Wet van 31 oktober 1995, houdende bepalingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 721
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Paragraaf 1a. Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen

Paragraaf 1b. De uitvoering van de externe kwaliteitsbewaking

Hoofdstuk 9. Het bestuur

§ 1. Bevoegd gezag; bestuursoverdracht

§ 2. Bestuur en inrichting van de instellingen

Hoofdstuk 9. Het bestuur

Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter

§ 1. Bevoegd gezag; bestuursoverdracht

Paragraaf 1. Ondersteuning van jongeren zonder startkwalificatie en regionaal programma

Hoofdstuk 11a. Experimenten

Hoofdstuk 12. Overgangs-, invoerings- en slotbepalingen

Titel 4. Bepalingen met betrekking tot passend onderwijs

Titel 4a. Beroepsopleidingen oude stijl

Titel 4a. Beroepsopleidingen oude stijl

Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 12.5.1b*. Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van ......25 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. ....2022, 134) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.

Titel 5. Begroting, verslaglegging en gegevensverstrekking

§ 1a. Verantwoording middelen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

Hoofdstuk 4. Personeel

§ 1. Formatie; rechtspositie

§ 2. Commissie van beroep

Paragraaf 1. Het lerarenregister

Paragraaf 2. Het registervoorportaal

Hoofdstuk 5. Toezicht

Artikel 8a.2.4. Advies- en instemmingsbevoegdheden ouderraad vsg
1.

Een ouderraad van een verticale scholengemeenschap heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bevoegd gezag ten aanzien van:

  • a. de vaststelling van de schoolgids voor een school;
  • b. de vaststelling of wijziging van de hoogte en de vaststelling of wijziging van de bestemming van de middelen die van de ouders wordt gevraagd zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat dan wel zijn ontvangen op grond van een overeenkomst die door de ouders is aangegaan;
  • c. de vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het beheersbaar houden van de middelen die van de ouders worden gevraagd voor schoolkosten, met uitzondering van lesmateriaal als bedoeld in artikel 2.110 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden;
  • d. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van ouders;
  • e. vaststelling of wijziging van het beleid ten aanzien van de uitwisseling van informatie tussen het bevoegd gezag en ouders.
2.

De ouderraad van een verticale scholengemeenschap heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bevoegd gezag ten aanzien van:

  • a. regeling van de gevolgen voor ouders met betrekking tot een aangelegenheid omtrent beëindiging, belangrijke inkrimping, uitbreiding van werkzaamheden van een school of een belangrijk onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
  • b. regeling van de gevolgen voor ouders van het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere school of instelling, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
  • c. verandering of omzetting van de grondslag van de school, of een onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake.
3.

Artikel 8a.2.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.1.3a. Afspraken met betrekking tot extra ondersteuning
1.

Het bevoegd gezag beoordeelt voorafgaande aan de inschrijving van de student of vavo-student of deze student of vavo-student extra ondersteuning behoeft in verband met handicap of chronische ziekte en onderzoekt daartoe zijn mogelijkheden, behoeften en omstandigheden. Het bevoegd gezag kan de student of vavo-student verzoeken gegevens te overleggen betreffende handicap of chronische ziekte of beperkingen in de onderwijsparticipatie.

2.

Indien de inschrijving een student of vavo-student betreft die extra ondersteuning behoeft in verband met handicap of chronische ziekte, vindt de inschrijving slechts plaats nadat het bevoegd gezag met de student of vavo-student schriftelijke afspraken heeft gemaakt over deze ondersteuning.

3.

De afspraken worden ten minste één keer per studiejaar met de student of vavo-student geëvalueerd op hun doeltreffendheid.

4.

Indien de noodzaak van extra ondersteuning in verband met handicap of chronische ziekte na de inschrijving ontstaat, zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.1.7c. Schorsing
1.

Het bevoegd gezag kan een student of vavo-student voor ten hoogste twee weken schorsen.

2.

Het bevoegd gezag maakt de beslissing tot schorsing schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de student of vavo-student bekend. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het schorsen van studenten en vavo-studenten.

Artikel 8.1.7d. Verwijdering
1.

Het bevoegd gezag kan een student of vavo-student van de instelling verwijderen.

2.

