Wijzigingsgeschiedenis
Besluit van de Minister van Justitie van 30 maart 2009, nummer WBN 2009/1, houdende wijziging van de tekst van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op buiten het Koninkrijk afgelegde optieverklaringen en ingediende naturalisatieverzoeken
37 versions
· 2026-02-01
2026-02-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2026-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
Wijzigingen op 2026-01-01
@@ -76,7 +76,7 @@
### Paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De Minister van Buitenlandse Zaken die de optieverklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen over de identiteit van de optant. Daartoe wordt de optant verzocht om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Daarnaast wordt de optant – ter meerdere zekerheid – gevraagd andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte, over te leggen. Zie hierna onder [paragraaf 2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5&z=2025-04-01&g=2025-04-01) (Overige) over te leggen documenten.
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De Minister van Buitenlandse Zaken die de optieverklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen over de identiteit van de optant. Daartoe wordt de optant verzocht om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Daarnaast wordt de optant – ter meerdere zekerheid – gevraagd andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte, over te leggen. Zie hierna onder [paragraaf 2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) (Overige) over te leggen documenten.
Een optieverklaring ten behoeve van een optant die wegens handelingsonbekwaamheid onder curatele is gesteld, wordt afgelegd door zijn curator.
@@ -98,7 +98,7 @@
Voor dit kind is niet voorgeschreven dat het in persoon verschijnt om een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap. Het verdient wel de voorkeur. Het kind wordt derhalve mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de verkrijging (1.2a, 1.18a en 1.19a) (zie [toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN](onbekend)).
Hebben kinderen de leeftijd van 16 jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven (model 1.2a, zie ook model 1.21a) ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich – zoveel mogelijk – met een geldig buitenlands reisdocument te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1¶graaf=2.2.1.5&z=2025-04-01&g=2025-04-01)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie [toelichting bij artikel 2, tweede](onbekend) en [vierde lid, RWN](onbekend)).
Hebben kinderen de leeftijd van 16 jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven (model 1.2a, zie ook model 1.21a) ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich – zoveel mogelijk – met een geldig buitenlands reisdocument te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1¶graaf=2.2.1.5&z=2026-01-01&g=2026-01-01)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie [toelichting bij artikel 2, tweede](onbekend) en [vierde lid, RWN](onbekend)).
### Paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
@@ -168,7 +168,7 @@
Indien een optant bij het afleggen van de optieverklaring wel bereid is om de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar hij is vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen, dan geldt het volgende. De Minister van Buitenlandse Zaken tekent de bereidheid van de optant aan op de bereidverklaring, maar de bereidverklaring wordt vervolgens niet ondertekend, immers de optant is hiertoe niet in staat. De overige formulieren kunnen in voorkomende gevallen ingevuld worden door bijvoorbeeld een gemachtigde of curator.
Ook is het mogelijk dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen en vervolgens ook niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hierbij kan gedacht worden aan personen die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan personen aan wie het, door de Minister van Buitenlandse Zaken, is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Zie hiervoor [artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). Indien bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring reeds aanstonds duidelijk is dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt de bereidverklaring niet ingevuld en wordt er vervolgens geen verklaring van verbondenheid afgelegd. Zie hiervoor [artikel 60a, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en de [toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN](onbekend). Er moet echter wel ten minste één bewijsstuk(ken) van de onmogelijkheid tot het invullen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid worden overgelegd door bijvoorbeeld een gemachtigde. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN; bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De beoordeling of sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid ligt bij de Minister van Buitenlandse Zaken. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN en [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Zwaarwegende redenen (artikel 60a, zesde lid, BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid).
Ook is het mogelijk dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen en vervolgens ook niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hierbij kan gedacht worden aan personen die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan personen aan wie het, door de Minister van Buitenlandse Zaken, is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Zie hiervoor [artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). Indien bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring reeds aanstonds duidelijk is dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt de bereidverklaring niet ingevuld en wordt er vervolgens geen verklaring van verbondenheid afgelegd. Zie hiervoor [artikel 60a, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en de [toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN](onbekend). Er moet echter wel ten minste één bewijsstuk(ken) van de onmogelijkheid tot het invullen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid worden overgelegd door bijvoorbeeld een gemachtigde. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN; bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De beoordeling of sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid ligt bij de Minister van Buitenlandse Zaken. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN en [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Zwaarwegende redenen (artikel 60a, zesde lid, BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid).
In de regel legt degene aan wie de optiebevestiging wordt uitgereikt de verklaring van verbondenheid mondeling af. Zie [artikel 60a, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a). Echter, indien van de optant redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, kan de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat de optant de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt. Zie artikel 60a, vijfde lid, BVVN. Indien bij het afleggen van de optieverklaring reeds door de Minister van Buitenlandse Zaken geconstateerd is dat van een optant redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, wordt hiervan door de Minster van Buitenlandse Zaken een aantekening gemaakt in het optiedossier. Deze informatie kan vervolgens bij het toezenden van de uitnodigingbrief voor de naturalisatieceremonie gebruikt worden door bijvoorbeeld alvast de schriftelijke verklaring van verbondenheid toe te sturen.
