Wijzigingsgeschiedenis
Besluit van de Minister van Justitie van 30 maart 2009, nummer WBN 2009/1, houdende wijziging van de tekst van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op buiten het Koninkrijk afgelegde optieverklaringen en ingediende naturalisatieverzoeken
37 versions
· 2026-02-01
2026-02-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2026-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2025-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2025-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2024-07-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2024-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2023-10-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2023-08-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2023-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2022-09-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — art. 1
2022-07-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — art. 1
2022-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2022-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2021-08-30
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2020-10-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2020-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2019-07-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2018-05-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2016-04-22
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2016-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2016-01-07
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-10-27
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-04-17
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-01-22
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2014-12-25
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2014-11-22
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2014-04-04
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2014-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2013-07-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2013-05-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2010-10-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2010-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
Wijzigingen op 2010-01-01
@@ -76,7 +76,7 @@
### Paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Het hoofd van de post die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. Daartoe wordt de optant verzocht om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Daarnaast wordt de optant – ter meerdere zekerheid – gevraagd andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte, over te leggen (zie hierna onder [paragraaf 2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5&z=2009-04-25&g=2009-04-25)**(Overige) over te leggen documenten**).
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Het hoofd van de post die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. Daartoe wordt de optant verzocht om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Daarnaast wordt de optant – ter meerdere zekerheid – gevraagd andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte, over te leggen (zie hierna onder [paragraaf 2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01)**(Overige) over te leggen documenten**).
Een optieverklaring ten behoeve van een optant die wegens handelingsonbekwaamheid onder curatele is gesteld, wordt afgelegd door zijn curator.
@@ -98,7 +98,7 @@
Voor dit kind is niet voorgeschreven dat het in persoon verschijnt om een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap. Het verdient wel de voorkeur. Het kind wordt derhalve mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de verkrijging (1.2a, 1.18a en 1.19a) (zie [toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN](359339)).
Hebben kinderen de leeftijd van 16 jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven (model 1.2a, zie ook model 1.21a) ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich – zoveel mogelijk – met een geldig buitenlands reisdocument te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1¶graaf=2.2.1.5&z=2009-04-25&g=2009-04-25)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie [toelichting bij artikel 2, tweede](359339) en [vierde lid, RWN](359339)).
Hebben kinderen de leeftijd van 16 jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven (model 1.2a, zie ook model 1.21a) ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich – zoveel mogelijk – met een geldig buitenlands reisdocument te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1¶graaf=2.2.1.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie [toelichting bij artikel 2, tweede](359339) en [vierde lid, RWN](359339)).
### Paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
@@ -166,13 +166,13 @@
Indien een optant bij het afleggen van de optieverklaring wel bereid is om de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar hij is vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen, dan geldt het volgende. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post tekent de bereidheid van de verzoeker aan op de bereidverklaring, maar de bereidverklaring wordt vervolgens niet ondertekend, immers de verzoeker is hiertoe niet in staat. De overige formulieren kunnen in voorkomende gevallen ingevuld worden door bijvoorbeeld een gemachtigde of curator.
Ook is het mogelijk dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen en vervolgens ook niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hierbij kan gedacht worden aan personen die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan personen aan wie het, door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post, is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Zie hiervoor [artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). Indien bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring reeds aanstonds duidelijk is dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt de bereidverklaring niet ingevuld en wordt er vervolgens geen verklaring van verbondenheid afgelegd. Zie hiervoor [artikel 60a, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en de [toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN](359339). Er moet echter wel ten minste één bewijsstuk(ken) van de onmogelijkheid tot het invullen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid worden overgelegd door bijvoorbeeld een gemachtigde. Zie hiervoor de toelichting bij [artikel 2, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De beoordeling of sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid ligt bij het hoofd van de diplomatieke of consulaire post. Zie hiervoor de [toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN](359339) en [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2009-04-25&g=2009-04-25) Zwaarwegende redenen ([artikel 60a, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid).
Ook is het mogelijk dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen en vervolgens ook niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hierbij kan gedacht worden aan personen die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan personen aan wie het, door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post, is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Zie hiervoor [artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). Indien bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring reeds aanstonds duidelijk is dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt de bereidverklaring niet ingevuld en wordt er vervolgens geen verklaring van verbondenheid afgelegd. Zie hiervoor [artikel 60a, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en de [toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN](359339). Er moet echter wel ten minste één bewijsstuk(ken) van de onmogelijkheid tot het invullen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid worden overgelegd door bijvoorbeeld een gemachtigde. Zie hiervoor de toelichting bij [artikel 2, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De beoordeling of sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid ligt bij het hoofd van de diplomatieke of consulaire post. Zie hiervoor de [toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN](359339) en [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01) Zwaarwegende redenen ([artikel 60a, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid).
In de regel legt degene aan wie de optiebevestiging wordt uitgereikt de verklaring van verbondenheid mondeling af. Zie [artikel 60a, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a). Echter, indien van de optant redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, kan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post bepalen dat de optant de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt. Zie [artikel 60a, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a). Indien bij het afleggen van de optieverklaring reeds door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post geconstateerd is dat van een optant redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, wordt hiervan door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post een aantekening gemaakt in het optiedossier. Deze informatie kan vervolgens bij het toezenden van de uitnodigingbrief voor de naturalisatieceremonie gebruikt worden door bijvoorbeeld alvast de schriftelijke verklaring van verbondenheid toe te sturen.
Indien het hoofd van de diplomatieke of consulaire post een verzoek om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen (gemotiveerd) weigert, is dit een beslissing in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht (Awb)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) waartegen de optant binnen 6 weken bezwaar kan indienen bij het hoofd van de diplomatieke of consulaire post. Vervolgens staat beroep bij de bestuursrechter open.
Indien de optant weigert de bereidverklaring te ondertekenen of op de bereidverklaring aangeeft dat hij niet bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, attendeert het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de optant erop dat hij vanwege zijn weigering het Nederlanderschap niet zal verkrijgen. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post zal de optant ontraden om een optieverklaring af te leggen. De verkrijging van het Nederlanderschap door optie zal worden geweigerd (zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.8&z=2009-04-25&g=2009-04-25)**Weigering bevestiging**).’