Het bevoegd gezag verwijdert een student of vavo-student op wie de Leerplichtwet 1969 van toepassing is pas definitief van de instelling nadat het bevoegd gezag ervoor heeft gezorgd dat het bevoegd gezag van een andere instelling, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Leerplichtwet 1969 bereid is de student of vavo-student toe te laten. Indien aantoonbaar gedurende acht weken zonder succes is gezocht naar een zodanige instelling of school waarnaar kan worden verwezen, kan in afwijking van de eerste volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan.

3.

Het bevoegd gezag maakt de beslissing tot verwijdering van een student of vavo-student schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan hem bekend. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend. Voorafgaand aan de beslissing tot verwijdering kan de student of vavo-student worden geschorst. Deze schorsing kan de duur, bedoeld in artikel 8.1.7c, eerste lid, overschrijden. Het bevoegd gezag gaat in geval van schorsing na op welke andere manier de betrokken student of vavo-student onderwijs kan blijven volgen.

4.

Op een bezwaarschrift tegen een beslissing over verwijdering van een student of vavo-student beslist het bevoegd gezag, voor zover het een openbare instelling betreft in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Voorafgaand daaraan wordt de student of vavo-student in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en kennis te nemen van de adviezen en rapporten over die beslissing. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, komen deze rechten ook toe aan diens ouders.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verwijderen van studenten en vavo-studenten.

Hoofdstuk 8a. Medezeggenschap en de landelijke geschillencommissie medezeggenschap

Hoofdstuk 9. Het bestuur

Titel 3. Reglement studentenraad

§ 2. Bestuur en inrichting van de instellingen

Hoofdstuk 11. Sancties

Paragraaf 2. Opschorten en terugvorderen rijksbijdrage educatie

Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter

Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 12.5.1b*. Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van ......25 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. ....2022, 134) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1.3.10. Verzending berichten aan bevoegd gezag

Artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing in het verkeer tussen ouders, studenten, vavo-studenten of deelnemers en het bevoegd gezag.

Titel 6. De exameninstellingen

Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging

Titel 1. Planning

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1.6. Spoedaanwijzing
1.

Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:

  • a. het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
  • b. uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 3.1.5, tweede lid, volgt; en
  • c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.
2.

Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

3.

De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

4.

De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

5.

Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.

6.

Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.

Artikel 6.2.3c. Schorsing examinering of diplomering bij wezenlijk vermoeden dat de waarde van diploma’s en certificaten in het geding is
1.

Onverminderd de artikelen 6.2.2 tot en met 6.2.3b kan Onze Minister besluiten dat ten aanzien van een beroepsopleiding aan een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.4.1 gedurende ten hoogste zes maanden rechten kunnen worden geschorst indien:

  • a. het bevoegd gezag wat betreft het onderwijs of de examinering tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
  • b. er daardoor of mede daardoor een wezenlijk vermoeden bestaat dat niet aan alle voorwaarden wordt voldaan om tot diplomering over te gaan of de kwaliteit van de examens in grote mate niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4; en
  • c. de inzet van andere bevoegdheden van Onze Minister op grond van deze wet niet kan worden afgewacht.
2.

Onze Minister schorst uitsluitend:

  • a. het recht op examinering voor de betreffende beroepsopleiding, of een deel daarvan;
  • b. het recht om voor die opleiding een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 te verstrekken;
  • c. het recht om voor onderdelen van die opleiding een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 te verstrekken; of
  • d. het recht om voor onderdelen van die opleiding een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a te verstrekken.

Paragraaf 1. Toegankelijke faciliteit; klachten

Artikel 7.5.6. Inlichtingen

De leden van de examencommissie en de examinatoren verstrekken aan de commissie van beroep voor de examens de inlichtingen die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.

Artikel 7.5.7. Bevoegdheid en samenstelling geschillenadviescommissie
1.

Het bevoegd gezag stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, een geschillenadviescommissie in of sluit zich bij een dergelijke commissie aan. Op een geschillenadviescommissie is artikel 7:13, eerste tot en met zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. De leden van de geschillenadviescommissie zijn functioneel onafhankelijk.

2.

De geschillenadviescommissie brengt aan het bevoegd gezag advies uit over bezwaren met betrekking tot schriftelijke beslissingen van organen van een instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen dan wel met betrekking tot het ontbreken van een dergelijke beslissing. De vorige volzin is niet van toepassing op beslissingen als bedoeld in artikel 7.5.4.

