Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2016-10-30
State In force
Source BWB
artikelen 370
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
4.

Het Gemengd Comité voor de CETA kan besluiten de taak die is toegewezen in het kader van een dialoog, te wijzigen of zelf uit te voeren, of een dialoog stop te zetten.

5.

De partijen kunnen met instemming van het Gemengd Comité voor de CETA deelnemen aan bilaterale samenwerking op andere gebieden in het kader van deze overeenkomst.

Artikel 25.2. Dialoog inzake biotechnologievraagstukken in verband met markttoegang

1.

De partijen komen overeen dat samenwerking en uitwisseling van informatie over vraagstukken in verband met biotechnologische producten van wederzijds belang zijn. Deze samenwerking en uitwisseling van informatie vindt plaats in het kader van de bilaterale dialoog inzake agrarische biotechnologievraagstukken in verband met markttoegang van gemeenschappelijk belang, die werd ingesteld bij de op 15 juli 2009 onderling overeengekomen oplossing tussen Canada en de Europese Unie naar aanleiding van het WTO-geschil „European Communities – Measures Affecting the Approval and Marketing of Biotech Products” – (Europese Gemeenschappen – Maatregelen die van invloed zijn op de goedkeuring en het verhandelen van biotechnologische producten) WT/DS292. De bilaterale dialoog bestrijkt alle relevante onderwerpen die van wederzijds belang zijn voor de partijen, waaronder:

  • a. goedkeuring van biotechnologische producten op het grondgebied van de partijen en, in voorkomend geval, toekomstige aanvragen voor de goedkeuring van producten met een commercieel belang voor beide zijden;
  • b. commerciële en economische vooruitzichten voor toekomstige goedkeuringen van biotechnologische producten;
  • c. alle handelsgevolgen in verband met asynchrone goedkeuringen van biotechnologische producten of de onbedoelde vrijgave van niet toegelaten producten, en passende maatregelen in dit verband;
  • d. alle maatregelen met betrekking tot biotechnologie die van invloed kunnen zijn op de handel tussen de partijen, met inbegrip van maatregelen van de lidstaten van de Europese Unie;
  • e. alle nieuwe wetgeving op het gebied van de biotechnologie; en
  • f. optimale werkwijzen bij de uitvoering van wetgeving op het gebied van biotechnologie.
2.

De partijen nemen ook nota van het belang van de volgende gemeenschappelijke doelstellingen met betrekking tot samenwerking op het gebied van de biotechnologie:

  • a. uitwisseling van informatie over beleid, regelgeving en technische kwesties van gemeenschappelijk belang in verband met biotechnologische producten, en, in het bijzonder, van informatie over hun respectieve systemen en processen voor risicobeoordelingen voor de besluitvorming inzake het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen;
  • b. bevordering van efficiënte, op wetenschappelijke inzichten gebaseerde goedkeuringsprocedures voor biotechnologische producten;
  • c. internationale samenwerking over biotechnologische aangelegenheden, zoals geringe aanwezigheid van genetisch gemodificeerde organismen; en
  • d. samenwerking op regelgevingsgebied om nadelige gevolgen voor de handel van regelgevingspraktijken met betrekking tot biotechnologische producten te beperken tot een minimum.

Artikel 25.3. Bilaterale dialoog inzake bosproducten

1.

De partijen zijn het erover eens dat een bilaterale dialoog, samenwerking en uitwisseling van informatie en standpunten over relevante wet- en regelgeving, beleidslijnen en vraagstukken die van belang zijn voor de productie, handel en consumptie van bosproducten van wederzijds belang zijn. De partijen zijn het erover eens deze dialoog, samenwerking en uitwisseling te doen plaatsvinden in de bilaterale dialoog inzake bosproducten, met betrekking tot onder meer de volgende zaken:

  • a. het opstellen, vaststellen en uitvoeren van wetten, voorschriften, beleidslijnen en normen alsmede van vereisten voor beproeving, certificering en accreditatie ter zake en de mogelijke gevolgen daarvan voor de handel in bosproducten tussen de partijen;
  • b. initiatieven van de partijen in verband met het duurzame beheer van bossen en governance in de bosbouw;
  • c. mechanismen om de legale of duurzame oorsprong van bosproducten te waarborgen;
  • d. de toegang voor bosproducten tot de markten van de partijen of andere markten;
  • e. beschouwingen over multilaterale en plurilaterale organisaties en processen waarbij zij betrokken zijn, die de bevordering van duurzaam bosbeheer of de bestrijding van illegale houtkap tot doel hebben;
  • f. kwesties als bedoeld in artikel 24.10 (Handel in bosproducten); en
  • g. andere kwesties die verband houden met bosproducten, zoals door de partijen overeengekomen.
2.

In het kader van de bilaterale dialoog inzake bosproducten wordt bijeengekomen in het eerste jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, en daarna in overeenstemming met artikel 25.1, lid 2.

3.

De partijen zijn het erover eens dat de besprekingen die plaatsvinden in het kader van de bilaterale dialoog inzake bosproducten, input kunnen leveren voor besprekingen in het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling.

Artikel 25.4. Bilaterale dialoog inzake grondstoffen

1.

De partijen erkennen het belang van een open, niet-discriminerende en transparante handelsomgeving die is gebaseerd op regels en wetenschappelijke inzichten, en streven naar het instellen en in stand houden van een doeltreffende samenwerking inzake grondstoffen. In het kader van deze samenwerking omvatten grondstoffen onder meer mineralen, metalen en landbouwproducten voor industrieel gebruik, maar zijn daartoe niet beperkt.

2.

De bilaterale dialoog inzake grondstoffen ziet op alle relevante aangelegenheden van wederzijds belang, waaronder:

  • a. het bieden van een forum voor besprekingen over samenwerking op het gebied van grondstoffen tussen de partijen, het bijdragen aan markttoegang voor grondstoffen en daarmee samenhangende diensten en investeringen, en het vermijden van niet-tarifaire belemmeringen voor de handel in grondstoffen;
  • b. het verbeteren van het wederzijdse begrip op het gebied van grondstoffen met het oog op de uitwisseling van informatie over de optimale werkwijzen en het regelgevingsbeleid van partijen ten aanzien van grondstoffen;
  • c. het bevorderen van activiteiten ter ondersteuning van maatschappelijk verantwoord ondernemen in overeenstemming met internationaal erkende normen, zoals de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de OESO-richtsnoeren inzake de zorgvuldigheidseisen voor verantwoorde bevoorradingsketens van bodemschatten uit door conflicten getroffen gebieden en risicogebieden; en
  • d. het faciliteren, in voorkomend geval, van overleg over de standpunten van de partijen in multilaterale of plurilaterale fora waarin aangelegenheden inzake grondstoffen aan de orde worden gesteld en worden besproken.

Artikel 25.5. Intensievere samenwerking op het gebied van wetenschap, technologie, onderzoek en innovatie

1.

De partijen erkennen dat wetenschap, technologie, onderzoek en innovatie, alsmede internationale handel en investeringen met elkaar samenhangen bij het vergroten van het concurrentievermogen van de industrie en de sociale en economische welvaart.

2.

Voortbouwend op deze gedeelde visie komen de partijen overeen hun samenwerking op het gebied van wetenschap, technologie, onderzoek en innovatie te intensiveren.

3.

De partijen streven ernaar samenwerkingsactiviteiten op wederkerige basis aan te moedigen, verder te ontwikkelen en te vergemakkelijken ter ondersteuning of in aanvulling op de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en Canada, gedaan te Halifax op 17 juni 1995. De partijen komen overeen deze activiteiten te verrichten op basis van de volgende beginselen:

  • a. de activiteiten komen beide partijen ten goede;
  • b. de partijen zijn het eens over de reikwijdte en de parameters van de activiteiten; en
  • c. bij de activiteiten moet rekening worden gehouden met de belangrijke rol van de particuliere sector en onderzoeksinstellingen voor de ontwikkeling van wetenschap, technologie, onderzoek en innovatie en de commercialisering van goederen en diensten daarvan.
4.

De partijen erkennen ook het belang van een betere samenwerking op het gebied van wetenschap, technologie, onderzoek en innovatie, zoals activiteiten die zijn aangevat, ontwikkeld of uitgevoerd door diverse belanghebbenden, waaronder de Canadese federale regering, de Canadese provincies en territoria, de Europese Unie en haar lidstaten.

5.

Elke partij moedigt, in overeenstemming met haar interne recht, op haar grondgebied de deelname aan van de particuliere sector, onderzoeksinstellingen en het maatschappelijk middenveld aan activiteiten ter bevordering van samenwerking.

HOOFDSTUK ZESENTWINTIG. ADMINISTRATIEVE EN INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel 26.1. Gemengd Comité voor de CETA

1.

De partijen richten hierbij het Gemengd Comité voor de CETA op, bestaande uit vertegenwoordigers van de Europese Unie en van Canada. Het medevoorzitterschap van het Gemengd Comité voor de CETA wordt bekleed door de Minister van Internationale Handel van Canada en het lid van de Europese Commissie dat bevoegd is voor handel, of door hun respectieve vertegenwoordigers.

2.

Het Gemengd Comité voor de CETA vergadert eenmaal per jaar of op verzoek van een partij. Het Gemengd Comité voor de CETA stelt zelf zijn vergaderrooster en -agenda vast.

