Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2016-10-30
State In force
Source BWB
artikelen 370
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
6.

Indien de MRA volgens het MRA-Comité verenigbaar met de onderhavige overeenkomst is, stelt het de MRA vast bij wege van besluit, waarbij vereist is dat elke partij vervolgens het MRA-Comité ervan kennis geeft dat aan haar respectieve interne vereisten is voldaan. Het besluit is voor de partijen bindend vanaf de datum van die kennisgeving door elke partij aan het MRA-Comité.

Artikel 11.4. Erkenning

1.

De erkenning van beroepskwalificaties door een MRA staat de dienstverlener toe beroepsactiviteiten uit te oefenen in de jurisdictie van de gastpartij, in overeenstemming met de in de MRA neergelegde voorwaarden.

2.

Indien de beroepskwalificaties van een dienstverlener van een partij worden erkend door de andere partij op grond van een MRA, dan behandelen de bevoegde autoriteiten van de jurisdictie van de gastpartij deze dienstverlener in vergelijkbare situaties niet minder gunstig dan een vergelijkbare dienstverlener wiens beroepskwalificaties in haar eigen jurisdictie zijn gecertificeerd of bevestigd.

3.

Erkenning in het kader van een MRA kan niet afhankelijk worden gesteld van:

  • a. of een dienstverlener voldoet aan een vereiste inzake staatsburgerschap of enige vorm van ingezetenschap; dan wel
  • b. of het onderwijs dat of de opleiding die een dienstverlener heeft gevolgd of de ervaring die hij heeft opgedaan binnen de eigen jurisdictie van de partij hebben plaatsgevonden.

Artikel 11.5. Gemengd Comité voor wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties

Het MRA-Comité dat verantwoordelijk is voor de toepassing van artikel 11.3:

  • a. bestaat uit en wordt gezamenlijk voorgezeten door vertegenwoordigers van Canada en van de Europese Unie, die verschillen van de bevoegde autoriteiten of beroepsorganisaties als bedoeld in artikel 11.3, lid 1. Een lijst van deze vertegenwoordigers wordt bevestigd door middel van een briefwisseling;
  • b. komt bijeen binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, en vervolgens wanneer dat nodig is of voor zover daartoe wordt besloten;
  • c. stelt zijn eigen reglement van orde vast;
  • d. vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie over wet- en regelgeving, beleid en praktijken met betrekking tot normen of criteria voor het verlenen van toestemming, of het afgeven van vergunningen of certificaten met betrekking tot gereglementeerde beroepen;
  • e. maakt informatie openbaar over de onderhandelingen over en de uitvoering van MRA's;
  • f. brengt aan het Gemengd Comité voor de CETA verslag uit over de voortgang van de onderhandelingen en de uitvoering van MRA's; en
  • g. verstrekt informatie en vult de richtsnoeren in bijlage 11-A aan, indien passend.

Artikel 11.6. Richtsnoeren voor onderhandelingen over en sluiting van MRA's

In het kader van het streven naar wederzijdse erkenning van kwalificaties formuleren de partijen in bijlage 11-A niet-bindende richtsnoeren voor de onderhandelingen over en de sluiting van MRA's.

Artikel 11.7. Contactpunten

Elke partij stelt een of meer contactpunten in voor het beheer in het kader van dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK TWAALF. INTERNE REGELGEVING

Artikel 12.1. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

vergunning: de aan een persoon verleende toestemming om een dienst te verlenen of enige andere economische activiteit uit te oefenen;

bevoegde autoriteit: elke overheid van een partij of niet-gouvernementeel orgaan waaraan door enige overheid van een partij bevoegdheden zijn gedelegeerd, die een vergunning verleent;

vergunningsprocedures: administratieve of procedureregels, met inbegrip van regels voor de wijziging of verlenging van een vergunning, die moeten worden nageleefd om aan te tonen dat aan de vergunningsvereisten is voldaan;

vergunningsvereisten: andere materiële vereisten dan kwalificatievereisten, waaraan ter verkrijging, wijziging of verlenging van een vergunning moet worden voldaan;

kwalificatieprocedures: administratieve of procedureregels waaraan moet worden voldaan om aan te tonen dat aan de kwalificatievereisten is voldaan; en

kwalificatievereisten: materiële vereisten op het gebied van vaardigheden waaraan ter verkrijging, wijziging of verlenging van een vergunning moet worden voldaan.

Artikel 12.2. Toepassingsgebied

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen inzake vergunningsvereisten, vergunningsprocedures, kwalificatievereisten en kwalificatieprocedures die van invloed zijn op:

  • a. de grensoverschrijdende dienstverlening zoals omschreven in artikel 9.1 (Definities);
  • b. de verlening van een dienst of de uitoefening van andere economische activiteiten door een commerciële aanwezigheid op het grondgebied van de andere partij, met inbegrip van de vestiging van een dergelijke commerciële aanwezigheid; en
  • c. de verlening van een dienst op het grondgebied van die partij door de aanwezigheid van een natuurlijke persoon uit de andere partij overeenkomstig artikel 10.6 (Verplichtingen in andere hoofdstukken), lid 2.
2.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op vergunningsvereisten, vergunningsprocedures, kwalificatievereisten en kwalificatieprocedures:

  • a. uit hoofde van bestaande, door een partij gehandhaafde niet-conforme maatregelen zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I; of
  • b. die verband houden met een van de volgende sectoren of activiteiten:
  • i. wat Canada betreft, de culturele sector en, zoals vastgelegd in zijn lijst in bijlage II, sociale diensten, zaken met betrekking tot Aboriginals, minderheden, loterijen en kansspelen, en de winning, zuivering en distributie van water; en
  • ii. wat de EU-partij betreft, audiovisuele diensten en, zoals uiteengezet in haar lijst in bijlage II, gezondheidszorg, onderwijs en sociale diensten, loterijen en kansspelen23)Met uitzondering van Malta., en de winning, zuivering en distributie van water.

Artikel 12.3. Vergunnings- en kwalificatievereisten en -procedures

1.

Elke partij zorgt ervoor dat de vergunningsvereisten en kwalificatievereisten, vergunningsprocedures en kwalificatieprocedures die zij vaststelt of handhaaft, zijn gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde autoriteit haar beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefent.

2.

De in lid 1 bedoelde criteria zijn:

  • a. duidelijk en transparant;
  • b. objectief; en
  • c. vooraf vastgesteld en openbaar toegankelijk.
3.

De partijen erkennen dat het uitoefenen van een aan een minister verleende wettelijke discretionaire bevoegdheid inzake een besluit over de verlening van een vergunning in het algemeen belang niet onverenigbaar is met het bepaalde in lid 2, onder c), mits deze bevoegdheid in overeenstemming met het doel van de toepasselijke wet zonder willekeur wordt uitgeoefend en de uitoefening ervan niet anderszins tegen deze overeenkomst indruist.

4.

Lid 3 is niet van toepassing op vergunnings- of kwalificatievereisten voor dienstverlening door beoefenaars van een vrij beroep.

5.

Elke partij ziet erop toe dat een vergunning wordt verleend zodra de bevoegde autoriteit vaststelt dat aan de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning is voldaan, en dat de vergunning, zodra verleend, overeenkomstig de daarin gestelde voorwaarden onverwijld van kracht wordt.

6.

Elke partij houdt gerechtelijke, arbitrale of administratieve tribunalen of procedures in stand, of stelt deze in, waarmee op verzoek van een betrokken investeerder, zoals omschreven in artikel 8.1 (Definities), of een betrokken dienstverlener, zoals omschreven in artikel 1.1 (Algemeen toepasselijke definities), administratieve besluiten met betrekking tot het verlenen van een dienst of het uitoefenen van andere economische activiteiten onverwijld kunnen worden onderzocht en, indien gerechtvaardigd, door passende maatregelen kunnen worden rechtgezet. Indien deze procedures niet onafhankelijk zijn van de instantie die bevoegd is het betrokken administratieve besluit te nemen, ziet elke partij erop toe dat de procedures op zodanige wijze worden toegepast dat in een objectief en onpartijdig onderzoek wordt voorzien.

7.

Elke partij ziet erop toe dat de vergunnings- en kwalificatieprocedures die zij vaststelt of handhaaft, zo eenvoudig mogelijk zijn en het verlenen van een dienst of het uitoefenen van andere economische activiteiten niet onnodig bemoeilijken of vertragen.

8.

Een eventueel door een aanvrager in verband met zijn aanvraag verschuldigde vergoeding voor een vergunning moet redelijk zijn en in verhouding tot de kosten staan, en niet als zodanig een beperking voor het verlenen van een dienst of het uitoefenen van andere economische activiteiten vormen.

9.

Vergoedingen voor vergunningen omvatten geen veilingkosten, kosten voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, royalty's, kosten in verband met aanbestedingen of andere niet-discriminatoire middelen om concessies te verlenen, of verplichte bijdragen voor het verlenen van een universele dienst.

10.

Elke partij zorgt ervoor dat de vergunnings- en kwalificatieprocedures die de bevoegde autoriteit volgt bij het verlenen van vergunningen, en haar besluiten, onpartijdig zijn ten aanzien van alle aanvragers. De bevoegde autoriteit moet bij haar besluitvorming onafhankelijk zijn en zij mag met name geen verantwoording verschuldigd zijn aan de verleners van diensten of de personen die andere economische activiteiten uitoefenen waarvoor de vergunning vereist is.

11.

Indien voor vergunningsaanvragen specifieke termijnen bestaan, moet een aanvrager voor het indienen van een aanvraag over een redelijke termijn beschikken. De bevoegde autoriteit behandelt een aanvraag onverwijld. Indien mogelijk worden aanvragen in elektronische vorm geaccepteerd onder vergelijkbare voorwaarden inzake echtheid als aanvragen op papier.

