Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 25 maart 2009, houdende regels inzake de volledige liberalisering van de postmarkt en de garantie van de universele postdienstverlening (Postwet 2009)
17 versions
· 2019-01-01
2019-01-01
Postwet 2009 — arts. 18, 26, 38 y 5 más
2018-07-28
Postwet 2009 — arts. 18, 26, 38 y 5 más
2018-05-25
Postwet 2009 — arts. 18, 18, 26 y 13 más
2017-08-01
Postwet 2009 — arts. 18, 26, 38 y 5 más
2017-01-01
Postwet 2009 — arts. 18, 26, 38 y 5 más
2016-07-01
Postwet 2009 — arts. 18, 26, 38 y 4 más
2016-01-01
Postwet 2009
2015-01-01
Postwet 2009 — art. 41
2014-08-01
Postwet 2009 — arts. 15, 18, 26 y 5 más
2014-01-25
Postwet 2009 — arts. 3, 15, 18 y 7 más
2014-01-01
Postwet 2009
2013-04-01
Postwet 2009 — arts. 3, 15, 18 y 7 más
Wijzigingen op 2013-04-01
@@ -16,9 +16,9 @@
- a. **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
- b. **college:** het college, genoemd in [artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807&artikel=2);
- c. **raad van bestuur van de mededingingsautoriteit:** de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=2);
- b. **Autoriteit Consument en Markt:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2);
- c. vervallen;
- d. **akten van de Wereldpostunie:** de op 10 juli 1964 te Wenen tot stand gekomen Constitutie van de Wereldpostunie (Trb. 1965, 170) en de daarbij behorende voor Nederland bindende verdragen, reglementen en protocollen (Trb. 1965, 170 en Trb. 2002, 205);
@@ -44,9 +44,9 @@
- e. **postvervoerbedrijf:** eenieder die postvervoerdiensten aanbiedt;
- f. **universele postdienst:** de universele postdienst, bedoeld in de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=16&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=17&z=2013-01-01&g=2013-01-01);
- g. **verlener van de universele postdienst:** een postvervoerbedrijf dat ingevolge [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=15&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is aangewezen;
- f. **universele postdienst:** de universele postdienst, bedoeld in de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=16&z=2013-04-01&g=2013-04-01) en [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=17&z=2013-04-01&g=2013-04-01);
- g. **verlener van de universele postdienst:** een postvervoerbedrijf dat ingevolge [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=15&z=2013-04-01&g=2013-04-01), is aangewezen;
- h. **postbus:** een in een gebouw aanwezige afgesloten ruimte die bestemd is voor de aflevering van de voor de gebruiker daarvan bestemde poststukken;
@@ -72,7 +72,7 @@
- c. **liberalisatierichtlijn:** een richtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen die berust op artikel 86, derde lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en regels stelt met betrekking tot de postsector.
2. In deze wet wordt onder «wet» mede verstaan: een krachtens [artikel 66, vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=10&artikel=66&z=2013-01-01&g=2013-01-01), aangewezen voorschrift uit een postverordening of een gedelegeerde verordening.
2. In deze wet wordt onder «wet» mede verstaan: een krachtens [artikel 66, vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=10&artikel=66&z=2013-04-01&g=2013-04-01), aangewezen voorschrift uit een postverordening of een gedelegeerde verordening.
### Hoofdstuk 2. Regels voor postvervoerbedrijven
@@ -120,7 +120,7 @@
- b. het in onderdeel a bedoelde postvervoerbedrijf er zorg voor draagt dat de geldende voorwaarden en tarieven als bedoeld in dat onderdeel voor eenieder kenbaar zijn.
5. Het college brengt uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van dit artikel aan Onze Minister verslag uit over de doeltreffendheid en effecten in de praktijk van het eerste lid en verstrekt daarbij advies over de wenselijkheid om toepassing te geven aan het vierde lid. Onze Minister zendt het verslag, vergezeld van zijn bevindingen, aan de Staten-Generaal.
5. De Autoriteit Consument en Markt brengt uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van dit artikel aan Onze Minister verslag uit over de doeltreffendheid en effecten in de praktijk van het eerste lid en verstrekt daarbij advies over de wenselijkheid om toepassing te geven aan het vierde lid. Onze Minister zendt het verslag, vergezeld van zijn bevindingen, aan de Staten-Generaal.
##### Artikel 10
@@ -162,7 +162,7 @@
- a. de goede uitvoering van de universele postdienst of een gedeelte hiervan niet meer gewaarborgd is;
- b. een verlener van de universele postdienst overeenkomstig [artikel 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.7&artikel=30&z=2013-01-01&g=2013-01-01), heeft aangegeven dat de uitvoering van deze dienst nettokosten zal opleveren;
- b. een verlener van de universele postdienst overeenkomstig [artikel 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.7&artikel=30&z=2013-04-01&g=2013-04-01), heeft aangegeven dat de uitvoering van deze dienst nettokosten zal opleveren;
- c. het aangewezen postvervoerbedrijf daarom verzoekt;
@@ -248,7 +248,7 @@
1. Een verlener van de universele postdienst verzorgt binnen Nederland en van of naar gebieden buiten Nederland de universele postdienst.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen indien poststukken zijn aangeboden aan een verlener van de universele postdienst in overeenstemming met de regels, bedoeld in [artikel 17, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=17&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen indien poststukken zijn aangeboden aan een verlener van de universele postdienst in overeenstemming met de regels, bedoeld in [artikel 17, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=17&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
##### Artikel 19
@@ -266,7 +266,7 @@
1. Een verlener van de universele postdienst kan gedeelten van de universele postdienst door anderen onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren.
