Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 23 december 1965, houdende vervanging van het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een nieuwe wettelijke regeling
33 versions
· 2025-01-01
2025-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2024-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2023-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2022-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2020-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2019-05-17
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2018-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2017-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2016-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2015-06-12
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2014-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2013-07-22
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2013-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2012-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2011-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2010-10-10
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2010-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2008-07-11
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2008-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2007-11-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2007-08-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2007-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2006-02-03
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 12
2006-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4
2005-12-02
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4, 4
2005-11-16
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4, 4, 4
2005-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2004-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 4
2003-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 4
2002-08-29
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4
Wijzigingen op 2002-08-29
@@ -20,7 +20,7 @@
##### Artikel 2
De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-07-26) bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen.
De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2002-08-29&g=2002-08-29) bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen.
##### Artikel 3
@@ -44,6 +44,8 @@
2. Niet in geld genoten opbrengst wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.
3. Inkoop van aandelen met het oog op de nakoming van een optieverplichting jegens een werknemer van de eigen vennootschap of een verbonden vennootschap als bedoeld in [artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=10a) is een tijdelijke belegging. Ingeval deze aandelen drie maanden na het tenietgaan van de optieverplichting nog tot de bezittingen van de vennootschap behoren, worden zij op dat tijdstip geacht te zijn ingekocht tegen de waarde in het economische verkeer van de aandelen op dat tijdstip. Voor de toepassing van dit lid wordt onder een optieverplichting verstaan een verplichting die de tegenhanger is van een recht om een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te verwerven, of van een recht dat daarmee gelijk te stellen is.
##### Artikel 3a
1. Voorzover de storting op aandelen in een vennootschap bestaat uit aandelen in een andere vennootschap wordt ten aanzien van alle aandeelhouders slechts als gestort aangemerkt hetgeen op de laatstbedoelde aandelen is gestort, verminderd met hetgeen in contanten is bijbetaald.
@@ -58,16 +60,34 @@
6. De splitsende rechtspersoon die zekerheid wil hebben omtrent de vraag of de splitsing niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan voor de splitsing een verzoek indienen bij de inspecteur die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
7. In het geval van toekenning van een aandelenoptierecht aan een werknemer wordt als gestort aangemerkt het bedrag, bedoeld in [artikel 9, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=9) vermeerderd met het bedrag dat de werknemer ter zake in rekening wordt gebracht, en wordt als tijdstip van storting aangemerkt het tijdstip, bedoeld in genoemd [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=9).
##### Artikel 3b
De herbeleggingsreserve die is gevormd ingevolge de nadere regelen die zijn gegeven krachtens [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting van beleggingsinstellingen, wordt aangemerkt als op de aandelen van de instelling gestort kapitaal.
##### Artikel 4
1. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van aandelen en winstbewijzen indien de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in [artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13), van toepassing is op de voordelen die de tot de opbrengstgerechtigde uit die aandelen of winstbewijzen geniet en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming.
1. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van aandelen en winstbewijzen indien de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in [artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13), van toepassing is op de voordelen die de tot de opbrengstgerechtigde uit die aandelen of winstbewijzen geniet en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming. De eerste volzin is niet van toepassing ten aanzien van opbrengsten met betrekking waartoe de opbrengstgerechtigde niet de uiteindelijk gerechtigde is.
2. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van de opbrengst van aandelen in en winstbewijzen ten laste van aangewezen kredietinstellingen en beleggingsinstellingen als bedoeld in [artikel 5.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14).
3. Voor het achterwege laten van de inhouding van dividendbelasting ingevolge dit artikel, een teruggaaf van dividendbelasting ingevolge [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2002-08-29&g=2002-08-29), alsmede het achterwege laten dan wel een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, wordt niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:
- de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan:
- een natuurlijke persoon of een rechtspersoon ten aanzien van wie inhouding niet achterwege mag blijven, terwijl dit ten aanzien van degene die de tegenprestatie heeft verricht wel mag, of
- een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in mindere mate gerechtigd is tot vermindering of teruggaaf van dividendbelasting dan degene die de tegenprestatie heeft verricht; en
- deze natuurlijke persoon of rechtspersoon een positie in aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.
4. Voor de toepassing van het derde lid:
- kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde effectenbeurs of markt;
- wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op aandelen.
##### Artikel 4a
1. Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengst van aandelen en winstbewijzen die wordt uitgedeeld aan een in een andere lid-staat van de Europese Unie gevestigd lichaam, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
@@ -94,9 +114,9 @@
##### Artikel 4b
1. Ingeval de in [artikel 4**a,** eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2002-01-01&g=2002-07-26), 2°, dan wel in het tweede lid, bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar blijft in afwijking in zoverre van dat artikel inhouding van belasting eveneens achterwege, mits de dochtermaatschappij ten belope van het bedrag van de belasting waarvan inhouding achterwege blijft, zekerheid stelt.