12.

Gewaarmerkte kopieën moeten in de plaats van de originele documenten worden geaccepteerd indien zulks passend wordt geacht.

13.

Elke partij ziet erop toe dat de behandeling van een vergunningsaanvraag, inclusief het definitieve besluit, wordt voltooid binnen een redelijke termijn na de indiening van een volledige aanvraag. Elke partij stelt voor de behandeling van een aanvraag een standaardtermijn vast.

14.

De bevoegde autoriteit van een partij verstrekt de aanvrager op diens verzoek onverwijld informatie over de stand van zaken betreffende de aanvraag.

15.

Indien een aanvraag onvolledig wordt geacht, stelt de bevoegde autoriteit van een partij de aanvrager binnen een redelijke termijn hiervan in kennis, vermeldt zij welke aanvullende informatie nodig is om de aanvraag te vervolledigen en biedt zij de aanvrager de mogelijkheid om tekortkomingen te corrigeren.

16.

Indien de bevoegde autoriteit van een partij een aanvraag afwijst, stelt zij de aanvrager hiervan onverwijld schriftelijk in kennis. Op verzoek van de aanvrager stelt de bevoegde autoriteit van de partij de aanvrager tevens in kennis van de redenen voor de afwijzing van de aanvraag en van de termijn waarbinnen tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld. Een aanvrager moet binnen een redelijke termijn opnieuw een aanvraag kunnen indienen.

HOOFDSTUK DERTIEN. FINANCIËLE DIENSTEN

Artikel 13.1. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

verlener van grensoverschrijdende financiële diensten uit een partij: een persoon uit een partij die op het grondgebied van de partij actief is in de financiële dienstverlening en die een financiële dienst wil verlenen of verleent door grensoverschrijdende verlening van die dienst;

grensoverschrijdende verlening van financiële diensten of grensoverschrijdende handel in financiële diensten: het verlenen van een financiële dienst:

  • a. vanaf het grondgebied van een partij naar het grondgebied van de andere partij; of
  • b. op het grondgebied van een partij door een persoon uit die partij, aan een persoon uit de andere partij;

waarbij het verlenen van een dienst op het grondgebied van een partij door een investering in dat grondgebied niet onder deze definitie valt;

financiële instelling: een dienstverlener die een of meer van de in dit artikel als financiële diensten omschreven handelingen verricht, indien hij wat de verlening van die diensten betreft, naar het interne recht van de partij op het grondgebied waarvan hij is gevestigd, als financiële instelling onder regelgeving of toezicht valt, met inbegrip van filialen op het grondgebied van de partij van die verlener van financiële diensten waarvan het hoofdkantoor zich op het grondgebied van de andere partij bevindt;

financiële instelling uit de andere partij: een financiële instelling, filialen daaronder begrepen, die zich op het grondgebied van een partij bevindt en waarover een persoon uit de andere partij zeggenschap heeft;

financiële dienst: een dienst van financiële aard, met inbegrip van verzekeringen en aanverwante diensten, bankdiensten en andere financiële diensten (m.u.v. verzekeringen) en bijkomende diensten of hulpdiensten voor diensten van financiële aard. Financiële diensten omvatten de volgende activiteiten:

  • a. verzekeringen en aanverwante diensten:
  • i. directe verzekering (met inbegrip van medeverzekering):
  • A. levensverzekering; of
  • B. schadeverzekering;
  • ii. herverzekering en retrocessie;
  • iii. verzekeringsbemiddeling, zoals diensten van makelaars en agenten; of
  • iv. ondersteunende diensten in de verzekeringssector, zoals adviesverstrekking, actuariaat, risicobeoordeling en regeling van schade-eisen; en
  • b. bankdiensten en andere financiële diensten (m.u.v. verzekeringen):
  • i. aanvaarding van deposito's en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek;
  • ii. alle soorten leningen, waaronder consumentenkrediet en hypotheken, factoring en financiering van commerciële transacties;
  • iii. financiële leasing;
  • iv. alle diensten in verband met het betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder krediet-, betaal- en debetkaarten, reischeques en bankwissels;
  • v. verlenen van garanties en stellen van borgtochten;
  • vi. transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten op de beurs, de onderhandse markt of anderszins, ten aanzien van:
  • A. geldmarktinstrumenten (met inbegrip van cheques, effecten of depositocertificaten);
  • B. deviezen;
  • C. derivaten, met inbegrip van termijninstrumenten en opties;
  • D. wisselkoers- en rentetariefinstrumenten, waaronder producten als swaps en rentetermijncontracten;
  • E. verhandelbare effecten; of
  • F. andere verhandelbare stukken en financiële activa, met inbegrip van ongemunt goud en zilver;
  • vii. deelneming in de uitgifte van alle soorten effecten, met inbegrip van garantieverlening en plaatsing in de hoedanigheid van agent (openbaar dan wel particulier) en verlening van daarmee verband houdende diensten;
  • viii. financiële bemiddeling;
  • ix. beheer van activa, zoals beheer van contanten of portefeuillebeheer, alle vormen van beheer van collectieve investeringen, beheer van pensioenfondsen, diensten aangaande bewaarneming, depositodiensten en fiduciaire diensten;
  • x. vereffenings- en verrekeningsdiensten in verband met financiële activa, met inbegrip van effecten, derivaten en andere verhandelbare instrumenten;
  • xi. verstrekking en doorgifte van financiële informatie, verwerking van financiële gegevens en daarop betrekking hebbende software; of
  • xii. advies- en bemiddelingsdiensten en andere ondersteunende financiële diensten voor alle onder i) tot en met xi) vermelde activiteiten, met inbegrip van kredietonderzoek en -analyse, onderzoek en advies aangaande investeringen en beleggingen, advies over overnames, bedrijfsreorganisaties en -strategieën;

verlener van financiële diensten: een persoon uit een partij die op het grondgebied van die partij actief is in de financiële dienstverlening, met uitzondering van overheidsinstanties;

investering: „investering” zoals gedefinieerd in artikel 8.1 (Definities), met dien verstande dat voor de toepassing van dit hoofdstuk met betrekking tot „leningen” en „schuldbewijzen” zoals bedoeld in dat artikel, het volgende geldt:

  • a. een lening aan of een schuldbewijs uitgegeven door een financiële instelling is alleen dan een investering in deze financiële instelling indien die lening of dat schuldbewijs door de partij op het grondgebied waarvan de financiële instelling is gevestigd, als eigen vermogen wordt behandeld; en
  • b. een lening verstrekt door of een schuldbewijs in eigendom van een financiële instelling, anders dan een lening aan of een schuldbewijs van een financiële instelling zoals bedoeld onder a), is geen investering;

voor alle duidelijkheid:

  • c. hoofdstuk acht (Investeringen) is van toepassing op leningen of schuldbewijzen voor zover dit hoofdstuk daar niet op ziet; en
  • d. een lening verstrekt door of een schuldbewijs in eigendom van een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten, anders dan een lening aan of een schuldbewijs uitgegeven door een financiële instelling, is een investering wat de toepassing van hoofdstuk acht (Investeringen) betreft, indien die lening of dat schuldinstrument de criteria voor investeringen van artikel 8.1 (Definities) vervult;

investeerder: een „investeerder” zoals gedefinieerd in artikel 8.1 (Definities);

nieuwe financiële dienst: een niet op het grondgebied van een partij maar wel op het grondgebied van de andere partij verleende financiële dienst omvattend alle nieuwe vormen van levering van een financiële dienst of de verkoop van een financieel product dat niet op het grondgebied van de partij wordt verkocht;

persoon uit een partij: „persoon uit een partij” zoals gedefinieerd in artikel 1.1 (Algemeen toepasselijke definities), welk begrip voor alle duidelijkheid geen filialen van ondernemingen uit een derde land omvat;

overheidsinstantie:

  • a. een overheid, centrale bank of monetaire autoriteit van een partij, of een entiteit die eigendom is of onder zeggenschap staat van een partij en die zich in hoofdzaak bezighoudt met het uitvoeren van overheidstaken of activiteiten voor overheidsdoeleinden, met uitzondering van instanties die zich in hoofdzaak bezighouden met het verlenen van financiële diensten op commerciële basis; of
  • b. een particuliere entiteit die taken vervult welke normaliter door een centrale bank of monetaire autoriteit worden vervuld; en

zelfregulerende organisatie: een niet-gouvernementeel orgaan, met inbegrip van effecten- of termijnbeurzen of -markten, verrekenkantoren of andere organisaties of verenigingen, dat ten aanzien van verleners van financiële diensten of financiële instellingen zijn eigen of gedelegeerde regelgevings- of toezichtsbevoegdheden uitoefent.

Artikel 13.2. Toepassingsgebied

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen inzake:

  • a. de financiële instellingen uit de andere partij;
  • b. de investeerders uit de andere partij, en de investeringen van deze investeerders, in financiële instellingen op het grondgebied van de partij; en
  • c. de grensoverschrijdende handel in financiële diensten.
2.

Voor alle duidelijkheid: de bepalingen van hoofdstuk acht (Investeringen) zijn van toepassing op:

  • a. maatregelen ten aanzien van de investeerders uit een partij, en de investeringen van deze investeerders, in verleners van financiële diensten die geen financiële instelling zijn; en
  • b. andere maatregelen dan maatregelen inzake het verlenen van financiële diensten, ten aanzien van investeerders uit een partij, of investeringen van die investeerders, in financiële instellingen.
3.

