Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 23 december 1965, houdende vervanging van het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een nieuwe wettelijke regeling
33 versions
· 2025-01-01
2025-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2024-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2023-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2022-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2020-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2019-05-17
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2018-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2017-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2016-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2015-06-12
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2014-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2013-07-22
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2013-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2012-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2011-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2010-10-10
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2010-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2008-07-11
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 16
2008-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2007-11-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2007-08-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2007-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 16, 16
2006-02-03
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 12
2006-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4
2005-12-02
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4, 4
2005-11-16
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4, 4, 4
2005-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
2004-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 4
2003-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 4
Wijzigingen op 2003-01-01
@@ -20,7 +20,7 @@
##### Artikel 2
De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2002-08-29&g=2002-08-29) bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen.
De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2003-01-01&g=2003-01-01) bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen.
##### Artikel 3
@@ -54,7 +54,7 @@
3. In geval van een overgang onder algemene titel in het kader van een fusie van een rechtspersoon wordt ten aanzien van alle aandeelhouders ten hoogste het bedrag van het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal aangemerkt als gestort kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersonen in het kader van de fusie toegekende aandelen. Indien in het kader van de fusie een bijbetaling in contanten plaatsvindt, wordt voor de toepassing van de vorige volzin het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal verminderd met deze bijbetaling.
4. Indien de overgang onder algemene titel in het kader van een splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, blijft het tweede lid buiten toepassing; in dat geval wordt hetgeen bij de splitsing door een aandeelhouder als zodanig wordt genoten aangemerkt als een uitdeling van winst door de splitsende rechtspersoon. Een splitsing wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen. Zakelijke overwegingen worden voorts niet aanwezig geacht indien de activa die bij de splitsing overgaan op de andere rechtspersoon hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaat uit beleggingen – liquide middelen daaronder begrepen – of indien hetgeen bij de splitsende rechtspersoon achterblijft hoofdzakelijk – onmiddellijk of middellijk bestaat uit beleggingen, tenzij de beleggingen die overgaan respectievelijk achterblijven geen afzondering van ingehouden winst representeren.
4. Indien de overgang onder algemene titel in het kader van een splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, blijft het tweede lid buiten toepassing; in dat geval wordt hetgeen bij de splitsing door een aandeelhouder als zodanig wordt genoten aangemerkt als een uitdeling van winst door de splitsende rechtspersoon. Een splitsing wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen. Zakelijke overwegingen worden voorts niet aanwezig geacht indien de activa die bij de splitsing overgaan op de andere rechtspersoon hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaan uit beleggingen – liquide middelen daaronder begrepen – of indien hetgeen bij de splitsende rechtspersoon achterblijft hoofdzakelijk – onmiddellijk of middellijk bestaat uit beleggingen, tenzij de beleggingen die overgaan respectievelijk achterblijven geen afzondering van ingehouden winst representeren.
5. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder een evenredig gedeelte verstaan: een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding tussen de waarde in het economische verkeer ten tijde van de splitsing van de vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon die overgaan op de verkrijgende rechtspersoon en de waarde in het economische verkeer ten tijde van de splitsing van het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon.
@@ -68,11 +68,11 @@
##### Artikel 4
1. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van aandelen en winstbewijzen indien de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in [artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13), van toepassing is op de voordelen die de tot de opbrengstgerechtigde uit die aandelen of winstbewijzen geniet en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming. De eerste volzin is niet van toepassing ten aanzien van opbrengsten met betrekking waartoe de opbrengstgerechtigde niet de uiteindelijk gerechtigde is.
2. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van de opbrengst van aandelen in en winstbewijzen ten laste van aangewezen kredietinstellingen en beleggingsinstellingen als bedoeld in [artikel 5.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14).
3. Voor het achterwege laten van de inhouding van dividendbelasting ingevolge dit artikel, een teruggaaf van dividendbelasting ingevolge [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2002-08-29&g=2002-08-29), alsmede het achterwege laten dan wel een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, wordt niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:
1. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10) indien de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in [artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13), van toepassing is op de voordelen die de tot de opbrengstgerechtigde uit die aandelen, winstbewijzen en geldleningen geniet en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming. De eerste volzin is niet van toepassing ten aanzien van opbrengsten met betrekking waartoe de opbrengstgerechtigde niet de uiteindelijk gerechtigde is.
2. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van de opbrengsten van aandelen in, winstbewijzen ten laste van en geldleningen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10) verstrekt aan aangewezen kredietinstellingen en beleggingsinstellingen als bedoeld in [artikel 5.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14).
3. Voor het achterwege laten van de inhouding van dividendbelasting ingevolge dit artikel, een teruggaaf van dividendbelasting ingevolge [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2003-01-01&g=2003-01-01), alsmede het achterwege laten dan wel een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, wordt niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:
- de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan:
@@ -80,7 +80,7 @@
- een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in mindere mate gerechtigd is tot vermindering of teruggaaf van dividendbelasting dan degene die de tegenprestatie heeft verricht; en
- deze natuurlijke persoon of rechtspersoon een positie in aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.
- deze natuurlijke persoon of rechtspersoon een positie in aandelen, winstbewijzen of geldleningen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10) op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.
4. Voor de toepassing van het derde lid:
@@ -90,7 +90,7 @@
##### Artikel 4a
1. Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengst van aandelen en winstbewijzen die wordt uitgedeeld aan een in een andere lid-staat van de Europese Unie gevestigd lichaam, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengst van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](onbekend) die wordt uitgedeeld aan een in een andere lid-staat van de Europese Unie gevestigd lichaam, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- 1°. de inhoudingsplichtige en het ontvangende lichaam hebben één van de in de bijlage bij de [Richtlijn 90/435/EEG](31990L0435) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten (**PbEG** L 225), opgenomen rechtsvormen;
@@ -114,9 +114,9 @@
##### Artikel 4b
1. Ingeval de in [artikel 4**a,** eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2002-08-29&g=2002-08-29), 2°, dan wel in het tweede lid, bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar blijft in afwijking in zoverre van dat artikel inhouding van belasting eveneens achterwege, mits de dochtermaatschappij ten belope van het bedrag van de belasting waarvan inhouding achterwege blijft, zekerheid stelt.
2. Gelijktijdig met het doen van de opgaaf als bedoeld in [artikel 4**a**, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2002-08-29&g=2002-08-29), wordt de zekerheid gesteld bij de ontvanger. Deze beslist of de vorm van zekerheid die de dochtermaatschappij aanbiedt, wordt aanvaard.
1. Ingeval de in [artikel 4**a,** eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2003-01-01&g=2003-01-01), 2°, dan wel in het tweede lid, bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar blijft in afwijking in zoverre van dat artikel inhouding van belasting eveneens achterwege, mits de dochtermaatschappij ten belope van het bedrag van de belasting waarvan inhouding achterwege blijft, zekerheid stelt.
2. Gelijktijdig met het doen van de opgaaf als bedoeld in [artikel 4**a**, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2003-01-01&g=2003-01-01), wordt de zekerheid gesteld bij de ontvanger. Deze beslist of de vorm van zekerheid die de dochtermaatschappij aanbiedt, wordt aanvaard.
3. Indien binnen één jaar na het tijdstip waarop de moedermaatschappij is gaan voldoen aan de voorwaarde dat zij voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel ten minste 25 percent van de stemrechten in de dochtermaatschappij bezit, zich een omstandigheid voordoet waardoor haar bezit daalt beneden de 25 percent, moet de belasting waarvan inhouding op grond van het eerste lid achterwege is gebleven, alsnog worden betaald.
@@ -124,7 +124,7 @@
5. De aan het stellen en het opheffen van de zekerheid verbonden kosten komen ten laste van de dochtermaatschappij.
6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de in [artikel 4**a**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2002-08-29&g=2002-08-29), bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar.
6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de in [artikel 4**a**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4a&z=2003-01-01&g=2003-01-01), bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar.