3.

De geschillenadviescommissie neemt tevens kennis van geschillen tussen studenten of vavo-studenten en het bevoegd gezag van een instelling met betrekking tot het maken, wijzigen en uitvoeren van de afspraken, bedoeld in artikel 8.1.3a, tweede lid.

4.

De geschillenadviescommissie gaat na of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is.

5.

Indien sprake is van onverwijlde spoed kan de voorzitter van de geschillenadviescommissie desgevraagd bepalen dat de geschillenadviescommissie zo spoedig mogelijk advies uitbrengt aan het bevoegd gezag. De voorzitter bepaalt binnen een week na ontvangst van het bezwaar of sprake is van onverwijlde spoed en brengt de betrokkene en het bevoegd gezag hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte. Het bevoegd gezag neemt dan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaar door de faciliteit een beslissing.

6.

Het bevoegd gezag kan een commissie belasten met de behandeling van en advisering over zowel bezwaren als bedoeld in het tweede lid als klachten als bedoeld in artikel 7.5.2, onverminderd het bepaalde bij of krachtens dit artikel en de artikelen 7.5.2 en 7.5.8.

Artikel 7.5.8. Beslissing op bezwaren

Het bevoegd gezag beslist na ontvangst van het bezwaar binnen tien weken, onverminderd de beslissingen op grond van de procedure, bedoeld in artikel 7.5.7, vijfde lid. Wat de openbare instellingen betreft beslist het bevoegd gezag in afwijking van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 7.5.9. Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
1.

Een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling inhoudende een rechtshandeling die jegens een betrokkene is genomen op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen, wordt voor de toepassing van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot besluiten aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van die wet. Het beroep kan worden ingesteld door de betrokkene.

2.

Tegen een beslissing van een college van beroep bijzonder onderwijs als bedoeld in artikel 7.5.10 kan geen beroep worden ingesteld.

3.

De organen van de instelling verstrekken aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de gegevens die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.

Artikel 7.5.10. College van beroep bijzonder onderwijs
1.

In afwijking van artikel 7.5.9, eerste lid, kan het bevoegd gezag van een bijzondere instelling, al dan niet in samenwerking met bevoegde gezagsorganen van een of meer andere bijzondere instellingen met een levensbeschouwelijke aard, in een regeling bepalen dat de instelling in verband met de levensbeschouwelijke aard van de instelling een college van beroep bijzonder onderwijs instelt voor de behandeling van beroepen ingesteld door een betrokkene tegen een beslissing van een orgaan van een instelling die jegens hem op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen is genomen.

2.

De regeling bevat in elk geval regels over:

  • a. de omvang en samenstelling van het college;
  • b. indien nodig, de splitsing in kamers, alsmede de verdeling van de werkzaamheden over de verschillende kamers;
  • c. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van het college;
  • d. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van het college eindigt;
  • e. de procedure voor het minnelijk schikken van geschillen en de gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten;
  • f. de wijze waarop in het secretariaat van het college wordt voorzien; en
  • g. de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.
3.

De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

4.

De regeling bevat tevens een uitwerking van de rechtsgang bij het college, waarbij de artikelen 7.5.3, derde en vierde lid, 7.5.4, zesde lid, 7.5.5, eerste lid, en 7.5.6 van overeenkomstige toepassing zijn.

5.

Het college beslist binnen tien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken.

6.

De regeling alsmede wijzigingen daarvan worden vastgesteld met inachtneming van de artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.9 en worden na de vaststelling zo spoedig mogelijk gezonden aan Onze Minister. Onze Minister kan binnen drie maanden verklaren van oordeel te zijn, dat het bevoegd gezag bij de vaststelling van de rechtsgang de artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.9 niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen levensbeschouwelijke aard van de bijzondere instelling die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie maanden wordt het bezwaar ondervangen.

7.

De werking van het besluit van Onze Minister, bedoeld in het zesde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Artikel 8a.2.1a. Onder de aandacht brengen instemmings- of adviesbevoegdheid

Indien het bevoegd gezag een voorstel voor advies of instemming voorlegt aan de studentenraad, wijst het bevoegd gezag de studentenraad uitdrukkelijk op haar instemmings- of adviesbevoegdheid.