De artikelen 8.10 (Behandeling van investeerders en van onder overeenkomst vallende investeringen), 8.11 (Compensatie voor verliezen), 8.12 (Onteigening), 8.13 (Overmakingen), 8.14 (Subrogatie), 8.16 (Weigering van toekenning van voordelen), en 8.17 (Formele voorwaarden) zijn opgenomen in en maken deel uit van dit hoofdstuk.

4.

Afdeling F van hoofdstuk acht (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) wordt opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk uitsluitend wat betreft verzoeken wegens niet-nakoming door een partij van de artikelen 13.3 of 13.4 met betrekking tot de uitbreiding, de uitvoering, de exploitatie, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot, de verkoop of vervreemding van een financiële instelling of een investering in een financiële instelling, of van de artikelen 8.10 (Behandeling van investeerders en van onder overeenkomst vallende investeringen), 8.11 (Compensatie voor verliezen), 8.12 (Onteigening), 8.13 (Overmakingen), of 8.16 (Weigering van toekenning van voordelen).

5.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen inzake:

  • a. activiteiten of diensten die onderdeel vormen van een pensioenregeling van de overheid of een wettelijk stelsel van sociale zekerheid; of
  • b. activiteiten of diensten verricht voor rekening van een partij, met garantiestelling door of gebruikmaking van de financiële middelen van de partij, haar overheidsinstanties daaronder begrepen,

met dien verstande dat dit hoofdstuk wel van toepassing is voor zover een partij toestaat dat de onder a) of b) bedoelde activiteiten of diensten door haar financiële instellingen in mededinging met een overheidsinstantie of een financiële instelling worden verricht.

6.

Hoofdstuk twaalf (Interne regelgeving) wordt opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk. Voor alle duidelijkheid: artikel 12.3 (Vergunning- en kwalificatievereisten en -procedures) is van toepassing ten aanzien van de uitoefening van wettelijke discretionaire bevoegdheden door de met financiële regelgeving belaste autoriteiten van de partijen.

7.

De overeenkomstig lid 6 in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen van hoofdstuk twaalf (Interne regelgeving) zijn niet van toepassing op vergunningsvereisten, -procedures, kwalificatievereisten of -procedures:

  • a. uit hoofde van een door Canada gehandhaafde niet-conforme maatregel zoals opgenomen in zijn lijst in bijlage III-A;
  • b. uit hoofde van een door de Europese Unie gehandhaafde niet-conforme maatregel zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I, voor zover die maatregel betrekking heeft op financiële diensten; en
  • c. zoals bedoeld in artikel 12.2 (Toepassingsgebied), lid 2, onder b), voor zover een dergelijke maatregel betrekking heeft op financiële diensten.

Artikel 13.3. Nationale behandeling

1.

Artikel 8.6 (Nationale behandeling) wordt opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk en is van toepassing op de behandeling van financiële instellingen, alsmede op investeerders uit de andere partij en hun investeringen in financiële instellingen.

2.

Onder de behandeling die door een partij aan haar eigen investeerders en hun investeringen wordt toegekend overeenkomstig artikel 8.6 (Nationale behandeling) wordt hier verstaan de behandeling die wordt toegekend aan haar eigen financiële instellingen en investeringen van haar eigen investeerders in financiële instellingen.

Artikel 13.4. Meestbegunstigingsbehandeling

1.

Artikel 8.7 (Meestbegunstigingsbehandeling) wordt opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk en is van toepassing op de behandeling van financiële instellingen, alsmede op investeerders uit de andere partij en hun investeringen in financiële instellingen.

2.

Onder de behandeling die door een partij aan investeerders uit een derde land en investeringen van investeerders uit een derde land wordt toegekend overeenkomstig artikel 8.7 (Meestbegunstigingsbehandeling), leden 1 en 2, wordt hier verstaan de behandeling die wordt toegekend aan financiële instellingen uit een derde land en aan investeringen van investeerders uit een derde land in financiële instellingen.

Artikel 13.5. Erkenning van prudentiële maatregelen

1.

Een partij kan prudentiële maatregelen van een derde land bij de toepassing van onder dit hoofdstuk vallende maatregelen erkennen. Deze erkenning kan:

  • a. eenzijdig geschieden;
  • b. door harmonisatie of op andere wijze worden verwezenlijkt; of
  • c. op basis van een overeenkomst of regeling met het derde land plaatsvinden.
2.

Een partij die een prudentiële maatregel erkent, verstrekt de andere partij adequate gelegenheid om te bewijzen dat er sprake is van omstandigheden waarbij gelijkwaardige regelgeving, gelijkwaardig toezicht, gelijkwaardige uitvoering van regelgeving en waar passend gelijkwaardige procedures voor de uitwisseling van informatie tussen de partijen voorhanden zijn of zullen zijn.

3.

Indien een partij een prudentiële maatregel overeenkomstig lid 1, onder c), erkent en er sprake is van de in lid 2 beschreven omstandigheden, biedt zij de andere partij adequate gelegenheid om te onderhandelen over toetreding tot de overeenkomst of regeling dan wel over een vergelijkbare overeenkomst of regeling.

Artikel 13.6. Markttoegang

1.

Een partij mag met betrekking tot een financiële instelling uit de andere partij of met betrekking tot markttoegang door vestiging van een financiële instelling door een investeerder uit de andere partij geen maatregelen vaststellen of handhaven die voor haar gehele grondgebied of het grondgebied van een nationale, provinciale, territoriale, regionale of lokale overheid:

  • a. beperkingen opleggen ten aanzien van:
  • i. het aantal financiële instellingen, al dan niet in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
  • ii. de totale waarde van de met de financiële diensten verband houdende transacties of activa in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
  • iii. het totale aantal met de financiële diensten verband houdende transacties of het totale volume van de output aan financiële diensten, uitgedrukt in bepaalde numerieke eenheden, in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
  • iv. de participatie van buitenlands kapitaal uitgedrukt als een maximumpercentage voor buitenlands aandeelhouderschap in financiële instellingen of de totale waarde van individuele of geaggregeerde buitenlandse investeringen in financiële instellingen; of
  • v. het totale aantal natuurlijke personen die kunnen worden tewerkgesteld in een bepaalde financiëledienstensector of die een financiële instelling in dienst mag hebben en die nodig zijn voor en zich rechtstreeks bezighouden met het verlenen van een specifieke financiële dienst, door middel van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte; of
  • b. specifieke soorten juridische entiteiten of joint ventures via welke een financiële instelling een economische activiteit kan uitoefenen, vereisen of ten aanzien van die juridische entiteiten of joint ventures beperkingen opleggen.
2.

Artikel 8.4 (Markttoegang), lid 2, wordt opgenomen in en maakt deel uit van dit artikel.

3.

Voor alle duidelijkheid:

  • a. een partij kan voorwaarden opleggen en procedures verplicht stellen voor de vergunning voor vestiging en uitbreiding van een commerciële aanwezigheid, mits daarmee niet de verplichting van de partij krachtens lid 1 wordt omzeild en er geen sprake is van strijdigheid met de overige bepalingen van dit hoofdstuk; en
  • b. dit artikel belet niet dat een partij van een financiële instelling verlangt dat zij bepaalde financiële diensten door middel van afzonderlijke juridische entiteiten verleent indien volgens het interne recht van de partij het scala van de door de financiële instelling verleende diensten niet door een enkele entiteit kan worden verleend.

Artikel 13.7. Grensoverschrijdende verlening van financiële diensten

1.

De artikelen 9.3 (Nationale behandeling), 9.4 (Formele vereisten) en 9.6 (Markttoegang) worden opgenomen in en maken deel uit van dit hoofdstuk en zijn van toepassing op de behandeling van verleners van grensoverschrijdende financiële diensten die de in bijlage 13-A vermelde financiële diensten verlenen.

2.

Onder de door een partij aan haar eigen dienstverleners en diensten overeenkomstig artikel 9.3 (Nationale behandeling), lid 2, toegekende behandeling wordt hier verstaan de behandeling die wordt toegekend aan haar eigen financiële diensten en verleners van financiële diensten.

3.

Onder de maatregelen die een partij niet vaststelt of handhaaft met betrekking tot diensten en dienstverleners uit de andere partij overeenkomstig artikel 9.6 (Markttoegang) worden hier verstaan maatregelen met betrekking tot verleners van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere partij wanneer deze financiële diensten verlenen.

4.

Artikel 9.5 (Meestbegunstigingsbehandeling) wordt opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk en is van toepassing op de behandeling van verleners van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere partij.

5.

Onder de behandeling die door een partij wordt toegekend aan dienstverleners en diensten uit een derde land overeenkomstig artikel 9.5 (Meestbegunstigingsbehandeling) wordt hier verstaan de behandeling die wordt toegekend aan financiële diensten en aan verleners van financiële diensten uit een derde land.

6.

Elke partij staat op haar grondgebied gevestigde personen en onderdanen, ongeacht waar zij zijn gevestigd, toe financiële diensten te kopen van een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere partij die op het grondgebied van die andere partij is gevestigd. Deze verbintenis houdt voor een partij geen verplichting in om dergelijke dienstverleners toe te staan zaken te doen of klanten te werven op haar grondgebied. Elke partij kan de begrippen „zakendoen” en „klanten werven” voor de toepassing van dit artikel definiëren, in overeenstemming met lid 1.

7.

Wat de in bijlage 13-A genoemde financiële diensten betreft, staat elke partij een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere partij toe, op verzoek of met kennisgeving aan de bevoegde regelgevende instantie, indien vereist, een financiële dienst te verlenen in alle nieuwe vormen van levering, of een financieel product te verkopen dat niet wordt verkocht op het grondgebied van de partij indien de betrokken partij volgens haar interne recht in vergelijkbare situaties toestemming aan haar eigen verleners van financiële diensten verleent, dergelijke diensten te verlenen of dergelijke producten te verkopen.