3.

Het Gemengd Comité voor de CETA is verantwoordelijk voor alle vragen betreffende handel en investeringen tussen de partijen en voor de uitvoering en toepassing van deze overeenkomst. Elke partij mag iedere kwestie die verband houdt met de uitvoering en de uitlegging van deze overeenkomst, of enige andere kwestie die verband houdt met de handel en investeringen tussen de partijen, aan het Gemengd Comité voor de CETA voorleggen.

4.

Het Gemengd Comité voor de CETA:

  • a. houdt toezicht op en vergemakkelijkt de uitvoering en toepassing van deze overeenkomst, en bevordert de algemene doelstellingen ervan;
  • b. houdt toezicht op de werkzaamheden van alle krachtens deze overeenkomst ingestelde gespecialiseerde comités en andere organen;
  • c. zoekt, onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken acht (Investeringen), tweeëntwintig (Handel en duurzame ontwikkeling), drieëntwintig (Handel en arbeid), vierentwintig (Handel en milieu) en negenentwintig (Geschillenbeslechting), naar passende manieren en methoden om problemen te voorkomen die zich kunnen voordoen op de door deze overeenkomst bestreken gebieden, of om geschillen te beslechten die zich kunnen voordoen betreffende de uitlegging of toepassing van deze overeenkomst;
  • d. stelt zijn eigen reglement van orde vast;
  • e. neemt besluiten als bedoeld in artikel 26.3; en
  • f. buigt zich over alle andere aangelegenheden die van belang zijn met betrekking tot de door deze overeenkomst bestreken gebieden.
5.

Het Gemengd Comité voor de CETA kan:

  • a. bevoegdheden delegeren aan de gespecialiseerde comités die zijn ingesteld overeenkomstig artikel 26.2;
  • b. in contact treden met alle belanghebbenden, met inbegrip van de particuliere sector en organisaties uit het maatschappelijk middenveld;
  • c. wijzigingen in overweging nemen of overeenstemming over wijzigingen bereiken zoals voorzien in deze overeenkomst;
  • d. de ontwikkeling van de handel tussen de partijen bestuderen en zoeken naar wegen om de handelsbetrekkingen tussen de partijen verder te verbeteren;
  • e. interpretaties aannemen van de bepalingen van deze overeenkomst, die bindend zijn voor de gerechten die zijn ingesteld krachtens afdeling F van hoofdstuk acht (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) en hoofdstuk negenentwintig (Geschillenbeslechting);
  • f. aanbevelingen doen ter bevordering van de groei van het handelsverkeer en investeringen, zoals beoogd in deze overeenkomst;
  • g. de taken die zijn opgedragen aan de krachtens artikel 26.2 ingestelde gespecialiseerde comités wijzigen of zelf verrichten, dan wel een of meer van deze gespecialiseerde comités opheffen;
  • h. gespecialiseerde comités instellen en bilaterale dialogen in het leven roepen opdat het wordt bijgestaan bij de uitvoering van zijn taken; en
  • i. andere maatregelen in het kader van de uitvoering van zijn taken nemen conform hetgeen de partijen hebben besloten.

Artikel 26.2. Gespecialiseerde comités

1.

Hierbij worden de volgende gespecialiseerde comités ingesteld, of wordt er, voor wat het onder c) bedoelde Gemengd Comité douanesamenwerking aangaat, bevoegdheid verleend om onder auspiciën van het Gemengd Comité voor de CETA te handelen:

  • a. het Comité voor de handel in goederen, dat aangelegenheden behandelt met betrekking tot de handel in goederen, tarieven, technische handelsbelemmeringen, het Protocol inzake de wederzijdse aanvaarding van de resultaten van conformiteitsbeoordelingen en intellectuele-eigendomsrechten met betrekking tot goederen. Op verzoek van een partij of naar aanleiding van een verwijzing van het desbetreffende gespecialiseerde comité dan wel bij de voorbereiding van een bespreking in het Gemengd Comité voor de CETA kan het Comité voor de handel in goederen tevens aangelegenheden behandelen die zich voordoen op het gebied van oorsprongsregels, oorsprongsprocedures, douane en handelsbevordering alsmede grensmaatregelen, sanitaire en fytosanitaire maatregelen, overheidsopdrachten of samenwerking op regelgevingsgebied, indien dit het oplossen vergemakkelijkt van een aangelegenheid die door het desbetreffende gespecialiseerde comité niet anderszins kan worden opgelost. Tevens worden het Comité voor landbouw, het Comité voor wijn en gedistilleerde dranken en de Gemengde Sectorgroep voor farmaceutische producten ingesteld onder auspiciën van het Comité voor de handel in goederen, waaraan zij verslag uitbrengen;
  • b. het Comité voor diensten en investeringen, dat aangelegenheden behandelt met betrekking tot grensoverschrijdende handel in diensten, investeringen, tijdelijke toelating, elektronische handel en intellectuele-eigendomsrechten die verband houden met diensten. Op verzoek van een partij of naar aanleiding van een verwijzing van het desbetreffende gespecialiseerde comité dan wel bij de voorbereiding van een bespreking in het Gemengd Comité voor de CETA kan het Comité voor diensten en investeringen tevens aangelegenheden behandelen die zich voordoen op het gebied van financiële diensten of overheidsopdrachten, indien dit het oplossen vergemakkelijkt van een aangelegenheid die door het desbetreffende gespecialiseerde comité niet anderszins kan worden opgelost. Een Gemengd Comité voor de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties wordt ingesteld onder auspiciën van het Comité voor diensten en investeringen, waaraan het verslag uitbrengt;
  • c. het Gemengd Comité douanesamenwerking („Joint Customs Cooperation Committee” of „JCCC”), dat is ingesteld bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Canada betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand in douanezaken van 1998, gedaan te Ottawa op 4 december 1997, dat in het kader van deze overeenkomst aangelegenheden behandelt met betrekking tot oorsprongsregels, oorsprongsprocedures, douane en handelsbevordering, grensmaatregelen en tijdelijke schorsing van preferentiële tariefbehandeling;
  • d. het Gemengd Comité van beheer voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen, dat aangelegenheden behandelt met betrekking tot sanitaire en fytosanitaire maatregelen;
  • e. het Comité voor overheidsopdrachten, dat aangelegenheden behandelt met betrekking tot overheidsopdrachten;
  • f. het Comité financiële diensten, dat aangelegenheden behandelt met betrekking tot financiële diensten;
  • g. het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling, dat aangelegenheden behandelt met betrekking tot duurzame ontwikkeling;
  • h. het Forum voor samenwerking op regelgevingsgebied, dat aangelegenheden behandelt met betrekking tot samenwerking op regelgevingsgebied; en
  • i. het Comité voor geografische aanduidingen voor de CETA, dat aangelegenheden behandelt met betrekking tot geografische aanduidingen.
2.

De gespecialiseerde comités die worden ingesteld overeenkomstig lid 1 functioneren met inachtneming van de leden 3 tot en met 5.

3.

Het mandaat en de taken van de overeenkomstig lid 1 ingestelde gespecialiseerde comités worden nader omschreven in de desbetreffende hoofdstukken van en protocollen bij deze overeenkomst.

4.

Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald of de medevoorzitters anders besluiten, komen de gespecialiseerde comités eenmaal per jaar bijeen. Extra bijeenkomsten kunnen worden gehouden op verzoek van een partij of van het Gemengd Comité voor de CETA. Het medevoorzitterschap wordt bekleed door vertegenwoordigers van Canada en van de Europese Unie. De gespecialiseerde comités stellen hun vergaderrooster en -agenda vast in onderlinge overeenstemming. Zij stellen hun eigen reglement van orde van orde vast en wijzigen dit als zij dat nodig achten. De gespecialiseerde comités kunnen ontwerpbesluiten voorleggen ter vaststelling door het Gemengd Comité van de CETA, of besluiten nemen wanneer deze overeenkomst daarin voorziet.

5.

Elke partij zorgt ervoor dat wanneer een gespecialiseerd comité bijeenkomt, alle bevoegde autoriteiten voor elk punt op de agenda zijn vertegenwoordigd zoals elke partij geschikt acht, en dat elke kwestie kan worden besproken op het juiste niveau van deskundigheid.

6.

De gespecialiseerde comités stellen het Gemengd Comité van de CETA ruimschoots voor hun bijeenkomsten in kennis van hun vergaderroosters en -agenda's en brengen verslag uit aan dat Gemengd Comité over de resultaten en conclusies van elk van hun bijeenkomsten. De instelling of het bestaan van een gespecialiseerd comité staat er niet aan in de weg dat een partij een aangelegenheid direct aan het Gemengd Comité voor de CETA kan voorleggen.

Artikel 26.3. Besluitvorming

1.

Het Gemengd Comité voor de CETA is, teneinde de doelstellingen van deze overeenkomst te bereiken, bevoegd besluiten te nemen ten aanzien van alle in deze overeenkomst daartoe aangewezen aangelegenheden.

2.

De besluiten van het Gemengd Comité voor de CETA zijn bindend voor de partijen, onder voorbehoud dat aan de nodige interne voorschriften en procedures wordt voldaan, en zij worden door de partijen uitgevoerd. Het Gemengd Comité voor de CETA mag ook passende aanbevelingen doen.

