Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 23 december 1965, houdende vervanging van het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een nieuwe wettelijke regeling
33 versions
· 2025-01-01
2025-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2024-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2023-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2022-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2020-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2019-05-17
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2018-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2017-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2016-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2015-06-12
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2014-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2013-07-22
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2013-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2012-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2011-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2010-10-10
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2010-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2008-07-11
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2008-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2007-11-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2007-08-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2007-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2006-02-03
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 12
Wijzigingen op 2006-02-03
@@ -22,7 +22,7 @@
##### Artikel 2
De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2006-01-01&g=2006-01-01) bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen.
De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2006-02-03&g=2006-02-03) bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen.
##### Artikel 3
@@ -78,7 +78,7 @@
3. Bij een beleggingsinstelling in de zin van [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) mag inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in [artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19g).
4. Voor het achterwege laten van de inhouding van dividendbelasting ingevolge dit artikel, een teruggaaf van dividendbelasting ingevolge [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2006-01-01&g=2006-01-01), alsmede het achterwege laten dan wel een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, wordt niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:
4. Voor het achterwege laten van de inhouding van dividendbelasting ingevolge dit artikel, een teruggaaf van dividendbelasting ingevolge [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2006-02-03&g=2006-02-03), alsmede het achterwege laten dan wel een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, wordt niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:
- de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan:
@@ -96,11 +96,11 @@
##### Artikel 4a
1. Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengst van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](onbekend) die wordt uitgedeeld aan een in een andere lid-staat van de Europese Unie gevestigd lichaam, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengst van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10) die wordt uitgedeeld aan een in een andere lid-staat van de Europese Unie gevestigd lichaam, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- 1°. de inhoudingsplichtige en het ontvangende lichaam hebben één van de in de bijlage bij de [Richtlijn 90/435/EEG](31990L0435) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten (**PbEG** L 225), opgenomen rechtsvormen;
- 2°. het ontvangende lichaam (moedermaatschappij) is op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld reeds gedurende een ononderbroken periode van één jaar voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van de inhoudingsplichtige (dochtermaatschappij);
- 2°. het ontvangende lichaam (moedermaatschappij) is op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld reeds gedurende een ononderbroken periode van één jaar voor ten minste 20 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van de inhoudingsplichtige (dochtermaatschappij);
- 3°. de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij zijn in de lid-staat van vestiging zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel **c,** van de richtlijn;
@@ -108,7 +108,7 @@
tenzij op grond van een voorschrift ter bestrijding van fraude en misbruiken opgenomen in een door Nederland met de lid-staat van vestiging van de moedermaatschappij gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, de moedermaatschappij geen aanspraak zou kunnen maken op de in dat verdrag opgenomen verlaging van de belastingheffing op dividenden.
2. Indien de moedermaatschappij is gevestigd in een lid-staat van de Europese Unie waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een verlaging van belastingheffing op dividenden op grond van het bezit van het aantal stemrechten in de vennootschap die de dividenden uitdeelt, geldt in afwijking in zoverre van het eerste lid, als voorwaarde dat die moedermaatschappij in het bezit is van ten minste 25 percent van de stemrechten in de inhoudingsplichtige.
2. Indien de moedermaatschappij is gevestigd in een lid-staat van de Europese Unie waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een verlaging van belastingheffing op dividenden op grond van het bezit van het aantal stemrechten in de vennootschap die de dividenden uitdeelt, geldt in afwijking in zoverre van het eerste lid, als voorwaarde dat die moedermaatschappij in het bezit is van ten minste 20 percent van de stemrechten in de inhoudingsplichtige.
3. Inhouding van belasting blijft mede achterwege indien de moedermaatschappij, in afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid, voor ten minste 10 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de inhoudingsplichtige dan wel in het bezit is van ten minste 10 percent van de stemrechten in de inhoudingsplichtige, mits de lid-staat van de Europese Unie waarin de moedermaatschappij is gevestigd bij een zelfde bezitspercentage:
@@ -120,17 +120,17 @@
##### Artikel 4b
1. Ingeval de in [artikel 4**a,** eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2006-01-01&g=2006-01-01), 2°, dan wel in het tweede lid, bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar blijft in afwijking in zoverre van dat artikel inhouding van belasting eveneens achterwege, mits de dochtermaatschappij ten belope van het bedrag van de belasting waarvan inhouding achterwege blijft, zekerheid stelt.