Artikel 13.8. Hoger management en raden van bestuur

Geen der partijen kan een financiële instelling uit de andere partij ertoe verplichten op posities van het hogere management of in raden van bestuur natuurlijke personen van een bepaalde nationaliteit te benoemen.

Artikel 13.9. Prestatie-eisen

1.

Met betrekking tot investeringen in financiële instellingen onderhandelen de partijen over regels inzake prestatie-eisen zoals die welke zijn vervat in artikel 8.5 (Prestatie-eisen).

2.

Indien de partijen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst niet dergelijke regels zijn overeengekomen, wordt artikel 8.5 (Prestatie-eisen) op verzoek van een partij opgenomen in en maakt het deel uit van dit hoofdstuk, en is het van toepassing op investeringen in financiële instellingen. Met het oog op de toepassing hiervan omvat „investering” in artikel 8.5 (Prestatie-eisen) „investering in een financiële instelling op haar grondgebied”.

3.

Binnen honderdtachtig dagen na de succesvolle onderhandeling door de partijen over de regels inzake prestatie-eisen overeenkomstig lid 1, of naar aanleiding van het verzoek van een partij tot opname van artikel 8.5 (Prestatie-eisen) in dit hoofdstuk overeenkomstig lid 2, kan elke partij haar lijst wijzigen indien vereist. Elke wijziging moet beperkt blijven tot de opname van voorbehouden voor bestaande maatregelen die niet in overeenstemming zijn met de uit dit hoofdstuk voortvloeiende verplichting inzake prestatie-eisen, wat Canada aangaat in afdeling A van zijn lijst in bijlage III en wat de Europese Unie aangaat in haar lijst in bijlage I. Artikel 13.10, lid 1, is van toepassing op dergelijke maatregelen met betrekking tot de regels inzake prestatie-eisen waarover is onderhandeld ingevolge lid 1, of artikel 8.5 (Prestatie-eisen) als opgenomen in dit hoofdstuk overeenkomstig lid 2, naargelang van het geval.

Artikel 13.10. Voorbehouden en excepties

1.

De artikelen 13.3, 13.4, 13.6 en 13.8 zijn niet van toepassing op:

  • a. bestaande niet-conforme maatregelen die door een partij worden gehandhaafd op het niveau van:
  • i. de Europese Unie, als opgenomen in haar lijst in bijlage I;
  • ii. een nationale overheid, als opgenomen door Canada in afdeling A van zijn lijst in bijlage III of de Europese Unie in haar lijst in bijlage I;
  • iii. een provinciale, territoriale of regionale overheid, als opgenomen door Canada in afdeling A van zijn lijst in bijlage III of de Europese Unie in haar lijst in bijlage I; of
  • iv. een lagere overheid;
  • b. de handhaving of onverwijlde verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a); of
  • c. een wijziging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a), voor zover de wijziging de maatregelen zoals deze onmiddellijk voor de wijziging bestonden, niet minder conform maakt met de artikelen 13.3, 13.4, 13.6 of 13.8.
2.

Artikel 13.7 is niet van toepassing op:

  • a. bestaande niet-conforme maatregelen die door een partij worden gehandhaafd op het niveau van:
  • i. de Europese Unie, als opgenomen in haar lijst in bijlage I;
  • ii. een nationale overheid, als opgenomen door Canada in afdeling A van zijn lijst in bijlage III of de Europese Unie in haar lijst in bijlage I;
  • iii. een provinciale, territoriale of regionale overheid, als opgenomen door Canada in afdeling A van zijn lijst in bijlage III of de Europese Unie in haar lijst in bijlage I; of
  • iv. een lagere overheid;
  • b. de handhaving of onmiddellijke verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a); of
  • c. een wijziging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a), voor zover de wijziging de maatregelen zoals deze bij de inwerkingtreding van de overeenkomst bestonden, niet minder conform maakt met artikel 13.7.
3.

De artikelen 13.3, 13.4, 13.6, 13.7 en 13.8 zijn niet van toepassing op maatregelen die Canada vaststelt of handhaaft met betrekking tot de financiële diensten als opgenomen in afdeling B van zijn lijst in bijlage III, of die de Europese Unie vaststelt of handhaaft met betrekking tot financiële diensten als opgenomen in haar lijst in bijlage II.

4.

Indien een partij een voorbehoud heeft geformuleerd bij de artikelen 8.4 (Markttoegang), 8.5 (Prestatie-eisen), 8.6 (Nationale behandeling), 8.7 (Meestbegunstigingsbehandeling), 8.8 (Hoger management en raden van bestuur), 9.3 (Nationale behandeling), 9.5 (Meestbegunstigingsbehandeling of 9.6 (Markttoegang) in haar lijst in bijlage I of II, vormt dit tevens een voorbehoud bij de artikelen 13.3, 13.4, 13.6, 13.7 of 13.8, of voor elke regel inzake prestatie-eisen overeengekomen krachtens artikel 13.9, lid 1, of opgenomen in dit hoofdstuk op grond van artikel 13.9, lid 2, naargelang het geval, voor zover de in het voorbehoud bedoelde maatregel, sector, subsector of activiteit onder dit hoofdstuk valt.

5.

Na de inwerkingtreding van deze overeenkomst stelt een partij geen maatregelen of reeks maatregelen vast die vallen onder afdeling B van de lijst van Canada in bijlage III, of onder de lijst van de Europese Unie in bijlage II en die investeerders uit de andere partij al dan niet rechtstreeks op grond van nationaliteit verplichten investeringen die bestaan op het tijdstip waarop de maatregelen of reeks maatregelen werking krijgen, te verkopen of anderszins te vervreemden.

6.

Wat intellectuele eigendomsrechten betreft, kan een partij afwijken van de artikelen 13.3 en 13.4, alsmede van regels inzake technologieoverdracht die, naargelang het geval, verband houden met prestatie-eisen overeengekomen krachtens artikel 13.9, lid 1, of die zijn opgenomen in dit hoofdstuk overeenkomstig artikel 13.9, lid 2, indien de afwijking is toegestaan volgens de TRIPs-Overeenkomst, ontheffingen van de TRIPs-Overeenkomst vastgesteld overeenkomstig artikel IX van de WTO-Overeenkomst daaronder begrepen.

7.

De artikelen 13.3, 13.4, 13.6, 13.7, 13.8 en 13.9 zijn niet van toepassing op:

  • a. opdrachten van een partij voor goederen of diensten aangekocht voor overheidsdoeleinden en niet met het oog op commerciële wederverkoop of gebruik bij de levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop, ongeacht of die opdrachten „onder dit hoofdstuk vallende opdrachten” zijn in de zin van artikel 19.2 (Toepassingsgebied); of
  • b. subsidies, of overheidssteun in verband met de handel in diensten, die door een partij worden verstrekt.

Artikel 13.11. Doeltreffende en transparante regelgeving

1.

Elke partij ziet erop toe dat alle algemeen toepasselijke maatregelen waarop dit hoofdstuk van toepassing is, op een redelijke, objectieve en onpartijdige wijze worden toegepast.

2.

Elke partij ziet erop toe dat haar algemeen toepasselijke wet- en regelgeving, procedures en administratieve besluiten die verband houden met enige onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheid, onverwijld worden bekendgemaakt of op zodanige wijze beschikbaar worden gesteld dat belanghebbenden en de andere partij daarvan kennis kunnen nemen. Voor zover mogelijk zal elke partij:

  • a. de maatregelen die zij voornemens is vast te stellen, vooraf bekendmaken;
  • b. belanghebbenden en de andere partij een redelijke gelegenheid bieden om over deze voorgenomen maatregelen opmerkingen te maken; en
  • c. een redelijke termijn geven tussen de definitieve bekendmaking van de maatregelen en de datum waarop zij van kracht worden.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk treden deze vereisten in de plaats van die van artikel 27.1 (Bekendmaking).

3.

Elke partij handhaaft passende mechanismen, of stelt deze vast, om binnen een redelijke termijn te reageren op vragen van belanghebbenden inzake onder dit hoofdstuk vallende algemeen toepasselijke maatregelen.

4.

Een regelgevende autoriteit stelt een administratief besluit vast op basis van een volledige aanvraag van een investeerder in een financiële instelling, een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten of een financiële instelling uit de andere partij met betrekking tot de verlening van een financiële dienst, en wel binnen een redelijke termijn die wordt gerechtvaardigd door de ingewikkeldheid van de toepassing en de normale termijn voor de behandeling van de aanvraag. Wat Canada betreft, bedraagt een dergelijke redelijke termijn honderdtwintig dagen. De regelgevende autoriteit stelt de aanvrager onverwijld van dat besluit in kennis. Is vaststelling van een besluit binnen een redelijke termijn niet haalbaar, dan stelt de regelgevende autoriteit de aanvrager hiervan onverwijld in kennis en tracht zij het besluit zo spoedig mogelijk vast te stellen. Voor alle duidelijkheid: een aanvraag wordt pas volledig geacht wanneer alle hoorzittingen ter zake zijn gehouden en de regelgevende autoriteit alle nodige informatie heeft ontvangen.

Artikel 13.12. Zelfregulerende organisaties

Wanneer een partij verlangt dat een financiële instelling of een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere partij lid is van, participeert in of toegang heeft tot een zelfregulerende organisatie om een financiële dienst te mogen verlenen op of naar het grondgebied van die partij, of wanneer die partij een voorrecht of voordeel toekent wanneer een financiële dienst via een zelfregulerende organisatie wordt verleend, dan draagt die partij er zorg voor dat de zelfregulerende organisatie de uit dit hoofdstuk voortvloeiende verplichtingen naleeft.