2. Een verlener van de universele postdienst rekent de kosten die anderen in rekening brengen voor het uitvoeren van gedeelten van de universele postdienst slechts toe aan de universele postdienst voor zover die kosten overeenkomstig de op grond van de [artikelen 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.4&artikel=22&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [25, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=25&z=2013-01-01&g=2013-01-01), vastgestelde regels zijn toe te rekenen aan de universele postdienst.
2. Een verlener van de universele postdienst rekent de kosten die anderen in rekening brengen voor het uitvoeren van gedeelten van de universele postdienst slechts toe aan de universele postdienst voor zover die kosten overeenkomstig de op grond van de [artikelen 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.4&artikel=22&z=2013-04-01&g=2013-04-01), en [25, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=25&z=2013-04-01&g=2013-04-01), vastgestelde regels zijn toe te rekenen aan de universele postdienst.
3. Een verlener van de universele postdienst maakt de toerekening van de kosten van anderen, bedoeld in het tweede lid, inzichtelijk voor ieder gedeelte van de universele postdienst dat hij door anderen laat uitvoeren.
@@ -280,7 +280,7 @@
##### Artikel 23
1. Een verlener van de universele postdienst verstrekt jaarlijks aan het college een rapportage over de uitvoering van de universele postdienst. Deze rapportage bevat de resultaten van regelmatige metingen van de kwaliteit van de universele postdienstverlening en de hierbij behorende kwaliteitsnormen, alsmede een overzicht van de kosten en opbrengsten van de universele postdienstverlening, bedoeld in [artikel 22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.4&artikel=22&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
1. Een verlener van de universele postdienst verstrekt jaarlijks aan de Autoriteit Consument en Markt een rapportage over de uitvoering van de universele postdienst. Deze rapportage bevat de resultaten van regelmatige metingen van de kwaliteit van de universele postdienstverlening en de hierbij behorende kwaliteitsnormen, alsmede een overzicht van de kosten en opbrengsten van de universele postdienstverlening, bedoeld in [artikel 22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.4&artikel=22&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de rapportage. Deze regels kunnen betrekking hebben op de inrichting van de rapportage, op de metingen, bedoeld in het eerste lid, alsmede op de op te nemen financiële gegevens.
@@ -296,35 +296,35 @@
##### Artikel 25
1. Bij ministeriële regeling, gehoord het college, wordt bepaald:
1. Bij ministeriële regeling, gehoord de Autoriteit Consument en Markt, wordt bepaald:
- a. met welk percentage de tarieven voor de universele postdienst jaarlijks gemiddeld ten hoogste mogen worden gewijzigd;
- b. op welke wijze de jaarlijks gemiddelde wijziging, bedoeld in onderdeel a, wordt vastgesteld.
2. Bij ministeriële regeling kan, gehoord het college, voor een afzonderlijk jaar een ander percentage dan bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld indien dit noodzakelijk is om te voldoen aan het vereiste dat de tarieven op de kosten gebaseerd zijn.
2. Bij ministeriële regeling kan, gehoord de Autoriteit Consument en Markt, voor een afzonderlijk jaar een ander percentage dan bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld indien dit noodzakelijk is om te voldoen aan het vereiste dat de tarieven op de kosten gebaseerd zijn.
3. Met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels worden, in afwijking van het eerste en tweede lid, zes maanden na inwerkingtreding van dit artikel de tarieven voor de te onderscheiden postvervoerdiensten binnen de universele postdienst gebaseerd op de daadwerkelijke kosten van de universele postdienst en een redelijk rendement. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in de eerste volzin, kan worden bepaald dat de tarieven voor de onderscheiden postvervoerdiensten binnen de universele postdienst in enig ander jaar kunnen worden aangepast op basis van de daadwerkelijke kosten van de universele postdienst en een redelijk rendement.
4. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de tarieven, bedoeld in het derde lid.
5. In afwijking van de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=27&z=2013-01-01&g=2013-01-01) worden de tarieven, bedoeld in het derde lid, door het college vastgesteld.
5. In afwijking van de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=24&z=2013-04-01&g=2013-04-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=27&z=2013-04-01&g=2013-04-01) worden de tarieven, bedoeld in het derde lid, door de Autoriteit Consument en Markt vastgesteld.
6. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, worden regels vastgesteld met betrekking tot de elementen van de tarieven, de wijze van berekening van de tarieven en de toerekening van de kosten.
7. Het college brengt advies uit over de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid.
8. Het ontwerp voor een krachtens het derde lid vast te stellen ministeriële regeling en het advies van het college worden gelijktijdig aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken na de overlegging van het ontwerp.
