedoelde aangelegenheden.

Artikel 6.10. Toetsing en beroep

1.

Elke partij zorgt ervoor dat ten aanzien van een administratieve handeling of officiële beslissing ten aanzien van de invoer van goederen een toetsing mogelijk is door gerechtelijke, scheidsrechterlijke of administratieve gerechten of door middel van administratieve procedures.

2.

Het gerecht dat of de ambtenaar die optreedt naar aanleiding van deze administratieve procedures zijn onafhankelijk van de ambtenaar of de dienst die het besluit heeft genomen, en is bevoegd de vaststelling in overeenstemming met het interne recht van de partij te handhaven, te wijzigen of te herroepen.

3.

Alvorens te verlangen dat een persoon, ingeval hij wil opkomen tegen een besluit, dit op een meer formeel of gerechtelijk niveau doet, voorziet elke partij in de mogelijkheid van administratief beroep of nadere toetsing, die losstaat van de voor de oorspronkelijke handeling of het oorspronkelijke besluit verantwoordelijke ambtenaar of dienst.

4.

Elke partij waarborgt ten aanzien van vaststellingen van besluiten vooraf door haar douane, dat personen die uit hoofde van artikel 6.9 een besluit vooraf hebben ontvangen, in wezen dezelfde mogelijkheid van toetsing en beroep hebben als importeurs op haar grondgebied.

Artikel 6.11. Sancties

Elke partij draagt er zorg voor dat haar douanewet- en regelgeving erin voorziet dat wegens overtredingen opgelegde sancties evenredig en niet-discriminerend zijn en dat de toepassing ervan niet tot ongerechtvaardigde vertragingen leidt.

Artikel 6.12. Vertrouwelijkheid

1.

Elke partij zal in overeenstemming met haar interne recht alle in het kader van dit hoofdstuk verkregen informatie die van vertrouwelijke aard is of die als vertrouwelijk is verstrekt, als strikt vertrouwelijk behandelen, en deze informatie beschermen tegen openbaarmaking die afbreuk zou kunnen doen aan de concurrentiepositie van de persoon die de informatie verstrekt.

2.

Indien de partij die de in lid 1 bedoelde informatie ontvangt of verkrijgt, deze openbaar moet maken op grond van haar interne recht, stelt zij de partij of de persoon die deze informatie heeft verstrekt, daarvan in kennis.

3.

Elke partij zorgt ervoor dat de vertrouwelijke informatie die wordt verzameld in het kader van dit hoofdstuk, niet wordt gebruikt voor andere doeleinden dan het beheer en de handhaving inzake douanezaken, tenzij de partij of persoon die de vertrouwelijke informatie heeft verstrekt, daarvoor toestemming heeft gegeven.

4.

Een partij kan toestaan dat in het kader van dit hoofdstuk verzamelde informatie wordt gebruikt in administratieve, rechterlijke of semirechterlijke procedures die zijn ingeleid wegens niet-naleving van douanegerelateerde wet- en regelgeving tot uitvoering van dit hoofdstuk. Een partij stelt de partij of persoon die de informatie heeft verstrekt, vooraf van die gebruikmaking in kennis.

Artikel 6.13. Samenwerking

1.

De partijen zetten hun samenwerking in internationale fora zoals de WDO voort, teneinde wederzijds erkende doelstellingen te bereiken, waaronder die welke zijn vastgelegd in het „Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade” van de WDO.

2.

De partijen evalueren regelmatig relevante internationale initiatieven over handelsbevordering, waaronder het „Compendium of Trade Facilitation Recommendations”, ontwikkeld door de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling, en de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa, om uit te maken op welke gebieden nadere gezamenlijke actie de handel tussen de partijen en gezamenlijke multilaterale doelstellingen zou bevorderen.

3.

De partijen werken samen in overeenstemming met de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Canada betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand in douanezaken, gedaan te Ottawa op 4 december 1997 (de „Overeenkomst douanesamenwerking EU-Canada”).

4.

De partijen verlenen elkaar wederzijdse bijstand in douanezaken in overeenstemming met de Overeenkomst douanesamenwerking EU-Canada, waaronder aangelegenheden in verband met een vermeende overtreding van de douanewetgeving van een partij, zoals omschreven in die overeenkomst, en met de uitvoering van deze overeenkomst.

Artikel 6.14. Gemengd Comité douanesamenwerking

1.

Het Gemengd Comité douanesamenwerking, waaraan de bevoegdheid is verleend om op te treden onder auspiciën van het Gemengd Comité voor de CETA als gespecialiseerd comité op grond van artikel 26.2 (Gespecialiseerde comités), lid 1, onder c), ziet toe op de goede werking van dit hoofdstuk en van het Protocol inzake de oorsprongsregels en oorsprongsprocedures, alsmede van artikel 20.43 (Toepassingsgebied van maatregelen aan grens) en artikel 2.8 (Tijdelijke schorsing van preferentiële tariefbehandeling). Het Gemengd Comité douanesamenwerking onderzoekt aangelegenheden die zich voordoen door de toepassing ervan overeenkomstig de doelstellingen van deze overeenkomst.

2.

Voor onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden omvat het Gemengd Comité douanesamenwerking vertegenwoordigers van de douane-, handels-, of andere bevoegde autoriteiten zoals elke partij passend acht.

3.

Elke partij zorgt ervoor dat haar vertegenwoordigers in de bijeenkomsten van het Gemengd Comité douanesamenwerking over een deskundigheid beschikken die in overeenstemming is met de agendapunten. Het Gemengd Comité douanesamenwerking kan in een specifieke samenstelling van deskundigheid bijeenkomen om aangelegenheden op het gebied van oorsprongsregels of oorsprongsprocedures aan te pakken, hetzij als „Gemengd Comité douanesamenwerking-oorsprongsregels”, hetzij als „Gemengd Comité douanesamenwerking-oorsprongsprocedures”.

4.

Het Gemengd Comité douanesamenwerking kan resoluties, aanbevelingen of adviezen opstellen en ontwerpbesluiten voorstellen aan het Gemengd Comité voor de CETA, die het noodzakelijk acht voor het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen en de goede werking van de mechanismen die zijn vastgesteld in dit hoofdstuk alsmede in het Protocol inzake de oorsprongsregels en oorsprongsprocedures, in artikel 20.43 (Toepassingsgebied van maatregelen aan grens) en artikel 2.8 (Tijdelijke schorsing van preferentiële tariefbehandeling).

HOOFDSTUK ZEVEN. SUBSIDIES

Artikel 7.1. Definitie van subsidie

1.

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder subsidie verstaan een maatregel die verband houdt met de handel in goederen en die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, lid 1, van de SCM-Overeenkomst.

2.

Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op subsidies wanneer het specifieke subsidies in de zin van artikel 2 van de SCM-Overeenkomst betreft.

Artikel 7.2. Transparantie

1.

Om de twee jaar stellen de partijen elkaar in kennis van de volgende gegevens voor elke op haar grondgebied toegekende of gehandhaafde subsidie:

  • a. de rechtsgrondslag voor de subsidie;
  • b. de vorm van de subsidie; en
  • c. het bedrag van de subsidie of het bedrag dat voor de subsidie is begroot.
2.

Kennisgevingen aan de WTO in het kader van artikel 25.1 van de SCM-Overeenkomst worden geacht aan het in lid 1 neergelegde vereiste te voldoen.

3.

Op verzoek van de ene partij verstrekt de andere partij onverwijld informatie en beantwoordt zij terstond vragen met betrekking tot specifieke vormen van overheidssteun in verband met de handel in op haar grondgebied verleende diensten.

Artikel 7.3. Overleg over subsidies en overheidssteun in andere sectoren dan landbouw en visserij

1.

Indien een partij van mening is dat een door de andere partij in verband met de handel in diensten verleende subsidie of specifieke vorm van overheidssteun haar belangen schaadt of kan schaden, kan zij haar bezorgdheid uiten jegens de andere partij en verzoeken om overleg over de kwestie. De partij waaraan het verzoek is gericht, neemt dit in zorgvuldige en welwillende overweging.

2.

Tijdens overleg kan een partij verzoeken om aanvullende informatie over een door de andere partij in verband met de handel in diensten verleende subsidie of specifieke vorm van overheidssteun, waaronder de beleidsdoelstelling en de hoogte ervan, alsmede de maatregelen die zijn getroffen ter beperking van de mogelijke verstorende gevolgen voor de handel van die subsidie of steun.

3.

Op basis van het overleg streeft de partij waaraan het verzoek is gericht ernaar, voor de belangen van de verzoekende partij ongunstige gevolgen van de met de handel in diensten verband houdende subsidies of specifieke vormen van overheidssteun volledig tegen te gaan of zo beperkt mogelijk te houden.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op subsidies in verband met landbouwproducten en visserijproducten, en laat de artikelen 7.4 en 7.5 onverlet.

Artikel 7.4. Overleg over subsidies voor landbouw- en visserijproducten

1.

De partijen stellen zich beide tot doel gezamenlijk overeenstemming te bereiken:

  • a. om te komen tot een verdere verbetering van de multilaterale regels en disciplines betreffende de handel in landbouwproducten in het kader van de WTO; en
  • b. om bij te dragen tot de ontwikkeling van een mondiale, multilaterale oplossing voor visserijsubsidies.
2.