Indien de optant weigert de bereidverklaring te ondertekenen of op de bereidverklaring aangeeft dat hij niet bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, attendeert het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de optant erop dat hij vanwege zijn weigering het Nederlanderschap niet zal verkrijgen. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post zal de optant ontraden om een optieverklaring af te leggen. De verkrijging van het Nederlanderschap door optie zal worden geweigerd (zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.8&z=2010-01-01&g=2010-01-01)**Weigering bevestiging**).’
### Paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring
@@ -196,7 +196,7 @@
### Paragraaf 2.2.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
Wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient over te leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.3&z=2009-04-25&g=2009-04-25)):
Wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient over te leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01)):
### Paragraaf 2.2.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
@@ -246,9 +246,9 @@
### Paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post controleert bij optieverklaringen die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die in de optieverklaring is genoemd en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 2.2.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.1&z=2009-04-25&g=2009-04-25) en [toelichting bij artikel 6, tweede lid, RWN](359339)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan optanten die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan optanten aan wie het, door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de optant zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de optant, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36a) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen(zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.8&z=2009-04-25&g=2009-04-25)**Weigering bevestiging**).
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post controleert bij optieverklaringen die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die in de optieverklaring is genoemd en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 2.2.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [toelichting bij artikel 6, tweede lid, RWN](359339)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan optanten die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan optanten aan wie het, door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de optant zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de optant, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36a) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen(zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.8&z=2010-01-01&g=2010-01-01)**Weigering bevestiging**).
### Paragraaf 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
@@ -316,11 +316,11 @@
### Paragraaf 2.9.2.1. Paragraaf 2.9.2.1 Bezwaarschrift gegrond
Indien door de Minister van Buitenlandse Zaken wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekend gemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht. (Zie hierboven [paragraaf 2.6.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2009-04-25&g=2009-04-25)) Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd. (Zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2009-04-25&g=2009-04-25).)
Indien door de Minister van Buitenlandse Zaken wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekend gemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht. (Zie hierboven [paragraaf 2.6.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01)) Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd. (Zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2010-01-01&g=2010-01-01).)
### Paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33a en 1.34a). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht. (Zie hierboven [paragraaf 2.6.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2009-04-25&g=2009-04-25)) Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd. (Zie hierboven [paragraaf 2.7.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2009-04-25&g=2009-04-25))
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33a en 1.34a). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht. (Zie hierboven [paragraaf 2.6.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01)) Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd. (Zie hierboven [paragraaf 2.7.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2010-01-01&g=2010-01-01))
### Paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
@@ -340,7 +340,7 @@
### Paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie
De [regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506) (hierna: RVVN) bevat in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 januari 2007 is dit voor de optiebevestiging veranderd. Vanaf die datum treedt de optiebevestiging voor de daarin genoemde persoon of personen pas in werking door uitreiking van de optiebevestiging, in de regel op de naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Indien het hoofd komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor [artikel 29, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=29), [artikel 60a, vijfde en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a), [artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5), [paragraaf 2.12.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5¶graaf=2.12.5.2&z=2009-04-25&g=2009-04-25) Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2009-04-25&g=2009-04-25) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))). De optiebevestiging wordt aan de betrokkene bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. Het besluit tot bevestiging van de optieverklaring werkt terug tot de dag van de dagtekening door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post (zie ook onder ‘algemeen’ van [paragraaf 2.12.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2009-04-25&g=2009-04-25)).
De [regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506) (hierna: RVVN) bevat in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 januari 2007 is dit voor de optiebevestiging veranderd. Vanaf die datum treedt de optiebevestiging voor de daarin genoemde persoon of personen pas in werking door uitreiking van de optiebevestiging, in de regel op de naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Indien het hoofd komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor [artikel 29, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=29), [artikel 60a, vijfde en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a), [artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5), [paragraaf 2.12.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5¶graaf=2.12.5.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))). De optiebevestiging wordt aan de betrokkene bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. Het besluit tot bevestiging van de optieverklaring werkt terug tot de dag van de dagtekening door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post (zie ook onder ‘algemeen’ van [paragraaf 2.12.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01)).
Op grond van [artikel 60a, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) jo. [artikel 2, sub d, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) is in het buitenland het hoofd van de diplomatieke of consulaire post bevoegd tot uitreiking van de optiebevestiging. Het staat hem vrij om door middel van een machtiging de uitreiking over te dragen aan een ambtenaar van de betreffende diplomatieke of consulaire post. Hij roept de optant tijdig op voor een naturalisatieceremonie. Verschijnt de opgeroepen persoon niet, dan vindt geen uitreiking plaats en wordt een oproeping voor de volgende ceremonie toegezonden. Zonodig wordt een derde oproep per aangetekende post verzonden. Wordt de optiebevestiging niet binnen een jaar na de dag waarop zij is gedagtekend, uitgereikt, dan vervalt zij in de regel. De optant is dan geen Nederlander geworden, maar dient daarvoor een nieuwe optieverklaring af te leggen. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post zal dan opnieuw moeten vaststellen of aan de optievoorwaarden wordt voldaan.
@@ -352,11 +352,11 @@
De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN (tabel: oproepen en uitreiken)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1).
De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking ([artikel 60a, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a), zie tevens [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2009-04-25&g=2009-04-25) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))). Indien de opgeroepen persoon niet verschijnt, en hij heeft geen (succesvol) beroep op zwaarwegende redenen gedaan, wordt hij opnieuw opgeroepen. Na de eerste afwezigheid kan worden nagegaan of de uitnodiging aan het juiste adres is gestuurd. Is de betrokkene ook na de tweede oproep niet verschenen, dan verzendt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post zonodig een derde oproep per aangetekende post. Wie geen van deze drie keren verschijnt, zal daarna zich alsnog voor een uitreiking kunnen melden. De betrokken persoon zal dan voor een (eerst)volgende ceremonie worden uitgenodigd, tenzij de bevestiging – behoudens een eerdere rechterlijke vernietiging van het besluit inzake de wijze van uitreiking – alsdan zou worden uitgereikt één jaar na haar dagtekening. In de oproeping dient de betrokkene in ieder geval ook gewezen te worden op de (automatische) vervaltermijn van een jaar. (Zie [paragraaf 2.12.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2009-04-25&g=2009-04-25)).