3.

Het Gemengd Comité voor de CETA stelt zijn besluiten en aanbevelingen vast in onderlinge overeenstemming.

Artikel 26.4. Informatie-uitwisseling

Wanneer een partij aan het Gemengd Comité voor de CETA of enig in het kader van deze overeenkomst ingesteld gespecialiseerd comité informatie voorlegt die vertrouwelijk wordt geacht of die ingevolge haar wet- en regelgeving niet openbaar mag worden gemaakt, behandelt de andere partij die informatie als vertrouwelijk.

Artikel 26.5. Contactpunten voor de CETA

1.

Elke partij wijst onverwijld een contactpunt voor de CETA aan en stelt de andere partij daarvan binnen zestig dagen na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst in kennis.

2.

De contactpunten voor de CETA:

  • a. houden toezicht op de werkzaamheden van alle in het kader van deze overeenkomst opgerichte institutionele organen, met inbegrip van de communicatie betreffende opvolgers van die organen;
  • b. coördineren de voorbereidingen van comitébijeenkomsten;
  • c. geven indien nodig een vervolg aan besluiten van het Gemengd Comité voor de CETA;
  • d. ontvangen, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, alle informatie en kennisgevingen die krachtens deze overeenkomst worden verstrekt, en vergemakkelijken zo nodig de communicatie tussen de partijen over de onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden;
  • e. antwoorden op verzoeken om informatie ingevolge artikel 27.2 (Informatieverstrekking); en
  • f. houden zich in opdracht van het Gemengd Comité voor de CETA bezig met enige andere aangelegenheid die gevolgen kan hebben voor de werking van deze overeenkomst.
3.

De contactpunten voor de CETA communiceren zoals vereist.

Artikel 26.6. Bijeenkomsten

1.

De in dit hoofdstuk bedoelde bijeenkomsten worden in persoon bijgewoond. De partijen kunnen ook overeenkomen dat de bijeenkomst per video- of teleconferentie plaatsvindt.

2.

De partijen streven ernaar om bijeen te komen binnen dertig dagen nadat een partij een verzoek daartoe van de andere partij ontvangt.

HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG. TRANSPARANTIE

Artikel 27.1. Bekendmaking

1.

Elke partij draagt er zorg voor dat haar wet- en regelgeving, procedures en administratieve besluiten van algemene strekking die verband houden met enige onder deze overeenkomst vallende aangelegenheid, onverwijld worden bekendgemaakt of op zodanige wijze beschikbaar worden gesteld dat belanghebbenden en de andere partij daarvan kennis kunnen nemen.

2.

Voor zover mogelijk zal elke partij:

  • a. die maatregelen die zij voornemens is vast te stellen, vooraf bekendmaken; en
  • b. belanghebbenden en de andere partij een redelijke gelegenheid bieden om over die voorgenomen maatregelen opmerkingen te maken.

Artikel 27.2. Informatieverstrekking

1.

Een partij verstrekt aan de andere partij, indien deze daarom verzoekt, onverwijld zoveel mogelijk informatie en beantwoordt terstond vragen met betrekking tot bestaande of voorgenomen maatregelen die de werking van deze overeenkomst wezenlijk beïnvloeden.

2.

Ingevolge dit artikel verstrekte informatie loopt niet vooruit op de vraag of de maatregel in overeenstemming met deze overeenkomst is.

Artikel 27.3. Administratieve procedures

Teneinde maatregelen van algemene strekking die gevolgen hebben voor onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden, te treffen op een consistente, onpartijdige en redelijke manier, ziet elke partij erop toe dat haar administratieve procedures waarbij in artikel 27.1 bedoelde maatregelen worden toegepast ten aanzien van een bepaalde persoon, een bepaald goed of een bepaalde dienst uit de andere partij, in een concreet geval:

  • a. waar mogelijk erin voorzien dat personen uit de andere partij voor wie een procedure rechtstreeks gevolgen heeft, tijdig en in overeenstemming met haar interne procedures een kennisgeving van de inleiding van een procedure ontvangt, welke kennisgeving een beschrijving van de aard van de procedure, een verklaring over de rechtsgrondslag voor de inleiding van de procedure en een algemene beschrijving van de aangelegenheden waarover het geschil gaat, omvat;
  • b. de onder a) bedoelde personen een redelijke mogelijkheid bieden om feiten en argumenten ter ondersteuning van hun standpunten naar voren te brengen voordat een definitieve administratieve maatregel wordt genomen, indien de tijd, de aard van de procedure en het openbaar belang dit toelaten; en
  • c. worden uitgevoerd in overeenstemming met haar interne recht.

Artikel 27.4. Toetsing en beroep

1.

Elke partij stelt rechterlijke, semi-rechterlijke of administratieve gerechten of procedures in of handhaaft deze, met het oog op een onverwijlde toetsing en, indien gerechtvaardigd, correctie van definitieve administratieve handelingen met betrekking tot onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden. Elke partij waarborgt dat haar gerechten onpartijdig en onafhankelijk zijn van de dienst of de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving en dat zij geen materieel belang bij de uitkomst van de aangelegenheid hebben.

2.

Elke partij zorgt ervoor dat de procespartijen bij de in lid 1 bedoelde gerechten of procedures recht hebben op:

  • a. een redelijke mogelijkheid om hun respectieve standpunten te ondersteunen of te verdedigen; en
  • b. een besluit dat is gebaseerd op het bewijsmateriaal en de ingediende stukken, of, indien de wet dat vereist, op het door de administratieve autoriteit samengestelde dossier.
3.

Elke partij zorgt ervoor dat die besluiten, onder voorbehoud van beroep of verdere toetsing overeenkomstig haar interne recht, door de voor het administratieve handelen ter zake bevoegde diensten of autoriteiten ten uitvoer worden gelegd en ook aan hun administratieve handelen ter zake ten grondslag liggen.

Artikel 27.5. Samenwerking inzake bevordering van meer transparantie

De partijen komen overeen om in bilaterale, regionale en multilaterale fora samen te werken inzake methoden voor het bevorderen van transparantie ten aanzien van de internationale handel en investeringen.

HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG. UITZONDERINGEN

Artikel 28.1. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

woonplaats: de fiscale woonplaats;

belastingverdrag: een verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing of een andere internationale belastingovereenkomst of -regeling; en

omvatten belastingen en fiscale maatregelen accijnzen, maar omvatten zij geen:

  • a. douanerechten zoals omschreven in artikel 1.1 (Algemeen toepasselijke definities), en
  • b. maatregelen genoemd onder de uitzonderingen b) of c) in de definitie van „douanerechten” in artikel 1.1 (Algemeen toepasselijke definities).

Artikel 28.2. Partijspecifieke definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

mededingingsautoriteit:

  • a. voor Canada, de „Commissioner of Competition” (de commissaris voor Mededinging) of diens opvolger van wie kennis is gegeven aan de andere partij via de contactpunten voor de CETA; en
  • b. voor de Europese Unie, de Europese Commissie wat haar taken in het kader van de mededingingswetgeving van de Europese Unie betreft;

mededingingswetgeving:

  • a. voor Canada, de Competition Act (mededingingswet), R.S.C. 1985, c. C-34; en
  • b. voor de Europese Unie, de artikelen 101, 102 en 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van 13 december 2007, Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen en de uitvoeringsverordeningen en wijzigingen daarvan; en onder

informatie die beschermd is op grond van haar mededingingswetgeving:

  • a. voor Canada, informatie die valt onder het toepassingsgebied van artikel 29 van de Competition Act, R.S.C. 1985, c. C-34; en
  • b. voor de Europese Unie, informatie die valt onder het toepassingsgebied van artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, of van artikel 17 van Verordening nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, of enige daarvoor in de plaats tredende bepalingen.

Artikel 28.3. Algemene uitzonderingen

1.

Voor de toepassing van artikel 30.8 (Beëindiging, opschorting of opneming van andere bestaande overeenkomsten), lid 5, de hoofdstukken twee (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen), vijf (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen) en zes (Douane en handelsbevordering), het Protocol inzake de oorsprongsregels en oorsprongsprocedures en de afdelingen B (Vestiging van investeringen) en C (Niet-discriminerende behandeling) van hoofdstuk acht (Investeringen), wordt artikel XX van de GATT 1994 opgenomen in en maakt het deel uit van deze overeenkomst. De partijen komen overeen dat de in artikel XX, onder b), van de GATT 1994 bedoelde maatregelen de milieumaatregelen omvatten die noodzakelijk zijn ter bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant. De partijen komen overeen dat artikel XX, onder g), van de GATT 1994 van toepassing is op maatregelen voor de instandhouding van levende en niet-levende uitputbare natuurlijke hulpbronnen.

2.