7. De Autoriteit Consument en Markt brengt advies uit over de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid.
8. Het ontwerp voor een krachtens het derde lid vast te stellen ministeriële regeling en het advies van de Autoriteit Consument en Markt worden gelijktijdig aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken na de overlegging van het ontwerp.
##### Artikel 26
In afwijking van de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=25&z=2013-01-01&g=2013-01-01) worden de kosten van het vervoer van poststukken die in hoofdzaak tekst bevatten in voor blinden bestemde tekens en die elk afzonderlijk ten hoogste zeven kilogram wegen door de verlener van de universele postdienst gedragen.
In afwijking van de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=24&z=2013-04-01&g=2013-04-01) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=25&z=2013-04-01&g=2013-04-01) worden de kosten van het vervoer van poststukken die in hoofdzaak tekst bevatten in voor blinden bestemde tekens en die elk afzonderlijk ten hoogste zeven kilogram wegen door de verlener van de universele postdienst gedragen.
##### Artikel 27
1. De tarieven, bedoeld in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en de wijzigingen hiervan worden niet eerder vastgesteld dan een maand na het tijdstip waarop zij aan het college zijn toegezonden ter toetsing aan [artikel 24, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en aan het bepaalde krachtens [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=25&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de procedure van de toetsing, alsmede over de wijze en het tijdstip van de toetsing aan [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
1. De tarieven, bedoeld in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=24&z=2013-04-01&g=2013-04-01), en de wijzigingen hiervan worden niet eerder vastgesteld dan een maand na het tijdstip waarop zij aan de Autoriteit Consument en Markt zijn toegezonden ter toetsing aan [artikel 24, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=24&z=2013-04-01&g=2013-04-01), en aan het bepaalde krachtens [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=25&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de procedure van de toetsing, alsmede over de wijze en het tijdstip van de toetsing aan [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=24&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
##### Artikel 28
@@ -364,13 +364,13 @@
##### Artikel 30
1. Een verlener van de universele postdienst meldt uiterlijk drie maanden voor de afloop van het kalenderjaar aan het college dat in het daaropvolgende kalenderjaar nettokosten worden verwacht voor de uitvoering van de universele postdienst. Daarbij wordt aangegeven hoe hoog de voor dat kalenderjaar verwachte nettokosten zullen zijn.
2. De nettokosten zijn de kosten die een verlener van de universele postdienst voor de aan hem opgedragen universele postdiensten maakt waartegenover door toepassing van de regels, bedoeld in [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=25&z=2013-01-01&g=2013-01-01), geen vergoeding staat, verminderd met andere op geld waardeerbare voordelen die verband houden met de verlening van de universele postdienst, waaronder begrepen immateriële voordelen.
3. Een postvervoerbedrijf dat ingevolge het eerste lid nettokosten heeft aangekondigd, kan binnen een half jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de nettokosten zijn ontstaan, bij het college een aanvraag indienen om vergoeding van de in het afgelopen kalenderjaar gemaakte nettokosten.
4. Een vergoeding wordt slechts toegekend voorzover naar het oordeel van het college het bestaan en de hoogte van de nettokosten voldoende is aangetoond.
1. Een verlener van de universele postdienst meldt uiterlijk drie maanden voor de afloop van het kalenderjaar aan de Autoriteit Consument en Markt dat in het daaropvolgende kalenderjaar nettokosten worden verwacht voor de uitvoering van de universele postdienst. Daarbij wordt aangegeven hoe hoog de voor dat kalenderjaar verwachte nettokosten zullen zijn.
2. De nettokosten zijn de kosten die een verlener van de universele postdienst voor de aan hem opgedragen universele postdiensten maakt waartegenover door toepassing van de regels, bedoeld in [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=25&z=2013-04-01&g=2013-04-01), geen vergoeding staat, verminderd met andere op geld waardeerbare voordelen die verband houden met de verlening van de universele postdienst, waaronder begrepen immateriële voordelen.
3. Een postvervoerbedrijf dat ingevolge het eerste lid nettokosten heeft aangekondigd, kan binnen een half jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de nettokosten zijn ontstaan, bij de Autoriteit Consument en Markt een aanvraag indienen om vergoeding van de in het afgelopen kalenderjaar gemaakte nettokosten.
4. Een vergoeding wordt slechts toegekend voorzover naar het oordeel van de Autoriteit Consument en Markt het bestaan en de hoogte van de nettokosten voldoende is aangetoond.
5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de berekening van de nettokosten, bedoeld in het tweede lid.
@@ -380,9 +380,9 @@
2. Bij ministeriële regeling wordt de wijze van berekening van de vergoeding vastgesteld aan de hand van de relevante netto-omzet van een postvervoerbedrijf in Nederland.
3. Het college doet aan een postvervoerbedrijf mededeling van het door hem verschuldigde bedrag.
4. Een postvervoerbedrijf is verplicht binnen een daarbij te bepalen termijn de door het college vastgestelde vergoeding te betalen aan de desbetreffende verlener van de universele postdienst.
3. De Autoriteit Consument en Markt doet aan een postvervoerbedrijf mededeling van het door hem verschuldigde bedrag.
4. Een postvervoerbedrijf is verplicht binnen een daarbij te bepalen termijn de door de Autoriteit Consument en Markt vastgestelde vergoeding te betalen aan de desbetreffende verlener van de universele postdienst.