@@ -196,7 +196,7 @@
### Paragraaf 2.2.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
Overigens kan, ook als een optant is vrijgesteld van het documentatievereiste (zie [paragraaf 2.2.5.2 bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.2&z=2025-04-01&g=2025-04-01) van deze Circulaire Buitenland), gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit een reden vormen voor afwijzing.
Overigens kan, ook als een optant is vrijgesteld van het documentatievereiste (zie [paragraaf 2.2.5.2 bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze Circulaire Buitenland), gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit een reden vormen voor afwijzing.
### Paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument
@@ -216,7 +216,7 @@
Wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient over te leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.3&z=2022-09-01&g=2022-09-01)):
Wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient over te leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.3&z=2025-04-01&g=2025-04-01)):
Wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient over te leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01)):
Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.
@@ -278,7 +278,7 @@
### Paragraaf 2.4.2.3. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de Minister van Buitenlandse Zaken is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36a HRWN) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en hij desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de Minister van Buitenlandse Zaken de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen. Zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.8&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Weigering bevestiging.
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de Minister van Buitenlandse Zaken is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36a HRWN) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en hij desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de Minister van Buitenlandse Zaken de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen. Zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.8&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Weigering bevestiging.
### Paragraaf 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
@@ -356,11 +356,11 @@
### Paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
Indien door de Minister van Buitenlandse Zaken wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekend gemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht. Zie hierboven [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2025-04-01&g=2025-04-01). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd. Zie [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2025-04-01&g=2025-04-01).
Indien door de Minister van Buitenlandse Zaken wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekend gemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht. Zie hierboven [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd. Zie [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
De Minister van Buitenlandse Zaken zendt een gewaarmerkte kopie van de bevestiging of weigering van de optie naar het ressort waar de optant zijn hoofdverblijf heeft verplaatst.
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33a en 1.34a). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht. (Zie hierboven [paragraaf 2.6.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2025-04-01&g=2025-04-01)) Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd. (Zie hierboven [paragraaf 2.7.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2025-04-01&g=2025-04-01))
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33a en 1.34a). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht. (Zie hierboven [paragraaf 2.6.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01)) Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd. (Zie hierboven [paragraaf 2.7.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2026-01-01&g=2026-01-01))
Op grond van [artikel 37 WRvS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=37) kan zowel de optant als de Minister van Buitenlandse Zaken van de uitspraak van de rechtbank hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De bepalingen van de [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) (zie [artikel 6:24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:24)) en [8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=8) zijn – met uitzondering van enkele artikelen (zie [artikel 39 WRvS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=39)) en voor zover daarvan in [artikel 37 en volgende WRvS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=37) niet is afgeweken – van overeenkomstige toepassing.
@@ -380,7 +380,7 @@
### Paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie
De [regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506) (hierna: RVVN) bevat in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 januari 2007 is dit voor de optiebevestiging veranderd. Vanaf die datum treedt de optiebevestiging voor de daarin genoemde persoon of personen pas in werking door uitreiking van de optiebevestiging, in de regel op de naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Als de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor [artikel 29, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=29), [artikel 60a, vijfde en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a), [artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5), [paragraaf 2.12.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5¶graaf=2.12.5.2&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))). De optiebevestiging wordt aan de optant bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. Het besluit tot bevestiging van de optieverklaring werkt terug tot de dag van de dagtekening door de Minister van Buitenlandse Zaken (zie ook onder ‘algemeen’ van [paragraaf 2.12.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2025-04-01&g=2025-04-01)).
De [regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506) (hierna: RVVN) bevat in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 januari 2007 is dit voor de optiebevestiging veranderd. Vanaf die datum treedt de optiebevestiging voor de daarin genoemde persoon of personen pas in werking door uitreiking van de optiebevestiging, in de regel op de naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Als de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor [artikel 29, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=29), [artikel 60a, vijfde en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a), [artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5), [paragraaf 2.12.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5¶graaf=2.12.5.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))). De optiebevestiging wordt aan de optant bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. Het besluit tot bevestiging van de optieverklaring werkt terug tot de dag van de dagtekening door de Minister van Buitenlandse Zaken (zie ook onder ‘algemeen’ van [paragraaf 2.12.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01)).
Op grond van [artikel 60a, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) jo. [artikel 2, sub d, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) is in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd tot uitreiking van de optiebevestiging. Het staat hem vrij om door middel van een machtiging de uitreiking over te dragen aan een ambtenaar van de betreffende diplomatieke of consulaire post. Hij roept de optant tijdig op voor een naturalisatieceremonie. Verschijnt de opgeroepen persoon niet, dan vindt geen uitreiking plaats en wordt een oproeping voor de volgende ceremonie toegezonden. Zonodig wordt een derde oproep per aangetekende post verzonden. Wordt de optiebevestiging niet binnen een jaar na de dag waarop zij is gedagtekend, uitgereikt, dan vervalt zij in de regel. De optant is dan geen Nederlander geworden, maar dient daarvoor een nieuwe optieverklaring af te leggen. De Minister van Buitenlandse Zaken zal dan opnieuw moeten vaststellen of aan de optievoorwaarden wordt voldaan.
@@ -392,11 +392,11 @@
De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1) (tabel: oproepen en uitreiken).