##### Artikel 4c
@@ -136,7 +136,7 @@
- c. het bedrag van de inkoop in het kalenderjaar is ten minste gelijk aan een vierde deel van het dividend in contanten dat in het kalenderjaar wordt uitgekeerd, en
- d. in het kalenderjaar tot het tijdstip van de inkoop en in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren is het nominaal gestorte kapitaal in de inhoudingsplichtige niet vergroot, anders dan in situaties van fusies, situaties waarin ter zake van de vergroting van het nominaal gestorte kapitaal [artikel 3, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2002-08-29&g=2002-08-29), van toepassing is situaties ‘situaties’ moet zijn ‘,situaties’waarin sprake is van een omzetting in nominaal aandelenkapitaal van hetgeen op aandelen is gestort boven het nominale aandelenkapitaal, of situaties waarin de vergroting van het nominaal gestorte kapitaal een gevolg is van een niet-openbare emissie van aandelen in verband met de voldoening aan een aandelenoptieverplichting jegens een werknemer.
- d. in het kalenderjaar tot het tijdstip van de inkoop en in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren is het nominaal gestorte kapitaal in de inhoudingsplichtige niet vergroot, anders dan in situaties van fusies, situaties waarin ter zake van de vergroting van het nominaal gestorte kapitaal [artikel 3, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2003-01-01&g=2003-01-01), van toepassing is situaties ‘situaties’ moet zijn ‘,situaties’waarin sprake is van een omzetting in nominaal aandelenkapitaal van hetgeen op aandelen is gestort boven het nominale aandelenkapitaal, of situaties waarin de vergroting van het nominaal gestorte kapitaal een gevolg is van een niet-openbare emissie van aandelen in verband met de voldoening aan een aandelenoptieverplichting jegens een werknemer.
2. Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten in vijf voorafgaande kalenderjaren, wordt berekend door na correctie van de bedragen van de zeven voorafgaande kalenderjaren met een inflatiebijstelling, het jaar met het hoogste en het jaar met het laagste gecorrigeerde bedrag buiten aanmerking te laten.
@@ -160,7 +160,7 @@
1. Neemt de vennootschap die de opbrengst verschuldigd is, de belasting voor haar rekening, dan wordt voor het berekenen van de belasting de opbrengst vermenigvuldigd met 100/75.
2. Indien bij het einde van het kalenderjaar blijkt dat bij een inkoop van aandelen in het jaar niet is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 4c, eerste lid, onderdelen b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4c&z=2002-08-29&g=2002-08-29), wordt de belasting berekend gelijk als in situaties waarin de vennootschap de belasting voor haar rekening neemt.
2. Indien bij het einde van het kalenderjaar blijkt dat bij een inkoop van aandelen in het jaar niet is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 4c, eerste lid, onderdelen b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4c&z=2003-01-01&g=2003-01-01), wordt de belasting berekend gelijk als in situaties waarin de vennootschap de belasting voor haar rekening neemt.
### Hoofdstuk IV. Wijze van heffing
@@ -188,13 +188,13 @@
##### Artikel 10
1. Aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, indien deze meer bedraagt dan € 23. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de vennootschap niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn.
2. Aan een vennootschap die voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt aangemerkt als beleggingsinstelling wordt op haar verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een jaar te haren laste ingehouden dividendbelasting. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de teruggaaf betrekking heeft.
1. Aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, indien deze meer bedraagt dan € 23. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn.
2. Aan een vennootschap die voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt aangemerkt als beleggingsinstelling wordt op haar verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een jaar te haren laste ingehouden dividendbelasting. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de vennootschap niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de teruggaaf betrekking heeft.
##### Artikel 11
1. Op de ingevolge [artikel 7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2002-08-29&g=2002-08-29), op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd in de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. Op de ingevolge [artikel 7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2003-01-01&g=2003-01-01), op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd in de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- 1°. de inhoudingsplichtige was op het tijdstip waarop het lichaam de winstuitkering ter beschikking stelde - al dan niet te zamen met in Nederland gevestigde, met de inhoudingsplichtige verbonden lichamen als bedoeld in [artikel 10**a**, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) - voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van dat lichaam dan wel bezat, zo het verdrag daarin voorziet, ten minste 25 percent van de stemrechten in dat lichaam;
@@ -206,11 +206,11 @@
3. Tot de in het tweede lid genoemde opbrengst waarop de inhoudingsplichtige dividendbelasting heeft ingehouden, wordt niet gerekend de opbrengst waarop hij weliswaar dividendbelasting heeft ingehouden doch welke belasting voor volledige teruggaaf in aanmerking komt, behalve indien de opbrengst ter beschikking wordt gesteld aan:
- 1°. een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2002-08-29&g=2002-08-29), of een daarmee vergelijkbaar in het buitenland gevestigd lichaam, die respectievelijk dat voor minder dan 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de inhoudingsplichtige; of
- 2°. een vennootschap als bedoeld in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2002-08-29&g=2002-08-29).