### Hoofdstuk 5. Wereldpostunie
@@ -402,9 +402,9 @@
##### Artikel 33
1. Het college verzamelt, analyseert en bewerkt systematisch inlichtingen en gegevens met betrekking tot de werking van de nationale markt voor postvervoerdiensten.
2. Het college zendt jaarlijks een verslag van zijn bevindingen aan Onze Minister.
1. De Autoriteit Consument en Markt verzamelt, analyseert en bewerkt systematisch inlichtingen en gegevens met betrekking tot de werking van de nationale markt voor postvervoerdiensten.
2. De Autoriteit Consument en Markt zendt jaarlijks een verslag van haar bevindingen aan Onze Minister.
##### Artikel 34
@@ -430,87 +430,85 @@
##### Artikel 37
1. Het college is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. De bij besluit van het college aangewezen ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-01-01&g=2013-01-01). Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
1. De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
2. De bij besluit van de Autoriteit Consument en Markt aangewezen ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-04-01&g=2013-04-01). Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
##### Artikel 38
1. Onze Minister is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. De bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-01-01&g=2013-01-01). Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
1. Onze Minister is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
2. De bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-04-01&g=2013-04-01). Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
##### Artikel 39
1. Een ieder verstrekt het college desgevraagd de gegevens en inlichtingen en verschaft hem desgevraagd inzage in de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van hem bij of krachtens deze wet opgedragen taken.
1. Een ieder verstrekt de Autoriteit Consument en Markt desgevraagd de gegevens en inlichtingen en verschaft hem desgevraagd inzage in de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van hem bij of krachtens deze wet opgedragen taken.
2. Onze Minister kan van een ieder de gegevens en inlichtingen verlangen die hij nodig heeft voor de juiste uitvoering van de hem bij of krachtens deze wet opgedragen taken.
3. Degene aan wie een verzoek is gedaan om gegevens en inlichtingen te verstrekken, is verplicht binnen een door het college respectievelijk Onze Minister gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
4. Gegevens en inlichtingen welke in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van deze wet zijn verkregen, mogen uitsluitend voor de toepassing van deze wet en de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) worden gebruikt.
5. Met inachtneming van een goede vervulling van zijn toezichthoudende taken ingevolge deze wet draagt het college er zorg voor dat het verzamelen van de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, op zodanige wijze geschiedt dat de daaruit voortvloeiende administratieve lasten voor postvervoerbedrijven of andere bedrijven en instellingen zo laag mogelijk zijn.
3. Degene aan wie een verzoek is gedaan om gegevens en inlichtingen te verstrekken, is verplicht binnen een door de Autoriteit Consument en Markt respectievelijk Onze Minister gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van haar respectievelijk zijn bevoegdheden.
4. Gegevens en inlichtingen welke door Onze Minister in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van deze wet zijn verkregen, mogen uitsluitend voor de toepassing van deze wet en de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) worden gebruikt.
5. Met inachtneming van een goede vervulling van haar toezichthoudende taken ingevolge deze wet draagt de Autoriteit Consument en Markt er zorg voor dat het verzamelen van de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, op zodanige wijze geschiedt dat de daaruit voortvloeiende administratieve lasten voor postvervoerbedrijven of andere bedrijven en instellingen zo laag mogelijk zijn.
##### Artikel 40
1. Voorzover bij de uitoefening van bevoegdheden van het college begrippen worden uitgelegd die worden gehanteerd bij de toepassing van [artikel 24 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=24), geschiedt de uitoefening van die bevoegdheden door het college in overeenstemming met de door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit vastgestelde richtlijnen. Van die richtlijnen doet de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit mededeling in de Staatscourant.
2. Het college en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit maken in het belang van een effectieve en efficiënte besluitvorming gezamenlijk afspraken over de wijze van behandeling van aangelegenheden van wederzijds belang.
Voor zover bij de uitoefening van bevoegdheden op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet begrippen worden uitgelegd die worden gehanteerd bij de toepassing van [artikel 24 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=24), geschiedt de uitoefening van die bevoegdheden op een wijze die in overeenstemming is met de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan artikel 24 van de Mededingingswet.
#### § 7.2. Registratie
##### Artikel 41
Een postvervoerbedrijf deelt aan het college in ieder geval de naam, het adres, de vestigingsplaats en een beschrijving van de aangeboden postvervoerdiensten mee.
Een postvervoerbedrijf deelt aan de Autoriteit Consument en Markt in ieder geval de naam, het adres, de vestigingsplaats en een beschrijving van de aangeboden postvervoerdiensten mee.
##### Artikel 42
1. Het college stelt vast welke andere gegevens dan genoemd in [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bij de mededeling aan het college worden overgelegd, alsmede de wijze waarop de mededeling wordt gedaan.
2. De gegevens, bedoeld [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en het eerste lid, worden slechts verzameld ten behoeve van de goede uitvoering van deze wet.
3. Het college registreert het postvervoerbedrijf na ontvangst van de in [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedoelde mededeling en de daarbij behorende gegevens.