De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking ([artikel 60a, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a), zie tevens [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))). Indien de opgeroepen optant niet verschijnt, en hij heeft geen (succesvol) beroep op zwaarwegende redenen gedaan, wordt hij opnieuw opgeroepen. Na de eerste afwezigheid kan worden nagegaan of de uitnodiging aan het juiste adres is gestuurd. Is de optant ook na de tweede oproep niet verschenen, dan verzendt de Minister van Buitenlandse Zaken zonodig een derde oproep per aangetekende post. Wie geen van deze drie keren verschijnt, zal daarna zich alsnog voor een uitreiking kunnen melden. De optant zal dan voor een (eerst)volgende ceremonie worden uitgenodigd, tenzij de bevestiging – behoudens een eerdere rechterlijke vernietiging van het besluit inzake de wijze van uitreiking – alsdan zou worden uitgereikt één jaar na haar dagtekening. In de oproeping dient de optant in ieder geval ook gewezen te worden op de (automatische) vervaltermijn van een jaar. Zie [paragraaf 2.12.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2025-04-01&g=2025-04-01).
De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking ([artikel 60a, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a), zie tevens [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))). Indien de opgeroepen optant niet verschijnt, en hij heeft geen (succesvol) beroep op zwaarwegende redenen gedaan, wordt hij opnieuw opgeroepen. Na de eerste afwezigheid kan worden nagegaan of de uitnodiging aan het juiste adres is gestuurd. Is de optant ook na de tweede oproep niet verschenen, dan verzendt de Minister van Buitenlandse Zaken zonodig een derde oproep per aangetekende post. Wie geen van deze drie keren verschijnt, zal daarna zich alsnog voor een uitreiking kunnen melden. De optant zal dan voor een (eerst)volgende ceremonie worden uitgenodigd, tenzij de bevestiging – behoudens een eerdere rechterlijke vernietiging van het besluit inzake de wijze van uitreiking – alsdan zou worden uitgereikt één jaar na haar dagtekening. In de oproeping dient de optant in ieder geval ook gewezen te worden op de (automatische) vervaltermijn van een jaar. Zie [paragraaf 2.12.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
Dit kan bijvoorbeeld spelen als de optant heeft verzocht om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen en dit door de Minister van Buitenlandse Zaken geweigerd is. Dit kan ook voorkomen indien betrokkene een beroep op zwaarwegende redenen heeft gedaan om niet op de naturalisatieceremonie te verschijnen en dit door de Minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de Minister van Buitenlandse Zaken hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. Zie hiervoor [paragraaf 2.12.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.4&z=2025-04-01&g=2025-04-01). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de Minister van Buitenlandse Zaken hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. Zie hiervoor [paragraaf 2.12.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt.
De terugwerkende kracht is niet nieuw. Ook nu treedt het besluit tot bevestiging in werking door bekendmaking, die op dit moment niet door uitreiking, maar door toezending per post geschiedt. Ook hier werkt de inwerkingtreding terug tot het moment van ondertekening. En ook hier hebben feiten die zich na de ondertekening voordoen geen invloed op de verkrijging van het Nederlanderschap en treedt het rechtsgevolg in vanaf de dag van dagtekening.
@@ -420,7 +420,7 @@
Voor de uitreiking van de optiebevestiging kent het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) voor de Minister van Buitenlandse Zaken geen vaste uitreikingstermijn. Gezien de zeer verschillende omstandigheden waaronder zij de bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap hebben te verzorgen, is hierbij de mogelijkheid van een ruime uitreikingstermijn dan ook gewenst. Wel blijft gelden dat mede in het belang van de betrokken burger de uitreiking van de optiebevestiging op een zo kort mogelijke termijn na dagtekening dient plaats te vinden. Bij bekendmaking per post geschiedt dit in beginsel onmiddellijk na de vaststelling van de optiebevestiging, doch uiterlijk binnen één week daarna ([artikel 5, vijfde lid, onder e, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5)).
Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan de Minister van Buitenlandse Zaken komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen optant – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond. Zie hiervoor verder [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2025-04-01&g=2025-04-01).
Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan de Minister van Buitenlandse Zaken komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen optant – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond. Zie hiervoor verder [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
Op grond van [artikel 5, vierde lid onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) kan de Minister van Buitenlandse Zaken komen tot een andere wijze van bekendmaking van het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap dan uitreiking in persoon wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden.
@@ -436,7 +436,7 @@
De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de optant. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
De Minister van Buitenlandse Zaken houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de Minister van Buitenlandse Zaken aan op het afschrift van de optieverklaring dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden. Zie tevens [paragraaf 2.12.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.6&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Procedurele aspecten na de terugmelding. Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
De Minister van Buitenlandse Zaken houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de Minister van Buitenlandse Zaken aan op het afschrift van de optieverklaring dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden. Zie tevens [paragraaf 2.12.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Procedurele aspecten na de terugmelding. Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
Indien de optant bij het afleggen van de optieverklaring zich wel bereid heeft verklaard (model 1.36a HRWN) de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar hij komt deze toezegging niet na en door de Minister van Buitenlandse Zaken is geen vrijstelling van het afleggen van deze verklaring gegeven, dan zal de optiebevestiging niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet worden verkregen.