De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking ([artikel 60a, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a), zie tevens [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))). Indien de opgeroepen persoon niet verschijnt, en hij heeft geen (succesvol) beroep op zwaarwegende redenen gedaan, wordt hij opnieuw opgeroepen. Na de eerste afwezigheid kan worden nagegaan of de uitnodiging aan het juiste adres is gestuurd. Is de betrokkene ook na de tweede oproep niet verschenen, dan verzendt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post zonodig een derde oproep per aangetekende post. Wie geen van deze drie keren verschijnt, zal daarna zich alsnog voor een uitreiking kunnen melden. De betrokken persoon zal dan voor een (eerst)volgende ceremonie worden uitgenodigd, tenzij de bevestiging – behoudens een eerdere rechterlijke vernietiging van het besluit inzake de wijze van uitreiking – alsdan zou worden uitgereikt één jaar na haar dagtekening. In de oproeping dient de betrokkene in ieder geval ook gewezen te worden op de (automatische) vervaltermijn van een jaar. (Zie [paragraaf 2.12.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01)).
### Paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.4&z=2009-04-25&g=2009-04-25)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt.
De terugwerkende kracht is niet nieuw. Ook nu treedt het besluit tot bevestiging in werking door bekendmaking, die op dit moment niet door uitreiking, maar door toezending per post geschiedt. Ook hier werkt de inwerkingtreding terug tot het moment van ondertekening. En ook hier hebben feiten die zich na de ondertekening voordoen geen invloed op de verkrijging van het Nederlanderschap en treedt het rechtsgevolg in vanaf de dag van dagtekening.
@@ -380,7 +380,7 @@
### Paragraaf 2.12.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))
Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan het hoofd komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen persoon – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond (zie hiervoor verder [paragraaf 2.12.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2009-04-25&g=2009-04-25)).
Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan het hoofd komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen persoon – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond (zie hiervoor verder [paragraaf 2.12.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01)).
Op grond van [artikel 5, vierde lid onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) kan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post komen tot een andere wijze van bekendmaking van het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap dan uitreiking in persoon wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden.
@@ -396,7 +396,7 @@
De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de optant. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent het hoofd van de diplomatieke of consulaire post aan op het afschrift van de optieverklaring dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.6&z=2009-04-25&g=2009-04-25)**Procedurele aspecten na de terugmelding**). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent het hoofd van de diplomatieke of consulaire post aan op het afschrift van de optieverklaring dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01)**Procedurele aspecten na de terugmelding**). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
Indien de optant bij het afleggen van de optieverklaring zich wel bereid heeft verklaard (model 1.36a) de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar hij komt deze toezegging niet na en door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post is geen vrijstelling van het afleggen van deze verklaring gegeven, dan zal de optiebevestiging niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet worden verkregen.
@@ -432,7 +432,7 @@
Voor een enkele optant zal een uitzondering gemaakt moeten worden. Indien van de optant door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1a is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2a de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De optant dient (volgens de dáár geldende regels) bij het afleggen van de optieverklaring wel de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij het hoofd van de diplomatieke of consulaire post ([artikel 60a, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)) en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de optant overgelegde bewijsstuk(ken).
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de optant de optiebevestiging in ontvangst te nemen, overhandigt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de schriftelijke verklaring van verbondenheid. Voor de beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen zie [paragraaf 2.12.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5¶graaf=2.12.5.1&z=2009-04-25&g=2009-04-25). De verklaring van verbondenheid kan ook schriftelijk worden afgelegd indien de optant onredelijk ver zou moeten reizen om de naturalisatieceremonie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen.
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de optant de optiebevestiging in ontvangst te nemen, overhandigt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de schriftelijke verklaring van verbondenheid. Voor de beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen zie [paragraaf 2.12.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5¶graaf=2.12.5.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01). De verklaring van verbondenheid kan ook schriftelijk worden afgelegd indien de optant onredelijk ver zou moeten reizen om de naturalisatieceremonie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen.
In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen dan wel na toezending aan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van de optiebevestiging worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze, hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending van de optiebevestiging aan de optant.
@@ -484,7 +484,7 @@
Vanaf 1 oktober 2006 treedt het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie.
Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019915&artikel=II), Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13&z=2009-04-25&g=2009-04-25).
Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019915&artikel=II), Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
Met ingang van 1 maart 2009 is de bereidheid om bij verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen een nieuwe voorwaarde voor de verkrijging van het Nederlanderschap. In de regel moet tijdens de naturalisatieceremonie de naturalisandus die de bereidverklaring gegeven heeft, de verklaring van verbondenheid afleggen voordat hem het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. Zie ook toelichting bij [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en [artikel 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 8, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 11 vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28).
@@ -510,7 +510,7 @@
### Paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker ([artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) en [artikel 11, vijfde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.2¶graaf=3.2.5&z=2009-04-25&g=2009-04-25). (gemachtigde) (zie model 2.1a). Het hoofd van de post die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Voorts wordt de verzoeker – ter meerdere zekerheid – gevraagd om andere bewijsstukken over te leggen, zoals bijvoorbeeld een geboorteakte. Zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.5&z=2009-04-25&g=2009-04-25)**Over te leggen documenten**.
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.2¶graaf=3.2.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01). (gemachtigde) (zie model 2.1a). Het hoofd van de post die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Voorts wordt de verzoeker – ter meerdere zekerheid – gevraagd om andere bewijsstukken over te leggen, zoals bijvoorbeeld een geboorteakte. Zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01)**Over te leggen documenten**.
### Paragraaf 3.2.2. Medeverlening ([artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
@@ -610,7 +610,7 @@
### Paragraaf 3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) over te leggen (zie voor uitzonderingen hieronder [paragraaf 3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.5¶graaf=3.5.3&z=2009-04-25&g=2009-04-25) (in het verleden overgelegde buitenlandse akten)):
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) over te leggen (zie voor uitzonderingen hieronder [paragraaf 3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.5¶graaf=3.5.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) (in het verleden overgelegde buitenlandse akten)):
### Paragraaf 3.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
@@ -654,9 +654,9 @@
### Paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2009-04-25&g=2009-04-25) Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30a) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.9&z=2009-04-25&g=2009-04-25)).’
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30a) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01)).’
### Paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
@@ -710,7 +710,7 @@
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 56, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)). In geval van een positieve beslissing stuurt de IND het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap onverwijld aan de Minister van Buitenlandse Zaken, die het doorstuurt naar het hoofd van de diplomatieke of consulaire post in het ressort waar de verzoeker woonplaats heeft. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit (zie [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13&z=2009-04-25&g=2009-04-25)). Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de meegenaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit tot stand gekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 56, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)). In geval van een positieve beslissing stuurt de IND het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap onverwijld aan de Minister van Buitenlandse Zaken, die het doorstuurt naar het hoofd van de diplomatieke of consulaire post in het ressort waar de verzoeker woonplaats heeft. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit (zie [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13&z=2010-01-01&g=2010-01-01)). Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de meegenaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit tot stand gekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
### Paragraaf 3.11. Bezwaar
@@ -734,7 +734,7 @@
### Paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
De [regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506) (hierna: RVVN) bevat in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 oktober 2006 is dit voor het naturalisatiebesluit veranderd ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5)). Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Indien het hoofd komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor [artikel 56, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56), [artikel 60b, vijfde en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b), [artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5), [paragraaf 3.13.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.5¶graaf=3.13.5.2&z=2009-04-25&g=2009-04-25) Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2009-04-25&g=2009-04-25) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5))).
De [regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506) (hierna: RVVN) bevat in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 oktober 2006 is dit voor het naturalisatiebesluit veranderd ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5)). Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Indien het hoofd komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor [artikel 56, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56), [artikel 60b, vijfde en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b), [artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5), [paragraaf 3.13.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.5¶graaf=3.13.5.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5))).
Het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt aan de naturalisandus bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. De naturalisandus moet daadwerkelijk op een naturalisatieceremonie verschijnen om rechten te kunnen ontlenen aan het naturalisatiebesluit. Verschijnt de naturalisandus niet, dan kan de verklaring van verbondenheid niet worden afgelegd en het uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet worden bekendgemaakt.
@@ -748,17 +748,17 @@
### Paragraaf 3.13.1. De oproeping
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post roept in beginsel de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar, dan roept het hoofd van de diplomatieke of consulaire post zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b), zie tevens [paragraaf 3.13.3 Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2009-04-25&g=2009-04-25)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post roept in beginsel de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar, dan roept het hoofd van de diplomatieke of consulaire post zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b), zie tevens [paragraaf 3.13.3 Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).
De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking ([artikel 60b, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Indien de opgeroepen persoon niet verschijnt, en hij heeft geen (succesvol) beroep op zwaarwegende redenen gedaan, wordt hij opnieuw opgeroepen.
Na de eerste afwezigheid kan worden nagegaan of de uitnodiging aan het juiste adres is gestuurd. Is de betrokkene ook na de tweede oproep niet verschenen, dan verzendt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post – zonodig – een derde oproep per aangetekende post. Wie geen van deze drie keren verschijnt, zal daarna zich alsnog voor een uitreiking kunnen melden. De betrokken persoon zal dan voor een (eerst)volgende ceremonie worden uitgenodigd, tenzij het desbetreffende uittreksel – behoudens een eerdere rechterlijke vernietiging van het besluit inzake de wijze van uitreiking – alsdan zou worden uitgereikt één jaar na dagtekening ervan.
In de oproeping dient de betrokkene in ieder geval ook gewezen te worden op de (automatische) vervaltermijn van een jaar. (Zie [paragraaf 3.13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.2&z=2009-04-25&g=2009-04-25)).
In de oproeping dient de betrokkene in ieder geval ook gewezen te worden op de (automatische) vervaltermijn van een jaar. (Zie [paragraaf 3.13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01)).
### Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene, nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, is afgelegd (zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2009-04-25&g=2009-04-25)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt.
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene, nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, is afgelegd (zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt.
De terugwerkende kracht is niet nieuw. Ook nu treedt het naturalisatiebesluit in werking door bekendmaking, die op dit moment niet door uitreiking, maar door toezending per post geschiedt. Deze schriftelijke bekendmaking vindt plaats omstreeks acht weken nadat het besluit is ondertekend. Ook hier werkt de inwerkingtreding terug tot het moment van die ondertekening. En ook hier hebben feiten die zich na de ondertekening voordoen geen invloed op de verkrijging van het Nederlanderschap en treedt het rechtsgevolg in vanaf de dag van dagtekening.
@@ -782,7 +782,7 @@
### Paragraaf 3.13.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))
Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan het hoofd komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen persoon – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond (zie hiervoor verder [paragraaf 3.13.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4&z=2009-04-25&g=2009-04-25).).
Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan het hoofd komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen persoon – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond (zie hiervoor verder [paragraaf 3.13.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01).).
Op grond van [artikel 5, vierde lid onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) kan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post komen tot een andere wijze van bekendmaking van het uittreksel uit het naturalisatiebesluit dan uitreiking in persoon wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden.
@@ -798,7 +798,7 @@
De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de verzoeker. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post houdt van verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009 bij óf een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent het hoofd van de diplomatieke of consulaire post aan op het terugmeldformulier (model 2.29a of 2.29b) dat, via het ministerie van Buitenlandse Zaken, aan de IND wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2009-04-25&g=2009-04-25) Procedurele aspecten na de terugmelding).
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post houdt van verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009 bij óf een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent het hoofd van de diplomatieke of consulaire post aan op het terugmeldformulier (model 2.29a of 2.29b) dat, via het ministerie van Buitenlandse Zaken, aan de IND wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01) Procedurele aspecten na de terugmelding).
Vanaf 1 maart 2009 moet iedere meerderjarige verzoeker, die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie heeft ingediend, op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen.
@@ -838,13 +838,13 @@
Voor een enkele naturalisandus kan een uitzondering gemaakt worden. Indien van de naturalisandus door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1a is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2a de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De verzoeker moet (volgens de dáár geldende regels) bij het indienen van het verzoek om naturalisatie wel de bereidverklaring invullen en ondertekenen. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij het hoofd van de diplomatieke of consulaire post (zie [artikel 60a, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)) en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de optant overgelegde bewijsstuk(ken).
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij het hoofd van de diplomatieke of consulaire post (zie tevens [paragraaf 3.13.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.5¶graaf=3.13.5.1&z=2009-04-25&g=2009-04-25)). De verklaring van verbondenheid kan ook schriftelijk worden afgelegd indien de optant onredelijk ver zou moeten reizen om de naturalisatie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen.
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij het hoofd van de diplomatieke of consulaire post (zie tevens [paragraaf 3.13.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.5¶graaf=3.13.5.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01)). De verklaring van verbondenheid kan ook schriftelijk worden afgelegd indien de optant onredelijk ver zou moeten reizen om de naturalisatie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen.
In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen dan wel na toezending aan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van het naturalisatiebesluit worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze. Hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de ceremonie om of aan toezending van de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap aan de naturalisandus.
Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Is de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat de verklaring van verbondenheid mondeling of schriftelijk af te leggen, dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. Indien de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt, zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.
In voorkomende gevallen geeft het hoofd van de diplomatieke of consulaire post (meestal) bij de indiening van het verzoek om naturalisatie (door een gemachtigde) op het adviesblad bij punt 6 (zie hiervoor [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2009-04-25&g=2009-04-25) onder alinea ‘Uitzondering ondertekenen bereidverklaring) reeds aan dat het afleggen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid niet mogelijk is vanwege de fysieke of psychische toestand van de verzoeker. Zie [artikel 60b, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b). Daarnaast heeft het hoofd van de diplomatieke of consulaire post ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken) toegevoegd. Zie hiervoor de [toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN](359339); bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid ligt bij de Minister van Justitie. De verklaring van verbondenheid is immers een voorwaarde voor naturalisatie. Als uitgangspunt volgt de Minister van Justitie het advies in deze van het hoofd van de diplomatieke of consulaire post.
In voorkomende gevallen geeft het hoofd van de diplomatieke of consulaire post (meestal) bij de indiening van het verzoek om naturalisatie (door een gemachtigde) op het adviesblad bij punt 6 (zie hiervoor [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) onder alinea ‘Uitzondering ondertekenen bereidverklaring) reeds aan dat het afleggen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid niet mogelijk is vanwege de fysieke of psychische toestand van de verzoeker. Zie [artikel 60b, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b). Daarnaast heeft het hoofd van de diplomatieke of consulaire post ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken) toegevoegd. Zie hiervoor de [toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN](359339); bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid ligt bij de Minister van Justitie. De verklaring van verbondenheid is immers een voorwaarde voor naturalisatie. Als uitgangspunt volgt de Minister van Justitie het advies in deze van het hoofd van de diplomatieke of consulaire post.
Het is mogelijk dat, tussen het afleggen van de bereidverklaring en de naturalisatieceremonie waar de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd de fysieke of psychische toestand van de verzoeker is gewijzigd. Het is aan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post om te beoordelen of en zo ja op welke wijze de verklaring van verbondenheid onder de gewijzigde omstandigheden wordt afgelegd. Voorbeeld: Indien een verzoeker na het ondertekenen van de bereidverklaring in coma is geraakt, zal hij de verklaring van verbondenheid niet langer kunnen afleggen. In dit geval wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.
@@ -908,9 +908,7 @@
Bij een verzoek in het buitenland legt de aspirant-verzoeker (vóór indiening van het verzoek) het inburgeringsexamen af op de post. Indien het inburgeringsexamen op de post wordt afgelegd dient betrokkene enkel het centraal deel van het examen te behalen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen. Het praktijkdeel van het examen hoeft betrokkene niet af te leggen. Het centraal deel van het examen bestaat uit drie examens die met behulp van de computer worden afgenomen: kennis van de Nederlandse samenleving (KNS), het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN).
Indien de verzoeker het inburgeringsexamen dient af te leggen, deelt het hoofd van de post dit aan hem mee en bepaalt het hoofd van de post in overleg met hem een datum waarop het examen afgelegd kan worden. Het hoofd van de post stelt de aspirant-verzoeker op de hoogte van de onderdelen van het examen die afgelegd dienen te worden, het te behalen niveau, de wijze waarop het examen is ingericht, de volgorde en de kosten die betaald dienen te worden (€ 350). Het hoofd deelt aan de verzoeker mee dat de beoordeling van het inburgeringsexamen zal geschieden door de IB-Groep. De IB-Groep informeert door tussenkomst van DCZ/CJ de post over de examenuitslag.
Ook wordt verzoeker in dit stadium gewezen op de mogelijkheid in aanmerking te komen voor (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing. Voor de procedure hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende paragrafen hieronder.
Indien de verzoeker het inburgeringsexamen dient af te leggen, deelt het hoofd van de post dit aan hem mee en bepaalt het hoofd van de post in overleg met hem een datum waarop het examen afgelegd kan worden. Het hoofd van de post stelt de aspirant-verzoeker op de hoogte van de onderdelen van het examen die afgelegd dienen te worden, het te behalen niveau, de wijze waarop het examen is ingericht, de volgorde en de kosten die betaald dienen te worden (€350 ). Het hoofd deelt aan de verzoeker mee dat de beoordeling van het inburgeringsexamen zal geschieden door DUO. De DUO informeert door tussenkomst van DCM de post over de examenuitslag. Ook wordt verzoeker in dit stadium gewezen op de mogelijkheid in aanmerking te komen voor (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing. Voor de procedure hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende paragrafen hieronder.
Indien verzoeker het inburgeringsexamen wenst af te leggen, laat het hoofd van de post hem een aanmeldingsformulier invullen, dat door verzoeker dient te worden ondertekend. Betrokkene voldoet het daarvoor geldende tarief aan het hoofd van de post. Het hoofd van de post neemt het ondertekende formulier op in het naturalisatiedossier van betrokkene. Het hoofd van de post handelt overeenkomstig het examenreglement naturalisatietoets in het buitenland ([artikel 3, vierde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=3)).
@@ -920,66 +918,90 @@
Voorts worden de onderdelen kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) en het elektronisch praktijkexamen (EPE) afgenomen. Deze onderdelen worden afgenomen middels een laptop.
Het hoofd van de post stuurt het gemaakte examen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken (DCZ/CJ) ter beoordeling op aan de IB-Groep.
Nadat het hoofd van de post het resultaat heeft ontvangen van de IB-Groep, stuurt hij dit terstond door aan betrokkene en voegt een afschrift van het resultaat in het naturalisatiedossier van betrokkene.
Het hoofd van de post stuurt het gemaakte examen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken (DCM) ter beoordeling op aan de DUO.
Nadat het hoofd van de post het resultaat heeft ontvangen van de DUO, stuurt hij dit terstond door aan betrokkene en voegt een afschrift van het resultaat in het naturalisatiedossier van betrokkene.
In geval betrokkene niet alle onderdelen (op A2 niveau) heeft behaald wordt betrokkene ontraden een verzoek tot naturalisatie in te dienen. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post stelt verzoeker in kennis van die onderdelen die niet zijn behaald en wijst hem op de mogelijkheid om het examen of onderdelen daarvan opnieuw af te leggen. Staat betrokkene er in dit stadium toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door het hoofd van de post erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND zal worden afgewezen, en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. Het hoofd van de post kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21a. Het hoofd van de post neemt in zijn advies op dat hij in geval van betrokkene bezwaar maakt tegen de verlening van het Nederlanderschap. (zie verder [paragraaf 2.1.2 onder artikel 8, eerste lid , aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.1.2)).