Indien een partij van mening is dat een subsidie of het verlenen van overheidssteun door de andere partij haar belangen met betrekking tot landbouw- of visserijproducten schaadt of kan schaden, kan zij haar bezorgdheid jegens de andere partij uiten en verzoeken om overleg over de kwestie.

3.

De partij waaraan het verzoek is gericht, neemt dat verzoek in zorgvuldige en welwillende overweging en zal zich zoveel mogelijk inspannen om de ongunstige gevolgen van de subsidie of de overheidssteun voor de belangen van de verzoekende partij met betrekking tot landbouw- en visserijproducten, volledig tegen te gaan of zo beperkt mogelijk te houden.

Artikel 7.5. Uitvoersubsidies voor landbouwproducten

1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

  • a. uitvoersubsidie: een uitvoersubsidie zoals omschreven in artikel 1, onder e), van de Overeenkomst inzake de landbouw; en
  • b. volledige afschaffing van een tarief: indien tariefcontingenten bestaan, de afschaffing van de tarieven van het contingent en van die van boven het desbetreffende contingent.
2.

Een partij voert geen uitvoersubsidies in en handhaaft deze evenmin op landbouwproducten die worden uitgevoerd, of die worden verwerkt in producten die worden uitgevoerd, naar het grondgebied van de andere partij nadat deze laatste partij, onmiddellijk dan wel na afloop van de overgangsperiode, het tarief op dat landbouwproduct volledig heeft afgeschaft overeenkomstig bijlage 2-A (Afschaffing van rechten) bij hoofdstuk twee (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen), met inbegrip van de tarieflijsten ervan.

Artikel 7.6. Vertrouwelijkheid

Bij het verstrekken van informatie in het kader van dit hoofdstuk is een partij niet verplicht vertrouwelijke informatie openbaar te maken.

Artikel 7.7. Uitsluiting van subsidies en overheidssteun voor audiovisuele diensten en de cultuursector

Deze overeenkomst is niet van toepassing op subsidies en overheidssteun met betrekking tot audiovisuele diensten wat de Europese Unie betreft, en tot de culturele sector wat Canada betreft.

Artikel 7.8. Verhouding tot de WTO-Overeenkomst

De partijen herbevestigen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel VI van de GATT 1994, de SCM-Overeenkomst en de Overeenkomst inzake de landbouw.

Artikel 7.9. Geschillenbeslechting

De bepalingen in deze overeenkomst inzake geschillenbeslechting zijn niet van toepassing op artikel 7.3 en artikel 7.4 van dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK ACHT. INVESTERINGEN

AFDELING A. DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 8.1. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

activiteiten uitgevoerd in het kader van de uitoefening van overheidsgezag: activiteiten die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers worden uitgevoerd;

reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen: alle werkzaamheden aan een uit de dienst genomen luchtvaartuig of een onderdeel daarvan, met uitzondering van het zogenoemde lijnonderhoud;

exploitatie van luchthavens: de exploitatie of het beheer, voor een vast bedrag of op contractbasis, van luchthaveninfrastructuur, met inbegrip van terminals en start- en landingsbanen, taxibanen en platforms, parkeerplaatsen en interne luchthaventransportsystemen. Voor alle duidelijkheid: de exploitatie van luchthavens omvat noch de eigendom van of investeringen in luchthavens of vliegvelden noch de taken van een raad van bestuur. De exploitatie van luchthavens omvat geen luchtvaartnavigatiediensten;

beslaglegging: de inbeslagneming van vermogensbestanddelen van een partij bij het geschil tot zekerheidstelling of tot waarborg van de naleving van een uitspraak;

diensten die verband houden met geautomatiseerde boekingssystemen: de dienstverlening door middel van computersystemen die informatie bevatten over dienstregeling, beschikbaarheid, tarieven en tariefvoorwaarden van luchtvaartmaatschappijen, met behulp waarvan boekingen kunnen worden gedaan of vervoerbewijzen uitgegeven;

vertrouwelijke of beschermde informatie:

  • a. vertrouwelijke bedrijfsinformatie; of
  • b. informatie die is beschermd tegen openbaarmaking;
  • i. in het geval van informatie van de verweerder, uit hoofde van het recht van de verweerder;
  • ii. in het geval van andere informatie, uit hoofde van het recht dat of de voorschriften die door het Gerecht op de openbaarmaking van die informatie van toepassing is of zijn verklaard;

onder de overeenkomst vallende investering: met betrekking tot een partij, een investering:

  • a. verricht op haar grondgebied;
  • b. verricht in overeenstemming met het toepasselijke recht op het tijdstip waarop de investering wordt gedaan;
  • c. die een investeerder uit de andere partij bij de overeenkomst rechtstreeks of onrechtstreeks in eigendom heeft of waarover hij rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap uitoefent; en
  • d. die op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst is verricht, of na die datum wordt verricht of verkregen;

partij bij het geschil: hetzij de investeerder die een procedure als bedoeld in afdeling F inleidt, hetzij de verweerder. Voor de toepassing van afdeling F en onverminderd artikel 8.14 wordt onder investeerder niet een partij bij de overeenkomst verstaan;

partijen bij het geschil: zowel de investeerder als de verweerder;

verbieden: het uitvaardigen van een bevel strekkende tot het verbod van een maatregel of tot beperking van de toepassing daarvan;

onderneming: een onderneming zoals omschreven in artikel 1.1 (Algemeen toepasselijke definities) alsmede een filiaal of een vertegenwoordiging van een onderneming;

grondafhandelingsdiensten: het verlenen, voor een vast bedrag of op contractbasis, van de volgende diensten: administratieve dienstverlening en toezicht op de grond, met inbegrip van ladingscontrole en communicatie; passagiersafhandeling; bagageafhandeling; vracht- en postafhandeling; platformafhandeling en servicing van luchtvaartuigen; brandstof- en olielevering; lijnonderhoud aan luchtvaartuigen, operationele gronddiensten en administratieve diensten ten behoeve van de bemanning; vervoer op de grond; en catering. Niet tot de grondafhandelingsdiensten behoren beveiligingsdiensten of de exploitatie of het beheer van de gecentraliseerde luchthaveninfrastructuur, zoals bagageafhandelingssystemen, ontijzingsinstallaties, brandstofdistributiesystemen of interne luchthaventransportsystemen;

Icsid: Internationaal Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen;

Icsid-bepalingen betreffende aanvullende mogelijkheden: de bepalingen betreffende de opening van aanvullende mogelijkheden voor het verlenen van administratieve diensten bij geschillen door het secretariaat van het Internationaal Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen;

Icsid-Verdrag: het Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten, gedaan te Washington op 18 maart 1965;

intellectuele-eigendomsrechten: auteursrecht en naburige rechten, recht op handelsmerken, recht op geografische aanduidingen, recht op tekeningen en modellen van nijverheid, octrooirecht, recht op ontwerpen voor schakelpatronen van geïntegreerde schakelingen, recht inzake bescherming van niet openbaar gemaakte informatie, en kwekersrecht, alsmede, indien het recht van een partij bij de overeenkomst hierin voorziet, gebruiksmodellenrecht. Het Gemengd Comité voor de CETA kan bij besluit deze definitie uitbreiden met andere categorieën intellectuele eigendom;

investering: elke vorm van activa die een investeerder rechtstreeks of onrechtstreeks in eigendom heeft of waarover hij rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap uitoefent, die de kenmerken van een investering bezit; deze kenmerken zijn onder meer een zekere duur en de vastlegging van kapitaal of andere middelen, de verwachting van winst of voordelen, of risico-overname. Investeringen kunnen onder meer de volgende vormen aannemen:

  • a. een onderneming;
  • b. aandelen en andere vormen van deelneming in het aandelenkapitaal van een onderneming;
  • c. obligaties, niet-gegarandeerde schuldbekentenissen en andere schuldinstrumenten van een onderneming;
  • d. een lening aan een onderneming;
  • e. elk ander soort belang in een onderneming;
  • f. een belang dat voortvloeit uit:
  • i. een krachtens het recht van een partij bij de overeenkomst of bij overeenkomst verleende concessie, onder meer voor de prospectie, ontginning, winning of exploitatie van natuurlijke hulpbronnen;
  • ii. een sleutelklaar-, bouw-, productie- of inkomstendelingscontract, of
  • iii. andere soortgelijke contracten;
  • g. intellectuele-eigendomsrechten;
  • h. andere roerende, lichamelijke of onlichamelijke, zaken of onroerende zaken en verwante rechten;
  • i. geldvorderingen of aanspraken op contractuele prestaties.

Voor alle duidelijkheid: tot geldvorderingen behoren niet:

  • a. geldvorderingen die uitsluitend voortvloeien uit commerciële contracten voor de verkoop van goederen of diensten door een natuurlijke persoon of een onderneming op het grondgebied van de ene partij bij de overeenkomst ten behoeve van een natuurlijke persoon of een onderneming op het grondgebied van de andere partij bij de overeenkomst;
  • b. de interne financiering van die contracten; of
  • c. een bevel, vonnis of arbitrale uitspraak verband houdend met de punten a) of b).