§ 2. Doorlopende en geïntegreerde routes vso-mbo

Hoofdstuk 11. Sancties

Paragraaf 2. Ondersteuning door de instelling

Paragraaf 2. Opschorten en terugvorderen rijksbijdrage educatie

Hoofdstuk 11. Sancties

Hoofdstuk 11a. Experimenten

Titel 4. Bepalingen met betrekking tot passend onderwijs

Titel 4a. Beroepsopleidingen oude stijl

Titel 4b. Invoering van de Wet aanscherping eisen examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs

Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 12.5.1b*. Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van ......25 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. ....2022, 134) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7.4.6b. Vervangend getuigschrift bij naamswijziging
1.

Aan de bezitter van een diploma, certificaat of mbo-verklaring als bedoeld in de artikelen 7.4.6, eerste lid, 7.2.3, eerste lid, respectievelijk 7.4.6a reikt de examencommissie van de betreffende instelling desgevraagd een vervangend getuigschrift uit in verband met een naamswijziging van de betrokkene ten gevolge van de toepassing van de artikelen 4, vierde lid, 7, eerste lid, 28b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

2.

Het vervangende getuigschrift bevat geen andere wijzigingen van de oorspronkelijke relevante gegevens.

3.

Het vervangende getuigschrift wordt verstrekt onder de voorwaarde dat het oorspronkelijke getuigschrift bij de betrokken examencommissie wordt ingeleverd.

4.

Het vervangende getuigschrift heeft dezelfde bewijskracht als het oorspronkelijke getuigschrift.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld over de door de aanvrager over te leggen gegevens en de wijze waarop de vervanging door de examencommissie wordt uitgevoerd.

6.

In afwijking van artikel 7.4.1 is deze bepaling ook van toepassing op getuigschriften van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.

Paragraaf 3. Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Hoofdstuk 8a. Medezeggenschap en de landelijke geschillencommissie medezeggenschap

Artikel 8a.1.1a. Overleg met studentenorganisaties

Onze Minister pleegt geregeld overleg met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten over aangelegenheden van algemeen belang voor studenten.

Titel 4. Geschillenregeling en procesbevoegdheid

Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter

Hoofdstuk 11. Sancties

Paragraaf 1. Inhouden en opschorten bekostiging; strafbepaling

Paragraaf 2. Opschorten en terugvorderen rijksbijdrage educatie

Hoofdstuk 12. Overgangs-, invoerings- en slotbepalingen

Artikel 12.1b.1. Overgangsbepaling bij te late indiening bekostigingsgegevens voor de rijksbijdrage 2025
1.

Indien een instelling de verklaring omtrent de getrouwheid, bedoeld in artikel 2.2.4, vijfde lid, ten behoeve van de rijksbijdrage beroepsonderwijs voor het bekostigingsjaar 2025 indient na een tijdstip dat op grond van artikel 2.2.4, vijfde lid, is bepaald, wordt de rijksbijdrage voor de instelling voorlopig vastgesteld met gebruik van de voorlopige gegevens van het kalenderjaar 2025.

2.

Nadat de instelling de verklaring omtrent de getrouwheid alsnog heeft ingediend voor een later tijdstip dat op grond vanartikel 2.2.4, vierde lid, is bepaald, wordt de rijksbijdrage voor de instelling definitief vastgesteld met gebruik van de gegevens die vergezeld gaan van de verklaring omtrent de getrouwheid en met inachtneming van de voorschriften op grond van artikel 2.2.4, vierde lid.

Titel 4. Bepalingen met betrekking tot passend onderwijs

Titel 4a. Beroepsopleidingen oude stijl

Titel 4. Bepalingen met betrekking tot passend onderwijs

Titel 4a. Beroepsopleidingen oude stijl

Artikel 12.5.1b*. Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van ......25 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. ....2022, 134) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 12.5.1c. Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 23 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. 2022, 134) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.

Artikel 9.1.9. Studieduur doorlopende leerroute vmbo-mbo
1.