Voor de toepassing van de hoofdstukken negen (Grensoverschrijdende handel in diensten), tien (Tijdelijke toelating en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden). twaalf (Interne regelgeving), dertien (Financiële diensten), veertien (Internationale zeevervoerdiensten), vijftien (Telecommunicatie), zestien (Elektronische handel), en de afdelingen B (Vestiging van investeringen) en C (Niet-discriminerende behandeling) van hoofdstuk acht (Investeringen) wordt, onder voorbehoud dat de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast, dat zij een middel vormen hetzij tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen bij gelijke omstandigheden, hetzij tot een verkapte beperking van de handel in diensten, niets uit deze overeenkomst uitgelegd als een beletsel voor het nemen of toepassen door een partij van maatregelen noodzakelijk:

  • a. ter bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of voor het handhaven van de openbare orde;35)De uitzonderingen betreffende de openbare veiligheid en de openbare orde mogen alleen worden ingeroepen in geval van een daadwerkelijke en voldoende ernstige bedreiging van fundamentele maatschappelijke belangen.
  • b. ter bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;36)De partijen zijn het erover eens dat de onder b) bedoelde maatregelen de milieumaatregelen omvatten die noodzakelijk zijn ter bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant. of
  • c. ter verzekering van de naleving van wet- of regelgeving die niet onverenigbaar is met de bepalingen van deze overeenkomst, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:
  • i. het voorkómen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van contracten te compenseren;
  • ii. het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van personen met betrekking tot de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en het beschermen van de vertrouwelijkheid van individuele dossiers en rekeningen; of
  • iii. de veiligheid.

Artikel 28.4. Tijdelijke vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van kapitaalverkeer en betalingen

1.

Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden kapitaalverkeer en betalingen, waaronder overmakingen, ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor de werking van de economische en monetaire unie van de Europese Unie, kan de Europese Unie voor een periode van ten hoogste honderdtachtig dagen vrijwaringsmaatregelen opleggen die strikt noodzakelijk zijn om dergelijke moeilijkheden aan te pakken.

2.

Krachtens lid 1 door de Europese Unie opgelegde maatregelen vormen geen middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie ten aanzien van Canada of zijn investeerders in vergelijking met een derde land of zijn investeerders. De Europese Unie stelt Canada onverwijld in kennis en legt zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de opheffing van de desbetreffende maatregelen voor.

Artikel 28.5. Beperkingen in geval van ernstige moeilijkheden met betrekking tot betalingsbalans en buitenlandse financiële positie

1.

Indien Canada of een lidstaat van de Europese Unie die geen lid is van de Europese Monetaire Unie kampt met ernstige moeilijkheden met betrekking tot de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie, of met een dreiging daarvan, kan Canada of deze lidstaat beperkende maatregelen vaststellen of handhaven ten aanzien van kapitaalverkeer en betalingen, overmakingen daaronder begrepen.

2.

De in lid 1 bedoelde maatregelen:

  • a. behandelen een partij niet minder gunstig dan een derde land in vergelijkbare situaties;
  • b. zijn in overeenstemming met de artikelen van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds, gedaan te Bretton Woods op 22 juli 1944, zoals van toepassing;
  • c. brengen geen onnodige schade toe aan de commerciële, economische en financiële belangen van een partij;
  • d. zijn van tijdelijke aard en worden geleidelijk opgeheven naarmate de in lid 1 omschreven situatie verbetert en gelden ten hoogste honderdtachtig dagen. Indien een partij dergelijke maatregelen wegens uiterst uitzonderlijke omstandigheden na een periode van honderdtachtig dagen wil verlengen, pleegt zij vooraf overleg met de andere partij over de uitvoering van de voorgestelde verlenging.
3.

Ten aanzien van de handel in goederen kan een partij beperkende maatregelen vaststellen ter bescherming van haar betalingsbalans of buitenlandse financiële positie. Deze maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de GATT 1994 en het Memorandum van Overeenstemming betreffende de betalingsbalansbepalingen van de GATT 1994 die zijn opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst.

4.

Ten aanzien van de handel in diensten kan een partij beperkende maatregelen vaststellen ter bescherming van haar betalingsbalans of buitenlandse financiële positie. Deze maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de GATS.

5.

Wanneer een partij een in lid 1 bedoelde maatregel vaststelt of handhaaft, stelt zij de andere partij onverwijld in kennis en verstrekt zij zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de opheffing ervan.

6.

Indien de beperkingen worden vastgesteld of gehandhaafd uit hoofde van dit artikel, vindt onverwijld overleg tussen de partijen plaats in het Gemengd Comité voor de CETA, indien dergelijk overleg niet anderszins in een forum buiten het kader van deze overeenkomst plaatsvindt. In het kader van het overleg op grond van dit lid wordt de moeilijkheid met betrekking tot de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie die tot de respectieve maatregelen heeft geleid, beoordeeld, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met factoren als:

  • a. de aard en de omvang van de moeilijkheden;
  • b. de economische positie en de handelssituatie ten opzichte van het buitenland; of
  • c. de beschikbaarheid van alternatieve corrigerende maatregelen.
7.

Het overleg ingevolge lid 6 omvat de verenigbaarheid van de beperkende maatregelen met de leden 1 tot en met 4. De partijen aanvaarden alle van het Internationaal Monetair Fonds („IMF”) afkomstige bevindingen van statistische en andere aard met betrekking tot deviezen, monetaire reserves en de betalingsbalans, en hun conclusies worden gebaseerd op de beoordeling van het IMF van de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie van de desbetreffende partij.

Artikel 28.6. Staatsveiligheid

Niets in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat:

  • a. een partij wordt verplicht informatie te verstrekken of er toegang toe te verlenen waarvan openbaarmaking naar haar oordeel tegen haar wezenlijke veiligheidsbelangen indruist; of
  • b. een partij wordt belet maatregelen te nemen die zij ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen noodzakelijk acht en die:
  • i. verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig dan wel met dergelijke handel en transacties in andere goederen en materialen, diensten en technologie, en economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire of andere met de veiligheid verband houdende inrichting ten doel hebben;37)De uitdrukking „handel in wapens, munitie en oorlogstuig” in dit artikel is gelijkwaardig aan de uitdrukking „handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel”.
  • ii. in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen; of
  • iii. betrekking hebben op splijt- en fusiestoffen of op de grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd; of
  • c. een partij wordt belet maatregelen te nemen tot uitvoering van haar internationale verplichtingen met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

Artikel 28.7. Belastingen

1.

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat een partij fiscale maatregelen vaststelt of handhaaft waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen personen die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot hun verblijfplaats of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd.

2.

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat een partij fiscale maatregelen vaststelt of handhaaft ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking uit hoofde van haar fiscale wet- of regelgeving of belastingverdragen.

3.

Deze overeenkomst heeft geen gevolgen voor de rechten en verplichtingen van een partij uit hoofde van enig belastingverdrag. In geval van strijdigheid tussen deze overeenkomst en een belastingverdrag hebben de bepalingen van dat verdrag voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft.

4.

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst of van een in het kader van deze overeenkomst getroffen regeling is van toepassing:

  • a. op belastingmaatregelen van een partij die aan een vennootschap of aan een aandeelhouder van een vennootschap een gunstigere behandeling toekennen op grond dat de vennootschap geheel of gedeeltelijk eigendom is van of dat de zeggenschap daarover direct of indirect wordt uitgeoefend door een of meer investeerders die ingezetene zijn van die partij;
  • b. op belastingmaatregelen van een partij die een voordeel verstrekken in verband met de bijdragen die zijn gedaan aan of het inkomen uit regelingen die voorzien in uitstel of vrijstelling van belasting voor pensioenen, oudedagsvoorziening, spaargeld, onderwijs, gezondheid, handicap of andere, soortgelijke doelen, mits die partij ten aanzien van die regeling permanent jurisdictie houdt;
  • c. op belastingmaatregelen van een partij die een voordeel verstrekken in verband met de aankoop of de gebruikmaking van een bepaalde dienst, mits de dienst wordt verricht op het grondgebied van die partij;
  • d. op belastingmaatregelen van een partij die gericht zijn op billijke en doeltreffende belastingheffing of -inning, waaronder maatregelen die een partij heeft getroffen teneinde eerbiediging van haar belastingstelsel te waarborgen;
  • e. op belastingmaatregelen die een voordeel verschaffen aan een overheid, een onderdeel van een overheid, of personen die direct of indirect eigendom zijn van, onder zeggenschap staan van of zijn opgericht door een overheid;
  • f. op bestaande niet-conforme belastingmaatregelen die niet anderszins vallen onder lid 1, lid 2, en lid 4, onder a) tot en met e), op de voortzetting of onmiddellijke verlenging van dergelijke maatregelen, dan wel een wijziging van dergelijke maatregelen mits de wijziging niet de overeenstemming van de maatregelen met de bepalingen van deze overeenkomst zoals deze onmiddellijk voor de wijziging bestond, ondermijnt.
5.

Voor alle duidelijkheid: het feit dat een belastingmaatregel een belangrijke wijziging van een bestaande belastingmaatregel inhoudt, met onmiddellijke ingang vanaf de bekendmaking in werking treedt, de beoogde toepassing van een bestaande belastingmaatregel verduidelijkt of onverwachte gevolgen voor een investeerder of een onder deze overeenkomst vallende investering heeft, vormt op zichzelf geen schending van artikel 8.10 (Behandeling van investeerders en van onder overeenkomst vallende investeringen).

6.

De artikelen 8.7 (Meestbegunstigingsbehandeling), 9.5 (Meestbegunstigingsbehandeling) en 13.4 (Meestbegunstigingsbehandeling) zijn niet van toepassing op door een partij krachtens een belastingverdrag toegekende belastingvoordelen.