Alle rendement dat wordt geïnvesteerd, wordt als investering beschouwd. Elke wijziging van de vorm waarin activa worden geïnvesteerd of geherinvesteerd laat de kwalificatie daarvan als investering onverlet;

investeerder: een partij bij de overeenkomst, een natuurlijke persoon of een onderneming uit een partij bij de overeenkomst, anders dan een filiaal of een vertegenwoordiging, die een investering op het grondgebied van de andere partij bij de overeenkomst wil verrichten, verricht of heeft verricht;

voor de toepassing van deze definitie wordt onder onderneming uit een partij bij de overeenkomst verstaan:

  • a. een onderneming die is opgericht of georganiseerd naar het recht van die partij bij de overeenkomst en die zakelijke activiteiten van betekenis op het grondgebied van die partij bij de overeenkomst heeft, of
  • b. een onderneming die is opgericht of georganiseerd naar het recht van die partij bij de overeenkomst en die rechtstreeks of onrechtstreeks eigendom is van of rechtstreeks of onrechtstreeks onder zeggenschap staat van een natuurlijke persoon uit die partij bij de overeenkomst of een onder a) genoemde onderneming;

plaatselijk gevestigde onderneming (locally established company): een rechtspersoon die is opgericht of georganiseerd naar het recht van de verweerder en die rechtstreeks of onrechtstreeks eigendom is van of rechtstreeks of onrechtstreeks onder zeggenschap staat van een investeerder uit de andere partij bij de overeenkomst;

natuurlijke persoon:

  • a. in het geval van Canada, een natuurlijke persoon die burger of een permanente ingezetene van Canada is; en
  • b. in het geval van de EU-partij, een natuurlijk persoon die de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie bezit, in overeenstemming met de respectieve wetgeving daarvan, en, wat Letland betreft, ook een natuurlijke persoon die een permanente ingezetene van de Republiek Letland is en die geen burger van de Republiek Letland of van een andere staat is, maar die op grond van de wet- en regelgeving van de Republiek Letland recht heeft op een paspoort voor niet-staatsburgers.

Een natuurlijke persoon die burger van Canada is en de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie bezit, wordt geacht uitsluitend een natuurlijke persoon van de partij bij de overeenkomst van zijn of haar overheersende en feitelijke nationaliteit te zijn.

Een natuurlijke persoon die de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie bezit of burger van Canada is en die tevens een permanente ingezetene van de andere partij bij de overeenkomst is, wordt geacht uitsluitend een natuurlijke persoon van de partij bij de overeenkomst van zijn of haar nationaliteit of burgerschap, naargelang het geval, te zijn;

Verdrag van New York: het Verdrag van de Verenigde Naties over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, gedaan te New York op 10 juni 1958;

niet bij het geschil betrokken partij bij de overeenkomst: hetzij Canada, wanneer de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Unie de verweerder is, hetzij de Europese Unie, wanneer Canada de verweerder is;

verweerder: hetzij Canada, hetzij, in het geval van de Europese Unie, de lidstaat van de Europese Unie of de Europese Unie overeenkomstig artikel 8.21;

rendement: alle bedragen verkregen uit investeringen of herinvesteringen, met inbegrip van winsten, royalty's, rente of andere vormen van vergoedingen en betalingen in natura;

verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten: de mogelijkheid voor de betrokken luchtvaartmaatschappij haar luchtvervoerdiensten vrij te verkopen en op de markt te brengen, met inbegrip van alle marketingaspecten zoals marktonderzoek, reclame en distributie, maar met uitzondering van de tarifering van luchtvervoerdiensten en de toepasselijke voorwaarden;

financiering door derden: financiering door een natuurlijke of rechtspersoon die geen partij bij het geschil is maar die een overeenkomst sluit met een partij bij het geschil met het oog op de financiering van alle of een deel van de kosten van het geschil, hetzij bij wijze van donatie of de verstrekking van financiële steun, hetzij tegen een vergoeding die afhangt van de uitkomst van het geschil;

Gerecht: het Gerecht ingesteld op grond van artikel 8.27;

Uncitral-arbitragevoorschriften: de arbitragevoorschriften van de Commissie van de Verenigde Naties voor internationaal handelsrecht (Uncitral); en

Uncitral-transparantievoorschriften: de voorschriften van Uncitral betreffende transparantie van op een verdrag gebaseerde arbitrage tussen investeerders en staten.

Artikel 8.2. Toepassingsgebied

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op door een partij bij de overeenkomst op haar grondgebied7)Voor alle duidelijkheid: de in dit hoofdstuk bedoelde verplichtingen zijn van toepassing op de exclusieve economische zone en het continentaal plat als bedoeld in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gedaan te Montego Bay op 10 december 1982:a.van Canada, overeenkomstig artikel 1.3 (Geografisch toepassingsgebied), onder a), enb.waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden toegepast, overeenkomstig artikel 1.3 (Geografisch toepassingsgebied), onder b). vastgestelde of gehandhaafde maatregelen met betrekking tot:

  • a. een investeerder uit de andere partij bij de overeenkomst;
  • b. een onder de overeenkomst vallende investering; en
  • c. wat artikel 8.5 betreft, alle investeringen op haar grondgebied.
2.

Wat de vestiging of de verwerving van een onder de overeenkomst vallende investering betreft8)Voor alle duidelijkheid: een partij bij de overeenkomst kan maatregelen met betrekking tot de vestiging of de verwerving van een onder de overeenkomst vallende investering handhaven en kan die maatregelen op de onder de overeenkomst vallende investering blijven toepassen nadat deze is gevestigd of verworven., zijn de afdelingen B en C niet van toepassing op maatregelen met betrekking tot:

  • a. luchtdiensten of daarmee verband houdende diensten ter ondersteuning van luchtdiensten alsmede andere diensten verleend door middel van luchtvervoer9)Deze diensten omvatten diensten waarbij een luchtvaartuig wordt gebruikt voor gespecialiseerde activiteiten in sectoren zoals landbouw, bouw, fotografie, landmeetkunde, cartografie, bosbouw, observatie en patrouilles of reclame, wanneer de gespecialiseerde activiteit wordt aangeboden door de persoon die verantwoordelijk is voor de exploitatie van het luchtvaartuig., anders dan:
  • i. reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen;
  • ii. verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;
  • iii. geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);
  • iv. grondafhandelingsdiensten;
  • v. exploitatie van luchthavens; of
  • b. activiteiten uitgevoerd in het kader van de uitoefening van overheidsgezag.
3.

Wat de EU-partij betreft, zijn de afdelingen B en C niet van toepassing op maatregelen met betrekking tot audiovisuele diensten. Wat Canada betreft, zijn de afdelingen B en C niet van toepassing op maatregelen met betrekking tot de culturele sector.

4.

In het kader van dit hoofdstuk kunnen verzoeken door een investeerder uitsluitend worden ingediend overeenkomstig artikel 8.18 en in overeenstemming met de procedures als bedoeld in afdeling F. Verzoeken met betrekking tot een verplichting als bedoeld in afdeling B zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van afdeling F. Verzoeken in het kader van afdeling C met betrekking tot de vestiging of de verwerving van een onder de overeenkomst vallende investering zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van afdeling F. Afdeling D is uitsluitend van toepassing op een onder de overeenkomst vallende investering en op investeerders met betrekking tot hun onder de overeenkomst vallende investering.

5.

Dit hoofdstuk laat de rechten en verplichtingen van de partijen bij de overeenkomst uit hoofde van de Luchtvervoersovereenkomst tussen Canada en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, gedaan te Brussel op 17 december 2009 en te Ottawa op 18 december 2009, onverlet.

Artikel 8.3. Verhouding tot andere hoofdstukken

1.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op door een partij bij de overeenkomst vastgestelde of gehandhaafde maatregelen voor zover deze maatregelen van toepassing zijn op de investeerders of hun investeringen die onder hoofdstuk dertien (Financiële diensten) vallen.

2.

De door een partij bij de overeenkomst aan een dienstverlener uit de andere partij bij de overeenkomst gestelde voorwaarde dat hij enkel tegen borgstelling of door het stellen van een andere vorm van financiële zekerheid een dienst op haar grondgebied kan verlenen, volstaat op zich niet om dit hoofdstuk toe te passen op de door de partij bij de overeenkomst vastgestelde of gehandhaafde maatregelen met betrekking tot de verlening van die grensoverschrijdende dienst. Dit hoofdstuk is van toepassing op door de partij bij de overeenkomst vastgestelde of gehandhaafde maatregelen met betrekking tot de borgstelling of de financiële zekerheid voor zover die borgstelling of die financiële zekerheid een onder de overeenkomst vallende investering is.

AFDELING B. VESTIGING VAN INVESTERINGEN

Artikel 8.4. Markttoegang

1.