2. Gelijktijdig met het doen van de opgaaf als bedoeld in [artikel 4**a**, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2006-01-01&g=2006-01-01), wordt de zekerheid gesteld bij de ontvanger. Deze beslist of de vorm van zekerheid die de dochtermaatschappij aanbiedt, wordt aanvaard.
3. Indien binnen één jaar na het tijdstip waarop de moedermaatschappij is gaan voldoen aan de voorwaarde dat zij voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel ten minste 25 percent van de stemrechten in de dochtermaatschappij bezit, zich een omstandigheid voordoet waardoor haar bezit daalt beneden de 25 percent, moet de belasting waarvan inhouding op grond van het eerste lid achterwege is gebleven, alsnog worden betaald.
4. De zekerheid wordt opgeheven indien de moedermaatschappij één jaar na het in het derde lid bedoelde tijdstip nog steeds voor ten minste 25 percent aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel nog steeds ten minste 25 percent van de stemrechten in die maatschappij bezit.
1. Ingeval de in [artikel 4**a,** eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2006-02-03&g=2006-02-03), 2°, dan wel in het tweede lid, bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar blijft in afwijking in zoverre van dat artikel inhouding van belasting eveneens achterwege, mits de dochtermaatschappij ten belope van het bedrag van de belasting waarvan inhouding achterwege blijft, zekerheid stelt.
2. Gelijktijdig met het doen van de opgaaf als bedoeld in [artikel 4**a**, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2006-02-03&g=2006-02-03), wordt de zekerheid gesteld bij de ontvanger. Deze beslist of de vorm van zekerheid die de dochtermaatschappij aanbiedt, wordt aanvaard.
3. Indien binnen één jaar na het tijdstip waarop de moedermaatschappij is gaan voldoen aan de voorwaarde dat zij voor ten minste 20 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel ten minste 20 percent van de stemrechten in de dochtermaatschappij bezit, zich een omstandigheid voordoet waardoor haar bezit daalt beneden de 20 percent, moet de belasting waarvan inhouding op grond van het eerste lid achterwege is gebleven, alsnog worden betaald.
4. De zekerheid wordt opgeheven indien de moedermaatschappij één jaar na het in het derde lid bedoelde tijdstip nog steeds voor ten minste 20 percent aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel nog steeds ten minste 20 percent van de stemrechten in die maatschappij bezit.
5. De aan het stellen en het opheffen van de zekerheid verbonden kosten komen ten laste van de dochtermaatschappij.
6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de in [artikel 4**a**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2006-01-01&g=2006-01-01), bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar.
6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de in [artikel 4**a**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2006-02-03&g=2006-02-03), bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar.
##### Artikel 4c
@@ -164,7 +164,7 @@
1. Neemt de vennootschap die de opbrengst verschuldigd is, de belasting voor haar rekening, dan wordt voor het berekenen van de belasting de opbrengst vermenigvuldigd met 100/75.
2. Indien bij het einde van het kalenderjaar blijkt dat bij een inkoop van aandelen in het jaar niet is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 4c, eerste lid, onderdelen b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4c&z=2006-01-01&g=2006-01-01), wordt de belasting berekend gelijk als in situaties waarin de vennootschap de belasting voor haar rekening neemt.
2. Indien bij het einde van het kalenderjaar blijkt dat bij een inkoop van aandelen in het jaar niet is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 4c, eerste lid, onderdelen b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4c&z=2006-02-03&g=2006-02-03), wordt de belasting berekend gelijk als in situaties waarin de vennootschap de belasting voor haar rekening neemt.