  • a. Wanneer een investeerder een verzoek om overleg indient op grond van artikel 8.19 (Overleg) en stelt dat een belastingmaatregel indruist tegen een verplichting uit hoofde van de afdelingen C (Niet-discriminerende behandeling) of D (Investeringsbescherming) van hoofdstuk acht (Investeringen), kan de verweerder de zaak verwijzen voor overleg en gezamenlijke vaststelling door de partijen om te bepalen of:
  • i. de maatregel een belastingmaatregel is;
  • ii. de maatregel, indien wordt vastgesteld dat het om een belastingmaatregel gaat, indruist tegen een verplichting uit hoofde van de afdelingen C (Niet-discriminerende behandeling of D (Investeringsbescherming) van hoofdstuk acht (Investeringen); of
  • iii. er sprake is van strijdigheid tussen de verplichtingen van deze overeenkomst die zouden zijn geschonden en die van een belastingverdrag.
  • b. Een verwijzing op grond het vermelde onder a), kan niet later geschieden dan op de datum die het gerecht vaststelt als datum waarvoor de verweerder zijn contramemorie moet indienen. Indien de verweerder een dergelijke verwijzing doet, worden de in afdeling F (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) van hoofdstuk acht (Investeringen) bedoelde termijnen of procedures opgeschort. Indien de partijen binnen honderdtachtig dagen na de verwijzing geen overeenstemming bereiken om naar de aangelegenheid te kijken, of er niet in slagen een gezamenlijke vaststelling te doen, is de schorsing van de termijnen of van de procedure niet langer van toepassing en kan de investeerder zijn vordering doorzetten.
  • c. Een gezamenlijke vaststelling door de partijen ingevolge lid 7, onder a), is bindend voor het gerecht.
  • d. Elke partij draagt er zorg voor dat haar delegatie voor het ingevolge lid 7, onder a), te voeren overleg personen omvat met deskundigheid ter zake van de onder dit artikel vallende aangelegenheden, waaronder vertegenwoordigers van de desbetreffende belastingautoriteiten van elke partij. Voor Canada houdt dit ambtenaren van het Ministerie van Financiën van Canada in.
8.

Voor alle duidelijkheid:

  • a. onder belastingmaatregel van een partij wordt verstaan een op enig overheidsniveau van een partij vastgestelde belastingmaatregel; en
  • b. wat maatregelen van een subnationale overheid betreft, wordt onder ingezetene van een partij verstaan een ingezetene van deze subnationale jurisdictie of ingezetene van de partij waarvan hij deel uitmaakt.

Artikel 28.8. Bekendmaking van informatie

1.

Deze overeenkomst houdt voor de partijen geen verplichting in om informatie te verstrekken of er toegang toe te verlenen waarvan bekendmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of waarvan de bekendmaking op grond van hun respectieve wetgeving verboden of beperkt is.

2.

In het kader van een geschillenbeslechtingsprocedure uit hoofde van deze overeenkomst,

  • a. is een partij niet verplicht om op grond van haar mededingingswetgeving beschermde informatie te verstrekken of daar toegang toe te verlenen; en
  • b. is een mededingingsautoriteit van een partij niet verplicht om vertrouwelijke of anderszins tegen openbaarmaking beschermde informatie te verstrekken of daar toegang toe te verlenen.

Artikel 28.9. Uitzonderingen met betrekking tot cultuur

De partijen herinneren aan de uitzonderingen met betrekking tot cultuur, zoals vastgesteld in de toepasselijke bepalingen van hoofdstuk zeven (Subsidies), acht (Investeringen), negen (Grensoverschrijdende handel in diensten), twaalf (Interne regelgeving) en negentien (Overheidsopdrachten).

Artikel 28.10. WTO-ontheffingen

Indien een bepaling omvattende een recht of verplichting in deze overeenkomst een bepaling uit de WTO-Overeenkomst herhaalt, dan zijn de partijen het erover eens dat maatregelen die in overeenstemming zijn met een ontheffingsbesluit van de WTO op grond van artikel IX van de WTO-Overeenkomst, worden geacht tevens in overeenstemming te zijn met de herhaalde bepaling in de onderhavige overeenkomst.

HOOFDSTUK NEGENENTWINTIG. GESCHILLENBESLECHTING

AFDELING A. INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 29.1. Samenwerking

Het streven van de partijen is te allen tijde erop gericht overeenstemming te bereiken over de interpretatie en de toepassing van deze overeenkomst, en zij stellen alles in het werk om door middel van samenwerking en overleg een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden voor alle kwesties die gevolgen kunnen hebben voor de werking van deze overeenkomst.

Artikel 29.2. Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op elk geschil over de interpretatie of toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald.

Artikel 29.3. Keuze van de bevoegde rechter

1.

Wordt een beroep gedaan op de bepalingen van dit hoofdstuk inzake geschillenbeslechting, dan laat dit het recht om gebruik te maken van de mogelijkheid van geschillenbeslechting in het kader van de WTO-Overeenkomst of enige andere overeenkomst waarbij de partijen partij zijn, onverlet.

2.

Onverminderd lid 1 geldt dat indien een verplichting uit hoofde van deze overeenkomst in wezen gelijkwaardig is aan een verplichting uit hoofde van de WTO-Overeenkomst, of uit hoofde van enige andere overeenkomst waarbij de partijen partij zijn, een partij niet in beide fora verhaal voor de schending van een dergelijke verplichting kan trachten te halen. In dat geval stelt de partij, zodra een procedure voor geschillenbeslechting is ingeleid uit hoofde van een overeenkomst, geen vordering uit hoofde van de schending van de in wezen gelijkwaardige verplichting uit hoofde van de andere overeenkomst in, tenzij het gekozen forum om procedurele of bevoegdheidsredenen, andere dan opzegging overeenkomstig punt 20 van bijlage 29-A, geen vaststellingen doet over deze vordering.

3.

Voor de toepassing van lid 2:

  • a. worden procedures voor geschillenbeslechting krachtens de WTO-overeenkomst geacht te zijn ingeleid wanneer een partij overeenkomstig artikel 6 van het DSU een verzoek om instelling van een panel indient;
  • b. worden procedures voor geschillenbeslechting krachtens dit hoofdstuk geacht te zijn ingeleid wanneer een partij overeenkomstig artikel 29.6 van deze overeenkomst een verzoek om instelling van een arbitragepanel indient; en
  • c. worden procedures voor geschillenbeslechting krachtens enige andere overeenkomst geacht te zijn ingeleid wanneer een partij overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst een verzoek om instelling van een panel of gerecht voor geschillenbeslechting indient.
4.

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst belet een partij haar verplichtingen op te schorten indien zulks door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO is toegestaan. Een partij mag niet de WTO-Overeenkomst inroepen om de andere partij te beletten verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk op te schorten.

AFDELING B. OVERLEG EN BEMIDDELING

Artikel 29.4. Overleg

1.

Een partij kan schriftelijk verzoeken om overleg met de andere partij over de in artikel 29.2 bedoelde aangelegenheden.

2.

De verzoekende partij stuurt het verzoek naar de partij waaraan het verzoek is gericht, en vermeldt de redenen voor het verzoek, waarbij zij onder meer aangeeft welke specifieke maatregel in het geding is en wat de rechtsgrond voor de klacht is.

3.

Behoudens het bepaalde in lid 4, treden de partijen in overleg binnen dertig dagen na de datum waarop de partij waaraan het verzoek is gericht, dit verzoek heeft ontvangen.

4.

In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen of diensten die snel hun handelswaarde verliezen, begint het overleg binnen 15 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek door de partij waaraan dat verzoek is gericht.

5.

De partijen doen alles wat in hun vermogen ligt om de aangelegenheid door overleg op een voor beide partijen aanvaardbare wijze op te lossen. Hiertoe zal elke partij:

  • a. voldoende informatie verstrekken om een volledig onderzoek van de desbetreffende aangelegenheid mogelijk te maken;
  • b. vertrouwelijke of geheime informatie die is uitgewisseld in de loop van het overleg zoals gevraagd door de partij die de informatie verstrekt, beschermen; en
  • c. het personeel van haar overheidsdiensten of andere regelgevende instanties dat over expertise beschikt met betrekking tot de aangelegenheid die het voorwerp van het overleg is, beschikbaar stellen.
6.

Het overleg is vertrouwelijk en laat de rechten van de partijen in procedures in het kader van dit hoofdstuk onverlet.

7.

Het overleg vindt plaats op het grondgebied van de partij waaraan het verzoek is gericht, tenzij de partijen anders overeenkomen. Het overleg kan worden bijgewoond in persoon of worden gehouden op enige andere wijze waarover de partijen overeenstemming hebben bereikt.

8.

Een door een partij voorgestelde maatregel kan voorwerp zijn van overleg in het kader van dit artikel, maar kan geen voorwerp zijn van bemiddeling overeenkomstig artikel 29.5 of de procedures voor geschillenbeslechting in het kader van afdeling C.

Artikel 29.5. Bemiddeling

De partijen kunnen een beroep doen op bemiddeling met betrekking tot een maatregel als deze nadelige gevolgen voor de handel en investeringen tussen de partijen heeft. Bemiddelingsprocedures zijn opgenomen in bijlage 29-C.