4. Een postvervoerbedrijf geeft wijzigingen van de gegevens, bedoeld in [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en het eerste lid, onverwijld aan het college door.
1. De Autoriteit Consument en Markt stelt vast welke andere gegevens dan genoemd in [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-04-01&g=2013-04-01) bij de mededeling aan de Autoriteit Consument en Markt worden overgelegd, alsmede de wijze waarop de mededeling wordt gedaan.
2. De gegevens, bedoeld [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-04-01&g=2013-04-01) en het eerste lid, worden slechts verzameld ten behoeve van de goede uitvoering van deze wet.
3. De Autoriteit Consument en Markt registreert het postvervoerbedrijf na ontvangst van de in [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-04-01&g=2013-04-01) bedoelde mededeling en de daarbij behorende gegevens.
4. Een postvervoerbedrijf geeft wijzigingen van de gegevens, bedoeld in [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-04-01&g=2013-04-01) en het eerste lid, onverwijld aan de Autoriteit Consument en Markt door.
##### Artikel 43
1. Het college gaat niet over tot registratie als bedoeld in [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), indien:
1. De Autoriteit Consument en Markt gaat niet over tot registratie als bedoeld in [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=42&z=2013-04-01&g=2013-04-01), indien:
- a. de mededeling geen betrekking heeft op het postvervoerbedrijf, of
- b. de op grond van [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [42, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), te overleggen gegevens niet, onvolledig, of niet juist zijn verstrekt.
2. Het college beëindigt de registratie indien de grond voor registratie is vervallen.
- b. de op grond van [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-04-01&g=2013-04-01) en [42, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=42&z=2013-04-01&g=2013-04-01), te overleggen gegevens niet, onvolledig, of niet juist zijn verstrekt.
2. De Autoriteit Consument en Markt beëindigt de registratie indien de grond voor registratie is vervallen.
##### Artikel 44
1. In het belang van de goede uitvoering van deze wet wordt door het college een register van de registraties bijgehouden.
2. Het register ligt voor eenieder kosteloos ter inzage op een door het college te bepalen plaats. De gegevens uit het register zijn kosteloos op elektronische wijze te raadplegen.
3. Het college brengt het register in overeenstemming met de wijzigingen die voortvloeien uit [artikel 42, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [artikel 43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=43&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
4. Het college kan de gegevens met betrekking tot de registratie wijzigen indien dit noodzakelijk is om feitelijke onjuistheden van eenvoudige aard weg te nemen.
1. In het belang van de goede uitvoering van deze wet wordt door de Autoriteit Consument en Markt een register van de registraties bijgehouden.
2. Het register ligt voor eenieder kosteloos ter inzage op een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalen plaats. De gegevens uit het register zijn kosteloos op elektronische wijze te raadplegen.
3. De Autoriteit Consument en Markt brengt het register in overeenstemming met de wijzigingen die voortvloeien uit [artikel 42, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=42&z=2013-04-01&g=2013-04-01), en [artikel 43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=43&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
4. De Autoriteit Consument en Markt kan de gegevens met betrekking tot de registratie wijzigen indien dit noodzakelijk is om feitelijke onjuistheden van eenvoudige aard weg te nemen.
##### Artikel 45
1. Het college verstrekt zo spoedig mogelijk na de registratie, bedoeld in [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), aan het postvervoerbedrijf een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de mededeling, bedoeld in [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-01-01&g=2013-01-01), aan het college is gedaan.
2. Het college verstrekt binnen een week na ontvangst van een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van een postvervoerbedrijf een verklaring.
1. De Autoriteit Consument en Markt verstrekt zo spoedig mogelijk na de registratie, bedoeld in [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=42&z=2013-04-01&g=2013-04-01), aan het postvervoerbedrijf een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de mededeling, bedoeld in [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-04-01&g=2013-04-01), aan de Autoriteit Consument en Markt is gedaan.
2. De Autoriteit Consument en Markt verstrekt binnen een week na ontvangst van een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van een postvervoerbedrijf een verklaring.
##### Artikel 46
Het college is verantwoordelijke in de zin van [artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1) voor de gegevensverzameling, bedoeld in [artikel 42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en voor het register, bedoeld in [artikel 44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=44&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
De Autoriteit Consument en Markt is verantwoordelijke in de zin van [artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1) voor de gegevensverzameling, bedoeld in [artikel 42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=42&z=2013-04-01&g=2013-04-01), en voor het register, bedoeld in [artikel 44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=44&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
#### § 7.3. Aanwijzingen
##### Artikel 47
1. Het college kan bindende aanwijzingen geven in verband met de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. Onze Minister kan bindende aanwijzingen geven in verband met de naleving van het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
1. De Autoriteit Consument en Markt kan bindende aanwijzingen geven in verband met de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
2. Onze Minister kan bindende aanwijzingen geven in verband met de naleving van het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
3. Een beschikking als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
@@ -518,17 +516,17 @@
##### Artikel 48
1. Het college is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen bij of krachtens [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-01-01&g=2013-01-01) gestelde verplichtingen.
1. De Autoriteit Consument en Markt is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen bij of krachtens [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
2. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-04-01&g=2013-04-01) gestelde verplichtingen.