In afwijking van de artikelen 2.6, derde lid, en 2.7, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 7.2.4a, derde lid, onderdelen b tot en met d, en vierde lid, bedraagt de studieduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo vanaf het derde leerjaar aan een school:

  • a. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een eenjarige basisberoepsopleiding ten minste twee en ten hoogste drie volledige studiejaren;
  • b. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een tweejarige basisberoepsopleiding of tweejarige vakopleiding ten minste drie en ten hoogste vier volledige studiejaren;
  • c. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een driejarige vakopleiding of de middenkaderopleiding ten minste vier en ten hoogste vijf volledige studiejaren;
  • d. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een middenkaderopleiding als bedoeld in artikel 7.2.4a, vierde lid, ten minste vijf en ten hoogste zes volledige studiejaren.
2.

Ten aanzien van de opleiding voorbereidend beroepsonderwijs of middelbaar algemeen voortgezet onderwijs die deel uitmaakt van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder «studieduur» mede verstaan «cursusduur als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020» en wordt onder «volledig studiejaar» mede verstaan «jaar».

Artikel 9.1.10. Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BOL)
1.

In afwijking van artikel 2.38, derde en vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 7.2.7, derde lid, onderdelen b, c en d, en achtste lid omvat het gehele onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg deel uitmaakt:

  • a. bij een studieduur van twee volledige studiejaren ten minste 2.000 klokuren, waarvan ten minste 1.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • b. bij een studieduur van drie volledige studiejaren ten minste 3.000 klokuren, waarvan ten minste 2.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • c. bij een studieduur van vier volledige studiejaren ten minste 4.000 klokuren, waarvan ten minste 2.950 begeleide onderwijsuren en ten minste 450 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • d. bij een studieduur van vijf volledige studiejaren ten minste 5.000 klokuren, waarvan ten minste 3.500 begeleide onderwijsuren en ten minste 900 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • e. bij een studieduur van zes volledige studiejaren ten minste 6.000 klokuren, waarvan ten minste 4.050 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.350 klokuren aan beroepspraktijkvorming.
2.

Het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid.

3.

Ten aanzien van het derde studiejaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder begeleide onderwijsuren mede verstaan: onderwijstijd als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 9.1.11. Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BBL)
1.

In afwijking van artikel 2.38, derde en vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 7.2.7, vierde lid, eerste volzin, en onverminderd artikel 8.1.1, derde lid, omvat het gehele onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg deel uitmaakt:

  • a. bij een studieduur van twee volledige studiejaren ten minste 1.850 klokuren, waarvan ten minste 900 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • b. bij een studieduur van drie volledige studiejaren ten minste 2.850 klokuren, waarvan ten minste 2.200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • c. bij een studieduur van vier volledige studiejaren 3.700 klokuren, waarvan ten minste 2.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.220 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • d. bij een studieduur van vijf volledige studiejaren ten minste 4.550 klokuren, waarvan ten minste 2.600 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.830 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • e. bij een studieduur van zes volledige studiejaren ten minste 5.400 klokuren, waarvan ten minste 2.800 begeleide onderwijsuren en ten minste 2.300 klokuren aan beroepspraktijkvorming.
2.

Het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid.

3.

Ten aanzien van het derde studiejaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder begeleide onderwijsuren mede verstaan: onderwijstijd als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 9.1.12. Teambevoegdheid

Voor de vakoverstijgende delen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 9.1.8, eerste lid, onderdeel a, en voor de delen van het onderwijsprogramma die een combinatie van voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs betreffen, bedoeld artikel 9.1.8, eerste lid, onderdeel c, kan, voor zover wordt voldaan aan artikel 7.13a van de Wet voortgezet onderwijs 2020, worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van dat deel van het onderwijsprogramma.

Artikel 9.1.13. Verwijdering

Op een student aan een doorlopende leerroute op wie de Leerplichtwet 1969 niet van toepassing is, is artikel 8.1.7d, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, indien hij nog geen vmbo-diploma heeft behaald.

Artikel 9.1.14. Overstapoptie
1.

Indien deelname van de student aan een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt beëindigd voordat hij deze met succes heeft afgerond wordt hij door het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school in staat gesteld een vmbo-diploma of het diploma van een beroepsopleiding te behalen, passend bij het naar het gezamenlijk oordeel van beide betrokken bevoegde gezagsorganen bereikte onderwijsniveau en de leeftijd van de student.

2.

Indien de student ingevolge het eerste lid een diploma van een beroepsopleiding wil behalen bij dezelfde instelling, zijn de artikelen 8.1.1c, 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.2a niet van toepassing.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de student definitief van de instelling wordt verwijderd.