### Hoofdstuk IV. Wijze van heffing
@@ -200,7 +200,7 @@
##### Artikel 11
1. Op de ingevolge [artikel 7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2006-01-01&g=2006-01-01), op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd in de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. Op de ingevolge [artikel 7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2006-02-03&g=2006-02-03), op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd in de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- 1°. de inhoudingsplichtige was op het tijdstip waarop het lichaam de winstuitkering ter beschikking stelde - al dan niet te zamen met in Nederland gevestigde, met de inhoudingsplichtige verbonden lichamen als bedoeld in [artikel 10**a**, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) - voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van dat lichaam dan wel bezat, zo het verdrag daarin voorziet, ten minste 25 percent van de stemrechten in dat lichaam;
@@ -212,9 +212,9 @@
3. Tot de in het tweede lid genoemde opbrengst waarop de inhoudingsplichtige dividendbelasting heeft ingehouden, wordt niet gerekend de opbrengst waarop hij weliswaar dividendbelasting heeft ingehouden doch welke belasting voor volledige teruggaaf in aanmerking komt, behalve indien de opbrengst ter beschikking wordt gesteld aan:
- 1°. een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2006-01-01&g=2006-01-01), of een daarmee vergelijkbaar in het buitenland gevestigd lichaam, die respectievelijk dat voor minder dan 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de inhoudingsplichtige; of
- 2°. een vennootschap als bedoeld in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2006-01-01&g=2006-01-01).
- 1°. een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2006-02-03&g=2006-02-03), of een daarmee vergelijkbaar in het buitenland gevestigd lichaam, die respectievelijk dat voor minder dan 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de inhoudingsplichtige; of
- 2°. een vennootschap als bedoeld in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2006-02-03&g=2006-02-03).
4. Indien de inhoudingsplichtige als dochtermaatschappij deel uit maakt van een fiscale eenheid in de zin van [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) worden de door die maatschappij ontvangen winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid voor de toepassing van de vermindering ingevolge dit artikel toegerekend aan de moedermaatschappij van die fiscale eenheid. Ingeval door de dochtermaatschappij voor het tot stand komen van de in de vorige volzin bedoelde fiscale eenheid winstuitkeringen zijn ontvangen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, kan Onze Minister op gezamenlijk verzoek van de moeder- en de dochtermaatschappij, onder door hem te stellen voorwaarden, toestaan dat die winstuitkeringen worden toegerekend aan de moedermaatschappij.
@@ -224,11 +224,11 @@
##### Artikel 12
1. Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2006-01-01&g=2006-01-01), mag hij in afwijking van [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2006-01-01&g=2006-01-01), tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege laten van inhouding van de belasting.
1. Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2006-02-03&g=2006-02-03), mag hij in afwijking van [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2006-02-03&g=2006-02-03), tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege laten van inhouding van de belasting.
2. De inhoudingsplichtige die op de voet van het eerste lid afziet van het achterwege laten van inhouding van belasting, is verplicht aangifte te doen van de ingehouden belasting.
3. Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden voor een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2006-01-01&g=2006-01-01).
3. Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden voor een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2006-02-03&g=2006-02-03).
##### Artikel 13
@@ -248,7 +248,7 @@
##### Artikel 16
[Artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3a&z=2006-01-01&g=2006-01-01), vindt geen toepassing met betrekking tot stortingen op aandelen die vóór 1 januari 1946 hebben plaatsgevonden.
[Artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3a&z=2006-02-03&g=2006-02-03), vindt geen toepassing met betrekking tot stortingen op aandelen die vóór 1 januari 1946 hebben plaatsgevonden.
##### Artikel 17
@@ -260,7 +260,7 @@
##### Artikel 4d
1. Bij een beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 1 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004809&artikel=1) mag voorts inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van een inkoop van aandelen als bedoeld in [artikel 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2006-01-01&g=2006-01-01), voorzover de grondslag voor de inhouding van de belasting van de ingekochte aandelen door de instelling in mindering wordt gebracht van een agioreserve of een herbeleggingsreserve.
1. Bij een beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 1 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004809&artikel=1) mag voorts inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van een inkoop van aandelen als bedoeld in [artikel 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2006-02-03&g=2006-02-03), voorzover de grondslag voor de inhouding van de belasting van de ingekochte aandelen door de instelling in mindering wordt gebracht van een agioreserve of een herbeleggingsreserve.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
2006-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4
2005-12-02
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4, 4
2005-11-16
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4, 4, 4
2005-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2004-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 4
2003-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 4
2002-08-29
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4
2002-07-26
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4, 4
2002-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 17
2002-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
original version
Tekst op deze datum