Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds
- e. de partijen bij de procedure het recht hebben te verzoeken dat de zittingen in het openbaar plaatsvinden en dat getuigen deze mogen bijwonen; en
- f. de toetsingsinstantie haar beslissingen of aanbevelingen tijdig schriftelijk vaststelt en de grondslag van elke beslissing of aanbeveling daarbij toelicht.
Elke partij stelt procedures in, of handhaaft deze, die voorzien in:
- a. snelle voorlopige maatregelen die de mogelijkheid van de aanbieder om aan de aanbesteding deel te nemen in stand houden. Dergelijke voorlopige maatregelen kunnen aanleiding geven tot opschorting van de aanbestedingsprocedure. Er kan worden bepaald dat bij het nemen van de beslissing over het al dan niet toepassen van dergelijke maatregelen rekening mag worden gehouden met doorslaggevende negatieve gevolgen voor de belangen die op het spel staan, waaronder het algemeen belang. Een beslissing om niet op te treden wordt schriftelijk gemotiveerd; en
- b. corrigerende maatregelen of compensatie voor het geleden verlies of de geleden schade; deze corrigerende maatregelen of compensatie kunnen beperkt blijven tot de voor het opstellen van de inschrijving of het instellen van het beroep gemaakte kosten, of beide, indien de beroepsinstantie bepaalt dat er sprake is van een inbreuk of niet-nakoming als bedoeld in lid 1.
Uiterlijk tien jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst onderhandelen de partijen over het verder werken aan de kwaliteit van rechtsmiddelen, een eventuele verbintenis tot invoering of handhaving van precontractuele rechtsmiddelen daaronder begrepen.
Artikel 19.18. Wijziging en rectificatie van de werkingssfeer
Een partij kan haar bijlagen bij dit hoofdstuk wijzigen of rectificeren.
Wanneer een partij een bijlage bij dit hoofdstuk wijzigt:
- a. stelt zij de andere partij schriftelijk van die wijziging in kennis; en
- b. doet zij in de kennisgeving een voorstel voor passende compenserende aanpassingen aan de andere partij teneinde de omvang van het toepassingsgebied vergelijkbaar te houden met die voorafgaand aan de wijziging.
In afwijking van het bepaalde in lid 2, onder b), hoeft een partij geen compenserende aanpassingen aan te bieden wanneer:
- a. het effect van de wijziging in kwestie verwaarloosbaar is; of
- b. de wijziging betrekking heeft op een entiteit met betrekking tot welke de partij feitelijk haar zeggenschap of invloed heeft beëindigd.
Indien de andere partij betwist dat:
- a. een op grond van lid 2, onder b), voorgestelde aanpassing toereikend is om een wederzijds overeengekomen toepassingsgebied van vergelijkbare omvang te behouden;
- b. het effect van de wijziging verwaarloosbaar is; of
- c. de wijziging betrekking heeft op een entiteit met betrekking tot welke de partij feitelijk haar zeggenschap of invloed heeft beëindigd, zoals bedoeld in lid 3, onder b),
moet die andere partij binnen 45 dagen na ontvangst van de in lid 2, onder a), bedoelde kennisgeving schriftelijk bezwaar maken, zo niet wordt zij geacht, ook voor de toepassing van hoofdstuk 29 (Geschillenbeslechting), met de aanpassing of wijziging te hebben ingestemd.
De volgende wijzigingen in de bijlagen van een partij worden geacht een rectificatie in te houden, mits zij geen gevolgen hebben voor het wederzijds overeengekomen toepassingsgebied waarin de onderhavige overeenkomst voorziet:
- a. een wijziging van de naam van een entiteit;
- b. een fusie van twee of meer in een bijlage vermelde entiteiten; en
- c. de splitsing van een in een bijlage vermelde entiteit in twee of meer entiteiten die allemaal aan de in dezelfde bijlage vermelde entiteiten worden toegevoegd.
In het geval van voorgenomen rectificaties van de bijlagen van een partij geeft deze partij om de twee jaar kennis aan de andere partij, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de onderhavige overeenkomst en in overeenstemming met de kennisgevingscyclus als bedoeld in de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, die is opgenomen in bijlage 4 bij de WTO-Overeenkomst.
Een partij kan de andere partij binnen 45 dagen na ontvangst van de kennisgeving in kennis stellen van een bezwaar tegen een voorgestelde rectificatie. Indien een partij bezwaar indient, zet zij de redenen uiteen waarom zij van mening is dat de voorgestelde rectificatie geen in lid 5 van dit artikel bedoelde wijziging is, en beschrijft zij het effect van de voorgenomen rectificatie op het wederzijds overeengekomen toepassingsgebied waarin de onderhavige overeenkomst voorziet. Indien binnen 45 dagen na ontvangst van de kennisgeving geen schriftelijk bezwaar is ingediend, wordt de partij geacht met de voorgestelde rectificatie in te stemmen.
Artikel 19.19. Comité voor overheidsopdrachten
Het Comité voor overheidsopdrachten dat is ingesteld bij artikel 26.2, lid 1, onder e), wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van elke partij en komt zo dikwijls bijeen als nodig is, teneinde de partijen de gelegenheid te bieden met elkaar van gedachten te wisselen over alle aangelegenheden die verband houden met de werking van dit hoofdstuk of het bevorderen van de doelstellingen daarvan, en de overige taken te vervullen waarmee het door de partijen eventueel wordt belast.
Het Comité voor overheidsopdrachten komt op verzoek van een partij bijeen teneinde:
- a. kwesties met betrekking tot overheidsopdrachten die haar door een partij worden voorgelegd te onderzoeken;
- b. informatie betreffende kansen in elke partij op deelname aan overheidsopdrachten uit te wisselen;
- c. alle andere aangelegenheden met betrekking tot de werking van dit hoofdstuk te bespreken; en
- d. het bevorderen van gecoördineerde activiteiten om de toegang voor aanbieders tot kansen op deelname aan aanbestedingen op het grondgebied van elke partij te vergemakkelijken, te bezien. Deze activiteiten kunnen onder andere omvatten: informatiebijeenkomsten, in het bijzonder met het oog op verbetering van de elektronische toegang tot openbare informatie over de aanbestedingsregels van elke partij, en initiatieven om de toegang voor kleine en middelgrote ondernemingen te vergemakkelijken.
Elke partij dient bij het Comité voor overheidsopdrachten jaarlijks de statistieken in die van belang zijn voor de onder dit hoofdstuk vallende opdrachten, zoals uiteengezet in artikel 19.15.
HOOFDSTUK TWINTIG. INTELLECTUELE EIGENDOM
AFDELING A. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 20.1. Doelstellingen
De doelstellingen van dit hoofdstuk zijn:
- a. het bevorderen van de productie en het in de handel brengen van innovatieve en creatieve producten alsmede van het verlenen van diensten tussen de partijen; en
- b. het bereiken van een adequaat en doeltreffend beschermings- en handhavingsniveau voor intellectuele-eigendomsrechten.
Artikel 20.2. Aard en toepassingsgebied van verplichtingen
De bepalingen in dit hoofdstuk vormen een aanvulling op de tussen de partijen geldende rechten en verplichtingen uit hoofde van de TRIPs-Overeenkomst.
Het staat elke partij vrij de passende methode voor de toepassing van de bepalingen van de onderhavige overeenkomst binnen haar eigen rechtsstelsel en -praktijk vast te stellen.
Uit de onderhavige overeenkomst vloeien geen verplichtingen voort met betrekking tot de verdeling van middelen tussen de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en de rechtshandhaving in het algemeen.
Artikel 20.3. Volksgezondheidsaspecten
De partijen erkennen het belang van de Verklaring van Doha inzake de TRIPs-Overeenkomst en de volksgezondheid („Verklaring van Doha”), op 14 november 2001 aangenomen door de Ministeriële Conferentie van de WTO. De partijen waarborgen de consistentie van de uitlegging en de uitvoering van de rechten en verplichtingen in het kader van dit hoofdstuk met deze verklaring.
De partijen dragen bij aan de uitvoering van het Besluit van de Algemene Raad van de WTO van 30 augustus 2003 over punt 6 van de Verklaring van Doha alsmede van het Protocol tot wijziging van de TRIPs-Overeenkomst, gedaan te Genève op 6 december 2005, en nemen deze in acht.
Artikel 20.4. Uitputting
Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de vrijheid van de partijen om te bepalen of en onder welke voorwaarden het beginsel van uitputting van intellectuele-eigendomsrechten van toepassing is.
Artikel 20.5. Openbaarmaking van informatie
Dit hoofdstuk houdt voor de partijen geen verplichting in om informatie openbaar te maken waarvan bekendmaking in strijd zou zijn met hun respectieve wetgeving of die niet openbaar mag worden gemaakt op grond van hun respectieve wetgeving betreffende toegang tot informatie en bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
AFDELING B. NORMEN BETREFFENDE INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN
Artikel 20.6. Definitie
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
farmaceutisch product: een product, met inbegrip van een chemisch geneesmiddel, biologisch geneesmiddel, vaccin of radiofarmacon, dat wordt vervaardigd, verkocht of aangeboden voor gebruik bij:
- a. het stellen van een medische diagnose, het behandelen, bestrijden of voorkomen van een ziekte, aandoening of afwijkende fysieke gesteldheid, of van de symptomen daarvan; of
- b. het herstellen, verbeteren of wijzigen van organische functies.
