Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 23 december 1965, houdende vervanging van het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een nieuwe wettelijke regeling

33 versions · 2025-01-01
2025-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2024-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2023-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2022-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2020-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2019-05-17
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2018-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2017-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2016-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2015-06-12
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2014-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2013-07-22
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2013-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2012-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2011-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2010-10-10
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2010-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965

Wijzigingen op 2010-01-01

@@ -30,7 +30,7 @@
##### Artikel 2
De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2008-07-11&g=2008-07-11) bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen.
De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen.
##### Artikel 3
@@ -84,27 +84,27 @@
- b. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid als bedoeld in [artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) en de aandelen, winstbewijzen en geldleningen bij de opbrengstgerechtigde behoren tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming.
2. Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10), indien de opbrengstgerechtigde een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd lichaam is en aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- 1°. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige hebben één van de in de bijlage bij de Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (**PbEG** L 225), opgenomen, of een bij ministeriële regeling aangewezen rechtsvorm;
- 2°. de opbrengstgerechtigde heeft op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld, een belang in de inhoudingsplichtige waarop de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in [artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13), of de deelnemingsverrekening, bedoeld in [artikel 13aa van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13aa), van toepassing zou zijn zo hij in Nederland zou zijn gevestigd;
- 3°. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige zijn in de lidstaat van vestiging zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van die richtlijn;
- 4°. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige worden in de lidstaat van vestiging niet geacht volgens een met een derde Staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting buiten de lidstaten van de Europese Unie te zijn gevestigd;
tenzij op grond van een voorschrift ter bestrijding van fraude en misbruiken opgenomen in een door Nederland met de lidstaat van vestiging van de opbrengstgerechtigde gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, de opbrengstgerechtigde geen aanspraak zou kunnen maken op de in dat verdrag opgenomen verlaging van de belastingheffing op dividenden.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van opbrengsten met betrekking waartoe de opbrengstgerechtigde niet de uiteindelijke gerechtigde is.
4. Indien de in het tweede lid bedoelde opbrengstgerechtigde is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een verlaging van belastingheffing op dividenden op grond van het bezit van het aantal stemrechten in de vennootschap die de dividenden uitdeelt, wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid, onder 2°, eveneens aan de daar bedoelde voorwaarde van 5 percent voldaan als die gerechtigde in het bezit is van ten minste 5 percent van de stemrechten in de inhoudingsplichtige.
2. Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10), indien:
- 1°. de opbrengstgerechtigde een lichaam is dat volgens de fiscale wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aldaar is gevestigd, en
- 2°. de opbrengstgerechtigde op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld een belang in de inhoudingsplichtige heeft waarop de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in [artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13), of de deelnemingsverrekening, bedoeld in [artikel 13aa van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13aa), van toepassing zou zijn indien hij in Nederland zou zijn gevestigd.
3. Het tweede lid vindt geen toepassing ingeval:
- a. de opbrengstgerechtigde in de staat van vestiging volgens een met een derde staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting geacht wordt te zijn gevestigd buiten de lidstaten van de Europese Unie en de bij ministeriële regeling aangewezen staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- b. de opbrengstgerechtigde een vergelijkbare functie vervult als een beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=6a) of [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28), of
- c. op grond van een voorschrift ter bestrijding van fraude en misbruiken opgenomen in een door Nederland met de staat van vestiging van de opbrengstgerechtigde gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting de opbrengstgerechtigde geen aanspraak zou kunnen maken op de in dat verdrag opgenomen verlaging van de belastingheffing op dividenden.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van opbrengsten met betrekking waartoe de opbrengstgerechtigde niet de uiteindelijke gerechtigde is.
5. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van de opbrengsten van aandelen in, winstbewijzen ten laste van en geldleningen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10) verstrekt aan aangewezen kredietinstellingen en beleggingsinstellingen als bedoeld in de [artikelen 5.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14), [5.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.15) en [5.18a van de Wet Inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.18a) dan wel participatiemaatschappijen als bedoeld in [artikel 5.18 van de Wet Inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.18).
6. Bij een beleggingsinstelling in de zin van [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) mag inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in [artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19g), [artikel 3.116a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.116a), of [artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a).