#### § 7.5. Bestuurlijke boete
##### Artikel 49
1. Het college kan in geval van overtreding van een bindende aanwijzing als bedoeld in [artikel 47, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.3&artikel=47&z=2013-01-01&g=2013-01-01), alsmede overtreding van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=4&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=5&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=8&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=3&artikel=10&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=3&artikel=12&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [16, vijfde tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=16&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.4&artikel=18&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.4&artikel=19&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.4&artikel=22&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.4&artikel=23&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=26&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=27&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=28&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.7&artikel=31&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=5&artikel=32&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=6&artikel=35&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=6&artikel=36&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [39, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.1&artikel=39&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=8&artikel=59&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=8&artikel=61&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [63, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=8&artikel=63&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=9&artikel=64&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van deze wet, alsmede [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) de overtreder per overtreding een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien dat meer is, 10% van de relevante netto-omzet van de onderneming in Nederland.
2. Onze Minister kan in geval van overtreding van een bindende aanwijzing als bedoeld in [artikel 47, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.3&artikel=47&z=2013-01-01&g=2013-01-01), alsmede overtreding van het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-01-01&g=2013-01-01) de overtreder per overtreding een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien dat meer is, 10% van de relevante netto-omzet van de onderneming in Nederland.
1. De Autoriteit Consument en Markt kan in geval van overtreding van een bindende aanwijzing als bedoeld in [artikel 47, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.3&artikel=47&z=2013-04-01&g=2013-04-01), alsmede overtreding van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=4&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=5&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=8&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=3&artikel=10&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=3&artikel=12&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [16, vijfde tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=16&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.4&artikel=18&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.4&artikel=19&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.4&artikel=22&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.4&artikel=23&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=24&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=26&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=27&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.5&artikel=28&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.7&artikel=31&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=5&artikel=32&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=6&artikel=35&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=6&artikel=36&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [39, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.1&artikel=39&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.2&artikel=41&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=8&artikel=59&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=8&artikel=61&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [63, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=8&artikel=63&z=2013-04-01&g=2013-04-01), en [64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=9&artikel=64&z=2013-04-01&g=2013-04-01) van deze wet, alsmede [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) de overtreder per overtreding een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien dat meer is, 10% van de relevante netto-omzet van de onderneming in Nederland.
2. Onze Minister kan in geval van overtreding van een bindende aanwijzing als bedoeld in [artikel 47, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.3&artikel=47&z=2013-04-01&g=2013-04-01), alsmede overtreding van het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&z=2013-04-01&g=2013-04-01) de overtreder per overtreding een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien dat meer is, 10% van de relevante netto-omzet van de onderneming in Nederland.
3. De berekening van de netto-omzet, bedoeld in het eerste en het tweede lid,
@@ -536,7 +534,7 @@
- b. betreft het boekjaar voorafgaande aan de beschikking, bedoeld in het eerste en het tweede lid;
- c. is beperkt tot de omzet die betrekking heeft op de postvervoerdiensten, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=1¶graaf=1.1&artikel=2&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
- c. is beperkt tot de omzet die betrekking heeft op de postvervoerdiensten, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=1¶graaf=1.1&artikel=2&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
##### Artikel 50
@@ -560,7 +558,7 @@
##### Artikel 55
1. Een beschikking waarbij een last onder dwangsom dan wel een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.5&artikel=49&z=2013-01-01&g=2013-01-01) wordt opgelegd wordt, nadat zij bekend is gemaakt, ter inzage gelegd bij het college respectievelijk Onze Minister.
1. Een beschikking waarbij een last onder dwangsom dan wel een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=7¶graaf=7.5&artikel=49&z=2013-04-01&g=2013-04-01) wordt opgelegd wordt, nadat zij bekend is gemaakt, ter inzage gelegd bij de Autoriteit Consument en Markt respectievelijk Onze Minister.
2. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
@@ -570,49 +568,49 @@
##### Artikel 57
De te betalen geldsom van de door het college opgelegde bestuurlijke boete, de verbeurde dwangsommen bij een door het college opgelegde last en de als gevolg van die boete en dwangsom verschuldigde wettelijke rente, komen toe aan de Staat.
De te betalen geldsom van de door de Autoriteit Consument en Markt opgelegde bestuurlijke boete, de verbeurde dwangsommen bij een door de Autoriteit Consument en Markt opgelegde last en de als gevolg van die boete en dwangsom verschuldigde wettelijke rente, komen toe aan de Staat.
### Hoofdstuk 8. Geschillenbeslechting
##### Artikel 58
1. Indien tussen postvervoerbedrijven, tussen een postvervoerbedrijf en iemand die postbussen exploiteert, tussen een postvervoerbedrijf en iemand die een systeem met adresgegevens als bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2013-01-01&g=2013-01-01) exploiteert of beheert of tussen een postvervoerbedrijf en iemand die een postcodesysteem exploiteert of beheert een geschil is ontstaan inzake de nakoming van de verplichtingen bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=3&z=2013-01-01&g=2013-01-01), beslecht het college op aanvraag van een bij dat geschil betrokken partij het geschil voor zover naar het oordeel van het college verdere onderhandelingen redelijkerwijs niet meer zullen leiden tot overeenstemming.
