Wet van 31 oktober 1995, houdende bepalingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 721
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • a. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover,
  • b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald,
  • c. de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt,
  • d. de voorwaarden waaronder subsidie wordt verleend,
  • e. de verplichtingen van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven,
  • f. de vaststelling van de subsidie,
  • g. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of subsidievaststelling,
  • h. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten,
  • j. andere criteria voor de verstrekking van subsidie.
2.

Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt voor zover nodig onderscheid gemaakt tussen subsidie voor:

§ 2

Artikel 2.4.4. Gebruik voor culturele, maatschappelijke en recreatieve doeleinden

Vervallen

Artikel 2.4.5. Verhuur

Vervallen

Artikel 2.4.6. Buitengebruikstelling en herbestemming

Vervallen

Artikel 2.4.7. Overdracht bij beëindiging van de bekostiging

Vervallen

Artikel 2.4.8. Financiële afwikkeling

Vervallen

Artikel 2.4.9. Tijdelijke voorzieningen

Vervallen

Artikel 2.4.10. Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring

Vervallen

Titel 5. Begroting en verslaglegging

§ 1. Instellingen voor beroepsonderwijs en educatie, en agrarische innovatie- en praktijkcentra

Artikel 2.5.1. Reikwijdte

Vervallen

Artikel 2.5.2. Begroting

Vervallen

Artikel 2.5.3. Jaarrekening
1.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarrekening vast over het afgelopen jaar.

2.

In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over het financiële beheer van de instelling voor zover het betreft de ingevolge deze wet uit ’s Rijks kas ontvangen middelen. Uit de jaarrekening dient te blijken dat sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de rijksbijdrage. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het op enigerlei wijze compenseren van de studenten of vavo-studenten voor les- en cursusgeld of examengeld. Bij ministeriële regeling kunnen met het oog op de verantwoording van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de aanwending van de rijksbijdrage nadere voorschriften worden gegeven voor de inrichting van de jaarrekening.

3.

Het resultaat van het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling.

4.

Het bevoegd gezag dient de jaarrekening voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar bij Onze Minister in. De jaarrekening gaat vergezeld van de overige gegevens, bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de raad van toezicht of het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

5.

Het bevoegd gezag maakt de jaarrekening, vergezeld van de overige gegevens en de verklaring, bedoeld in het vierde lid, openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking plaatsvindt.

6.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze Minister beschikt over een overzichtelijke informatieverzameling van de financiële gegevens die op enigerlei wijze van belang zijn voor de berekeningswijze, bedoeld in de artikelen 2.2.2 en 2.2.12.

7.

Het bevoegd gezag houdt per begrotingsjaar nauwkeurig boek van baten en lasten en draagt er zorg voor dat de baten en lasten nauwkeurig en herkenbaar zijn verwerkt in de in het zesde lid bedoelde informatieverzameling.

8.

Het bevoegd gezag bewaart de informatieverzameling en de desbetreffende boeken en bescheiden, bedoeld in het zesde en zevende lid, gedurende een periode van zeven jaren.

9.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de wijze van beschikbaarstelling van de gegevens en de wijze van ordening daarvan.

Artikel 2.5.4. Bestuursverslag
1.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een bestuursverslag over het afgelopen jaar vast en maakt het openbaar. Het bestuursverslag bevat ten minste het verslag, bedoeld in artikel 1.3.6, tweede lid, voorzover dat in het desbetreffende jaar is uitgebracht, dan wel de hoofdpunten van laatstgenoemd verslag, alsmede de hoofdpunten van de bevindingen van de inspectie met betrekking tot de examens en informatie over schorsing en verwijdering van studenten, vavo-studenten en deelnemers in het afgelopen jaar. Ook legt het bevoegd gezag in het bestuursverslag verantwoording af over de omgang met een branchecode voor goed bestuur. Bij ministeriële regeling kan een branchecode worden aangewezen.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting en de wijze en het tijdstip van openbaarmaking van het bestuursverslag.

Artikel 2.5.5. Informatie beroepsonderwijs
1.

De instellingen dragen er zorg voor dat zij beschikken over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het beroepsonderwijs en verlenen desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de wijze van beschikbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

3.

Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens voorschriften vastgesteld over de wijze van ordening van de informatie en over de kengetallen waarover informatie beschikbaar is of wordt verstrekt, en kan worden bepaald dat Onze Minister een bijdrage in de kosten voor het verzamelen of verstrekken van deze gegevens is verschuldigd. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan deze bijdrage worden vastgesteld.

Artikel 2.5.6. Onderzoek vanwege minister

Onze Minister kan naast het accountantsonderzoek, bedoeld in artikel 2.5.3, vierde lid, een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarrekening en naar de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling.

Artikel 2.5.7. Informatieplicht ministeriële accountant

Vervallen

Artikel 2.5.8. Vermindering rijksbijdrage

Vervallen

Artikel 2.5.9. Correctie rijksbijdrage; verrekening vorderingen
1.

Indien de vaststelling van de rijksbegroting daartoe noopt, kan Onze Minister tot acht weken na die vaststelling correcties aanbrengen op de rijksbijdrage. Onze Minister maakt het bevoegd gezag binnen acht weken na de vaststelling van de rijksbegroting een correctie als bedoeld in de eerste volzin bekend. Onze Minister verrekent de correctie met de rijksbijdrage voor het desbetreffende jaar of betaalt uit in dat jaar.