Een partij bij de overeenkomst stelt ten aanzien van de markttoegang in het kader van de vestiging van een investeerder uit de andere partij bij de overeenkomst voor haar gehele grondgebied of voor het grondgebied van een nationale, provinciale, territoriale, regionale of lokale overheid geen maatregelen vast of handhaaft geen maatregelen die:

  • a. beperkingen inhouden van:
  • i. het aantal ondernemingen die een specifieke economische activiteit mogen verrichten, in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
  • ii. de totale waarde van transacties of activa, in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
  • iii. het totale aantal transacties of het totale volume van de output, uitgedrukt in bepaalde numerieke eenheden, in de vorm van quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte10)Lid 1, onder a), i), ii) en iii), is niet van toepassing op maatregelen die de productie van een landbouwproduct beperken.;
  • iv. de deelneming van buitenlands kapitaal, uitgedrukt als een maximumpercentage voor buitenlands aandeelhouderschap of de totale waarde van individuele of totale buitenlandse investeringen; of
  • v. het totale aantal natuurlijke personen dat in een bepaalde sector mag zijn tewerkgesteld of dat een onderneming in dienst mag hebben, en dat nodig is voor en zich rechtstreeks bezighoudt met het uitvoeren van een economische activiteit, in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte; of
  • b. voor het uitoefenen van een economische activiteit door een onderneming specifieke soorten juridische entiteiten of joint ventures vereisen dan wel deze juist beperkingen opleggen.
2.

Voor alle duidelijkheid: de volgende maatregelen zijn in overeenstemming met lid 1:

  • a. maatregelen op het gebied van voorschriften met betrekking tot bestemmingsplannen en ruimtelijke ordening die gevolgen hebben voor de ontwikkeling of het gebruik van land, of andere maatregelen van dezelfde strekking;
  • b. maatregelen volgens welke, met het oog op eerlijke mededinging, de eigendom van de infrastructuur moet worden gescheiden van de eigendom van de via die infrastructuur geleverde goederen of verleende diensten, bijvoorbeeld op het gebied van energie, vervoer en telecommunicatie;
  • c. maatregelen die, met het oog op eerlijke mededinging, de concentratie van eigendom beperken;
  • d. maatregelen die beogen het behoud en de bescherming van de natuurlijke hulpbronnen en het milieu te verzekeren, met inbegrip van een beperking van de beschikbaarheid, het aantal en de reikwijdte van de verleende concessies alsmede de instelling van een moratorium of een verbod;
  • e. maatregelen die het aantal verleende vergunningen wegens technische of fysieke beperkingen, bijvoorbeeld het telecommunicatiespectrum en de telecommunicatiefrequenties, aan banden leggen; of
  • f. maatregelen volgens welke een bepaald percentage aandeelhouders, eigenaars, vennoten of bestuurders van een onderneming over bepaalde kwalificaties moet beschikken of een bepaald beroep moet uitoefenen, zoals dat van advocaat of accountant.

Artikel 8.5. Prestatie-eisen

1.

Een partij bij de overeenkomst onthoudt zich ervan de volgende eisen te stellen of te handhaven, of een desbetreffende verbintenis of toezegging te doen naleven, in verband met de vestiging, de verwerving, de uitbreiding, de uitvoering, de exploitatie of het beheer van investeringen op haar grondgebied:

  • a. er wordt een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten uitgevoerd;
  • b. een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten betreft interne goederen of diensten;
  • c. er worden op haar grondgebied geproduceerde goederen of verleende diensten gekocht of gebruikt of die goederen of diensten krijgen de voorkeur, of er worden goederen of diensten bij natuurlijke personen of ondernemingen op haar grondgebied gekocht;
  • d. de omvang of de waarde van de invoer wordt gekoppeld aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen in verband met die investering;
  • e. de verkoop van met behulp van de investering geproduceerde goederen of verleende diensten op haar grondgebied wordt aan banden gelegd door die verkoop te koppelen aan de omvang of de waarde van de uitvoer of deviezenopbrengsten daarvan;
  • f. er vindt overdracht plaats van technologie, productieprocedés of andere bedrijfsspecifieke knowhow aan natuurlijke personen of ondernemingen op haar grondgebied; of
  • g. met behulp van de investering geproduceerde goederen of verleende diensten worden vanaf het grondgebied van de partij bij de overeenkomst exclusief aan een specifieke regionale of mondiale markt geleverd.
2.

Een partij bij de overeenkomst stelt het genot of het voortgezette genot van voordeel in verband met de vestiging, de verwerving, de uitbreiding, de uitvoering, de exploitatie of het beheer van investeringen op haar grondgebied niet afhankelijk van de voorwaarde dat een van de volgende eisen wordt vervuld:

  • a. een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten betreft interne goederen of diensten;
  • b. er worden op haar grondgebied geproduceerde goederen gekocht of gebruikt of die goederen krijgen de voorkeur, of er worden goederen bij producenten op haar grondgebied gekocht;
  • c. de omvang of de waarde van de invoer wordt gekoppeld aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen in verband met die investering; of
  • d. de verkoop van met behulp van de investering geproduceerde goederen of verleende diensten op haar grondgebied wordt aan banden gelegd door die verkoop te koppelen aan de omvang of de waarde van de uitvoer of deviezenopbrengsten daarvan.
3.

Lid 2 belet een partij bij de overeenkomst niet om het genot of het voortgezette genot van voordeel in verband met een investering op haar grondgebied afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de productie naar haar grondgebied wordt verplaatst of dat aldaar diensten worden verleend, werknemers worden opgeleid of in dienst worden genomen, bepaalde installaties worden gebouwd of uitgebreid, of onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten worden verricht.

4.

Het bepaalde in lid 1, onder f), is niet van toepassing wanneer de eis wordt gesteld of de uitvoering van de desbetreffende verbintenis of toezegging wordt gelast door een gerecht, een administratief gerecht of een mededingingsautoriteit met het doel om een einde te maken aan een inbreuk op het mededingingsrecht.

5.

Het bepaalde in:

  • a. lid 1, onder a), b) en c), en lid 2, onder a) en b), is niet van toepassing op de kwalificatievereisten waaraan een goed of een dienst moet voldoen om in aanmerking te komen voor programma's voor uitvoerbevordering en buitenlandse hulp;
  • b. dit artikel is niet van toepassing op de opdrachten van een partij bij de overeenkomst voor goederen of diensten aangekocht voor overheidsdoeleinden en niet met het oog op commerciële wederverkoop of gebruik bij de levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop, ongeacht of die opdrachten „onder deze overeenkomst vallende opdrachten” zijn in de zin van artikel 19.2 (Toepassingsgebied);
6.

Voor alle duidelijkheid: het bepaalde in lid 2, onder a) en b), is niet van toepassing op de eisen die worden gesteld door een invoerende partij bij de overeenkomst met betrekking tot het volume van een goed dat nodig is om in aanmerking te komen voor preferentiële tarieven of preferentiële contingenten.

7.

Dit artikel laat de door een partij bij de overeenkomst in het kader van de Wereldhandelsorganisatie aangegane verbintenissen onverlet.

AFDELING C. NIET-DISCRIMINERENDE BEHANDELING

Artikel 8.6. Nationale behandeling

1.

Elke partij bij de overeenkomst behandelt de investeerders uit de andere partij bij de overeenkomst en de onder de overeenkomst vallende investeringen met betrekking tot de vestiging, de verwerving, de uitbreiding, de uitvoering, de exploitatie, het beheer, het aanhouden, het gebruik, het genot en de verkoop of vervreemding van hun investeringen op haar grondgebied in vergelijkbare situaties niet minder gunstig dan haar eigen investeerders en hun investeringen.

2.

De door een partij bij de overeenkomst overeenkomstig lid 1 toegekende behandeling houdt met betrekking tot een andere dan de federale overheid in Canada een behandeling in die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling die in vergelijkbare situaties door die overheid wordt toegekend aan de investeerders uit Canada op haar grondgebied en aan de investeringen van die investeerders.

3.

De door een partij bij de overeenkomst overeenkomstig lid 1 toegekende behandeling houdt met betrekking tot een overheid van of in een lidstaat van de Europese Unie een behandeling in die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling die in vergelijkbare situaties door die overheid wordt toegekend aan de investeerders uit de EU op haar grondgebied en aan de investeringen van die investeerders.

Artikel 8.7. Meestbegunstigingsbehandeling

1.

Elke partij bij de overeenkomst behandelt de investeerders uit de andere partij bij de overeenkomst en de onder de overeenkomst vallende investeringen met betrekking tot de vestiging, de verwerving, de uitbreiding, de uitvoering, de exploitatie, het beheer, het aanhouden, het gebruik, het genot en de verkoop of vervreemding van hun investeringen op haar grondgebied in vergelijkbare situaties niet minder gunstig dan de investeerders uit een derde land en hun investeringen.

2.

Voor alle duidelijkheid: de door een partij bij de overeenkomst overeenkomstig lid 1 toegekende behandeling houdt met betrekking tot een andere dan de federale overheid in Canada of ten aanzien van een overheid van of in een lidstaat van de Europese Unie een behandeling in die in vergelijkbare situaties door die overheid wordt toegekend aan de investeerders uit een derde land op haar grondgebied en aan de investeringen van die investeerders.

3.

Lid 1 is niet van toepassing op behandelingen die worden toegekend door een partij bij de overeenkomst die in erkenning voorziet, onder meer door middel van regelingen of overeenkomsten met derde landen, waardoor de accreditatie van diensten in verband met beproeving en analyse, reparatie en onderhoud en de desbetreffende dienstverleners, alsmede de certificering van de kwalificaties van de betreffende geaccrediteerde dienstverleners, de door hen verrichte werkzaamheden en de met deze geaccrediteerde diensten bereikte resultaten worden erkend.

4.