ONDERAFDELING A. AUTEURSRECHT EN NABURIGE RECHTEN
Artikel 20.7. Geboden bescherming
De partijen nemen de volgende internationale overeenkomsten in acht:
- a. de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, gedaan te Parijs op 24 juli 1971 (artikelen 2 tot en met 20);
- b. het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake auteursrecht, gedaan te Genève op 20 december 1996 (artikelen 1 tot en met 14);
- c. het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake uitvoeringen en fonogrammen, gedaan te Genève op 20 december 1996 (artikelen 1 tot en met 23); en
- d. het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961 (artikelen 1 tot en met 22).
Voor zover toegestaan in de in lid 1 bedoelde verdragen, houdt dit hoofdstuk geen beperking in van de mogelijkheden waarover elke partij beschikt om de door haar aan uitvoeringen toegekende bescherming van de intellectuele eigendom te beperken tot uitvoeringen die zijn vastgelegd op fonogrammen.
Artikel 20.8. Uitzending en mededeling aan publiek
Elke partij verleent uitvoerend kunstenaars het uitsluitende recht om de draadloze uitzending en de mededeling aan het publiek van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is of gemaakt is op basis van een vastlegging.
Elke partij ziet erop toe dat, wanneer een voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram of reproductie daarvan wordt gebruikt voor draadloze uitzending of voor enigerlei mededeling aan het publiek, door de gebruiker één enkele billijke vergoeding wordt betaald en dat deze vergoeding wordt verdeeld tussen de desbetreffende uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen. Elke partij kan bij gebreke van overeenstemming tussen de uitvoerend kunstenaars en de producenten van fonogrammen bepalen volgens welke voorwaarden deze vergoeding tussen hen wordt verdeeld.
Artikel 20.9. Bescherming van technische voorzieningen
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder technische voorzieningen verstaan: technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken, uitvoeringen of fonogrammen, die niet zijn toegestaan door de auteurs, uitvoerend kunstenaars of producenten van fonogrammen, zoals bedoeld in de wetgeving van een partij. Onverminderd de reikwijdte van auteursrechten of naburige rechten volgens de wetgeving van een partij worden technische voorzieningen doeltreffend geacht wanneer de zeggenschap over het gebruik van beschermde werken, uitvoeringen of fonogrammen bij de auteurs, uitvoerend kunstenaars of producenten van fonogrammen ligt, door de toepassing van een adequate toegangscontrole of van een adequate bescherming, zoals versleuteling of codering, of een kopieerbeveiliging waarmee het doel van bescherming wordt bereikt.
Elke partij voorziet in adequate rechtsbescherming en in doeltreffende rechtsmiddelen tegen het onwerkzaam maken van doeltreffende technische voorzieningen die door auteurs, uitvoerend kunstenaars of producenten van fonogrammen worden gebruikt in verband met de uitoefening van hun rechten op hun werken, uitvoeringen en fonogrammen, en welke voorzieningen beletten dat met betrekking tot die werken, uitvoeringen en fonogrammen handelingen worden verricht waarvoor zij geen toestemming hebben verleend of die rechtens niet geoorloofd zijn.
Teneinde te voorzien in de in lid 2 bedoelde adequate rechtsbescherming en doeltreffende rechtsmiddelen biedt elke partij ten minste bescherming tegen:
- a. voor zover daarin is voorzien in haar wetgeving:
- i. het, zulks wetende of redelijkerwijs behorende te weten, zonder toestemming onwerkzaam maken van een doeltreffende technische voorziening; en
- ii. het aan het publiek aanbieden door marketing van een technische inrichting of een product, met inbegrip van computerprogramma's, of een dienst, als middel om een doeltreffende technische voorziening onwerkzaam te maken; en
- b. de vervaardiging, invoer of distributie van een technische inrichting of een product, met inbegrip van computerprogramma's, of de verlening van een dienst die of dat:
- i. primair is ontwikkeld, geproduceerd of verleend om een doeltreffende technische voorziening onwerkzaam te maken; of
- ii. buiten het onwerkzaam maken van een doeltreffende technische voorziening een commercieel doel van slechts beperkt belang dient.
In lid 3 wordt met de uitdrukking „voor zover daarin is voorzien in haar wetgeving” bedoeld dat elke partij de uitvoering van punt a, onder i) en ii), flexibel kan regelen.
Bij de uitvoering van de leden 2 en 3 is een partij niet verplicht te verlangen dat bij het ontwerp van een product op het gebied van consumentenelektronica, telecommunicatie of computers, of bij het ontwerp en de selectie van onderdelen of componenten van een dergelijk product rekening wordt gehouden met iedere specifieke technische voorziening, zolang het product niet anderszins in strijd is met haar maatregelen ter uitvoering van deze leden. De strekking van deze bepaling is dat een partij op grond van deze overeenkomst niet verplicht is in haar wetgeving interoperabiliteit voor te schrijven: er bestaat geen verplichting voor de informatie- en communicatietechnologiesector om inrichtingen, producten, onderdelen of diensten te ontwerpen die met bepaalde technische voorzieningen overeenstemmen.
Bij het voorzien in adequate rechtsbescherming en in doeltreffende rechtsmiddelen overeenkomstig lid 2 kan een partij passende beperkingen van of uitzonderingen op maatregelen ter uitvoering van de leden 2 en 3 vaststellen of handhaven. De uit de leden 2 en 3 voortvloeiende verplichtingen doen geen afbreuk aan de rechten, beperkingen, uitzonderingen of verweermiddelen tegen inbreuken op auteursrechten of naburige rechten volgens de wetgeving van een partij.
Artikel 20.10. Bescherming van informatie betreffende beheer van rechten
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder informatie betreffende het beheer van rechten verstaan:
- a. informatie aan de hand waarvan het werk, de uitvoering of het fonogram; de auteur van het werk, de uitvoerend kunstenaar van de uitvoering of de producent van het fonogram; of de eigenaar van enig recht op het werk, de uitvoering of het fonogram kan worden geïdentificeerd;
- b. informatie over de voorwaarden voor gebruik van het werk, de uitvoering of het fonogram; of
- c. cijfers of codes die de hiervoor onder a) en b) beschreven informatie weergeven,
wanneer deze informatie is gehecht aan een kopie van een werk, uitvoering of fonogram, of verschijnt in samenhang met de mededeling of beschikbaarstelling van een werk, uitvoering of fonogram aan het publiek.
Ter bescherming van elektronische informatie betreffende het beheer van rechten voorziet elke partij in adequate rechtsbescherming en in doeltreffende rechtsmiddelen tegen personen die, in het besef dat zij daarvoor geen toestemming hebben, een van de volgende handelingen verrichten terwijl zij weten of redelijkerwijze kunnen weten dat deze handelingen zullen aanzetten tot een inbreuk op een auteursrecht of naburig recht, of een dergelijke inbreuk mogelijk zullen maken, zullen vergemakkelijken of zullen verbergen:
- a. handelingen tot verwijdering of wijziging van elektronische informatie betreffende het beheer van rechten; of
- b. handelingen tot distributie, invoer voor distributie, uitzending, mededeling of beschikbaarstelling aan het publiek van kopieën van werken, uitvoeringen of fonogrammen, in de wetenschap dat elektronische informatie betreffende het beheer van rechten is verwijderd of gewijzigd zonder toestemming daartoe.
Bij het voorzien in adequate rechtsbescherming en in doeltreffende rechtsmiddelen overeenkomstig lid 2 kan een partij passende beperkingen van of uitzonderingen op maatregelen ter uitvoering van lid 2 vaststellen of handhaven. De uit lid 2 voortvloeiende verplichtingen doen geen afbreuk aan de rechten, beperkingen, uitzonderingen of verweermiddelen tegen inbreuken op auteursrechten of naburige rechten volgens de wetgeving van een partij.
Artikel 20.11. Aansprakelijkheid van verleners van intermediaire diensten
Onverminderd de overige leden van dit artikel voorziet elke partij in haar wetgeving in beperkingen of uitzonderingen met betrekking tot de aansprakelijkheid van dienstverleners, wanneer zij als tussenpersoon optreden, voor inbreuken op auteursrechten of naburige rechten die plaatsvinden op of via communicatienetwerken, in het kader van het verlenen of het gebruik van hun diensten.
De in lid 1 bedoelde beperkingen of uitzonderingen:
- a. bestrijken ten minste de volgende functies:
- i. hosting van informatie op verzoek van een gebruiker van de hostingdiensten;
- ii. caching (wijze van opslag) via een automatisch proces, wanneer de dienstverlener:
- A. de informatie niet wijzigt om andere dan technische redenen;
- B. ervoor zorgt dat de alom erkende en in de bedrijfstak gangbare aanwijzingen met betrekking tot caching van de informatie worden nageleefd; en
- C. niet intervenieert bij het alom erkende en in de bedrijfstak gangbare rechtmatige gebruik van technologie voor het verkrijgen van gegevens over het gebruik van de informatie; en
- iii. mere conduit (doorgeefluikactiviteiten), bestaande in het aanbieden van de middelen voor het doorgeven van de door een gebruiker verstrekte informatie of van de middelen om toegang tot een communicatienetwerk te krijgen; en
- b. kunnen ook andere functies bestrijken, waaronder het verstrekken van een instrument voor het vinden van informatie, door het automatisch reproduceren van auteursrechtelijk beschermd materiaal en het mededelen van de reproducties.