Artikel 13.13. Betalings- en clearingsystemen

Onder de voorwaarden voor toekenning van nationale behandeling verschaft elke partij aan op haar grondgebied gevestigde verleners van financiële diensten uit de andere partij toegang tot betalings- en clearingsystemen van een partij, of van een entiteit die uitvoering geeft aan een haar door een partij verleende overheidsbevoegdheid, alsmede tot voor de normale bedrijfsvoering beschikbare officiële financierings- en herfinancieringsfaciliteiten. Dit artikel verleent geen toegang tot de kredietfaciliteiten in laatste instantie van een partij.

Artikel 13.14. Nieuwe financiële diensten

1.

Elke partij staat een financiële instelling uit de andere partij toe, op verzoek of met kennisgeving aan de bevoegde regelgevende instantie, indien vereist, nieuwe financiële diensten te verlenen waarvoor de betrokken partij volgens haar interne recht in vergelijkbare situaties toestemming aan haar eigen financiële instellingen zou geven.

2.

Een partij kan de institutionele en rechtsvorm vaststellen waarin de nieuwe financiële dienst kan worden verleend en de verlening daarvan aan een vergunningsplicht onderwerpen. Indien een vergunning vereist is, wordt hierover binnen een redelijke termijn een besluit genomen en kan zij uitsluitend worden geweigerd om prudentiële redenen.

3.

Dit artikel belet niet dat een financiële instelling uit een partij de andere partij verzoekt te overwegen de verlening van een financiële dienst die niet binnen het grondgebied van een van de partijen wordt verleend, toe te staan. Dit verzoek is onderworpen aan het recht van de partij die de aanvraag ontvangt, en niet aan de verplichtingen van dit artikel.

Artikel 13.15. Doorgifte en verwerking van informatie

1.

Elke partij staat een financiële instelling of een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere partij toe informatie in elektronische of andere vorm van en naar haar grondgebied te verzenden met het oog op gegevensverwerking, wanneer deze gegevensverwerking noodzakelijk is in het kader van de normale bedrijfsvoering van de financiële instelling of de verlener van grensoverschrijdende financiële diensten.

2.

Elke partij handhaaft passende waarborgen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, met name wat de doorgifte van persoonlijke gegevens aangaat. Indien de doorgifte van financiële informatie persoonlijke gegevens omvat, dient een dergelijke doorgifte te geschieden in overeenstemming met de wetgeving inzake de bescherming van persoonlijke gegevens op het grondgebied van de partij waarvan de overdracht afkomstig is.

Artikel 13.16. Prudentiële uitzonderingsbepaling

1.

Deze overeenkomst belet niet dat een partij redelijke maatregelen handhaaft of vaststelt om prudentiële redenen, zoals:

  • a. het beschermen van investeerders, spaarders, polishouders of personen jegens welke een financiële instelling, een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten of een verlener van financiële diensten een fiduciaire verplichting heeft;
  • b. het handhaven van de veiligheid, degelijkheid, integriteit of financiële verantwoordelijkheid van een financiële instelling, een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten of een verlener van financiële diensten; of
  • c. het verzekeren van de integriteit en de stabiliteit van het financiële systeem van een partij.
2.

Onverminderd andere prudentiële regelgeving inzake de grensoverschrijdende handel in financiële diensten kan een partij registratie van verleners van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere partij en van financiële instrumenten verlangen.

3.

Onverminderd de artikelen 13.3 en 13.4 kan een partij een bepaalde financiële dienst of activiteit verbieden om prudentiële redenen. Een dergelijk verbod geldt niet voor alle financiële diensten of een volledige subsector van financiële diensten, zoals bankdiensten.

Artikel 13.17. Specifieke uitzonderingen

1.

Deze overeenkomst is niet van toepassing op maatregelen genomen door een overheidsinstantie in het kader van monetair of wisselkoersbeleid. Dit lid doet geen afbreuk aan de verplichtingen van een partij uit hoofde van de artikelen 8.5 (Prestatie-eisen), 8.13 (Overmakingen) of 13.9.

2.

Deze overeenkomst verplicht een partij niet informatie te verstrekken of er toegang toe te verlenen die betrekking heeft op de zaken en rekeningen van individuele consumenten, verleners van grensoverschrijdende financiële diensten of financiële instellingen, en evenmin vertrouwelijke informatie door de openbaarmaking waarvan specifieke regelgevings-, toezichts- of rechtshandhavingsaangelegenheden in het gedrang zouden komen, of waarvan de openbaarmaking anderszins tegen het openbaar belang zou indruisen of legitieme commerciële belangen van bepaalde ondernemingen zou schaden.

Artikel 13.18. Comité financiële diensten

1.

Het Comité financiële diensten dat is ingesteld bij artikel 26.2 (Gespecialiseerde comités), lid 1, onder f), omvat vertegenwoordigers van de autoriteiten die zijn belast met het beleid inzake financiële diensten, die deskundig zijn op het door dit hoofdstuk bestreken gebied. Voor Canada is de vertegenwoordiger in het Comité een ambtenaar van het Department of Finance van Canada of de opvolger daarvan.

2.

Het Comité financiële diensten besluit bij consensus.

3.

Het Comité financiële diensten komt jaarlijks bijeen, of zoals het anderszins beslist, en:

  • a. ziet toe op de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk;
  • b. geeft uitvoering aan een dialoog over de regulering van de sector financiële diensten, met het oog op bevordering van de wederzijdse kennis van de respectieve regelgevingssystemen van de partijen en samenwerking bij de ontwikkeling van internationale normen zoals uiteengezet in het memorandum van overeenstemming betreffende de dialoog over de regulering van de sector financiële diensten zoals neergelegd in bijlage 13-C; en
  • c. geeft uitvoering aan artikel 13.21.

Artikel 13.19. Overleg

1.

Een partij kan verzoeken om overleg met de andere partij over elke uit deze overeenkomst voortvloeiende aangelegenheid die van invloed is op financiële diensten. De andere partij neemt het verzoek in welwillende overweging.

2.

Elke partij draagt er zorg voor dat wanneer er overleg is overeenkomstig lid 1, haar delegatie ambtenaren omvat met relevante deskundigheid op het door dit hoofdstuk bestreken gebied. Voor Canada houdt dit in ambtenaren van het Department of Finance of Canada of de opvolger daarvan.

Artikel 13.20. Geschillenbeslechting

1.

Op de beslechting van geschillen die voortvloeien uit dit hoofdstuk, is hoofdstuk negenentwintig (Geschillenbeslechting) van toepassing zoals gewijzigd bij dit hoofdstuk.

2.

Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de samenstelling van het arbitragepanel dat wordt ingesteld met het oog op een uit dit hoofdstuk voortvloeiend geschil, is artikel 29.7 (Samenstelling van arbitragepanel) van toepassing. Alle verwijzingen naar de lijst van arbiters die wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 29.8 (Lijst van arbiters) worden gelezen als verwijzingen naar de lijst van arbiters die wordt vastgesteld overeenkomstig dit artikel.

3.

Het Gemengd Comité voor de CETA kan een lijst opstellen van ten minste 15 personen die zijn geselecteerd op grond van hun objectiviteit, betrouwbaarheid en deugdelijk oordeelsvermogen, en die bereid en in staat zijn om als arbiter op te treden. De lijst bestaat uit drie sublijsten: een sublijst voor elke partij en een sublijst van personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en die voor het voorzitterschap in aanmerking komen. Elke sublijst bevat ten minste vijf personen. Het Gemengd Comité voor de CETA kan de lijst te allen tijde herzien en zorgt ervoor dat de lijst in overeenstemming is met dit artikel.

4.

De arbiters op de lijst moeten beschikken over deskundigheid of ervaring inzake het recht betreffende financiële diensten of de praktijk op dat gebied, waaronder bijvoorbeeld de regelgeving inzake verleners van financiële diensten. De arbiters die fungeren als voorzitter moeten ook ervaring hebben als raadsman, panellid of arbiter in geschillenbeslechtingsprocedures. Arbiters zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op en nemen geen instructies aan van enige organisatie of overheid. Zij houden zich aan de gedragscode in bijlage 29-B (Gedragscode).

5.

Indien een arbitragepanel oordeelt dat een maatregel niet in overeenstemming met deze overeenkomst is en de maatregel:

  • a. van invloed is op de financiëledienstensector en enige andere sector, dan mag de verzoekende partij overgaan tot opschorting van de voordelen in de financiëledienstensector waarvan het effect gelijkwaardig is aan het effect van de maatregel op de financiëledienstensector van de partij; of
  • b. uitsluitend een andere sector dan de financiëledienstensector beïnvloedt, dan mag de klagende partij de voordelen in de financiëledienstensector niet opschorten.

Artikel 13.21. Investeringsgeschillen op gebied van financiële diensten

1.

Afdeling F van hoofdstuk acht (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten), zoals gewijzigd bij dit artikel en bijlage 13-B, is van toepassing op:

  • a. investeringsgeschillen in verband met maatregelen waarop dit hoofdstuk van toepassing is en in het kader waarvan een investeerder klaagt dat een partij de artikelen 8.10 (Behandeling van investeerders en van onder overeenkomst vallende investeringen), 8.11 (Compensatie voor verliezen), 8.12 (Onteigening), 8.13 (Overmakingen), 8.16 (Weigering van toekenning van voordelen), 13.3 of 13.4 niet is nagekomen; of
  • b. procedures voor beslechting van investeringsgeschillen die zijn ingeleid overeenkomstig hoofdstuk acht, afdeling F (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten), in het kader waarvan een beroep is gedaan op artikel 13.16, lid 1.
2.