Voor alle duidelijkheid: onder „behandeling” als bedoeld in de leden 1 en 2 vallen geen procedures voor de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten waarin andere internationale investeringsverdragen en andere handelsovereenkomsten voorzien. In andere internationale investeringsverdragen en andere handelsovereenkomsten geformuleerde materiële verplichtingen vormen als zodanig geen „behandeling” en kunnen dus geen schending van dit artikel opleveren wanneer een partij bij de overeenkomst geen maatregelen op grond van die verplichtingen heeft vastgesteld of gehandhaafd.

Artikel 8.8. Hoger management en raden van bestuur

Een partij bij de overeenkomst mag een van haar ondernemingen, die tevens een onder de overeenkomst vallende investering is, niet verplichten natuurlijke personen van een bepaalde nationaliteit als lid van het hoger management of de raad van bestuur te benoemen.

AFDELING D. INVESTERINGSBESCHERMING

Artikel 8.9. Investeringen en regelgevingsmaatregelen

1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk herbevestigen de partijen bij de overeenkomst hun recht op hun respectieve grondgebied regelgeving vast te stellen ter verwezenlijking van legitieme beleidsdoelstellingen, zoals bescherming van de volksgezondheid, de veiligheid, het milieu of de openbare zeden, sociale of consumentenbescherming, of bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid.

2.

Voor alle duidelijkheid: dat een partij bij de overeenkomst, onder meer door een wijziging van haar wetgeving, regelgeving vaststelt op een wijze die een negatieve uitwerking op een investering heeft of ingrijpt in de verwachtingen van een investeerder, waaronder zijn winstverwachtingen, vormt op zich geen schending van een verplichting uit hoofde van deze afdeling.

3.

Voor alle duidelijkheid: het besluit van een partij bij de overeenkomst om een subsidie niet toe te kennen, te verlengen of te handhaven:

  • a. wanneer een rechtens of bij overeenkomst vastgelegde specifieke verbintenis om die subsidie toe te kennen, te verlengen of te handhaven ontbreekt; of
  • b. wanneer het besluit wordt genomen in overeenstemming met eventuele aan de toekenning, verlenging of handhaving van de subsidie verbonden voorwaarden,

vormt geen schending van de bepalingen van deze afdeling.

4.

Voor alle duidelijkheid: niets in deze afdeling mag zodanig worden uitgelegd dat een partij bij de overeenkomst wordt belet de toekenning van een subsidie11)In het geval van de Europese Unie omvat „subsidie” ook „staatssteun” zoals gedefinieerd in het EU-recht. te beëindigen of te verzoeken om terugbetaling daarvan, wanneer een dergelijke maatregel noodzakelijk is om te voldoen aan de tussen de partijen bij de overeenkomst geldende internationale verplichtingen of is gelast door een bevoegd gerecht, administratief gerecht of een andere bevoegde autoriteit12)In het geval van de Europese Unie is de „bevoegde autoriteit” de Europese Commissie, overeenkomstig artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie., of dat die partij bij de overeenkomst verplicht is de investeerder daarvoor te compenseren.

Artikel 8.10. Behandeling van investeerders en van onder overeenkomst vallende investeringen

1.

Elke partij bij de overeenkomst zorgt op haar grondgebied voor eerlijke en billijke behandeling alsmede volledige bescherming en veiligheid van de onder de overeenkomst vallende investeringen van de andere partij bij de overeenkomst en van de investeerders met betrekking tot hun onder de overeenkomst vallende investeringen, in overeenstemming met de leden 2 tot en met 7.

2.

Een partij bij de overeenkomst handelt in strijd met de verplichting tot eerlijke en billijke behandeling als bedoeld in lid 1, wanneer het bij een maatregel of reeks maatregelen gaat om:

  • a. rechtsweigering in strafrechtelijke, civiele of administratieve procedures;
  • b. wezenlijke schending van het recht op een eerlijke rechtsgang, ook van de transparantieverplichting, in gerechtelijke en administratieve procedures;
  • c. kennelijke willekeur;
  • d. gerichte discriminatie op kennelijk ongerechtvaardigde gronden zoals geslacht, ras of religieuze overtuiging;
  • e. onjuiste behandeling van investeerders, waaronder druk, dwang en intimidatie; of
  • f. schending van eventuele, door de partijen bij de overeenkomst overeenkomstig lid 3 van dit artikel vastgestelde nieuwe elementen van de verplichting tot eerlijke en billijke behandeling.
3.

De partijen bij de overeenkomst evalueren regelmatig, of op verzoek van een partij bij de overeenkomst, de inhoud van de verplichting tot eerlijke en billijke behandeling. Het Comité voor diensten en investeringen, dat is ingesteld bij artikel 26.2 (Gespecialiseerde comités), lid 1, onder b), kan in dit verband aanbevelingen opstellen en voor besluit voorleggen aan het Gemengd Comité voor de CETA.

4.

In verband met de toepassing van bovenbedoelde verplichting tot eerlijke en billijke behandeling kan het Gerecht er rekening mee houden of een partij bij de overeenkomst tegenover een investeerder, met het doel om hem tot een onder de overeenkomst vallende investering aan te zetten, een specifieke verklaring heeft afgelegd die een gewettigd vertrouwen heeft gewekt en op basis waarvan de investeerder heeft besloten de onder de overeenkomst vallende investering te verrichten of te handhaven, maar die de partij bij de overeenkomst nadien heeft geschonden.

5.

Voor alle duidelijkheid: „volledige bescherming en veiligheid” heeft betrekking op de verplichtingen van de partij bij de overeenkomst in verband met de fysieke veiligheid van de investeerders en de onder de overeenkomst vallende investeringen.

6.

Voor alle duidelijkheid: een schending van een andere bepaling van deze overeenkomst of van een afzonderlijke internationale overeenkomst houdt geen schending van dit artikel in.

7.

Voor alle duidelijkheid: het feit dat een maatregel in strijd is met intern recht, houdt op zichzelf geen schending van dit artikel in. Om na te gaan of de maatregel een schending van dit artikel inhoudt, moet het Gerecht onderzoeken of een partij bij de overeenkomst heeft gehandeld in strijd met de verplichtingen uit hoofde van lid 1.

Artikel 8.11. Compensatie voor verliezen

Onverminderd artikel 8.15, lid 5, onder b), behandelt elke partij bij de overeenkomst de investeerders uit de andere partij bij de overeenkomst die met betrekking tot hun onder de overeenkomst vallende investeringen verliezen lijden wegens een gewapend conflict, interne onlusten, een noodtoestand of een natuurramp op haar grondgebied, wat restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere vorm van vergelijk betreft niet minder gunstig dan de eigen investeerders of de investeerders uit een derde land, naargelang welke behandeling voor de betrokken investeerders gunstiger is.

Artikel 8.12. Onteigening

1.

Een partij bij de overeenkomst mag rechtstreeks noch onrechtstreeks een onder de overeenkomst vallende investering nationaliseren of onteigenen door middel van maatregelen met een soortgelijk effect als nationalisatie of onteigening („onteigening”), behalve wanneer de onteigening:

  • a. geschiedt ten algemenen nutte;
  • b. geschiedt met inachtneming van een eerlijke rechtsgang;
  • c. niet-discriminerend is; en
  • d. geschiedt tegen betaling van snelle, adequate en doeltreffende schadeloosstelling.

Voor alle duidelijkheid: dit lid moet worden uitgelegd overeenkomstig bijlage 8-A.

2.

De hoogte van de in lid 1 bedoelde schadeloosstelling is gelijk aan de billijke marktwaarde die de investering vertegenwoordigde onmiddellijk voorafgaand aan de onteigening of, als dit eerder is, het tijdstip waarop bekend werd dat onteigening zou volgen. De waarderingscriteria omvatten de goingconcernwaarde, de waarde van de activa, inclusief de aangegeven fiscale waarde van lichamelijke zaken, alsmede, in voorkomend geval, andere criteria voor de bepaling van de billijke marktwaarde.

3.

De schadeloosstelling omvat tevens rente over de periode te rekenen vanaf de onteigeningsdatum tot de betalingsdatum, berekend tegen een normaal commercieel tarief, en wordt, om voor de investeerder doeltreffend te zijn, onverwijld uitbetaald en onverwijld overdraagbaar gemaakt naar het door de investeerder aangewezen land, in de valuta van het land waarvan de investeerder onderdaan is of in om het even welke vrij converteerbare valuta die de investeerder aanvaardt.

4.

De betroffen investeerder heeft, krachtens het recht van de onteigenende partij bij de overeenkomst, recht op onverwijlde toetsing van zijn vordering en van de waardebepaling van zijn investering, overeenkomstig de in dit artikel neergelegde beginselen, door een rechterlijke instantie of andere onafhankelijke instantie van die partij bij de overeenkomst.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op de afgifte van dwanglicenties die worden verleend in verband met intellectuele-eigendomsrechten, voor zover die afgifte in overeenstemming is met de TRIPs-Overeenkomst.

6.

Voor alle duidelijkheid: de intrekking, beperking of invoering van intellectuele-eigendomsrechten vormt geen onteigening, voor zover deze maatregelen in overeenstemming zijn met de TRIPs-Overeenkomst en met hoofdstuk twintig (Intellectuele eigendom). Bovendien kan uit de vaststelling dat deze maatregelen niet in overeenstemming zijn met de TRIPs-Overeenkomst of met hoofdstuk twintig (Intellectuele eigendom), niet worden afgeleid dat er sprake is van onteigening.