2. Het college is onbevoegd tot het beslechten van een op grond van het eerste lid voorgelegd geschil indien de bij dat geschil betrokken partijen het college verzoeken het geschil niet langer te beslechten.
1. Indien tussen postvervoerbedrijven, tussen een postvervoerbedrijf en iemand die postbussen exploiteert, tussen een postvervoerbedrijf en iemand die een systeem met adresgegevens als bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2013-04-01&g=2013-04-01) exploiteert of beheert of tussen een postvervoerbedrijf en iemand die een postcodesysteem exploiteert of beheert een geschil is ontstaan inzake de nakoming van de verplichtingen bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=3&z=2013-04-01&g=2013-04-01), beslecht de Autoriteit Consument en Markt op aanvraag van een bij dat geschil betrokken partij het geschil voor zover naar het oordeel van de Autoriteit Consument en Markt verdere onderhandelingen redelijkerwijs niet meer zullen leiden tot overeenstemming.
2. De Autoriteit Consument en Markt is onbevoegd tot het beslechten van een op grond van het eerste lid voorgelegd geschil indien de bij dat geschil betrokken partijen de Autoriteit Consument en Markt verzoeken het geschil niet langer te beslechten.
##### Artikel 59
1. Op vordering van het college verstrekken de bij een geschil betrokken partijen binnen een door het college te bepalen redelijke termijn aan het college alle gegevens die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.
2. De bij het geschil betrokken partijen zijn verplicht binnen de door het college gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen ten behoeve van de beoordeling van het geschil.
1. Op vordering van de Autoriteit Consument en Markt verstrekken de bij een geschil betrokken partijen binnen een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalen redelijke termijn aan de Autoriteit Consument en Markt alle gegevens die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.
2. De bij het geschil betrokken partijen zijn verplicht binnen de door de Autoriteit Consument en Markt gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen ten behoeve van de beoordeling van het geschil.
##### Artikel 60
1. Het college beslist op een aanvraag als bedoeld in [artikel 58, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=8&artikel=58&z=2013-01-01&g=2013-01-01), binnen zeventien weken na ontvangst van de aanvraag.
2. In uitzonderlijke gevallen kan het college de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste acht weken verlengen. Het college stelt de betrokken postvervoerbedrijven hiervan in kennis en geeft de termijn aan waarbinnen het college het geschil zal beslechten.
3. Het college kan in spoedeisende gevallen een voorlopig besluit nemen dat tussen de betrokken postvervoerbedrijven geldt tot het definitieve besluit van het college in werking treedt.
1. De Autoriteit Consument en Markt beslist op een aanvraag als bedoeld in [artikel 58, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=8&artikel=58&z=2013-04-01&g=2013-04-01), binnen zeventien weken na ontvangst van de aanvraag.
2. In uitzonderlijke gevallen kan de Autoriteit Consument en Markt de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste acht weken verlengen. De Autoriteit Consument en Markt stelt de betrokken postvervoerbedrijven hiervan in kennis en geeft de termijn aan waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het geschil zal beslechten.
3. De Autoriteit Consument en Markt kan in spoedeisende gevallen een voorlopig besluit nemen dat tussen de betrokken postvervoerbedrijven geldt tot het definitieve besluit van de Autoriteit Consument en Markt in werking treedt.
##### Artikel 61
Een postvervoerbedrijf volgt het door het college op grond van [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=8&artikel=60&z=2013-01-01&g=2013-01-01) genomen besluit op. Het college kan daarbij een termijn stellen.
Een postvervoerbedrijf volgt het door de Autoriteit Consument en Markt op grond van [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=8&artikel=60&z=2013-04-01&g=2013-04-01) genomen besluit op. De Autoriteit Consument en Markt kan daarbij een termijn stellen.
##### Artikel 62
Het college doet mededeling in de Staatscourant van een besluit als bedoeld in [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=8&artikel=60&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
De Autoriteit Consument en Markt doet mededeling in de Staatscourant van een besluit als bedoeld in [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=8&artikel=60&z=2013-04-01&g=2013-04-01).
##### Artikel 63
1. Indien een partij door het college in het gelijk wordt gesteld en hij voor het beslechten van een geschil een vergoeding aan het college verschuldigd is, kan het college bepalen dat die vergoeding door de bij het geschil betrokken andere partij wordt vergoed.
2. Een bij een geschil betrokken partij volgt de door het college op grond van het eerste lid gegeven voorschriften op. Het college kan daarbij termijnen stellen.
### Hoofdstuk 9. Kosten werkzaamheden college
1. Indien een partij door de Autoriteit Consument en Markt in het gelijk wordt gesteld en hij voor het beslechten van een geschil een vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt verschuldigd is, kan de Autoriteit Consument en Markt bepalen dat die vergoeding door de bij het geschil betrokken andere partij wordt vergoed.
2. Een bij een geschil betrokken partij volgt de door de Autoriteit Consument en Markt op grond van het eerste lid gegeven voorschriften op. De Autoriteit Consument en Markt kan daarbij termijnen stellen.