Ingeval er sprake is van een investeringsgeschil als bedoeld in lid 1, onder a), of indien de verweerder zich beroept op artikel 13.16, lid 1, binnen zestig dagen na de indiening van een verzoek bij het Gerecht overeenkomstig artikel 8.23 (Indiening van verzoek bij Gerecht), wordt een formatie van het Gerecht samengesteld overeenkomstig artikel 8.27 (Instelling van Gerecht), lid 7, uit de lijst die is opgesteld overeenkomstig artikel 13.20, lid 3. Indien de verweerder binnen zestig dagen na de indiening van een verzoek artikel 13.16, lid 1, inroept, met betrekking tot een ander investeringsgeschil dan hetgeen is bedoeld in lid 1, onder a), gaat de toepasselijke termijn voor de samenstelling van een formatie van het Gerecht overeenkomstig artikel 8.27 (Instelling van Gerecht), lid 7, in op de datum waarop de verweerder artikel 13.16, lid 1, inroept. Indien het Gemengd Comité voor de CETA binnen de in artikel 8.27 (Instelling van Gerecht), lid 17, bedoelde termijn geen leden van het Gerecht heeft aangewezen overeenkomstig artikel 8.27 (Instelling van Gerecht), lid 2, kan een van de partijen bij het geschil de secretaris-generaal van het Internationaal Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen („Icsid”) verzoeken de leden van het Gerecht te kiezen uit de overeenkomstig artikel 13.20 opgestelde lijst. Indien de lijst niet is opgesteld overeenkomstig artikel 13.20 op de datum van indiening van het verzoek overeenkomstig artikel 8.23 (Indiening van verzoek bij Gerecht), wijst de secretaris-generaal van het Icsid de leden van het Gerecht aan uit de personen die door één of beide partijen zijn voorgesteld, overeenkomstig artikel 13.20.

3.

De verweerder kan de zaak schriftelijk verwijzen naar het Comité financiële diensten voor een besluit of, en zo ja in welke mate, de uitzondering krachtens artikel 13.16, lid 1, een geldig verweer vormt tegen het verzoek. Deze verwijzing geschiedt uiterlijk op de datum die het Gerecht vaststelt voor de verweerder wat betreft de indiening van diens contramemorie. Indien de verweerder de zaak verwijst naar het Comité financiële diensten op grond van dit lid, worden de in afdeling F van hoofdstuk acht (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) bedoelde termijnen of procedures geschorst.

4.

Met een verwijzing overeenkomstig lid 3 kan het Comité financiële diensten of het Gemengd Comité voor de CETA, naargelang van het geval, komen tot een gezamenlijke vaststelling over de vraag of en in hoeverre artikel 13.16, lid 1, een geldig verweer vormt tegen het verzoek. Het Comité financiële diensten of het Gemengd Comité voor de CETA, naargelang van het geval, stuurt een kopie van de gezamenlijke vaststelling aan de investeerder en het Gerecht, indien dit is ingesteld. Indien in de gezamenlijke vaststelling wordt geconcludeerd dat artikel 13.16, lid 1, een geldig verweer vormt tegen alle onderdelen van het verzoek in hun geheel, dan wordt de investeerder geacht zijn verzoek te hebben ingetrokken en wordt de procedure beëindigd zoals bedoeld in artikel 8.35 (Afstand van instantie). Indien in de gezamenlijke vaststelling wordt geconcludeerd dat artikel 13.16, lid 1, enkel een geldig verweer vormt tegen onderdelen van het verzoek, dan is de gezamenlijke vaststelling bindend voor het Gerecht met betrekking tot die onderdelen van het verzoek. De schorsing van de termijnen of van de procedures zoals omschreven in lid 3 is dan niet langer van toepassing en de investeerder kan zijn verzoek wat de overige onderdelen ervan betreft, voortzetten.

5.

Indien het Gemengd Comité voor de CETA binnen drie maanden na verwijzing van de aangelegenheid door het Comité financiële diensten geen gezamenlijke vaststelling heeft gedaan, dan is de in lid 3 bedoelde schorsing van de termijnen of procedures niet langer van toepassing en kan de investeerder zijn verzoek voortzetten.

6.

Op verzoek van de verweerder beslist het Gerecht preliminair of en in hoeverre artikel 13.16, lid 1, een geldig verweer vormt tegen het verzoek. Laat de verweerder na dit verzoek in te dienen, dan doet dit niet af aan zijn recht om bij wijze van verweer artikel 13.16, lid 1, in een latere fase van de procedure in te roepen. Het Gerecht verbindt geen negatieve gevolgtrekkingen aan het feit dat het Comité financiële diensten of het Gemengd Comité voor de CETA geen overeenstemming heeft bereikt over een gezamenlijke vaststelling overeenkomstig bijlage 13-B.

HOOFDSTUK VEERTIEN. INTERNATIONALE ZEEVERVOERDIENSTEN

Artikel 14.1. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

in- en uitklaring: de afhandeling, voor een vast bedrag of op contractbasis, van douaneformaliteiten met betrekking tot de in-, uit- of doorvoer van vracht, ongeacht of deze dienst de hoofdactiviteit of een nevenactiviteit van de dienstverlener betreft;

diensten in verband met de opslag van containers: de opslag, het laden, het lossen of de reparatie van containers en het klaarmaken ervan voor verzending, in havengebieden of verder landinwaarts;

vervoer van deur tot deur of multimodaal vervoer: het vervoer van vracht met een enkel vervoersdocument, waarbij gebruik wordt gemaakt van meer dan één wijze van vervoer en dat een internationaal traject over zee omvat;

feederdiensten: het vervoer voorafgaand aan en aansluitend op internationaal vrachtvervoer over zee, inclusief stortgoederen in containers, stukgoederen en droge of vloeibare bulkgoederen, tussen havens die zich binnen het grondgebied van een partij bevinden. Voor alle duidelijkheid geldt met betrekking tot Canada dat feederdiensten betrekking kunnen hebben op vervoer tussen de zee en binnenwateren, waarbij onder binnenwateren worden verstaan binnenwateren zoals omschreven in de Customs Act, R.S.C. 1985, c.1 (2nd Supp.);

internationale vracht: vracht vervoerd door zeeschepen tussen een haven van een partij en een haven van de andere partij of van een derde land, of tussen een haven van een lidstaat van de Europese Unie en een haven van een andere lidstaat van de Europese Unie;

internationale zeevervoerdiensten: het vervoer van passagiers of van vracht door zeeschepen tussen een haven van de ene partij en een haven van de andere partij of van een derde land, of tussen een haven van een lidstaat van de Europese Unie en een haven van een andere lidstaat van de Europese Unie, evenals het rechtstreeks contracten sluiten met verleners van andere vervoerdiensten ter waarborging van vervoer van deur tot deur of van multimodaal vervoer, doch niet het verlenen van dergelijke andere vervoerdiensten;

verleners van internationale zeevervoerdiensten:

  • a. ondernemingen uit een partij zoals omschreven in artikel 1.1 (Algemeen toepasselijke definities), en de filialen van dergelijke entiteiten; of
  • b. ondernemingen zoals omschreven in artikel 1.1 (Algemeen toepasselijke definities) uit een derde land die eigendom zijn van of onder zeggenschap staan van onderdanen van een partij, indien de schepen van die ondernemingen zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die partij en onder de vlag van die partij varen; of
  • c. filialen van ondernemingen uit een derde land met aanzienlijke zakelijke activiteiten op het grondgebied van een partij, die internationale zeevervoerdiensten verlenen. Voor alle duidelijkheid: hoofdstuk acht (Investeringen) is niet van toepassing op dergelijke filialen;

diensten van scheepsagenten: de behartiging van de zakelijke belangen van een of meer scheepvaartlijnen of scheepvaartmaatschappijen binnen een bepaald geografisch gebied door een agent, voor de volgende doeleinden:

  • a. marketing en verkoop van zeevervoer- en aanverwante diensten, van de prijsopgave tot de facturering, alsmede het afgeven van vrachtbrieven namens de maatschappijen, het kopen en weer verkopen van de nodige aanverwante diensten, het opstellen van documenten en het verschaffen van bedrijfsinformatie; en
  • b. organisatorische werkzaamheden namens de maatschappijen betreffende het aanlopen van schepen of het overnemen van vracht in voorkomend geval;

hulpdiensten voor zeevervoer: behandeling van zeevracht, in- en uitklaring, diensten in verband met de opslag van containers, diensten van scheepsagenten, maritieme expediteursdiensten, en opslag;

behandeling van zeevracht: de uitvoering van, de organisatie van en het toezicht op:

  • a. het laden of lossen van schepen,
  • b. het sjorren of losmaken van vracht, en
  • c. het in ontvangst nemen of afleveren en bewaken van vracht vóór verscheping of na lossing,

door stuwadoorsbedrijven of terminalexploitanten, met uitzondering van werkzaamheden verricht door dokwerkers wanneer dezen onafhankelijk van de stuwadoorsbedrijven of terminalexploitanten zijn tewerkgesteld;

maritieme expediteursdiensten: de organisatie en het toezicht op zendingen namens verzenders, door de verlening van diensten zoals vervoer- en aanverwante diensten, vrachtconsolidatie en de verpakking van vracht, het opstellen van documenten en het verschaffen van bedrijfsinformatie;

opslag: opslag van diepgevroren of gekoelde goederen en bulkopslag van vloeistoffen of gassen, en overige opslag.

Artikel 14.2. Toepassingsgebied

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen inzake het verlenen van internationale zeevervoerdiensten24)Dit hoofdstuk is niet van toepassing op vissersvaartuigen zoals gedefinieerd door het interne recht van een partij.. Voor alle duidelijkheid: ook de hoofdstukken acht (Investeringen) en negen (Grensoverschrijdende handel in diensten) zien op dergelijke maatregelen.

2.