Aan de in dit artikel bedoelde beperkingen of uitzonderingen mag niet de voorwaarde worden verbonden dat de dienstverlener toezicht houdt op zijn dienst of actief zoekt naar feiten die wijzen op inbreuk makende activiteiten.
Elke partij kan in haar interne wetgeving bepalen onder welke voorwaarden de dienstverleners in aanmerking komen voor de beperkingen of uitzonderingen van dit artikel. Onverminderd het bovenstaande kan elke partij passende procedures vaststellen voor effectieve meldingen van vermeende inbreuken en effectieve tegenmeldingen door degenen van wie het materiaal door een vergissing of verkeerde identificatie is verwijderd of onbruikbaar is gemaakt.
Dit artikel geldt onverminderd de beschikbaarheid in de wetgeving van een partij van andere verweermiddelen tegen, beperkingen van en uitzonderingen op inbreuken op auteursrechten of naburige rechten. Dit artikel belet niet dat een rechterlijke of administratieve instantie in overeenstemming met het rechtssysteem van een partij kan verlangen dat de dienstverlener een inbreuk beëindigt of verhindert.
Artikel 20.12. Maken van video-opnames
Elke partij kan voorzien in strafrechtelijke procedures en sancties overeenkomstig haar wet- en regelgeving die moeten worden toegepast ten aanzien van een persoon die zonder toestemming van de directeur van het theater of de houder van het auteursrecht op een cinematografisch werk tijdens de uitvoering van het werk in een openbare gelegenheid waar filmvoorstellingen worden gegeven, een kopie van dat werk of van een deel daarvan maakt.
ONDERAFDELING B. HANDELSMERKEN
Artikel 20.13. Internationale overeenkomsten
Elke partij stelt alles in het werk wat redelijkerwijs in haar vermogen ligt om te voldoen aan de artikelen 1 tot en met 22 van het Verdrag van Singapore inzake het merkenrecht, gedaan te Singapore op 27 maart 2006, en om toe te treden tot het Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken, gedaan te Madrid op 27 juni 1989.
Artikel 20.14. Inschrijvingsprocedure
Elke partij voorziet in een systeem voor de inschrijving van handelsmerken waarbij de redenen voor de weigering om een handelsmerk in te schrijven schriftelijk worden meegedeeld aan de aanvrager, die de mogelijkheid zal hebben die weigering te betwisten en tegen een definitieve weigering beroep in te stellen bij een rechterlijke instantie. Elke partij voorziet in de mogelijkheid om oppositie in te stellen tegen aanvragen voor of de inschrijving van handelsmerken. Elke partij voorziet in een openbaar toegankelijke elektronische databank voor aanvragen voor en de inschrijving van handelsmerken.
Artikel 20.15. Uitzonderingen op aan handelsmerk verbonden rechten
Elke partij voorziet in een eerlijk gebruik van beschrijvende termen, met inbegrip van termen die de geografische oorsprong beschrijven, als beperkte uitzondering op de aan een handelsmerk verbonden rechten. Bij het bepalen van wat wordt verstaan onder eerlijk gebruik, moet rekening worden gehouden met de legitieme belangen van de houder van het handelsmerk en van derden. Elke partij kan voorzien in andere beperkte uitzonderingen, mits bij die uitzonderingen rekening wordt gehouden met de legitieme belangen van de houder van het handelsmerk en van derden.
ONDERAFDELING C. GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN
Artikel 20.16. Definities
Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder:
geografische aanduiding: een aanduiding die aangeeft dat een landbouwproduct of een levensmiddel van oorsprong is uit het grondgebied van een partij, of uit een regio of een plaats op dat grondgebied, wanneer een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van het landbouwproduct of het levensmiddel hoofdzakelijk valt toe te schrijven aan de geografische oorsprong ervan; en
productcategorie: een in bijlage 20-C opgenomen productcategorie.
Artikel 20.17. Toepassingsgebied
Deze onderafdeling is van toepassing op geografische aanduidingen waarmee producten worden aangeduid die zijn ingedeeld in een van de in bijlage 20-C opgenomen productcategorieën.
Artikel 20.18. Opgenomen geografische aanduidingen
Voor de toepassing van deze onderafdeling:
- a. zijn de in deel A van bijlage 20-A opgenomen aanduidingen geografische aanduidingen die aangeven dat een product van oorsprong is uit het grondgebied van de Europese Unie of uit een regio of een plaats op dat grondgebied; en
- b. zijn de in deel B van bijlage 20-A opgenomen aanduidingen geografische aanduidingen die aangeven dat een product van oorsprong is uit het grondgebied van Canada of uit een regio of een plaats op dat grondgebied.
Artikel 20.19. Bescherming van in bijlage 20-A opgenomen geografische aanduidingen
Na de geografische aanduidingen van de andere partij te hebben onderzocht, kent elke partij daaraan het in deze onderafdeling neergelegde beschermingsniveau toe.
Elke partij voorziet in de wettelijke middelen voor de belanghebbenden om:
- a. het gebruik te voorkomen van een in bijlage 20-A opgenomen geografische aanduiding van de andere partij voor een product dat is ingedeeld in de in bijlage 20-A voor die geografische aanduiding vermelde productcategorie en dat:
- i. niet van oorsprong is uit de in bijlage 20-A voor die geografische aanduiding vermelde plaats van oorsprong; dan wel
- ii. van oorsprong is uit de in bijlage 20-A voor die geografische aanduiding vermelde plaats van oorsprong, maar niet is geproduceerd of vervaardigd in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de andere partij die zou gelden wanneer het product zou zijn bestemd voor consumptie in de andere partij;
- b. het gebruik te voorkomen van middelen in de benaming of voorstelling van waren waarmee wordt aangegeven of gesuggereerd dat de waren in kwestie van oorsprong zijn uit een ander geografisch gebied dan de werkelijke plaats van oorsprong op een wijze die het publiek misleidt ten aanzien van de geografische oorsprong van de waren; en
- c. elk ander gebruik te voorkomen dat een daad van oneerlijke mededinging vormt in de zin van artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, gedaan te Stockholm op 14 juli 1967.
De bescherming als bedoeld in lid 2, onder a), wordt ook verleend wanneer de werkelijke oorsprong van het product is aangegeven, een vertaling van de geografische aanduiding wordt gebruikt of de geografische aanduiding vergezeld gaat van uitdrukkingen als „genre”, „type”, „stijl”, „imitatie” en dergelijke.
Elke partij voorziet binnen de grenzen van haar wetgeving in bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen om een persoon te verbieden op onjuiste, misleidende of bedrieglijke wijze of op zodanige wijze dat een verkeerde indruk van de oorsprong ervan dreigt te worden gegeven, een levensmiddel te fabriceren, bereiden, verpakken, etiketteren, verkopen, in te voeren of daarvoor reclame te maken.
Elke partij voorziet in overeenstemming met lid 4 in bestuursrechtelijke maatregelen met betrekking tot klachten in verband met de etikettering van producten, met inbegrip van de voorstelling ervan, op onjuiste, misleidende of bedrieglijke wijze of op zodanige wijze dat een verkeerde indruk van de oorsprong ervan wordt gegeven.
Een partij weigert ambtshalve de inschrijving van een handelsmerk dat een in bijlage 20-A opgenomen geografische aanduiding van de andere partij omvat of uit een dergelijke geografische aanduiding bestaat, of verklaart deze ambtshalve nietig als dit volgens haar wetgeving is toegestaan, dan wel op verzoek van een belanghebbende, met betrekking tot een product dat is ingedeeld onder de in bijlage 20-A voor die geografische aanduiding vermelde productcategorie en dat niet van oorsprong is uit de in bijlage 20-A voor die geografische aanduiding vermelde plaats van oorsprong.
Er bestaat krachtens deze onderafdeling geen verplichting tot bescherming van geografische aanduidingen die op de plaats van oorsprong ervan niet of niet langer zijn beschermd of op die plaats in onbruik zijn geraakt. Als een in bijlage 20-A opgenomen geografische aanduiding van een partij op de plaats van oorsprong ervan niet langer wordt beschermd of op die plaats in onbruik raakt, stelt de betrokken partij de andere partij hiervan in kennis en verzoekt zij om schrapping daarvan.
Artikel 20.20. Homonieme geografische aanduidingen
In geval van homonieme geografische aanduidingen van de partijen voor producten die in dezelfde productcategorie zijn ingedeeld, stelt elke partij de praktische voorwaarden vast waaronder de homonieme aanduidingen in kwestie van elkaar zullen worden onderscheiden, rekening houdend met de vereiste dat de betrokken producenten billijk worden behandeld en de consumenten niet worden misleid.
Wanneer een partij in het kader van onderhandelingen met een derde land de bescherming voorstelt van een geografische aanduiding waarmee een product wordt aangeduid dat van oorsprong is uit het derde land, die aanduiding homoniem is met een in bijlage 20-A opgenomen geografische aanduiding van de andere partij en dit product is ingedeeld in de in bijlage 20-A voor de homonieme geografische aanduiding van de andere partij vermelde productcategorie, stelt zij deze andere partij hiervan in kennis en biedt zij haar de gelegenheid opmerkingen te maken voordat de bescherming van de geografische aanduiding van kracht wordt.