@@ -472,7 +472,7 @@
Voor een enkele optant zal een uitzondering gemaakt moeten worden. Indien van de optant door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1a HRWN is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2a HRWN de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De optant dient (volgens de dáár geldende regels) bij het afleggen van de optieverklaring wel de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de Minister van Buitenlandse Zaken ([artikel 60a, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)) en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de optant overgelegde bewijsstuk(ken).
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de optant de optiebevestiging in ontvangst te nemen, overhandigt de Minister van Buitenlandse Zaken de schriftelijke verklaring van verbondenheid. Voor de beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen zie [paragraaf 2.12.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5¶graaf=2.12.5.1&z=2025-04-01&g=2025-04-01). De verklaring van verbondenheid kan ook schriftelijk worden afgelegd indien de optant onredelijk ver zou moeten reizen om de naturalisatieceremonie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen.
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de optant de optiebevestiging in ontvangst te nemen, overhandigt de Minister van Buitenlandse Zaken de schriftelijke verklaring van verbondenheid. Voor de beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen zie [paragraaf 2.12.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5¶graaf=2.12.5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01). De verklaring van verbondenheid kan ook schriftelijk worden afgelegd indien de optant onredelijk ver zou moeten reizen om de naturalisatieceremonie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen.
### 2. Naturalisatie vanuit het buitenland
@@ -524,7 +524,7 @@
### 7-1-1. Toelichting algemeen
Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019915&artikel=II), Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13&z=2025-04-01&g=2025-04-01).
Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019915&artikel=II), Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
### Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase
@@ -552,7 +552,7 @@
Minderjarige kinderen van 12 jaar of ouder, voor wie medeverlening wordt verzocht, kunnen verzoeken om in de gelegenheid te worden gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over de medeverlening van het Nederlanderschap. De kinderen kunnen op het moment van indiening van het verzoek hun eventuele zienswijze naar voren brengen op model 2.1a (verzoek om naturalisatie door meerderjarige).
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.2¶graaf=3.2.5&z=2025-04-01&g=2025-04-01). (gemachtigde) (zie model 2.1a HRWN). De Minister van Buitenlandse Zaken die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen over de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Voorts wordt de verzoeker – ter meerdere zekerheid – gevraagd om andere bewijsstukken over te leggen, zoals bijvoorbeeld een geboorteakte. Zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.5&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Over te leggen documenten.
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.2¶graaf=3.2.5&z=2026-01-01&g=2026-01-01). (gemachtigde) (zie model 2.1a HRWN). De Minister van Buitenlandse Zaken die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen over de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Voorts wordt de verzoeker – ter meerdere zekerheid – gevraagd om andere bewijsstukken over te leggen, zoals bijvoorbeeld een geboorteakte. Zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Over te leggen documenten.
Voor kinderen van 16 jaar of ouder is verschijning in persoon voorgeschreven in [artikel 3 1, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); zij dienen zich te legitimeren met een geldig buitenlands reisdocument. Zie ook de [toelichting bij artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=2).
@@ -670,7 +670,7 @@
Het verzoek om naturalisatie dient zoveel mogelijk te worden ondersteund door overgelegde originele, zonodig gelegaliseerde/van apostille voorziene (bewijs)stukken. De Minister van Buitenlandse Zaken kan van de verzoeker verlangen dat hij gegevens bewijst door middel van documenten ([artikel 31, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). Volledigheid van de stukken is ook in het belang van de verzoeker, aangezien in geval van afwijzing van het verzoek de naturalisatiegelden niet worden gerestitueerd. Indien de verzoeker een aantal benodigde gegevens niet kan verstrekken dient hem te worden geadviseerd te wachten met indiening van het verzoek tot het moment dat alle verlangde gegevens kunnen worden verstrekt. Mocht verzoeker er echter op staan om zijn verzoek in te dienen, ondanks het niet overleggen van de door de Minister van Buitenlandse Zaken gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, dan dient de Minister van Buitenlandse Zaken het verzoek in ontvangst te nemen. De Minister van Buitenlandse Zaken kan in dit geval verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2) (verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’).
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) over te leggen (zie voor uitzonderingen hieronder [paragraaf 3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.5¶graaf=3.5.3&z=2025-04-01&g=2025-04-01) (in het verleden overgelegde buitenlandse akten)):
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) over te leggen (zie voor uitzonderingen hieronder [paragraaf 3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.5¶graaf=3.5.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) (in het verleden overgelegde buitenlandse akten)):
Overigens kan, ook als een verzoeker is vrijgesteld van het documentatievereiste (zie [paragraaf 3.5.6 bij artikel 7, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.5¶graaf=3.5.6&z=2022-09-01&g=2022-09-01) van de Circulaire optie/naturalisatieverzoeken in het buitenland), gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit een reden vormen voor afwijzing.
@@ -714,7 +714,7 @@
### Paragraaf 3.8. Voorbereiding advies
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de Minister van Buitenlandse Zaken is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30a HRWN) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de Minister van Buitenlandse Zaken een negatief advies uit en wijst Onze Minister het verzoek om naturalisatie af. Zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.9&z=2025-04-01&g=2025-04-01).