Voor alle duidelijkheid: in aansluiting op de artikelen 8.6 (Nationale behandeling), 8.7 (Meestbegunstigingsbehandeling), 9.3 (Nationale behandeling) en 9.5 (Meestbegunstigingsbehandeling) mag een partij geen maatregel vaststellen of handhaven ten aanzien van:

  • a. een schip dat een internationale zeevervoerdienst verleent en onder de vlag van de andere partij vaart;25)Voor de toepassing van dit hoofdstuk betekent „onder de vlag van een partij varen” voor de Europese Unie dat onder de vlag van een lidstaat van de Europese Unie wordt gevaren. of
  • b. een verlener van internationale zeevervoerdiensten uit de andere partij,

waarbij een behandeling wordt toegekend die minder gunstig is dan die welke die partij in vergelijkbare situaties aan haar eigen vaartuigen of verleners van internationale zeevervoerdiensten of aan vaartuigen of verleners van internationale zeevervoerdiensten uit een derde land toekent met betrekking tot:

  • a. haventoegang;
  • b. de gebruikmaking van infrastructuur en havendiensten zoals sleep- en loodsdiensten;
  • c. de gebruikmaking van hulpdiensten voor zeevervoer, alsmede het opleggen van daarmee verband houdende vergoedingen en heffingen;
  • d. toegang tot douanefaciliteiten; of
  • e. de toewijzing van aanlegplaatsen en laad- en losinstallaties.26)Dit lid is niet van toepassing op vaartuigen of verleners van internationale zeevervoerdiensten die vallen onder de Agreement on Port State Measures to Prevent, Deter and Eliminate Illegal, Unreported and Unregulated Fishing (Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen), gedaan te Rome op 22 november 2009.

Artikel 14.3. Verplichtingen

1.

Elke partij staat de verleners van diensten voor internationaal zeevervoer uit de andere partij toe om aan hen toebehorende of door hen verhuurde lege containers die zij gratis vervoeren, tussen de havens van die partij te verplaatsen.

2.

Een partij staat de verleners van diensten voor internationaal zeevervoer uit de andere partij toe om „feederdiensten” tussen de havens van die partij te verlenen.

3.

Een partij stelt met betrekking tot internationale zeevervoerdiensten, waaronder het vervoer van droge en vloeibare bulkladingen en lijnvervoer, geen vrachtverdelingsregeling met een derde land in, en handhaaft dergelijke regelingen evenmin.

4.

Een partij stelt noch maatregelen vast noch handhaaft zij maatregelen op grond waarvan een internationale vracht volledig of gedeeltelijk uitsluitend moet worden vervoerd door vaartuigen die in die partij zijn geregistreerd of die eigendom zijn dan wel onder zeggenschap staan van onderdanen van die partij.

5.

Een partij stelt noch maatregelen vast noch handhaaft zij maatregelen die beletten dat verleners van internationale zeevervoerdiensten uit de andere partij rechtstreeks contracten sluiten met andere verleners van vervoerdiensten voor vervoer van deur tot deur of voor multimodaal vervoer.

Artikel 14.4. Voorbehouden

1.

Artikel 14.3 is niet van toepassing op:

  • a. bestaande niet-conforme maatregelen die door een partij worden gehandhaafd op het niveau van:
  • i. de Europese Unie, als opgenomen in haar lijst in bijlage I;
  • ii. een nationale overheid, als opgenomen door die partij in haar lijst in bijlage I;
  • iii. een provinciale, territoriale of regionale overheid, als opgenomen door die partij in haar lijst in bijlage I; of
  • iv. een lagere overheid;
  • b. de handhaving of onverwijlde verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a); of
  • c. een wijziging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a), voor zover de wijziging de maatregelen zoals deze onmiddellijk voor de wijziging bestonden, niet minder conform maakt met artikel 14.3.
2.

Artikel 14.3 is niet van toepassing op maatregelen die een partij vaststelt of handhaaft voor sectoren, subsectoren of activiteiten als opgenomen in haar lijst in bijlage II.

HOOFDSTUK VIJFTIEN. TELECOMMUNICATIE

Artikel 15.1. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

contributielink: een link voor de transmissie van radio- of televisiesignalen naar een productiecentrum voor programma's;

kostengeoriënteerd: op basis van kosten en mogelijk betrekking hebbend op verschillende kostenmethodologieën voor verschillende faciliteiten of diensten;

onderneming: een „onderneming” zoals omschreven in artikel 8.1 (Definities);

essentiële faciliteiten: faciliteiten in het kader van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst die:

  • a. uitsluitend of voornamelijk worden aangeboden door één of een beperkt aantal aanbieders; en
  • b. voor het verlenen van een dienst niet op haalbare wijze economisch of technisch kunnen worden vervangen;

interconnectie: het verbinden van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten van verschillende aanbieders zodat gebruikers van een aanbieder kunnen communiceren met de gebruikers van een andere aanbieder en toegang krijgen tot door een andere aanbieder geleverde diensten;

interne bedrijfscommunicatie: telecommunicatie waardoor een onderneming intern of met haar dochterondernemingen, filialen en, afhankelijk van het interne recht van een partij, gelieerde ondernemingen kan communiceren, en deze laatste onderling kunnen communiceren, met uitzondering van al dan niet op commerciële basis verleende diensten aan ondernemingen die geen dochteronderneming, filiaal of gelieerde onderneming zijn, of aangeboden aan klanten of potentiële klanten. Voor de toepassing van deze definitie geldt de definitie die door elke partij van de begrippen „dochteronderneming”, „filiaal” en, indien van toepassing, „gelieerde onderneming” wordt gegeven;

huurlijnen: telecommunicatiefaciliteiten tussen twee of meer bepaalde aansluitpunten die zijn gereserveerd voor het specifieke gebruik door of beschikbaarheid voor een bepaalde klant of andere gebruikers naar de keuze van de klant;

grote aanbieder: een aanbieder die, wat prijs en aanbod betreft, de voorwaarden voor deelneming op de relevante markt voor openbare telecommunicatienetwerken of -diensten wezenlijk kan beïnvloeden ten gevolge van:

  • a. controle over essentiële faciliteiten; of
  • b. de wijze waarop hij van zijn marktpositie gebruikmaakt;

netwerkaansluitpunt: het fysieke punt waarop een gebruiker toegang tot een openbaar telecommunicatienetwerk krijgt;

nummerportabiliteit: de mogelijkheid voor eindgebruikers van openbare telecommunicatiediensten om dezelfde telefoonnummers op dezelfde locatie te houden zonder dat de kwaliteit, de betrouwbaarheid of het gemak eronder lijdt wanneer van aanbieder van soortgelijke openbare telecommunicatiediensten wordt veranderd;

openbaar telecommunicatienetwerk: de openbare telecommunicatie-infrastructuur waardoor telecommunicatie tussen twee bepaalde netwerkaansluitpunten mogelijk wordt gemaakt;

openbare telecommunicatiedienst: telecommunicatiedienst ten aanzien waarvan een partij, uitdrukkelijk of feitelijk, eist dat zij aan het algemene publiek wordt aangeboden en die gekenmerkt wordt door de real-time transmissie van door de klant tussen twee of meer punten verzonden informatie, zonder dat de vorm of inhoud van de informatie van de klant van eindpunt tot eindpunt wordt gewijzigd. Deze dienst kan onder meer spraaktelefoniediensten, pakketgeschakelde en circuitgeschakelde datatransmissiediensten, telex-, telegraaf- en faxdiensten, particuliere huurlijnen en diensten en systemen voor mobiele en persoonlijke communicatie omvatten;

regelgevende autoriteit: de instantie die verantwoordelijk is voor de regelgeving inzake telecommunicatie;

telecommunicatiediensten: alle diensten bestaande in de transmissie en ontvangst van elektromagnetische signalen, maar niet de economische activiteit bestaande in de levering van inhoud door middel van telecommunicatie; en

gebruiker: een onderneming of natuurlijke persoon die gebruikmaakt van of verzoekt om een algemeen beschikbare telecommunicatiedienst.

Artikel 15.2. Toepassingsgebied

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen inzake telecommunicatienetwerken of -diensten, onverminderd het recht van een partij om de verlening van een dienst te beperken in overeenstemming met haar in de bijlagen I of II opgenomen lijst van voorbehouden.

2.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op maatregelen van een partij met betrekking tot de transmissie door middel van telecommunicatie, de verspreiding van voor ontvangst door het publiek bestemde radio- of televisieprogramma's via de kabel of door middel van rechtstreekse uitzending daaronder begrepen. Voor alle duidelijkheid: dit hoofdstuk is van toepassing op contributielinks.

3.

Op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk wordt niet:

  • a. van een partij verlangd dat zij toestaat dat een dienstverlener uit de andere partij telecommunicatienetwerken of -diensten instelt, ontwikkelt, verwerft, huurt, exploiteert of levert op andere wijze dan in deze overeenkomst bepaald; noch wordt er
  • b. van een partij verlangd dat zij telecommunicatienetwerken of -diensten die niet aan het algemene publiek worden aangeboden, instelt, ontwikkelt, verwerft, huurt, exploiteert of levert, dan wel dat zij dienstverleners daartoe verplicht.

Artikel 15.3. Toegang tot en gebruik van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten

1.

Een partij ziet erop toe dat ondernemingen uit de andere partij toegang krijgen tot en gebruik kunnen maken van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten op redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, onder meer met betrekking tot kwaliteit, technische normen en technische specificaties.27)Niet-discriminerend: niet minder gunstig dan de behandeling die in vergelijkbare situaties aan andere ondernemingen bij gebruikmaking van soortgelijke openbare telecommunicatienetwerken of -diensten wordt toegekend. De partijen zien op de naleving van deze verplichting onder meer toe met inachtneming van het bepaalde in de leden 2 tot en met 6.