2.

Indien uit de jaarrekening, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 2.5.3, vierde lid, of uit de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5.6, blijkt dat de rijksbijdrage op onjuiste gronden is vastgesteld dan wel de besteding daarvan niet rechtmatig of niet doelmatig was, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de rijksbijdrage. Onze Minister verrekent een correctie met de rijksbijdrage voor het eerstvolgende jaar na het besluit tot correctie, of betaalt uit in dat jaar.

3.

Onverminderd het eerste en tweede lid is Onze Minister bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag van een instelling met vorderingen krachtens een andere wet.

§ 1. Instellingen voor beroepsonderwijs en educatie

Artikel 2.5.10. Van overeenkomstige toepassing paragraaf 1

Vervallen

TITEL 6. SCHOLENGEMEENSCHAP ROC OF AOC MET SCHOOL VOOR VOORTGEZET ONDERWIJS; VOORSCHRIFTEN T.A.V. VBO IN AOC

Artikel 2.6. Scholengemeenschap ROC of AOC-school voor voortgezet onderwijs
1.

Een scholengemeenschap omvat:

1a. Ten aanzien van een school voor voortgezet onderwijs die deel uitmaakt van een scholengemeenschap als bedoeld in het eerste lid, bestaat aanspraak op rijksbijdrage ten aanzien van de huisvesting, waarvoor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een berekeningswijze wordt vastgesteld. Hoofdstuk 2, titel 8, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een scholengemeenschap als bedoeld in het eerste lid.

2.

In afwijking van de Wet medezeggenschap op scholen zijn de bepalingen inzake de medezeggenschap bij of krachtens de Wet op de ondernemingsraden en deze wet van toepassing op scholengemeenschappen als bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van deze wet voorschriften worden gegeven ten aanzien van scholengemeenschappen als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald welke voorschriften van deze wet geheel of gedeeltelijk van toepassing of overeenkomstige toepassing zijn.

Artikel 2.6a. Voorschriften t.a.v. vbo in AOC

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ten behoeve van het voorbereidend beroepsonderwijs, verzorgd in agrarische opleidingscentra, worden vastgesteld dat het bepaalde bij of krachtens deze wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is.

Titel 7. Bijdrage voor derden t.b.v. bevorderen beroepsonderwijs en afstemming onderwijs-arbeidsmarkt

Artikel 2.7. Bijdrage voor derden

Onze Minister kan volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften aan andere rechtspersonen dan die waarvan de instellingen uitgaan, een bijdrage toekennen ter bevordering van de verwezenlijking van de in artikel 1.2.1 bedoelde doelstellingen van de educatie en het beroepsonderwijs dan wel ten behoeve van de afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.

TITEL 8. WAARBORGFONDS EN INVESTERINGEN IN GEBOUWEN EN TERREINEN

Artikel 2.8.1. Verplichte aansluiting bij het Waarborgfonds instellingen

Vervallen

Artikel 2.8.2. Opheffing instellingen

Vervallen

Artikel 2.8.3. Beheer van de middelen

Vervallen

Hoofdstuk 3. Overleg

Titel 1. Overleg Minister

Artikel 3.1.1. Goed bestuur
1.

Het bevoegd gezag zorgt voor een scheiding tussen de functies van bestuur en intern toezicht.

2.

Een bestuurder van de rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, is niet tevens als bestuurder verbonden aan een ander bevoegd gezag of aan een rechtspersoon die wezenlijke invloed heeft op een ander bevoegd gezag.

3.

De samenstelling, taken en bevoegdheden van het intern toezicht zijn zodanig georganiseerd dat een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan worden uitgeoefend.

4.

Het bevoegd gezag van een openbare instelling kan hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden delegeren aan het hoofd van de instelling of een ander lid van het personeel.

Artikel 3.1.2. Het interne toezicht binnen de rechtspersoon
1.

Aan het bevoegd gezag van een bijzondere instelling is een raad van toezicht verbonden.

2.

De raad van toezicht houdt toezicht op het bestuur van de rechtspersoon bij de uitvoering van diens werkzaamheden en diens uitoefening van bevoegdheden en staat dit bestuur met raad ter zijde.

3.

De leden van de raad van toezicht hebben daarin zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. Een lid van een raad van toezicht heeft geen directe belangen bij de rechtspersoon die de instelling in stand houdt of de instelling zelf.

4.

De raad van toezicht is in elk geval belast met:

  • a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de bestuurders van de rechtspersoon die het bevoegd gezag vormt;
  • b. het goedkeuren van het bestuursreglement, de begroting, de jaarrekening, het bestuursverslag, en indien van toepassing, het strategisch meerjarenplan voor de instelling en een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 8.6.1;
  • c. het toezien op de naleving van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in artikel 2.5.4, eerste lid, door het bevoegd gezag;
  • d. het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen door het bevoegd gezag ten behoeve van de instelling;
  • f. het jaarlijks verantwoording afleggen over de uitvoering van zijn taken en uitoefening van zijn bevoegdheden in het bestuursverslag.
5.

Het bevoegd gezag voorziet de raad van toezicht van onafhankelijke administratieve ondersteuning.