7. Voor het achterwege laten van de inhouding van dividendbelasting ingevolge dit artikel, een teruggaaf van dividendbelasting ingevolge [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2008-07-11&g=2008-07-11), alsmede het achterwege laten dan wel een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, wordt niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:
6. Bij een beleggingsinstelling in de zin van [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) mag inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in [artikel 11a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11a), of [artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19g), [artikel 3.116a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.116a), of [artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a).
7. Voor het achterwege laten van de inhouding van dividendbelasting ingevolge dit artikel, een teruggaaf van dividendbelasting ingevolge [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2010-01-01&g=2010-01-01), alsmede het achterwege laten dan wel een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, wordt niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:
- a. de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan:
@@ -118,7 +118,9 @@
- a. kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde markt als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) of een met een gereglementeerde markt als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) vergelijkbaar systeem dat gelegen of werkzaam is in een staat die niet een lidstaat is van de Europese Unie;
- b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op aandelen.
- b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op aandelen;
- c. zijn de [artikelen 2.14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14a) en [10a.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10a.7) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 4a
@@ -160,138 +162,150 @@
1. Neemt de vennootschap die de opbrengst verschuldigd is, de belasting voor haar rekening, dan wordt voor het berekenen van de belasting de opbrengst vermenigvuldigd met 100/85.
2. Indien bij het einde van het kalenderjaar blijkt dat bij een inkoop van aandelen in het jaar niet is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 4c, eerste lid, onderdelen b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4c&z=2008-07-11&g=2008-07-11), wordt de belasting berekend gelijk als in situaties waarin de vennootschap de belasting voor haar rekening neemt.
2. Indien bij het einde van het kalenderjaar blijkt dat bij een inkoop van aandelen in het jaar niet is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 4c, eerste lid, onderdelen b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4c&z=2010-01-01&g=2010-01-01), wordt de belasting berekend gelijk als in situaties waarin de vennootschap de belasting voor haar rekening neemt.
### Hoofdstuk III. Tarief
##### Artikel 7
1. De belasting wordt geheven door inhouding op de opbrengst.
2. Inhoudingsplichtige is de vennootschap die de opbrengst verschuldigd is.
3. De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld.
4. De inhoudingsplichtige is verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen.
5. Overtreft de belasting de opbrengst in geld, dan wordt het ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het in het derde lid omschreven tijdstip, met dien verstande dat de inhoudingsplichtige bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op degene die tot de opbrengst gerechtigd is. De inhoudingsplichtige kan de afgifte van de niet in geld genoten opbrengst opschorten tot voldoening van deze vordering plaatsvindt.
##### Artikel 8
Vervallen
##### Artikel 9
1. De inhoudingsplichtige, degene bij wie de opbrengst is betaalbaar gesteld, het administratiekantoor dat de opbrengst doorbetaalt aan certificaathouders, of degene tot wiens beroep het kopen of innen van dividendbewijzen gewoonlijk behoort, is, zodra de opbrengst is uitbetaald, tegoedgeschreven, verrekend of uitgereikt, gehouden ten behoeve van de rechthebbende een gedagtekende nota uit te reiken volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.
2. Voor de toepassing van [artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=26) wordt de belasting geacht te zijn ingehouden op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde nota is gedagtekend.
##### Artikel 10
1. Aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, indien deze meer bedraagt dan € 23. In afwijking van de eerste volzin wordt de teruggaaf van dividendbelasting die is ingehouden door een beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) berekend volgens de formule:
T = Di – ((Di : Dt) x Bbr),
waarin
T voorstelt: de teruggaaf van dividendbelasting;
Di voorstelt: de ten laste van de rechtspersoon door de beleggingsinstelling ingehouden dividendbelasting;
Dt voorstelt: de dividendbelasting die door de beleggingsinstelling vóór toepassing van de vermindering in totaal is af te dragen ten tijde van de toepassing van de vermindering, bedoeld in [artikel 11a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11a&z=2010-01-01&g=2010-01-01);
Bbr voorstelt: de door de beleggingsinstelling op de in totaal af te dragen dividendbelasting op de voet van [artikel 11a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11a&z=2010-01-01&g=2010-01-01), in mindering gebrachte buitenlandse bronheffing.