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de Minister van Buitenlandse Zaken is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30a HRWN) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de Minister van Buitenlandse Zaken een negatief advies uit en wijst Onze Minister het verzoek om naturalisatie af. Zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.9&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
De Minister van Buitenlandse Zaken beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van het inburgeringsexamen als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Vrijstelling van het inburgeringsexamen kan bijvoorbeeld geschieden op grond van een overgelegd diploma dat in Nederland is behaald; ontheffing kan plaatsvinden als sprake is van een ernstige belemmering met medische oorzaak dan wel een ernstige taalgerichte belemmering. Voor een gedetailleerde beschrijving van de procedure wordt verwezen naar de [toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](onbekend) (zie ook dit onderdeel van de Handleiding). Indien de verzoeker niet is vrijgesteld noch ontheven, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een inburgeringsdiploma, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) over te leggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.2) en voor ontheffing [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.3).
@@ -754,7 +754,7 @@
Een beslissing tot buitenbehandelingstelling, aanhouding of afwijzing van een verzoek om naturalisatie of tot afwijzing van een verzoek om medeverlening, is een beschikking in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb). Tegen deze beslissingen kan een bezwaarschrift worden ingediend. De [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) en [7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=7) zijn dan van toepassing. In de volgende gevallen kan bezwaar worden ingediend:
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 56, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)). In geval van een positieve beslissing stuurt de IND het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap onverwijld aan de Minister van Buitenlandse Zaken. De Minister van Buitenlandse Zaken draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit (zie [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13&z=2025-04-01&g=2025-04-01)). Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de meegenaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit tot stand gekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 56, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)). In geval van een positieve beslissing stuurt de IND het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap onverwijld aan de Minister van Buitenlandse Zaken. De Minister van Buitenlandse Zaken draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit (zie [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13&z=2026-01-01&g=2026-01-01)). Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de meegenaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit tot stand gekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
### Paragraaf 3.11. Bezwaar
@@ -776,7 +776,7 @@
Op grond van [artikel 60b, tweede en vierde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) is in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd tot bekendmaking van het naturalisatiebesluit. Het staat hem vrij om door middel van een machtiging de uitreiking over te dragen aan een ambtenaar van de betreffende diplomatieke of consulaire post. Hij roept de naturalisandus tijdig op voor een naturalisatieceremonie. Verschijnt de opgeroepen persoon niet, dan vindt geen uitreiking plaats en wordt een oproeping voor de volgende ceremonie toegezonden. Zonodig wordt een derde oproep per aangetekende post verzonden. Wordt het besluit niet binnen een jaar na de dag waarop het is gedagtekend, uitgereikt, dan vervalt het in de regel. De naturalisandus is dan geen Nederlander geworden. Hij dient daarvoor een nieuw verzoek tot naturalisatie in te dienen of een optieverklaring af te leggen.
De [regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506) (hierna: RVVN) bevat in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 oktober 2006 is dit voor het naturalisatiebesluit veranderd (artikel 5, vijfde lid, RVVN). Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Sinds 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor [artikel 56, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56), [artikel 60b, vijfde en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b), [artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b), [paragraaf 3.13.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.5¶graaf=3.13.5.2&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)).
De [regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506) (hierna: RVVN) bevat in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 oktober 2006 is dit voor het naturalisatiebesluit veranderd (artikel 5, vijfde lid, RVVN). Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Sinds 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor [artikel 56, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56), [artikel 60b, vijfde en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b), [artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b), [paragraaf 3.13.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.5¶graaf=3.13.5.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)).
Het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt aan de naturalisandus bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. De naturalisandus moet daadwerkelijk op een naturalisatieceremonie verschijnen om rechten te kunnen ontlenen aan het naturalisatiebesluit. Verschijnt de naturalisandus niet, dan kan de verklaring van verbondenheid niet worden afgelegd en het uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet worden bekendgemaakt.
@@ -796,11 +796,11 @@
Na de eerste afwezigheid kan worden nagegaan of de uitnodiging aan het juiste adres is gestuurd. Is de betrokkene ook na de tweede oproep niet verschenen, dan verzendt de Minister van Buitenlandse Zaken – zonodig – een derde oproep per aangetekende post. Wie geen van deze drie keren verschijnt, zal daarna zich alsnog voor een uitreiking kunnen melden. De betrokken persoon zal dan voor een (eerst)volgende ceremonie worden uitgenodigd, tenzij het desbetreffende uittreksel – behoudens een eerdere rechterlijke vernietiging van het besluit inzake de wijze van uitreiking – alsdan zou worden uitgereikt één jaar na dagtekening ervan.
In de oproeping dient de verzoeker in ieder geval ook gewezen te worden op de (automatische) vervaltermijn van een jaar. Zie [paragraaf 3.13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.2&z=2025-04-01&g=2025-04-01).
In de oproeping dient de verzoeker in ieder geval ook gewezen te worden op de (automatische) vervaltermijn van een jaar. Zie [paragraaf 3.13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
Is een jaar na de dag van de ondertekening van het naturalisatiebesluit verstreken zonder dat de verzoeker op een naturalisatieceremonie is verschenen en het besluit derhalve niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt het naturalisatiebesluit ([artikel 60b, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De vervaltermijn van één jaar wordt opgeschort als bezwaar en/of beroep is ingesteld tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van het naturalisatiebesluit en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit daardoor zou vervallen, is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat daarop onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de Minister van Buitenlandse Zaken het bezwaarschrift of de rechtbank beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de Minister van Buitenlandse Zaken of de rechtbank onherroepelijk is geworden en dus geen rechtsmiddelen meer openstaan. De termijn loopt dan na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen (artikel 60b, elfde lid, BVVN).