6.

In afwijking van het eerste lid kan een functionele scheiding tussen bestuur en toezicht worden aangebracht binnen het bestuur van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing. Het bestuursverslag vermeldt de redenen voor de afwijking.

Titel 2. Overleg instellingen

Artikel 3.2.1. Georganiseerd overleg

Vervallen

Titel 6a. Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs

Artikel 3.3.1. Georganiseerd overleg kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven

Vervallen

Hoofdstuk 4. Personeel

Titel 6. Verticale scholengemeenschap

§ 1a. Verantwoording educatiemiddelen

Artikel 4.1.1. Formatie

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van het personeel van de instelling. Zoveel mogelijk tegelijk met die vaststelling bepaalt het bevoegd gezag functies en taken van het personeel van de instelling.

Artikel 4.1.1a. Evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities

Het bevoegd gezag streeft evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities na.

Artikel 4.1.2. Rechtspositie van het personeel
1.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de rechtspositie van het personeel wordt geregeld.

2.

Over de door het bevoegd gezag ingevolge het eerste lid te treffen regelingen, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel, wordt door of namens het bevoegd gezag overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende verenigingen van werknemers.

3.

In geval van een onherroepelijk vonnis tot faillietverklaring van een instelling, voorzien de bevoegde gezagsorganen van de overige instellingen er gezamenlijk in dat aan de aanspraken, bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de Werkloosheidswet, van het personeel en gewezen personeel, wordt voldaan, evenals aan de aanspraken die in het overleg, bedoeld in het tweede lid, zijn overeengekomen en als aanvulling gelden op de wettelijke aanspraken.

Artikel 4.1.3. Professioneel statuut

Met het oog op de voortdurende verbetering van de professionaliteit van het personeel, wordt door of namens de bevoegde gezagsorganen in overeenstemming met vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel een professioneel statuut vastgesteld.

Artikel 4.1.4. Personeel agrarische innovatie- en praktijkcentra

Vervallen

§ 1a. Verantwoording middelen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

Artikel 4.1.5. Beroepsmogelijkheid personeel bijzondere instellingen

Vervallen

Artikel 4.1.6. Commissie van beroep

Vervallen

Artikel 4.1.7. Inlichtingen

Vervallen

TITEL 8. WAARBORGFONDS EN INVESTERINGEN IN GEBOUWEN EN TERREINEN

Artikel 4.2.1. Vereisten benoeming of tewerkstelling docenten
1.

Docenten worden door het bevoegd gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming.

2.

Tot docent aan een instelling kan slechts worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die:

  • 2°. een getuigschrift als bedoeld in artikel 175 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs van een met goed gevolg afgelegd staatsexamen, voor zover overeenkomend met een getuigschrift als bedoeld onder 1°,
  • 4°. een getuigschrift of diploma van een opleiding die vóór 1 augustus 1991 was gericht op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs,
  • 6°. een op grond van artikel 4.2.1a gelijkgesteld buitenlands getuigschrift of diploma,
  • c. in het bezit is van een door het bevoegd gezag afgegeven geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.4, en
  • d. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het geven van onderwijs.
3.

In geval van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.4 vindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming voor zover betrokkene niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek plaats voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten studiejaren. Het bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin.

4.

Het tweede lid is niet van toepassing voor zover een docent is belast met contractactiviteiten.

5.

Het bevoegd gezag kan ten aanzien van een docent voor een periode van ten hoogste twee jaar afwijken van de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder b en c. Het bevoegd gezag kan de in de eerste volzin bedoelde termijn verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag dat noodzakelijk oordeelt vanwege de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs aan de school. In dat geval verklaren het bevoegd gezag en de betrokkene in ieder geval schriftelijk dat betrokkene verplicht is zich in te spannen om binnen de verlengingsperiode alsnog te voldoen aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder b. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin.

6.

Het bevoegd gezag kan afwijken van het tweede lid, onder b en c, ten aanzien van degene die gelet op specifieke kennis en bekwaamheden, samenhangend met ervaringen en werkzaamheden in andere sectoren van de samenleving en het bedrijfsleven, naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende bekwaam is om onder verantwoordelijkheid van een daartoe door het bevoegd gezag aan te wijzen docent voor een beperkte betrekkingsomvang te worden belast met het uitsluitend verzorgen van onderwijsonderdelen waar die specifieke kennis en bekwaamheden in het bijzonder betrekking op hebben. De betrekkingsomvang is voor het totaal van de in de eerste volzin bedoelde te verzorgen onderwijsonderdelen ten hoogste een aantal van gemiddeld 6 klokuren per week op jaarbasis.

Artikel 4.2.2. Belasten met onderwijsondersteunende werkzaamheden
1.

Onderwijsondersteunende werkzaamheden waarvoor op grond van artikel 4.2.3, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, mogen slechts worden verricht door degene die:

  • b. in het bezit is van een bij ministeriële regeling aangewezen getuigschrift waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in artikel 4.2.3, tweede lid, bedoelde bekwaamheidseisen, voor zover vastgesteld, of
  • d. volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en
  • e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het verrichten van die werkzaamheden.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een onderwijsondersteunende functionaris voor zover deze is belast met werkzaamheden in verband met contractactiviteiten.