2. Gelijktijdig met het doen van de opgaaf als bedoeld in [artikel 4**a**, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2002-01-01&g=2002-07-26), wordt de zekerheid gesteld bij de ontvanger. Deze beslist of de vorm van zekerheid die de dochtermaatschappij aanbiedt, wordt aanvaard.
1. Ingeval de in [artikel 4**a,** eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2002-08-29&g=2002-08-29), 2°, dan wel in het tweede lid, bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar blijft in afwijking in zoverre van dat artikel inhouding van belasting eveneens achterwege, mits de dochtermaatschappij ten belope van het bedrag van de belasting waarvan inhouding achterwege blijft, zekerheid stelt.
2. Gelijktijdig met het doen van de opgaaf als bedoeld in [artikel 4**a**, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2002-08-29&g=2002-08-29), wordt de zekerheid gesteld bij de ontvanger. Deze beslist of de vorm van zekerheid die de dochtermaatschappij aanbiedt, wordt aanvaard.
3. Indien binnen één jaar na het tijdstip waarop de moedermaatschappij is gaan voldoen aan de voorwaarde dat zij voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel ten minste 25 percent van de stemrechten in de dochtermaatschappij bezit, zich een omstandigheid voordoet waardoor haar bezit daalt beneden de 25 percent, moet de belasting waarvan inhouding op grond van het eerste lid achterwege is gebleven, alsnog worden betaald.
@@ -104,7 +124,7 @@
5. De aan het stellen en het opheffen van de zekerheid verbonden kosten komen ten laste van de dochtermaatschappij.
6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de in [artikel 4**a**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2002-01-01&g=2002-07-26), bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar.
6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de in [artikel 4**a**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2002-08-29&g=2002-08-29), bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar.
##### Artikel 4c
@@ -116,7 +136,7 @@
- c. het bedrag van de inkoop in het kalenderjaar is ten minste gelijk aan een vierde deel van het dividend in contanten dat in het kalenderjaar wordt uitgekeerd, en
- d. in het kalenderjaar tot het tijdstip van de inkoop en in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren is het nominaal gestorte kapitaal in de inhoudingsplichtige niet vergroot, anders dan in situaties van fusies, situaties waarin ter zake van de vergroting van het nominaal gestorte kapitaal [artikel 3, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2002-01-01&g=2002-07-26), van toepassing is situaties ‘situaties’ moet zijn ‘,situaties’waarin sprake is van een omzetting in nominaal aandelenkapitaal van hetgeen op aandelen is gestort boven het nominale aandelenkapitaal, of situaties waarin de vergroting van het nominaal gestorte kapitaal een gevolg is van een niet-openbare emissie van aandelen in verband met de voldoening aan een aandelenoptieverplichting jegens een werknemer.
- d. in het kalenderjaar tot het tijdstip van de inkoop en in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren is het nominaal gestorte kapitaal in de inhoudingsplichtige niet vergroot, anders dan in situaties van fusies, situaties waarin ter zake van de vergroting van het nominaal gestorte kapitaal [artikel 3, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2002-08-29&g=2002-08-29), van toepassing is situaties ‘situaties’ moet zijn ‘,situaties’waarin sprake is van een omzetting in nominaal aandelenkapitaal van hetgeen op aandelen is gestort boven het nominale aandelenkapitaal, of situaties waarin de vergroting van het nominaal gestorte kapitaal een gevolg is van een niet-openbare emissie van aandelen in verband met de voldoening aan een aandelenoptieverplichting jegens een werknemer.
2. Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten in vijf voorafgaande kalenderjaren, wordt berekend door na correctie van de bedragen van de zeven voorafgaande kalenderjaren met een inflatiebijstelling, het jaar met het hoogste en het jaar met het laagste gecorrigeerde bedrag buiten aanmerking te laten.
@@ -140,7 +160,7 @@
1. Neemt de vennootschap die de opbrengst verschuldigd is, de belasting voor haar rekening, dan wordt voor het berekenen van de belasting de opbrengst vermenigvuldigd met 100/75.
2. Indien bij het einde van het kalenderjaar blijkt dat bij een inkoop van aandelen in het jaar niet is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 4c, eerste lid, onderdelen b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4c&z=2002-01-01&g=2002-07-26), wordt de belasting berekend gelijk als in situaties waarin de vennootschap de belasting voor haar rekening neemt.