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen de Minister van Buitenlandse Zaken hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene, nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, is afgelegd. Zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2025-04-01&g=2025-04-01). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook een minderjarige die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, verkrijgt het Nederlanderschap. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt.
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen de Minister van Buitenlandse Zaken hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene, nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, is afgelegd. Zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook een minderjarige die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, verkrijgt het Nederlanderschap. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt.
De terugwerkende kracht is niet nieuw. Ook nu treedt het naturalisatiebesluit in werking door bekendmaking, die op dit moment niet door uitreiking, maar door toezending per post geschiedt. Deze schriftelijke bekendmaking vindt plaats omstreeks acht weken nadat het besluit is ondertekend. Ook hier werkt de inwerkingtreding terug tot het moment van die ondertekening. En ook hier hebben feiten die zich na de ondertekening voordoen geen invloed op de verkrijging van het Nederlanderschap en treedt het rechtsgevolg in vanaf de dag van dagtekening.
@@ -814,7 +814,7 @@
### Paragraaf 3.13.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
De Minister van Buitenlandse Zaken reikt het uittreksel van het besluit uit aan de personen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was én na het, al dan niet schriftelijk, afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.6&z=2025-04-01&g=2025-04-01) (tabel oproepen en uitreiken).
De Minister van Buitenlandse Zaken reikt het uittreksel van het besluit uit aan de personen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was én na het, al dan niet schriftelijk, afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) (tabel oproepen en uitreiken).
Bij een verzoek om medeverlening dient de hoofdpersoon in wiens naturalisatie wordt gedeeld, op de ceremonie aanwezig te zijn. Indien deze persoon niet aanwezig is, dan wordt het uittreksel, waarop zowel de hoofdnaturalisandus als het in diens naturalisatie delende minderjarig kind vermeld staan, niet aan het eventueel aanwezige kind uitgereikt. Dit kind, noch de hoofdnaturalisandus worden op dat moment Nederlander. In dat geval wordt de hoofdnaturalisandus voor de volgende ceremonie opgeroepen, op de wijze die hierboven is beschreven bij ‘termijn van oproeping’.
@@ -826,7 +826,7 @@
Nederlandse diplomatieke of consulaire posten in het buitenland verrichten hun werkzaamheden onder zeer verschillende omstandigheden en mogelijkheden. Ook bij de verkrijging van het Nederlanderschap in het buitenland is evenwel het uitgangspunt dat sprake is van uitreiking in persoon van het besluit leidend tot het Nederlanderschap. Desalniettemin kan het voorkomen dat een diplomatieke of consulaire post (niet behorend tot een diplomatieke post) zodanig kleinschalig is dat het organiseren van een ceremonie een te zware belasting zou worden of niet spoedig na de ontvangst van het uittreksel kan worden georganiseerd. In een dergelijk voorkomend geval kan incidenteel worden besloten geen ceremonie te houden, maar in het belang van de betrokken burger over te gaan tot de onmiddellijke bekendmaking via de postbezorging.
Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan de Minister van Buitenlandse Zaken komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen persoon – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond. Zie hiervoor verder [paragraaf 3.13.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4&z=2025-04-01&g=2025-04-01).
Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan de Minister van Buitenlandse Zaken komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen persoon – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond. Zie hiervoor verder [paragraaf 3.13.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
Op grond van [artikel 5, vierde lid onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) kan de Minister van Buitenlandse Zaken komen tot een andere wijze van bekendmaking van het uittreksel uit het naturalisatiebesluit dan uitreiking in persoon wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden.
@@ -844,7 +844,7 @@
De Minister van Buitenlandse Zaken houdt van naturalisatieverzoeken ingediend op of na
1 maart 2009 bij óf een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de Minister van Buitenlandse Zaken aan op het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) dat aan de IND wordt verzonden. Zie tevens [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Procedurele aspecten na de terugmelding.
1 maart 2009 bij óf een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de Minister van Buitenlandse Zaken aan op het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) dat aan de IND wordt verzonden. Zie tevens [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Procedurele aspecten na de terugmelding.
Sinds 1 maart 2009 moet iedere meerderjarige verzoeker, die op of na die datum een verzoek om naturalisatie heeft ingediend, op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Ook een verzoeker om medenaturalisatie van 16 of 17 jaar ([artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)) is verplicht om op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid af te leggen. De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen.
@@ -880,7 +880,7 @@
Voor een enkele verzoeker kan een uitzondering gemaakt worden. Indien van de verzoeker door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1a HRWN is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2a HRWN de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De verzoeker moet (volgens de dáár geldende regels) bij het indienen van het verzoek om naturalisatie wel de bereidverklaring invullen en ondertekenen. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de Minister van Buitenlandse Zaken (zie [artikel 60a, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)) en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken).
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de Minister van Buitenlandse Zaken de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de Minister van Buitenlandse Zaken (zie tevens [paragraaf 3.13.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.5¶graaf=3.13.5.1&z=2025-04-01&g=2025-04-01)). De verklaring van verbondenheid kan ook schriftelijk worden afgelegd indien de verzoeker onredelijk ver zou moeten reizen om de naturalisatieceremonie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen.