3.

Ten aanzien van ho-studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en studenten aan de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 die in het kader van die opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van artikel 4.2.3, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de duur van die werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid, onder b tot en met d.

4.

Het bevoegd gezag kan voor een periode van ten hoogste twee jaar afwijken van de eisen, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met d. Het bevoegd gezag kan deze periode met ten hoogste de helft verlengen indien bijzondere omstandigheden daartoe naar zijn oordeel aanleiding geven. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin.

Titel 6a. Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs

Artikel 4.2a.1. Vereiste benoembaarheid overig personeel

Tot lid van het personeel, anders dan bedoeld in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2, kan slechts worden benoemd degene die in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden.

Titel 1. Overleg Minister

Artikel 4.3.1. Formatie

Het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven. Zoveel mogelijk tegelijk met deze vaststelling bepaalt het bestuur functies en taken van het personeel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven.

Artikel 4.3.2. Rechtspositie personeel Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven

Artikel 4.1.2, met uitzondering van het derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de rechtspositie van het personeel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, met dien verstande dat het gaat om de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven en het bestuur daarvan in plaats van om instellingen en de bevoegde gezagsorganen daarvan.

Artikel 4.3.3. Beroepsmogelijkheid personeel kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven

Vervallen

Artikel 4.3.4. Commissie van beroep

Vervallen

Artikel 4.3.5. Inlichtingen

Vervallen

Titel 1. Personeel van instellingen voor educatie en beroepsonderwijs

Artikel 4.4.1. Lerarenregister

Vervallen

Artikel 4.4.2

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/86.

Artikel 4.4.3. Verwerkingsverantwoordelijke

Vervallen

Hoofdstuk 5. Toezicht

Artikel 5.1. Toezicht

Vervallen

Artikel 5.2. Uitoefening toezicht

Vervallen

Artikel 5.2a. Vertrouwensinspecteurs

Vervallen

Artikel 5.3. Commissies van deskundigen

Vervallen

Artikel 5.4. Toegang en inlichtingen

Vervallen

Hoofdstuk 4. Personeel

Titel 1a. Het beroep docent

Artikel 6.1.1. Onderwijsaanbod instellingen
1.

Het bevoegd gezag bepaalt welke beroepsopleidingen de instelling verzorgt. Ten aanzien van die opleidingen geldt de aanspraak op bekostiging uitsluitend indien de opleidingen krachtens artikel 2.1.1 voor bekostiging in aanmerking komen.

2.

Onze Minister kan bepalen dat de aanspraak op bekostiging en het recht op diplomering, bedoeld in artikel 1.3.1, derde lid, onderdeel a, onderscheidenlijk vierde lid, ten aanzien van een beroepsopleiding die dreigt te verdwijnen, voor een periode van 5 jaren slechts toekomen aan één instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 indien hij van oordeel is dat het een unieke, kleinschalige beroepsopleiding betreft die van belang blijft voor de arbeidsmarkt.

Artikel 6.1.2. Melding voornemen starten of beëindigen beroepsopleidingen
1.

Het bevoegd gezag van een instelling meldt aan Onze Minister het voornemen tot het starten of beëindigen van een beroepsopleiding voorafgaand aan het studiejaar waarin wordt beoogd de beroepsopleiding te starten of te beëindigen.

2.

Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gesteld omtrent:

  • a. het uiterste tijdstip van melding, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen het starten en beëindigen van een opleiding in de beroepsopleidende en in de beroepsbegeleidende leerweg;
  • b. de vorm en nadere inhoud van de melding.
3.

Onze Minister maakt de melding openbaar.

Artikel 6.1.3. Zorgplicht arbeidsmarktperspectief, belang beroepsopleidingen en doelmatigheid
1.

Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat een beroepsopleiding alleen door de instelling wordt aangeboden als er na beëindiging van de opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief is voor de studenten. Onder arbeidsmarktperspectief wordt in ieder geval verstaan het perspectief voor gediplomeerde schoolverlaters op het binnen een redelijke termijn vinden van werk op het niveau van de gevolgde opleiding.

2.

Onverminderd het eerste lid kan het bevoegd gezag van een beroepscollege een beroepsopleiding aanbieden als de soort instelling in de regeling, bedoeld in artikel 7.2.4, is vermeld bij de kwalificatie waarop de opleiding is gericht of als de opleiding aantoonbaar gericht is op en van belang is voor de specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken waarvoor de instelling opleidingen verzorgt.

3.

Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat een beroepsopleiding alleen door de instelling wordt aangeboden als de verzorging van die opleiding, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het beroepsonderwijs, doelmatig is.

4.

Het bevoegd gezag legt over wijzigingen van het opleidingenaanbod van een instelling met betrekking tot het arbeidsmarktperspectief en de doelmatige verzorging van een opleiding verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.5.4.

Artikel 6.1.4. Ontneming rechten ten aanzien van bestaand onderwijsaanbod
1.

Onze Minister kan besluiten dat ten aanzien van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg die de instelling verzorgt, de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, gedurende twee jaar worden ontnomen indien:

  • a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding ten minste drie maanden zeer zwak is geweest,
  • b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, het onderwijs of de examens, of
  • c. niet of niet meer wordt voldaan aan een of meer zorgplichten, bedoeld in artikel 6.1.3.
2.

Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs:

  • a. de aanspraak op bekostiging, bedoeld in artikel 1.3.1, voor zover van toepassing, vervalt,
  • b. aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 meer is verbonden, en
  • c. in de Registratie instellingen en opleidingen wordt geregistreerd dat de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, van de instelling met betrekking tot de opleiding zijn ontnomen en de ingangsdatum en de einddatum daarvan.
3.

Bij een beschikking tot ontneming van rechten bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop die beschikking van kracht wordt zodanig, dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

4.

Onze Minister maakt de ontneming van rechten, bedoeld in dit artikel, openbaar.

Artikel 6.1.5. Waarschuwing
1.

Voordat Onze Minister een besluit neemt op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden. Onze Minister geeft pas toepassing aan artikel 6.1.4, eerste lid, onder a, nadat:

  • a. de termijn, bedoeld in de aanhef, is verstreken, en
  • b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
2.

Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder b, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.

2a. Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder c, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de naleving van een of meer zorgplichten, bedoeld in artikel 6.1.3, waarbij wordt bepaald aan welke maatregelen het bevoegd gezag gevolg dient te geven. Aan de waarschuwing kan een termijn van ten minste drie maanden worden verbonden waarbinnen aan de maatregelen gevolg moet worden gegeven.

3.

Onze Minister maakt de waarschuwingen, bedoeld in dit artikel, openbaar.

Artikel 6.1.6. Onthouding rechten ten aanzien van voorgenomen onderwijs uit oogpunt van kwaliteit of niet naleving wettelijke voorschriften

Vervallen

Titel 2a. Benoembaarheidsvereiste voor overig personeel van instellingen

Artikel 6.2.1. Diploma-erkenning ten aanzien van beroepsopleidingen, verzorgd door niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
1.

De aanvraag om toepassing van artikel 1.4.1 geldt mede als aanmelding voor registratie in de Registratie instellingen en opleidingen. In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 6.4.1, tweede lid, en derde lid, onderdelen a en b, verschaft het bevoegd gezag van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling bij de aanmelding de gegevens waaruit blijkt dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is of zal zijn, en dat wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid.

2.

Indien Onze Minister de aanvraag om toepassing van artikel 1.4.1 inwilligt, registreert hij bij de eerstvolgende gelegenheid daartoe, de naam van de instelling bij de kwalificatie waarop de opleiding is gericht in de Registratie instellingen en opleidingen.

Artikel 6.2.2. Beëindiging diploma-erkenning ten aanzien van beroepsopleidingen, verzorgd door niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
1.

Onze Minister kan ten aanzien van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg, verzorgd door een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling, het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, ontnemen indien

  • a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding ten minste drie maanden onvoldoende is geweest,
2.

Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 is verbonden en dat de registratie in de Registratie instellingen en opleidingen wordt beëindigd.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een beroepsopleiding in een andere leerweg als bedoeld in artikel 1.4.1, lid 1a.

Artikel 6.2.3. Waarschuwing
1.

Voordat Onze Minister een besluit neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden. Onze Minister geeft pas toepassing aan artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, nadat:

  • a. de termijn, bedoeld in het eerste lid, is verstreken, en
  • b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
2.

Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder b, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.

3.

Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder c, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn van ten minste tien dagen waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven.

4.

Onze Minister maakt de waarschuwingen, bedoeld in dit artikel, openbaar.

Titel 2a. Benoembaarheidsvereiste voor overig personeel van instellingen

Artikel 6.3.1. Examinering exameninstellingen
1.

De aanvraag om toepassing van artikel 1.6.1 geldt mede als aanmelding voor registratie in de Registratie instellingen en opleidingen. Het bevoegd gezag van een exameninstelling verschaft bij de aanmelding de gegevens waaruit blijkt dat de examinering van voldoende kwaliteit is of zal zijn, en dat wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.6.1, tweede lid.

2.

Indien Onze Minister de aanvraag om toepassing van artikel 1.6.1 inwilligt, registreert hij bij de eerstvolgende gelegenheid daartoe, de exameninstelling bij de desbetreffende opleiding in de Registratie instellingen en opleidingen.

Artikel 6.3.2. Ontneming recht op examinering exameninstellingen; waarschuwing

De artikelen 6.2.3b en 6.2.3c zijn van overeenkomstige toepassing op exameninstellingen.

Artikel 6.3.3. Maatregelen
1.

In het geval, bedoeld in artikel 6.3.2, eerste lid, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.

2.

Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een externe deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.

3.

Onze Minister stelt regels omtrent de toekenning van en verantwoording over maatregelen, voor zover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.

Titel 3. Personeel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven

Artikel 6.4.1. De Registratie instellingen en opleidingen
1.

De Registratie instellingen en opleidingen omvat een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers, kwalificaties, keuzedelen en onderdelen van kwalificaties waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 7.2.3, eerste lid, in het beroepsonderwijs, de instellingen en de exameninstellingen. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register. De bekendmaking en het verstrekken van informatie kunnen digitaal plaatsvinden.

2.