Ingeval de in de tweede volzin bedoelde beleggingsinstelling een belang houdt in een andere beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28), wordt de in die volzin berekende teruggaaf van dividendbelasting nog verminderd met eenzelfde bedrag als waarmee de teruggaaf zou worden verminderd als de in de eerste volzin bedoelde rechtspersoon rechtstreeks zou hebben deelgenomen in de laatstbedoelde beleggingsinstelling. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is. De eerste volzin is ook niet van toepassing met betrekking tot een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=6a). Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een lichaam dat is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte dat aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot lichamen die een vergelijkbare functie vervullen als beleggingsinstellingen, bedoeld in [artikel 6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=6a) of [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28).
##### Artikel 11
1. Op de ingevolge [artikel 7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd in de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- 1°. de inhoudingsplichtige was op het tijdstip waarop het lichaam de winstuitkering ter beschikking stelde - al dan niet te zamen met in Nederland gevestigde, met de inhoudingsplichtige verbonden lichamen als bedoeld in [artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) - voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van dat lichaam dan wel bezat, zo het verdrag daarin voorziet, ten minste 25 percent van de stemrechten in dat lichaam;
- 2°. op de winstuitkeringen is in de Nederlandse Antillen, Aruba of de staat waar het lichaam is gevestigd een bronbelasting van ten minste 5 percent ingehouden;
- 3°. bij het bepalen van de winst van de inhoudingsplichtige blijven de winstuitkeringen op de voet van [artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13) buiten aanmerking.
2. De in het eerste lid bedoelde vermindering bedraagt 3 percent van de door de inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde opbrengst waarop hij dividendbelasting heeft ingehouden, doch niet meer dan 3 percent van de winstuitkeringen - vóór aftrek van de ingehouden bronbelasting - bedoeld in het eerste lid die hij in het kalenderjaar tot het tijdstip van inhouding alsmede in de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren heeft ontvangen voor zover die winstuitkeringen nog niet in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van een eerdere vermindering. De winstuitkeringen worden in aanmerking genomen in de volgorde waarin zij door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen.
3. Tot de in het tweede lid genoemde opbrengst waarop de inhoudingsplichtige dividendbelasting heeft ingehouden, wordt niet gerekend de opbrengst waarop hij weliswaar dividendbelasting heeft ingehouden doch welke belasting voor volledige teruggaaf in aanmerking komt, behalve indien de opbrengst ter beschikking wordt gesteld aan een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2010-01-01&g=2010-01-01), of een daarmee vergelijkbaar in het buitenland gevestigd lichaam, die respectievelijk dat voor minder dan 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de inhoudingsplichtige.
4. Indien de inhoudingsplichtige als dochtermaatschappij deel uit maakt van een fiscale eenheid in de zin van [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) worden de door die maatschappij ontvangen winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid voor de toepassing van de vermindering ingevolge dit artikel toegerekend aan de moedermaatschappij van die fiscale eenheid. Ingeval door de dochtermaatschappij voor het tot stand komen van de in de vorige volzin bedoelde fiscale eenheid winstuitkeringen zijn ontvangen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, kan Onze Minister op gezamenlijk verzoek van de moeder- en de dochtermaatschappij, onder door hem te stellen voorwaarden, toestaan dat die winstuitkeringen worden toegerekend aan de moedermaatschappij.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een winstuitkering op aandelen en winstbewijzen ter zake waarvan een vermindering kan worden toegepast gelijkgesteld de uit een staat waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten afkomstige winst, die in overeenstemming met het ter zake in het desbetreffende verdrag bepaalde in Nederland van belastingheffing is vrijgesteld en in de andere staat, naast de belasting die over die winst is geheven, is onderworpen aan een aanvullende belasting van ten minste 5 percent.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.
##### Artikel 12
1. Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2010-01-01&g=2010-01-01), mag hij in afwijking van [artikel 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01), tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege laten van inhouding van de belasting.
2. De inhoudingsplichtige die op de voet van het eerste lid afziet van het achterwege laten van inhouding van belasting, is verplicht aangifte te doen van de ingehouden belasting.
3. Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden voor een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
##### Artikel 13
De inspecteur stelt, op verzoek van de inhoudingsplichtige, bij voor bezwaar vatbare beschikking vast hetgeen is gestort op de aandelen van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een naamloze vennootschap, niet zijnde een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal, alsmede het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verzoek.
### Hoofdstuk V. Strafrechtelijke bepalingen
##### Artikel 14
Vervallen
### Hoofdstuk V. Strafrechtelijke bepalingen
##### Artikel 15
Bij het bepalen van hetgeen gemiddeld is gestort op bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening waarop met ingang van 1 januari 1970 de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) toepassing vindt, wordt het alsdan aanwezige vermogen aangemerkt als op dat tijdstip te zijn gestort. Tot dit vermogen worden niet gerekend na 1 januari 1968 behaalde en niet uitgekeerde voordelen, welke, zo zij vóór het eerstbedoelde tijdstip zouden zijn uitgekeerd aan niet tot het vermogen van een onderneming gerechtigde binnenlandse belastingplichtigen, als inkomsten uit vermogen zouden zijn aangemerkt.
##### Artikel 16
[Artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3a&z=2010-01-01&g=2010-01-01), vindt geen toepassing met betrekking tot stortingen op aandelen die vóór 1 januari 1946 hebben plaatsgevonden.
##### Artikel 17
1. Deze wet treedt in werking op 1 januari 1966.
2. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de dividendbelasting, met vermelding van het jaar, waarin zij in het **Staatsblad** wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 4d
1. Bij een beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) mag voorts inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van een inkoop van aandelen als bedoeld in [artikel 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voorzover de grondslag voor de inhouding van de belasting van de ingekochte aandelen door de instelling in mindering wordt gebracht van een agioreserve of een herbeleggingsreserve.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
- a. agioreserve: het in de beleggingsinstelling gestorte kapitaal voorzover dit uitgaat boven de nominale waarde van de in het economische verkeer zijnde aandelen in de beleggingsinstelling;
- b. herbeleggingsreserve: de herbeleggingsreserve die door de beleggingsinstelling is gevormd ingevolge de nadere regelen die zijn gegeven krachtens [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting van beleggingsinstellingen.
### Hoofdstuk III. Tarief
### Hoofdstuk IV. Wijze van heffing
##### Artikel 7
1. De belasting wordt geheven door inhouding op de opbrengst.
2. Inhoudingsplichtige is de vennootschap die de opbrengst verschuldigd is.
3. De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld.
4. De inhoudingsplichtige is verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen.
5. Overtreft de belasting de opbrengst in geld, dan wordt het ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het in het derde lid omschreven tijdstip, met dien verstande dat de inhoudingsplichtige bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op degene die tot de opbrengst gerechtigd is. De inhoudingsplichtige kan de afgifte van de niet in geld genoten opbrengst opschorten tot voldoening van deze vordering plaatsvindt.
##### Artikel 8
Vervallen
##### Artikel 9
1. De inhoudingsplichtige, degene bij wie de opbrengst is betaalbaar gesteld, het administratiekantoor dat de opbrengst doorbetaalt aan certificaathouders, of degene tot wiens beroep het kopen of innen van dividendbewijzen gewoonlijk behoort, is, zodra de opbrengst is uitbetaald, tegoedgeschreven, verrekend of uitgereikt, gehouden ten behoeve van de rechthebbende een gedagtekende nota uit te reiken volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.
2. Voor de toepassing van [artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=26) wordt de belasting geacht te zijn ingehouden op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde nota is gedagtekend.
##### Artikel 10
1. Aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, indien deze meer bedraagt dan € 23. In afwijking van de eerste volzin wordt de teruggaaf van dividendbelasting die is ingehouden door een beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) berekend volgens de formule:
T = Di – ((Di : Dt) x Bbr),
waarin
T voorstelt: de teruggaaf van dividendbelasting;
Di voorstelt: de ten laste van de rechtspersoon door de beleggingsinstelling ingehouden dividendbelasting;
Dt voorstelt: de dividendbelasting die door de beleggingsinstelling vóór toepassing van de vermindering in totaal is af te dragen ten tijde van de toepassing van de vermindering, bedoeld in [artikel 11a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11a&z=2008-07-11&g=2008-07-11);
Bbr voorstelt: de door de beleggingsinstelling op de in totaal af te dragen dividendbelasting op de voet van [artikel 11a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11a&z=2008-07-11&g=2008-07-11), in mindering gebrachte buitenlandse bronheffing.