AFDELING C. PROCEDURES VOOR GESCHILLENBESLECHTING EN NALEVING

ONDERAFDELING A. PROCEDURES VOOR GESCHILLENBESLECHTING

Artikel 29.6. Verzoek om instelling van een arbitragepanel

1.

Tenzij de partijen anders overeenkomen geldt dat, indien een in artikel 29.4 bedoelde aangelegenheid niet is opgelost binnen:

  • a. 45 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om overleg; of
  • b. 25 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om overleg wat de in artikel 29.4, lid 4, bedoelde aangelegenheden betreft,

de verzoekende partij de zaak kan voorleggen aan een arbitragepanel door overlegging van haar schriftelijke verzoek tot instelling van een arbitragepanel aan de partij waaraan het verzoek is gericht.

2.

De verzoekende partij vermeldt in haar schriftelijke verzoek de specifieke maatregel die in het geding is, vermeldt de rechtsgrondslag voor de klacht en legt uit waarom die maatregel de in artikel 29.2 bedoelde bepalingen schendt.

Artikel 29.7. Samenstelling van arbitragepanel

1.

Het arbitragepanel bestaat uit drie arbiters.

2.

Teneinde tot een akkoord te komen over de samenstelling van het arbitragepanel, plegen de partijen overleg binnen tien werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek door de partij waaraan het verzoek tot instelling van een arbitragepanel is gericht.

3.

Indien de partijen binnen de in lid 2 neergelegde termijn geen overeenstemming over de samenstelling van het arbitragepanel kunnen bereiken, kan een van hen de voorzitter van het Gemengd Comité voor de CETA of diens vertegenwoordiger verzoeken om de arbiters door loting aan te wijzen uit de lijst als bedoeld in artikel 29.8. Eén arbiter wordt gekozen uit de sublijst van de verzoekende partij, één uit de sublijst van de partij waaraan het verzoek is gericht en één uit de sublijst voor voorzitters. Wanneer de partijen het over één of meer arbiters eens zijn, worden resterende arbiters volgens dezelfde procedure uit de toepasselijke sublijst van arbiters gekozen. Indien de partijen overeenstemming hebben bereikt over de keuze van een arbiter, niet zijnde de voorzitter, die geen onderdaan van een van de partijen is, dan worden de voorzitter en de andere arbiter gekozen uit de sublijst van voorzitters.

4.

De voorzitter van het Gemengd Comité voor de CETA of diens vertegenwoordiger wijst de arbiters zo spoedig mogelijk aan, normaal gesproken binnen vijf werkdagen na het in lid 3 bedoelde verzoek door een van de partijen. De voorzitter of diens vertegenwoordiger moet vertegenwoordigers van elke partij een redelijke kans geven bij de loting aanwezig te zijn. Een van de voorzitters kan de selectie door loting alleen uitvoeren indien de andere voorzitter in kennis is gesteld van de datum, het tijdstip en de plaats van de selectie door loting en hij er niet binnen vijf werkdagen na het in lid 3 bedoelde verzoek mee heeft ingestemd om deel te nemen.

5.

De datum van instelling van het arbitragepanel is de datum waarop de laatste van de drie arbiters wordt aangewezen.

6.

Indien de in artikel 29.8 bedoelde lijst niet is opgesteld of onvoldoende namen bevat op het tijdstip waarop een verzoek als bedoeld in lid 3 wordt ingediend, worden de drie arbiters door loting aangewezen uit de arbiters die door een van de partijen of door beide partijen zijn voorgesteld overeenkomstig artikel 29.8, lid 1.

7.

De arbiters mogen uitsluitend om de in de punten 21 tot en met 25 van bijlage 29-A vermelde redenen en overeenkomstig de daarin neergelegde procedure worden vervangen.

Artikel 29.8. Lijst van arbiters

1.

Het Gemengd Comité voor de CETA stelt bij zijn eerste bijeenkomst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst op van ten minste 15 personen die zijn geselecteerd op grond van hun objectiviteit, betrouwbaarheid en deugdelijk oordeelsvermogen, en die bereid en in staat zijn om als arbiter op te treden. De lijst bestaat uit drie sublijsten: een sublijst voor elke partij en een sublijst van personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en die voor het voorzitterschap in aanmerking komen. Elke sublijst bevat ten minste vijf personen. Het Gemengd Comité voor de CETA kan de lijst te allen tijde herzien en zorgt ervoor dat de lijst in overeenstemming is met dit artikel.

2.

De arbiters dienen te beschikken over gespecialiseerde kennis van het internationale handelsrecht. De arbiters die fungeren als voorzitter moeten tevens ervaring hebben als raadsman of panellid in procedures voor geschillenbeslechting over onder deze overeenkomst vallende onderwerpen. De arbiters zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies aan van enige organisatie of overheid, zijn niet verbonden aan de overheid van een van de partijen en houden zich aan de gedragscode van bijlage 29-B.

Artikel 29.9. Tussentijds panelverslag

1.

Het arbitragepanel legt binnen honderdvijftig dagen na de instelling ervan een tussentijds verslag aan de partijen over. Het verslag omvat:

  • a. feitelijke bevindingen; en
  • b. vaststellingen of de partij waaraan het verzoek is gericht, aan haar verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst heeft voldaan.
2.

Elke partij kan bij het arbitragepanel schriftelijke opmerkingen indienen over het tussentijdse verslag, met inachtneming van door het arbitragepanel gestelde termijnen. Naar aanleiding van een onderzoek van deze opmerkingen kan het arbitragepanel:

  • a. zijn verslag heroverwegen; of
  • b. wanneer het dat zinvol acht, de zaak nader onderzoeken.
3.

Het tussentijdse verslag van het arbitragepanel is vertrouwelijk.

Artikel 29.10. Eindverslag van het panel

1.

Tenzij de partijen anders overeenkomen, brengt het arbitragepanel in overeenstemming met dit hoofdstuk verslag uit. Het eindverslag van het panel vermeldt de feitelijke vaststellingen, de toepasbaarheid van de desbetreffende bepalingen van deze overeenkomst en de voornaamste gronden die aan de bevindingen en conclusies ervan ten grondslag liggen. De uitspraak van het arbitragepanel in het eindverslag van het panel is bindend voor de partijen.

2.

Het arbitragepanel legt binnen dertig dagen na het uitbrengen van het tussentijdse verslag een eindverslag aan de partijen en het Gemengd Comité voor de CETA over.

3.

Elke partij maakt het eindverslag van het panel openbaar, met inachtneming van punt 39 van bijlage 29-A.

Artikel 29.11. Kort gedingen

In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen of diensten die snel hun handelswaarde verliezen, doen het arbitragepanel en de partijen al het mogelijke om de procedures zoveel mogelijk te bespoedigen. Het arbitragepanel streeft ernaar aan de partijen binnen 75 dagen na de instelling van het arbitragepanel een tussentijds verslag, en binnen 15 dagen na het uitbrengen van het tussentijdse verslag een definitief verslag over te leggen. Indien een partij daarom verzoekt, doet het arbitragepanel binnen tien dagen na het verzoek een voorlopige uitspraak over de vraag of het de zaak spoedeisend acht.

ONDERAFDELING B. NALEVING

Artikel 29.12. Naleving van het eindverslag van het panel

De partij waaraan het verzoek is gericht, neemt alle maatregelen die nodig zijn om uitvoering te geven aan het eindverslag van het panel. De partij waaraan het verzoek is gericht, stelt de andere partij en het Gemengd Comité voor de CETA uiterlijk twintig dagen na ontvangst van het eindverslag van het panel door de partijen in kennis van haar voornemens ten aanzien van de naleving.

Artikel 29.13. Redelijke termijn voor naleving

1.

Indien onmiddellijke naleving niet mogelijk is, stelt de partij waaraan het verzoek is gericht, de verzoekende partij en het Gemengd Comité voor de CETA uiterlijk twintig dagen na ontvangst van het eindverslag van het panel door de partijen in kennis van de termijn die zij nodig heeft om naleving te verwezenlijken.

2.

Zijn de partijen het niet eens over een redelijke termijn om uitvoering te geven aan het eindverslag van het panel, dan vraagt de verzoekende partij het arbitragepanel schriftelijk, binnen twintig dagen na ontvangst van de kennisgeving overeenkomstig lid 1 door de partij waaraan het verzoek is gericht, om vaststelling van een redelijke termijn. Van dit verzoek wordt tegelijkertijd aan de andere partij en aan het Gemengd Comité voor de CETA kennisgegeven. Het arbitragepanel maakt zijn uitspraak binnen dertig dagen na de datum van de indiening van het verzoek bekend aan de partijen en aan het Gemengd Comité voor de CETA.

3.

De partijen kunnen de redelijke termijn in onderling overleg verlengen.

4.

Op elk tijdstip na het verstrijken van de helft van de redelijke termijn en op verzoek van de verzoekende partij is de partij waaraan het verzoek is gericht, bereid te discussiëren over de maatregelen die zij neemt om aan het eindverslag van het panel uitvoering te geven.

5.

De partij waaraan het verzoek is gericht, stelt de andere partij en het Gemengd Comité voor de CETA voor afloop van de redelijke termijn in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om aan het eindverslag van het panel uitvoering te geven.

Artikel 29.14. Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving

1.