4. Ingeval van een fiscale eenheid als bedoeld in [artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) worden de door een dochtermaatschappij ontvangen winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen welke voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid voor de toepassing van de vermindering ingevolge dit artikel toegerekend aan de moedermaatschappij. De eerste volzin is alleen van toepassing ingeval de plaats van de werkelijke leiding van de dochtermaatschappij in Nederland is gelegen. Ingeval door de dochtermaatschappij voor het tot stand komen van de fiscale eenheid winstuitkeringen zijn ontvangen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, kan Onze Minister op verzoek, onder door hem te stellen voorwaarden, die winstuitkeringen toerekenen aan de moedermaatschappij.
- 1°. een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2003-01-01&g=2003-01-01), of een daarmee vergelijkbaar in het buitenland gevestigd lichaam, die respectievelijk dat voor minder dan 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de inhoudingsplichtige; of
- 2°. een vennootschap als bedoeld in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2003-01-01&g=2003-01-01).
4. Indien de inhoudingsplichtige als dochtermaatschappij deel uit maakt van een fiscale eenheid in de zin van [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) worden de door die maatschappij ontvangen winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid voor de toepassing van de vermindering ingevolge dit artikel toegerekend aan de moedermaatschappij van die fiscale eenheid. Ingeval door de dochtermaatschappij voor het tot stand komen van de in de vorige volzin bedoelde fiscale eenheid winstuitkeringen zijn ontvangen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, kan Onze Minister op gezamenlijk verzoek van de moeder- en de dochtermaatschappij, onder door hem te stellen voorwaarden, toestaan dat die winstuitkeringen worden toegerekend aan de moedermaatschappij.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een winstuitkering op aandelen en winstbewijzen ter zake waarvan een vermindering kan worden toegepast gelijkgesteld de uit een staat waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten afkomstige winst, die in overeenstemming met het ter zake in het desbetreffende verdrag bepaalde in Nederland van belastingheffing is vrijgesteld en in de andere staat, naast de belasting die over die winst is geheven, is onderworpen aan een aanvullende belasting van ten minste 5 percent.
@@ -218,11 +218,11 @@
##### Artikel 12
1. Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2002-08-29&g=2002-08-29), mag hij in afwijking van [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2002-08-29&g=2002-08-29), tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege laten van inhouding van de belasting.
1. Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2003-01-01&g=2003-01-01), mag hij in afwijking van [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2003-01-01&g=2003-01-01), tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege laten van inhouding van de belasting.
2. De inhoudingsplichtige die op de voet van het eerste lid afziet van het achterwege laten van inhouding van belasting, is verplicht aangifte te doen van de ingehouden belasting.
3. Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden voor een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2002-08-29&g=2002-08-29).
3. Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden voor een vermindering op de voet van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2003-01-01&g=2003-01-01).
##### Artikel 13
@@ -242,7 +242,7 @@
##### Artikel 16
[Artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3a&z=2002-08-29&g=2002-08-29), vindt geen toepassing met betrekking tot stortingen op aandelen die vóór 1 januari 1946 hebben plaatsgevonden.
[Artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=II&artikel=3a&z=2003-01-01&g=2003-01-01), vindt geen toepassing met betrekking tot stortingen op aandelen die vóór 1 januari 1946 hebben plaatsgevonden.
##### Artikel 17
2002-08-29
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4
2002-07-26
Wet op de dividendbelasting 1965 — arts. 4, 4, 4
2002-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965 — art. 17
2002-01-01
Wet op de dividendbelasting 1965
original version
Tekst op deze datum