Artikel 20.21. Uitzonderingen
In afwijking van artikel 20.19, leden 2 en 3, is Canada niet verplicht te voorzien in de wettelijke middelen voor de belanghebbenden om het gebruik te voorkomen van de in deel A van bijlage 20-A opgenomen benamingen die zijn gemarkeerd met een asterisk30)Voor alle duidelijkheid: dit lid geldt eveneens voor de benaming „feta”., wanneer deze benamingen vergezeld gaan van uitdrukkingen als „genre”, „type”, „stijl”, „imitatie” en dergelijke, en worden gebruikt in combinatie met een leesbare en zichtbare aanduiding van de geografische oorsprong van het betrokken product.
In afwijking van artikel 20.19, leden 2 en 3, belet de bescherming van de in deel A van bijlage 20-A opgenomen geografische aanduidingen die zijn gemarkeerd met een asterisk31)Voor alle duidelijkheid: dit lid geldt eveneens voor de benaming „feta”., niet dat deze aanduidingen op het grondgebied van Canada worden gebruikt door alle personen, met inbegrip van hun rechtsopvolgers en hun rechtverkrijgenden, die vóór 18 oktober 2013 commercieel gebruik van deze aanduidingen hebben gemaakt met betrekking tot producten uit de categorie „kaassoorten”.
In afwijking van artikel 20.19, leden 2 en 3, belet de bescherming van de in deel A van bijlage 20-A opgenomen geografische aanduiding die is gemarkeerd met twee asterisken, niet dat deze aanduiding wordt gebruikt door alle personen, met inbegrip van hun rechtsopvolgers en hun rechtverkrijgenden, die gedurende een periode van ten minste vijf jaar vóór 18 oktober 2013 commercieel gebruik van deze aanduiding hebben gemaakt met betrekking tot producten uit de categorie „vers, bevroren en verwerkt vlees”. Voor alle andere personen, met inbegrip van hun rechtsopvolgers en hun rechtverkrijgenden, die gedurende een periode van minder dan vijf jaar vóór 18 oktober 2013 commercieel gebruik van deze aanduiding hebben gemaakt met betrekking tot producten uit de categorie „vers, bevroren en verwerkt vlees”, geldt een overgangsperiode van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, gedurende welke het gebruik van bovenbedoelde aanduiding niet mag worden belet.
In afwijking van artikel 20.19, leden 2 en 3, belet de bescherming van de in deel A van bijlage 20-A opgenomen geografische aanduidingen die zijn gemarkeerd met drie asterisken, niet dat deze aanduidingen worden gebruikt door alle personen, met inbegrip van hun rechtsopvolgers en hun rechtverkrijgenden, die gedurende een periode van ten minste tien jaar vóór 18 oktober 2013 commercieel gebruik van deze aanduidingen hebben gemaakt met betrekking tot producten uit de categorie „drooggezouten vlees” respectievelijk de categorie „kaassoorten”. Voor alle andere personen, met inbegrip van hun rechtsopvolgers en hun rechtverkrijgenden, die gedurende een periode van minder dan tien jaar vóór 18 oktober 2013 commercieel gebruik van deze aanduidingen hebben gemaakt met betrekking tot producten uit de categorie „drooggezouten vlees” respectievelijk de categorie „kaassoorten”, geldt een overgangsperiode van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, gedurende welke het gebruik van bovenbedoelde aanduidingen niet mag worden belet.
Wanneer vóór de in lid 6 vermelde toepassingsdatum in een partij te goeder trouw een handelsmerk is aangevraagd of ingeschreven, of wanneer vóór die datum in die partij door gebruik te goeder trouw rechten op een handelsmerk zijn verworven, vormen de voor de toepassing van deze onderafdeling in die partij genomen maatregelen geen beletsel voor de vatbaarheid voor inschrijving van het handelsmerk, voor de geldigheid van de inschrijving van het handelsmerk of voor het recht het handelsmerk te gebruiken, op grond dat het handelsmerk identiek is met of soortgelijk is aan een geografische aanduiding.
Voor de toepassing van lid 5 is de desbetreffende toepassingsdatum:
- a. met betrekking tot een geografische aanduiding die op de datum van ondertekening van deze overeenkomst is opgenomen in bijlage 20-A, de datum van inwerkingtreding van deze onderafdeling; of
- b. met betrekking tot een geografische aanduiding die na de datum van ondertekening van deze overeenkomst op grond van artikel 20.22 wordt toegevoegd aan bijlage 20-A, de datum waarop de geografische aanduiding wordt toegevoegd.
Wanneer een vertaling van een geografische aanduiding identiek is met een in de omgangstaal gebruikelijke benaming als soortnaam voor een product op het grondgebied van een partij of die omvat, of wanneer een geografische aanduiding niet identiek is met een dergelijke benaming maar die omvat, doen de bepalingen van deze onderafdeling geen afbreuk aan het recht van een persoon om die benaming in samenhang met dat product op het grondgebied van die partij te gebruiken.
Niets belet dat op het grondgebied van een partij met betrekking tot een product gebruik wordt gemaakt van een gebruikelijke naam van een planten- of dierenras dat op de datum van inwerkingtreding van deze onderafdeling op het grondgebied van die partij voorkomt.
Een partij kan bepalen dat een verzoek uit hoofde van deze onderafdeling in verband met het gebruik of de inschrijving van een handelsmerk moet worden ingediend binnen een periode van vijf jaar nadat het strijdige gebruik van de beschermde aanduiding algemeen bekend is geworden in die partij dan wel binnen een periode van vijf jaar na de datum van inschrijving van het handelsmerk in die partij, mits het handelsmerk op die datum is gepubliceerd en indien deze datum eerder valt dan de datum waarop het strijdige gebruik algemeen bekend is geworden in die partij, op voorwaarde dat de geografische aanduiding niet te kwader trouw wordt gebruikt of ingeschreven.
De bepalingen van deze onderafdeling doen geen afbreuk aan het recht van een persoon om voor handelsdoeleinden zijn naam of de naam van zijn voorganger in zaken te gebruiken, behalve wanneer deze naam op zodanige wijze wordt gebruikt dat het publiek daardoor wordt misleid.
- a. De bepalingen van deze onderafdeling doen geen afbreuk aan het recht van een persoon om in Canada een handelsmerk te gebruiken of in te schrijven dat een van de in deel A van bijlage 20-B opgenomen benamingen omvat of daaruit bestaat; en
- b. punt a) geldt niet voor de in deel A van bijlage 20-B opgenomen benamingen met betrekking tot elk gebruik waardoor het publiek zou worden misleid met betrekking tot de geografische oorsprong van de waren.
De bepalingen van deze onderafdeling zijn niet van toepassing op het gebruik in Canada van de in deel B van bijlage 20-B opgenomen benamingen.
Een verkrijging van een recht als bedoeld in de leden 2 tot en met 4 omvat niet de overgang van het recht op gebruik van een geografische aanduiding op zichzelf.
Artikel 20.22. Wijzigingen van bijlage 20-A
Het bij artikel 26.1 (Gemengd Comité voor de CETA) opgerichte Gemengd Comité voor de CETA kan, handelend bij consensus en op aanbeveling van het Comité voor geografische aanduidingen voor de CETA, besluiten bijlage 20-A te wijzigen door geografische aanduidingen toe te voegen of door geografische aanduidingen te schrappen die op de plaats van oorsprong ervan niet langer zijn beschermd of op die plaats in onbruik zijn geraakt.
Een geografische aanduiding mag in beginsel niet worden toegevoegd aan deel A van bijlage 20-A als het een benaming betreft die op de datum van de ondertekening van deze overeenkomst ten aanzien van een lidstaat van de Europese Unie in het desbetreffende Register van de Europese Unie is opgenomen als „ingeschreven”.
Een geografische aanduiding waarmee een product wordt aangeduid dat van oorsprong is uit een bepaalde partij, mag niet worden toegevoegd aan bijlage 20-A:
- a. als zij identiek is met een handelsmerk dat in de andere partij is ingeschreven voor dezelfde of soortgelijke producten, of met een handelsmerk waarvoor in de andere partij door gebruik te goeder trouw rechten zijn verworven en een aanvraag met betrekking tot dezelfde of soortgelijke producten is ingediend;
- b. als zij identiek is met de gebruikelijke naam van een planten- of dierenras dat in de andere partij voorkomt; of
- c. als zij identiek is met de in de omgangstaal gebruikelijke benaming als soortnaam voor een dergelijk product in de andere partij.
Artikel 20.23. Andere bescherming
De bepalingen van deze onderafdeling laten het recht om te verzoeken om erkenning en bescherming van een geografische aanduiding volgens de desbetreffende wetgeving van een partij onverlet.
ONDERAFDELING D. TEKENINGEN EN MODELLEN
Artikel 20.24. Internationale overeenkomsten
Elke partij stelt alles in het werk wat redelijkerwijs in haar vermogen ligt om toe te treden tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van „s-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid, gedaan te Genève op 2 juli 1999.