De Registratie instellingen en opleidingen bevat de volgende gegevens:

  • a. de naam en de code van de opleidingsdomeinen, de kwalificatiedossiers en de bijbehorende kwalificaties, de keuzedelen en de onderdelen van kwalificaties waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 7.2.3, eerste lid,
  • b. of in een kwalificatiedossier ten behoeve van een kwalificatie vereisten zijn opgenomen die bij of krachtens wet zijn vastgesteld voor het beroep waarop de kwalificatie is gericht en
  • c. een overzicht van de keuzedelen en onderdelen van kwalificaties waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 7.2.3, eerste lid,
  • d. of ten aanzien van een keuzedeel of een onderdeel van een kwalificatie waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 7.2.3, eerste lid, vereisten zijn opgenomen als bedoeld in artikel 7.2.6,
  • f. het NLQF-niveau dat voor de kwalificatie is vastgesteld bij of krachtens de Wet NLQF en het daarmee corresponderende EQF-niveau.
3.

De Registratie instellingen en opleidingen bevat voorts per kwalificatie de volgende gegevens, voor zover van toepassing:

  • a. de namen van de uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
  • 1°. die blijkens de opgave van het aantal studenten daadwerkelijk de desbetreffende beroepsopleiding verzorgen,
  • 2°. waaraan de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, met betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding zijn ontnomen en de ingangs- en einddatum daarvan,
  • 3°. waaraan het recht op examinering van de desbetreffende beroepsopleiding is ontnomen en de ingangsdatum daarvan,
  • b. de namen van de niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
  • 1°. waaraan het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, met betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding is toegekend en die niet te kennen hebben gegeven dat zij deze beroepsopleiding niet langer zullen verzorgen,
  • 2°. waaraan het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, met betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding is ontnomen en de ingangsdatum daarvan,
  • 3°. waaraan het recht op examinering van de desbetreffende beroepsopleiding is ontnomen en de ingangsdatum daarvan,
  • c. de namen van de exameninstellingen
  • 1°. die het recht hebben op examinering van de desbetreffende beroepsopleiding en die niet te kennen hebben gegeven dat zij die examinering niet langer zullen verzorgen en
  • 2°. waaraan het recht is ontnomen op examinering van de desbetreffende beroepsopleiding, en de ingangsdatum daarvan.
Artikel 6.4.2. De registratieprocedure voor beroepsopleidingen van uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen

Vervallen

Artikel 6.4.3. Hernieuwde registratie van beroepsopleidingen

Vervallen

Artikel 6.4.4. Beëindiging registratie beroepsopleidingen niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen; beëindiging registratie examinering
1.

Onverminderd artikel 6.2.2 beëindigt Onze Minister de registratie bij een kwalificatie van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling, indien het bevoegd gezag te kennen geeft dat de instelling de desbetreffende beroepsopleiding niet langer zal verzorgen. Onverminderd artikel 6.3.2 beëindigt Onze Minister de registratie bij een kwalificatie van de examinering door een exameninstelling, indien het bevoegd gezag te kennen geeft dat de exameninstelling de examinering van de desbetreffende beroepsopleiding niet langer zal verzorgen.

2.

De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de opleiding niet meer openstaat.

3.

Onze Minister kan de registratie ambtshalve beëindigen wanneer er gedurende ten minste één jaar geen studenten meer zijn ingeschreven aan de opleiding en de inspectie uit een oogpunt van kwaliteitsbewaking hiertoe aanleiding ziet.

4.

Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de registratie van de examinering door exameninstellingen.

Titel 3. Personeel van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven

Artikel 6.5.1. De registratieprocedure voor externe legitimering

Vervallen

Artikel 6.5.2. Hernieuwde registratie van externe legitimering

Vervallen

Artikel 6.5.3. Beëindiging registratie van externe legitimering

Vervallen

Hoofdstuk 6a. Het onderwijsaanbod educatie

Titel 4

Artikel 6a.1.1. Elektronisch register opleidingen educatie met diploma-erkenning
1.

Onze Minister houdt een elektronisch register bij omtrent opleidingen educatie waarvoor diploma-erkenning is aangevraagd als bedoeld in artikel 1.4a.1.

2.

Het register is openbaar en maakt onderscheid tussen opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en andere opleidingen educatie.

3.

Het register vermeldt ten minste:

  • a. de naam van de opleiding educatie en het tijdstip met ingang waarvan het diploma is erkend, en de naam en vestigingsplaats van de instelling als bedoeld in artikel 1.4a.1, eerste lid;
4.

Bij ministeriele regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het register.

Artikel 6a.1.2. Beëindiging diploma-erkenning ten aanzien van opleidingen educatie, verzorgd door instellingen als bedoeld in artikel 1.4a.1
1.

Onze Minister kan ten aanzien van een opleiding educatie, verzorgd door een instelling als bedoeld in artikel 1.4a.1, het recht, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, ontnemen indien:

  • a. gebleken is dat de kwaliteit van een of meer examens of een of meer onderdelen van een examen van die opleiding onvoldoende is geweest, of
2.

Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6 is verbonden.

Artikel 6a.1.3. Waarschuwing
1.

Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6a.1.2, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van een of meer examens of een of meer onderdelen van een examen van die opleiding. Onze Minister geeft eerst toepassing aan artikel 6a.1.2, eerste lid, onder a, nadat

  • a. na de waarschuwing ten minste een jaar is verstreken, en
  • b. Onze Minister aan de hand van een hernieuwd onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
2.

Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6a.1.2, eerste lid, onder b, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.

Artikel 6a.1.4. Beëindiging diploma-erkenning van rechtswege van opleidingen educatie van instellingen, bedoeld in artikel 1.4a.1

Indien het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel 1.4a.1, langer dan twee studiejaren een opleiding educatie niet heeft verzorgd, vervalt van rechtswege het recht om voor de desbetreffende opleiding een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 1.4a.1, eerste lid, uit te reiken.

Hoofdstuk 5. Toezicht

Titel 1. Het onderwijs

Artikel 7.1.1. Taal

Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. Een andere taal kan worden gebezigd:

  • a. wanneer het onderwijs met betrekking tot die taal betreft, of
  • b. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten en vavo-studenten daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgestelde gedragscode.
Artikel 7.1.2. Opleidingen
1.

De instelling biedt het onderwijs aan in de vorm van beroepsopleidingen of opleidingen educatie. Een beroepsopleiding wordt door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam van de kwalificatie waarop zij is gericht of voorzover het gaat om studenten die ingeschreven zijn of zullen worden voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier, de naam van dat opleidingsdomein of dat kwalificatiedossier. Het keuzedeel dat deel uitmaakt van de beroepsopleiding wordt door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam van dat keuzedeel.

2.

Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, onverminderd artikel 1.4.1, lid 1a, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs alsmede een of meer daarbij behorende keuzedelen, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.

3.

Een opleiding educatie is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma, gelijkwaardig aan een diploma van scholen, bedoeld in de artikelen 2.4 tot en met 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, of onderdelen van een dergelijk diploma.

4.

Beroepsopleidingen worden afgesloten met een examen. Opleidingen educatie kunnen worden afgesloten met een examen.

Artikel 7.1.3. Kwalificatie en keuzedeel
1.

Een kwalificatie is het geheel van bekwaamheden die een afgestudeerde van een beroepsopleiding kwalificeren voor het functioneren in een beroep of een groep van samenhangende beroepen, in het vervolgonderwijs en als burger en dat is beschreven binnen een kwalificatiedossier.

2.

Het keuzedeel is onderdeel van een beroepsopleiding en is gericht op verbreding of verdieping van de kwalificatie waar deze bij behoort, dan wel gericht op doorstroom naar een vervolgopleiding.

Artikel 7.1.4. Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke studenten
1.

Bij het geven van onderwijs aan een student die bij de aanvang van die opleiding leerplichtig was en die is opgenomen in een ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijft, kan het bevoegd gezag van een instelling die de beroepsopleiding verzorgt, worden ondersteund.

2.

De ondersteuning bedoeld in het eerste lid wordt verzorgd door:

3.

De ondersteuning bedoeld in het eerste lid kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening dan wel de schoolbegeleidingsdienst en de instelling waarbij de student is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de student betreffen.

4.

Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke studenten. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de bekostiging, bedoeld in de vorige volzin.

Titel 2. Het beroepsonderwijs, verzorgd door niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen

§ 1. Reikwijdte

Artikel 7.2.1. Reikwijdte

Deze titel is van toepassing op beroepsopleidingen.

§ 2. Beroepsopleidingen en eindtermen beroepsopleidingen

Artikel 7.2.2. Onderscheid beroepsopleidingen; niveau; leerwegen
1.

De volgende soorten beroepsopleidingen worden onderscheiden:

  • a. de entreeopleiding,
  • b. de basisberoepsopleiding,
  • c. de vakopleiding,
  • d. de middenkaderopleiding, en
  • e. de specialistenopleiding.
2.

De in het eerste lid bedoelde opleidingen kunnen worden verzorgd in de beroepsopleidende leerweg en de beroepsbegeleidende leerweg.

3.

De entreeopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het eerste niveau van beroepsuitoefening of voor de entree op de arbeidsmarkt. De basisberoepsopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het tweede, de vakopleidingen op de kwalificatie voor het derde en de middenkader- en specialistenopleidingen op de kwalificatie voor het vierde en hoogste niveau van beroepsuitoefening.

Artikel 7.2.3. Certificaten
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan onderdelen van een kwalificatie of kwalificaties dan wel aan een keuzedeel of keuzedelen een certificaat is verbonden.

2.

Artikel 7.4.6, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op certificaten.

Artikel 7.2.4. Landelijke kwalificatiestructuur beroepsonderwijs
1.

Met het oog op het functioneren van een landelijke kwalificatiestructuur, gericht op de aansluiting tussen het aanbod van het beroepsonderwijs en de maatschappelijke behoeften daaraan, mede in het licht van de arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerden, draagt Onze Minister zorg voor het vaststellen en onderhouden van een samenhangend en gedifferentieerd geheel van opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers, de bijbehorende kwalificaties alsmede de keuzedelen die voor de desbetreffende bedrijfstakken of beroepencategorieën van belang zijn.

2.