Artikel 9.1.15. Overdracht bekostiging in het kader van een doorlopende leerroute vmbo-mbo

Het bevoegd gezag van de instelling kan met het bevoegd gezag van de school waarmee een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 9.1.3, overeenkomen om vanwege een doorlopende leerroute vmbo-mbo een deel van de rijksbijdrage over te dragen aan dat andere bevoegd gezag.

Artikel 9.1.16. Artikelen die buiten toepassing blijven voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo

De artikelen 8.0.1, 8.0.3, 8.0.4, 8.1.1c, 8.1.7a, 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.2a zijn niet van toepassing op een doorlopende leerroute vmbo-mbo.

Artikel 9.1.17. Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding
1.

De geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt verzorgd op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.7 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

2.

Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 2.107l in samenhang met artikel 2.107b van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

3.

Hoofdstuk 9, titel 1, paragraaf 1, is van overeenkomstige toepassing op een geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding.

Artikel 9.1.18. Samenwerkingsovereenkomst doorlopende leerroute VSO-mbo
1.

De doorlopende leerroute ingevolge artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra dan wel artikel 2.71 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, in samenhang met artikel 2.107a, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt verzorgd op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd.

2.

Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra in samenhang met artikel 2.107b van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

3.

Hoofdstuk 9, titel 1, paragraaf 1, is van overeenkomstige toepassing op een doorlopende leerroute als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9.1.19. Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route VSO-basisberoepsopleiding
1.

De geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding ingevolge artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra dan wel artikel 2.71 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, in samenhang met artikel 2.107l, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt verzorgd op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd.

2.

Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra in samenhang met artikel 2.107b van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

3.

Hoofdstuk 9, titel 1, paragraaf 1, is van overeenkomstige toepassing op de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9.1.20. Afstemmen ondersteuningsaanbod op overleg over ondersteuningsprogramma voortgezet onderwijs

Het bevoegd gezag neemt deel aan het overleg, bedoeld in artikel 2.47, tiende lid, tweede volzin, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, indien de instelling één of meer vestigingen heeft in het gebied van het desbetreffende samenwerkingsverband en stemt het ondersteuningsaanbod af op de afspraken die zijn gemaakt in dat overleg.

Artikel 9.2.3. Inlichtingen aan het college van burgemeester en wethouders

Het bevoegd gezag geeft uiterlijk binnen vier weken aan het college van burgemeester en wethouders alle gevraagde bescheiden ter inzage en verstrekt alle inlichtingen die het college van burgemeester en wethouders voor de uitvoering van deze paragraaf redelijkerwijs nodig heeft.

Artikel 9.2.4. Regionale samenwerking
1.

Voor de uitvoering van deze paragraaf werken de colleges van burgemeester en wethouders samen binnen bij ministeriële regeling vastgestelde regio’s.

2.

De colleges van burgemeester en wethouders in een regio wijzen uit hun midden een contactgemeente aan. Deze aanwijzing wordt onmiddellijk gemeld aan Onze Minister.

3.

Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente vervult coördinerende taken bij de uitvoering van deze paragraaf. In dat verband:

  • a. maakt het over de inzet en verantwoordelijkheid bij de uitvoering van deze paragraaf afspraken met:
  • 1°. instellingen;
  • 4°. organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van personen tot 27 jaar; en
  • b. draagt het zorg voor het tot stand komen van een regionaal netwerk van die instellingen, scholen, organisaties en gemeenten;
  • d. stelt het beleid vast dat de hoofdzaken bevat van de uitvoering van artikel 9.2.5 met aandacht voor een zorgvuldige omgang met de persoonsgegevens, bedoeld in artikel 9.2.7, en houdt het bij het vaststellen van dat beleid rekening met het regionaal programma, bedoeld in artikel 9.2.8.
4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken, bedoeld in het derde lid.

5.

Indien colleges van burgemeester en wethouders in een regio een andere contactgemeente aanwijzen, draagt het college van burgemeester en wethouders van de vorige contactgemeente alle bescheiden met betrekking tot de uitvoering van deze paragraaf uiterlijk binnen vier weken over aan het college van burgemeester en wethouders van de nieuwe contactgemeente.