Artikel 20.25. Relatie met auteursrecht
Het voorwerp van een recht inzake tekeningen en modellen is vatbaar voor bescherming uit hoofde van het auteursrecht, indien aan de voorwaarden voor die bescherming wordt voldaan. Elke partij bepaalt de omvang van een dergelijke bescherming en de voorwaarden waaronder die wordt verleend, met inbegrip van het vereiste oorspronkelijkheidsgehalte.
ONDERAFDELING E. OCTROOIEN
Artikel 20.26. Internationale overeenkomsten
Elke partij stelt alles in het werk wat redelijkerwijs in haar vermogen ligt om te voldoen aan de artikelen 1 tot en met 14 en artikel 22 van het Verdrag inzake octrooirecht, gedaan te Genève op 1 juni 2000.
Artikel 20.27. Bescherming sui generis voor farmaceutische producten
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
basisoctrooi: een octrooi waardoor een product als zodanig dan wel een werkwijze voor de verkrijging van een product of een toepassing van een product wordt beschermd en dat door de houder van een octrooi dat als basisoctrooi kan dienen, is aangewezen als basisoctrooi met het oog op de verlening van bescherming sui generis; en
product: de werkzame stof of de samenstelling van werkzame stoffen van een farmaceutisch product.
Elke partij stelt, op verzoek van de octrooihouder of zijn rechtverkrijgende, een periode van bescherming sui generis vast ten aanzien van een product dat wordt beschermd door een van kracht zijnd basisoctrooi, op voorwaarde dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a. er is een vergunning afgegeven om het product in die partij als farmaceutisch product in de handel te brengen (hierna in dit artikel „vergunning voor het in de handel brengen” genoemd);
- b. voor het product is niet eerder een periode van bescherming sui generis vastgesteld; en
- c. de onder a) bedoelde vergunning voor het in de handel brengen is de eerste vergunning om het product in die partij als farmaceutisch product in de handel te brengen.
Elke partij:
- a. kan uitsluitend een periode van bescherming sui generis vaststellen als de eerste aanvraag voor de vergunning voor het in de handel brengen wordt ingediend binnen een door die partij voorgeschreven redelijke termijn; en
- b. kan voor de indiening van het verzoek om vaststelling van een periode van bescherming sui generis een termijn voorschrijven die ten minste zestig dagen bedraagt te rekenen vanaf de datum van afgifte van de eerste vergunning voor het in de handel brengen. Wordt de eerste vergunning voor het in de handel brengen evenwel vóór de verlening van het octrooi afgegeven, dan zal elke partij een termijn van ten minste zestig dagen te rekenen vanaf de verlening van het octrooi vaststellen gedurende welke het verzoek om vaststelling van een beschermingsperiode uit hoofde van dit artikel kan worden ingediend.
Wanneer een product wordt beschermd door één basisoctrooi, gaat de periode van bescherming sui generis in na het verstrijken van de wettelijke duur van dat octrooi.
Wanneer een product wordt beschermd door meer dan één octrooi dat als basisoctrooi kan dienen, kan een partij slechts één periode van bescherming sui generis vaststellen, die ingaat na het verstrijken van de wettelijke duur van het basisoctrooi dat
- a. wordt geselecteerd door de persoon die om vaststelling van de periode van bescherming sui generis verzoekt, als eenzelfde persoon houder is van alle octrooien die als basisoctrooi kunnen dienen; en
- b. wordt geselecteerd in onderlinge overeenstemming tussen de octrooihouders, als niet eenzelfde persoon houder is van de octrooien die als basisoctrooi kunnen dienen en dit aanleiding geeft tot conflicterende verzoeken om bescherming sui generis.
Elke partij ziet erop toe dat de bescherming sui generis geldt voor een periode gelijk aan de duur van de periode die is verstreken tussen de datum van indiening van de aanvraag voor het basisoctrooi en de datum van de eerste vergunning voor het in de handel brengen, verminderd met een periode van vijf jaar.
Niettegenstaande lid 5 en onverminderd een mogelijke verlenging van de periode van bescherming sui generis door een partij als stimulans of beloning voor onderzoek onder bepaalde doelgroepen, zoals kinderen, mag de duur van de bescherming sui generis niet meer dan twee tot vijf jaar bedragen, zoals door elke partij vast te stellen.
Elke partij kan bepalen dat de periode van bescherming sui generis verstrijkt:
- a. als de begunstigde afziet van de bescherming sui generis; of
- b. als de voorgeschreven administratieve vergoedingen niet worden betaald.
Elke partij kan de periode van bescherming sui generis verkorten evenredig aan de duur van de ongerechtvaardigde vertragingen die het gevolg zijn van het niet-handelen van de aanvrager na de indiening van de aanvraag voor de vergunning voor het in de handel brengen, wanneer de houder van het basisoctrooi de aanvrager van de vergunning voor het in de handel brengen of een met hem verbonden entiteit is.
Binnen de grenzen van de door het basisoctrooi verleende bescherming strekt de bescherming sui generis zich alleen uit tot het farmaceutische product dat valt onder de vergunning voor het in de handel brengen, voor ieder gebruik van dat product als farmaceutisch product waarvoor een vergunning is afgegeven vóór het verstrijken van de bescherming sui generis. Onder voorbehoud van het bepaalde in de vorige zin verleent de bescherming sui generis dezelfde rechten als die welke door het octrooi worden verleend en is zij onderworpen aan dezelfde beperkingen en verplichtingen.
Onverminderd de leden 1 tot en met 8 kan elke partij de reikwijdte van de bescherming eveneens beperken door te voorzien in uitzonderingen voor het vervaardigen, gebruiken, ten verkoop aanbieden, verkopen of invoeren van producten met het oog op uitvoer tijdens de periode van bescherming.
Elke partij kan de bescherming sui generis intrekken om redenen die verband houden met de nietigheid van het basisoctrooi, ook wanneer dit octrooi vóór de afloop van wettelijke duur ervan is vervallen of nietig is verklaard of zodanig wordt beperkt dat het product waarvoor de bescherming is verleend, niet meer onder de conclusies van het basisoctrooi valt, dan wel om redenen die verband houden met de intrekking van de vergunning(en) voor het in de handel brengen op de desbetreffende markt, of wanneer de bescherming in strijd met lid 2 is verleend.
Artikel 20.28. Mechanismen voor „patent linkage” met betrekking tot farmaceutische producten
Als een partij gebruikmaakt van mechanismen voor „patent linkage” door middel waarvan de verlening van vergunningen voor het in de handel brengen (of kennisgevingen van conformiteit of vergelijkbare concepten) van generieke farmaceutische producten wordt gekoppeld aan het bestaan van octrooibescherming, draagt zij er zorg voor dat alle justitiabelen gelijkwaardige en doeltreffende rechtsmiddelen worden geboden.
ONDERAFDELING F. GEGEVENSBESCHERMING
Artikel 20.29. Bescherming van niet openbaar gemaakte gegevens met betrekking tot farmaceutische producten
Een partij die als voorwaarde voor het toelaten op de markt van farmaceutische producten die nieuwe chemische eenheden32)Voor alle duidelijkheid: met betrekking tot de gegevensbescherming omvat een „chemische eenheid” in Canada ook een bio- of radiofarmacon dat wordt gereguleerd als een nieuw geneesmiddel in het kader van de Food and Drug Regulations of Canada. bevatten (hierna in dit artikel „vergunning” genoemd), de overlegging vereist van niet openbaar gemaakte test- of andere gegevens die nodig zijn om te bepalen of het gebruik van die producten veilig en doeltreffend is, beschermt deze gegevens tegen openbaarmaking, indien de opstelling van deze gegevens een aanmerkelijke inspanning vergt, behalve wanneer openbaarmaking nodig is ter bescherming van het publiek of tenzij maatregelen worden getroffen om te verzekeren dat de gegevens worden beschermd tegen oneerlijk commercieel gebruik.
Elke partij bepaalt met betrekking tot de in lid 1 bedoelde gegevens die na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bij haar worden ingediend, dat:
- a. behalve de persoon die de gegevens met het oog op verkrijging van de vergunning heeft ingediend, geen andere persoon zich zonder diens toestemming gedurende een periode van ten minste zes jaar te rekenen vanaf de datum waarop de partij de vergunning heeft verleend aan de persoon die de gegevens heeft ingediend, op deze gegevens mag beroepen ter onderbouwing van een aanvraag voor een vergunning; en
- b. een partij gedurende een periode van ten minste acht jaar te rekenen vanaf de datum waarop zij de vergunning heeft verleend aan de persoon die de gegevens met het oog op verkrijging van de vergunning heeft ingediend, geen vergunning verleent aan een persoon die zich op deze gegevens beroept, tenzij de persoon die deze gegevens heeft ingediend, daarmee instemt.
Onder voorbehoud van dit lid wordt geen van de partijen belet op basis van onderzoeken naar biologische equivalentie en biologische beschikbaarheid verkorte vergunningsprocedures voor dergelijke producten toe te passen.
Artikel 20.30. Bescherming van gegevens met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen
Elke partij stelt veiligheids- en werkzaamheidsvereisten vast voordat zij een vergunning voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel (hierna in dit artikel „vergunning” genoemd) verleent.
Elke partij voorziet in een beperkte periode van gegevensbescherming voor een test- of studieverslag dat voor het eerst wordt ingediend met het oog op verkrijging van een vergunning. Gedurende die periode zorgt elke partij ervoor dat het test- of studieverslag niet wordt gebruikt ten bate van een andere persoon die een vergunning tracht te verkrijgen, tenzij vaststaat dat de eerste vergunninghouder hiermee uitdrukkelijk instemt.