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de Minister van Buitenlandse Zaken de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de Minister van Buitenlandse Zaken (zie tevens [paragraaf 3.13.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.5¶graaf=3.13.5.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01)). De verklaring van verbondenheid kan ook schriftelijk worden afgelegd indien de verzoeker onredelijk ver zou moeten reizen om de naturalisatieceremonie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen.
In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen dan wel na toezending aan de Minister van Buitenlandse Zaken van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van het naturalisatiebesluit worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze. Hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de ceremonie om of aan toezending van de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap aan de verzoeker.
@@ -1014,7 +1014,7 @@
### Paragraaf 2.2.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 1.36a)
Indien de optant weigert de bereidverklaring te ondertekenen of op de bereidverklaring aangeeft dat hij niet bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, attendeert de Minister van Buitenlandse Zaken de optant erop dat hij vanwege zijn weigering het Nederlanderschap niet zal verkrijgen. De Minister van Buitenlandse Zaken zal de optant ontraden om een optieverklaring af te leggen. De verkrijging van het Nederlanderschap door optie zal worden geweigerd. Zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.8&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Weigering bevestiging.
Indien de optant weigert de bereidverklaring te ondertekenen of op de bereidverklaring aangeeft dat hij niet bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, attendeert de Minister van Buitenlandse Zaken de optant erop dat hij vanwege zijn weigering het Nederlanderschap niet zal verkrijgen. De Minister van Buitenlandse Zaken zal de optant ontraden om een optieverklaring af te leggen. De verkrijging van het Nederlanderschap door optie zal worden geweigerd. Zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.8&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Weigering bevestiging.
Verder dient de optant een zogenaamde waarheidsverklaring te ondertekenen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in de optieverklaring (zie modellen 1.5a HRWN, 1.6a HRWN, 1.9a HRWN, 1.12a HRWN en 1.13a HRWN), verklaart de optant dat hij de gevraagde gegevens, betreffende zichzelf en de in de optieverklaring genoemde personen naar waarheid heeft verstrekt en geen relevant gegeven heeft verzwegen.
@@ -1066,7 +1066,7 @@
### Paragraaf 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
De Minister van Buitenlandse Zaken controleert bij optieverklaringen die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die in de optieverklaring is genoemd en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie [paragraaf 2.2.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.1&z=2025-04-01&g=2025-04-01) en [toelichting bij artikel 6, tweede lid, RWN](onbekend). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan optanten die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan optanten aan wie het, door de Minister van Buitenlandse Zaken is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de optant zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de optant, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
De Minister van Buitenlandse Zaken controleert bij optieverklaringen die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die in de optieverklaring is genoemd en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie [paragraaf 2.2.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [toelichting bij artikel 6, tweede lid, RWN](onbekend). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan optanten die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan optanten aan wie het, door de Minister van Buitenlandse Zaken is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de optant zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de optant, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
In geval de optant in de afgelopen vijf jaar zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad onderzoekt de IND aan de hand van in Nederland opgevraagde uittreksels uit het register van de Justitiële documentatiedienst (JDD) en gegevens van de korpschef (NSIS, OPS, HKD) de aanwezigheid van mogelijke antecedenten in Nederland. De Minister van Buitenlandse Zaken verzoekt in deze gevallen de IND om verstrekking van deze gegevens.
@@ -1232,7 +1232,7 @@
### Paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
De Minister van Buitenlandse Zaken controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het door de Minister van Buitenlandse Zaken is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
De Minister van Buitenlandse Zaken controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het door de Minister van Buitenlandse Zaken is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
### Paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
@@ -1254,7 +1254,7 @@
### Paragraaf 3.13.1. De oproeping
De Minister van Buitenlandse Zaken roept in beginsel de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar, dan roept de Minister van Buitenlandse Zaken zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie tevens [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2025-04-01&g=2025-04-01) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.6&z=2025-04-01&g=2025-04-01) (tabel oproepen en uitreiken).
De Minister van Buitenlandse Zaken roept in beginsel de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar, dan roept de Minister van Buitenlandse Zaken zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie tevens [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) (tabel oproepen en uitreiken).
### Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
@@ -1274,7 +1274,7 @@
### Artikel 8.1.b. jo. c. jo. d. jo. e. jo. lid 2
In voorkomende gevallen geeft de Minister van Buitenlandse Zaken (meestal) bij de indiening van het verzoek om naturalisatie (door een gemachtigde) op het adviesblad bij punt 6 (zie hiervoor [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2025-04-01&g=2025-04-01) onder alinea ‘Uitzondering ondertekenen bereidverklaring) reeds aan dat het afleggen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid niet mogelijk is vanwege de fysieke of psychische toestand van de verzoeker. Zie [artikel 60b, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b). Daarnaast heeft de Minister van Buitenlandse Zaken ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken) toegevoegd. Zie hiervoor de [toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN](onbekend); bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid ligt bij Onze Minister. De verklaring van verbondenheid is immers een voorwaarde voor naturalisatie. Als uitgangspunt volgt Onze Minister het advies in deze van de Minister van Buitenlandse Zaken.