### Hoofdstuk 9. Kosten werkzaamheden Autoriteit Consument en Markt
##### Artikel 64
1. Postvervoerbedrijven zijn ter dekking van de kosten die verband houden met de werkzaamheden van het college ter uitvoering van deze wet, jaarlijks een vergoeding verschuldigd.
1. Postvervoerbedrijven zijn ter dekking van de kosten die verband houden met de werkzaamheden van de Autoriteit Consument en Markt ter uitvoering van deze wet, jaarlijks een vergoeding verschuldigd.
2. Van de vergoeding zijn uitgezonderd de kosten verbonden aan de behandeling van bezwaar- en beroepschriften.
@@ -620,9 +618,9 @@
##### Artikel 65
1. Onze Minister stelt de hoogte van de vergoeding, bedoeld in [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=9&artikel=64&z=2013-01-01&g=2013-01-01), vast.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels nadere gesteld over de vergoeding, bedoeld in [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=9&artikel=64&z=2013-01-01&g=2013-01-01). Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de wijze waarop de vergoeding wordt vastgesteld, geheven en ingevorderd.
1. Onze Minister stelt de hoogte van de vergoeding, bedoeld in [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=9&artikel=64&z=2013-04-01&g=2013-04-01), vast.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels nadere gesteld over de vergoeding, bedoeld in [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=9&artikel=64&z=2013-04-01&g=2013-04-01). Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de wijze waarop de vergoeding wordt vastgesteld, geheven en ingevorderd.
### Hoofdstuk 10. Implementatie van Europese richtlijnen en verordeningen
@@ -638,9 +636,9 @@
5. Bij de regels, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, kunnen:
- a. taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college, en
- b. voorschriften uit een postverordening of gedelegeerde verordening worden aangewezen waarop door het college aangewezen ambtenaren toezicht houden of die het college kan toepassen door besluiten te nemen.
- a. taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan de Autoriteit Consument en Markt, en
- b. voorschriften uit een postverordening of gedelegeerde verordening worden aangewezen waarop door de Autoriteit Consument en Markt aangewezen ambtenaren toezicht houden of die de Autoriteit Consument en Markt kan toepassen door besluiten te nemen.
### Hoofdstuk 11. Buitengewone omstandigheden
@@ -650,7 +648,7 @@
##### Artikel 68
1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele land of een deel daarvan [artikel 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&artikel=70&z=2013-01-01&g=2013-01-01) in werking worden gesteld.
1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele land of een deel daarvan [artikel 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&artikel=70&z=2013-04-01&g=2013-04-01) in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling.
@@ -664,7 +662,7 @@
##### Artikel 69
In geval voor Nederland of een gedeelte daarvan, op grond van de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), of [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8), bepalingen uit de [Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983) in werking zijn gesteld, oefent Onze Minister de in [artikel 70, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&artikel=70&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde bevoegdheid uit in overeenstemming met Onze Minister van Defensie.
In geval voor Nederland of een gedeelte daarvan, op grond van de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), of [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8), bepalingen uit de [Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983) in werking zijn gesteld, oefent Onze Minister de in [artikel 70, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&artikel=70&z=2013-04-01&g=2013-04-01), bedoelde bevoegdheid uit in overeenstemming met Onze Minister van Defensie.
##### Artikel 70
@@ -678,7 +676,7 @@
##### Artikel 72
Onze Minister geeft aan een verlener van de universele postdienst voorschriften ten aanzien van de door deze te nemen organisatorische en personele maatregelen met betrekking tot de voorbereiding van de uitvoering van de universele postdienst in buitengewone omstandigheden als bedoeld in [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&artikel=68&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en de door deze daarover aan Onze Minister te verstrekken informatie. Onze Minister bepaalt in die voorschriften welke kosten van de uitvoering redelijkerwijs ten laste van een verlener van de universele postdienst komen.
Onze Minister geeft aan een verlener van de universele postdienst voorschriften ten aanzien van de door deze te nemen organisatorische en personele maatregelen met betrekking tot de voorbereiding van de uitvoering van de universele postdienst in buitengewone omstandigheden als bedoeld in [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11&artikel=68&z=2013-04-01&g=2013-04-01) en de door deze daarover aan Onze Minister te verstrekken informatie. Onze Minister bepaalt in die voorschriften welke kosten van de uitvoering redelijkerwijs ten laste van een verlener van de universele postdienst komen.
### Hoofdstuk 12. Beroep
@@ -742,7 +740,7 @@
##### Artikel 84
In afwijking van [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=15&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=15&z=2013-01-01&g=2013-01-01), een bij besluit van Onze Minister te bepalen rechtspersoon aangewezen als verlener van de universele postdienst.
In afwijking van [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=15&z=2013-04-01&g=2013-04-01), wordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=15&z=2013-04-01&g=2013-04-01), een bij besluit van Onze Minister te bepalen rechtspersoon aangewezen als verlener van de universele postdienst.
##### Artikel 85
2013-01-01
Postwet 2009 — art. 42
2012-11-08
Postwet 2009 — art. 42
2012-02-08
Postwet 2009 — art. 42
2009-04-01
Postwet 2009 — art. 42
2009-04-01
Postwet 2009
original version
Tekst op deze datum