Indien:

  • a. de partij waaraan het verzoek is gericht, niet kennisgeeft van haar voornemen om uitvoering te geven aan het eindverslag van het panel overeenkomstig artikel 29.12, of van de termijn die zij nodig heeft voor naleving overeenkomstig artikel 29.13, lid 1;
  • b. de partij waaraan het verzoek is gericht, bij het verstrijken van de redelijke termijn niet kennisgeeft van maatregelen die zijn genomen om aan het eindverslag van het panel uitvoering te geven; of
  • c. het arbitragepanel inzake de in lid 6 bedoelde naleving vaststelt dat een nalevingsmaatregel indruist tegen de verplichtingen van die partij uit hoofde van de in artikel 29.2 bedoelde bepalingen,

dan is de verzoekende partij gerechtigd tot opschorting van verplichtingen of tot het ontvangen van compensatie. De mate waarin voordelen worden tenietgedaan of uitgehold wordt berekend vanaf de datum van kennisgeving van het eindverslag van het panel aan de partijen.

2.

Alvorens over te gaan tot opschorting van verplichtingen stelt de verzoekende partij de partij waaraan het verzoek is gericht en het Gemengd Comité voor de CETA in kennis van haar voornemen daartoe, waarbij zij specificeert in welke mate zij haar verplichtingen beoogt op te schorten.

3.

Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, kan de opschorting van verplichtingen betrekking hebben op om het even welke in artikel 29.2 bedoelde bepaling, tot een mate die overeenstemt met de mate waarin de schending de voordelen tenietdoet of uitholt.

4.

De verzoekende partij mag de opschorting tien werkdagen na de datum van ontvangst van de in lid 2 bedoelde kennisgeving door de partij waaraan het verzoek is gericht, toepassen, tenzij een partij overeenkomstig de leden 6 en 7 een verzoek om arbitrage heeft ingediend.

5.

Indien er tussen de partijen onenigheid bestaat over de vraag of er sprake is van een maatregel tot naleving, of over de vraag of deze in overeenstemming is met de in artikel 29.2 bedoelde bepalingen („geschil over de naleving”), of over de gelijkwaardigheid van de mate van opschorting en de mate waarin de schending de voordelen tenietdoet of uitholt („geschil over de gelijkwaardigheid”), wordt dit voorgelegd aan het arbitragepanel.

6.

Een partij kan het arbitragepanel opnieuw bijeenroepen door middel van een schriftelijk verzoek aan het arbitragepanel, de andere partij en het Gemengd Comité voor de CETA. In geval van een geschil over de naleving komt het arbitragepanel opnieuw bijeen op verzoek van de verzoekende partij. In geval van een geschil over de gelijkwaardigheid komt het arbitragepanel opnieuw bijeen op verzoek van de partij waaraan het verzoek is gericht. In geval van geschil over zowel de naleving als de gelijkwaardigheid doet het arbitragepanel uitspraak over het geschil over de naleving alvorens uitspraak over het geschil over de gelijkwaardigheid te doen.

7.

Het arbitragepanel stelt de partijen en het Gemengd Comité voor de CETA dienovereenkomstig van zijn uitspraak in kennis:

  • a. binnen negentig dagen na het verzoek het arbitragepanel opnieuw bijeen te roepen, in geval van een geschil over de naleving;
  • b. binnen dertig dagen na het verzoek het arbitragepanel opnieuw bijeen te roepen, in geval van een geschil over de gelijkwaardigheid;
  • c. binnen honderdtwintig dagen na het eerste verzoek het arbitragepanel opnieuw bijeen te roepen, in geval van een onenigheid over zowel de naleving als de gelijkwaardigheid.
8.

De verzoekende partij schort geen verplichtingen op tot het arbitragepanel dat opnieuw bijeen is gekomen krachtens de leden 6 en 7, uitspraak heeft gedaan. Opschortingen zijn met de uitspraak van het arbitragepanel in overeenstemming.

9.

De opschorting van verplichtingen is van tijdelijke aard en wordt slechts toegepast totdat de maatregel waarvan is vastgesteld dat deze niet in overeenstemming is met de in artikel 29.2 bedoelde bepalingen, is ingetrokken of zodanig is gewijzigd dat hij overeenkomstig artikel 29.15 met die bepalingen in overeenstemming is gebracht, of totdat de partijen hun geschil hebben bijgelegd.

10.

De verzoekende partij kan de partij waaraan het verzoek is gericht, te allen tijde verzoeken om een aanbod voor tijdelijke compensatie en de andere partij legt een dergelijk aanbod voor.

Artikel 29.15. Onderzoek van nalevingsmaatregelen getroffen na opschorting van verplichtingen

1.

Wanneer na de opschorting van verplichtingen door de verzoekende partij, de partij waaraan het verzoek is gericht maatregelen neemt om uitvoering te geven aan het eindverslag van het panel, stelt de partij waaraan het verzoek is gericht de andere partij en het Gemengd Comité voor de CETA daarvan in kennis en verzoekt zij om beëindiging van de opschorting van verplichtingen door de verzoekende partij.

2.

Indien de partijen binnen zestig dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving geen overeenstemming bereiken over de vraag of de maatregel waarvan is kennisgegeven, verenigbaar is met de in artikel 29.2 bedoelde bepalingen, verzoekt de verzoekende partij het arbitragepanel schriftelijk om hierover uitspraak te doen. Van dit verzoek wordt tegelijkertijd aan de andere partij en aan het Gemengd Comité voor de CETA kennisgegeven. De partijen en het Gemengd Comité voor de CETA worden binnen negentig dagen na de indiening van het verzoek in kennis gesteld van het eindverslag van het panel. Indien het arbitragepanel oordeelt dat een maatregel die is getroffen om de uitspraak na te leven in overeenstemming is met de in artikel 29.2 bedoelde bepalingen, wordt de opschorting van verplichtingen beëindigd.

AFDELING D. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 29.16. Reglement van orde

Procedures voor geschillenbeslechting in het kader van dit hoofdstuk worden geregeld in het reglement van orde voor arbitrage in bijlage 29-A, tenzij de partijen anders overeenkomen.

Artikel 29.17. Algemene regel van uitlegging

Het arbitragepanel legt de bepalingen van deze overeenkomst uit volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht zijn neergelegd. Het arbitragepanel neemt tevens de relevante interpretaties in aanmerking uit de panelverslagen en de verslagen van de Beroepsinstantie die zijn goedgekeurd door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO.

Artikel 29.18. Uitspraken van arbitragepanel

De uitspraken van het arbitragepanel kunnen de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst niet verruimen of beperken.

Artikel 29.19. Onderling overeengekomen oplossingen

De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor een onder dit hoofdstuk vallend geschil overeenkomen. Zij stellen het Gemengd Comité voor de CETA en het arbitragepanel van die oplossing in kennis. Na kennisgeving van de onderling overeengekomen oplossing beëindigt het arbitragepanel zijn werkzaamheden en is de procedure beëindigd.

HOOFDSTUK DERTIG. SLOTBEPALINGEN

Artikel 30.1. Integrerende delen van deze overeenkomst

De protocollen, bijlagen, verklaringen, gezamenlijke verklaringen, memoranda van overeenstemming en voetnoten bij deze overeenkomst maken daarvan integrerend deel uit.

Artikel 30.2. Wijzigingen

1.

De partijen kunnen schriftelijk overeenkomen deze overeenkomst te wijzigen. Een wijziging treedt in werking nadat de partijen schriftelijke kennisgevingen hebben uitgewisseld waarin zij verklaren aan hun respectieve toepasselijke interne voorschriften te hebben voldaan en hun respectieve toepasselijke procedures te hebben afgerond zoals noodzakelijk voor de inwerkingtreding van de wijziging, dan wel op door de partijen overeengekomen datum.

2.

In afwijking van lid 1 kan het Gemengd Comité voor de CETA besluiten de protocollen en bijlagen bij deze overeenkomst te wijzigen. De partijen kunnen het besluit van het Gemengd Comité voor de CETA goedkeuren, overeenkomstig hun respectieve interne voorschriften en procedures zoals noodzakelijk voor de inwerkingtreding van de wijziging. Het besluit treedt in werking op een door de partijen overeengekomen datum. Deze procedure is niet van toepassing op wijzigingen van de bijlagen I, II en III en wijzigingen van de bijlagen bij de hoofdstukken acht (Investeringen), negen (Grensoverschrijdende handel in diensten), tien (Tijdelijke toelating en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden) en dertien (Financiële diensten), met uitzondering van bijlage 10-A (Lijst van contactpunten van de lidstaten van de Europese Unie).

Artikel 30.3. Preferentiegebruik

Gedurende een periode van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst wisselen de partijen voor de GS-hoofdstukken 1 tot en met 97 de kwartaalcijfers op tariefpostniveau uit voor de invoer van goederen uit de andere partij die onderworpen is aan de gebruikelijke meestbegunstigingstarieven en tariefpreferenties in het kader van deze overeenkomst. Tenzij de partijen anders besluiten, wordt deze periode verlengd met vijf jaar en kan zij vervolgens door de partijen verder worden verlengd.

Artikel 30.4. Lopende rekening

De partijen verlenen overeenkomstig artikel VIII van de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds, opgesteld te Bretton Woods op 22 juli 1944, machtiging voor alle betalingen en overmakingen in vrij converteerbare valuta op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen de partijen.