2.

Elke partij ziet erop toe dat ondernemingen uit de andere partij toegang hebben tot en gebruik kunnen maken van alle binnen of buiten haar grenzen aangeboden openbare telecommunicatienetwerken en -diensten, particuliere huurlijnen inbegrepen, en zorgt er te dien einde voor, overeenkomstig de leden 5 en 6, dat het deze ondernemingen is toegestaan:

  • a. eind- of andere apparatuur met interfaces met het openbare telecommunicatienetwerk te kopen of te huren en aan te sluiten;
  • b. particuliere huurlijnen of lijnen in particuliere eigendom te verbinden met openbare telecommunicatienetwerken en -diensten uit die partij of met lijnen, gehuurd door of in eigendom van een andere onderneming;
  • c. exploitatieprotocollen van hun keuze te gebruiken; en
  • d. zich bezig te houden met schakelbesturing („switching”), signalering en verwerking.
3.

Elke partij ziet erop toe dat ondernemingen uit de andere partij openbare telecommunicatienetwerken en -diensten kunnen gebruiken voor het binnenlandse en grensoverschrijdende verkeer van informatie, daarbij inbegrepen de interne bedrijfscommunicatie van deze ondernemingen, en voor toegang tot informatie die in gegevensbestanden of op andere wijze in machinaal leesbare vorm is opgeslagen op het grondgebied van een van de partijen.

4.

Op grond van artikel 28.3 (Algemene uitzonderingen), en niettegenstaande het bepaalde in lid 3, neemt een partij passende maatregelen ter bescherming van:

  • a. de veiligheid en vertrouwelijkheid van openbare telecommunicatiediensten; en
  • b. de persoonlijke levenssfeer van gebruikers van openbare telecommunicatiediensten,

mits deze maatregelen niet op zodanige wijze worden toegepast dat zij een middel tot arbitraire of ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte beperking van de handel vormen.

5.

Elke partij ziet erop toe dat voor de toegang tot en het gebruik van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten uitsluitend voorwaarden worden gesteld die noodzakelijk zijn ter:

  • a. vrijwaring van de openbare-dienstverantwoordelijkheden van aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten, en met name hun bevoegdheid hun netwerken of diensten aan het algemene publiek ter beschikking te stellen;
  • b. bescherming van de technische integriteit van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten; of
  • c. waarborging dat dienstverleners uit de andere partij geen diensten verlenen waarvoor de partij, door middel van haar in de bijlagen I of II opgenomen lijst van voorbehouden, beperkingen heeft gesteld.
6.

Mits de voorwaarden voor de toegang tot en het gebruik van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten aan de in lid 5 genoemde criteria voldoen, mogen zij het volgende omvatten:

  • a. beperkingen ter zake van wederverkoop en medegebruik van deze diensten;
  • b. de eis gespecificeerde technische interfaces te gebruiken, daarbij inbegrepen interface-protocollen, voor koppeling aan die netwerken of diensten;
  • c. indien nodig, eisen voor de interoperabiliteit van deze diensten;
  • d. type-goedkeuring van eind- of andere apparatuur met interfaces met het netwerk en technische eisen voor de koppeling van die apparatuur aan de netwerken;
  • e. beperkingen ter zake van de koppeling van lijnen, in particuliere huur of eigendom, aan deze netwerken, diensten of lijnen, gehuurd door of in eigendom van een andere onderneming; en
  • f. aanmelding, registratie en verlening van vergunningen.

Artikel 15.4. Concurrentiewaarborgen ten aanzien van grote aanbieders

1.

Elke partij handhaaft passende maatregelen om te voorkomen dat aanbieders die alleen of met anderen gezamenlijk een grote aanbieder vormen, concurrentiebeperkende praktijken toepassen of blijven toepassen.

2.

De in lid 1 bedoelde concurrentiebeperkende praktijken omvatten:

  • a. het op concurrentiebeperkende wijze toepassen van kruissubsidiëring;
  • b. het op concurrentiebeperkende wijze gebruiken van informatie van concurrenten; en
  • c. het niet op tijdige wijze beschikbaar stellen aan andere dienstverleners van technische informatie over essentiële faciliteiten en commercieel relevante informatie die deze dienstverleners voor het leveren van hun diensten nodig hebben.

Artikel 15.5. Toegang tot essentiële faciliteiten

1.

Elke partij ziet erop toe dat grote aanbieders op haar grondgebied hun essentiële faciliteiten, die onder meer netwerkelementen, operationele ondersteuningssystemen of ondersteunende structuren kunnen omvatten, tegen redelijke, niet-discriminerende voorwaarden en op de kosten gebaseerde tarieven aan aanbieders van telecommunicatiediensten uit de andere partij ter beschikking stellen.

2.

Elke partij kan in overeenstemming met haar interne wet- en regelgeving bepalen welke essentiële faciliteiten op haar grondgebied beschikbaar moeten worden gesteld.

Artikel 15.6. Interconnectie

1.

Elke partij ziet erop toe dat grote aanbieders op haar grondgebied interconnectie aanbieden:

  • a. op elk technisch haalbaar punt in het netwerk;
  • b. op niet-discriminerende voorwaarden, technische normen en specificaties daaronder begrepen, en tegen niet-discriminerende tarieven;
  • c. met een kwaliteit die niet lager is dan die welke wordt geboden voor de eigen soortgelijke diensten, voor soortgelijke diensten van niet-gelieerde dienstverleners of voor soortgelijke diensten van dochterondernemingen of andere gelieerde ondernemingen;
  • d. binnen een redelijke termijn, op voorwaarden (technische normen en specificaties daaronder begrepen) en tegen op de kosten gebaseerde tarieven die transparant, economisch redelijk en voldoende gescheiden zijn, zodat een aanbieder niet behoeft te betalen voor netwerkonderdelen en -faciliteiten die hij voor de levering van zijn diensten niet nodig heeft; en
  • e. op verzoek via extra aansluitpunten, in aanvulling op de aan de meeste gebruikers aangeboden netwerkaansluitpunten, tegen een vergoeding die gebaseerd is op de kosten voor het aanleggen van de noodzakelijke aanvullende faciliteiten.
2.

Een aanbieder waaraan een vergunning is verleend om telecommunicatiediensten te leveren, heeft het recht om met andere aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten een nieuwe interconnectieovereenkomst aan te gaan. Elke partij draagt er zorg voor dat grote aanbieders verplicht zijn een referentie-interconnectieaanbieding vast te stellen of met andere aanbieders van telecommunicatienetwerken en -diensten interconnectieovereenkomsten aan te gaan.

3.

Elke partij ziet erop toe dat aanbieders van openbare telecommunicatiediensten die bij onderhandelingen over interconnectieregelingen informatie van een andere aanbieder ontvangen, die informatie uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor zij werd verstrekt en dat zij de vertrouwelijkheid van de verstrekte of opgeslagen informatie te allen tijde respecteren.

4.

Elke partij ziet erop toe dat de procedures voor interconnectie met een grote aanbieder algemeen worden bekendgemaakt.

5.

Elke partij ziet erop toe dat grote aanbieders hun interconnectieovereenkomsten of hun referentie-interconnectieaanbieding, indien van toepassing, algemeen bekendmaken.

Artikel 15.7. Vergunning voor verlening van telecommunicatiediensten

Elke partij dient erop toe te zien dat vergunningen voor het verlenen van telecommunicatiediensten voor zover mogelijk worden verleend op basis van een eenvoudige kennisgevingsprocedure.

Artikel 15.8. Universele dienst

1.

Elke partij heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij wenst te handhaven.

2.

Elke partij zorgt ervoor dat elke door haar vastgestelde of gehandhaafde maatregel inzake universele diensten wordt uitgevoerd op een transparante, objectieve, niet-discriminerende en uit mededingingsoogpunt neutrale wijze. Elke partij zorgt er tevens voor dat de universeledienstverplichtingen die zij oplegt, niet belastender zijn dan voor de door haar vastgestelde soort universele dienst noodzakelijk is.

3.

Alle dienstverleners komen in aanmerking voor het verzorgen van universele diensten. Indien er een dienstverlener moet worden aangewezen als de aanbieder van een universele dienst, zorgt een partij ervoor dat de selectie geschiedt door middel van een efficiënt, transparant en niet-discriminerend mechanisme.

Artikel 15.9. Schaarse middelen

1.

Elke partij voert haar procedures voor de toewijzing en het gebruik van schaarse middelen, zoals frequenties, nummers en doorgangsrechten, objectief, tijdig, transparant en niet-discriminerend uit.

2.

In afwijking van de artikelen 8.4 (Markttoegang) en 9.6 (Markttoegang) kan een partij maatregelen vaststellen of handhaven waarbij spectrum wordt verdeeld en toegewezen en frequenties worden beheerd. Elke partij behoudt het recht haar beleid vast te stellen en uit te voeren ten aanzien van spectrum en -frequentiebeheer waarbij het aantal aanbieders van openbare telecommunicatiediensten kan worden beperkt. Elke partij behoudt tevens het recht om frequentiebanden toe te wijzen, rekening houdend met de bestaande en toekomstige behoeften.

3.

Elke partij maakt de actuele stand van de toegewezen frequentiebanden algemeen bekend, maar is niet verplicht gedetailleerde informatie te verstrekken over frequenties die zijn toegewezen voor specifiek gebruik door de overheid.

Artikel 15.10. Nummerportabiliteit

Elke partij waarborgt dat aanbieders van openbare telecommunicatiediensten op haar grondgebied onder redelijke voorwaarden nummerportabiliteit aanbieden.

Artikel 15.11. Regelgevende autoriteit

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)