Artikel 9.2.5. Ondersteunen van jongeren zonder startkwalificatie door college van burgemeester en wethouders
1.

Het college van burgemeester en wethouders kan ondersteuning bieden aan de persoon, bedoeld in artikel 9.2.1, gericht op het terugleiden naar onderwijs.

2.

Indien het terugleiden naar onderwijs niet passend is, kan het college van burgemeester en wethouders de persoon ondersteunen bij het vinden van werk of doorgeleiden naar ondersteuning op grond van artikel 7a van de Participatiewet.

3.

Voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van het eerste en het tweede lid, verwerkt het college van burgemeester en wethouders de volgende persoonsgegevens:

  • b. gegevens waarover het college beschikt ten behoeve van de uitvoering van de Leerplichtwet 1969; en
4.

Het college van burgemeester en wethouders kan de gegevens, bedoeld in het derde lid, verder verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van artikel 7a van de Participatiewet.

5.

De ondersteuning, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt pas plaats na overleg met het bevoegd gezag van de school of instelling over de aangeboden loopbaanbegeleiding indien de persoon, bedoeld in artikel 9.2.1:

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken, bedoeld in dit artikel.

7.

Van de termijnen, bedoeld in het vijfde lid, kan worden afgeweken indien daar gerechtvaardigde belangen voor zijn.

Artikel 9.2.6. Gebruik persoonsgebonden nummer door college van burgemeester en wethouders

Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde over het gebruik van het burgerservicenummer door het college van burgemeester en wethouders, gebruikt het college van burgemeester en wethouders het persoonsgebonden nummer van een student, vavo-student of persoon die voldoet aan artikel 9.2.1 alleen voor:

  • a. de registratie van leerplichtige en kwalificatieplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969;
Artikel 9.2.7. Verwerking gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard door college van burgemeester en wethouders
1.

Indien de persoon, bedoeld in artikel 9.2.1, instemt met ondersteuning op grond van artikel 9.2.5, kan het college van burgemeester en wethouders zijn gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van artikel 9.2.5.

2.

Het college van burgemeester en wethouders verstrekt de gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, bedoeld in het eerste lid, niet aan derden en bewaart de gegevens op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor personen die belast zijn met de uitvoering van artikel 9.2.5.

3.

Het college van burgemeester en wethouders bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, tot uiterlijk twee jaar nadat de betrokkene de leeftijd van 27 jaar bereikt of een startkwalificatie behaalt.

Artikel 9.2.8. Regionaal programma en regionaal bestuurlijk overleg
1.

Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente stelt mede namens de colleges van burgemeester en wethouders van de andere gemeenten in de regio, bedoeld in artikel 9.2.4, eerste lid, voor een bij ministeriële regeling te bepalen periode een regionaal programma op.

2.

Bij het regionaal programma worden de partijen, bedoeld in artikel 9.2.4, derde lid, onderdeel a, betrokken.

3.

Het regionaal programma bevat ten minste:

  • a. streefcijfers en daarbij behorende maatregelen ter bevordering van het aantal personen van 12 tot 27 jaar dat een startkwalificatie behaalt en ter verbetering van de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt; en
4.

De partijen bedoeld in artikel 9.2.4, derde lid, onderdeel a, voeren regionaal bestuurlijk overleg over de totstandkoming en de voortgang van het regionaal programma. Bij het overleg worden ook het domein zorg en het sociaal domein betrokken.

5.

Bij regeling van Onze Minister, handelende in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan het regionaal programma.

Artikel 9.2.9. Specifieke uitkering
1.

Onze Minister verstrekt aan de contactgemeente een specifieke uitkering voor de activiteiten die de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio verrichten op grond van deze paragraaf. Deze uitkering wordt jaarlijks uiterlijk verleend in december voor het daaropvolgende kalenderjaar en blijft binnen de grenzen van de middelen die de begrotingswetgever beschikbaar heeft gesteld. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de berekening en betaling van de uitkering.

2.

Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente zorgt dat de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio gebruik kunnen maken van de instrumenten die met behulp van de uitkering zijn verwezenlijkt.

3.