Artikel 8.13. Overmakingen

1.

Elke partij bij de overeenkomst staat toe dat alle overmakingen met betrekking tot een onder de overeenkomst vallende investering zonder beperking of vertraging worden verricht in vrij converteerbare valuta en tegen de op de datum van overmaking geldende marktwisselkoers. Die overmakingen omvatten:

  • a. kapitaalinbreng, zoals aanvangskapitaal en extra middelen voor het aanhouden, uitbreiden of verhogen van de investering;
  • b. winsten, dividenden, rente, kapitaalwinsten, uitkeringen van royalty's, vergoedingen voor beheer en technische steun alsmede andere vergoedingen, of andere vormen van rendement of bedragen verkregen uit de onder de overeenkomst vallende investering;
  • c. opbrengsten uit de verkoop of de liquidatie van de onder de overeenkomst vallende investering of een deel daarvan;
  • d. betalingen in het kader van een contract gesloten door de investeerder of door de onder de overeenkomst vallende investering, met inbegrip van betalingen uit hoofde van een leningsovereenkomst;
  • e. betalingen op grond van de artikelen 8.11 en 8.12;
  • f. inkomsten en andere bezoldigingen van buitenlands personeel dat werkzaam is in verband met een investering; en
  • g. betaling van schadevergoeding uit hoofde van een overeenkomstig afdeling F gedane uitspraak.
2.

Een partij bij de overeenkomst mag haar investeerders niet verplichten tot overmaking van de inkomsten, verdiensten, winsten of andere bedragen die zijn verkregen uit of zijn toe te schrijven aan investeringen op het grondgebied van de andere partij bij de overeenkomst, noch haar investeerders die zulks verzuimen, bestraffen.

3.

Niets in dit artikel mag zodanig worden uitgelegd dat een partij bij de overeenkomst wordt belet op billijke en niet-discriminerende wijze, zonder dat dit een verkapte beperking van overmakingen zou vormen, toepassing te geven aan haar wettelijke regeling betreffende:

  • a. faillissement, insolventie of crediteurenbescherming;
  • b. de uitgifte van, de handel in of de verhandeling van effecten;
  • c. strafbare feiten;
  • d. de financiële verslaglegging of registratie van overmakingen, indien nodig ter ondersteuning van de met de rechtshandhaving of financiële regelgeving belaste instanties; en
  • e. de naleving van uitspraken van rechterlijke of soortgelijke instanties.

Artikel 8.14. Subrogatie

Indien een partij bij de overeenkomst of een instantie van een partij bij de overeenkomst een betaling verricht uit hoofde van een schadevergoeding, een borgstelling of een verzekeringsovereenkomst waartoe zij zich heeft verplicht of die zij is aangegaan met betrekking tot een door een van haar investeerders op het grondgebied van de andere partij bij de overeenkomst verrichte investering, erkent de andere partij bij de overeenkomst dat die partij bij de overeenkomst of haar instantie ten aanzien van de investering onder alle omstandigheden dezelfde rechten als de investeerder heeft. Deze rechten mogen door de partij bij de overeenkomst of een instantie van de partij bij de overeenkomst dan wel, met toestemming van de partij bij de overeenkomst of een instantie van de partij bij de overeenkomst, door de investeerder geldend worden gemaakt.

AFDELING E. VOORBEHOUDEN EN EXCEPTIES

Artikel 8.15. Voorbehouden en excepties

1.

De artikelen 8.4 tot en met 8.8 zijn niet van toepassing op:

  • a. bestaande niet-conforme maatregelen die door een partij bij de overeenkomst worden gehandhaafd op het niveau van:
  • i. de Europese Unie, als opgenomen in haar lijst in bijlage I;
  • ii. een nationale overheid, als opgenomen door die partij bij de overeenkomst in haar lijst in bijlage I;
  • iii. een provinciale, territoriale of regionale overheid, als opgenomen door die partij bij de overeenkomst in haar lijst in bijlage I; of
  • iv. een lokale overheid;
  • b. de handhaving of onmiddellijke verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a); of
  • c. een wijziging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a), voor zover de wijziging de maatregelen zoals deze onmiddellijk voor de wijziging bestonden, niet minder conform maakt met de artikelen 8.4 tot en met 8.8.
2.

De artikelen 8.4 tot en met 8.8 zijn niet van toepassing op maatregelen die een partij bij de overeenkomst vaststelt of handhaaft met betrekking tot een sector, subsector of activiteit als opgenomen in haar lijst in bijlage II.

3.

Onverminderd de artikelen 8.10 en 8.12 stelt een partij bij de overeenkomst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst geen maatregelen of reeks maatregelen vast die vallen onder haar lijst in bijlage II en die investeerders uit de andere partij bij de overeenkomst al dan niet rechtstreeks op grond van nationaliteit verplichten investeringen die bestaan op het tijdstip waarop de maatregelen of reeks maatregelen werking krijgen, te verkopen of anderszins te vervreemden.

4.

Met betrekking tot de intellectuele-eigendomsrechten mag een partij bij de overeenkomst afwijken van artikel 8.5, lid 1, onder f), en van de artikelen 8.6 en 8.7, indien dit is toegestaan op grond van de TRIPs-Overeenkomst, met inbegrip van eventuele wijzigingen van de TRIPS-Overeenkomst die voor beide partijen bij de overeenkomst gelden, en de ontheffingen betreffende de TRIPs-Overeenkomst die zijn verleend op grond van artikel IX van de WTO-Overeenkomst.

5.

De artikelen 8.4, 8.6, 8.7 en 8.8 zijn niet van toepassing op:

  • a. opdrachten van een partij bij de overeenkomst voor goederen of diensten aangekocht voor overheidsdoeleinden en niet met het oog op commerciële wederverkoop of gebruik bij de levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop, ongeacht of die opdrachten „onder deze overeenkomst vallende opdrachten” zijn in de zin van artikel 19.2 (Toepassingsgebied); of
  • b. door een partij bij de overeenkomst verstrekte subsidies of overheidssteun in verband met de handel in diensten.

Artikel 8.16. Weigering van toekenning van voordelen

Een partij bij de overeenkomst kan weigeren de voordelen van dit hoofdstuk toe te kennen aan een investeerder uit de andere partij bij de overeenkomst die een onderneming uit deze partij bij de overeenkomst is en aan de investeringen van die investeerder indien:

  • a. een investeerder uit een derde land eigenaar is van of zeggenschap heeft over de onderneming; en
  • b. de weigerende partij bij de overeenkomst maatregelen vaststelt of handhaaft met betrekking tot het derde land:
  • i. die betrekking hebben op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid; en
  • ii. die transacties met de onderneming verbieden of die zouden worden overtreden of omzeild indien de voordelen van dit hoofdstuk zouden worden verleend aan de onderneming of aan de investeringen ervan.

Artikel 8.17. Formele voorwaarden

Onverminderd de artikelen 8.6 en 8.7 kan een partij bij de overeenkomst van een investeerder uit de andere partij bij de overeenkomst of van zijn onder de overeenkomst vallende investering verlangen dat periodiek, en uitsluitend voor informatieve of statistische doeleinden, inlichtingen over die investering worden verstrekt, mits zulks redelijk en niet buitensporig belastend is. De partij bij de overeenkomst beschermt vertrouwelijke of beschermde inlichtingen tegen enigerlei openbaarmaking die de concurrentiepositie van de investeerder of de onder de overeenkomst vallende investering zou aantasten. Dit artikel belet een partij bij de overeenkomst niet om anderszins inlichtingen in verband met het op billijke wijze en te goeder trouw toepassen van haar wettelijke regeling te verkrijgen of openbaar te maken.

AFDELING F. BESLECHTING VAN INVESTERINGSGESCHILLEN TUSSEN INVESTEERDERS EN STATEN

Artikel 8.18. Toepassingsgebied

1.

Onverminderd de rechten en verplichtingen van de partijen bij de overeenkomst uit hoofde van hoofdstuk negenentwintig (Geschillenbeslechting) kan een investeerder uit een partij bij de overeenkomst bij het overeenkomstig deze afdeling ingestelde Gerecht een verzoek indienen op grond dat de andere partij bij de overeenkomst een verplichting niet is nagekomen die op haar rust krachtens:

  • a. afdeling C, met betrekking tot de uitbreiding, de uitvoering, de exploitatie, het beheer, het aanhouden, het gebruik, het genot en de verkoop of vervreemding van zijn onder de overeenkomst vallende investering, of
  • b. afdeling D,

wanneer de investeerder stelt verlies of schade te hebben geleden als gevolg van de vermeende niet-nakoming.

2.

Verzoeken uit hoofde van lid 1, onder a), met betrekking tot de uitbreiding van een onder de overeenkomst vallende investering kunnen alleen worden ingediend voor zover de maatregel betrekking heeft op de bestaande zakelijke activiteiten van een onder de overeenkomst vallende investering en de investeerder als gevolg daarvan verlies of schade met betrekking tot de onder de overeenkomst vallende investering heeft geleden.

3.

Voor alle duidelijkheid: een investeerder kan geen verzoek uit hoofde van deze afdeling indienen wanneer de investering is verricht door middel van bedrieglijke onjuiste voorstelling, het achterhouden van informatie, omkoping of gedragingen die misbruik van procedure opleveren.