Het test- of studieverslag dient nodig te zijn voor de vergunning of voor de wijziging van een vergunning met het oog op de toepassing op andere gewassen.
In elke partij geldt met betrekking tot het test- of studieverslag ter onderbouwing van de vergunning voor een nieuwe werkzame stof en de gegevens ter onderbouwing van de parallelle inschrijving van het eindproduct dat de werkzame stof bevat, een periode van gegevensbescherming van ten minste tien jaar te rekenen vanaf de datum van de eerste vergunning in de desbetreffende partij. De duur van de bescherming kan worden verlengd om vergunningen voor gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico of beperkte toepassingen aan te moedigen.
Elke partij mag tevens vereisten inzake gegevensbescherming of financiële schadeloosstelling vaststellen voor het test- of studieverslag dat ten grondslag wordt gelegd aan de wijziging of verlenging van een vergunning.
Elke partij stelt voorschriften vast om herhaling van proeven op gewervelde dieren te voorkomen. Aanvragers die testen en studies met gewervelde dieren willen uitvoeren, dienen te worden aangemoedigd de maatregelen te nemen die nodig zijn om na te gaan of die testen en studies niet reeds zijn uitgevoerd of zijn aangevangen.
De partijen dienen elke nieuwe aanvrager en elke houder van de desbetreffende vergunningen aan te moedigen al het mogelijke te doen om testen en studies waarbij gewervelde dieren zijn betrokken, uit te wisselen. De kosten van de uitwisseling van die test- en studieverslagen worden op eerlijke, transparante en niet-discriminerende wijze bepaald. Een aanvrager is alleen verplicht deel te nemen in de kosten voor de gegevens die hij moet indienen om aan de vergunningsvereisten te voldoen.
De houder/de houders van de desbetreffende vergunning heeft/hebben recht op vergoeding van een billijk deel van de kosten die hij heeft/zij hebben gemaakt voor het test- of studieverslag ter onderbouwing van een dergelijke vergunning, door een aanvrager die zich op deze test- en studieverslagen beroept ter verkrijging van een vergunning voor een nieuw gewasbeschermingsmiddel. Elke partij kan de betrokken partijen opdragen eventuele problemen op te lossen door middel van bindende arbitrage overeenkomstig het interne recht.
ONDERAFDELING G. KWEKERSRECHTEN
Artikel 20.31. Kwekersrechten
De partijen werken samen om de bescherming van kwekersrechten in overeenstemming met de Akte van 1991 van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten, gedaan te Parijs op 2 december 1961, te bevorderen en te versterken.
AFDELING C. HANDHAVING VAN INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN
Artikel 20.32. Algemene verplichtingen
Elke partij ziet erop toe dat de procedures voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten eerlijk en billijk zijn, niet onnodig ingewikkeld of duur zijn en geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden. Deze procedures moeten zodanig worden toegepast dat geen belemmeringen voor legitiem handelsverkeer worden gecreëerd en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.
Bij de uitvoering van de bepalingen van deze afdeling houdt elke partij rekening met de noodzaak van evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk, de belangen van derden en de toe te passen maatregelen, corrigerende maatregelen en sancties.
De artikelen 20.33 tot en met 20.42 hebben betrekking op de civielrechtelijke handhaving.
Voor de toepassing van de artikelen 20.33 tot en met 20.42 wordt, tenzij anders bepaald, onder intellectuele-eigendomsrechten verstaan: alle categorieën intellectuele eigendom die vallen onder deel II, titels 1 tot en met 7, van de TRIPs-Overeenkomst.
Artikel 20.33. Gerechtigde verzoekers
Elke partij erkent dat de volgende personen gerechtigd zijn te verzoeken om toepassing van de procedures en corrigerende maatregelen als bedoeld in de artikelen 20.34 tot en met 20.42:
- a. houders van intellectuele-eigendomsrechten, in overeenstemming met de interne wetgeving;
- b. alle andere personen die gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, voor zover deze personen gerechtigd zijn te verzoeken om herstelmaatregelen in overeenstemming met de interne wetgeving;
- c. instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover deze instanties gerechtigd zijn te verzoeken om herstelmaatregelen in overeenstemming met de interne wetgeving; en
- d. beroepsorganisaties die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover deze organisaties gerechtigd zijn te verzoeken om herstelmaatregelen in overeenstemming met de interne wetgeving.
Artikel 20.34. Bewijsmateriaal
Elke partij ziet erop toe dat, in geval van vermeende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op commerciële schaal, de rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben, waar passend en op verzoek, in overeenstemming met haar wetgeving de overlegging te gelasten van relevante informatie, met inbegrip van bancaire, financiële of handelsdocumenten die zich in de macht van de tegenpartij bevinden, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.
Artikel 20.35. Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal
Elke partij ziet erop toe dat de rechterlijke instanties, al voordat een bodemprocedure begint, op verzoek van een entiteit die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van haar beweringen dat er inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt of zal worden gemaakt, onmiddellijke en doeltreffende voorlopige maatregelen kunnen gelasten om bewijsmateriaal dat met betrekking tot de vermeende inbreuk van belang is, te beschermen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.
Elke partij kan bepalen dat de in lid 1 bedoelde maatregelen de gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming, dan wel de fysieke inbeslagneming van de vermeende inbreuk makende goederen en, in voorkomend geval, de bij de productie of distributie daarvan gebruikte materialen en werktuigen en de desbetreffende documenten omvatten. De rechterlijke instanties hebben de bevoegdheid die maatregelen met name te nemen, zo nodig zonder dat de andere partij wordt gehoord, wanneer het aannemelijk is dat uitstel de houder van het recht onherstelbare schade zal berokkenen of wanneer er een aantoonbaar risico is dat bewijsmateriaal zal worden vernietigd.
Artikel 20.36. Recht op informatie
Onverminderd haar wetgeving inzake verschoningsrechten, de bescherming van vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens bepaalt elke partij dat haar rechterlijke instanties in civiele procedures betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten de bevoegdheid hebben op een gerechtvaardigd verzoek van de houder van het recht te gelasten dat de inbreukmaker of de vermeende inbreukmaker relevante informatie die hij in zijn bezit heeft of waarover hij kan beschikken, ten minste met het oog op de bewijsgaring, in overeenstemming met haar toepasselijke wet- en regelgeving aan de houder van het recht of de rechterlijke instanties verstrekt. Deze informatie kan informatie omvatten met betrekking tot personen die op enigerlei wijze zijn betrokken bij de inbreuk of vermeende inbreuk en met betrekking tot de productiemiddelen of de distributiekanalen voor de inbreuk makende of vermeende inbreuk makende goederen of diensten, met inbegrip van de vaststelling van derden van wie wordt gesteld dat zij bij de productie en de distributie van die goederen of diensten zijn betrokken, en van de betrokken distributiekanalen.
Artikel 20.37. Voorlopige en conservatoire maatregelen
Elke partij bepaalt dat haar rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben onmiddellijke en doeltreffende voorlopige en conservatoire maatregelen, waaronder een voorlopig bevel, te gelasten tegen een partij of in voorkomend geval een derde over wie de desbetreffende rechterlijke instantie jurisdictie heeft, om te beletten dat inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt gemaakt en met name dat inbreuk makende goederen in het verkeer worden gebracht.
Elke partij bepaalt dat haar rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben de inbeslagneming of het anderszins in bewaring nemen te gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, om te beletten dat zij in het verkeer worden gebracht of zich daarin bevinden.
Elke partij bepaalt dat, in geval van vermeende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op commerciële schaal, de rechterlijke instanties in overeenstemming met haar wetgeving conservatoir beslag kunnen laten leggen op goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden. Met het oog daarop kunnen de rechterlijke instanties overlegging van relevante bancaire, financiële of handelsdocumenten of zo nodig inzage van andere relevante informatie gelasten.
Artikel 20.38. Andere corrigerende maatregelen
Elke partij ziet erop toe dat de rechterlijke instanties op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de houder van het betrokken recht wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, de definitieve onttrekking aan het verkeer of de vernietiging kunnen gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat zij inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht maken. Elke partij ziet erop toe dat de rechterlijke instanties in voorkomend geval de vernietiging kunnen gelasten van materialen en werktuigen die voornamelijk bij de voortbrenging of de vervaardiging van die goederen zijn gebruikt. Bij de behandeling van een verzoek om dergelijke corrigerende maatregelen wordt rekening gehouden met de noodzaak van evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste corrigerende maatregelen en met de belangen van derden.
Elke partij ziet erop toe dat de rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben te gelasten dat de in lid 1 bedoelde corrigerende maatregelen op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.
Artikel 20.39. Rechterlijke bevelen
Elke partij bepaalt dat haar rechterlijke instanties in civiele procedures voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten de bevoegdheid hebben een partij te gelasten een inbreuk te staken, en onder andere die partij, of in voorkomend geval een derde over wie de desbetreffende rechterlijke instantie jurisdictie heeft, te gelasten te beletten dat inbreuk makende goederen in het verkeer worden gebracht.