Daartoe worden op voorstel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, behoudens het achtste lid, bij ministeriële regeling vastgesteld:

  • a. de kwalificatiedossiers,
  • b. van elk kwalificatiedossier:
  • 1°. het opleidingsdomein waartoe het kwalificatiedossier behoort, tenzij het een kwalificatiedossier betreft dat uitsluitend is gericht op de kwalificatie voor de entree op de arbeidsmarkt,
  • 2°. de kwalificatie of kwalificaties die het kwalificatiedossier bevat, en
  • 3°. de kwalificatie of kwalificaties op grond waarvan een beroepsopleiding kan worden ingericht die voor bekostiging in aanmerking komt,
  • c. van elke kwalificatie:
  • 5°. of een beroepscollege een op de kwalificatie gerichte beroepsopleiding mag verzorgen,
  • d. de keuzedelen, waarbij van elk keuzedeel wordt aangegeven bij welke kwalificatie of kwalificaties het behoort.
3.

De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven neemt bij het voorstel voor een kwalificatiedossier het bepaalde in het tweede, vierde, vijfde en zesde lid in acht. Uit het voorstel blijkt dat voldoende acht is geslagen op de aansluiting tussen de opleidingen voorbereidend beroepsonderwijs, de opleidingen middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, de beroepsopleidingen en de opleidingen hoger beroepsonderwijs, in elk geval door raadpleging van vertegenwoordigers van die onderwijsvelden. Indien ook andere instanties nauw bij het voorstel voor het kwalificatiedossier zijn betrokken, maakt de Samenwerkingsorganisatie in haar voorstel melding van de wijze waarop het oordeel van die instanties is betrokken in het voorstel.

4.

Bij de vaststelling van een kwalificatiedossier worden de referentieniveaus Nederlandse taal en de referentieniveaus rekenen in acht genomen die op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen zijn vastgesteld voor de soorten opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a tot en met e.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de inhoud van een kwalificatiedossier.

6.

Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de termijnen bij de totstandkoming, vaststelling en geldigheidsduur van kwalificatiedossiers, keuzedelen en de koppeling van keuzedelen aan kwalificaties. Tevens worden bij ministeriële regeling een model voor een kwalificatiedossier, een model voor een keuzedeel en een toetsingskader voor de kwalificatiestructuur vastgesteld.

7.

Studenten worden behoudens de tweede volzin opgeleid overeenkomstig het kwalificatiedossier dat voor de desbetreffende beroepsopleiding is vastgesteld voor de aanvang van het studiejaar waarin zij met het eerste jaar van die opleiding starten. Nadat de geldigheidsduur van een kwalificatiedossier, een keuzedeel, keuzedelen en de koppeling van keuzedelen aan kwalificaties is verstreken, kan een diploma op basis van dat kwalificatiedossier nog worden uitgereikt dan wel het behalen van een keuzedeel op het diploma worden vermeld, gedurende een periode die overeenkomt met de studieduur van de desbetreffende beroepsopleiding, vermeerderd met 2 jaren.

8.

Onze Minister kan in bijzondere gevallen een kwalificatiedossier vaststellen zonder voorstel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven. Onze Minister gaat hiertoe niet over dan nadat de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn een voorstel voor een kwalificatiedossier te doen dat aansluit bij de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en is afgestemd met het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven.

Artikel 7.2.5. Advisering over kwalificatiestructuur en kwalificatiedossiers

Vervallen

Artikel 7.2.6. Beroepsvereisten
1.

Indien voor een beroep bij of krachtens een wet, verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, vereisten zijn vastgesteld over de kwaliteiten onder meer op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden of beroepshoudingen waarover degenen die een opleiding gericht op dat beroep voltooien, moeten beschikken, of over de examinering bij de desbetreffende beroepsopleiding:

  • a. draagt de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven ervoor zorg dat deze vereisten verwerkt zijn bij het doen van het voorstel, bedoeld in artikel 7.2.4, tweede en derde lid,
  • b. voegt de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven een verklaring van Onze Minister die het aangaat dat deze vereisten correct zijn verwerkt in het voorstel, bedoeld in artikel 7.2.4, tweede en derde lid, en
  • c. neemt Onze Minister deze vereisten in acht bij de vaststelling van de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4.
2.

De instelling draagt er bij het aanbieden van een beroepsopleiding zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan de in het eerste lid bedoelde vereisten te voldoen en dat bij de examinering, zo nodig in afwijking van titel 4 van dit hoofdstuk, aan die vereisten wordt voldaan.

Artikel 7.2.7. Inrichting beroepsopleidingen
1.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat studenten, ongeacht of zij eerst worden ingeschreven voor een opleidingsdomein of voor een kwalificatiedossier, de kwalificatie en daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken en dat het onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld, alsmede voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming omvat.

2.

Beroepsopleidingen in de beroepsopleidende leerweg en in de beroepsbegeleidende leerweg zijn voltijds ingericht en hebben per volledig studiejaar een studielast van ten minste 1600 klokuren.

3.

Het onderwijsprogramma voor een opleiding in de beroepsopleidende leerweg voldoet aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag voor de student een onderwijsprogramma verzorgt dat:

  • a. voor de entreeopleiding ten minste 1000 klokuren omvat waarvan ten minste 600 begeleide onderwijsuren;
  • b. voor een eenjarige basisberoepsopleiding en voor de specialistenopleiding ten minste 1000 klokuren omvat, waarvan ten minste 700 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren beroepspraktijkvorming;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)