4.

Een verzoek met betrekking tot de herstructurering van door een partij bij de overeenkomst uitgegeven schulden kan alleen in het kader van deze afdeling overeenkomstig bijlage 8-B worden ingediend.

5.

Het overeenkomstig deze afdeling ingesteld Gerecht doet geen uitspraak op verzoeken die buiten het toepassingsgebied van dit artikel vallen.

Artikel 8.19. Overleg

1.

Alle geschillen dienen voor zover mogelijk in der minne te worden geschikt. Een minnelijke schikking kan te allen tijde worden overeengekomen, ook nadat een verzoek overeenkomstig artikel 8.23 is ingediend. Tenzij de partijen bij het geschil een langere periode overeenkomen, vindt het overleg plaats binnen zestig dagen na de indiening van het verzoek om overleg overeenkomstig lid 4.

2.

Tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen, wordt het overleg gehouden:

  • a. te Ottawa, indien het bij de aangevochten maatregelen om maatregelen van Canada gaat;
  • b. te Brussel, indien de aangevochten maatregelen een maatregel van de Europese Unie omvatten; of
  • c. in de hoofdstad van de betrokken lidstaat van de Europese Unie, indien het bij de aangevochten maatregelen uitsluitend om maatregelen van die lidstaat gaat.
3.

De partijen bij het geschil kunnen in voorkomend geval overleg plegen per videoconferentie of met gebruikmaking van andere hulpmiddelen, zoals in het geval van een investeerder die een kleine of middelgrote onderneming is.

4.

De investeerder dient bij de andere partij bij de overeenkomst een verzoek om overleg in, met vermelding van:

  • a. de naam en het adres van de investeerder en, indien het verzoek wordt ingediend namens een plaatselijk gevestigde onderneming, de naam, het adres en de plaats van oprichting van de plaatselijk gevestigde onderneming;
  • b. indien er sprake is van meer dan één investeerder, de naam en het adres van elke investeerder, alsmede, indien er sprake is van meer dan één plaatselijk gevestigde onderneming, de naam, het adres en de plaats van oprichting van elke plaatselijk gevestigde onderneming;
  • c. de bepalingen van deze overeenkomst die zouden zijn geschonden;
  • d. de wettelijke en feitelijke basis van het verzoek, met inbegrip van de maatregelen in kwestie; en
  • e. de gevraagde maatregel(en) en het geraamde bedrag van de gevorderde schadevergoeding.

Het verzoek om overleg moet vergezeld gaan van bewijsstukken waaruit blijkt dat de investeerder een investeerder uit de andere partij bij de overeenkomst is en dat hij eigenaar is van of zeggenschap heeft over de investering, alsook, in voorkomend geval, dat hij eigenaar is van of zeggenschap heeft over de plaatselijk gevestigde onderneming namens welke het verzoek wordt ingediend.

5.

Aan de in lid 4 bedoelde vereisten voor het verzoek om overleg moet op zodanig specifieke wijze worden voldaan dat de verweerder in staat is op doeltreffende wijze overleg te plegen en zijn verweer voor te bereiden.

6.

Een verzoek om overleg moet worden ingediend binnen:

  • a. drie jaar na de datum waarop de investeerder of, naargelang het geval, de plaatselijk gevestigde onderneming voor het eerst kennis heeft genomen van of kennis had moeten nemen van de vermeende schending alsmede van het feit dat de investeerder of, naargelang het geval, de plaatselijk gevestigde onderneming daardoor verlies of schade heeft geleden; of
  • b. twee jaar nadat een investeerder of, naargelang het geval, de plaatselijk gevestigde onderneming de naar het recht van een partij bij de overeenkomst bij een rechterlijke instantie ingestelde vorderingen intrekt of de aldaar ingeleide procedure beëindigt, of nadat die procedure op andere wijze is beëindigd, en hoe dan ook ten laatste tien jaar na de datum waarop de investeerder of, naargelang het geval, de plaatselijk gevestigde onderneming voor het eerst kennis heeft genomen van of kennis had moeten nemen van de vermeende schending alsmede van het feit dat de investeerder daardoor verlies of schade heeft geleden.
7.

Een verzoek om overleg betreffende een vermeende schending door de Europese Unie of door een lidstaat van de Europese Unie moet aan de Europese Unie worden gericht.

8.

Indien de investeerder binnen achttien maanden na de indiening van het verzoek om overleg geen verzoek overeenkomstig artikel 8.23 heeft ingediend, wordt hij geacht zijn verzoek om overleg en, indien van toepassing, zijn mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder te hebben ingetrokken, en kan hij uit hoofde van deze afdeling geen verzoek met betrekking tot dezelfde maatregelen indienen. De partijen bij het geschil kunnen overeenkomen deze termijn te verlengen.

Artikel 8.20. Bemiddeling

1.

De partijen bij het geschil kunnen te allen tijde overeenkomen een beroep op bemiddeling te doen.

2.

Het beroep op bemiddeling laat de rechtspositie of de rechten van de partijen bij het geschil uit hoofde van dit hoofdstuk onverlet, en op het beroep op bemiddeling zijn de door de partijen bij het geschil overeengekomen regels van toepassing, met inbegrip van, indien beschikbaar, de door het Comité voor diensten en investeringen overeenkomstig artikel 8.44, lid 3, onder c), vastgestelde regels voor bemiddeling.

3.

De bemiddelaar wordt aangewezen met instemming van de partijen bij het geschil. De partijen bij het geschil kunnen eveneens de secretaris-generaal van het Icsid verzoeken de bemiddelaar aan te wijzen.

4.

De partijen bij het geschil streven ernaar binnen zestig dagen na de aanwijzing van de bemiddelaar tot een oplossing van het geschil te komen.

5.

Wanneer de partijen bij het geschil overeenkomen een beroep op bemiddeling te doen, is artikel 8.19, leden 6 en 8, niet van toepassing vanaf de datum waarop de partijen bij het geschil zijn overeengekomen een beroep op bemiddeling te doen tot de datum waarop een van de partijen bij het geschil beslist de bemiddeling te beëindigen. De beslissing van een partij bij het geschil om de bemiddeling te beëindigen, wordt de bemiddelaar en de andere partij bij het geschil via brief toegezonden.

Artikel 8.21. Bepaling van verweerder bij geschillen met Europese Unie of haar lidstaten

1.

Indien het geschil niet binnen negentig dagen na de indiening van het verzoek om overleg kan worden beslecht, het verzoek betrekking heeft op een vermeende schending van deze overeenkomst door de Europese Unie of door een lidstaat van de Europese Unie en de investeerder voornemens is een verzoek overeenkomstig artikel 8.23 in te dienen, zendt de investeerder aan de Europese Unie een mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder.

2.

In de in lid 1 bedoelde mededeling wordt aangegeven ten aanzien van welke maatregelen de investeerder voornemens is een verzoek in te dienen.

3.

De Europese Unie stelt, na de verweerder te hebben bepaald, de investeerder ervan in kennis of de Europese Unie dan wel een lidstaat van de Europese Unie de verweerder is.

4.

Indien de investeerder niet van de bepaling van de verweerder in kennis is gesteld binnen vijftig dagen na toezending van zijn mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder, en:

  • a. het bij de in de mededeling aangegeven maatregelen uitsluitend om maatregelen van een lidstaat van de Europese Unie gaat, dan is deze lidstaat de verweerder;
  • b. de in de mededeling aangegeven maatregelen maatregelen van de Europese Unie omvatten, dan is de Europese Unie de verweerder.
5.

De investeerder kan op basis van de bepaling van de verweerder overeenkomstig lid 3 of, indien de bepaling van de verweerder niet aan de investeerder is meegedeeld, met toepassing van lid 4 een verzoek overeenkomstig artikel 8.23 indienen.

6.

Indien ingevolge lid 3 of lid 4 de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Unie de verweerder is, kan noch de Europese Unie noch de lidstaat van de Europese Unie stellen dat het verzoek niet-ontvankelijk is of dat het Gerecht onbevoegd is, of anderszins bezwaar maken tegen het verzoek of de uitspraak op grond dat verweerder niet op de juiste wijze is bepaald overeenkomstig lid 3 of is vastgesteld overeenkomstig lid 4.

7.

Het Gerecht is gebonden aan de bepaling van de verweerder overeenkomstig lid 3 of, indien de bepaling van de verweerder niet aan de investeerder is meegedeeld, de toepassing van lid 4.

Artikel 8.22. Procedurele en andere vereisten voor indiening van verzoek bij Gerecht

1.

Een investeerder kan uitsluitend een verzoek overeenkomstig artikel 8.23 indienen indien:

  • a. hij bij de indiening van het verzoek tegenover de verweerder verklaart ermee in te stemmen dat het geschil door het Gerecht wordt beslecht overeenkomstig de in deze afdeling vastgestelde procedures;
  • b. hij ten minste honderdtachtig dagen te rekenen vanaf de datum van indiening van het verzoek om overleg en, in voorkomend geval, ten minste negentig dagen te rekenen vanaf de datum van indiening van de mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder laat verstrijken;
  • c. hij voldoet aan de vereisten van de mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder;
  • d. hij voldoet aan de vereisten met betrekking tot het verzoek om overleg;
  • e. hij in zijn verzoek geen maatregelen vermeldt die niet in zijn verzoek om overleg zijn vermeld;
  • f. hij afstand van instantie doet in het kader van naar intern of internationaal recht voor een rechterlijke instantie aanhangige procedures met betrekking tot een maatregel waarvan wordt gesteld dat die een in zijn verzoek bedoelde schending vormt; en
  • g. hij afstand doet van zijn recht om naar intern of internationaal recht bij een rechterlijke instantie een vordering in te stellen of een procedure aanhangig te maken met betrekking tot een maatregel waarvan wordt gesteld dat die een in zijn verzoek bedoelde schending vormt.
2.