Ingeval de in de tweede volzin bedoelde beleggingsinstelling een belang houdt in een andere beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28), wordt de in die volzin berekende teruggaaf van dividendbelasting nog verminderd met eenzelfde bedrag als waarmee de teruggaaf zou worden verminderd als de in de eerste volzin bedoelde rechtspersoon rechtstreeks zou hebben deelgenomen in de laatstbedoelde beleggingsinstelling. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is. De eerste volzin is ook niet van toepassing met betrekking tot een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=6a). Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn.
2. Aan een in Nederland gevestigde lichaam als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2) dat is onderworpen aan de vennootschapsbelasting, en aan een niet in Nederland gevestigd lichaam als bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=3), wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van de in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, indien deze belasting is ingehouden op opbrengsten van aandelen, winstbewijzen of geldleningen, die voor de toepassing van de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) geen deel uitmaken van de belastbare winst of het Nederlandse inkomen van de opbrengstgerechtigde en die aandelen, winstbewijzen of geldleningen wel deel uitmaken van het vermogen van een in Nederland gedreven onderneming, indien deze belasting meer bedraagt dan € 23. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe het lichaam niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd lichaam dat aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot lichamen die een vergelijkbare functie vervullen als beleggingsinstellingen, bedoeld in [artikel 6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=6a) of [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28).
##### Artikel 11
1. Op de ingevolge [artikel 7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2008-07-11&g=2008-07-11), op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd in de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- 1°. de inhoudingsplichtige was op het tijdstip waarop het lichaam de winstuitkering ter beschikking stelde - al dan niet te zamen met in Nederland gevestigde, met de inhoudingsplichtige verbonden lichamen als bedoeld in [artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) - voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van dat lichaam dan wel bezat, zo het verdrag daarin voorziet, ten minste 25 percent van de stemrechten in dat lichaam;
- 2°. op de winstuitkeringen is in de Nederlandse Antillen, Aruba of de staat waar het lichaam is gevestigd een bronbelasting van ten minste 5 percent ingehouden;
- 3°. bij het bepalen van de winst van de inhoudingsplichtige blijven de winstuitkeringen op de voet van [artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13) buiten aanmerking.
2. De in het eerste lid bedoelde vermindering bedraagt 3 percent van de door de inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde opbrengst waarop hij dividendbelasting heeft ingehouden, doch niet meer dan 3 percent van de winstuitkeringen - vóór aftrek van de ingehouden bronbelasting - bedoeld in het eerste lid die hij in het kalenderjaar tot het tijdstip van inhouding alsmede in de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren heeft ontvangen voor zover die winstuitkeringen nog niet in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van een eerdere vermindering. De winstuitkeringen worden in aanmerking genomen in de volgorde waarin zij door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen.
3. Tot de in het tweede lid genoemde opbrengst waarop de inhoudingsplichtige dividendbelasting heeft ingehouden, wordt niet gerekend de opbrengst waarop hij weliswaar dividendbelasting heeft ingehouden doch welke belasting voor volledige teruggaaf in aanmerking komt, behalve indien de opbrengst ter beschikking wordt gesteld aan een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2008-07-11&g=2008-07-11), of een daarmee vergelijkbaar in het buitenland gevestigd lichaam, die respectievelijk dat voor minder dan 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de inhoudingsplichtige.
4. Indien de inhoudingsplichtige als dochtermaatschappij deel uit maakt van een fiscale eenheid in de zin van [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) worden de door die maatschappij ontvangen winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid voor de toepassing van de vermindering ingevolge dit artikel toegerekend aan de moedermaatschappij van die fiscale eenheid. Ingeval door de dochtermaatschappij voor het tot stand komen van de in de vorige volzin bedoelde fiscale eenheid winstuitkeringen zijn ontvangen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, kan Onze Minister op gezamenlijk verzoek van de moeder- en de dochtermaatschappij, onder door hem te stellen voorwaarden, toestaan dat die winstuitkeringen worden toegerekend aan de moedermaatschappij.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een winstuitkering op aandelen en winstbewijzen ter zake waarvan een vermindering kan worden toegepast gelijkgesteld de uit een staat waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten afkomstige winst, die in overeenstemming met het ter zake in het desbetreffende verdrag bepaalde in Nederland van belastingheffing is vrijgesteld en in de andere staat, naast de belasting die over die winst is geheven, is onderworpen aan een aanvullende belasting van ten minste 5 percent.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.