2. Indien bij het einde van het kalenderjaar blijkt dat bij een inkoop van aandelen in het jaar niet is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 4c, eerste lid, onderdelen b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4c&z=2002-08-29&g=2002-08-29), wordt de belasting berekend gelijk als in situaties waarin de vennootschap de belasting voor haar rekening neemt.
### Hoofdstuk IV. Wijze van heffing
@@ -168,13 +188,13 @@
##### Artikel 10
1. Aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, indien deze meer bedraagt dan € 23. Buiten beschouwing blijft hierbij de belasting, ingehouden ter zake van de opbrengst van effecten welke de rechtspersoon binnen drie maanden na de verkrijging heeft vervreemd. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn.
2. Aan een vennootschap die voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt aangemerkt als beleggingsinstelling wordt op haar verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een jaar te haren laste ingehouden dividendbelasting. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de teruggaaf betrekking heeft.
1. Aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, indien deze meer bedraagt dan € 23. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de vennootschap niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn.
2. Aan een vennootschap die voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt aangemerkt als beleggingsinstelling wordt op haar verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een jaar te haren laste ingehouden dividendbelasting. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de teruggaaf betrekking heeft.
##### Artikel 11
1. Op de ingevolge [artikel 7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2002-01-01&g=2002-07-26), op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd in de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. Op de ingevolge [artikel 7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2002-08-29&g=2002-08-29), op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd in de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- 1°. de inhoudingsplichtige was op het tijdstip waarop het lichaam de winstuitkering ter beschikking stelde - al dan niet te zamen met in Nederland gevestigde, met de inhoudingsplichtige verbonden lichamen als bedoeld in [artikel 10**a**, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) - voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van dat lichaam dan wel bezat, zo het verdrag daarin voorziet, ten minste 25 percent van de stemrechten in dat lichaam;
@@ -186,9 +206,9 @@
3. Tot de in het tweede lid genoemde opbrengst waarop de inhoudingsplichtige dividendbelasting heeft ingehouden, wordt niet gerekend de opbrengst waarop hij weliswaar dividendbelasting heeft ingehouden doch welke belasting voor volledige teruggaaf in aanmerking komt, behalve indien de opbrengst ter beschikking wordt gesteld aan:
- 1°. een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2002-01-01&g=2002-07-26), of een daarmee vergelijkbaar in het buitenland gevestigd lichaam, die respectievelijk dat voor minder dan 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de inhoudingsplichtige; of
- 2°. een vennootschap als bedoeld in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2002-01-01&g=2002-07-26).
- 1°. een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2002-08-29&g=2002-08-29), of een daarmee vergelijkbaar in het buitenland gevestigd lichaam, die respectievelijk dat voor minder dan 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de inhoudingsplichtige; of
- 2°. een vennootschap als bedoeld in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2002-08-29&g=2002-08-29).
4. Ingeval van een fiscale eenheid als bedoeld in [artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) worden de door een dochtermaatschappij ontvangen winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen welke voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid voor de toepassing van de vermindering ingevolge dit artikel toegerekend aan de moedermaatschappij. De eerste volzin is alleen van toepassing ingeval de plaats van de werkelijke leiding van de dochtermaatschappij in Nederland is gelegen. Ingeval door de dochtermaatschappij voor het tot stand komen van de fiscale eenheid winstuitkeringen zijn ontvangen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, kan Onze Minister op verzoek, onder door hem te stellen voorwaarden, die winstuitkeringen toerekenen aan de moedermaatschappij.
@@ -198,11 +218,11 @@
##### Artikel 12
1. Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2002-01-01&g=2002-07-26), mag hij in afwijking van [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2002-01-01&g=2002-07-26), tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege laten van inhouding van de belasting.
1. Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2002-08-29&g=2002-08-29), mag hij in afwijking van [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2002-08-29&g=2002-08-29), tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege laten van inhouding van de belasting.
2. De inhoudingsplichtige die op de voet van het eerste lid afziet van het achterwege laten van inhouding van belasting, is verplicht aangifte te doen van de ingehouden belasting.
3. Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden voor een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2002-01-01&g=2002-07-26).
3. Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden voor een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2002-08-29&g=2002-08-29).
##### Artikel 13
@@ -222,7 +242,7 @@
##### Artikel 16
[Artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3a&z=2002-01-01&g=2002-07-26), vindt geen toepassing met betrekking tot stortingen op aandelen die vóór 1 januari 1946 hebben plaatsgevonden.
[Artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3a&z=2002-08-29&g=2002-08-29), vindt geen toepassing met betrekking tot stortingen op aandelen die vóór 1 januari 1946 hebben plaatsgevonden.
##### Artikel 17
2002-07-26
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4, 4
2002-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 17
2002-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
original version
Tekst op deze datum