In geval van een positief resultaat reikt het hoofd van de post het inburgeringsdiploma uit. Een gewaarmerkt afschrift voegt hij in het dossier van betrokkene. Betrokkene wordt daarbij in de gelegenheid gesteld een verzoek in te dienen. Het verzoek dient -in beginsel- te worden ingediend op de post waar verzoeker het inburgeringsexamen met goed gevolg heeft afgelegd.
In geval van een positief resultaat reikt het hoofd van de post het inburgeringsdiploma uit. Een gewaarmerkt afschrift voegt hij in het dossier van betrokkene. Betrokkene wordt daarbij in de gelegenheid gesteld een verzoek in te dienen. Het verzoek dient – in beginsel – te worden ingediend op de post waar verzoeker het inburgeringsexamen met goed gevolg heeft afgelegd.
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen ([paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.2))
Bij twijfel aan de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens kan het hoofd van de post -door tussenkomst van DCM- contact opnemen met de instantie waar het document is afgegeven of met de DUO. Het is in eerste instantie aan betrokkene zelf om te onderzoeken of het document recht op vrijstelling geeft.
In geval betrokkene slechts een kopie van een getuigschrift of diploma overlegt, dient hij tevens een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut over te leggen waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma. Ter verificatie neemt het hoofd van de post – door tussenkomst van DCM – contact op met het instituut waar het getuigschrift of diploma is uitgereikt en dat de verklaring heeft afgelegd. Indien een recente verklaring van de leiding van het betrokkene onderwijsinstituut niet overgelegd kan worden, dient betrokkene het inburgeringsexamen af te leggen.
In geval betrokkene slechts een kopie van een getuigschrift of diploma overlegt, dient hij tevens een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut over te leggen waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma. Ter verificatie neemt het hoofd van de post – door tussenkomst van DCZ/CJ – contact op met het instituut waar het getuigschrift of diploma is uitgereikt en dat de verklaring heeft afgelegd. Indien een recente verklaring van de leiding van het betrokkene onderwijsinstituut niet overgelegd kan worden, dient betrokkene het inburgeringsexamen af te leggen.
### Paragraaf 2.3. Belemmering
In de procedure wordt onderscheid gemaakt tussen ontheffing wegens een psychische en/of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap en ontheffing wegens het redelijkerwijs niet in staat zijn het examen te behalen (‘niet gealfabetiseerd’ zijn).
Bij de medische belemmering geldt dat indien te verwachten is dat betrokkene niet binnen vijf jaren op reguliere wijze of met bijzondere examenomstandigheden het examen kan afleggen, reden tot ontheffing bestaat. Eenzelfde termijn van vijf jaren wordt gehanteerd bij de beoordeling of het voor betrokkene redelijkerwijs mogelijk is om het inburgeringsexamen te behalen.
In geval van ontheffing onderzoekt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post of aan de voorwaarden wordt voldaan. Betrokkene dient zelf aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. In alle gevallen moet ervan uitgegaan worden dat ontheffing alleen in uitzonderlijke gevallen wordt verleend. Voordat hij het verzoek om naturalisatie in behandeling neemt, onderzoekt het hoofd van de post of aan de voorwaarden voor ontheffing wordt voldaan.
Hij doet dit in het geval van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap aan de hand van een gemotiveerde verklaring van een arts of deskundige, die op de dag van indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan zes maanden. Uit die verklaring moet blijken dat er sprake is van een belemmering of een handicap op grond waarvan betrokkene niet in staat is binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. Het hoofd van de post baseert zich bij zijn oordeel op vorengenoemde verklaring en neemt dit op in zijn advies aan de IND. Bij twijfel kan hij het advies, door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken – en alvorens het verzoek in behandeling te nemen – door de IND laten controleren. De IND neemt in dat geval onmiddellijk een beslissing omtrent het beroep op ontheffing en stelt de post hiervan in kennis.
Indien betrokkene zich erop beroept dat op grond van door hem geleverde inspanningen het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen binnen vijf jaar te behalen dient hij zich te wenden tot het ROC van Amsterdam. Voor deze procedure wordt verwezen naar [paragraaf 2.3.3 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.3.3). De kosten van het onderzoek dienen door betrokkene zelf betaald te worden. Gebruik kan worden gemaakt van model 2.28a.
Los hiervan zal betrokkene de toets gesproken Nederlands op A2 niveau dienen te behalen.
In geval betrokkene voldoende heeft aangetoond dat hij voor ontheffing in aanmerking komt, neemt het hoofd van de post het verzoek om naturalisatie in behandeling.
In geval betrokkene voldoende heeft aangetoond dat hij voor ontheffing in aanmerking komt, neemt het hoofd van de post het verzoek om naturalisatie in behandeling.
### Paragraaf 3. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander ([artikel 8.2, paragraaf 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=1.2))
Een buitenlands huwelijk moet overigens blijken uit een naar Nederlands recht erkende huwelijksakte. Van belang isdat het huwelijk of het in Nederland geregistreerd partnerschap van drie jaar op het moment van het verzoek nog in stand is. Aan de hand van actuele officiële stukken moet dit worden aangetoond.
Een buitenlands huwelijk moet overigens blijken uit een naar Nederlands recht erkende huwelijksakte. Van belang isdat het huwelijk of het in Nederland geregistreerd partnerschap van drie jaar op het moment van het verzoek nog in stand is. Aan de hand van actuele officiële stukken moet dit worden aangetoond.
### Paragraaf 1.1. Toelichting Openbare orde (Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
### Paragraaf 1.1. Toelichting Openbare orde (Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
Verzoeken om medeverlening voor kinderen die bij het indienen van het verzoek van de ouder zestien jaar of ouder zijn, worden afgewezen indien er op grond van hun gedrag ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 9, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9). Bij deze groep kinderen wordt op dezelfde wijze als bij meerderjarige verzoekers beoordeeld of er openbare orde aspecten zijn op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN (paragraaf 6.1)](359339).