Niettegenstaande de andere bepalingen van deze afdeling kan een partij de corrigerende maatregelen die kunnen worden genomen tegen het gebruik door de overheid of door daartoe door de overheid gemachtigde derden, zonder toestemming van de houders van het recht, beperken tot betaling van een vergoeding, mits de bepalingen van deel II van de TRIPs-Overeenkomst die specifiek betrekking hebben op dergelijk gebruik, door die partij worden nageleefd. In andere gevallen zijn de corrigerende maatregelen krachtens deze afdeling van toepassing of dienen er, wanneer deze corrigerende maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van een partij, declaratoire vonnissen en adequate schadeloosstelling te kunnen worden verkregen.
Artikel 20.40. Schadevergoeding
Elke partij bepaalt dat:
- a. haar rechterlijke instanties in civiele procedures de bevoegdheid hebben de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs kon weten dat hij inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten maakte, te gelasten de houder van het recht:
- i. adequate schadevergoeding te betalen ter compensatie van de schade die deze door de inbreuk heeft geleden; of
- ii. de aan de inbreuk toe te schrijven winst te betalen, die kan worden geacht gelijk te zijn aan de schadevergoeding als bedoeld onder i); en
- b. haar rechterlijke instanties bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding wegens inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten onder meer alle door de houder van het recht aangevoerde legitieme waardebepalingen, met inbegrip van gederfde winst, in aanmerking kunnen nemen.
Als alternatief voor het bepaalde in lid 1 kan in de wetgeving van een partij worden voorzien in de betaling van een vergoeding, zoals een royalty of een recht, om een houder van het recht te compenseren voor het ongeoorloofde gebruik van zijn intellectuele eigendom.
Artikel 20.41. Gerechtskosten
Elke partij bepaalt dat haar rechterlijke instanties in voorkomend geval de bevoegdheid hebben aan het einde van civiele procedures betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te gelasten dat de in het ongelijk gestelde partij jegens de in het gelijk gestelde partij wordt veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten en andere kosten waarin het recht van die partij voorziet.
Artikel 20.42. Vermoeden van auteurschap of houderschap van rechten
Ten behoeve van civiele procedures in verband met auteursrechten of naburige rechten volstaat het, opdat de auteur van een werk van letterkunde of kunst als zodanig wordt beschouwd en derhalve gerechtigd is om een procedure wegens inbreuk in te leiden, dat zijn/haar naam op de gebruikelijke wijze op het werk wordt vermeld, behoudens bewijs van het tegendeel. Bewijs van het tegendeel kan inschrijving omvatten.
Lid 1 geldt mutatis mutandis voor houders van naburige rechten ten aanzien van hun beschermde materiaal.
AFDELING D. MAATREGELEN AAN GRENS
Artikel 20.43. Toepassingsgebied van maatregelen aan grens
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
goederen met een nagemaakte geografische aanduiding: alle goederen als bedoeld in artikel 20.17 die zijn ingedeeld in een van de in bijlage 20-C opgenomen productcategorieën, met inbegrip van de verpakking, die zonder toestemming een geografische aanduiding dragen die identiek is met de rechtsgeldig voor deze goederen ingeschreven of anderszins beschermde geografische aanduiding en die inbreuk maakt op de rechten van de houder van de geografische aanduiding in kwestie volgens het recht van de partij waar de maatregelen aan de grens worden toegepast;
nagemaakte merkartikelen: alle goederen, met inbegrip van de verpakking, die zonder toestemming een handelsmerk dragen dat identiek is met het rechtsgeldig voor deze goederen ingeschreven handelsmerk, of dat op de wezenlijke punten niet van dat handelsmerk kan worden onderscheiden, en dat inbreuk maakt op de rechten van de houder van het handelsmerk in kwestie volgens het recht van de partij waar de maatregelen aan de grens worden toegepast;
uitvoerzendingen: verzending van goederen die vanaf het grondgebied van een partij moeten worden overgebracht naar een plaats buiten dat grondgebied, met uitzondering van zendingen die zich in douanedoorvoer bevinden en zendingen die worden overgeladen;
invoerzendingen: verzending van goederen die in het grondgebied van een partij zijn binnengebracht vanuit een plaats buiten dat grondgebied, waarbij die goederen onder douanetoezicht blijven, met inbegrip van goederen die op het grondgebied naar een vrije zone of douane-entrepot worden vervoerd, met uitzondering van zendingen die zich in douanedoorvoer bevinden en zendingen die worden overgeladen;
onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust: kopieën die zijn gemaakt zonder toestemming van de houder van het recht of een naar behoren door hem gemachtigde persoon in het land van productie en die direct of indirect van een artikel zijn gemaakt, wanneer het maken van die kopie een inbreuk op een auteursrecht of een naburig recht zou hebben gevormd volgens het recht van de partij waar de maatregelen aan de grens worden toegepast;
zendingen in douanedoorvoer: verzending van goederen die het grondgebied van een partij binnenkomen vanuit een plaats buiten dat grondgebied en ten aanzien waarvan de douaneautoriteiten hebben toegestaan dat zij onder permanent douanetoezicht van een kantoor van binnenkomst naar een kantoor van uitgang worden vervoerd, met het oog op het verlaten van het grondgebied. Zendingen in douanedoorvoer die vervolgens met toestemming uit het douanetoezicht worden gehaald zonder dat zij het grondgebied verlaten, worden beschouwd als invoerzendingen; en
overladingen: verzending van goederen die onder douanetoezicht van het vervoermiddel van invoer naar het vervoermiddel van uitvoer worden overgebracht, binnen het gebied van één douanekantoor dat zowel het kantoor van in- als van uitvoer is.
De verwijzingen naar inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten in deze afdeling moeten worden gelezen als verwijzingen naar gevallen van nagemaakte merkartikelen, onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust of goederen met een nagemaakte geografische aanduiding.
De partijen zijn het erover eens dat er geen verplichting bestaat om de in deze afdeling vermelde procedures toe te passen op goederen die door de houder van het recht of met diens toestemming in een ander land in de handel worden gebracht.
Elke partij stelt procedures vast of handhaaft procedures met betrekking tot invoer- en uitvoerzendingen in het kader waarvan de houder van het recht de bevoegde autoriteiten kan verzoeken om de vrijgave van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, op te schorten of om die goederen vast te houden.
Elke partij stelt procedures vast of handhaaft procedures met betrekking tot invoer- en uitvoerzendingen in het kader waarvan de bevoegde autoriteiten op eigen initiatief de vrijgave van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, tijdelijk kunnen opschorten of die goederen tijdelijk kunnen vasthouden, teneinde de houder van het recht in de gelegenheid te stellen formeel om de in lid 4 bedoelde maatregelen te verzoeken.
Elke partij kan met een of meer derde landen tot overeenstemming komen om gemeenschappelijke veiligheidsprocedures voor douaneafhandeling vast te stellen. Goederen die overeenkomstig dergelijke gemeenschappelijke douaneprocedures worden afgehandeld, worden geacht te voldoen aan de leden 4 en 5, mits de betrokken partij de wettelijke bevoegdheid behoudt om aan deze leden te voldoen.
Elke partij kan met betrekking tot zendingen die worden overgeladen en zendingen die zich in douanedoorvoer bevinden, de in de leden 4 en 5 bedoelde procedures vaststellen of handhaven.
Elke partij kan kleine hoeveelheden goederen van niet-commerciële aard in de persoonlijke bagage van reizigers of kleine hoeveelheden goederen van niet-commerciële aard die worden verzonden in kleine zendingen, van de toepassing van dit artikel uitsluiten.
Artikel 20.44. Verzoek van houder van recht
Elke partij bepaalt dat haar bevoegde autoriteiten van een houder van een recht die om toepassing van de in artikel 20.43 bedoelde procedures verzoekt, verlangen dat hij voldoende bewijs levert om ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan te tonen dat er, naar het recht van de partij die de procedures heeft vastgelegd, prima facie sprake is van een inbreuk op zijn intellectuele-eigendomsrecht en dat hij voldoende informatie waarover hij redelijkerwijs mag worden geacht te beschikken, verstrekt om de verdachte goederen gemakkelijk herkenbaar te doen zijn voor de bevoegde autoriteiten. Het vereiste dat voldoende informatie wordt verstrekt, mag niet op onredelijke wijze weerhouden van gebruikmaking van de in artikel 20.43 bedoelde procedures.
Elke partij bepaalt dat verzoeken kunnen worden ingediend om de vrijgave van in artikel 20.43 bedoelde goederen die zich op haar grondgebied onder douanetoezicht bevinden en waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, op te schorten of om die goederen vast te houden. Het vereiste om in dergelijke verzoeken te voorzien, is onderworpen aan de verplichtingen om in de in artikel 20.43, leden 4 en 5, bedoelde procedures te voorzien. De bevoegde autoriteiten kunnen bepalen dat dergelijke verzoeken op meervoudige zendingen van toepassing zijn. Elke partij kan bepalen dat het verzoek tot opschorting van de vrijgave of tot het vasthouden van verdachte goederen betrekking kan hebben op bepaalde punten van binnenkomst en van uitgang onder douanetoezicht, op verzoek van de houder van het recht.
Elke partij ziet erop toe dat haar bevoegde autoriteiten de verzoeker binnen een redelijke termijn ervan in kennis stellen of zij gevolg geven aan zijn verzoek. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een partij gevolg geven aan het verzoek, stellen zij de verzoeker ook in kennis van de geldigheidstermijn van het verzoek.