Indien het overeenkomstig artikel 8.23 ingediende verzoek betrekking heeft op verlies of schade voor een plaatselijk gevestigde onderneming of voor een belang in een plaatselijk gevestigde onderneming die rechtstreeks of onrechtstreeks eigendom is van of rechtstreeks of onrechtstreeks onder zeggenschap staat van de investeerder, zijn de vereisten bedoeld in lid 1, onder f) en g), zowel op de investeerder als op de plaatselijk gevestigde onderneming van toepassing.

3.

De vereisten bedoeld in lid 1, onder f) en g), en lid 2 zijn niet van toepassing op een plaatselijk gevestigde onderneming wanneer de verweerder of de gaststaat van de investeerder de investeerder de zeggenschap over de plaatselijk gevestigde onderneming heeft ontnomen of anderszins heeft belet dat de plaatselijk gevestigde onderneming aan deze vereisten voldoet.

4.

Op verzoek van de verweerder verklaart het Gerecht zich onbevoegd wanneer de investeerder of, naargelang het geval, de plaatselijk gevestigde onderneming niet voldoet aan een van de vereisten bedoeld in de leden 1 en 2.

5.

De afstand van het recht ingevolge lid 1, onder g), of, naargelang het geval, lid 2 houdt op van toepassing te zijn:

  • a. wanneer het Gerecht het verzoek afwijst op grond dat niet is voldaan aan de vereisten bedoeld in de leden 1 of 2, dan wel op enige andere procedurele of bevoegdheidsgronden;
  • b. wanneer het Gerecht het verzoek afwijst op grond van de artikelen 8.32 of 8.33; of
  • c. wanneer de investeerder zijn verzoek in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften van artikel 8.23, lid 2, binnen twaalf maanden na de samenstelling van de formatie van het Gerecht intrekt.

Artikel 8.23. Indiening van verzoek bij Gerecht

1.

Als een geschil niet door middel van overleg is opgelost, kan uit hoofde van deze afdeling een verzoek worden ingediend door:

  • a. een investeerder uit een partij bij de overeenkomst namens zichzelf; of
  • b. een investeerder uit een partij bij de overeenkomst namens een plaatselijk gevestigde onderneming die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn eigendom is of rechtstreeks of onrechtstreeks onder zijn zeggenschap staat.
2.

Een verzoek kan worden ingediend op grond van de volgende voorschriften:

  • a. het Icsid-Verdrag en het reglement van orde voor arbitrage;
  • b. de Icsid-bepalingen betreffende aanvullende mogelijkheden, wanneer de voorwaarden voor een procedure overeenkomstig het bepaalde onder a) niet van toepassing zijn;
  • c. de Uncitral-arbitragevoorschriften; of
  • d. alle andere voorschriften waarover de partijen bij het geschil overeenstemming bereiken.
3.

Indien de investeerder op grond van lid 2, onder d), voorschriften voorstelt, antwoordt de verweerder binnen twintig dagen na de datum van ontvangst ervan op het voorstel van de investeerder. Indien de partijen bij het geschil binnen dertig dagen na de datum van ontvangst van het desbetreffende voorstel geen overeenstemming over dergelijke voorschriften bereiken, kan de investeerder een verzoek indienen ingevolge de voorschriften bedoeld in lid 2, onder a), b) of c).

4.

Voor alle duidelijkheid: een overeenkomstig lid 1, onder b), ingediend verzoek moet voldoen aan de voorschriften van artikel 25, lid 1, van het Icsid-Verdrag.

5.

Bij de indiening van het verzoek kan de investeerder voorstellen dat één lid van het Gerecht de zaak behandelt. De verweerder neemt dit voorstel in welwillende overweging, in het bijzonder wanneer de investeerder een kleine of middelgrote onderneming is of wanneer de gevorderde schadeloosstelling of schadevergoeding betrekkelijk gering is.

6.

De op grond van lid 2 toepasselijke voorschriften zijn die welke gelden op de datum waarop het verzoek of de verzoeken overeenkomstig deze afdeling bij het Gerecht wordt of worden ingediend, met inachtneming van de specifieke voorschriften in deze afdeling en aangevuld door de overeenkomstig artikel 8.44, lid 3, onder b), vastgestelde voorschriften.

7.

Een verzoek met het oog op geschillenbeslechting in het kader van deze afdeling wordt ingediend wanneer:

  • a. de secretaris-generaal van het Icsid het rekest krachtens artikel 36, lid 1, van het Icsid-Verdrag ontvangt;
  • b. het secretariaat van het Icsid het rekest krachtens artikel 2 van bijlage C bij de Icsid-bepalingen betreffende aanvullende mogelijkheden ontvangt;
  • c. de verweerder het bericht krachtens artikel 3 van de Uncitral-arbitragevoorschriften ontvangt; of
  • d. de verweerder overeenkomstig de voorschriften waarover ingevolge lid 2, onder d), overeenstemming is bereikt, het rekest of het bericht waarmee de procedure wordt ingeleid, ontvangt.
8.

Een partij bij de overeenkomst stelt de andere partij bij de overeenkomst in kennis van de plaats van verstrekking van de berichten en andere documenten door de investeerders uit hoofde van deze afdeling. Elke partij ziet erop toe dat deze informatie openbaar wordt gemaakt.

Artikel 8.24. Procedure in kader van andere internationale overeenkomst

Wanneer op grond van deze afdeling en een andere internationale overeenkomst een verzoek wordt ingediend en:

  • a. er mogelijk sprake is van overlappende schadeloosstelling; of
  • b. het andere internationale verzoek aanzienlijke gevolgen zou kunnen hebben voor de afhandeling van het op grond van deze afdeling ingediende verzoek,

schorst het Gerecht, na de partijen bij het geschil te hebben gehoord, zo spoedig mogelijk de bij het Gerecht aanhangige procedure of ziet het er anderszins op toe dat in zijn beslissing, bevel of uitspraak rekening wordt gehouden met de op grond van een andere internationale overeenkomst ingeleide procedure.

Artikel 8.25. Instemming met geschillenbeslechting door Gerecht

1.

De verweerder stemt ermee in dat het geschil door het Gerecht wordt beslecht overeenkomstig de in deze afdeling vastgestelde procedures.

2.

De instemming krachtens lid 1 en de indiening van een verzoek bij het Gerecht overeenkomstig deze afdeling moeten voldoen aan de voorschriften van:

  • a. artikel 25 van het Icsid-Verdrag en hoofdstuk II van bijlage C bij de Icsid-bepalingen betreffende aanvullende mogelijkheden, wat betreft de schriftelijke instemming van de partijen bij het geschil; en
  • b. artikel II van het Verdrag van New York, wat betreft een schriftelijke overeenkomst.

Artikel 8.26. Financiering door derden

1.

In geval van financiering door derden deelt de partij bij het geschil die de financiering ontvangt, aan de andere partij bij het geschil en het Gerecht de naam en het adres van de derde financier mee.

2.

De naam en het adres van de derde financier worden meegedeeld ten tijde van de indiening van een verzoek of, wanneer de financieringsovereenkomst wordt gesloten of de donatie of de financiële steun wordt verstrekt na de indiening van een verzoek, onverwijld na de sluiting van de overeenkomst of de verstrekking van de donatie of de financiële steun.

Artikel 8.27. Instelling van Gerecht

1.

Het krachtens deze afdeling ingestelde Gerecht doet uitspraak op overeenkomstig artikel 8.23 ingediende verzoeken.

2.

Het Gemengd Comité voor de CETA wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst vijftien leden van het Gerecht aan. Vijf leden van het Gerecht zijn onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, vijf zijn onderdaan van Canada13)Elke partij bij de overeenkomst kan in plaats daarvan ten hoogste vijf leden van het Gerecht van om het even welke nationaliteit voordragen. In dat geval worden de desbetreffende leden van het Gerecht beschouwd als onderdaan van de partij bij de overeenkomst die hen met het oog op de toepassing van dit artikel heeft voorgedragen. en vijf zijn onderdaan van derde landen.

3.

Het Gemengd Comité voor de CETA kan besluiten het aantal leden van het Gerecht met een veelvoud van drie te verhogen of te verlagen. Voor de aanwijzing van extra leden geldt het bepaalde in lid 2.

4.

De leden van het Gerecht voldoen aan alle gestelde eisen om in hun onderscheiden landen rechterlijke ambten te bekleden of staan bekend als kundige rechtsgeleerden. Zij beschikken over aantoonbare ervaring op het gebied van internationaal publiekrecht. Het is wenselijk dat zij met name op het gebied van internationaal investeringsrecht, internationaal handelsrecht en geschillenbeslechting in het kader van internationale investerings- of internationale handelsovereenkomsten over deskundigheid beschikken.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)