##### Artikel 12
1. Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2008-07-11&g=2008-07-11), mag hij in afwijking van [artikel 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2008-07-11&g=2008-07-11), tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege laten van inhouding van de belasting.
2. De inhoudingsplichtige die op de voet van het eerste lid afziet van het achterwege laten van inhouding van belasting, is verplicht aangifte te doen van de ingehouden belasting.
3. Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden voor een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2008-07-11&g=2008-07-11).
##### Artikel 13
De inspecteur stelt, op verzoek van de inhoudingsplichtige, bij voor bezwaar vatbare beschikking vast hetgeen is gestort op de aandelen van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een naamloze vennootschap, niet zijnde een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal, alsmede het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verzoek.
### Hoofdstuk V. Strafrechtelijke bepalingen
##### Artikel 14
Vervallen
### Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 11a
1. Een inhoudingsplichtige die voor de heffing van de vennootschapsbelasting is aangemerkt als beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) mag op de ingevolge [artikel 7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), op aangifte af te dragen belasting een vermindering toepassen wegens ten laste van hem ingehouden dividendbelasting en buitenlandse bronheffing.
2. De in het eerste lid bedoelde vermindering is gelijk aan het gezamenlijke bedrag van de ten laste van de inhoudingsplichtige ingehouden dividendbelasting en buiten Nederland ingehouden en drukkende belastingen aan de bron op de opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen, voor zover deze dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen zijn ingehouden op een tijdstip dat de inhoudingsplichtige is aangemerkt als beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid en deze belastingen nog niet eerder in mindering zijn gekomen. Een buitenlandse bronheffing wordt daarbij in aanmerking genomen tot een maximum van 15% van de opbrengst waarop zij drukt, en vervolgens verminderd met het bedrag waarvoor niet in Nederland wonende of gevestigde uiteindelijke gerechtigden – anderen dan bedoeld in [artikel 10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2010-01-01&g=2010-01-01) – die een belang hebben in de inhoudingsplichtige, bij dooruitdeling van de opbrengst waarop de bronheffing betrekking heeft, op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting recht zouden hebben op een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting. De eerste volzin is slechts van toepassing op belasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de inhoudingsplichtige de uiteindelijk gerechtigde is; [artikel 4, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de inhoudingsplichtige als dochtermaatschappij deel uitmaakt van een fiscale eenheid in de zin van [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) worden de ten laste van haar ingehouden dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen voor de toepassing van de vermindering op de voet van het eerste lid toegerekend aan de moedermaatschappij van die fiscale eenheid. Ingeval vóór het tot stand komen van die fiscale eenheid ten laste van de inhoudingsplichtige dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen zijn ingehouden die nog niet op de voet van het eerste lid tot een vermindering hebben geleid, worden zij toegerekend aan de moedermaatschappij. Bij een verbreking van de fiscale eenheid blijven dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen die nog niet op de voet van het eerste lid tot een vermindering hebben geleid, achter bij de moedermaatschappij.
### Hoofdstuk V. Strafrechtelijke bepalingen
##### Artikel 15
Bij het bepalen van hetgeen gemiddeld is gestort op bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening waarop met ingang van 1 januari 1970 de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) toepassing vindt, wordt het alsdan aanwezige vermogen aangemerkt als op dat tijdstip te zijn gestort. Tot dit vermogen worden niet gerekend na 1 januari 1968 behaalde en niet uitgekeerde voordelen, welke, zo zij vóór het eerstbedoelde tijdstip zouden zijn uitgekeerd aan niet tot het vermogen van een onderneming gerechtigde binnenlandse belastingplichtigen, als inkomsten uit vermogen zouden zijn aangemerkt.
##### Artikel 16
[Artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3a&z=2008-07-11&g=2008-07-11), vindt geen toepassing met betrekking tot stortingen op aandelen die vóór 1 januari 1946 hebben plaatsgevonden.