In voorkomende gevallen geeft de Minister van Buitenlandse Zaken (meestal) bij de indiening van het verzoek om naturalisatie (door een gemachtigde) op het adviesblad bij punt 6 (zie hiervoor [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) onder alinea ‘Uitzondering ondertekenen bereidverklaring) reeds aan dat het afleggen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid niet mogelijk is vanwege de fysieke of psychische toestand van de verzoeker. Zie [artikel 60b, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b). Daarnaast heeft de Minister van Buitenlandse Zaken ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken) toegevoegd. Zie hiervoor de [toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN](onbekend); bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid ligt bij Onze Minister. De verklaring van verbondenheid is immers een voorwaarde voor naturalisatie. Als uitgangspunt volgt Onze Minister het advies in deze van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Het is mogelijk dat, tussen het afleggen van de bereidverklaring en de naturalisatieceremonie waar de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd de fysieke of psychische toestand van de verzoeker is gewijzigd. Het is aan de Minister van Buitenlandse Zaken om te beoordelen of en zo ja op welke wijze de verklaring van verbondenheid onder de gewijzigde omstandigheden wordt afgelegd. Voorbeeld: Indien een verzoeker na het ondertekenen van de bereidverklaring in coma is geraakt, zal hij de verklaring van verbondenheid niet langer kunnen afleggen. In dit geval wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.
@@ -1718,7 +1718,7 @@
Op grond van [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) kunnen verzoekers die oud-Nederlander zijn, verzoekers die drie jaren gehuwd zijn met een Nederlander en daarmee samenwonen én verzoekers die tijdens hun meerderjarigheid in het Koninkrijk zijn geadopteerd door ouders waarvan één de Nederlandse nationaliteit bezit, in aanmerking komen voor naturalisatie ondanks het feit dat zij niet in het Koninkrijk zijn toegelaten en daar evenmin hun hoofdverblijf hebben. Voor deze verzoekers geldt immers niet het vereiste van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) (sedert vijf jaar toelating en hoofdverblijf onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek) (zie de [toelichting bij artikel 8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8)). Het is uiteraard niet de bedoeling dat minderjarige en feitelijk tot het gezin behorende kinderen van deze verzoekers worden uitgesloten van de mogelijkheid tot medeverlening. Dat zou immers afbreuk doen aan het streven dat binnen een gezin zoveel mogelijk eenheid van nationaliteit bestaat. Om die reden is in dit lid bepaald dat voor kinderen van deze verzoekers ‘de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing’ zijn. Onder ‘de vereisten van toelating en hoofdverblijf’ moet in dit verband worden verstaan zowel de onafgebroken periode van toelating en hoofdverblijf van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek alsook de periode van toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf van het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek. De in de onderhavige bepaling bedoelde kinderen kunnen derhalve ook buiten het Koninkrijk in aanmerking komen voor medeverlening.
Het onderhavig artikellid verklaart slechts de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing, hetgeen betekent dat de overige in die leden gestelde vereisten voor medeverlening wél van toepassing zijn. Zo zal bij een verzoek om medeverlening van een kind van zestien jaar of ouder worden getoetst of er afwijzingsgronden van [artikel 9 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) aanwezig zijn (zie [paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=11-2¶graaf=1.1&z=2025-04-01&g=2025-04-01)) en zal het kind uitdrukkelijk moeten instemmen met de medeverlening. Ook het bepaalde in [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) is onverkort van toepassing. Zo zal het betrokken kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, de wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder (mits de wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder in hetzelfde land wonen) worden gewezen op de mogelijkheid om op verzoek een zienswijze omtrent de medeverlening naar voren te brengen (zie [artikel 54, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=54) en de [toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN](onbekend)).
Het onderhavig artikellid verklaart slechts de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing, hetgeen betekent dat de overige in die leden gestelde vereisten voor medeverlening wél van toepassing zijn. Zo zal bij een verzoek om medeverlening van een kind van zestien jaar of ouder worden getoetst of er afwijzingsgronden van [artikel 9 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) aanwezig zijn (zie [paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=11-2¶graaf=1.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01)) en zal het kind uitdrukkelijk moeten instemmen met de medeverlening. Ook het bepaalde in [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) is onverkort van toepassing. Zo zal het betrokken kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, de wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder (mits de wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder in hetzelfde land wonen) worden gewezen op de mogelijkheid om op verzoek een zienswijze omtrent de medeverlening naar voren te brengen (zie [artikel 54, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=54) en de [toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN](onbekend)).
### Paragraaf 1.2. Toelichting Geen vereiste van toelating en hoofdverblijf (Toelichting ad [artikel 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
2025-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2025-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2024-07-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2024-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2023-10-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2023-08-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2023-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2022-09-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — art. 1
2022-07-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — art. 1
2022-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2022-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2021-08-30
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2020-10-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2020-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2019-07-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2018-05-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2016-04-22
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2016-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2016-01-07
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-10-27
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-04-17
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-01-22
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2014-12-25
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2014-11-22
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2014-04-04
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2014-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2013-07-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2013-05-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2010-10-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2010-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2009-04-25
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2009-03-02
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2009-03-02
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — ver
original version
Tekst op deze datum