### Paragraaf 1.2. Toelichting Geen vereiste van toelating en hoofdverblijf (Toelichting ad [artikel 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
Ingevolge [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) kunnen verzoekers die oud-Nederlander zijn, verzoekers die drie jaren gehuwd zijn met een Nederlander en daarmee samenwonen én verzoekers die tijdens hun meerderjarigheid in het Koninkrijk zijn geadopteerd door ouders waarvan één de Nederlandse nationaliteit bezit, in aanmerking komen voor naturalisatie ondanks het feit dat zij niet in het Koninkrijk zijn toegelaten en daar evenmin hun hoofdverblijf hebben. Voor deze verzoekers geldt immers niet het vereiste van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) (sedert vijf jaar toelating en hoofdverblijf onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek) (zie de [toelichting bij artikel 8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8)). Het is uiteraard niet de bedoeling dat minderjarige en feitelijk tot het gezin behorende kinderen van deze verzoekers worden uitgesloten van de mogelijkheid tot medeverlening. Dat zou immers afbreuk doen aan het streven dat binnen een gezin zoveel mogelijk eenheid van nationaliteit bestaat. Om die reden is in dit lid bepaald dat voor kinderen van deze verzoekers ‘de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing’ zijn. Onder ‘de vereisten van toelating en hoofdverblijf’ moet in dit verband worden verstaan zowel de onafgebroken periode van toelating en hoofdverblijf van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek alsook de periode van toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf van het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek. De in de onderhavige bepaling bedoelde kinderen kunnen derhalve ook buiten het Koninkrijk in aanmerking komen voor medeverlening.
Het onderhavig artikellid verklaart slechts de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing, hetgeen betekent dat de overige in die leden gestelde vereisten voor medeverlening wél van toepassing zijn. Zo zal bij een verzoek om medeverlening van een kind van zestien jaar of ouder worden getoetst of er afwijzingsgronden van [artikel 9 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)aanwezig zijn (zie [paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=11-2¶graaf=1.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01)) en zal het kind uitdrukkelijk moeten instemmen met de medeverlening. Ook het bepaalde in [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) is onverkort van toepassing. Zo zal het betrokken kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, de wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder (mits de wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder in hetzelfde land wonen) worden gewezen op de mogelijkheid om op verzoek een zienswijze omtrent de medeverlening naar voren te brengen (zie [artikel 54, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=54) en de [toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN](359339)).
Ingevolge [artikel 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) is in het buitenland het hoofd van de diplomatieke of consulaire post bevoegd een verzoek om (mede)naturalisatie in ontvangst te nemen. De [artikelen 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32), en [51 tot en met 56 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) voor de administratieve behandeling van verzoeken om naturalisatie vanuit het buitenland zijn van toepassing. Net als bij een verzoek in het Koninkrijk dient de ouder derhalve de kinderen die hij in zijn verzoek wenst te betrekken, te vermelden in zijn verzoek om naturalisatie en verstrekt hij voor zoveel mogelijk de relevante gegevens betreffende zichzelf en die kinderen.
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. ‘Feitelijk behoren tot het gezin’ van de vader of moeder houdt in het kader van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s). De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
Ingevolge [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) wordt een verzoek om naturalisatie van een vreemdeling als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) afgewezen, indien hij zijn hoofdverblijf heeft in het land waarvan hij onderdaan is. In [artikel 11, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) is opgenomen dat deze afwijzingsgrond eveneens geldt voor de mee te naturaliseren kinderen van die persoon (zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](359339)).
Samengevat gelden voor het in deze bepaling bedoelde kind de volgende voorwaarden:
Samengevat gelden voor het in deze bepaling bedoelde kind de volgende voorwaarden:
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen ([paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.2))
Om voor vrijstelling in aanmerking te kunnen komen, dient betrokkene het document over te leggen op grond waarvan hij stelt te zijn vrijgesteld (zie [paragraaf 2.2 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.2)). Het hoofd van de post onderzoekt of het document recht op vrijstelling geeft. Is dit niet het geval, dan licht hij betrokkene hierover in.
Bij twijfel aan de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens kan het hoofd van de post – door tussenkomst van DCZ/CJ – contact opnemen met de instantie waar het document is afgegeven of met de IB-Groep. Het is in eerste instantie aan betrokkene zelf om te onderzoeken of het document recht op vrijstelling geeft.
In geval betrokkene slechts een kopie van een getuigschrift of diploma overlegt, dient hij tevens een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut over te leggen waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma. Ter verificatie neemt het hoofd van de post – door tussenkomst van DCZ/CJ – contact op met het instituut waar het getuigschrift of diploma is uitgereikt en dat de verklaring heeft afgelegd. Indien een recente verklaring van de leiding van het betrokkene onderwijsinstituut niet overgelegd kan worden, dient betrokkene het inburgeringsexamen af te leggen.
### Paragraaf 2.3. Belemmering
Ingevolge [artikel 4 Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4) juncto [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=5) en [6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6) is een verzoeker tot naturalisatie ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen, indien de verzoeker heeft aangetoond:
In de procedure wordt onderscheid gemaakt tussen ontheffing wegens een psychische en/of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap en ontheffing wegens het redelijkerwijs niet in staat zijn het examen te behalen (‘niet gealfabetiseerd’ zijn).
Bij de medische belemmering geldt dat indien te verwachten is dat betrokkene niet binnen vijf jaren op reguliere wijze of met bijzondere examenomstandigheden het examen kan afleggen, reden tot ontheffing bestaat. Eenzelfde termijn van vijf jaren wordt gehanteerd bij de beoordeling of het voor betrokkene redelijkerwijs mogelijk is om het inburgeringsexamen te behalen.
In geval van ontheffing onderzoekt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post of aan de voorwaarden wordt voldaan. Betrokkene dient zelf aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. In alle gevallen moet ervan uitgegaan worden dat ontheffing alleen in uitzonderlijke gevallen wordt verleend. Voordat hij het verzoek om naturalisatie in behandeling neemt, onderzoekt het hoofd van de post of aan de voorwaarden voor ontheffing wordt voldaan.
Hij doet dit in het geval van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap aan de hand van een gemotiveerde verklaring van een arts of deskundige, die op de dag van indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan zes maanden. Uit die verklaring moet blijken dat er sprake is van een belemmering of een handicap op grond waarvan betrokkene niet in staat is binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. Het hoofd van de post baseert zich bij zijn oordeel op vorengenoemde verklaring en neemt dit op in zijn advies aan de IND. Bij twijfel kan hij het advies, door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken – en alvorens het verzoek in behandeling te nemen – door de IND laten controleren. De IND neemt in dat geval onmiddellijk een beslissing omtrent het beroep op ontheffing en stelt de post hiervan in kennis.