##### Artikel 17
1. Deze wet treedt in werking op 1 januari 1966.
2. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de dividendbelasting, met vermelding van het jaar, waarin zij in het **Staatsblad** wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 4d
1. Bij een beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) mag voorts inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van een inkoop van aandelen als bedoeld in [artikel 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2008-07-11&g=2008-07-11), voorzover de grondslag voor de inhouding van de belasting van de ingekochte aandelen door de instelling in mindering wordt gebracht van een agioreserve of een herbeleggingsreserve.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
- a. agioreserve: het in de beleggingsinstelling gestorte kapitaal voorzover dit uitgaat boven de nominale waarde van de in het economische verkeer zijnde aandelen in de beleggingsinstelling;
- b. herbeleggingsreserve: de herbeleggingsreserve die door de beleggingsinstelling is gevormd ingevolge de nadere regelen die zijn gegeven krachtens [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting van beleggingsinstellingen.
### Hoofdstuk III. Tarief
##### Artikel 4e
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan inhouding van belasting achterwege mag blijven ten aanzien van de opbrengst van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen, voor zover de opbrengstgerechtigde met betrekking tot die opbrengst verzoekt om toepassing van [artikel 4.12a van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.12a).
##### Artikel 4f
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan inhouding van dividendbelasting achterwege mag blijven ten aanzien van de opbrengst van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen in een situatie als bedoeld in [artikel 25, elfde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25).
### Hoofdstuk IV. Wijze van heffing
### Hoofdstuk V. Strafrechtelijke bepalingen
### Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 11a
1. Een inhoudingsplichtige die voor de heffing van de vennootschapsbelasting is aangemerkt als beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) mag op de ingevolge [artikel 7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2008-07-11&g=2008-07-11), op aangifte af te dragen belasting een vermindering toepassen wegens ten laste van hem ingehouden dividendbelasting en buitenlandse bronheffing.
2. De in het eerste lid bedoelde vermindering is gelijk aan het gezamenlijke bedrag van de ten laste van de inhoudingsplichtige ingehouden dividendbelasting en buiten Nederland ingehouden en drukkende belastingen aan de bron op de opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen, voor zover deze dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen zijn ingehouden op een tijdstip dat de inhoudingsplichtige is aangemerkt als beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid en deze belastingen nog niet eerder in mindering zijn gekomen. Een buitenlandse bronheffing wordt daarbij in aanmerking genomen tot een maximum van 15% van de opbrengst waarop zij drukt, en vervolgens verminderd met het bedrag waarvoor niet in Nederland wonende of gevestigde uiteindelijke gerechtigden – anderen dan bedoeld in [artikel 10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2008-07-11&g=2008-07-11) – die een belang hebben in de inhoudingsplichtige, bij dooruitdeling van de opbrengst waarop de bronheffing betrekking heeft, op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting recht zouden hebben op een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting. De eerste volzin is slechts van toepassing op belasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de inhoudingsplichtige de uiteindelijk gerechtigde is; [artikel 4, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2008-07-11&g=2008-07-11), is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de inhoudingsplichtige als dochtermaatschappij deel uitmaakt van een fiscale eenheid in de zin van [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) worden de ten laste van haar ingehouden dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen voor de toepassing van de vermindering op de voet van het eerste lid toegerekend aan de moedermaatschappij van die fiscale eenheid. Ingeval vóór het tot stand komen van die fiscale eenheid ten laste van de inhoudingsplichtige dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen zijn ingehouden die nog niet op de voet van het eerste lid tot een vermindering hebben geleid, worden zij toegerekend aan de moedermaatschappij. Bij een verbreking van de fiscale eenheid blijven dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen die nog niet op de voet van het eerste lid tot een vermindering hebben geleid, achter bij de moedermaatschappij.
### Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
2008-07-11
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2008-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2007-11-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2007-08-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2007-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2006-02-03
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 12
2006-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4
2005-12-02
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4, 4
2005-11-16
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4, 4, 4
2005-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2004-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 4
2003-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 4
2002-08-29
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4
2002-07-26
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4, 4
2002-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 17
2002-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
original version Tekst op deze datum