Elke partij kan bepalen dat haar bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben een verzoek af te wijzen, aan te houden of nietig te verklaren, wanneer de verzoeker misbruik heeft gemaakt van de in artikel 20.43 bedoelde procedures of wanneer daartoe anderszins gegronde reden is.
Artikel 20.45. Verstrekking van informatie door houder van recht
Elke partij staat haar bevoegde autoriteiten toe een houder van een recht te verzoeken relevante informatie waarover hij redelijkerwijs mag worden geacht te beschikken, te verstrekken teneinde de bevoegde autoriteiten behulpzaam te zijn bij het nemen van de in deze afdeling bedoelde maatregelen aan de grens. Elke partij kan ook een houder van een recht toestaan die informatie aan haar bevoegde autoriteiten te verstrekken.
Artikel 20.46. Zekerheid of gelijksoortige waarborg
Elke partij bepaalt dat haar bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben van de houder van een recht die om toepassing van de in artikel 20.43 bedoelde procedures verzoekt, te verlangen dat hij een redelijke mate van zekerheid stelt of een gelijksoortige waarborg biedt die voldoende is om de verweerder en de bevoegde autoriteiten te beschermen en om misbruik te beletten. Elke partij bepaalt dat deze zekerheid of gelijksoortige waarborg niet op onredelijke wijze mag weerhouden van gebruikmaking van deze procedures.
Elke partij kan bepalen dat een dergelijke zekerheid de vorm kan hebben van een borgstelling ter bescherming van de verweerder tegen het risico van verlies of schade door opschorting van de vrijgave of het vasthouden van de goederen, ingeval de bevoegde autoriteiten vaststellen dat de goederen geen inbreuk maken. Een partij kan de verweerder enkel in uitzonderlijke omstandigheden of krachtens een rechterlijk bevel toestaan verdachte goederen in bezit te nemen tegen borgstelling of het stellen van een andere vorm van zekerheid.
Artikel 20.47. Vaststelling van inbreuk
Elke partij stelt procedures vast of handhaaft procedures krachtens welke haar bevoegde autoriteiten binnen een redelijke termijn na de inleiding van de in artikel 20.43 bedoelde procedures kunnen vaststellen of de verdachte goederen inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht maken.
Artikel 20.48. Corrigerende maatregelen
Elke partij bepaalt dat haar bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben de vernietiging van de goederen te gelasten na een vaststelling als bedoeld in artikel 20.47 dat de goederen inbreuk maken. In de gevallen waarin die goederen niet worden vernietigd, waarborgt elke partij dat die goederen, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden, op zodanige wijze aan het verkeer worden onttrokken dat nadeel voor de houder van het recht wordt vermeden.
Wat nagemaakte merkartikelen betreft, is het enkele verwijderen van het onrechtmatig aangebrachte handelsmerk niet voldoende, behoudens in uitzonderlijke gevallen, om te kunnen toestaan dat de goederen in het verkeer worden gebracht.
Elke partij kan bepalen dat haar bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben administratieve sancties op te leggen na een vaststelling als bedoeld in artikel 20.47 dat de goederen inbreuk maken.
Artikel 20.49. Specifieke samenwerking op gebied van maatregelen aan grens
De partijen komen overeen met elkaar samen te werken teneinde de internationale handel in goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten uit te bannen. Hiertoe richt elke partij binnen haar overheidsdiensten contactpunten op en is zij bereid informatie uit te wisselen over de handel in inbreuk makende goederen. Elke partij bevordert in het bijzonder de uitwisseling van informatie en de samenwerking tussen haar douaneautoriteiten en die van de andere partij met betrekking tot de handel in goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten.
De in lid 1 bedoelde samenwerking kan de uitwisseling omvatten van informatie over mechanismen voor het verkrijgen van informatie van de houders van rechten, over goede praktijken en over ervaringen op het gebied van strategieën voor risicobeheer, alsmede van informatie met behulp waarvan zendingen kunnen worden opgespoord waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk makende goederen bevatten.
De samenwerking krachtens deze afdeling vindt plaats in overeenstemming met internationale overeenkomsten ter zake die voor beide partijen bindend zijn. Het Gemengd Comité douanesamenwerking bedoeld in artikel 6.14 (Gemengd Comité douanesamenwerking) zal de prioriteiten vaststellen voor de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de partijen krachtens deze afdeling en voorzien in de passende procedures daarvoor.
AFDELING E. SAMENWERKING
Artikel 20.50. Samenwerking
De partijen komen overeen met elkaar samen te werken teneinde de tenuitvoerlegging van de verbintenissen en verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk te ondersteunen. De samenwerking strekt zich uit tot de uitwisseling van informatie of ervaringen over:
- a. de bescherming en de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van geografische aanduidingen; en
- b. de vaststelling van regelingen tussen hun respectieve auteursrechtenorganisaties.
Overeenkomstig lid 1 komen de partijen overeen een effectieve dialoog over intellectuele-eigendomskwesties op te bouwen en in stand te houden, voor de behandeling van onderwerpen die van belang zijn voor de bescherming en de handhaving van de onder dit hoofdstuk vallende intellectuele-eigendomsrechten, alsmede van alle andere relevante onderwerpen.
HOOFDSTUK EENENTWINTIG. SAMENWERKING OP REGELGEVINGSGEBIED
Artikel 21.1. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ontwikkeling, de herziening en de methodologische aspecten van regelgevingsmaatregelen van de regelgevende autoriteiten van de partijen die onder meer vallen onder de TBT-Overeenkomst, de SPS-Overeenkomst, de GATT 1994, de GATS en de hoofdstukken vier (Technische handelsbelemmeringen), vijf (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen), negen (Grensoverschrijdende handel in diensten), tweeëntwintig (Handel en duurzame ontwikkeling), drieëntwintig (Handel en arbeid) en vierentwintig (Handel en milieu).
Artikel 21.2. Beginselen
De partijen herbevestigen hun rechten en verplichtingen wat regelgevingsmaatregelen aangaat in het kader van de TBT-Overeenkomst, de SPS-Overeenkomst, de GATT 1994 en de GATS.
De partijen hebben zich ertoe verbonden een hoog niveau van bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier en plant alsmede van het milieu te waarborgen, in overeenstemming met de TBT-Overeenkomst, de SPS-Overeenkomst, de GATT 1994, de GATS en de onderhavige overeenkomst.
De partijen erkennen het belang van samenwerking op regelgevingsgebied met de relevante handelspartners op zowel bilateraal als multilateraal niveau. De partijen benaderen de samenwerking op regelgevingsgebied indien dat mogelijk is en tot wederzijds voordeel strekt, zodanig dat die samenwerking openstaat voor deelname van andere internationale handelspartners.
Onverminderd de bevoegdheid van elke partij om haar regelgevende, wetgevende en beleidsactiviteiten uit te voeren, verbinden de partijen zich ertoe de samenwerking op regelgevingsgebied in het licht van hun wederzijdse belangen verder te ontwikkelen teneinde:
- a. onnodige belemmeringen voor handel en investeringen te voorkomen en op te heffen;
- b. het mededingings- en innovatieklimaat te verbeteren, onder meer door te streven naar regelgevingscompatibiliteit, naar erkenning van gelijkwaardigheid en naar onderlinge afstemming van regelgeving; en
- c. transparante, efficiënte en doeltreffende regelgevingsprocedures te bevorderen ter ondersteuning van doelstellingen van overheidsbeleid en ter invulling van het mandaat van de regelgevende organen, onder meer door informatie uit te wisselen en een intensiever gebruik van optimale werkwijzen te bevorderen.
Dit hoofdstuk treedt in de plaats van het tussen de regering van Canada en de Europese Commissie bestaande Kader voor samenwerking en transparantie op regelgevingsgebied, gedaan te Brussel op 21 december 2004, en het is van toepassing op de eerder in de context van dat Kader ondernomen activiteiten.
De partijen kunnen op vrijwillige basis samenwerkingsactiviteiten op regelgevingsgebied ondernemen. Voor alle duidelijkheid: de partijen zijn niet verplicht om aan enige bepaalde vorm van samenwerking op regelgevingsgebied mee te doen, en kunnen samenwerking weigeren of van verdere samenwerking afzien. Weigert een partij samenwerking op regelgevingsgebied te initiëren of ziet zij van verdere samenwerking af, dan dient zij bereid te zijn de redenen voor haar besluit aan de andere partij toe te lichten.
Artikel 21.3. Doelstellingen van samenwerking op regelgevingsgebied
De doelstellingen van samenwerking op regelgevingsgebied zijn:
- a. bij te dragen aan de bescherming van het leven, de gezondheid of de veiligheid van de mens, het leven of de gezondheid van dieren en planten en het milieu door:
- i. internationale middelen aan te trekken op gebieden zoals onderzoek, studie en risicoanalyse vóór het in de handel brengen, teneinde belangrijke regelgevingsvraagstukken aan te pakken waarover op lokaal, nationaal en internationaal niveau bezorgdheid bestaat; en
- ii. bij te dragen aan de door regelgevende ministeries gebruikte gegevensbank, teneinde risico's op te sporen, te beoordelen en te managen;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)