Indien betrokkene zich erop beroept dat op grond van door hem geleverde inspanningen het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen binnen vijf jaar te behalen dient hij zich te wenden tot het ROC van Amsterdam. Voor deze procedure wordt verwezen naar [paragraaf 2.3.3 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.3.3). De kosten van het onderzoek dienen door betrokkene zelf betaald te worden. Gebruik kan worden gemaakt van model 2.28a.
Los hiervan zal betrokkene de toets gesproken Nederlands op A2 niveau dienen te behalen.
In geval betrokkene voldoende heeft aangetoond dat hij voor ontheffing in aanmerking komt, neemt het hoofd van de post het verzoek om naturalisatie in behandeling.
### Paragraaf 3. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander ([artikel 8.2, paragraaf 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=1.2))
Samenwoning buiten het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen moet de verzoeker met andere bewijsstukken aantonen dat sprake is geweest van drie jaar feitelijke samenwoning met de Nederlandse echtgenoot. Hierbij wordt onder meer gedacht aan een combinatie van stukken zoals een huurovereenkomst, bankafschriften, rekeningen en officiële documenten van een overheidsinstantie. Van belang is dat in deze stukken de personalia van de verzoeker en het betreffende samenwoonadres worden vermeld.
Een buitenlands huwelijk moet overigens blijken uit een naar Nederlands recht erkende huwelijksakte. Van belang isdat het huwelijk of het in Nederland geregistreerd partnerschap van drie jaar op het moment van het verzoek nog in stand is. Aan de hand van actuele officiële stukken moet dit worden aangetoond.
### Artikel 11-2. jo. lid 3 jo. lid 6
### Paragraaf 1.1. Toelichting Openbare orde (Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
Verzoeken om medeverlening voor kinderen die bij het indienen van het verzoek van de ouder zestien jaar of ouder zijn, worden afgewezen indien er op grond van hun gedrag ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 9, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9). Bij deze groep kinderen wordt op dezelfde wijze als bij meerderjarige verzoekers beoordeeld of er openbare orde aspecten zijn op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN (paragraaf 6.1)](359339).
### Paragraaf 1.2. Toelichting Geen vereiste van toelating en hoofdverblijf (Toelichting ad [artikel 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
De vereisten van toelating en van hoofdverblijf van het [tweede en derde lid van artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) zijn niet van toepassing op het minderjarige kind van een vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en die met toepassing van het [tweede lid van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) het Nederlanderschap verkrijgt, mits het kind feitelijk tot het gezin van deze ouder behoort en zijn hoofdverblijf niet heeft in het land waarvan hij onderdaan is.
Ingevolge [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) kunnen verzoekers die oud-Nederlander zijn, verzoekers die drie jaren gehuwd zijn met een Nederlander en daarmee samenwonen én verzoekers die tijdens hun meerderjarigheid in het Koninkrijk zijn geadopteerd door ouders waarvan één de Nederlandse nationaliteit bezit, in aanmerking komen voor naturalisatie ondanks het feit dat zij niet in het Koninkrijk zijn toegelaten en daar evenmin hun hoofdverblijf hebben. Voor deze verzoekers geldt immers niet het vereiste van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) (sedert vijf jaar toelating en hoofdverblijf onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek) (zie de [toelichting bij artikel 8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8)). Het is uiteraard niet de bedoeling dat minderjarige en feitelijk tot het gezin behorende kinderen van deze verzoekers worden uitgesloten van de mogelijkheid tot medeverlening. Dat zou immers afbreuk doen aan het streven dat binnen een gezin zoveel mogelijk eenheid van nationaliteit bestaat. Om die reden is in dit lid bepaald dat voor kinderen van deze verzoekers ‘de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing’ zijn. Onder ‘de vereisten van toelating en hoofdverblijf’ moet in dit verband worden verstaan zowel de onafgebroken periode van toelating en hoofdverblijf van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek alsook de periode van toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf van het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek. De in de onderhavige bepaling bedoelde kinderen kunnen derhalve ook buiten het Koninkrijk in aanmerking komen voor medeverlening.
Het onderhavig artikellid verklaart slechts de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing, hetgeen betekent dat de overige in die leden gestelde vereisten voor medeverlening wél van toepassing zijn. Zo zal bij een verzoek om medeverlening van een kind van zestien jaar of ouder worden getoetst of er afwijzingsgronden van [artikel 9 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)aanwezig zijn (zie [paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=11-2¶graaf=1.1&z=2009-04-25&g=2009-04-25)) en zal het kind uitdrukkelijk moeten instemmen met de medeverlening. Ook het bepaalde in [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) is onverkort van toepassing. Zo zal het betrokken kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, de wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder (mits de wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder in hetzelfde land wonen) worden gewezen op de mogelijkheid om op verzoek een zienswijze omtrent de medeverlening naar voren te brengen (zie [artikel 54, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=54) en de [toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN](359339)).
Ingevolge [artikel 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) is in het buitenland het hoofd van de diplomatieke of consulaire post bevoegd een verzoek om (mede)naturalisatie in ontvangst te nemen. De [artikelen 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32), en [51 tot en met 56 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) voor de administratieve behandeling van verzoeken om naturalisatie vanuit het buitenland zijn van toepassing. Net als bij een verzoek in het Koninkrijk dient de ouder derhalve de kinderen die hij in zijn verzoek wenst te betrekken, te vermelden in zijn verzoek om naturalisatie en verstrekt hij voor zoveel mogelijk de relevante gegevens betreffende zichzelf en die kinderen.
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. ‘Feitelijk behoren tot het gezin’ van de vader of moeder houdt in het kader van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s). De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
Ingevolge [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) wordt een verzoek om naturalisatie van een vreemdeling als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) afgewezen, indien hij zijn hoofdverblijf heeft in het land waarvan hij onderdaan is. In [artikel 11, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) is opgenomen dat deze afwijzingsgrond eveneens geldt voor de mee te naturaliseren kinderen van die persoon (zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](359339)).
Samengevat gelden voor het in deze bepaling bedoelde kind de volgende voorwaarden:
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
2009-04-25
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2009-03-02
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2009-03-02
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — ver
original version
Tekst op deze datum