Indien het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf niet nakomt, kan Onze Minister de uitkering geheel of gedeeltelijk inhouden of opschorten. Onze Minister gaat pas na overleg met het college van burgemeester en wethouders over tot gehele of gedeeltelijke inhouding. Onze Minister kan de uitkering opnieuw toekennen indien de reden voor inhouding of opschorting is vervallen.

4.

Onze Minister kan de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de informatie op grond van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet niet blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met deze paragraaf.

Artikel 9.2.10. Effectrapportage
1.

Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente stelt mede namens de colleges van burgemeester en wethouders van de andere gemeenten in de regio jaarlijks een effectrapportage vast. De effectrapportage vermeldt de streefcijfers, bedoeld in artikel 9.2.8, derde lid, onderdeel a, en de bereikte resultaten en bevat een toelichting op afwijkingen. Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente zendt de effectrapportage aan Onze Minister.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de inhoud, het tijdstip van indiening en de inrichting van de effectrapportage.

Artikel 9.2.11. Inlichtingen aan Onze Minister
1.

Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente geeft aan Onze Minister alle gevraagde gegevens ter inzage en verstrekt de gevraagde inlichtingen die van belang zijn voor het beleid van Onze Minister op het gebied van het bevorderen van het aantal personen tot 27 jaar dat een startkwalificatie behaalt en het verbeteren van de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de wijze waarop de gegevens beschikbaar worden gesteld.

Artikel 9.2.12. Loopbaanbegeleiding tijdens de opleiding en na diplomering
1.

Loopbaanbegeleiding als bedoeld in dit artikel en de daarop berustende bepalingen omvat advisering en ondersteuning bij de overstap naar vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt.

2.

Het bevoegd gezag biedt loopbaanbegeleiding aan tijdens de opleiding en tot een jaar na diplomering.

3.

Het bevoegd gezag doet een aanbod van loopbaanbegeleiding aan de student of gediplomeerde van de entreeopleiding of de beroepsopleidende leerweg van de basisberoepsopleiding, met uitzondering van de gediplomeerde met een aansluitende inschrijving voor vervolgonderwijs.

4.

Het bevoegd gezag kan loopbaanbegeleiding bieden aan de student of gediplomeerde van de beroepsbegeleidende leerweg van de basisberoepsopleiding of aan de student of gediplomeerde van de vakopleiding, de middenkaderopleiding of de specialistenopleiding.

5.

Het bevoegd gezag stelt beleid vast met betrekking tot de loopbaanbegeleiding dat in elk geval bevat op welke wijze het bevoegd gezag gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid. Het bevoegd gezag houdt bij het vaststellen van het beleid rekening met de afspraken uit het regionaal programma, bedoeld in artikel 9.2.8, derde lid, onderdeel b.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het beleid, bedoeld in het vijfde lid, en de invulling van de loopbaanbegeleiding.

7.

Van de termijn, bedoeld in het tweede lid, kan worden afgeweken in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 8.1.5, derde lid, onderdelen a tot en met f.

Artikel 9.2.13. Samenwerking tussen bevoegd gezag en college van burgemeester en wethouders op grond van de Participatiewet
1.

Het bevoegd gezag kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de student of gediplomeerde woon- of verblijfplaats heeft, betrekken bij de loopbaanbegeleiding, bedoeld in artikel 9.2.12, om de student of gediplomeerde ondersteuning te bieden op grond van artikel 7a van de Participatiewet.

2.

Het bevoegd gezag kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de gediplomeerde woon- of verblijfplaats heeft, verzoeken de ondersteuning van een gediplomeerde voort te zetten op grond van artikel 7a van de Participatiewet, mits de betrokkene daarmee instemt.

3.

Indien de ondersteuning met toepassing van het tweede lid wordt voortgezet door het college van burgemeester en wethouders, stelt het bevoegd gezag een overgangsdocument op overeenkomstig artikel 14e van de Wet op de expertisecentra en verstrekt dit document aan het college van burgemeester en wethouders.

Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter

Paragraaf 1. Inhouden en opschorten bekostiging; strafbepaling

Paragraaf 2. Opschorten en terugvorderen rijksbijdrage educatie

Hoofdstuk 11a. Experimenten

Hoofdstuk 12. Overgangs-, invoerings- en slotbepalingen

Titel 2. Voorzieningen voor onbepaalde tijd

Titel 4b. Invoering van de Wet aanscherping eisen examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs

Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en citeertitel

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)