Artikel 30.5. Kapitaalverkeer

De partijen treden met elkaar in overleg om het onderlinge kapitaalverkeer te vergemakkelijken, door verdere uitvoering van hun beleid inzake de liberalisering van financiële en kapitaalrekeningen te geven, en door bij te dragen tot een stabiel en veilig klimaat voor langetermijninvesteringen.

Artikel 30.6. Particuliere rechten

1.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt aldus uitgelegd dat daaraan rechten kunnen worden ontleend of dat zij verplichtingen bevat voor personen, anders dan die welke tussen de partijen in het leven zijn geroepen krachtens internationaal publiekrecht, noch aldus dat op deze overeenkomst een rechtstreeks beroep kan worden gedaan in de interne rechtsorde van de partijen.

2.

Een partij voorziet niet in een recht naar haar interne recht tegen de andere partij te ageren op grond dat een maatregel van de andere partij onverenigbaar is met deze overeenkomst.

Artikel 30.7. Inwerkingtreding en voorlopige toepassing

1.

Deze overeenkomst wordt door de partijen volgens hun respectieve interne voorschriften en procedures goedgekeurd.

2.

Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de partijen schriftelijke kennisgevingen met elkaar hebben uitgewisseld waarin zij verklaren dat aan hun respectieve interne vereisten is voldaan en dat hun respectieve interne procedures zijn voltooid, dan wel op een andere door de partijen overeengekomen datum.

  • a. De partijen kunnen deze overeenkomst voorlopig toepassen vanaf de eerste dag van de maand volgende op de datum waarop de partijen elkaar ervan in kennis hebben gesteld dat aan hun respectieve interne voorschriften is voldaan en dat hun respectieve interne procedures zijn voltooid zoals noodzakelijk voor de voorlopige toepassing van deze overeenkomst, dan wel vanaf een andere door de partijen overeengekomen datum.
  • b. Indien een partij voornemens is een bepaling van deze overeenkomst niet voorlopig toe te passen, stelt zij de andere partij in kennis van de bepalingen die zij niet voorlopig zal toepassen en biedt zij aan onverwijld in overleg te treden. Binnen dertig dagen na de kennisgeving kan de andere partij hetzij daartegen bezwaar maken, in welk geval deze overeenkomst niet voorlopig wordt toegepast, hetzij haar eigen kennisgeving verstrekken ten aanzien van gelijkwaardige bepalingen van deze overeenkomst die zij in voorkomend geval niet voornemens is voorlopig toe te passen. Indien de andere partij binnen dertig dagen na de tweede kennisgeving bezwaar maakt, wordt deze overeenkomst niet voorlopig toegepast. De bepalingen waarvoor geen kennisgeving door een partij plaatsvindt, worden door die partij voorlopig toegepast vanaf de eerste dag van de maand volgend op de latere kennisgeving, of op een andere door de partijen overeengekomen datum, mits zij kennisgevingen hebben uitgewisseld zoals bedoeld onder a).
  • c. Een partij kan de voorlopige toepassing van deze overeenkomst beëindigen door een schriftelijke kennisgeving aan de andere partij. Deze beëindiging treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op die kennisgeving.
  • d. Wanneer deze overeenkomst of sommige bepalingen ervan voorlopig worden toegepast, verstaan de partijen onder „inwerkingtreding van deze overeenkomst” de datum van voorlopige toepassing. Het Gemengd Comité voor de CETA en andere krachtens deze overeenkomst opgerichte organen kunnen hun taken gedurende de voorlopige toepassing van deze overeenkomst uitoefenen. Alle in de uitoefening van deze taken genomen besluiten houden op gevolgen te hebben wanneer de voorlopige toepassing van deze overeenkomst wordt beëindigd overeenkomstig het bepaalde onder c).
4.

Canada dient kennisgevingen uit hoofde van dit artikel in bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie of de opvolger daarvan. De Europese Unie dient kennisgevingen uit hoofde van dit artikel in bij het Canadese Ministerie van Buitenlandse Zaken, Handel en Ontwikkeling („Department of Foreign Affairs, Trade and Development”) of de opvolger daarvan.

Artikel 30.8. Beëindiging, opschorting of opneming van andere bestaande overeenkomsten

1.

De in bijlage 30-A vermelde overeenkomsten zijn niet meer van kracht; zij komen te vervallen en worden vervangen door deze overeenkomst. De in bijlage 30-A vermelde overeenkomsten worden beëindigd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

2.

Onverminderd lid 1, kan een vordering worden ingediend op grond van een in bijlage 30-A vermelde overeenkomst overeenkomstig de in de overeenkomst neergelegde voorschriften en procedures indien:

  • a. de behandeling die voorwerp is van de vordering werd toegekend toen de overeenkomst niet beëindigd was; en
  • b. niet meer dan drie jaar zijn verstreken sinds de datum van beëindiging van de overeenkomst.
3.

De Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Canada inzake de handel in alcoholhoudende dranken, gedaan te Brussel op 28 februari 1989, zoals gewijzigd („1989 Alcoholic Beverages Agreement”) en de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Canada inzake de handel in wijnen en gedistilleerde dranken, gedaan te Niagara-on-the-Lake op 16 september 2003 (de „2003 Wines and Spirit Drinks Agreement”) worden hierbij opgenomen in en maken deel uit van deze overeenkomst, zoals gewijzigd bij bijlage 30-B.

4.

De bepalingen van de 1989 Alcoholic Beverages Agreement of van de 2003 Wines and Spirit Drinks Agreement, zoals gewijzigd en opgenomen in deze overeenkomst, hebben voorrang voor zover er strijdigheid is tussen de bepalingen van die overeenkomsten en enige andere bepaling van deze overeenkomst.

5.

De Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en Canada (de „Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning”), gedaan te Londen op 14 mei 1998, wordt beëindigd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. In geval van voorlopige toepassing van hoofdstuk vier (Technische handelsbelemmeringen) in overeenstemming met artikel 30.7, lid 3, onder a), worden de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning, alsmede de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen, opgeschort vanaf de datum van voorlopige toepassing. Indien de voorlopige toepassing wordt beëindigd, komt de opschorting van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning te vervallen.

6.

De partijen erkennen de resultaten die zijn bereikt in het kader van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Canada inzake sanitaire maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid bij de handel in levende dieren en dierlijke producten, gedaan te Ottawa op 17 december 1998 (de „Veterinaire Overeenkomst”) en bevestigen hun voornemen om deze werkzaamheden voort te zetten in het kader van deze overeenkomst. De Veterinaire Overeenkomst komt te vervallen met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. In het geval van voorlopige toepassing van hoofdstuk vijf (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen) in overeenstemming met artikel 30.7, lid 3, onder a), worden de Veterinaire Overeenkomst alsmede de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen opgeschort vanaf de datum van voorlopige toepassing. Indien de voorlopige toepassing wordt beëindigd, wordt de opschorting van de Veterinaire Overeenkomst beëindigd.

7.

De definitie van „inwerkingtreding van deze overeenkomst” in artikel 30.7, lid 3, onder d), is niet van toepassing op dit artikel.

Artikel 30.9. Opzegging

1.

Een partij kan deze overeenkomst opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving van opzegging aan het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Handel en Ontwikkeling van Canada of de respectieve opvolgers daarvan. Deze overeenkomst wordt honderdtachtig dagen na de datum van die kennisgeving beëindigd. De partij die een opzeggingskennisgeving doet, verstrekt tevens een kopie van de kennisgeving aan het Gemengd Comité voor de CETA.

2.

Onverminderd het bepaalde in lid 1 blijven, ingeval deze overeenkomst wordt beëindigd, de bepalingen van hoofdstuk acht (Investeringen) van kracht gedurende 20 jaar na de datum van beëindiging van deze overeenkomst wat vóór die datum gedane investeringen betreft. Dit lid is niet van toepassing in geval van voorlopige toepassing van deze overeenkomst.

Artikel 30.10. Toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie

1.

De Europese Unie stelt Canada in kennis van elk verzoek van een land om toetreding tot de Europese Unie.

2.

Tijdens de onderhandelingen tussen de Europese Unie en het land dat wil toetreden, zal de EU:

  • a. op verzoek van Canada voor zover mogelijk alle informatie verstrekken betreffende de onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden; en
  • b. rekening houden met alle door Canada geuite punten van zorg.
3.

De EU stelt Canada in kennis van de inwerkingtreding van elke toetreding tot de Europese Unie.

4.

Ruim vóór de datum van toetreding van een land tot de Europese Unie onderzoekt het Gemengd Comité voor de CETA de gevolgen van de toetreding voor deze overeenkomst en neemt het een besluit over eventueel noodzakelijke aanpassings- of overgangsmaatregelen.

5.

Elke nieuwe lidstaat van de Europese Unie treedt vanaf de datum van zijn toetreding tot de Europese Unie toe tot de onderhavige overeenkomst door middel van een daartoe strekkende bepaling in de akte van toetreding tot de Europese Unie. Indien de akte van toetreding tot de Europese Unie niet voorziet in een automatische toetreding van de EU-lidstaat tot deze overeenkomst, treedt de betrokken EU-lidstaat tot deze overeenkomst toe door nederlegging van een akte van toetreding tot de overeenkomst bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Handel en Ontwikkeling van Canada of de respectieve opvolgers daarvan.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)